Skip to main content

KU Leuven Magazine Sonar n°1 - Sept 2020

Page 1

Nr 1 – september 2020

WWW.KULEUVEN.BE/STORIES Sonar

KU Leuven-magazine

Driemaandelijkse uitgave — P409886 — Afgiftekantoor: Leuven Masspost — V.U.: Dienst marketing en communicatie, Isabelle Van Geet, Minderbroedersstraat 8, 3000 Leuven

KU Leuven. Inspiring the Outstanding.

Sonar Nr 1 – september 2020

vorsers vs. het virus

KU Leuven-magazine


Colofon Dit magazine is een uitgave van KU Leuven Hoofdredactie

Tamara Broos Nel Bruneel Isabelle Van Geet Redactie en beeldredactie

kuleuven LeuvenU kuleuven

WWW.KULEUVEN.BE/STORIES

Pieter-Jan Borgelioen Greg Pokusa Ine Van Houdenhove Reiner Van Hove Wouter Verbeylen Fotografie

Rob Stevens

Werkten mee aan dit nummer

Saskia De Coster, Ilse Frederickx, Pieter Heylen, Jo Huys, Lothe Ramakers, Bert Van Hirtum, Julie Willems, Julie Zaman Met dank aan

Kjell Corens (Universiteitsarchief) Contact

Sonar@kuleuven.be Abonnement

U kan een abonnement nemen op Sonar op www.kuleuven.be/stories. Vormgeving

Freelancers

Altera

Hilde De Voghel Gaston Kooijmans

Druk

Van der Poorten


3

Edito — Luc Sels Rector KU Leuven

A

lweer breekt een nieuw academiejaar aan. Het wordt er één als weinige andere, een academiejaar waarin een wereldwijd en voorlopig ongrijpbaar virus ons zal dwingen tot voortdurende omzichtigheid. Maandenlang heeft het ons leven beheerst. Het heeft chaos, onzekerheid en zelfs angst gebracht. Het heeft grenzen gesloten, maar ook geesten geopend. Als corona iets aantoont, is het wel hoe belangrijk wetenschappelijk onderzoek is. Het is onuitgegeven, hoe een hele maatschappij handelt en wandelt volgens het voortschrijdend inzicht in laboratoria, hoe alle ogen gericht zijn op het dagelijkse gezondheidsrapport van virologen en epidemiologen, hoe één enkel woord -curveonrust kan zaaien of hoop kan geven. Wetenschap als Netflix-serie, cliffhangers inbegrepen. En net nu, in deze bizarre omstandigheden, komt uitgerekend KU Leuven, de onderzoeksuniversiteit bij uitstek, met een nieuw magazine. De naam, Sonar, verraadt al de bedoeling: een sonar zendt signalen uit en localiseert objecten via de teruggekaatste echo’s. Walvissen en dolfijnen gebruiken sonar, net zoals vleermuizen; niet bepaald een soort die dit jaar de shortlist van de Pop Poll zal halen. Toch is dat exact wat Sonar beoogt: signalen uitsturen, die de maatschappij opvangt en waarop zij reageert. Het omgekeerde is ook waar: de wereld verandert KU Leuven, en net daardoor kan onze universiteit de wereld veranderen en, hopelijk, verbeteren. Sonar past naadloos in wat wij beschouwen als onze maatschappelijke opdracht en zal daarover ook berichten, vanaf dit nummer al.

De wereld verandert KU Leuven, en net daardoor kan KU Leuven de wereld veranderen. Neem nu KU Leuven Engage, een beweging waarmee wij de meest kwetsbaren in onze samenleving willen ondersteunen. Niet zomaar ad hoc maar structureel, met ons hele gewicht. Dat gebeurt onder meer via service-learning. Studenten geven hun academische kennis door, niet in een aula of labo, maar met beide voeten op de grond, bij kinderen in een woonwagenpark of gedetineerden in Leuven Centraal. Zo worden onze studenten zelf ook rijpere en meer betrokken persoonlijkheden en begrijpen ze beter de mensen voor wie ze later zullen werken. De relevantie van taal en cultuur binnen een maatschappij kan nauwelijks overschat worden. Wij introduceren daarom met trots Saskia De Coster als writer-in-residence. Een jaar lang zal zij onze studenten begeleiden in creatief schrijven. Ook zij staat breeduit in de maatschappij, werkt graag samen met beeldend kunstenaars, theater­makers en muzikanten; mensen die de wereld waarin wij leven met een vaak kritische blik bekijken en vrijuit, out of the box, nieuwe invalshoeken zien. Precies wat ook wetenschappers doen. En zo zijn we terug waar we ongeveer 2.000 tekens geleden begonnen: bij wetenschappelijk onderzoek, de kern van alles wat KU Leuven beweegt en motiveert, al bijna 600 jaar lang. Erasmus, Vesalius, Mercator … de lijst van wereldbefaamde geleerden die aan de KU Leuven verbleven, is lang en vooral: lang niet af. Al deze gamechangers hadden één kracht gemeen: die van de verwondering. Zonder verbazing over de natuur van de dingen is er geen vooruitgang. Het is verwondering die ons drijft, die ons toelaat de wereld onbekommerd te onderzoeken en zo mogelijk ten goede te veranderen. Dat is wat Sonar wil doen: authentieke verhalen van verwondering vertellen, in de verwachting dat er vanuit de maatschappij een echo op komt.


4 Inhoud DE STRIJD TEGEN CORONA

Onderzoekers nemen de handschoen op

6 BLOW-UP

Een porie in de pudding

DOSSIER

Staat onze taal als een huis?

20

18 'WRITER IN RESIDENCE'

Saskia De Coster

40 En verder Lifehack Blad, steen, schaar 33 – 1 jaar 4 studenten 34 – Online Onderzoeksverhalen 39 – Ontrafeld Waarom we bang zijn 48 – Speeddate Valeria Pulignano 60 – Universiteitsbreed Anders leren 62 – Kunst en wetenschap BAC ART LAB 68 – Denktank Metaforum Klimaat 76 – Onderwijs De economische impact 79


5

MAATSCHAPPIJ

DROOMJOB

Humor na #MeToo

In de ban van bier

50

66

SOCIAAL ONDERNEMEN

ZES EEUWEN KU LEUVEN

Lessen voor én van straatkinderen

De rector hield de rug recht

54

89

In English INTERNATIONAL RESEARCHER

Ana Miloševic

36

SPEEDDATE

Valerio De Stefano

60

INTERNATIONAL ALUMNUS

RESEARCH

Nadia This

Teaching a car to drive

70

82


6

STRIJD TEGEN CORONA — Onderzoekers komen uit hun kot

Hoe corona de wetenschap een gezicht gegeven heeft Wie had vóór de COVID-19-crisis kunnen voorspellen dat Marc Van Ranst zowat de bekendste man zou worden van het land? Dat onze virologen zouden opduiken in liedjes en kindertekeningen? Onze onderzoekers zijn helden geworden. Maar waren ze dat niet altijd al?


7


8

W

at doen we met zijn allen als we af te rekenen krijgen met een nieuwe en onzichtbare vijand als SARS-CoV-2? We richten onze hoop en ons vertrouwen op de wetenschap. Van Geert Meyfroidt die in Het Journaal verslag doet over het aantal beschikbare bedden op intensieve zorgen, tot Emmanuel André die een track-and-tracestrategie ontwerpt. Van het team van Johan Neyts dat een levensreddend vaccin tracht te ontwikkelen, tot twee economen die het verloop van de pandemie voorspelden op een moment dat geen epidemioloog ter wereld daartoe in staat was. In één klap kregen al die gedreven wetenschappers een gezicht.

Stroomversnelling Hoe kunnen we SARS-CoV-2 bestrijden? Viroloog Johan Neyts tracht het te achterhalen, zoals hij dat ook doet, of eerder deed, voor heel wat andere virussen, zoals bijvoorbeeld zika. “Als maatschappij waren we niet voorbereid op een pandemie”, zegt hij. “Maar hier aan het gloednieuwe Rega Instituut waren we dat gelukkig wél. We beschikken over faciliteiten van wereldniveau om zowel virusremmers als een vaccin te ontwikkelen.” Eén van die faciliteiten is CAPS-IT, een uniek volautomatisch hoogbioveiligheidslabo ontworpen door onderzoeker Pieter Leyssen. Robots testen er 24 uur op 24 honderdduizenden stoffen op hun eventuele werkzaamheid tegen het coronavirus. Die stoffen worden van over de hele wereld naar Leuven gestuurd. Onder meer de Bill & Melinda Gates Foundation is hierin betrokken. “Inmiddels hebben we meer dan anderhalf miljoen moleculen getest tegen SARS-CoV-2”, zegt Neyts. “Dat is allicht een wereld­ record (lacht).”

Eind januari kwam het onderzoek van het team van professor Neyts in een stroomversnelling terecht: alle veertig onderzoekers moesten zich op corona richten, er werden samenwerkingen opgezet met het buitenland, financiering gezocht … “Eén van de eerste onderzoekslijnen was het ontwikkelen van een relevant infectiemodel in proefdieren. Zo’n diermodel hebben we nodig om de werkzaamheid van zowel virus­ remmers als een vaccin grondig te kunnen testen vooraleer eventueel klinische studies op te zetten. Infectie van muizen met het nieuwe corona­­­virus lukte niet goed, maar hamsters bleken een schot in de roos: het besmettings- en ziekteverloop gaat ongeveer zoals bij de mens. Wereldwijd waren we een van de eerste onderzoeksgroepen die hamsters gebruiken als proefdier.” Het onderzoek van professor Neyts en zijn team richt zich zowel op het ontwikkelen van een vaccin als op het vinden van virusremmers tegen COVID-19. “De ontwikkeling van heel specifieke en krachtige virus­ remmers duurt doorgaans vele jaren. Daarom gaan we in eerste instantie na of er bij bestaande geneesmiddelen of kandidaat-geneesmiddelen stoffen zitten die toevallig ook enigszins werkzaam zijn tegen corona. Als dat het geval is, kan je snel klinische studies opzetten.” Toch is ook de ontwikkeling van specifieke en krachtige remmers tegen SARS-CoV-2 noodzakelijk. Ook al verwachten we dat vaccins het virus onder controle zullen krijgen, het zal nooit meer helemaal verdwijnen. Daarom hebben we dus ook goede geneesmiddelen nodig tegen het virus. Ook is het best mogelijk dat er vroeg of laat weer een nieuw coronavirus opduikt dat, wie weet, misschien zelfs nog besmettelijker en nog dodelijker is. “Dan moeten we voorbereid zijn. In 2019 kenden we zes coronavirussen die infectie bij de mens veroorzaken, zoals SARS en MERS, die respectievelijk in 2003 en 2012 voor een uitbraak zorgden, en vier coronavirussen die eerder milde symptomen veroorzaken. Als er de voorbije jaren een medicijn was ontwikkeld tegen alle op dat moment gekende coronavirussen, dan had men de COVID-19-pandemie allicht kunnen vermijden of ze toch veel beter onder controle houden.” Neyts hoopt dat overheden dat nu eindelijk beseffen: het is essentieel om medicijnen te ontwikkelen tegen enkele bekende virusfamilies waaruit mogelijk gevaarlijke virussen kunnen ontstaan.

“Samen vechten tegen een gemeenschappelijke vijand, dat creëert een gevoel van verbondenheid. Die intensere contacten hebben voorgoed iets veranderd.”


— “We gaan na of er bij bestaande geneesmiddelen of kandidaat-geneesmiddelen stoffen zitten die toevallig ook enigzins werkzaam zijn tegen corona. Als dat het geval is, kunnen we sneller schakelen.”

Een vaccin kan je natuurlijk pas maken op het ogenblik dat een nieuw virus ten tonele verschijnt. Aan het Rega Instituut worden ook daar grote stappen gezet. “We hebben het voordeel dat we eerder al een vaccin tegen zika en hondsdolheid ontwikkelden, met een technologie gebaseerd op het vaccin tegen gele koorts, die we als passe-­partout-technologie kunnen gebruiken”, zegt Neyts. “Met die piste zijn we uniek in de wereld. We zijn begonnen met acht varianten van ons kandidaat-vaccin te maken. Die hebben we allemaal uitgetest, om uiteindelijk het beste over te houden. Onze medewerkers hebben de voorbije maanden héél hard gewerkt. Zo hebben we op zeer korte tijd een krachtige vaccinkandidaat kunnen ontwikkelen.” (zie kaderstukje - red.)

Het mysterie ontrafelen Het labo van Johan Neyts werkt ook nauw samen met het team van intensivist Joost Wauters. Zij pro­­beren te verklaren waarom de ene mens doodziek wordt van het coronavirus terwijl de andere er weinig of niets van merkt. Het onderzoek gebeurt binnen CONTAGIOUS, een consortium waarin onderzoekers van KU Leuven, UZ Leuven en VIB samenwerken. “We willen achter­ halen waarom het immuunsysteem soms zo hevig reageert op het coronavirus. Het is net dáárdoor dat iemand ernstig ziek wordt. We zoeken ook naar biomerkers uit bloed of lichaamsvochten die kunnen voorspellen wie zwaar ziek gaat worden. Op die manier kan je veel vroeger een behandeling opstarten.” De onderzoekers stelden vast dat bij sommige patiënten de communicatie tussen de verschillende delen van het immuunsysteem misloopt. “Het is nu onze missie om te achterhalen wat er precies gebeurt en hoe we kunnen ingrijpen. Als wetenschapper ben je gebeten om te weten, maar hier was er ook dat appel van de patiënten, die we soms voor onze ogen zagen achteruitgaan of sterven”, zegt professor Wauters.

Het raakt Wauters ook om te zien hoe goed clinici en basisonderzoekers samenwerken: “Samen vechten tegen een gemeenschappelijke vijand, dat creëert een gevoel van verbondenheid. Die intensere contacten hebben voorgoed iets veranderd. Daar ben ik van overtuigd.”

© Layla Aerts

Het leidde tot een snelheid in het onderzoek die hij ongezien noemt. “Zo’n publicatie indienen bij een gerenommeerd biomedisch tijdschrift, daar gaan anders soms jaren onderzoek aan vooraf.”

9


10

Het onvoorspelbare voorspellen Soms komen doorbraken uit onverwachte hoek. Op 3 april 2020 beleeft Italië een triest dieptepunt, met duizend COVID-19-overlijdens op één dag. Laat op de avond echter kunnen professor Bart Van Looy en zijn doctoraatsstudent Kristof Decock hun Italiaanse vrienden en collega’s geruststellen: na het weekend zal het ergste achter de rug zijn.

Hoe konden twee economen dat met zoveel stelligheid beweren, op een moment dat geen epidemioloog ter wereld het verloop van de pandemie kon voorspellen? Het antwoord ligt in de scenariotheorie die Van Looy en Decock, verbonden aan de Faculteit Economie en Bedrijfs­ weten­schappen en Flanders Business School, bestuderen. Ze ontwikkelden, ver van de wereld van de virussen, modellen om te voorspellen hoe snel nieuwe technologieën zich op korte en middellange termijn in de markt zullen ver­­ spreiden. Zo voorspelden ze in 2016 hoeveel elek­trische wagens er in 2018 verkocht zouden worden in Europa, met een nauwkeurigheidsgraad van maar liefst 98,23 %.

© Layla Aerts

Ook op Intensieve Zorgen wordt ontzettend hard gewerkt. Zorgen voor COVID-19-patiënten is fysiek en emotioneel uitputtend. Hoe kan je dan nog energie opbrengen voor onderzoek? Vanwege de voldoening die het oplevert, zegt Wauters: “Het gaat om voelen dat je iets op het spoor bent, iets wat zoveel leed kan besparen.” In tijden van zware crisis is er de menselijke neiging om wetenschappelijk onderzoek niet als prioritair te beschouwen, maar dat is kortzichtig, vindt hij. Hij is dan ook blij dat UZ Leuven en KU Leuven ook in extreem moeilijke omstandigheden ruimte blijven maken voor research.


“We moeten inderdaad het onvoorspelbare voorspellen, maar we hebben gelukkig wel aanknopingspunten. Kennis over gelijkaardige virussen uit het verleden, die je bundelt met wat we nu weten over corona.”

Half maart beseften Van Looy en Decock dat hun modellen ook in de coronacrisis hun nut konden bewijzen. Ze sloegen de handen in elkaar met de epidemiologen van het Institute for the Future en het Rega Instituut. En zo slaagden ze er in om zowel de piek in overlijdens als in opnames op intensieve zorgen te voorspellen, voor ons land en voor verschillende andere landen. Dat deden ze door eerst alle mogelijke scenario’s te berekenen, zegt Van Looy. “Dat kunnen er letterlijk honderdduizenden zijn. Vervolgens keken we welke scenario’s het nauwst aansloten bij de zich inmiddels verder ontvouwende realiteit. En zo hielden we uiteindelijk een beperkt aantal mogelijke scenario’s over, en die resulteerden in erg betrouwbare kortetermijnvoorspellingen, inclusief de timing van de pieken.” Van Looy en Decock kijken met grote voldoening terug op die hectische twee maanden waarin ze dag en nacht aan de slag waren. “Het gevoel als econoom je steentje te kunnen bijdragen, hoop te hebben kunnen brengen, is goud waard.” Bovendien hebben ze reuzenstappen vooruit gezet in hun onderzoek: “Twee maanden COVID-19 betekende zestig keer nieuwe data. Om dezelfde conclusies te kunnen trekken uit de verkoopcijfers van wagens heb je jaren nodig. En als dan ook nog eens blijkt dat je een nieuwe manier van modelleren introduceert, dat je een probleem oplost waar men zich al decennialang het hoofd over brak, ja, dan ben je heel content, hè?”

— Corona heeft de wetenschap werkelijk voortgestuwd. Maar voor elke vraag die we beantwoorden, rijzen er weer vijf nieuwe.

Tot in elke huiskamer Terwijl heel wat van onze onderzoekers dag en nacht op zoek zijn naar een wapen tegen COVID-19, zetten anderen hun kennis in om de bevolking zo goed mogelijk te informeren. Viroloog Marc Van Ranst, bijvoorbeeld. Zowat elke Belg kent zijn naam en weet welk model truien hij draagt. Het ‘Marc Van Ranst-lied’ haalde inmiddels meer dan een miljoen views op YouTube. Professor Van Ranst mag dan wel een mediafiguur zijn geworden, hij is bovenal een gedreven onderzoeker die de bevolking zo goed mogelijk wil beschermen tegen de gevaren van het coronavirus. Daarvoor werkt hij de klok rond en zit hij vaker in een tv-studio dan in zijn eigen huiskamer. “Jarenlange training met weinig slaap helpt om het vol te houden”, zegt hij, al kost het hem naar eigen zeggen weinig moeite om de bevolking correct in te lichten: “Ik kén die materie, want ik ben er al jaren mee bezig.” Van Ranst maakt deel uit van het wetenschappelijk comité dat de gezondheidsautoriteiten adviseert, en prognoses maakt over de ontwikkeling en verspreiding van het virus. Zijn onderzoek naar de moleculaire evolutie van corona helpt daarbij, maar het blijft een aartsmoeilijke taak: “We moeten inderdaad het onvoorspelbare voorspellen, maar we hebben gelukkig wel aanknopingspunten. Kennis over gelijkaardige virussen uit het verleden, die je bundelt met wat we nu weten over corona. In Wuhan deemsterde het aantal coronabesmettingen weg na tien weken. Een griepepidemie in ons land duurt gemiddeld even lang. Dan kom je al ergens.” Van Ranst heeft het over ‘oefeningen’ die de onderzoekers kennis bijbrachten over de bestrijding van virussen. In 2003 was er bijvoorbeeld een SARS-uitbraak in Azië, en ook uit de vogelgriep van 2007 en de Mexicaanse griep van 2009 vielen lessen te trekken. “Het enige waarop we nu kunnen hopen is dat COVID-19 geen oefening zal blijken voor iets nóg ergers.” Ondanks de appreciatie die hij krijgt voor zijn werk, kan het beheren van de crisis ook een ondankbare taak zijn. Als de epidemie uit de hand loopt, heb je te weinig gedaan. Als ze verdwijnt, heb je overdreven. “Dat is niet vreemd: de verwachtingen van de mensen veranderen. Als men de loftrompet blaast, neem ik dat met een korrel zout. De ene dag word je opgehemeld, de volgende staat de guillotine klaar (lacht).”


Wie Marc Van Ranst noemt in Vlaanderen, noemt professor Emmanuel André in Wallonië. Net als Van Ranst is klinisch bioloog André lid van de expertgroep rond corona. Bij het begin van de crisis was hij woordvoerder voor de Franstalige Belgen, daarna lag hij aan de basis van de contact tracing-strategie. Die laatste moet nieuwe uitbraken van het virus snel opsporen, door ook de mensen te testen die met een patiënt in contact zijn gekomen.

Contact tracing is ook één van die maatregelen, vertelt André. “Het is geen magic bullet, maar het kan ons wél helpen om uitbraken binnen de perken te houden. Eerst en vooral hebben we nood aan een perfect werkend basismodel en een goed onderbouwd wettelijk kader, met respect voor de privacy. Op dat vlak spelen we een pioniersrol, want contact tracing kan ook in de toekomst nuttig zijn, bijvoorbeeld bij de uitbraak van andere ziekten.”

André deed uitvoerig onderzoek naar de optimalisering van contact tracing, onder meer na uitbraken van tuberculose in Congo. Bij dat laatste ligt ook zijn expertise. “De bestrijding van tbc vertoont veel gelijkenissen met die van corona”, vertelt hij. “Het zijn allebei airborne diseases: de ziektekiemen verspreiden zich via de lucht. De maatregelen die je moet nemen tegen tbc en corona zijn dus gelijkaardig: uitgebreide tests, social distancing, mondmaskers …”

André stapte inmiddels af van zijn rollen als woordvoerder van het crisiscentrum en voorzitter van het Interfederaal Comité Testing & Tracing. Naar eigen zeggen omdat hij eerder een man van ‘de opstart’ is, én omdat hij zijn grote liefde mist: onderzoek. “Ik sta niet zo graag in de schijnwerpers”, zegt hij. “Ik heb mijn uiterste best gedaan om die taken zo goed

Lessen uit tbc


13

— De maatregelen die je moet nemen tegen corona en tbc zijn gelijkaardig: uitgebreide tests, social distancing, mondmaskers …

Binnenkort een Leuvens vaccin? Virologen van het Rega Instituut aan KU Leuven hebben een kandidaat-vaccin ontwikkeld dat hamsters beschermt tegen infectie door SARS-CoV-2. Het is één van de eerste kandidaat-vaccins waarvan in proefdieren een krachtige werking werd aan­­getoond tegen infectie met het virus. Het team plant in de winter te starten met klinische proeven. Onder leiding van professor Johan Neyts en dr. Kai Dallmeier werd in januari gestart met de ontwikkeling van acht prototypes van een vaccin tegen het coronavirus. Eén daarvan blijkt bijzonder goed te werken bij hamsters. Dieren die het kandidaat-­v accin kregen toegediend werden niet ziek, en waren ook niet besmettelijk.

mogelijk te volbrengen, maar ik ben pas echt gelukkig in het ziekenhuis en in de labo’s van het Rega Instituut. Ik denk dat mijn expertise daar op dit moment ook meer nodig is.”

Niet voor niets Alle onderzoekers zijn het eens: tijdens hun zoektocht de afgelopen maanden naar manieren om de raadselen van COVID-19 te ontsluieren en het virus te bestrijden, hebben ze baanbrekende inzichten verworven. “Dit is wetenschappelijk gezien een zeer interessante tijd. En als er nu niet zo’n hoge nood en zo’n maatschappelijke druk was zou ik het nog plezant vinden ook", zegt Johan Neyts. “Maar nu mogen we niet falen, hè.” “Corona heeft de wetenschap werkelijk voortgestuwd”, vindt ook Joost Wauters. “Maar voor elke vraag die we beantwoorden, rijzen er weer vijf nieuwe. We hebben nog voor jaren werk op de plank. Ik wil dat werk ook opdragen aan alle mensen die overleden zijn aan corona. Hun strijd is niet voor niets geweest.” ●

Het vaccin is gemaakt op basis van het bestaande vaccin tegen gele koorts. Daarin werd een stukje van de genetische code van het te bestrijden virus geplakt. Het team gebruikte deze techniek al eerder om kandidaat-vaccins tegen ebola, zika en honds­­­dolheid te maken. “Van de meer dan 120 vaccins die in ontwikkeling zijn tegen COVID-19, zijn wij de enigen die gele koorts als basis gebruiken.” “Als alles verder goed loopt met de productie van de dosissen voor injectie bij de mens, hopen we rond de jaarwisseling te beginnen met de eerste klinische proeven op mensen”, zegt Kai Dallmeier, die het vaccinteam aanstuurt. “Normaal duurt het minstens tien jaar om een vaccin te ontwikkelen. We werken dus aan een razendsnel tempo, net als collega's wereldwijd.”


14 Warmer na COVID-19 Deed u in volle coronatijd extra boodschappen voor uw buren? Naaide u mondmaskers? Gaf u bijles aan kinderen van een alleenstaande ouder? Dan vertoonde u prosociaal gedrag. In crisistijden kunnen mensen zichzelf overtreffen, zo leert wetenschap­p elijk onderzoek in de sociale psychologie. Laat dit meteen een inspiratie zijn voor een duurzaam sociaal draagvlak in coronatijden. Naast virologen, epidemiologen en biostatistici verdienen ook experten in de sociale- en gedrags­ wetenschappen een plaatsje aan de tekentafel van het coronabeleid, zo vindt professor Karen Phalet.

Leren uit rampen en oorlogen Phalet zag tijdens de lockdown tal van intenties en pogingen om verbinding te creëren. Soms keek ze met lede ogen toe, vaak met goedkeurende blik. Ze zag beleids­mensen een appel doen op burgerzin en met vallen en opstaan zoeken naar transparante communicatie. Zelf gaf Phalet vanuit haar expertise concreet beleidsadvies aan onze politici. Binnen de sociale psychologie bestaat immers heel wat knowhow over de vraag in welke omstandigheden individuen of groepen ervoor kiezen om te handelen in het algemeen belang. Die expertise is empirisch onderbouwd in laboratorium- en veldonderzoek in uiteenlopende contexten, waaronder ook extreme situaties zoals natuurrampen, oorlogssituaties of epidemieën.

Zorghelden Tijdens een pandemie als de coronacrisis valt het algemeen belang samen met ieders individueel belang. Wie zichzelf tegen COVID-19 beschermt, beschermt ook anderen tegen besmetting. Toch zie je dat niet iedereen op dezelfde manier met zo'n dreiging omgaat. Sommigen reageren minder tolerant naar andersdenkenden, overtreders of minderheidsgroepen. Anders overtreffen zichzelf en gaan net meer mensen helpen. Denk aan de zorghelden, aan wie buren bijstond, aan wie dubbele shiften draaide als ouder en leerkracht.

Geen sociaal vacuüm Sommige sociale categorieën of belangengroepen voelen zich door de coronacrisis harder getroffen. Dat gevoel moet je als beleidsmaker erkennen, zegt het onderzoek in de sociale psychologie. Anders kalft het draagvlak voor maatregelen af en ontstaat er een breuk in de sociale verbinding. Net die verbinding is zeer belangrijk en onmisbaar bij het opvolgen van maat­regelen. Zowel experten als beleidsmensen moeten aandacht hebben voor de impact van de maatregelen die ze nemen of versoepelen. Regels hebben niet op iedereen dezelfde impact. Ze functioneren niet in een sociaal vacuüm. Wie in de stad woont, ervaart een lockdown anders dan wie op het platteland woont. Wie alleenstaand is, beleeft quarantaine anders dan een gezin. Wie eng behuisd is, zit automatisch sneller op zijn tandvlees. Phalet verheldert: “Voelen bepaalde segmenten in de samenleving zich niet gewaardeerd of gehoord aan de tekentafel van het beleid, dan gaan burgers zich al snel tegen elkaar afzetten. Dat ondergraaft het noodzakelijke publieke vertrouwen in een gecoördineerde aanpak. Denk bijvoorbeeld aan de moeizame start van de contact tracing.”

Als mensen zich collectief bedreigd voelen, reageren sommigen daarop met minder tolerantie terwijl anderen zichzelf in prosociale zin overtreffen.


15

— Studies leren ons dat mensen ook in uitzonderlijke omstandigheden ongelooflijk sociale wezens zijn.

Democratische dialoog Iedereen op een rechtvaardige manier betrekken is geen makkelijke opgave. De opgelegde maatregelen repressief afdwingen leidt niet tot de duur­zame motivatie die nodig is voor een collectieve aanpak. In België hebben we gelukkig een veeleer terughoudend gebruik van repressieve maatregelen gezien en veel voorbeelden van goede publieke communicatie en creatieve burgerinitiatieven rond wederzijds begrip. “Als je als samenleving erkent dat sommige groepen economisch, sociaal of emotioneel zwaar­ der getroffen worden dan anderen, dan heb je het

begin van een demo­c ratische dialoog. Belangrijk voor de perceptie van rechtvaardigheid is wel dat beleidsfouten, zoals die bijvoorbeeld op het vlak van de bescherming van bewoners en personeel in de woon­ zorgcentra zijn gemaakt, openlijk en ruiterlijk worden benoemd en toe­­ gegeven. En dat ze gevolgd worden door een duidelijk engagement om dergelijke fouten in de toekomst te vermijden.” Het is ook belangrijk dat emoties erkend én gedeeld worden: collectieve en persoonlijke gevoelens van angst, van verdriet en boosheid, van hoop en wanhoop. Daarnaast staan we voor de immense uitdaging om van die spontane solidariteit een inclusief maatschappelijk project te maken én ons sociaal leven opnieuw uit te vinden. ●


Het leven was anders tijdens de coronacrisis. Verlaten bankjes, schommels en speeltuinen, maar ook boodschappen van hoop.


18


19

Blow-up PORIE

Rozijnen gedoopt in pudding. Dat ziet de maker van dit beeld, dr. Sreeprasanth Pulinthanathu Sree, er zelf in. Waar we écht naar kijken, is de buitenste laag – de huid – van een toestel om water uit de lucht te oogsten. “Dit is een kunstmatige porie in die huid”, vertelt onder­z oeker Jan Rongé van het Centrum voor Opper­­vlaktechemie en Katalyse. “Maar dan wel een porie die omgekeerd werkt: ze zweet naar binnen toe.” De bolletjes in de pudding zijn kristalletjes van zeoliet. Dat is een poreus materiaal dat waterdamp uit de lucht absorbeert, ongeveer zoals de zakjes silicagel die je in schoendozen vindt. Dat water verdwijnt vervolgens achter het ‘puddingvelletje’, een plastic-­ achtig membraan rond het toestel, en wordt ten slotte opgesplitst in waterstof en zuurstof. Dit toestel was stap één naar het waterstofpaneel dat het team van professor Johan Martens ontwikkelde. Dat maakt, helemaal op zichzelf, waterstof uit lucht en zonlicht. Een toonbeeld van groene energie. ●


20

DOSSIER TAAL

De muren hebben oren


21

Onze taal is een huis dat voortdurend verbouwingen ondergaat en nieuwe likjes verf krijgt. Welke tinten nemen we over uit het Engels? Dreigt de ‘shtijl’ van trendy straattalen alle kamers in te palmen? En hoe solide zijn de fundamenten nog in tijden van ontlezing?


DOSSIER TAAL — Remedies tegen ontlezing

Zijn we uitgelezen?

‘Geen excuses meer: tijd voor die turf’, kopte een krant tijdens de lockdown boven een artikel over kloeke klassiekers uit de wereldliteratuur. De vraag is maar of onze leesspieren nog wel voldoende ontwikkeld zijn voor dat zwaardere werk. En hoe zit dat dan bij onze jongeren, die steeds minder leeskilometers lijken te maken? Wat volgt mag dan wel een pleidooi voor lezen zijn, niet alle lectuur stemt even vrolijk. Neem het PIRLS-­ rapport van 2016, een internationaal vergelijkend onderzoek naar leesprestaties bij leerlingen uit het vierde leerjaar lager onderwijs. De groep Vlaamse kinderen die (bijna) elke dag leest, bleek op tien jaar tijd geslonken van 48% naar 36%. Nog zorgwekkender: het aantal kinderen dat nooit of bijna nooit leest verdubbelde bijna, van 9% naar 17%. Een andere internationale bevraging, PISA genaamd, toont dat de groep niet-lezers bij 15-jarigen nog groter is. De prestaties voor begrijpend lezen zijn navenant, blijkt uit het PIRLS-rapport: Vlaamse leerlingen scoren ronduit zwak, een stuk onder het West-­ Europese gemiddelde en ook net onder het interna­ tionale gemiddelde. “Wat vooral zorgen baart, is dat we blijven achteruitgaan in deze onderzoeken”, zegt professor Elke Peters, hoofd van de Onderzoeksgroep Taal en Onderwijs. “Zelfs als je niet zou vergelijken met andere landen kan je alleen maar vaststellen: het gaat bergaf.”

Ideaal krachtvoer in tijden van fake news? Elke Peters knikt instemmend: “Dat is heel zeker zo: om de informatie in een tekst kritisch te kunnen beoordelen, moet je goed begrijpend kunnen lezen en fouten in een redenering of argumentatie kunnen opsporen.” Meer dan ooit hebben we dus getrainde lezers nodig, maar er is ook nog nooit zoveel concurrentie geweest van andere vormen van tijdverdrijf. Een YouTube-filmpje bekijken of een game spelen kost zoveel minder moeite dan een boek doorploegen. “Anderzijds: die concurrentie van andere media is er overal, maar je ziet niet in alle landen dezelfde povere scores voor leesplezier en leesvaardigheid”, zegt Elke D’hoker. “Als je je leescultuur sterk genoeg maakt, is ze heus wel opgewassen tegen die concurrentie.” Volgens Elke Peters kunnen we lessen trekken uit de aanpak van Ierland. “Daar hebben ze al vele jaren een National Literacy Strategy en ze plukken er ook duidelijk de vruchten van.”

Verloren bagage De sleutel van zo’n nationaal leesbeleid ligt in het onderwijs. Maar over de ideale aanpak lopen de meningen sterk uiteen. “In het midden van de twintigste eeuw was het idee nog: je leert je eigen taal en vreemde talen door literaire teksten te lezen. Zoals dat nu nog min of meer gangbaar is voor Latijn en Grieks”, zegt Elke D’hoker. “Daarop is geleidelijk reactie gekomen vanuit het idee: De leerlingen kunnen nu wel Goethe lezen, maar ze kunnen geen tickets bestellen in een Duits treinstation.”

Ideaal krachtvoer De resultaten deden dan ook alarmbelletjes afgaan, getuige krantentitels als ‘Red het lezen. Nu!’. Niets te vroeg, vindt professor Engelse literatuur Elke D’hoker, die zich buigt over de plaats van literatuur in ons onderwijs. “Ik denk dat de houding bij ons te lang geweest is: Er zijn nu eenmaal kinderen die niet graag lezen, zoals anderen niet graag voetballen, so what? Maar nu we de scores voor leesvaardigheid dramatisch zien dalen, die zo bepalend zijn voor het verdere succes in de schoolloopbaan, schieten we wakker: Het is niet zomaar een hobby als een andere.” Veel van de gunstige effecten van lezen – socialisatie, empathie, creativiteit, zelfontdekking, een ruimer wereldbeeld – zijn lastig meetbaar. Dat ligt moeilijk in een samenleving die alles wil becijferen. Goede literatuur is ook meerlagig, brengt verschillende perspectieven samen en geeft geen eenduidige antwoorden.

“Je moet de nodige leeskilometers maken om een goede lezer te worden. Pas als je iets goed kan, ga je het ook echt leuk vinden.”


23

— Om de informatie in een tekst kritisch te kunnen beoordelen, moet je goed begrijpend kunnen lezen.

Dus kwam er een veel grotere aandacht voor commu­ nicatieve vaardigheden, mondeling taal­gebruik en de leefwereld van jongeren. Die correctie was nodig, maar ze is te ver doorgeslagen, vindt Elke D’hoker: “Kijk naar de handboeken voor talen­onderwijs: die werken met krantenartikels, interviews of hooguit een kort fragmentje uit een literaire tekst. Het idee van deep en engaged reading is weggevallen. Daardoor is er veel bagage verloren gegaan: een brede geletterdheid, het ontdekken van nieuwe dingen buiten de eigen leefwereld … En ook gewoon: voor een langere tijd bezig kunnen zijn met een tekst.” Je moet de nodige leeskilometers maken om een goede lezer te worden, vindt ook Elke Peters. “Pas als je iets goed kan, ga je het ook echt leuk vinden. Haper je vaak en ken je veel woorden niet, dan is lezen natuurlijk niet prettig en zal je ook minder geneigd zijn om het te doen. Als je het lezen al vanaf het lager onderwijs verwaarloost, kom je dus in een vicieuze cirkel terecht.”

Geen vak apart En daar lijkt het schoentje behoorlijk te wringen. Het Centrum voor Onderwijseffectiviteit en -evaluatie van KU Leuven analyseerde de Vlaamse resultaten in het PIRLS-onderzoek en stelde vast dat het aantal uren dat in het vierde leerjaar aan leesinstructie wordt besteed tussen 2006 en 2016 bijna gehalveerd is. Maar volgens de onderzoekers is het nog belangrijker wie die lessen geeft: een beslagen en begeesterende leraar maakt het verschil. Het PIRLS-onderzoek geeft aan dat 35% van de Vlaamse leraren in de voorgaande jaren géén bijscholing had gevolgd over begrijpend lezen. De onderzoekers raden aan om veel meer in te zetten op vakdidactische professionalisering en nascholing.


24

Een andere interessante vaststelling uit hun analyse: in 2016 is het ‘vaak lezen voor het plezier’ een sterke voorspeller geworden van de prestaties voor begrijpend lezen, terwijl dat verband er in 2006 amper was. Het is met andere woorden een probleem geworden om kinderen die zelden lezen buiten de schooluren tot een voldoende hoge leesvaardigheid te brengen. Het leesplezier stimuleren is dus belangrijker dan ooit. “Ik vroeg mijn dochter vandaag nog of er in de klas veel voorgelezen wordt”, zegt Elke Peters. “Ze zei: af en toe. Eigenlijk zou er elke dag toch wel iets moeten worden voorgelezen op de lagere school. Of je voorziet momenten waarop ze vrij kunnen lezen zonder dat daar een taak aan vasthangt.”

© Michiel Devijver

Dat is ook één van de aanbevolen motivatiemethodes in een vorig jaar uitgebrachte praktijkgids voor beter leesonderwijs. Specialisten onder promotorschap

van Kris Van den Branden (KU Leuven) en Hilde Van Keer (UGent) stelden die samen in opdracht van de Vlaamse Onderwijsraad. Hun advies gaat uiteraard verder dan alleen leesmotivatie. Volgens de onderzoekers is het belangrijk dat leerlingen strategieën aangeleerd krijgen om teksten te verwerken en betekenis te geven, en dat de leraar hen daarbij intensief begeleidt. Ze benadrukken ook dat een goed lees­beleid op school niet beperkt kan blijven tot een les ‘begrijpend lezen’: het aanleren van die vaardigheid moet in alle vakken verwerkt zitten.

In een kramp Als kinderen in de lagere school ontdekken hoe prettig het is om verdiept te zijn in een boek, kan je hen in het middelbaar onderwijs uitdagen met moeilijkere boeken. Je hoeft ook niet bang te zijn om lectuur op te leggen, vindt Elke D’hoker. “De terechte kritiek op de canon – ‘steeds weer hetzelfde dozijn blanke mannen’ – heeft geleid tot een krampachtige angst om te verplichten. Waarbij de denkfout is dat het lezen van een opgelegd boek sowieso een negatieve ervaring is, terwijl het dat helemaal niet hoeft te zijn. Er bestaat zo’n grote verscheidenheid aan

— Ouders kunnen inspiratie vinden in initiatieven als de Voorleesweek.


25

genres en thema’s dat het een kwestie is van het juiste boek bij elke lezer te krijgen.” Ze verwijst ook naar de eindtermen voor het secundair onderwijs, waarin literatuur lange tijd niet veel meer dan een dienende functie toebedeeld kreeg, als één van vele tekstsoorten. “Zowat de enige plaats waar boeken nog een plaats krijgen, is in het zogenaamde leesportfolio. Leerlingen moeten dan bijvoorbeeld vier boeken lezen, maar dat wordt iets heel erg individueels: ieder kiest zijn eigen boeken uit de leeslijst – het liefst dunne of verfilmde boeken – en schrijft daar dan een reflectie op. Terwijl net het idee van discussie over boeken cruciaal is. Al pratende krijg je inzicht in de meerlagigheid van literaire teksten, en dat bevordert ook de lees­ motivatie en het lees­plezier. Het is wel hoopgevend dat één van de recent ingevoerde nieuwe eind­ termen voor de eerste graad ‘literatuur (in vreemde talen/in de moedertaal) beleven’ is.” Voor vreemde talen is dat een heel ander verhaal dan voor het Nederlands. In de eerste lessen Engels of Frans kan je uiteraard niet komen aanzetten met boeken en literatuur: die talige bagage is er nog niet. “We weten bijvoorbeeld dat je – afhankelijk van de graad van tekstbegrip – 4.000 tot 8.000 woord­ families moet kennen om een literaire tekst in het Engels te lezen”, zegt Elke Peters, die zelf onderzoek doet naar taalverwerving. “Met toetsen bij leerlingen zijn we nagegaan hoeveel woorden Engels zij al kennen als ze aan het middelbaar beginnen. Dat blijken er al heel veel te zijn: twaalfjarigen hebben een Engelse woordenschat van ongeveer 3.000 woorden. Dat is een behoorlijke basis.” Games zijn een belangrijke bron voor die eerste woorden. En niet eens zo’n slechte: als je ze talig analyseert, zie je veel van de meest frequente woorden uit het Engels terugkomen. Maar natuurlijk moeten kinderen ook de meer formele registers van een taal onder de knie krijgen. “De leerwinst in het middelbaar kan je vooral op dat vlak halen, en daarbij is zeker een rol weggelegd voor boeken en literatuur”, zegt Elke Peters. Maar wordt die piste ook benut? Ze deed zelf een mini-onderzoekje en vroeg haar eerstejaars hoe vaak ze in het laatste jaar middelbaar een boek moesten lezen voor het vak Engels. Ongeveer acht op tien antwoorden ‘één of twee keer per semester’, één op tien antwoordde ‘nooit’.

“Als je over boeken praat, krijg je inzicht in de meerlagig­heid van literaire teksten, en dat bevordert ook de leesmotivatie en het lees­plezier.”

Voor andere vreemde talen is het nog maar de vraag of er überhaupt genoeg talige bagage is om aan literatuur te beginnen. “We zien dat na acht jaar Frans – twee jaar lager onderwijs, zes jaar secundair – de kennis van het Frans eigenlijk niet voldoende is om een krantenartikel of boek vlot te lezen. De enorme hoeveelheden Engels waaraan we blootgesteld worden kan je in de klas nooit compenseren voor het Frans. Maar de kloof moet zeker kleiner worden. Het zou naïef zijn om te denken dat dat met twee of drie contacturen kan. Als je echte vooruitgang wil boeken, moet er veel blootstelling aan de taal zijn via contact­uren op school, maar moet je leerlingen aanmoedigen om er ook buiten de schoolmuren iets mee te doen.”

Ommezwaai Het zijn ook enkele van de bezorgdheden van het Talenplatform, dat de Vlaamse academische taal­opleidingen verenigt. In een actieplan dat ze in maart presenteerden, sommen ze een aantal maatregelen op om het talenonderwijs op alle niveaus in Vlaanderen te versterken. Zo roepen ze op om de leraren beter te ondersteunen, de vooruitgang van leerlingen beter te monitoren en campagnes te lanceren die het maatschappelijk belang van talen onder de aandacht brengen. “De achteruitgang van de populariteit van de talen­opleidingen aan de universiteiten wijt ik ten dele aan het feit dat er minder lezers zijn”, zegt Elke D’hoker. “Traditioneel kwam onze instroom vooral uit de groep jongeren die graag lezen. Ik merk ook dat onze studenten gewoonweg minder literatuur achter de kiezen hebben als ze aan hun universitaire opleiding beginnen. Ze weten nog wel wie Proust is, maar ze zullen geen boek van hem gelezen hebben.”


26

“Ook vloggers kunnen een rol spelen. Als zij tonen dat lezen cool is, dan kan dat wel aanslaan.”

Ze probeert zelf haar steentje bij te dragen aan een ommezwaai, onder meer met een jaarlijkse Dag van het Literatuuronderwijs. Onderzoekers en leerkrachten vormen dan tandems om workshops te geven die de brug slaan tussen de academische theorie en de lespraktijk op school. De nood daaraan is groot, blijkt uit de overrompelende interesse. “De leerkrachten zeggen ons dat er vooral nascholing is over pedagogische aspecten, hoe je moet omgaan met leerstoornissen in de klas bijvoorbeeld, terwijl ze ook naar dat inhoudelijke op zoek zijn.” Samen met enkele Europese partners bereidt Elke D’hoker momenteel ook een project voor rond short forms in het talenonderwijs: “Kort­verhalen zijn bijvoorbeeld een onderbenutte vorm van literatuur. Als je daarmee werkt in de handboeken, heb je meteen een volledige literaire tekst, die klassikaal gelezen en besproken kan worden.” Ze heeft nog wel meer ideeën om de leeslust aan te wakkeren op de middelbare school. “Zoals je boekenjuffen en -meesters hebt op de lagere school, zou je leescoaches kunnen aanstellen in het middelbaar. Taalleerkrachten met een beperkte literaire bagage zouden bij de leescoach kunnen aankloppen voor advies. Samen kunnen ze ervoor zorgen dat jongeren geleidelijk meer uitdagende boeken aangereikt krijgen die passen bij hun specifieke niveau. Dat is het recept om leesmotivatie en leesplezier op peil te houden.”

“Leespromotie zou iets van de hele school moeten zijn. Jongeren zouden het ook interessant vinden om te weten welk boek de leraar biologie graag leest, of welk boek aansluit bij een onderwerp in de les geschiedenis. Er zijn zovéél overkoepelende projecten in scholen – denk aan verkeerseducatie of alcohol- en drugpreventie. Leespromotie zou er daar ook één van moeten zijn.”

Van ouder tot wrapper Uiteraard hebben ook ouders een cruciale rol. In de resultaten van het PIRLS-onderzoek valt op dat Vlaamse ouders weinig activiteiten doen met hun peuter of kleuter om hun geletterdheid te stimuleren. Elke D’hoker en Elke Peters hebben allebei kinderen en zijn dus ervarings­experts. Wat is hun tactiek? “Ook thuis komt het erop aan om het juiste boek bij de juiste lezer te krijgen”, zegt Elke D’hoker. “Mijn derde leest voortdurend, mijn oudste is een moeilijke lezer. Ik merkte bij hem dat series van kinder- en jeugdboeken aanslaan: als je weet waarover het zal gaan en dat je het leuk zal vinden, is de drempel naar een nieuw boek kleiner.” Elke Peters, moeder van twee kinderen, heeft gelijkaardige ervaringen: “Vorige week hadden we het vierde boek uit de Waanzinnige Boomhut-­r eeks besteld en dat heeft onze dochter bliksemsnel uitgelezen. Ze was enthousiaster dan bij de vorige delen. Natuurlijk: als het lezen steeds beter gaat, ga je ook veel liever lezen. Dus nog eens: veel leeskilometers maken, dat is de sleutel.” Ouders kunnen ook inspiratie vinden in initiatieven als de Voorleesweek en de Jeugdboekenmaand van de organisatie Iedereen Leest. En zelfs die vermaledijde sociale media kunnen bijdragen aan leespromotie, zegt Elke Peters. “Je hebt bijvoorbeeld fan fiction, waarbij lezers het einde van een verhaal herschrijven of er een vervolg aan breien. Dat kan een leuke manier zijn om kinderen aan het lezen én aan het schrijven te zetten. Ook vloggers kunnen een rol spelen, ik denk bijvoorbeeld aan de wrappers van Ketnet. Kinderen kijken naar hen op. Als zij tonen dat lezen cool is, dan kan dat wel aanslaan.” “Zeker bij adolescenten kunnen voorbeeldfiguren een grote rol spelen op het vlak van leespromotie”, zegt Elke D’hoker. “Wat je als ouder zegt, heeft op die leeftijd vaak toch alleen maar een averechts effect (lacht).”


27

— Het Engels is de meest succesvolle lingua franca uit de geschiedenis.

DOSSIER TAAL — Hoe ver gaat de verengelsing?

Recept voor een Engels sausje De Engelse taal is wereldwijd een influencer van formaat. Hoe groot is de stempel die ze op het Nederlands drukt? Leuvense taalkundigen zoeken sporen van het Engels in de krant, op Twitter en … aan tafel. Een typisch tafereel aan een Vlaamse eettafel: een vader en moeder proberen in een gezellige chaos hun aandacht te verdelen over hun kroost. Eén van de drie kinderen maakt aanstalten om zijn stoel van tafel te schuiven. “Mag hij al weg, mama, hij heeft alles toch opge­geten?” vraagt de vader aan zijn vrouw, om dan plots naar het Engels over te schakelen: “There are some strawberries he.” Een slimme manier om aardbeien als mogelijk dessert voor te stellen zonder de kinderen meteen hoop te geven. “Heel herkenbaar vond ik dat”, zegt taalkundige Eline Zenner, die het mini-gesprekje optekende in een recent onderzoek. “Mijn man en ik gebruiken Engels ook wel­­eens als geheimtaal. Als we bespreken of de kinderen al wat vroeger televisie mogen kijken, doen we dat in het Engels, want anders vliegen ze er meteen op af. Toen ik zelf kind was, gebruikten mijn ouders het Frans op dezelfde manier.”

Het zegt iets over de positie die het Engels de voorbije decennia verworven heeft: we grijpen er nu sneller naar dan naar onze tweede landstaal. Niet alleen bij ons heeft het Engels terrein gewonnen. Naast de ruwweg 400 miljoen moedertaalsprekers zijn er meer dan een miljard mensen die Engels spreken als tweede taal – in landen waar het Engels de status van landstaal heeft – of als vreemde taal. Daarmee is het de meest succesvolle lingua franca uit de geschiedenis. Onvermijdelijk heeft zo’n wereldspeler ook een invloed op onze moedertaal. En dat is het terrein van Eline Zenner: al 13 jaar onderzoekt ze welke stempel het Engels op het Nederlands drukt. Dat brengt haar dus onder meer naar de eettafels van Vlaamse gezinnen. Samen met haar collega Dorien Van Mieroop analyseerde ze het taalgebruik van acht gezinnen met kinderen van zeven jaar of jonger. “De oorspronkelijke bedoeling was om te kijken naar standaardtaal en tussentaal. Het viel meteen op hoe weinig Engels er in de dataset zat. Bij verdere ana­lyse bleek dat ook te kloppen. We vonden Engelse woorden in amper één procent van de uitingen. Daarbij moet ik wel opmerken dat de typische domeinen waarin je veel Engelse leenwoorden vindt – zoals IT – geen evidente onderwerpen zijn voor eettafelgesprekken in jonge gezinnen.” De ouders kregen in interviews met de onderzoekers ook de open vraag of er talige constructies zijn die ze bewust achterwege laten in de omgang met hun kinderen. “Een typisch antwoord is dan: vloeken.


28

Dat vermijden ouders aan de eettafel … zeggen ze (lacht). Maar er waren ook enkele ouders die expliciet aangaven dat ze bewust geen Engelse woorden gebruiken. We moeten voorzichtig zijn met conclusies uit dit verkennend onderzoek, maar je ziet dat alvast in deze gezinnen het Nederlands echt wel de taal blijft van de identiteitsvorming. Dat is geruststellend voor mensen die vrezen dat het Engels het Nederlands gaat opeten.”

Sterrenman ziet sterretjes Als kinderen aan de eettafel geen grote porties Engels ingelepeld krijgen, waar dan wel? Nog voor ze hun eerste les Engels krijgen op school hebben ze immers al een aanzienlijke woordenschat opgebouwd. Om en bij de drieduizend woorden op de leeftijd van twaalf jaar, blijkt uit onderzoek van professor Elke Peters, expert in taalverwerving. Voor kinderen is Engels natuurlijk de toegangspoort tot games, YouTube-filmpjes en ander lekkers. Gaandeweg gaan ze de taal associëren met ‘cool’, ‘trendy’ en ‘internationaal’. Het Engels wint zo nog meer aan aan­­trek­kings­­kracht. Eline Zenner wilde achterhalen wanneer jongeren die sociale betekenis oppikken en trok samen met collega Laura Rosseel naar lagere scholen met een filmpje over een nieuwe superheld. ‘Sterrenman’ vertelt daarin over zijn rugzak met snufjes die hij gebruikt in zijn strijd tegen Duistermaan en zijn bende. In een tweede versie van het filmpje heet de superheld ‘Star Man’ en doorspekt hij zijn taal met Engels: hij heeft een backpack met gadgets voor zijn strijd tegen Darkmoon en zijn gang. Kinderen uit het eerste, derde en vijfde leerjaar kregen de twee filmpjes in willekeurige volgorde te zien en vulden daarna een vragenlijst over beide superhelden in. ‘Is hij slim?’ ‘Is hij grappig?’ ‘Zou je je snoep met hem delen op de speelplaats?’ En vooral: ‘Wil je naar meer filmpjes van Sterrenman of Star Man kijken?’ In het eerste en derde leerjaar gaan de antwoorden nog alle kanten uit. In het vijfde leerjaar zijn de resultaten ook nog uiteenlopend, maar wat opvalt: er zijn bijna geen kinderen meer die Sterrenman een hogere score geven dan Star Man. “Op die leeftijd beginnen ze ook expliciet naar de taal te verwijzen om hun voorkeur te verklaren”, zegt Eline Zenner. “Ze zeggen bijvoorbeeld: ‘Die kerel spreekt Engels, dus hij is toffer.’ Bij kinderen van die leeftijd begint het

Nederlands dus wat prestige­verlies te lijden. We gaan nu onderzoeken hoe dat evolueert in de eerste jaren van het secundair onderwijs.”

Size matters Vinden we die sociale betekenis van het Engels ook terug in de leenwoorden die we in onze woordenschat opnemen: gebruiken we Engels voor wat cool is en houden we Nederlands voor de saaie kost? Of wat maakt dat een Engelse term een – opgelet, leenwoord! – hit wordt in het Nederlands? Kranten zijn een dankbare bron om te achterhalen welke Engelse woorden het beter doen dan hun Nederlandse tegenhanger én om daar een systematiek in te ontdekken. Eline Zenner en haar collega’s gingen in 2012 aan de slag met een corpus van maar liefst anderhalf miljard woorden uit Vlaamse en Nederlandse kranten. De belangrijkste succesfactor voor een leenwoord blijkt ‘lexicale leemte’ te zijn: als iets nieuw is in onze samenleving en nog geen naam heeft, is het handig als je er een al bestaand Engels etiket op kan kleven. Workaholic en webmaster kwamen zo stevig in het zadel te zitten voor arbeidsmaniak en webstek­beheerder ook maar een kans kregen. Een courante Nederlandse term voor een goed ingeburgerd concept wegduwen is heel wat lastiger: businessman heeft het vooralsnog niet kunnen halen van zakenman. Een andere vaststelling: size matters. Engelse leenwoorden doen het goed als ze korter zijn dan de Nederlandse tegenhanger: soulmate is sneller gezegd dan zielsgenoot, hooligan is korter dan voetbal­vandaal. Zo bekeken is hit een logisch succesnummer.

“Kranten zijn een dankbare bron om te achterhalen welke Engelse woorden het beter doen dan hun Nederlandse tegenhanger.”


29

— Geleidelijk aan gaan kinderen het Engels associëren met 'cool', 'trendy' en 'internationaal'.

In een nieuw onderzoek met collega’s van UGent en VUB bekijkt Eline Zenner of ook de context waarin we woorden gebruiken een rol speelt. “We vragen Vlaamse en Nederlandse proefpersonen om telkens tussen een Nederlandse of een Engelse term te kiezen. ‘Welk van de twee vind je het meest geschikt voor een artikel in de krant?’ ‘Welk van de twee zou je gebruiken in een gesprek met vrienden?’ Het gaat dan om woord­­­p aren als keeper-doelman, babysitter-­ kinderoppas, zakenman-­­­businessman. We zijn de resultaten nog aan het verwerken, maar de context heeft duidelijk een invloed: mensen kiezen vaker de Engelse term voor een gesprek met vrienden dan voor een artikel in de krant.”

De shit is aan Een stap verder dan woorden ontlenen uit een taal is ‘codeswitchen’. Dan ga je echt zappen tussen je moedertaal en de andere taal, if you know what we mean. Zo ver gaat de invloed van het Engels niet snel, stelde Zenner vast toen ze het taalgebruik in drie seizoenen van het reality­programma Expeditie Robinson onder de loep nam. De deelnemers namen weleens wat Engels in de mond, maar van echt code­switchen was amper sprake: het bleef veelal beperkt tot catchphrases als ‘Ready to rumble!’ en ‘Go for it!’

Het was ook één van de bevindingen in recenter onderzoek naar Engelse vloeken die Zenner vond in zes miljoen Vlaamse en Nederlandse tweets. Meestal ging het over woorden of frases die rechtstreeks uit het Engels overgenomen waren. De twitteraars vormen zelden eigen zinnen of taalmateriaal in het Engels. Met de ontleende woorden of uitdrukkingen sprongen ze dan weer wel vaak creatief om: van ‘Nu is de shit wel aan’ tot ‘The bitch is dead maar de teef bleef’. Eline Zenner vindt het een belangrijke vaststelling: “In het debat over verengelsing krijg je soms de indruk dat we talige luiaards zijn. Dat we Engelse woorden gebruiken omdat we te tam zijn om te bedenken hoe je het ook weer in het Nederlands zegt. Maar in mijn onderzoek zie ik vaak net dat er veel creativiteit opborrelt als twee talen samenkomen.”

Vitale taal Als Zenner haar onderzoeksresultaten tot dusver overschouwt, maakt ze zich niet al te veel zorgen over de verengelsing van het Nederlands. “Ik zou wel recentere en meer robuuste gegevens willen verzamelen om echt een uitspraak te doen over bijvoorbeeld dat codeswitchen. Maar aan wie zich zorgen maakt over verengelsing ben ik geneigd te zeggen: chill. Ik heb natuurlijk geen glazen bol, maar ik denk niet dat het Nederlands op uitsterven staat.” “Natuurlijk lopen de standpunten over hoe zuiver een taal moet zijn uiteen. Ik zie alleszins voldoende tekenen van een flexibel, maar vitaal Nederlands. Het blijft de identiteitstaal, die we gebruiken om onze kinderen op te voeden en te socialiseren. Die krijgt dan wel een Engels sausje, dat zeker. Is dat erg? Dat hangt dus af van hoe je naar taal kijkt.”


DOSSIER TAAL — Het succes van het cités

Shtijl slaat aan

“Dedication wil zeggen: toewijding naar Dirk toe. Vies belangrijk!” Fans van het programma Safety First herkennen ongetwijfeld het sappige taaltje van het hyperkinetische personage Smos, vertolkt door Matteo Simoni. Hij haalde de linguïstische mosterd onder meer bij de Limburgse citétaal. Die heeft vanuit de vroegere mijnwerkerswijken een opmerkelijke veroveringstocht gemaakt. Vandaag vinden ook jongeren elders in Vlaanderen het cités vies shtijl, al beseffen ze dat wa make en de meisje niet in elk gesprek thuishoren. Toen arbeiders uit onder meer Marokko, Italië, Spanje en Turkije na de Tweede Wereldoorlog naar Limburg kwamen om er in de mijnen te werken, ontwikkelden ze een voertaal om zowel met elkaar als met de plaatselijke bevolking te communiceren. Die cocktail had als ingrediënten het Limburgs, het Frans – de taal die ze in de mijnen spraken –, en scheutjes van hun moedertalen. Hun kinderen en kleinkinderen wisten die curieuze mix best te smaken. Ze pikten er elementen uit en verwerkten die in hun eigen omgangstaal, die later het cités of citétaal gedoopt zou worden. Dat deden ze niet meer zozeer om zich onderling verstaanbaar te maken, maar om een groepsidentiteit uit te dragen. Gaandeweg heeft vooral de Genkse jeugd de citétaal geclaimd, ook om zich een streetwise imago aan te meten.

Tongval Professor taalkunde Stefania Marzo maakte het begin van die linguïstische metamorfose in haar jeugd­­jaren mee. Ze is kind van Italiaanse ouders en groeide op in Genk. Voor haar doctoraat bestudeerde ze het Italiaans dat de tweede en derde generatie in de migrantengemeenschap spreken en raakte zo ook geïnteresseerd in citétaal. “Die is op zich verre van uniek”, zegt professor Marzo. “Er bestaan over de hele wereld dergelijke omgangs­talen, die altijd ontstaan in multi­culturele steden. Het ‘Rinkeby-svenska’ in de gelijknamige wijk in Stockholm, het ‘Kiezdeutsch’ in Berlijn, de straattalen in de grote Nederlandse steden … Elk van die talen heeft haar eigen fenomenen, maar ze vertonen ook gelijkenissen. De veralgemening van het lidwoord ‘de’ naar onzijdige woorden – denk aan ‘de meisje’ – zie je bijvoorbeeld niet alleen in de Limburgse citétaal, maar ook in die Nederlandse straattalen. Dat soort van generalisatie is een mechanisme dat je vaak ziet als talen met elkaar in contact komen.” Van sommige fenomenen uit de Limburgse citétaal is de herkomst vrij eenvoudig te duiden. Neem bijvoorbeeld ‘wa make’, een uitdrukking die ‘hoe gaat het?’ betekent. Die komt meer dan waarschijnlijk van het Italiaanse ‘che fai’. Maar het ligt niet altijd zo eenvoudig, zegt Marzo. “Een ander fenomeen uit de citétaal is de sh-uitspraak van de letter ‘s’ in woorden als ‘stijl’, ‘slaan’ en ‘school’. Taalkundigen noemen dat palatalisatie: bij de normale uitspraak van een s staat je tong tegen je tanden, voor de sh-uitspraak trekt je tong naar achter – naar je palatum of gehemelte. Die gepalataliseerde s vind je in een aantal Limburgse dialecten, maar ook in het Arabisch en in enkele Zuid-Italiaanse dialecten die goed vertegenwoordigd zijn in Genk, zoals het Napolitaans en het Siciliaans. Dat fenomeen uit de citétaal kan je dus moeilijk naar één bron terugvoeren: het heeft een meervoudige – of zogenaamd polygenetische – herkomst.”

“In 2008 reden er in Genk al bussen rond met reclameslogans als ‘Mi jo, wat een sjikke prijzen – vies weinig’. Als jongeren zoiets zien, voelen ze zich gesterkt in het gebruik van hun slang.”


31

Broodje Smos Hoe zijn die talige fenomenen zo populair geworden bij de jeugd? Daarbij speelden een aantal verspreiders een rol, de ene al wat hipper dan de andere. Eén van de eerste was winkelketen MediaMarkt, die de opkomst van citétaal vroeg in de gaten kreeg en er slim op inspeelde. In 2008 reden er in Genk al bussen rond met reclameslogans als ‘Mi jo, wat een sjikke prijzen – vies weinig’. “Als jongeren zoiets zien, voelen ze zich gesterkt in het gebruik van hun slang”, aldus Marzo. “Ze durven het dan sneller buiten hun eigen kringetje te gebruiken.” Maar street credibility kreeg citétaal vooral dankzij rappers als Don Luca en Fonzy Fons. “Don Luca is zowat de grondlegger van de Genkse hiphop”, zegt Marzo. “Hij werkt veel met jongeren en toont hen dat citétaal een tool kan zijn om naar buiten te treden. In zijn teksten kaart hij

— Gaandeweg heeft de Genkse jeugd de citétaal geclaimd om zich een streetwise imago aan te meten.

ook de problemen aan waarmee de plaatselijke gemeenschap te maken kreeg na de sluiting van de mijnen en Ford Genk. Vorig jaar zijn Don Luca en ik trouwens samen uitgenodigd door de universiteit van Bologna om een lezing te geven voor de studenten Nederlands daar.” De rappers kregen de hulp van het programma Safety First om enkele fenomenen uit de citétaal ook gemeen­ g oed te maken buiten de Limburgse provincie­­grenzen. Dat stelde Marzo vast toen ze een corpus van tweets uit de periode tussen 2012 en 2016 onder de loep nam. “We vonden in totaal ongeveer 1.500 tweets met het woord ‘stijl’ erin.


32

In 20 procent van de gevallen was de ‘s’ gepalataliseerd en stond er dus ‘shtijl’ of ‘sjtijl’. Dat percentage was veel groter als we alleen de tweets bekeken waarin het woord de typische citétaal-betekenis van ‘cool’ had. We bouwden meetmomenten in na de eerste uitzendingen van de eerste en tweede reeks van Safety First en telkens was er een duidelijke stijging in het gebruik van ‘shtijl’ te zien. We zagen dat het fenomeen zich gaandeweg ook begon te verspreiden in Brabant en Antwerpen, en in mindere mate zelfs ook in Oost- en West-Vlaanderen.” Het illustreert hoe we figuren met een edgy imago graag imiteren. Dat appeal heeft Smos – spreek uit: Shmos – uit Safety First dus overduidelijk. “Matteo Simoni heeft zijn personage enkele elementen uit de citétaal meegegeven, zoals de sh-klank en het gebruik van ‘vies’ in de betekenis van ‘heel’. Wat hij ook goed geobserveerd heeft, zijn de zenuwachtige gebaren en mimiek die erbij horen.”

Een passende jas Krijgen bedrijven binnenkort jongeren over de vloer die een sollicitatiegesprek beginnen met ‘wa make’? Om te achterhalen waar en wanneer citétaal precies opduikt, gingen studenten taalkunde op pad in Limburg. “Ze vroegen er aan jongeren om hun gesprekken op te nemen in drie situaties: tijdens pauzes op school, tijdens activiteiten in hun vrije tijd, en thuis aan tafel met hun ouders. Dat leverde vele uren aan getranscribeerde gesprekken op, waarin we verschillende elementen uit de citétaal apart gecodeerd hebben.” “Afkomst bleek geen beslissende factor meer te zijn: jongeren met en zonder migratieachtergrond spreken evenveel citétaal. We zagen dat ze het cités hoofdzakelijk in informele gesprekken gebruikten. Een belangrijke voorspeller daarbij was de intensiteit van een gesprek: als iemand een sterk verhaal of een roddel vertelde, zag je sneller fenomenen uit de citétaal. Ze gebruiken die dus vooral in informele situaties om gesprekken geanimeerder te maken en specifieke betekenissen te genereren, zoals boosheid, jaloezie of euforie.” Talen kan je vergelijken met kleding, zegt Marzo: ze hebben niet alleen een praktische functie, je drukt er ook iets mee uit. Voor een formele gelegenheid trek je een klassieke jas aan, voor een feestje onder vrienden mag het wat hipper zijn. “Jongeren voelen echt wel aan wanneer welke talige jas gepast is”, stelt Marzo. “Als je ze in gesprekken met vrienden citétaal hoort gebruiken, betekent dat niet dat ze de standaardtaal niet beheersen.” Daarom maakt ze zich ook geen zorgen als haar eigen kinderen hun Nederlands doorspekken met woorden uit het Arabisch en het Frans. “We wonen in Schaarbeek en ik geniet er net van om te zien hoe talen veranderen en elkaar beïnvloeden wanneer ze naast elkaar ‘leven’. Moderne sociolinguïsten zijn niet bang van taalvariatie. Integendeel, we omarmen die als een rijkdom en als een weerspiegeling van onze hedendaagse maatschappij.” ●

“Talen kan je vergelijken met kleding: ze hebben niet alleen een praktische functie, je drukt er ook iets mee uit.”


33

LIFEHACK — Blad, steen, schaar

Laat spelletjes niet aan het toeval over De inzet van een spelletje blad-steen-schaar kan soms verrassend hoog zijn. Dus weet je maar beter hoe je het naar je hand kan zetten ...

D

e baas van een Japanse elektronicagigant liet een deel van zijn waardevolle collectie impressionistische kunst veilen, maar kon niet kiezen tussen twee grote veilinghuizen. Hij besloot dat een spelletje blad-steen-schaar het maar moest uitmaken. Het ene veilinghuis schreef zonder veel strategie ‘blad’ op een papiertje. Het andere verdiepte zich in de psychologie van het spel en kwam tot de conclusie dat 'schaar' de meest kansrijke openingszet is tegenover een nieuwe tegenstander. Met succes dus. Wiskundig ingenieur Giovanni Samaey vertelt ons de anekdote om te illustreren dat schijnbare toevalsspelletjes niet altijd een kwestie van geluk zijn. Toch niet als de mens er een hand in heeft. Samaey raadt aan om op zoek te gaan naar patronen in reeksen. Zo kan je bijvoorbeeld opmerken dat je tegenstander – al dan niet bewust – altijd afwisselt: steen-blad-schaar-steen-blad-schaar ... Of dat hij een winnende zet steeds herhaalt. Of net niet. “Je moet natuurlijk een aantal keer spelen om dat te ontdekken”, zegt Samaey. “Ik heb onlangs nog blad-steenschaar gespeeld tegen mijn dochter van elf. Ik stond 3-0 achter toen ik een patroon meende te zien. Met de nodige moeite en een reeks draws – zij is óók een ervaren en strategische speler – won ik uiteindelijk nog met 5-4.”

“Zodra je de patronen doorhebt, kan je erop inspelen.”

Je probeert dus een voorspelling te maken op basis van wat je weet uit het verleden en de huidige situatie. Net als artificiële intelligentie, zegt Samaey. “Neem een zelfrijdende auto. Als die moet beslissen of een voetganger gaat oversteken of niet, kijkt hij in zijn geheugen. ‘Ik zal maar vertragen, want in soortgelijke situaties stak de voetganger in 90 procent van de gevallen over.’ Dat is hetzelfde principe als: ‘Mijn tegenstander zal waarschijnlijk ‘schaar’ tonen, want in bijna alle vorige sequenties die leken op deze deed hij dat ook.’”

Horloge als hulp Wat als je tegenstander ook jouw strategie leest en meer spelletjes wint dan jij? Dan kan je jouw zetten beter toch aan het toeval overlaten, zodat je tegenstander in de war raakt omdat hij geen patroon ziet. Maar dat is makkelijker gezegd dan gedaan: mensen zijn niet in staat om compleet willekeurig te kiezen, ook al proberen ze dat. Giovanni Samaey heeft een tip: “Je kan bijvoorbeeld een blik werpen op je horloge. Als de secondewijzer tussen 12 en 4 staat, kies je ‘blad’; staat hij tussen 4 en 8, dan toon je ‘papier’; en staat hij in het laatste derde van de wijzerplaat, dan ga je voor ‘schaar’. Als je een echt willekeurige keuze wilt maken, móet je wel dat soort externe hulp inroepen.” ●


34

1 JAAR — 4 STUDENTEN “Als kinesist kan je de levens­ kwaliteit van mensen verbeteren. Dat vind ik bijzonder motiverend.” Emma Biesbroeck (24) Dat ze zwaar slechtziend is, weerhield Emma er niet van om twee masterdiploma’s te behalen. Nadat ze aan UGent afstudeerde als master in de revalidatiewetenschappen, optie pediatrie, ging ze voor een interuni­versitaire master revalidatiewetenschappen neurologie aan KU Leuven. Als kind bracht Emma veel tijd door in het ziekenhuis. Ze bewaart mooie herinneringen aan de kinesisten die haar hielpen revalideren: “Ze deden dat met zoveel passie. Als kinesist kan je de levenskwaliteit van mensen verbeteren en dat vind ik bijzonder motiverend.” Emma greep al een aantal keren nét naast een job: “Omdat het te ver was, omdat er opeens bespaard moest worden of omdat er een rijbewijs gevraagd werd.” En toen was daar opeens een gouden kans in Dendermonde, waar Emma vandaan komt. Een praktijk in de buurt wilde haar graag aan boord nemen als zelfstandig kinesist. Emma mocht een paar dagen meelopen om te kijken of het zou klikken. En dat was het geval. In maart tekende ze haar contract.

“Steden ontwerpen en plannen is een heel veelzijdig domein.”

Ninelia Markarian (25) Ninelia uit Iran had al een bachelordiploma op zak, maar droomde van verder studeren in het buitenland. Twee jaar geleden kwam ze naar Leuven voor de Master of Urbanism and Strategic Planning. “Bij de internationale studentenvereniging waar ik werkte, hoorde ik over KU Leuven. Een universiteit met een heel goede reputatie, én betaalbaar.” Steden ontwerpen en plannen is een heel veelzijdig domein volgens Ninelia: “Er zitten politieke en sociale aspecten aan, het gaat over het échte leven.” Ooit wil ze een eigen bureau oprichten. Daarvoor is ervaring nodig en dus een job. Ninelia is dan ook volop aan het solliciteren. Maar dat loopt niet zo vlot als gehoopt: “Ik volg Nederlandse les en heb tijdens mijn studie gewerkt met Nederlandstalige documenten. Toch heb ik het gevoel dat werkgevers me meteen onderbrengen in het hokje ‘niet Nederlandstalig’.” Eind oktober verloopt haar studentenvisum. Als Ninelia dan geen job gevonden heeft, moet ze terug naar Iran. Fingers crossed dus.


Duizenden pagina’s geblokt, tientallen labo’s en seminaries achter de rug … En wat nu? Vier kersverse alumni laten u dit jaar meeleven met hun sollicitatie-avonturen en hun eerste stappen op de arbeidsmarkt. Maak kennis met Emma, Ninelia, Michiel en Maarten.

35

“Ik hou mijn ogen open voor alle opportuniteiten die op mijn pad komen.” Maarten Michielsens (22) Na zijn afstuderen wilde Maarten graag genieten van wat wellicht de langste vakantie van zijn leven geweest is. Maar nu is hij helemaal klaar om aan het werkende leven te beginnen. Aan Campus Antwerpen volgde Maarten eerst de bachelor handelswetenschappen. Daarna koos hij voor de Master in Business Administration, track International Marketing.. Hij is op zoek naar een functie waarin hij marketing kan combineren met zijn interesse in IT: “Business advisor bij een softwarebedrijf lijkt me wel wat.” Maar ook marketingfuncties in heel andere sectoren interesseren hem. “Strategische marketing bijvoorbeeld.” Maarten kreeg al telefoontjes en berichtjes van bedrijven, nog voor hij afgestudeerd was. “Met studentenvereniging Absoc organiseerden we een aantal jobbeurzen. Daar heb ik contacten gelegd. Ook stellen bedrijven hun vacatures voor op de Career Corner op de website van onze campus. Ik hou mijn ogen open voor alle oppor­ tuniteiten die op mijn pad komen.”

“Ik zie mezelf in de eerste plaats als tolk, maar ik doe van alles.”

Michiel Van de Gucht (25) Michiel wou iets met talen doen. Dat het er zoveel zouden worden, had hij niet kunnen dromen. Tijdens zijn bachelor toegepaste taalkunde Frans en Italiaans maakte hij kennis met Pools, als keuzevak. “Een taal die in meerdere opzichten interessant is, Pools is een beetje een niche in ons land.” Terwijl hij zijn master tolken deed, en nadien een postgraduaat conferentietolken voor Frans en Italiaans, begon hij het hele traject opnieuw, deze keer voor Pools. Mét de nodige vrijstellingen gelukkig. Inmiddels heeft hij acht jaar studie achter de rug en werkt hij als student-zelfstandige. In vloeiend Pools, Engels, Frans, Italiaans, en uiteraard Nederlands. “Ik zie mezelf in de eerste plaats als tolk, maar ik doe van alles: literair vertalen, Nederlands geven aan anderstaligen, correctie- en redactiewerk … Ik ben aan het rondkijken naar een halftijdse baan die ik kan combineren met freelancewerk. Wat ik zeker niet wil opgeven, is de afwisseling. Die houdt het voor mij boeiend.” ●


36 36

INTERNATIONAL RESEARCHER — Ana Miloševic

What started as a childlike fascination for a monument in her garden translated into a lifelong passion. Serbian-Italian Ana Miloševic travelled the world for her work in diplomacy. Yet only in Belgium did the last piece of the puzzle fall into place.

© Hollandse Hoogte

Commemoration is as old as humanity itself


37

‘I

n 2008, I became head of the Serbian Institute for Public Diplomacy in Brussels,’ says Ana Miloševic. ‘A fascinating job, but I had long dreamed of doing a PhD and research. Out of interest I attended an introductory program at KU Leuven, and everything came together. I knew I wanted to work here and put myself forward as a candidate.’

‘My work not only has academic value, it also helps people.’

‘That doesn't mean I consider my previous career a waste of time,’ she says. ‘On the contrary, it gives me a broader perspective and a profile somewhat different from that of the standard academic, because I have experience with fieldwork, policy makers and NGOs. All things that help with my research.’

Trauma protocol ‘Now I’m a postdoc affiliated with the Leuven Institute of Criminology (LINC) and the Leuven International and European Studies (LINES) institute. I research commemorations of terrorist attacks in Europe and how we as a society deal with such traumatic events. How important are memorials to survivors, or victims’ relatives? Do memorials or monuments help with the healing process, or do they keep the wounds open? Who or what should you take into account when erecting a monument?’ ‘My research also translates into practice,’ says Miloševic. ‘I make specific policy recommendations on commemorations. For example, I work with victim associations for the European Commission, and I help organise the European Remembrance Day for victims of terrorism. I find it very important that my research not only has an academic or policy value, but is also important to the people who must bear the consequences of terror.’ ‘I’ve interviewed survivors of attacks and victims’ relatives in the course of my research and for an affiliated book. That’s always difficult…you never get used to it. I’ve also talked to people who escaped the genocide in Srebrenica, and I’ve visited mass graves. You have to be able to turn the page readily enough or it will haunt you forever. What helps is the idea that my research can contribute to the processing of victim

suffering by pointing out to policymakers that victims want to be involved in commemorations or the creation of monuments, and that their participation is really very important.’ ‘When you deal with a collective traumatic event such as an attack, natural disaster, or even a pandemic, everyone instantly thinks of immediate safety measures. Few people wonder how we will commemorate those events in the future and what their longterm mental impact will be, but that is at least as important. Current traumas have much to teach us for the future. I hope I can help to develop some kind of protocol on remembrance and trauma processing. That would be quite something.’

Monument hunter Miloševic is known in the academic environment as a ‘monument hunter’. What does that mean? ‘Everywhere in the world I look for monuments, to photograph them and to collect information about them,’ she says. ‘Sometimes I go out with colleagues, for example during free moments during a conference, but I also go out alone. I end up in the most diverse places ranging from obscure townships in South Africa to deserted areas of Iceland. I share the photos on Twitter via the hashtag #TodayinMonuments, and I post them on my website. Other researchers are free to use that data. For example, some of them will soon appear in a book by French sociologists.’


38 38

— Monument for the victims of the Brussels attacks

The uncommon fascination with monuments began in her childhood. ‘A bizarre story,’ she says. ‘My father is an Orthodox priest and our garden – that of the parsonage – contained a monument to fallen soldiers from the First World War. As a child, that place appealed to me more than the Barbies in my room (laughs). I wanted to know what that stone construction meant, what historical stories preceded it.’ ‘Later, I became interested in how politicians use the past for their own purposes. I grew up in 1990s Serbia, during the Yugoslav wars, and of course that had an impact. Those wars showed what atrocities you can commit by abusing the past. When I did my PhD I also researched the “collective memory of Europe” and the political processes involved.’

Yolocaust Commemoration is as old as humanity itself. Rock paintings were made in prehistoric times, the pyramids are gigantic funerary monuments, and hundreds of wars have been commemorated with monuments. The significance of these monuments has gradually become less clear, especially in the last thirty years. According to Miloševic, that’s a function

of the complexity of the world. ‘Life is less black and white,’ she says. ‘You notice that even when looking at the appearance of monuments. Compare the Lion of Waterloo with the abstract monument for the victims of the attacks in Zaventem.’ ‘Recent monuments often try to elicit a physical response,’ says Miloševic. ‘A good example is the 2005 Holocaust Memorial in Berlin – a maze of concrete blocks that aims to evoke the disorientation of persecuted Jews (see picture on page 36). Interesting, but a regrettable consequence is that tourists don't always get the meaning. Teenagers happily pose for selfies – the “Yolocaust” phenomenon – or people take wedding photos there. It’s completely inappropriate, but it’s not necessarily done out of ill will.’ ‘I’ve also noticed that the meaning of ancient monuments is not static, and that they can be “reused” for their iconic value. After the terrorist attacks in Brussels, for example, you saw that the colours of the Belgian flag were projected on the Eiffel Tower or on the fountains of Trafalgar Square. And during the Corona crisis, messages of hope and solidarity with caregivers were projected onto the Great Pyramid of Giza.’ ●


Een greep uit de onderzoeksverhalen op www.kuleuven.be/stories.

01 Onderzoekers brengen Europese fifties in beeld Iedereen kent de iconische fiftiesfoto’s van Elvis of Marilyn Monroe. Maar hoe zagen de jaren vijftig er bij ons uit? Voor het Europese project ‘Kaleidoscope’ doken onze onderzoekers in uiteenlopende foto­ collecties en zetten een online tentoonstelling op die het naoorlogse decennium treffend verbeeldt. Hun kennis over het digitaliseren van erfgoed delen ze in een gratis online videocursus.

02 KU Leuven kweekt duurzaamste vis ter wereld Overbevissing en vervuiling zijn maar enkele gevolgen van onze grote visconsumptie. Met het oog op een meer duurzame, gezonde toekomst startten onze bio-ingenieurs een onderzoeksprogramma naar een zoetwatervis die zuiver op de graat is: gezond, lekker, lokaal en ecologisch. In wereldprimeur ontwikkelden ze de duurzaamste voeding en kweekwijze voor de ‘omegabaars’.

03 Onderzoek maakt unief meer inclusief Voor de LGBT+-gemeenschap groeit de nood aan meer inclusiviteit. KU Leuven-wetenschappers willen met hun onderzoek bijdragen aan een beter begrip van diversiteit. Voor verschillende EU-landen gingen ze de acceptatie van homoseksualiteit door leerlingen en leerkrachten na. Daarnaast bekeken ze hoe de houding tegenover homoseksualiteit evolueerde door de jaren heen.

04 Hop doet leven Een pint meng je best niet met andere drankjes, maar een mix van bier en economie levert wél een boeiend brouwsel op. In de wetenschappelijke discipline ‘bieronomie’ zoomen economen in op de rol die bier speelt in de wereldhandel. Onze ‘bieronomen’ doen onderzoek naar de relatie tussen de bierconsumptie en rijkdom van een land, of naar de gevolgen van klimaatverandering op de bierproductie. ●

© Örebro Kuriren, Örebro läns museum 50ies.

Online

39


40

INTERVIEW — Saskia De Coster is de eerste ‘huisschrijver’ van KU Leuven

“Goddelijke inspiratie bestáát niet” Met romans als Vrije Val, Wij en Ik, en Eeuwige Roem veroverde Saskia De Coster (43) haar eigen plek in het literatuurlandschap. Een plek die eens zo mooi oplicht door de vele sterren die recensenten haar laatste boek Nachtouders gaven. Iets van die gloed straalt misschien ook af op KU Leuven, want De Coster wordt een jaar lang ‘writer in residence’. Ze zal gastlezingen geven, de schrijfskills van studenten aanscherpen en meewerken aan een onderzoeksproject dat de grens tussen wetenschap en kunst opzoekt.


41


42

A

ls we Saskia De Coster vragen naar een anekdote uit haar studententijd, vertelt ze spontaan over ‘die keer dat Hugo Claus de universiteit bezocht’. De ambi­ tieuze studente stond oog in oog met één van haar idolen, maar stellen dat de ontmoeting uitdraaide op een rondje filosoferen of zelfs maar smalltalk met ‘de Meester’, zou een overdrijving zijn. “Ik was zo onder de indruk dat ik geen woord kon uitbrengen”, lacht ze. Twintig jaar later is ze zélf een succesvol auteur, slaat ze vlot praatjes met literaire sterren als David Mitchell of Jonathan Franzen, en staan verlegen bewonderaars voor háár met de mond vol tanden. Haar laatste worp Nachtouders haalde als enige Vlaamse roman de shortlist van de Libris Literatuur Prijs. En nu mag ze zich de eerste ‘writer in residence’ van KU Leuven noemen. Fijn nieuws voor studenten met literaire ambities, want De Coster zal onder meer een vak creatief schrijven doceren. “Een mooi initiatief, want als student was het net dát wat ik miste in mijn opleiding Germaanse”, zegt ze. “Er was veel aandacht voor literatuurgeschiedenis, grammatica en tekstanalyse, maar het creatieve aspect van taal bleef wat achterwege. Terwijl ik er net naar snakte om meer over het schrijfmetier te leren. Het is fijn dat ik die leemte nu kan opvullen.”

Kendrick Lamar In het buitenland zijn schrijflessen aan de unief al langer gangbaar. In Amerika bijvoorbeeld hebben klasbakken als Raymond Carver, Toni Morrison of David Foster Wallace ooit voor de klas gestaan. Hoe gaat De Coster die grote schoenen vullen? “Ik heb ooit een leerkrachten­ opleiding gevolgd en wist na twee lessen: dit is niks voor mij (lacht). Ik denk dat ik eerder een soort mentor zal zijn. Ik wil studenten helpen bij hun creatieve proces en mijn ervaring delen. Teksten kritisch bekijken en bijsturen. De vraag stellen: Waarom is dit goed? Of waarom niet? Idealiter werken studenten aan een groot project, en houden ze er aan het eind van de rit een degelijk kortverhaal aan over.” “Ik wil natuurlijk ook zélf bijleren”, zegt De Coster. “Ik ben benieuwd naar hoe studenten vandaag met taal omgaan, hoe hun leefwereld eruitziet en hoe ik mezelf daartoe verhoud. Men heeft het soms over ontlezing bij jongeren, maar ik neem dat met een korrel zout. Taal verandert en sommige romans hebben een kortere houdbaarheidsdatum dan andere. Achttienjarigen staan niet meer te springen voor Stijn Streuvels, maar lezen wél nog The Catcher in the Rye. Of ze luisteren naar de rapmuziek van Kendrick Lamar, die óók virtuoos omspringt met taal. Het lijkt me interessant om te zien hoe die nieuwe generatie oude en nieuwe vormen zal combineren en wat daaruit ontstaat.” De Coster wil ook de grenzen tussen kunst en wetenschap aftasten. In haar lessen, maar ook in samenwerking met onderzoekers en studenten van verschillende faculteiten. Zo zal ze meewerken aan een wetenschappelijk project rond hardlopen en schrijven. “Ik ben een fervent jogger en ik merk dat hardlopen mijn creativiteit en concentratie positief

“Ik wil studenten helpen bij hun creatieve proces en mijn ervaring delen. Teksten kritisch bekijken en bijsturen. De vraag stellen: Waarom is dit goed? Of waarom niet?”


— “Ik kan bij wijze van spreken beginnen aan een intiem liefdesverhaal en eindigen met een thriller. Het groeit organisch.”

beïnvloedt. Zeker als ik aan een roman werk. Ik vraag me bijvoorbeeld af welke chemische processen aan het werk zijn in je brein. Of wat de invloed is van hardlopen op concentratie, woordgebruik en associatief vermo­gen … We zouden het experiment kunnen lanceren tijdens de 24 urenloop in Leuven.”

Sneeuwbaleffect De Coster heeft naar eigen zeggen altijd geschreven. Gaande van sprookjes die ze als kind bijeen pende tot dagboeken waarin ze haar tienerhart uitstortte. Naar de inhoud van die laatste zal het raden blijven, want ze besloot ze ooit ‘ritueel te begraven in een bos’. “Heel theatraal, ik weet het (lacht). Maar wel efficiënt, want die plek is bouwgrond geworden en inmiddels staat er een huis bovenop. Als tiener maakte ik experimentele tijdschriftjes met mijn vriendinnen, maar ook die zijn veilig opgeborgen. De enige periode waarin ik niét schreef was vreemd genoeg als student. Wellicht uit koudwatervrees. De meesterwerken die we te lezen kregen werkten voor mij vaak verlammend.” Toch heeft ze het begin van haar schrijverscarrière ook deels aan de universiteit te danken. Ze volgde een specialisatieopleiding literatuur­ wetenschap, nam de pen weer op en won als 23-jarige de Interuniversitaire Literaire Prijs Babylon voor proza. “Dat heeft geholpen”, zegt ze. “Alleen al voor mijn zelfvertrouwen als schrijver. Het idee dat je werk goed genoeg is en gesmaakt wordt door een professionele jury. Bovendien heeft het een soort sneeuwbaleffect op gang gebracht.” De sneeuwbal kreeg zijn eerste concrete vorm in haar romandebuut Vrije Val, dat enkele jaren later verscheen. “Al was dat eerder ‘een ongelukje’", zegt De Coster. “Via de prijs kwam ik in contact met Peter Verhelst, die voor het literaire tijdschrift DW B werkte en op zoek was naar literair talent. Hij had wat gedichten van me gelezen en vroeg of ik nog iets had liggen. ‘Tuurlijk’, zei ik. ‘Een lang verhaal.’ Dat was flagrant gelogen, maar ik wilde de kans niet laten liggen en ben meteen

beginnen schrijven. Het werd een héél lang verhaal. Verhelst stuurde het op naar zijn uitgeverij, daar waren ze onder de indruk en wilden ze het uitbrengen.” “Ik ben nog steeds blij dat het zo is gelopen”, vertelt ze. “Tijdens het schrijven had ik niet de stress of de faalangst die komen kijken bij zo'n debuutroman, het gevoel 'een echt boek' te moeten schrijven. Want eerlijk: ik weet niet hoe dat moet. Elke keer begin ik van nul af aan. Ik ben niet het soort schrijver dat op voorhand een hele structuur heeft uitgedacht. Ik kan bij wijze van spreken beginnen aan een intiem liefdesverhaal en eindigen met een thriller. Het groeit organisch. Tegelijk is het ook hard werken. Dat is trouwens iets wat ik studenten wil meegeven: goddelijke inspiratie bestaat niet (lacht). Wat je nodig hebt is een drijfveer: iets dat moét verteld worden.”

Verzonnen luiers Voor haar laatste roman Nachtouders vond ze die drijfveer dicht bij huis. In 2014 werd De Coster samen met haar toenmalige vriendin moeder van een zoontje. De roman is het relaas van niet-biologische moederliefde, en van de vragen en twijfels die bij het ouderschap komen kijken. Dat het hoofdpersonage een schrijver is die toevallig ook Saskia heet, maakt de grens tussen feit en fictie er niet minder vaag op. Maar schijn bedriegt. ‘Ze schrijft niet zo direct over haar eigen leven’, lezen we in Nachtouders. ‘Dat is voor amateurs of melige types die zich ook het genre van de contemplatief-geestige verjaardagswens eigen gemaakt hebben.’


44


“Nachtouders is geen dagboek of zelfhulpboek voor prille moeders”, zegt De Coster. “Het blijft een roman. Ik noem het bewust autofictie. In elk boek zit iets van mezelf, maar het is niet zo dat ik dié uitspraak écht heb gedaan of dié luier op pagina 37 écht heb ververst (lacht). Ik zou puur autobiografische zaken ook nooit met de wereld delen. Ik vind het wél interessant om te flirten met de vierde wand. Het is een spel, waarbij manipulatie komt kijken. Retoriek en trucs om lezers in mijn boek te trekken.” Nachtouders wordt veelvuldig getipt in leeslijstjes en raakt bij veel lezers een gevoelige snaar. “Wellicht omdat het thema zo universeel is”, zegt De Coster. “Tegenwoordig is autofictie erg in. Schrijven over ‘de gewone dingen des levens’, waarin iedereen zich herkent. Misschien omdat we zo vaak in digitale werelden vertoeven en steeds meer nood hebben aan authenticiteit. En dan zijn kinderen natuurlijk een van de meest wezenlijke onderdelen van ons leven. Iets wat ons verbindt. Er is een reden waarom politici vaak schermen met ‘de toekomst van de komende generaties’ (lacht).” “In het boek vraag ik me af wat die band is tussen ouders en kinderen, en hoe je die moet vormgeven”, zegt De Coster. “Vroeger omvatte moederschap vaak je hele zijn, maar nu combineren we meerdere identiteiten. Je bent moeder, maar ook vriendin, partner, schrijver … Hoe geef je alles een plaats? Ik wilde ook de twijfel over ouderschap belichten. Kinderen krijgen was lang vanzelfsprekend, en ook nu is het nog vaak de norm. Maar wat als je dat niet wil? Mag je je dan geen vragen stellen bij die vanzelfsprekendheid? Ik merk dat sommige lezers die twijfels herkennen, en appreciëren dat ik zoiets opwerp. Dat is ook het mooiste compliment dat ik kan krijgen. ‘Je schrijft wat ik zelf niet durf uitspreken of onder woorden kan brengen.’” Heeft ze op die manier ook ooit al mensen gekwetst of verloren? “Helaas wel, al was dat uiteraard nooit mijn bedoeling. Het is eerder ‘collateral damage’. Ik zie de zin niet in van mensen de grond in schrijven of mijn persoonlijke vetes uitvechten via de literatuur. Dat vind ik nogal zwak. Maar je hebt de reacties van anderen natuurlijk niet onder controle. Ik heb ook al meegemaakt dat mensen beledigd waren omdat ze zich herkenden in bepaalde personages, terwijl ik hen helemaal niet in gedachten had. Het is iets waar je als schrijver mee moet leren leven, denk ik.”

“Ik kan niet énkel maar romans schrijven. Dat vind ik een te enge invulling van het schrijverschap. Ik ben gulzig en heb nood aan afwisseling.”

Maquettewereld De Coster leeft al bijna twintig jaar van haar pen en dat is maar weinigen gegeven. Sommige carrières tellen slechts zoveel dagen als de pagina’s van een beloftevol debuut, andere schrijvers moeten er noodgedwongen een baantje bijnemen. Hoe ziet ze haar evolutie als ‘gevestigd auteur’? “Ik schrijf volgens mij beheerster dan vroeger. Waar ik vroeger drie metaforen nodig had, ga ik nu op zoek naar dat ene beeld dat klopt. Ik probeer ook relevant te blijven. Als je al even bezig bent, loert het gevaar om de hoek dat je jezelf herhaalt of in automatismen vervalt. Een beetje zoals Coldplay elke keer weer dezelfde plaat maakt (lacht). Ik probeer met elke roman te vernieuwen, maar tegelijk voort te bouwen op de vorige. Als kind droomde ik al van een eigen maquettewereld. Een alternatief universum. Dat probeer ik te scheppen met mijn boeken, waar elke roman een andere straat of een ander gebouw is.” “Die ‘worldbuilding’ zie je ook in veel hedendaagse tv-series”, zegt De Coster. “Die beïnvloeden me óók. Ik schrijf momenteel bijvoorbeeld aan een novelle, met korte hoofdstukken die telkens eindigen op een cliffhanger. Net zoals bij pakweg een Netflix-serie. Ik speel ook met het idee voor een eigen tv-project, al blijft de inhoud daarvan voorlopig nog geheim (lacht).” De Coster werkt ook samen met beeldend kunstenaars, en schrijft liedteksten en columns. Mochten we de term niet zo tenenkrommend vinden, we zouden haar een ‘creatieve duizendpoot’ noemen. “Ik kan niet énkel maar romans schrijven”, zegt ze. “Dat vind ik een te enge invulling van het schrijverschap. Ik ben gulzig en heb nood aan afwisseling. Een roman draait bijvoorbeeld om introspectie, terwijl ik soms ook mijn spontane verontwaardiging wil uiten in een column. Of even uit mijn schrijfbubbel wil komen en met iemand samenwerken rond een kunstproject. Daarom kijk ik ook uit naar die functie als ‘writer in residence’. Ik ben benieuwd wat die universitaire omgeving en de samenwerking met onderzoekers voor mijn werk kunnen betekenen.” ●


Duizend stukjes SASKIA DE COSTER

'D

it is voor jou,’ fluisterde ze. Met onvaste hand overhandigde ze haar dochter Emma een doosje. Een mooi, delicaat afgewerkt doosje dat de dochter nooit eerder gezien had. Het paste perfect in haar handpalm. ‘Dit doosje bevat al mijn antwoorden,’ zei de moeder. ‘alle antwoorden uit mijn vijfenzeventigjarige leven.’ ‘Welke antwoorden?’ vroeg Emma.

‘Ik heb mijn hele leven alle vragen en alle antwoorden verzameld die ik tegenkwam en ik heb ze in elkaar geschoven zodat ze precies in dit doosje passen. Beloof me dat je het doosje nooit zal openen, hoe groot de verleiding soms ook zal zijn.’ Het verbaasde Emma. Haar moeder was altijd een praktisch aan­gelegde vrouw geweest die zich nooit vragen leek te stellen en het leven nam zoals het kwam. ‘Wat gebeurt er als ik het wel open?’ vroeg Emma. ‘Je mag het doosje nooit, maar dan ook nooit, openen,’ zei ze verrassend helder en kordaat. De laatste tijd zocht ze aarzelend de woorden in de verduisterde kamer van haar geheugen maar nu kwamen ze vanzelf. ‘Ik geef het doosje aan jou omdat ik te oud geworden ben om het zelf nog goed te kunnen bewaken. Beloof me dat je het nooit zal openen.’ Emma was de vreemde gedragingen van haar moeder ondertussen gewoon; de nachtelijke wandelingen langs de vaart in haar nachtjapon en de uitgebreide etentjes zonder genodigden waarvoor ze in paniek haar dochter als keukenhulp optrommelde. Misschien was dit doosje ook een van haar verwarde pogingen om vast te houden aan

haar oude, geordende leven. Emma beloofde om het nooit te openen, hoewel de tijden om openheid vroegen. ‘In je leven zal je het wel ontdekken: antwoorden kan je niet loswrikken, die bevrijden zichzelf,’ zei haar moeder nog. Kalm liet de vrouw zich vervolgens naar het rusthuis brengen. Zo vaak als ze kon bracht Emma haar moeder een bezoek. Tussendoor regelde ze de zaken van haar moeder zo goed mogelijk. Haar meubels gingen naar een kringloopwinkel, haar geld werd toevertrouwd aan een notaris die het zou verdelen onder de familieleden. Nadat alles rond was en er zo goed als geen sporen meer waren van haar moeders vroegere leven, vertelde ze haar moeder dat ze zich geen zorgen meer hoefde te maken. Alles was tot in de puntjes geregeld. Ze kon ontspannen en alles loslaten wat haar ooit zorgen had gebaard, zei Emma. Haar moeder prutste aan haar kraagje, vroeg om een paarse viltstift voor haar tekening en lachte om een grap die Emma niet had gehoord. Het leven ging verder. Het doosje stond op de kast in de woonkamer. Natuurlijk werd Emma soms in de verleiding gebracht om het te openen en te kijken hoe de antwoorden op alle vragen eruit zien. Vooral op momenten dat ze het moeilijk had en zelf vol vragen en twijfels zat. ‘Wat als ik het doosje toch stiekem openbreek?’ dacht ze geregeld. Maar ze deed het niet, want ze dacht even vaak aan wat haar moeder gezegd had. En aan haar eigen belofte om het niet te openen. In de woonkamer trok het doosje te veel haar aandacht. Ze kon ernaar zitten kijken tot ze het meende te zien groeien. Om het uit haar zicht te hebben, verhuisde ze het naar haar

‘In je leven zal je het wel ontdekken: antwoorden kan je niet loswrikken, die bevrijden zichzelf,’ zei haar moeder nog. Kalm liet de vrouw zich vervolgens naar het rusthuis brengen.


47

slaapkamer. Ze legde het onder haar bed maar toen kon ze niet meer slapen. In de stilte van haar halfslaap hoorde ze het doosje zacht zoemen. Het vroeg erom, het wilde geopend worden. Op een nacht hoorde ze een gefluister: ‘Open mij, doe het nu maar.’ Emma dacht: ‘Ik zal het niet openen, dat mag ik niet, maar ik ga het begraven. Met een beetje geluk komt er een worm of een mol voorbij die het opent zonder het te weten. Of wie weet zal het langzaam vergaan en verteerd worden door de aarde. Het gaat dan vanzelf wel open.’ Ze nam een spade en groef een kuil in haar stadstuintje. Een ondiepe kuil volstond. Op haar handpalm woog het doosje licht als een veertje. Hoe kon zoiets onbenulligs alle antwoorden bevatten en haar zo van streek maken? Het was gewoon een zoveelste verzinsel van haar moeder die langzaamaan haar greep op de wereld verloor. Nu het doosje onder de grond weggestopt zat, probeerde ze het te vergeten. Maar proberen en vergeten zijn twee woorden die niet rijmen op elkaar. Ze leerde de liefde van haar leven kennen en ging daar helemaal in op. In de zevende hemel van haar verliefd­h eid was hij het antwoord op alles. Al haar vragen verdampten zodra ze samen waren. Zo vlot konden twee mensen met elkaar omgaan. Vijf maanden later vertelde hij dat hij zichzelf onderweg was kwijtgeraakt en liet hij haar achter met een levensgrote vraag. Waarom hij haar zo verraadde, kon hij niet uitleggen. Leeg en vertwijfeld bleef ze achter. De vragen in haar leven schenen alleen maar zwaarder te gaan wegen. Als ze in bed lag, voelde ze hoe onder de zwarte aarde het doosje zich op zijn andere zij draaide en nukkig zweeg.

Zij moest steeds grotere keuzes maken. Ja of neen zeggen. Haar moeder verdwaalde onherroepelijk in het doolhof van haar dementie. Het ging snel bergaf met haar. Ze herkende Emma niet meer. Van de ene dag op de andere weigerde ze alle eten en drinken en werd ze aan een infuus gelegd. In een permanente sluimerslaap begon haar lichaam zichzelf op te eten. Op een avond belde een verzorgster Emma voor ‘een ernstige kwestie’. Ze wilde weten of de instelling de moeder nog langer kunstmatig in leven moest houden of niet. Emma beloofde snel met een antwoord te komen. Maar ze had geen idee hoe ze ook maar kon beginnen nadenken over de vraag. Het was iets onmogelijks. En niemand kon haar helpen in haar beslissing. Als ze haar beste vrienden om raad vroeg, dan zei de ene ‘zeker A’ en de andere zei ‘vooral niet A, alles behalve A’. Hun antwoorden sloten elkaar uit. Zij hoorde hun heftige betogen en ze luisterde aandachtig maar ze vond geen antwoorden. Stel dat ze haar moeder liet verderleven, was ze dan slecht? Nee. Misschien. Wilde ze haar moeder helpen uit haar lijden? Ja. Maar. Had haar moeder pijn? Wie weet. Emma kon de slaap niet vatten. Ze liep de tuin in en bleef een tijdje naast de bamboestruik staan, op de plaats waar ze het doosje begraven had. Ze rookte een sigaret. De rook kringelde op en mengde zich met het blauw van de nacht. Onder de grond gonsde het van de antwoorden. ‘Als ik heel hard op de grond stamp, zal het door de ondergrondse trillingen openbarsten. Misschien komen de antwoorden er dan één na één uit,’ dacht ze. Ze stampte hard op de grond maar er gebeurde niets. Ze stampte harder en harder, maar nog steeds kreeg ze gaan antwoorden. Tot ze zich niet meer kon beheersen. Ze was razend. Op het doosje. Op alles. Ze haalde een schop en groef. Al snel vond ze het doosje. Ze haalde het uit de aarde. Sloeg het kapot. Het viel in duizenden stukjes uit elkaar. Wat in haar handpalm achterbleef, was niets. Een ontnuchterende en ontstellende leegte. Wat had ze gedaan? Wat kon zij nu doen, met niets? De antwoorden die Emma verlangde, kon haar moeder haar nooit meer geven. Ze was die nacht overleden. ●


48

ONTRAFELD — Angst

Waarom we bang zijn

Angst, wat zijn we er nog mee, nu we in bakstenen huizen wonen, met hooguit een wolf op tv? We klopten – behoedzaam – aan bij angst­ psycholoog Bram Vervliet, en vroegen het hem.


49

“Zonder angst zouden we niet bestaan, zo eenvoudig is het”, zegt Bram Vervliet. “Evolutionair gezien zijn we prooidieren. Net als antilopen en gazelles werden we in onze vroegste ontwikkeling voortdurend belaagd door roofdieren. De leden van onze soort die angstiger waren, hadden meer kans op overleven en voortplanting. Hun angstige genen zijn dus meer gekopieerd in latere generaties.” Angst heeft ons gered. Maar nu onze soort – haast per toeval – aan de top van de voedselpiramide is terechtgekomen, zijn we nog altijd diezelfde angst­ hazen met prooidier-genen. “Eigenlijk is dat contradictorisch. Andere dieren die aan de top van de voedselpiramide staan, zoals haaien, kennen nauwelijks angst. Ze hebben dat nooit nodig gehad.” “Onze angst kan nog altijd levens redden. Ze activeert je onmiddellijk in een gevaarlijke situatie. Ze zet je spieren aan tot actie. Zelfs blinde paniek is gezond als je in een situatie verzeild raakt waar je geen kant meer op kunt. Dan kun je maar beter wild om je heen beginnen te slaan, want dat geeft je nog een béétje kans op overleven.”

geleden om in onze genen te slijten. Simpel gezegd: we zouden al lang dood zijn vooraleer we bang zouden zijn van de juiste dingen.” Dus heeft de evolutie ons uitgerust met een flexibel mechanisme om onze angsten up-to-date te krijgen. We krijgen ze ingelepeld via sociale imitatie – we spelen ze na in spelletjes – of via culturele overlevering – we vertellen er verhalen over. “Waarom maken we onszelf anders graag bang? Waarom kijken wij met plezier naar horrorfilms? Griezelverhalen laten ons toe de juiste emoties ‘veilig’ te leren, zonder dat we onszelf echt in gevaar moeten brengen. Al die groteske monsters, dat zijn uitvergrote roofdieren. En zombies waarschuwen ons om uit de buurt van lijken te blijven, want daar krijg je verschrikkelijke ziektes van.”

Pas op voor die keukentrap

Slechts enkele van onze angsten zijn vermoedelijk aangeboren. Het zijn oude angsten uit een ver verleden. De angst voor het donker bijvoorbeeld, ooit bijzonder nuttig, maar in onze veilige kunstlicht­­wereld niet echt relevant meer. Of de angst voor vreemden, die rond anderhalf jaar plots hevig komt opzetten bij jonge kinderen. “Een heel belangrijke emotie”, zegt Vervliet. “Als ze ontbreekt, kan dat een waarschuwingssignaal zijn voor problemen in de ontwikkeling.”

Onze angstradar krijgt dus geregeld een update. Toch staat hij niet altijd scherp afgesteld. Integendeel, vaak zijn we bang van zaken die helemaal niet zo bedreigend zijn. “We laten ons leiden door anekdotiek, niet door statistiek”, zegt Vervliet. “De media geven ons daarbij een duwtje. Ken je de boutade: ‘If it’s in the news, you shouldn’t worry’? Het nieuws is vaak de uitzondering, niet de regel, en mensen vergeten dat. Eén ongeval met een zelfrijdende wagen in Silicon Valley jaagt mensen weg van die technologie, terwijl er alleen al in de VS jaarlijks 40.000 mensen omkomen in gewone auto’s. Of kijk naar terrorisme, goed voor minder dan 0,01 procent van de doden wereldwijd, maar voor 30 procent van de media-aandacht. Toch heb je nog altijd veel meer kans om te sterven na een banale val van de keukentrap dan in een aanslag.”

Toch zijn er ook veel nieuwe angsten. Hoe leren we bang te zijn voor de gevaren van de moderne tijd zoals, pakweg, een stevige pandemie? “Als dat langs de genetische weg moet gebeuren, duurt het veel te lang”, zegt Vervliet. “Zelfs de grootste verschrikkingen in de geschiedenis van de mensheid – zoals de pestepidemieën – zijn evolutionair gezien veel te kort

Op die manier jagen onze angsten ons soms ongewild de dood in. “In de maanden na de aan­ slagen van 9/11 namen Amerikanen plots massaal de auto voor lange afstanden, in plaats van het vliegtuig. Puur uit angst, want het gevaarlijkste aan vliegen is de autorit naar de luchthaven. Het gevolg was 1.500 extra doden op de weg.” ●

Angsten leer je

© Getty Images

Bang zijn is gezond


© AMC

50


51

UITGELICHT — Een knipoog naar de maatschappij

Valt er nog te lachen na #MeToo? Na #MeToo kreeg ook vrouw­onvriendelijke humor de wind van voren: de grap was er plots af. Zijn we overgevoelig geworden? Of kunnen we die foute moppen echt wel missen? We leggen enkele stellingen voor aan twee onderzoeksters. Giselinde Kuipers is een sociologe die humor onderzoekt. Liesbet Stevens is experte seksueel strafrecht.

Stelling #1

Stelling #2

#MeToo was het kantelpunt voor foute humor.

We zijn overgevoelig geworden. Een grapje is tenslotte maar een grapje.

GISELINDE KUIPERS: “Er was al vóór #MeToo iets aan het schuiven in de samenleving. De gevoelig­ heden waren al een tijdje aan het veranderen, bij vrouwen, maar bijvoorbeeld ook bij etnische minderheden. En natuurlijk heeft dat ook gevolgen voor onze humor. Tot een tiental jaar geleden moest humor hier vooral hard zijn. Soms betekende dat ook behoorlijk vrouwonvriendelijk. Er is een kentering: humor wordt absurder, vriendelijker.” LIESBET STEVENS: “#MeToo is inderdaad eerder

een hoogtepunt in een beweging die al gaande was. We hebben in België in 2014 al de seksismewet goedgekeurd, en we hadden in 2015, twee jaar vóór #MeToo, ook al #WijOverdrijvenNiet, rond straat­ intimidatie tegen vrouwen. Dat ging natuurlijk wel over serieuzere zaken dan grapjes.”

STEVENS: “Dat is nu net één van de klassieke manieren om vrouwen af

te schepen: ‘Het was maar een grapje, als je daar al niet tegen kunt!’ Dat kluwen van seksueel getinte grapjes en ongemakkelijk weglachen, daar zijn we nog niet klaar mee. We gaan nog te snel mee in die verde­ digingslinie van de dader, zeker in gezelschap. Het slachtoffer voelt zich dan gedwongen om mee te lachen met de grappenmaker van dienst. Terwijl iedereen aanvoelt: dit is geen grap, dit is niet leuk. Dit is het omgekeerde van leuk. Zijn we dan overgevoelig als we dat zeggen?” KUIPERS: “Humor is in elk geval niet onschuldig. Het is nooit ‘maar’ een

grapje. Grappen geven wel degelijk stereotypen door, en versterken ze zelfs. Humor kan je ook in slaap sussen, in een staat van ‘verlichte verdoving’ brengen. Het ene moment lach je dan mee met een seksis­ tische grap, en het volgende moment kan je makkelijker serieuze vormen van agressie tolereren.”


52

Stelling #3

Stelling #4

Elke seksistische grap is een daad van agressie.

Vrouwen en mannen hebben een verschillend gevoel voor humor.

KUIPERS: “Dat is dan weer een stap te ver. We moeten erg voorzichtig zijn met dat soort grote woorden. Er bestaat vandaag een discours rond ‘micro-agressie’: elk grapje is daarin een mogelijke daad van agressie. Maar niet elke seksistische grap zadelt het slachtoffer met een levensgroot trauma op. Agressie veronderstelt voor mij ook dat de grappenmaker doelbewust kwetst. Vaak gebeurt dat juist ongewild.”

KUIPERS: “Ze hadden vooral, en dat hebben ze nog, een verschillende positie in de samenleving. Humor werkt als volgt: hoe hoger op de ladder, hoe guller de lach. En mannen hebben altijd hoger gestaan. Een Amerikaans onderzoeker heeft dat ooit geturfd bij het personeel van een ziekenhuis. Er werd het vaakst gelachen met grappen van de diensthoofden – mannen, het minst met grappen van verplegend personeel – vooral vrouwen.”

“Zeker, we moeten humor serieus nemen, maar té serieus werkt contraproductief. Humor is ook een smeermiddel, dat juist wat lichtheid kan brengen in discussies over zware thema’s als gender en seksisme. Als je humor helemaal in de ban doet, valt dat ook weg.”

“Het is gewoon ongelijk verdeeld: mannen en humor zijn een optelsom, vrouwen en humor niet. Ik vroeg eens voor een onderzoek: ‘Ken je iemand met een goed gevoel voor humor?’ Bijna allemaal, mannen én vrouwen, noemden ze een man. Vrouwen die grappig zijn, verliezen voor veel mensen een deel van hun vrouwelijkheid. Ooit zei iemand me letterlijk over een vrouwelijke humorist: ‘Dat moet zo’n meisje toch niet doen?’ Vrouwelijke comedians grijpen daarom ook vaak naar zelfspot, de klassieke strategie van de underdog.”

STEVENS: “Ik worstel al lang met de vraag hoe je

STEVENS: “De clichégrappen gáán ook altijd over vrouwen: domme

met humor omgaat in het strafrecht. #MeToo ging ook over perspectieven en grenzen, en humor betekent juist spelen met perspectieven en grenzen. Het is niet omdát iemand zich gekwetst voelt door een grap, dat dat per definitie strafbaar moet zijn. Een sterke democratie moet een foute grap aankunnen. Wij dragen in ons recht de vrijheid van expressie hoog in het vaandel, we laten bewust veel ruimte voor humor. Ik raad iedereen aan: spréék vooral met elkaar, leg uit dat je gekwetst bent en waarom. Want telkens als we het strafrecht nodig hebben, hebben we gefaald.”

blondjes, huisvrouwen, prostituees ... Probeer maar eens het omge­ keerde, vind eens zo drie mannelijke stereotypen. Een mop over een zakenman? Er schiet me niet meteen één te binnen.”

Stelling #5

Een man die meelacht met een dommeblondjesmop, is een seksist. KUIPERS: “Nee, natuurlijk niet. Je kunt heel goed lachen met iets waar

je het niet per se mee eens bent, gewoon omdat het een goed gevonden grap is, of omdat ze geweldig gebracht wordt.” STEVENS: “Je kunt een man ook moeilijk verwijten dat hij een manne­

lijke blik heeft. De socioloog Michael Kimmel zei: ‘Privilege is invisible to those who have it.’ Privilege creëert een blinde vlek: je bent niet altijd gevoelig voor wat je niet zelf hebt meegemaakt. Een hele samenleving kun je wél verwijten dat ze alleen met die mannelijke blik kijkt. In een echt gelijke wereld staat er naast elke seksistische grap over vrouwen, een seksistische grap over mannen, en liefst nog honderd niet-seksistische.”


53

“Het is gewoon ongelijk verdeeld: mannen en humor zijn een optelsom, vrouwen en humor niet.” GISELINDE KUIPERS

“De cliché­grappen gáán ook altijd over vrouwen. Een mop over een zakenman? Er schiet me niet meteen één te binnen.” LIESBET STEVENS

Stelling #6

Ook mannen zijn slachtoffer van seksistische humor. KUIPERS: “Er worden echt véél minder grappen over mannen gemaakt.

En als het gebeurt, voelt het minder erg voor de man. In onze westerse wereld heerst het gevoel dat humor beter is, en minder schadelijk, als ze omhoog trapt, als ze zich richt tegen groepen met meer macht. Dus àls er een grapje over mannen wordt gemaakt, dan wordt dat minder erg gevonden. En als je – als man – al in een voordelige positie zit, is het makkelijker om je schouders op te halen.” “Kunnen vrouwen zich meer permitteren dan vroeger? Ja. Meer dan mannen? Nee. Er worden nog altijd meer seksistische grappen door mannen gemaakt.” STEVENS: “Iets is pas seksistisch als het mensen opsluit in een stereo-

type dat hun mogelijkheden beperkt. Dat kán natuurlijk ook bij mannen. Als je als man om 16u zegt: ‘Ik stop wat vroeger, want ik moet mijn kinderen van school halen’, en je wordt daar voortdurend belachelijk mee gemaakt, dan heeft dat een even nadelig effect. Alleen: in de praktijk, als een man zoiets zegt, dan zijn dat meestal helden! (lacht)”

Stelling #7

Door #MeToo zijn we straks verlost van foute humor. STEVENS: “Maar neen! En moet dat ons streefdoel zijn? Het doel moet

zijn dat er meer diverse humor komt. Dat er ook meer met mannen gelachen wordt, bijvoorbeeld. Ik weet zeker dat ik zelf ook al seksistische grappen heb gemaakt over mannen. Uiteraard mag je wat plagen, maar als je systematisch met dezelfde lacht, dan wordt het pesten. En humor mag geen excuus worden voor pestgedrag.” KUIPERS: “Er is wel een bewustzijn geland bij de oudere generatie,

maar het is zeker niet weg. Vandaag is het eerder: ‘Dat mag ik vast niet zeggen, maar’ … en dan toch de grap. Het lijkt me gemakkelijker om een nieuwe generatie op te voeden, en ik heb ook het gevoel dat het bij de jeugd écht verschuift.” “Je krijgt wel soms een backlash. Een kleine groep vindt platte seksis­ tische humor vandaag nog altijd stoer. Niet zo lang geleden nog zag ik een comedian onverbloemd seksistische praat staan verkondigen. Ik kon dat alleen maar bijzonder puberaal vinden. Het is ook zó gemakkelijk, even heel hard op andermans tenen gaan staan. Misschien moeten ze eens proberen of ze ook zichzelf pijn durven te doen?” ●


54

INTERVIEW — Alumnus en sociaal ondernemer Arnoud Raskin

Liever tegenwind dan applaus Arnoud Raskin (47) is een rasechte ondernemer, maar wel één die z’n winst liever versluist naar de straat dan naar zijn eigen bankrekening. De reden daarvoor? De straatkinderen die hij met zijn mobiele scholen een beter leven wil geven. Voor zijn laatste spin-off StreetSmart krijgt hij 490.000 euro van Google, en ontwikkelt hij een app die jeugd- en straathoekwerkers ondersteunt bij hun werk met kwetsbare jongeren.

J

e hebt industrieel vormgevers die goed ogende, maar slecht zittende stoelen ontwerpen. Er zijn er die zich richten op lawaaierige koffieapparaten, multifunctionele trapleuningen of onbetaalbare auto’s ... Alumnus Arnoud Raskin ontwikkelde een mobiele school. “Een uitklapbaar schoolbord op wieltjes, gevuld met educatief materiaal en leerspellen, waarmee ik straatkinderen overal ter wereld wil onderwijzen én empoweren”, zegt hij. Zijn organisatie Mobile School heeft inmiddels 57 schoolmobielen in dertig verschillende landen. Het idee voor zijn levenswerk kreeg Raskin toen hij als 22-jarige naar Colombia trok. Hij ging er aan de slag als straathoekwerker en zag de soms schrijnende omstandigheden waarin kinderen opgroeien. Een aha-ervaring voor de jonge student product­ design, die op dat moment nog volop zocht naar manieren om zijn eigen leven vorm te geven.


© Polle Van Rooy

55


56 “Als kind droomde ik ervan om uitvinder worden”, vertelt hij. “Niet Jommeke of Lambik, maar professor Barabas en Gobelijn waren mijn striphelden (lacht). Ik koos voor een opleiding productdesign, maar daar bleek ik al snel een buitenbeentje … Mijn mede­ studenten maakten schetsen voor de Porsche die ze ooit hoopten te ontwerpen of lazen de fancy designboekjes. Daar had ik niéts mee. Van ‘social design’ was nog amper sprake, maar ik voelde wel dat ik dié kant op wilde. Ik wilde iets kunnen betekenen met mijn werk. En hoe kan je mensen beter kansen geven dan door ze te onderwijzen? Het prototype van de mobiele school werd uiteindelijk mijn eindwerk.”

Schoolwerk Na zijn afstuderen schipperde Raskin een tijd tussen België en Zuid-Amerika, waar hij zijn mobiele school bijstelde en – letterlijk – trachtte uit te rollen. “Een lastige periode. Ik tapte pinten om rond te komen en zodra ik voldoende had verdiend, stapte ik het vliegtuig op. Als het geld op was, keerde ik terug naar ‘hotel mama’ en begon alles opnieuw. Mijn hele leven stond in het teken van mijn project. Ik had met verschillende ngo’s contact opgenomen, maar daar was ik niet welkom. ‘Een designer die aan ontwikkelingswerk wil doen? Zever niet!’” Het motiveerde hem om een aanvullende master Cultural Anthropology and Development Studies (CADES) te volgen aan KU Leuven. “Ik zag in dat ik mezelf breder moest vormen om geloofwaardig te zijn in die wereld van ontwikkelingssamenwerking. Tot dan vertrouwde ik op mijn buikgevoel, maar daar leerde ik het jargon om dat ook professioneel te verwoorden. Ik had het voordeel dat men de opleiding nog volop aan het vormgeven was. Ik had de flexibiliteit om dié vakken te kiezen die voor mij iets konden betekenen: economie, antropologie, filosofie van de technologie … Ook hier stond elke paper die ik schreef in het teken van mijn mobiele school (lacht).”

“Veel hangt af van hoe je hen benadert. Ik heb hen altijd als gelijken behandeld, vanuit een soort fascinatie. ‘Ik vind je interessant, mag ik je leren kennen?’ Dat is anders dan op hen afstappen als hulpverlener die hen komt ‘redden’ of paternalistisch zegt wat ze fout doen. Ik heb vaak genoeg gezien hoe het niét moet, hoor. In Colombia had ik een collega die telkens een sjaaltje op de grond legde voor ze ging zitten. Zo beledig je die kinderen, natuurlijk. De straat is hun thuis. Hoe zou jij reageren als ik bij jou op bezoek kom en een handdoek op je sofa leg voor ik ga zitten?” “Hulpverleningsorganisaties of ngo’s hebben jaren gewerkt vanuit het idee dat de straat een zuiver negatieve omgeving is”, zegt Raskin. “Maar voor veel jongeren is het net hun redding geweest. Als je in een slum woont en dagelijks slaag krijgt of wordt misbruikt, is lijm snuiven onder een brug met vrienden een stap vooruit. Hoe cynisch het ook klinkt. De straat is een plek waar ze voor het eerst vriendschap en erkenning vinden, waar ze een eigen identiteit kunnen ontwikkelen. Als je dan tegen die kinderen zegt dat de straat slecht is, zeg je ook: ‘Jij bent slecht’.” “In het verleden werden veel middelen ingezet om kinderen in opvang­ tehuizen of afkickcentra te plaatsen. Maar uit de cijfers blijkt dat 90 procent van die jongeren terugkeerde naar de straat. Hoe komt het dat zij ervoor kiezen om tussen het vuil en ongedierte te leven? Om drugs te nemen, honger te lijden of zich te prostitueren? Simpel: omdat hun eigenwaarde naar de knoppen is. Door wat ze hebben meegemaakt, zijn ze het spoor bijster en kunnen ze geen keuzes meer maken. Met Mobile School willen we hen helpen om uit het dal te klimmen. We brengen hen in een positie waarin ze sterk genoeg zijn om vrije keuzes te maken. We stimuleren hen om zo hoog mogelijk te mikken, maar wij beslissen niet voor hen.”

Raskin leerde er ook zijn eerste zakenpartner Ann Van Hellemont kennen. “Ann had ervaring met straathoekwerk, dus er was meteen een klik”, zegt hij. “We zaten naast elkaar in de aula, maakten samen groepswerken en discussieerden tot in de late uurtjes. In die periode leerde ik ook een filantroop kennen die wilde investeren in de opstart van mijn project, als ik hem een vijfjarenplan kon voorleggen. Ann sprong mee op de kar, hielp me bij dat plan en een goed jaar later was Mobile School een feit.”

Met Mobile School trok Raskin tien jaar lang rond in Zuid-Amerika, waar hij ook zelf hielp als straathoekwerker. Hoe moeilijk is het om het vertrouwen van straatkinderen te winnen?

© Streetwize

Slechte straat


© Streetwize

57

“Ontwikkelings­ organisaties zagen de straat lang als negatief. Maar als je tegen een straatkind zegt dat de straat slecht is, zeg je ook: ‘Jij bent slecht’.” ARNOUD RASKIN

Drijfveer Raskin is terecht trots op die pioniersaanpak. Dat die ook zijn vruchten afwerpt, blijkt uit het verhaal van Junieth. “Een straatmeisje dat les kreeg aan onze mobiele school, en uiteindelijk een universitair diploma haalde en aan de slag ging als journalist en ondernemer.” “Ik krijg geregeld berichtjes van straatkinderen met wie ik heb gewerkt”, zegt hij. “Ze nodigen me uit voor hun huwelijk of sturen me een foto van een echografie, met de boodschap: ‘Je wordt nonkel’. Dat schenkt veel voldoening. Maar je mag je niet blindstaren op succesverhalen. Van de tienduizenden jongeren die aan onze scholen passeren, zijn er veel die nog steeds arm zijn of in een slum leven. Wil dat zeggen dat ons werk een druppel op een hete plaat was? Nee, want het verschil tussen waar ze zitten en waar ze zouden hebben gezeten zonder hulp is enorm. Als we kunnen voorkomen dat iemand crackjunk wordt, hebben we die gasten écht een positieve impuls gegeven.” Toch kan hij niet iederéén helpen, weet hij. “Tussen 1996 en 2008 heb ik zelf intens aan straathoekwerk gedaan en met Zuid-Amerikaanse jongeren samengewerkt. Dat creëert een band: je leert die kinderen kennen. Als ik op straat liep, kwam er uit elke kartonnen doos iemand die me begroette. ‘Hola, Arnoud!’ Als het dan misgaat, heeft dat een enorme emotionele impact. In Guatemala Stad heb ik verschrikkelijke dingen meegemaakt. Ik moest jongeren gaan identificeren die door sociale zuivering waren vermoord. Dan zie je iemand op straat liggen met wie je maanden hebt samengewerkt, die een vriend geworden is, met de hersenen uit zijn hoofd. Dat is verschrikkelijk.” “In die tijd stapelde ik trauma’s op, maar ik kon niet anders dan doorgaan. Die jongeren rekenen op je. De negatieve energie moet je proberen om te zetten in iets constructiefs. ‘Ik moet verder met mijn project’, dacht ik, ‘ik moet er alles aan doen om dergelijke toestanden in de toekomst te vermijden.’ Pas toen ik weer in België was, kreeg ik mijn klop.


58 Ik ging op café en hoorde vrienden vertellen over aandelen die ze hadden gekocht, terwijl het bloed bij wijze van spreken nog aan mijn handen kleefde. Toen had ik het moeilijk. Ik sliep amper, werd snel emotioneel … Een post-traumatisch stresssyndroom, bleek achteraf.”

— “Ik krijg geregeld berichtjes van straatkinderen met wie ik heb gewerkt. Dat schenkt veel voldoening.”

Die emotionele betrokkenheid maakt zijn werk er niet makkelijker op, maar het blijft wel één van zijn grootste drijfveren. “Je moet weten waarom je het doet”, zegt hij. “Ik verwacht van al mijn medewerkers dat ze ooit aan straathoekwerk doen, al is het maar een paar dagen. Die gasten even in de ogen kijken, een connectie teweegbrengen. Dat is soms het probleem in hulpverlening. Organisaties groeien en op een bepaald moment wordt het voortbestaan van de organisatie belangrijker dan je oorspronkelijke doel. Je verliest voeling met je bestaansreden. Dat wil ik koste wat kost vermijden.”

Kritiek Raskin zet zich al twintig jaar in voor straatkinderen. We durven het haast niet vragen, maar heeft hij ooit getwijfeld? “Elke dag”, zegt hij. “Ik zit in de poverty business en dat geeft me een enorme verantwoordelijkheid. Is het legitiem om een organisatie uit te bouwen die mensen in West-Europa een comfortabel loon uitkeert, terwijl er elke dag straatkinderen creperen? Is het oké dat ik op hun kap mijn carrière uitbouw en erkenning krijg? Maak ik voldoende verschil om dat te mogen claimen? Die twijfel heeft ertoe geleid dat ik in 2007 mijn tweede bedrijf StreetwiZe heb opgericht.”

©Rafael De Prost

Met StreetwiZe geeft Raskin opleidingen in bedrijven, scholen en organisaties. Het opzet? Werknemers of bedrijfsleiders de kennis van straatkinderen bij­­ brengen, onder het motto ‘Didn’t grow up like a street kid? Start thinking like one’. “Zelfs in crisissituaties blijven straatkinderen positief, wendbaar en creatief,


59 anders zouden ze niet overleven. Daar kunnen topmanagers nog wat van leren. De winst die we boeken vloeit volledig naar Mobile School, waardoor we nog meer kinderen kunnen helpen.”

vertrou­­­wen in het concept en gaf Raskin 490.000 euro. “Met dat geld ontwikkelen we een Learning Management System, met trainingsvideo’s voor jeugdwerkers, een digitaal platform rond educatieve spellen, en een app die de impact van mobiele scholen op straatjongeren meet.”

“Aanvankelijk kreeg ik het verwijt dat ik straatkinderen inzette voor consulting. Dat zou moreel onverantwoord zijn. Onzin, want het is net omdát ik die gasten de moeite waard vind, dat ik zelfbedruipend wilde zijn. Ik vond het niet langer oké om te zeggen dat ze hun leven in eigen handen moesten nemen, werken in plaats van te bedelen en dan zelf m’n hand uit te steken voor subsidies. Je moet zijn wat je predikt. Ik heb niets tégen overheidssteun, en ik vind niet dat de budgetten omlaag moeten, maar besef dat het niet de enige manier is om je organisatie te financieren.”

“Straathoekwerkers krijgen onze mobiele scholen ‘in bruikleen’ en rappor­ teren in ruil over de sociale impact op straatkinderen”, vertelt Raskin. “In het verleden hadden we daar een systeem voor uitgewerkt, maar het bleef moeilijk om die impact te meten. Veel jeugdwerkers vertrouwen op hun buikgevoel. Dat is goed, maar als wij onze scholen willen verbeteren hebben we méér data nodig.”

“Wie innoveert krijgt tegenwind”, zegt Raskin. “Als je ‘out of the box’ denkt, is het normaal dat bepaalde mensen sceptisch of verontwaardigd reageren. Je hoeft je eigenlijk pas zorgen te maken als iedereen applaudisseert (lacht). Ik heb die kritiek in zekere zin ook nodig. Het motiveert me. Hoe meer mensen tegengas geven, hoe meer ik denk: ‘Wacht maar af!’.” Het financieringsmodel van Mobile School en Street­ wiZe wordt inmiddels onderwezen op grote business schools, als een toonbeeld van sociaal ondernemerschap en innovatie. “Zelfs op Harvard mochten we ons verhaal gaan doen. Ik hoop dat we studenten kunnen inspireren, dat ze op een andere manier gaan denken en verder bouwen op dat sociaal ondernemerschap. Op die manier kunnen we onze impact nóg groter maken.”

Dossierkennis Dat laatste wil hij ook doen met zijn nieuwe project StreetSmart, een ‘Tech4Good’-bedrijf dat jeugd­ werkers en straathoekwerkers ondersteunt bij hun werk met kansarme kinderen. Google toonde

Met de app kunnen jeugdwerkers onder meer aanduiden hoeveel kinderen aanwezig zijn bij activiteiten, de gemoedstoestand en het leerproces van de jongeren opvolgen, of hun sociaal netwerk in kaart brengen. “Je kan per kind ook een dossier aanmaken. Zo kan je die jongeren perfect opvolgen. Als ze vertellen over een vriend kan je die bijvoorbeeld toevoegen aan hun netwerk en kijken hoe gezond die relatie is. Is het een oude schoolkameraad? Of een drugsdealer?” “Dat elk van die straatjongeren een eigen ‘profiel’ heeft, maakt het makkelijker voor nieuwe jeugdwerkers. In de sector is er veel uitval. Met die online profielen vermijd je dat ‘dossierkennis’ over jongeren verloren gaat als iemand eruit stapt ... Een nieuwe jeugdwerker heeft meteen alle nodige info, zonder dat we de privacy van die jongeren of de GDPR schenden. Rapporteren via zo’n app is ook minder tijdrovend dan gepruts met Excel-bestanden.”

Exponentieel Raskin wil een wereldspeler worden en verschillende organisaties onder­ steunen. “Het zou belachelijk zijn om die peperdure technologie enkel voor onszelf te houden. Ik hoop dat zowel jeugdwerkers in de Parijse banlieues als straathoekwerkers in Zuid-Amerika de app gebruiken.” “Ook dat heeft weer te maken met die legitimiteit en twijfel. Als ik mijn impact wil verdubbelen heb ik daar met Mobile School nog eens tien jaar voor nodig. Stel dat we al 350 jeugdwerkers getraind hebben, dan moet ik er nog eens 350 trainen. Met de technologie van StreetSmart kan ik tienduizenden straathoekwerkers helpen om beter te worden in hun job en jongeren een betere service te geven, in twee à drie jaar. Dan spreek je niet van lineaire, maar exponentiële groei.” ●

“Je moet zijn wat je predikt. Je kan straatkinderen niet zeggen dat ze op eigen benen moeten kunnen staan en dan zelf subsidies vragen.”


60

SPEEDDATE — Valerio and Valeria

Ontmoet de onderzoeker Valerio De Stefano (37) is a research professor in labour law, focusing on precarious employment and digital platforms. He is the principal investigator for an Odysseus grant from the FWO and a Horizon 2020 grant. He also participates in an ERC grant run by Valeria Pulignano, who herself is a participant in the Horizon 2020 grant. — Valeria Pulignano (52) is hoofdonderzoeker in een ERC-project over precair werk en het continuüm tussen betaalde en onbetaalde arbeid, waaraan ook Valerio De Stefano deelneemt, die op zijn beurt een Horizon 2020-project leidt waar ook zij bij betrokken is.


61

As a child, what did you want to become? “A NBA basketball player. I never thought I would be a professor of employment law but it’s very rewarding. Creating and spreading knowledge is what makes the world move forward. Labour law teaches you about humankind.” Is there a job you feel envious about? “In another life I’d like to be a marine biologist.” Do you have a motto? “Et si omnes, ego non, even if all others, not I.” Which book is lying on your nightstand? “A novel by Don Winslow and a history of contemporary China.” Is there a project you would like to start if money weren’t an issue? “A swimming school by the sea.” What is your worst character feature? “My stubbornness.”

Wat wilde u later worden? “Ik wou de rechten verdedigen van kinderen of werknemers. Als arbeidssociologe maak ik analyses van arbeid en arbeidsomstandigheden die de basis kunnen vormen voor beleid.” Hebt u een motto? “Vivi e lascia vivere, leven en laten leven.” Wat leest u graag? “De detectives van Andrea Camilleri doen me denken aan mijn jeugd in het zuiden van Italië.” Wat is de ergste (vakantie)job die u ooit hebt gedaan? “Ik herinner me dat ik babysitten niet makkelijk vond.” Wat was het meest pakkende moment van uw loopbaan totdusver? “Als studente een beurs krijgen voor Warwick University, waar ik later ook docent werd. Naar België verhuizen voor mijn man. En een ERC-grant ontvangen.” Van welke gewoonte zou u af willen? “Ik zou graag wat meer zelfbeheersing hebben.” Wat is het dichtste dat u ooit bij de dood geweest bent? “Toen ik een jaar of zes was, ben ik bijna onder een auto beland. Toen ik mijn moeder aan de overkant zag, liet ik de hand van mijn vader los en stak zonder te kijken de straat over.”

What is your biggest fear? “That we will end up giving up many of the liberties that we have fought for. For various reasons, like Covid-19.”

Welke hobby bewaart u voor uw pensioen? “Misschien schilderen. Ik heb op mijn veertiende zelfs eens een prijs gewonnen.”

What would you try and save if your house were on fire? “My guitars. I have eight. You cannot ever have too many guitars.”

Welk compliment heeft u het meeste geraakt? “Een van mijn vroegere promotoren zegt altijd: ‘Je bent zoals een trein, je gaat recht op je doel af’.”

What is the worst job you ever did? “Frying fries in a fast food restaurant.”

Wat maakt u intens gelukkig? “Zien dat mijn doctoraatsstudenten hun ambities bereiken. En ook de interactie met studenten als ik lesgeef, ik hou niet van ex- cathedra-onderwijs.”

What was the most moving moment of your career so far? “When KU Leuven awarded me with the Service to Society Award. And when one of my students became a professor himself.” How do you relax? “By playing the guitar or meditating.” What keeps you awake at night? “The Dutch exam I have to pass in order to be able to stay here. We’ll see. I can always go back to frying fries.” Is there a character in history or literature you can relate to? “Charlie Brown.” What’s your comfort food? “I’m nationally obliged to say pizza but, in homage to my host country, I’ll also mention French – pardon – Belgian fries.” ●

Welk boek zal u altijd bijblijven? “Les misérables. Mijn vader gaf het me toen ik elf werd. Noemde Valerio dat ook? Dat is ongelofelijk.” Is er een ritueel waar u niet zonder kan? “Op mijn bureau moet alles op een bepaalde manier geordend zijn.” Naar wie kijkt u op? “Sandro Pertini, in de jaren 80 president van Italië en tijdens de tweede wereldoorlog actief in het verzet.” Wat is uw beste eigenschap? “Ik denk dat ik spontaan, direct en trans­ pa­rant ben. Eigenschappen die me soms ook in de problemen brengen.” Wat is de belangrijkste les die het leven u heeft geleerd? “Doe waar je van houdt en waar je in gelooft. Mijn moeder werd weduwe toen ik 17 was en we hadden het niet breed. Maar ik ben altijd blijven dromen van een mooie toekomst. Voor mij heeft het gewerkt en misschien kan het ook voor anderen werken.” ●


UNIVERSITEITSBREED — Anders leren

Leren met hoofd, handen en hart


63 Hoogbejaarden troosten in volle coronacrisis. Spelletjes spelen in het woonwagenpark. Of samen met gedetineerden les volgen in Leuven Centraal. Leren doe je aan KU Leuven niet enkel in de aula of het labo.

S

inologe Moira De Graef trok tijdens haar studie naar het Chinese platteland. Ze werkte er met kinderen van wie de ouders naar de stad waren verhuisd om daar te gaan werken. Goed voor haar Chinees, en het gaf haar ook inzicht in de menselijke gevolgen van grootschalige arbeidsmigratie. Het service-learningteam van KU Leuven ontwikkelde intussen 25 vakken: studenten zetten zich in voor de maatschappij en doen in één klap academische kennis én praktijkervaring op. Ze maken ook een persoonlijke groei door, zegt professor Nicolas Standaert, die 'service-learning' aan KU Leuven introduceerde, samen met Maaike Mottart. Omdat studenten niet alleen geven maar ook leren van, worden ze zich bewust van hun eigen overtuigingen en voor­ oordelen. Ze leren omgaan met ambiguïteit, complexiteit en diversiteit. Zo groeit hun empathisch vermogen en hun bereidheid tot solidariteit.

Special effects Wat voor studenten industrieel ingenieur elektronica-ICT evident is, is dat niet voor iedereen. Dat leerden Maxim Beuselinck en Pieter-Jan Steeman tijdens een project voor het vak webtechnologie aan Campus De Nayer. Voor Wai-Not, een online platform voor kinderen met een beperking, ontwierpen ze verschillende spelletjes om met de muis te leren werken. “Onze eerste poging bleek wat te moeilijk voor de kinderen. Een aan­­ gepaste versie, inclusief wat special effects, scoorde meteen. Het was leuk om iets te maken dat achteraf ook echt gebruikt wordt.”


64

— Als leerkracht is het belangrijk oog te hebben voor de diverse achtergrond van de leerlingen.

De studenten gingen ook op bezoek in een school voor bijzonder onderwijs waar met het platform gewerkt wordt. “Dat contact was heel motiverend”, zegt professor Joost Vennekens. Als leerkracht is het belangrijk oog te hebben voor de diverse achtergrond van leerlingen, weten professor Ellen Claes en Katrien Kempeneers. Studenten van de educatieve master konden daarom dit jaar deelnemen aan het project Taalkaravaan van de stad Leuven. Zo trokken Sara Vandersteen, Hannah De Wit en Yalina Truyers op woens­­dag­­namiddag naar een woonwagenterrein om er met jonge kinderen spelenderwijs Nederlands te oefenen. De ervaring heeft alvast haar blik verruimd, vindt Sara. “Ik heb geleerd om verder te kijken dan mijn vooroordelen.” Yalina ging met de moeder van het gezin waar ze over de vloer kwam in gesprek over de verschillen tussen de twee culturen. Maar het was niet altijd zo makkelijk om het vertrouwen te winnen van de ouders, zegt Hannah. “Ze staan vaak sceptisch tegenover onderwijs. Door dit project kregen ze hopelijk een positiever beeld.”

Taart en schedels Ook archeologiestudenten Naomi Leunis en Alissa Monden kwamen via service-learning in een voor hen onbekende wereld terecht. Hun opdracht: workshops geven binnen een buurtwerking voor kansarme kinderen. Het wordt langzaam opgebouwd, zegt coördinator Marianne Toonen, steeds met een andere doelgroep met nieuwe uitdagingen. “In het begin is het soms wat onwennig, maar je ziet de studenten echt groeien. Hun aanpak wordt ook steeds creatiever: denk aan taarten die de gelaagdheid van de bodem illustreren.” “Ik had schedels

“Ik ben hier als persoon rijker en sterker door geworden.”

meegenomen om de evolutieleer te bespreken”, zegt Alissa. “Vooraf was ik bang dat dat onderwerp gevoelig zou liggen bij kinderen met een moslim­ achtergrond, maar het was een succes. Ik schrok er wel een beetje van dat ik zulke vooroordelen bleek te hebben. Ik heb in ieder geval enorm van deze ervaring genoten.” Naomi had vooraf best een negatief beeld van de buurtwerking, vertelt ze: “Dat is helemaal omgeslagen en het was moeilijk afscheid nemen van de kinderen. Ik heb meer zelfvertrouwen en geduld gekregen. Het heeft me zin gegeven om ook in de toekomst op deze manier met mijn vak bezig te zijn.” Van apothekers verwachten we dat ze empathie hebben en sterk zijn in communiceren. Binnen het service-learningvak Bridge kunnen studenten farmacie zich inzetten voor kwetsbare mensen met zorgnoden. Katrien Schellekens ging aan de slag in een woonzorgcentrum. “Vanwege corona konden er weinig activiteiten doorgaan. Ik heb vooral veel gepraat met de bewoners. Ze misten hun familie. Er waren ook veel sterfgevallen en dat woog natuurlijk. Op een bepaald moment was ik bijna aan het meehuilen met een bewoonster. Dat was natuurlijk niet de bedoeling. Ik het geleerd om steviger in mijn


65

schoenen te staan als iemand emotioneel reageert. Ik onthou uit deze ervaring ook dat je mensen de tijd moet geven om aan je te wennen.” Medestudente Delphine Naessens ging voor Bridge naar een voorziening voor volwassenen met een verstandelijke beperking: “Vooraf was ik wat onzeker. Het duurde even voor ik aanvaard werd, maar toen het zover was, was dat heel fijn. Ik ben hier als persoon rijker en sterker door geworden.” Dat is dan ook de bedoeling, aldus professor Veerle Foulon en Amber Damiaens, die het project coördineren: “De idee is dat de studenten door Bridge groeien als persoon, en een beter begrip krijgen voor die mensen voor wie ze later zorg zullen opnemen. Om dat te bereiken gaat er veel aandacht naar reflectie.”

Weg uit de bib Hoe leer je sociale geschiedenis op een originele manier aan? Professor Magaly Rodríguez García vroeg een aantal organisaties wat historici voor hen kunnen betekenen. Daaruit vloeiden een aantal mooie projecten voort.” Zo draaiden Simon Desmedt en Thomas Maes een paar dagen mee in een organisatie in Brussel waar daklozen een douche kunnen nemen. Ze konden een aantal mensen interviewen en brachten zo mondelinge geschiedenis in de praktijk. Het leverde heel aan­­­grijpende verhalen op van vaak heel gewone mensen, vertelt Simon. “Het heeft mijn beeld over dakloosheid bijgestuurd. Een moment dat me is

bij­­gebleven was toen een bezoeker ons op zijn kop­­­ telefoon liet luisteren naar zijn muziek, als waren we vrienden onder elkaar.” Els Vochten trok dan weer naar het Brussels Onthaal­ bureau voor Inburgering. Daar krijgen nieuwkomers les over de Belgische geschiedenis, gedoceerd door speciaal daarvoor opgeleide lotgenoten. Els reikte hen een aantal methodieken aan: “Ons voorstel was om minder les te geven over data en feiten, en meer te focussen op het grote verhaal en op aspecten die vandaag nog altijd impact hebben. De meeste lesgevers waren helemaal mee! Het was goed om te zien hoe je als historicus ook in de praktijk iets kan bijdragen. En het was erg boeiend om in interactie te treden met mensen uit alle hoeken van de wereld.” Het doet studenten geschiedenis deugd om eens uit de archieven en de bibliotheken te komen, weet ook professor Rodríguez. “Tegelijk ontwikkelen ze ook een heleboel andere vaardigheden: organisatorische, creatieve en communicatieve.” Ook dat maakt mee de kracht uit van service-learning, benadrukt professor Standaert. De droom van het team onder leiding van Sara Vantournhout is dan ook op termijn alle studenten van KU Leuven, én van de Associatie, hiermee te bereiken. ●


66

DROOMJOB — Boeiend bier

Alcoholvrij bier mét body De eerste vrouwelijke president van de VS worden, een acteercarrière als DiCaprio uitbouwen, of net die ene plaat meer verkopen dan The Beatles? Niet alle jeugddromen komen uit, dat mag duidelijk zijn. Maar gelukkig is dat soms wél het geval. Niels Langenaeken houdt zich dag in, dag uit bezig met wat ooit begon als een hobby in de garage.

D

e fascinatie van Niels Langenaeken voor bier gaat terug tot de middelbare school. Tijdens de uren ‘vrije ruimte’ mocht hij voor de allereerste keer met brouwen experimenteren. Het smaakte naar meer. Thuis bouwde hij met broer Sven en vriend Boris de garage om tot huisbrouwerij. “Met een ketel van vijfendertig liter – afkomstig uit de slagerij van mijn grootmoeder –, een zelfgeknutselde koeler en filter en een oude diepvriezer. Bij ons eerste brouwsel waren we al blij dat er schuim op stond en dat het drinkbaar was.” Oefening baart kunst. Op een familiefeestje kon Niels al eens vol trots een zelf gebotteld biertje tevoorschijn halen. Hij ging bio-ingenieurs­ wetenschappen studeren en droomde ervan ooit echt brouwer te worden. Al bleef hij met beide voeten op de grond. “Ondanks de bierhype, die de laatste jaren een enorme boost heeft gegeven aan microbrouwers, blijft het voor een starter een riskante onderneming. Onderzoek doen leek me trouwens minstens zo interessant.” Vandaag vinden we Niels in het gloednieuwe Labo voor Levensmiddelen­ chemie en -biochemie van KU Leuven. Voor zijn doctoraatsonderzoek boog hij zich over de rol van koolhydraten in het mout- en brouw­proces. “Ook onderzocht ik het mondgevoel van bier en welke rol koolhydraten daarbij spelen. Waarom is de textuur van bier anders – voller – dan die van water? Onderzoek naar dat mondgevoel is lang wat stiefmoederlijk behandeld. Maar smaak bestaat niet enkel uit aroma; ook textuur speelt mee. Alleen is dat veel moeilijker te onderzoeken. Aroma kan je analyseren met een gaschromatograaf, maar textuur kan je enkel proeven. Mensen vragen om textuur te beschrijven en dat dan koppelen aan andere parameters is allesbehalve evident.

Tijdens zijn onderzoek bekeek Niels hoe je de smaak van laag-alcoholische en non-alcoholische bieren kan verbeteren: “Dat zijn typisch bieren die een waterig mondgevoel hebben. We hebben speciaal voor dit onderzoek een proefbier gebrouwen. Een panel vergeleek de smaak met die van een controlebier. Wat bleek: ons proefbier heeft een grotere volmondigheid. Dat was natuurlijk heel leuk. We hebben een deeltje van de puzzel kunnen leggen, en een oplossing kunnen voorstellen. Maar er is nog veel verder onderzoek nodig.” Nu zijn doctoraat erop zit, is Niels op zoek naar een FWO-project, om als postdoc te kunnen aanblijven. “Ook ga ik alvast een practicum begeleiden binnen het nieuwe postgraduaat Malting and Brewing Science.” Daarnaast blijft hij natuurlijk brouwen. Samen met Sven en Boris heeft hij drie jaar geleden Polygoon opgericht, hun eigen brouwerij: “We mogen de infrastructuur van een brouwerij in de buurt gebruiken en hebben inmiddels al drie bieren uitgebracht. We verkopen zo’n vijfduizend liter per jaar. Om méér te verkopen zouden we promotie moeten maken en zou de fun er een beetje af zijn. Nu blijft het een hobby, maar dan één die zelfbedruipend is.” ● www.brouwerijpolygoon.be


67

“We hebben een deeltje van de puzzel kunnen leggen. Maar er is nog veel verder onderzoek nodig.”


68

KUNST EN WETENSCHAP — BAC ART LAB

Balanceren op het snijvlak tussen kunst en wetenschap Een artistieke broeikas, zo zou je het BAC ART LAB van KU Leuven kunnen noemen. Het voormalige Instituut voor Bacteriologie in het centrum van Leuven is een levendige ontmoetingsplek met een eigen DNA; een innovatieve, culturele speler in dialoog met de stad en het culturele veld.


69 Voor de zestien residenten en de artists-in-residence van het BAC ART LAB is die vraag zonder meer irrelevant, zij bewegen zich vlotjes in de tussenzone. Dat ze zonder schroom tegen zowel kunst als wetenschap aan­­schurken en net gebruik maken van de onderlinge spanningen bewijzen de vele installaties en performances die ze creëren. Een voorbeeld is het architectenduo Pieterjan Gijs en Arnout Van Vaerenbergh, die onder de noemer Gijs Van Vaerenbergh artist-in-residence zijn in het BAC ART LAB. Naast internationaal gelauwerde projecten zoals Reading between the lines (beter bekend als de doorkijkkerk in Borgloon) of het labyrint in C-Mine, realiseerden ze in 2019 Display, een monumentale LED-display achter de drie grote boogramen in de voorgevel van het BAC ART LAB. Zo plaatsten ze het neorenaissancegebouw uit zijn context en creëerden ze transparantie en betekenis waar die er aanvankelijk niet waren.

Onderzoek in de kunsten

B

eeldend en audiovisueel kunstenaars, designers en ontwerpers, geluidskunstenaars en podium­a rtiesten bevolken de ateliers, de hangars, de gangen, ja zelfs de tuin van het BAC ART LAB. Studenten en personeelsleden van de universiteit en haar Associatie kunnen hier atelierruimte aanvragen. BAC ART LAB is een werkplaats, zoveel is duidelijk. Creatie, experiment en uitwisseling, over grenzen van disciplines heen, staan er al vier jaar lang centraal. Elke BAC-kunstenaar is op zoek naar zijn eigen taal en universum maar onderling vertonen de gangmakers uitgesproken raakvlakken, zoals zin voor vernieuwing, voor interdisciplinariteit en voor het bewust opzoeken van het snijvlak tussen kunst en wetenschap.

Lagen van betekenis Hoe combineer je het analytisch, wetenschappelijk denken van een onderzoeker met de gedrevenheid en bezieling van een kunstenaar?

Experimenteren met de kracht van een ruimte, dat doet ook scenograaf en installatiekunstenaar Joris Perdieus. Perdieus onderzoekt in zijn BAC ARTatelier wat hij noemt de ‘Scenografische Ruimte’, een beleving van de ruimte als artistieke speler. Met licht, geluid, duisternis en architecturale ingrepen creëert hij installaties die je zowel theater, performance als beeldende kunst zou kunnen noemen. Hij doet dat in het kader van zijn doctoraatsthesis aan de LUCA School of Arts Campus Brussel. Ja, doctoreren in de kunsten is inderdaad mogelijk. Een doctoraat koppelen aan een expo ook. Stefanie De Winter bijvoorbeeld onderzoekt de impact van fluoresce­rende verf op de schilderijen van kunstenaar Frank Stella. Onder begeleiding van haar promotoren professor Hilde Van Gelder (Kunst­­­wetenschappen) en professor Johan Wagemans (Psychologie – Labo Experimentele Psycho­­­­logie) coördineert ze drie visuele waarnemingsexperimenten met proef­p ersonen in het Van Abbe­ museum in Eindhoven. Zo zoekt ze letterlijk de frictie tussen kunst en wetenschap op.

Proeftuin BAC ART LAB werpt ook een lijn uit naar die andere kerntaak van de universiteit, het onderwijs. Nieuwe onderwijsvormen die praktijk en opleiding verbinden krijgen er een plek. In het najaar van 2019 was het BAC ART LAB de proeftuin van drie keuzevakken of electives uit KU Leuven- en LUCA School of Arts-opleidingen. De studenten van Common Grounds, In Situ en Mapping the Urban realiseerden na afloop een intern of publiek toonmoment. “Dat ze hier in de gangen hun ideeën uittesten in confrontatie met studenten en docenten uit andere opleidingen is een belangrijke meerwaarde,” zo besluit docent Arnout Van Vaerenbergh. ●


70

INTERNATIONAL ALUMNUS — Space travel communication

Don’t Lose Science: Nadia This and HumanPowered Spaceflight Nadia This can’t afford to be wrong. She’s a Payload Integration Manager for the International Space Station (ISS), and whether she’s working with astronauts or sending experiments into space, she needs to be 100% correct in her work. Which is why it’s so odd when she says, ‘I don’t think I’m very interesting.’ Because on this count, she’s very wrong.

T

o put it mildly, Nadia This does not seek to advertise herself, or to trumpet her many accomplishments.

‘I’m not important. I’m not in charge of anything.’ Ok. ‘In Munich, I was working with the space station, I was the flight director, I was the only Belgian ever who did that, but then again, what would I do, go to the press and tell them I had a fun job?’ Yes? Maybe we should start by looking at one of those boring jobs she’s been doing. ‘The instrument I started working on was studying the Sun, and from the space station the Sun moves across the Earth, and the instrument was supposed to follow the Sun across the sky. What happened was that the instrument detected the Sun, started following it, and suddenly it lost track of the Sun, and you have no idea how come. You have to figure it out because every time you’re not doing the measurements you’re losing occasions to do science; in ISS terms we say we’re “losing science”. What do you do then? That required lots of investigations, but it turned out there were video images from the space station that showed the robot arm of the station had been moved and in its

new position it was casting a shadow over our instrument. So the instrument would detect that shadow, say “Ok, I lost the Sun”, and go back to its default position. It sounds very stupid, but these things happen.’ Nadia This is well aware that many people find this kind of space detective work fascinating. When you stop talking about her and start talking about the work, she lights up. ‘I’m not really searching for the attention, but I really like talking about this work, because it’s fun, it’s interesting.’ Despite being surrounded by some of the most advanced technology on the planet, and tasked with safeguarding some of the most advanced technology not on the planet, This’ great interest is people. The professors who guided her at KU Leuven, the scientists she works with at the European Space Research and Technology Centre (ESTEC) in Noordwijk, near Leiden, and the kids interested in astronomy today who will push the limits of space travel tomorrow. A deep and abiding interest in people turns out to be just what is needed at a moment of great change in the space sector. Humanity is about to move on from orbital research to interplanetary travel, to graduate from the ISS to the Lunar Gateway, and the rockets and astronauts involved will get all of the coverage.


71


© NASA

72


73 ‘In Space Studies, we had a course on space technology, and for me that was eye-opening.’

But it will be managers like Nadia who prepare materials for launch, coordinate risks on a spacecraft, and keep teams on Earth from detrimental competition. To reach our potential as an interplanetary species we will need Nadia This, and others like her, more than we can possibly imagine. Just don’t tell her that. She’d deny it.

Master’s of the Stars Nadia’s career path is the answer to a tricky question in science: What if I don’t want to be a scientist? She faced this question after obtaining a bachelor’s in Physics, a master’s in Astrophysics, and an advanced master in Space Studies at KU Leuven. ‘Over the years I’ve learned that I like a broader approach. During my master’s in Astrophysics, I realised that I liked the topic, but I wasn’t the best scientist for that; I saw people doing a PhD on only four separate stars, and that was too specialised for me.’ ‘When I was studying astronomy, doing my master’s thesis, we had an engineer there doing a PhD, and he had worked at NASA for 2 years in satellite design. He was also involved in the setup of this Space Studies programme at KU Leuven. I talked with him, and that’s where I started seeing more space technology related stuff, and that’s where I saw that there was an option there, that that’s the potential future. I started to realise that in Belgium we do space things, and I didn’t know that at the time.’ ‘In Space Studies, we had a course on space technology, and for me that was eye-opening. It was like, yeah, space stuff, it’s feasible to do it in Europe, it’s possible.’

People Wrangler This found a nearby opportunity in Brussels. ‘I ended up at the Royal Belgian Institute for Space Aeronomy (BIRA-IASB). They were doing experiments on the space station there, and you make them, and you do them, and you talk to astronauts from there. And we do that in Belgium. And it sounded pretty convincing, and I took that job. It turned out I love operations, the real-time support of astronauts and experiments.’ Her work at BIRA-IASB introduced This to the value of collaboration in her new industry. ‘You can’t do anything on your own, you always have to check with the central flight control team, they assemble everything together to ensure that one experiment is not in conflict with the other, that you’re not doing anything that is unsafe for the crew.’ A job coordinating experiments for the space station appealed to Nadia This. ‘After working in Brussels, I moved to the Columbus control centre in Munich, the European part of the space station. There I became the flight director, so I had the overall responsibility for whatever we were doing on that day and for the safety of the crew.’ ‘Now I work in ESTEC as a Payload Integration Manager (PIM), so I’m a project coordinator, starting when the experiment is proposed until its executed, and so it’s somehow all related, except what I do now is more long-term. The time from design to execution of an experiment used to be 5-6 years,’ says This, ‘but it could also be 10 years depending on how complicated the thing is. Nowadays, we’re going a bit faster and we also have some commercial payloads that promise to be ready in one year from the contract they sign to launch to the space station.’


74 ‘What I do notice is that in general women assume less that they know all things.’

The Price of Space Flight

The Future of Space Travel

Commercial considerations are indeed changing every aspect of space travel. Private companies such as Elon Musk's SpaceX are poised to play an ever larger role in space station operations, from launch, to the development of experiments on board, to recovery. Certainly this will mean changes at ESA and the space station, although as Nadia says, ‘At the moment we still handle everything the same operationally. So you still have to fulfil the same safety requirements, although some commercial experiments don’t want to reveal what they are actually doing, because it’s commercial and they want to monetise it later on. So there you need to put in a balance and put in the bare requirements for safety.’

The International Space Station is set for retirement in 2030, and nothing is certain about space travel beyond that point, although there are plans to move beyond near-Earth orbit. One program proposed thus far is the Lunar Gateway, which would put a space station in orbit around the Moon to be used as a jumping-off point for missions to the Moon and beyond. This is excited about the possibility. ‘The focus is changing to new projects like the Lunar Gateway and returning to the Moon. They also want to send a rover to Mars and it will drive around and drill samples of Mars soil and put it in little tubes, just leave the tubes behind, and at some point another vehicle comes along and picks up the tubes and brings it back to a launch vehicle to then bring it back to Earth.’

‘It has posed some questions. For example, what has happened on the space station is that the crew calls down and they say like, “Hey, this device here is making a funny noise, is that normal?” With older experiments we would either know or we would know who to contact or ask, but with commercial payloads it’s not always the same. We don’t always have a point of contact, or they are not available on call, then you have no idea if it’s normal that this thing makes noise, or if it means that it’s going to explode. So if the crew tells you, “Hey, this thing makes so much noise that I can’t sleep, what do you do?” If you push it off, you might have ruined a commercial experiment and ESA might get the blame for that. If you don’t, the crew is getting annoyed and for sure ESA gets the blame for that. It’s that kind of question. They might sound trivial, but still you need to solve them and they can become a very big deal.’ Did she just mention experiments exploding in space? ‘That’s just me exaggerating, they’re safe by design, there should be no way they can explode. But imagine a thing is smelling weird, does it mean that maybe still – even though the smoke detectors don’t detect it yet – that something is burning a little bit or some mould has produced and it’s poisoning the atmosphere.’

An underestimated aspect of deep space travel is the cooperation and ingenuity necessary to send astronauts as far as Mars on voyages that could last years. The advantages that women would bring to missions as astronauts and as mission control specialists are numerous, but most importantly, they are different than those of men. A healthy balance of genders in the industry should be a net positive for all involved, a familiar sight to Nadia This. ‘In Astronomy at KU Leuven, we were about 50/50, and the astronomy department at the time had some strong female characters. In Space Studies, we were mixed, maybe 60/40 men to women.’ ‘What I do notice is that in general women assume less that they know all things. That they know better than the other people. You do see a difference in what you could call the hard-core positions and the softer positions. Like in Munich, we would have systems specialists and planners, and there’s a distinction not only in the gender, but also in the attitude between the teams; like planners, they were a bit softer, and in the systems specialists teams there was more competition and more men and the competition aspect there was much bigger. Working


75 here at ESTEC in my current function, the PIM function, women are the majority, we interface a lot with the ESA engineers, and there are very few women in that role.’

Human Propulsion All of which brings us back to where Nadia feels most at home, talking about people. Namely, about people working together, and how simple it can be to inspire others to realise their innate potential. For her, this inspiration started back at KU Leuven. ‘You have there Professor Christoffel Waelkens, who at the time was the head of the Department of Astronomy, and he’s kind of a legendary figure. The way he teaches, he’s kind of this idealistic figure who still makes you dream about all the mysteries of our field left to uncover.’

Now it’s Nadia’s turn to inspire others to a career in space. ‘When I was working in Munich I got this letter from a woman about her son. The kid had to point out a job he would like to do when he grew up and he said to his teacher that he wanted to be a flight controller, and the teacher said to him to pick something else because that will never happen. I think that’s very bad, because it can happen. I’m just an ordinary person and there’s luck involved, but you can do stuff, and not only in Europe, if you wanted to you could move to the U.S. and you find a way, you just have to realise that the possibility is there. Because if they close the door in your face you don’t even know that it’s possible. That is bad, it’s not fair.’ This is where Nadia This makes her mark, in the supportive interactions among people that make space travel possible. And this type of work is more than just interesting. It’s important. ●


DENKTANK METAFORUM — Klimaat

Bekoelde ambities,

© Getty Images

In 2015 ondertekenen 195 landen het klimaatakkoord van Parijs. Reden tot juichen, want de wereld belooft eensgezind om de opwarming van de aarde onder de twee graden te houden. Vijf jaar later lijken de ambities bekoeld. De meeste landen doen te weinig, de VS stapt eruit en we stevenen af op een opwarming van vier graden. Europa blijft wél ambitieus, maar volstaat dat? “We hebben geen andere optie. Hoe sneller we iets doen, hoe minder het ons zal kosten.”

D

e uitspraak komt van Katja Biedenkopf, professor Internationale en Europese studies. Samen met haar collega’s bij de inter­ disciplinaire denktank Metaforum bekeek ze de voorbije jaren de maatschappelijke aspecten van klimaatverandering. “Een bovengrens van twee graden was in 2015 al ambitieus”, zegt professor Biedenkopf. “Elk land heeft zijn ambities en engagementen geformuleerd in zogenaamde NDC’s – nationally determined contri­ butions. Het plan is om die elke vijf jaar te herbekijken en ambitieuzer te maken. Helaas waren veel van de oorspronkelijke doelstellingen vaag of worden ze niet voldoende nageleefd. Maar dan nog … Zelfs als elk land zijn beloftes zou nakomen, halen we het niet. We hebben extra inspanningen nodig.”

— “In 2050 zou de EU klimaatneutraal moeten zijn. Dat betekent niet dat we niks meer zullen uitstoten, maar je kan dat compenseren. Bijvoorbeeld door broeikasgassen uit de atmosfeer te halen.”


warmere aarde

77

America First

Ruilhandel

In 2015 tweette de toenmalige Amerikaanse president Obama wat een krachttoer het klimaatakkoord was, ‘thanks to American leadership.’ In 2017 geeft zijn opvolger Trump de brui aan dat leiderschap. De nieuwe POTUS stapt uit het klimaatakkoord omdat hij het beschouwt als ‘zelfverminking van de Amerikaanse economie’.

De EU speelt een voortrekkersrol. Ze wil naar meer dan 40 procent broeikasreductie in 2030 ten opzichte van 1990. Realistisch? “Veertig procent zeker”, zegt Biedenkopf. “Wellicht halen we tegen 2030 zelfs vijftig procent. In 2050 zouden we klimaatneutraal moeten zijn. Dat betekent niet dat we niks meer zullen uitstoten, maar je kan dat compenseren. Bijvoorbeeld door broeikasgassen uit de atmosfeer te halen of ze bij productieprocessen meteen op te vangen. We zullen nog véél moeten investeren in infrastructuur, maar het verlagen van de uitstoot kan al deels met de bestaande technologie en het huidige beleid.”

“Wellicht de grootste klap voor het klimaatakkoord”, zegt Biedenkopf. “De VS had niet bepaald een vooruitstrevend klimaatbeleid, maar het was een begin. Nu ligt het anders … Het is een troost dat in de VS niet alles op nationaal niveau geregeld wordt. Sommige Amerikaanse staten hebben aparte klimaat­m aatregelen. Het klimaatbeleid van Californië is bijvoorbeeld ambitieuzer dan dat van de EU. Dat neemt niet weg dat Trump een ramp is voor het klimaat. Nog eens vier jaar hetzelfde beleid is pure horror.”

Made in China De VS is verantwoordelijk voor 15 procent van de wereldwijde CO2-uitstoot. China staat op één met 29 procent. Wat doet de grootste wereldvervuiler? “China heeft beloofd om het aandeel van broeikasgassen in het Bruto Binnenlands Product tegen 2030 met meer dan de helft te beperken, ten opzichte van 2005. Klinkt mooi, maar ze hebben er meteen bij gezegd dat hun economie nog moet groeien. De totale uitstoot kan dus stijgen. Zelf spreken ze van een recorduitstoot in 2030, gevolgd door een daling van de ‘absolute uitstoot’.” In tussentijd neemt het land wel maatregelen. “China zet volop in op elektrische voertuigen, het plant bossen aan en investeert in groene energie. Maar de Chinezen zijn ook nog heel afhankelijk van steenkool en dat is érg CO2-vervuilend. Niet alleen bouwen ze zelf kolencentrales, ze financieren die ook in andere landen. Dat heeft gevolgen voor de eindbalans.” “Het is natuurlijk relatief”, zegt Biedenkopf. “China is de grootste vervuiler, maar het is ook een reusachtig land met veel inwoners. Als we per hoofd van de bevolking kijken, is het een ander verhaal. Dan doet België het slechter, om nog maar te zwijgen van de VS. Belang­ rijker is dat China ook veel produceert voor ónze consumptie. ‘Made in China’ heeft nu eenmaal zijn gevolgen. Als wij hun producten blijven kopen, zijn we onrechtstreeks medeverantwoordelijk voor hun uitstoot.”

Biedenkopf doelt op de emissiehandel, een speerpunt van het Europese klimaatbeleid. Bedrijven krijgen of kopen emissierechten voor de CO2 die ze uitstoten. Wie weinig vervuilt kan rechten doorverkopen aan wie het minder goed doet. Door uitstoot te koppelen aan centen, moeten bedrijven de afweging maken: investeren in groene technologie of rechten bijkopen. “Een goed systeem, want je weet hoeveel je uitstoot, en er is een limiet voor emissies van energiebedrijven en zware industrie. Al moet je opletten. Aanvankelijk heeft de EU het aantal emissierechten overschat. Daardoor kwamen er te veel op de markt en kelderde de prijs. Als CO2 uitstoten praktisch gratis is, werkt het natuurlijk niet. Dat manco is verholpen: door stelselmatig minder rechten op de markt te brengen gaat de prijs omhoog en de uitstoot omlaag.”

“‘Made in China’ heeft nu eenmaal zijn gevolgen. Als wij hun producten blijven kopen, zijn we indirect medeverantwoordelijk voor hun emissies.”


78

Tegelijk krijgen bedrijven die internationaal con­­ curreren veel uitstootrechten gratis. Een toegeving van de EU, om te voorkomen dat ze naar het buitenland verhuizen. “Je moet de afweging maken”, zegt Biedenkopf. “Als die bedrijven naar het buitenland trekken, wordt die CO 2 elders uitgestoten, is er minder of geen controle, en maken we globaal gezien geen winst. Bovendien dwingt de EU hen om in ruil efficiënt te produceren, wat opnieuw helpt om de uitstoot te verlagen. Idealiter zouden we die emissiehandel wereldwijd installeren, maar dat zie ik niet meteen gebeuren ...”

© Getty Images

Duurzame ontwikkeling De vraag is dus of er andere manieren zijn om de wereld mee te krijgen. “Europa moet een win-win­ situatie creëren die het klimaat bevordert en economische groei genereert”, zegt Biedenkopf. “Als dat lukt, zullen anderen ons voorbeeld volgen. Denk aan Duitsland, dat vroeg is beginnen investeren in zonne-energie. Andere landen zagen de voordelen en zijn mee op de kar gesprongen. Inmiddels is een nieuwe installatie voor zonne-energie goedkoper dan een kern- of kolencentrale.”

“Ontwikkelingslanden kunnen meteen investeren in klimaatvriendelijke technologie en schone energie. Ze hoeven niet de ‘fouten’ te maken die wij hebben gemaakt.”

Ook ontwikkelingslanden verdienen onze aandacht, aldus Biedenkopf. “Hun uitstoot is niet groot, maar zij lijden wel het meest onder de effecten van de klimaatverandering. Denk aan landen waar mensen nog steeds van kleinschalige landbouw leven. Als zij te maken krijgen met een droogte die de oogst verwoest, hebben ze niks te eten. Het is noodzakelijk dat ze kunnen investeren in irrigatiesystemen, en zich aanpassen aan de huidige klimaatverandering.”

“Elk lage-inkomensland wil natuurlijk ooit een welvarend land worden. Het is de vraag hoe zij hun economie zullen organiseren. Ontwikkelingslanden hebben het voordeel dat ze meteen kunnen investeren in klimaatvriendelijke technologie en schone energie. Ze hoeven niet de ‘fouten’ te maken die wij hebben gemaakt. Doen ze dat wel, dan ziet het er minder rooskleurig uit. Wij moeten ze steunen met financiering en kennis om klimaatvriendelijke keuzes te maken.”

—

Blind autorijden

“Onze ogen sluiten voor het klimaat is als blind autorijden. Op een gegeven moment komen er ongelukken van.”

Biedenkopf blijft hoopvol voor een groene toekomst. “De geesten beginnen te rijpen”, zegt ze. “Klimaatopwarming was lang een onzichtbare problematiek, maar nu we te maken krijgen met hittegolven en periodes van droogte, zien mensen in dat er iets moet veranderen. De universiteit kan hier trouwens een voorbeeldfunctie vervullen. Dat doen we ook, door ons gedrag te veranderen en studenten vaardigheden bij te brengen om mee te bouwen aan een leefbare toekomst.” Heeft het zin om dure maatregelen te nemen als enkel Europa ambitieus is? “We hebben geen andere optie”, zegt Biedenkopf. “Hoe sneller we iets doen aan de klimaatopwarming, hoe minder het ons zal kosten en hoe groter de kans is dat anderen volgen. Onze ogen sluiten voor het klimaat is als blind autorijden. Op een gegeven moment komen er ongelukken van.” ●


ONDERWIJS— De economische impact

Onderwijs in de economische weegschaal De lagere- en middelbare­schooltijd is een periode van ontdekken en leren, van je weg zoeken en nieuwe ervaringen opdoen. Toch kan het voor sommige jongeren ook een worsteling zijn, bijvoorbeeld omdat ze moeten opboksen tegen ongelijkheid. Dat heeft niet enkel gevolgen voor hun eigen toekomst, maar ook voor die van de samenleving en de economie.

79


80

D

at laatste weet ook professor onderwijseconomie en directeur van het onderzoekscentrum Leuven Economics of Education Research Kristof De Witte. Hij onderzoekt vanuit een economische invalshoek hoe je het maximum kan halen uit elke leerling. Hoe dat in zijn werk gaat? Overheden, leerkrachten en leerlingen investeren tijd en geld in de opbouw van ‘menselijk kapitaal’, aldus De Witte. Inter­ nationale testen – zoals de PISA-testen van de OESO – geven de kennis en vaardigheden van leerlingen weer. Op basis van de gegevens die daaruit voortvloeien, kunnen de onderzoekers de langetermijnimpact van ons onderwijs op het loon, de tewerkstelling, maar ook het bruto binnenlands product berekenen.

Neerwaartse spiraal Uit hun analyse blijkt dat het onderwijs kampt met een aantal problemen. Zo is één vierde van de 15-jarigen al minstens een jaar blijven zitten. Dat terwijl de meeste leerlingen daar zelf maar weinig baat bij hebben, het hun (en hun ouders) een extra studiejaar kost en net die jongeren een hoge kans hebben om de school te verlaten zonder diploma. Ongeveer 9 procent van de meisjes en 15 procent van de jongens wordt zo’n vroegtijdige schoolverlater, in het beroepsonderwijs geldt het zelfs voor 1 op de 5 leerlingen. Dat betekent in de eerste plaats een hoge indivi­ duele kost: gemiddeld een lager loon, een hogere kans op werkloosheid en een minder goede gezondheid. Bovendien zijn er door de optelsom van alle individuen ook grote maatschappelijke kosten aan vroegtijdig schoolverlaten. Een tweede grote uitdaging voor ons onderwijs is het scholingsniveau. Een toenemende groep van jongeren haalt het essentiële basisniveau van lezen of rekenen niet. Zelfs de zogenaamde ‘excellente leerlingen’ bevinden zich in een neerwaartse spiraal. “In Vlaanderen speelt ook, nog meer dan in andere Europese regio’s, een hoge ongelijkheid en een gebrek aan sociale mobiliteit”, zegt De Witte. “Je hebt in Vlaanderen een veel grotere kans op zittenblijven en een lagere kans om naar het aso te gaan als je in het armste sociaaleconomische profiel bent geboren.”

Allemaal winnaars Er is veel controverse over centrale examens. Toch kunnen ze volgens De Witte een oplossing bieden. Alle leerlingen, over klassen en scholen heen, leggen op een door de overheid vastgelegd tijdstip een standaardtoets af. “De focus tijdens het schooljaar ligt op samen over de meet geraken. Centrale examens zorgen automatisch voor gelijkere onderwijs­ uitkomsten. Vergelijk het met wielrennen. Een wedstrijd waarvan je weet dat iedereen evenveel kansen heeft bij de start zal sneller, beter en spannender zijn. Als je bij voorbaat weet dat er een kopgroep is of er bepaalde winnaars zijn, zal het tempo veel trager liggen. Dat geldt ook voor het onderwijs. Als alle leerlingen zich aangesproken voelen en ervaren dat ze een kans maken, wordt het onderwijs beter. En dan gaan ook de snelste leerlingen veel beter vooruit. De onderlinge concurrentie zorgt ervoor dat beide groepen excelleren.”

— Als alle leerlingen zich aangesproken voelen en ervaren dat ze een kans maken, wordt het onderwijs beter. En dan gaan ook de snelste leerlingen veel beter vooruit.


“Onderzoek toont aan dat als een leerling één jaar les krijgt van een uitmuntende leraar, dit enorme langetermijngevolgen heeft.”

Sleutelfiguur Allemaal goed en wel, maar als er geen goede leerkracht voor de klas staat werkt het niet. “Onderzoek toont aan dat als een leerling één jaar les krijgt van een uitmuntende leraar, dit enorme langetermijngevolgen heeft: een hogere kans op een studie in het hoger onderwijs, een hoger loon dan leeftijds­g enoten, en zelfs minder kans op tienerzwangerschappen”, zegt De Witte. Daarom pleit hij voor een betere aanvangsbegeleiding van leraren. “Leerkrachten moeten in hun prille loop­ baan veel beter begeleid worden. De eerste vijf jaar groeit hun toegevoegde waarde enorm. Bovendien wordt de uitval in het lerarenberoep zo drastisch beperkt. Het profiel van een goede leerkracht komt overeen met dat van een consultant of dat van allerlei andere topposities in bedrijven. Het is een veeleisend beroep. Maar omdat leraren nu vaak van interim naar interim moeten gaan, kiest zo’n profiel makkelijker voor een andere loopbaan.“

Peiling als houvast Het is voor scholen en beleidsmakers niet eenvoudig. Er zijn geen standaardoplossingen. Wel is er begeleiding mogelijk door onderzoekers. Rianne Janssen en haar team van het Centrum voor Onderwijseffectiviteit en -evaluatie begeleiden scholen en beleidsmakers. De leerlingenpopulatie is verschillend per school of net, en dat vraagt om een aanpak op maat. “Onze onderzoeksresultaten zorgen ervoor dat onze onderwijspartners aangezet worden tot introspectie”, aldus Janssen. “De scholen die deelnemen aan onze peilingen krijgen een uitgebreid rapport waarin ze onder meer hun eigen prestaties zien ten opzichte van die van andere scholen. We bieden ondertussen ook een soort traject aan voor pedagogische begeleidingsdiensten en scholen, om samen aan de slag te gaan met die feedback en hun werking bij te sturen.” ●


82

RESEARCH — Teaching a car to drive

Putting the ‘auto’ in ‘autonomous’:

The eyes and brains of the selfdriving car

How do you make technology a reliable co-pilot? With their expertise in image processing and artificial intelligence, researchers at KU Leuven are helping to give our cars sharp camera-eyes and a refined set of computerised ‘brains’. And in doing so we come closer and closer to the car to which we can confidently hand over the wheel.


83

— Dr. Marc Proesmans and Professor Luc Van Gool “If we think carefully about the technology, traffic will only become safer.”


84

T

he race to develop a fully self-driving car has been going on for a while. The field of participants is diverse: from hip tech companies to major car manufacturers, some of which have already been more reckless and shifted faster than another. ‘That's why we’re so happy working with Toyota,’ said Professor Luc Van Gool. ‘At every step we see once again how much importance they attach to safety.’ At the ESAT – PSI, Image and Speech Processing department, Van Gool leads a 15-person team of doctoral students and engineers who play an important role within TRACE (Toyota Research on Automated Cars in Europe), a network of high-calibre research labs with expertise in computer vision technology.

The car has to be able to interpret the traffic situation at lightning speed.

Coffee grinder on your roof The Leuven researchers are masters at extracting information from camera images. One example occurred about five years ago, when a self-propelled robot on tank treads explored the difficult-to-access Roman catacombs of Priscilla. The robot was able to visualize the corridor system in three dimensions thanks to a set of seven smart cameras and image processing software contributed by the Leuven researchers. The challenges for cameras and software are, of course, even greater when they have to do their work in the jungle of everyday traffic. Especially if they have to replace some of the sensors found in many self-driving car prototypes. One significant example is lidar, which determines the position of the car and maps objects in the environment via rotating laser beams. ‘Those things are often expensive, and furthermore you’re driving around with a “rotating coffee grinder” on your roof,’ said Dr. Marc Proesmans, who leads the TRACE project. ‘That’s not such a big problem for, say, an Uber taxi — where you recoup the costs later and the passengers don't care what the car looks like. It’s different for private cars — they have to be budget-friendly, have a streamlined look and still be able to do everything. That’s why we try to achieve as much as possible with cameras.’

Colourful traffic The intelligence in the smart software the Leuven researchers are developing comes from ‘neural networks’, which are inspired by the functioning of our brain. For example, the software can learn to analyse traffic. The researchers supply the technology with the necessary learning material. They collect tens of thousands of traffic situations by driving a car around Toyota's European headquarters in Zaventem and also in Leuven and the surrounding area. The car is


85 The intelligence in the smart software comes from ‘neural networks’, which are inspired by the functioning of our brain.

equipped with cameras, but also with lidars, radars, GPS, etc. These sensors make it possible to check the output of their own algorithms and to study different forms of ‘sensor fusion’, combinations of cameras with lidars and/or radars. In order to start the software learning process, the researchers themselves carefully 'colour' the traffic images: every car, for example, gets a yellow colour, the roadway purple, road markings red, trees and bushes green, and so on. That ‘annotation’ is a crucial step, one that’s constantly being refined. A Leuven start-up has recently been set up that specialises in annotation. The idea is that the car will learn via the original images and later colourising process to recognise the different elements in traffic and to interpret the situation at lightning speed. If a pedestrian suddenly jumps out in front of your car, milliseconds count. ‘The software has to be able to do much more than just predict: If I keep driving at this speed, I will be there at this time’, said Proesmans. ‘It needs to also be able to anticipate dangerous situations.’

On the road Every partner within TRACE has its own strengths. The Leuven team is bringing the research together and testing the algorithms on the road. ‘The car we use isn’t driving on its own yet, but on our screens we can see how it would anticipate traffic and which decisions it would make. We can make adjustments based on that’, said Proesmans. It all sounds quite complicated, but there are also geographical differences in traffic that you have to take into account. ‘For us, road markings are pristine white lines, for example, but in some American regions they work with dots,’ said Proesmans. ‘If you apply a system that has been trained in Europe, it’s going to make mistakes.’

‘It’s therefore crucial that we train the software with very varied input. That's why our partners are also driving around in other European cities and taking videos of the traffic. We’d also like to exchange our data with, for example, American and Asian researchers who are working on the same thing, but stricter privacy rules in Europe make this difficult at the moment.’ Another challenge is the varying levels of independence in traffic. The most convenient scenario would be if all cars become autonomous at the same time, but that’s a fantasy. ‘In any case, there will be a transition phase with both drivers and cars employing different forms of autonomy,’ said Van Gool. ‘That’s why we’re also looking at how you can ensure that a – partly – self-driving car behaves more like a person. For example, if an autonomous car brakes, it’s best to take into account the reaction speed of a human driver coming up from behind.’

Parking in the shade The aim of the KU Leuven research is to make a very concrete contribution to the Toyota cars of the future. Van Gool and his colleagues also employ their research as part of Leuven.AI, the recently founded KU Leuven Institute for Artificial Intelligence (see box on the next page). They take as a given the added value of cooperation between the various disciplines, especially in their own research. ‘We've talked about the visual so far, but driving has an auditory aspect as well’, said Proesmans. ‘You listen to what happens, you hear the other vehicles, etc. And in the future we’ll also be talking more and more with our cars: “Park in the shade under that tree.” You’ll want the car to understand what you said. Research in this area is also ongoing at KU Leuven.’ ‘And at some point the car also has to make decisions based on all those observations that it receives via


86

cameras and sensors,’ said Van Gool. ‘That’s the domain of more traditional artificial intelligence, which designs rule-based systems; Leuven is also very strong in this field.’

Frightened Europeans Cars are increasingly taking the wheel, that much is clear, but when will fully self-driving cars become commonplace? Proesmans: ‘A lot of strong statements have already been made that had to be clawed back later. There’s just so much involved. The cars need to be able to not only drive themselves, they have to also communicate with each other. There’s no obvious solution, with so many different brands and systems. Moreover, to do this you need fast internet with enough

capacity; the introduction of 5G will be an important step on that front.’ And perhaps the most important consideration: people have to want it. In our region that remains a tricky point. ‘Surveys that ask the question “Would you let your child drive an autonomous car?” show major geographical differences,’ said Van Gool. ‘Europeans are very conservative, while Brazilians, for example, see their child driving off in that car with confidence. (laughs)’ ‘We in Europe must stop seeing risks everywhere, leaving progress to the rest of the world. If we think carefully about the technology and implement it smartly, traffic will only become safer.’

Research on AI bundled at institute KU Leuven not only has one of the longestrunning masters programmes in artificial intelligence – the program has been in existence since 1988 and has built an excellent reputation worldwide – but its research is also active in many AI sub-domains. From natural language processing to image recognition, from machine learning to automatic reasoning, and from ethical aspects to regulation. The recently founded KU Leuven Institute for Artificial Intelligence, ‘Leuven.AI’, offers researchers a forum for exchanging ideas and setting up collaborative projects. It also offers expertise on all aspects of AI: the possibilities and limitations, but also the ethical, legal and social implications. And, of course, the institute is active in the field of education, in the form of courses and contributions to educational programmes.

Leuven.AI is one of the five officially recognized 'KU Leuven Institutes'. These are networks that bring together researchers and research groups from different disciplines around important scientific and social themes. The four other institutes: > LKI – KU Leuven Cancer Institute > LBI – KU Leuven Brain Institute > SIM2 – KU Leuven Institute for Sustainable Metals and Minerals > Lectio Read more at www.kuleuven.be/english/ research/ku-leuven-institutes


87

A legal bump in the road? A computer has fast responses, stays awake in traffic jams and isn’t distracted by its Facebook feed; truly, the self-driving car has the potential to make roads much safer. But the technology is still developing, and computers and human drivers will continue to share the road for a long time to come. Consequently, traffic accidents will not suddenly disappear. More and more the question will be: did man or machine make the mistake? Should judges, lawyers and jurists receive additional training in understanding artificial intelligence (AI)? Dr. Jan De Bruyne from the Centre for IT & IP Law (CiTiP) focuses on issues related to liability and AI, including self-driving cars. For example, can legislation still really refer to a ‘driver’ if software is increasingly taking over the control of our vehicle? Certainly, says De Bruyne, although the term ‘driver’ then receives a normative interpretation: the driver is the person who is

‘responsible’ for the driving, even if they do nothing to influence the movements of the vehicle. The person who is responsible for driving, therefore, is the person whose task it is to supervise the operating system. ‘In the Netherlands, a Tesla driver was fined a few years ago for using his phone while driving,’ says De Bruyne. ‘The man disagreed and argued that the Tesla's auto pilot system was the actual driver of the vehicle at the time. But the judge did not agree, as the driver of a vehicle is either the person driving it or directly supervising it.’ Policy-makers should describe very clearly what you can still expect from that supervisor/driver. And that’s far from easy. In some accidents, a judge could accuse the driver of not acting carefully because they could have overruled the software. But it isn’t evident how to substantiate that liability. For example, the way in which a self-driving car behaves is often difficult to understand or predict. And can you blame someone for being distracted or falling asleep after not having to do anything for an hour?


88

Hit the brakes? The software itself is also not infallible. Can you hold the manufacturer liable if an accident is due to a defect in the operating system? It’s another situation without an obvious answer. ‘It isn’t clear whether the existing rules on product liability apply for damage caused by AI-systems because there is still no consensus on whether software is considered a product,’ says De Bruyne. Software can be seen as a collection of data and instructions, while the ‘European Product Liability Directive’ refers to ‘movable’ items. ‘When it was drawn up in the mid-1980s, legislators couldn't predict the current importance and commercially wide-spread use of software,’ says De Bruyne. ‘On the other hand, the directive is clearly intended to be read broadly: electricity is explicitly mentioned as a product, for example. Judges certainly have reasons to consider software a product.’ An additional challenge: the software in self-driving cars is regularly updated and can even learn on its own. ‘At the moment, manufacturers will not be held liable if they establish that it is probable that the defect causing the damage did not exist at the time when the product was put into circulation, or that this defect came into being afterwards. You could quite simply consider a software update as a new moment of ‘putting into circulation’. But what about self-learning systems, which actually update themselves continuously and could cause damage as a result? The European Commission is currently revising the applicable legislation to better adapt it to these and other technological developments.’

High expectations Does the risk of too much liability for manufacturers hinder the development of technology that could end up saving many lives? If they can expect claims for damages, companies may think twice before bringing an innovative system to market. ‘You can also look at

it the other way around,’ says De Bruyne. ‘The liability risk may make manufacturers invest more in the safety of their products: if these products cause less damage, manufacturers will incur fewer costs.’ ‘You could take a look at when exactly a product is considered defective. Currently, that’s “when it does not provide the safety one is entitled to expect.” But for software used in self-driving cars, those legitimate expectations among the general public can be very high. Instead of this consumer expectation test, you could apply a more objective risk utility test. This test examines whether risks associated with of the design of a product could have been avoided or reduced by alternatives that would not have notably affected the social utility of the product, or would not have increased the cost of production disproportionately. If so, manufacturers may be held liable.’

Pets There remain many gaps in legislation that need to be filled. But De Bruyne doesn’t think we should start from scratch. ‘You don't need separate legislation for artificial intelligence. It would become outdated in no time. With some targeted changes to the existing regulatory framework, we can ensure that we take advantage of the benefits of AI, while mitigating its risk at the same time. This is also the approach taken by the European Commission.’ In addition, jurists sometimes look to surprising sources for inspiration. Wouldn’t it be possible to be a legal guardian of a robot, some suggest, as you might have for minors or mentally incapacitated persons? ‘It can indeed be inspiring to look at other liability regimes and look for similarities,’ says De Bruyne. ‘Are we responsible for our AI-systems in the same way we are for our pets? Or the way a teacher is for the children in their class? Or can we perhaps give robots legal personality? The problem, of course, is that they don’t have financial assets of their own to compensate others for damages.’ ●


89

ZES EEUWEN KU LEUVEN — Rector Honoré Van Waeyenbergh

Een slagerszoon met heldenmoed Tijdens de Tweede Wereldoorlog probeerde de bezetter alle eerstejaarsstudenten op te vorderen voor tewerkstelling in Duitsland. Maar dat was buiten rector Honoré Van Waeyenbergh gerekend …

A

ls de Duitsers op 10 mei 1940 België binnenvallen, loopt Leuven leeg. De universiteit sluit haar deuren en professoren en studenten vluchten de stad uit. Rector Van Waeyenbergh helpt eigenhandig om, met een brandweerwagen, de ziekenhuizen te evacueren. Hij is de eerste rector die met de auto kan rijden, als slagerszoon was hij gewend de bestellingen rond te brengen. Vlak voor de Duitsers Leuven binnenvallen, op 16 mei, is de laatste patiënt in veiligheid gebracht in Brussel. Die nacht is Van Waeyenbergh tot tranen toe bewogen als hij de universiteitsbibliotheek in vlammen ziet opgaan.

Duitsgezind

© Universiteitsarchief KU Leuven

Na de capitulatie van België op 28 mei wordt de universiteit begin juli opnieuw geopend. De rector laat het Arenbergpark omvormen tot één grote moestuin, en vanwege het tekort aan kolen mogen studenten tijdens de wintermaanden langer op café of in de bioscoop blijven. Van Waeyenbergh trekt zich ook persoonlijk het lot aan van studenten en professoren die last krijgen met de Duitsers en gaat hun zaak tot in Brussel bepleiten, met het Duits dat hij als brancardier tijdens WO I heeft geleerd.

— Na de oorlog laat de Duitse minister van Arbeid en Sociale Voorzorg de inschrijvingslijsten aan Van Waeyenbergh terugbezorgen.

De rector gaat koppig in tegen elke poging van de bezetter om zich te mengen in het universiteitsbeleid. Wanneer twintig professoren verbod krijgen om examens af te nemen, op beschuldiging van verzetsdaden, moet hij zich daar echter bij neerleggen. Hij weigert wél om professoren naar Duitsland te sturen om daar les te gaan geven. Ook Duitse gast­ professoren zijn niet welkom in Leuven.


90

Met een netwerk dat reikt van het Koningshuis tot, via kardinaal Van Roey, het Vaticaan, kan Van Waeyenbergh zich wel wat permitteren. De aanstelling van een Duitse toezichthouder op de universiteit kan hij afhouden. Op zijn initiatief wordt het universiteitsreglement tijdelijk aangepast: studenten hoeven niet langer katholiek te zijn. Zo kunnen bijna zeshonderd vrijzinnige en joodse studenten in Leuven terecht wanneer de ULB door de Duitse bezetter gesloten wordt.

Verzetsdaad Om aan tewerkstelling in Duitsland te ontsnappen, schrijven steeds meer jongemannen zich in als student. De bezetter besluit daarom begin februari 1943 om alle eerstejaars een half jaar op te vorderen. Van Waeyenbergh protesteert hevig. Als eind mei een ultimatum volgt en de universiteit met sluiting bedreigd wordt, laat hij de inschrijvings­ lijsten inmetselen in de kelders van de Universiteitshal. Daarop wordt de rector gearresteerd en veroordeeld tot achttien maanden cel in de gevangenis van Sint-Gillis. De verontwaardiging is groot. Zelfs de paus en Koningin Elisabeth bemoeien zich ermee. Na enkele maanden wordt de gevangenisstraf dan ook omgezet in huisarrest. Vanuit Tervuren blijft Van Waeyenbergh zijn universiteit in het geheim vanop afstand besturen. Intussen worden de lijsten uit de geheime schuilplaats gestolen en aan de bezetter overgemaakt. Zo slagen de Duitsers er toch in om de meeste eerstejaars­studenten op te eisen. Wie overblijft, duikt onder en krijgt clandestien les.

— Na de bombardementen door de Engelsen in 1944 maakt Van Waeyenbergh zelf foto's van de tot puin gereduceerde universiteitsgebouwen.

De Duitsers slagen er in om de meeste eerstejaars­studenten op te eisen. Wie overblijft, duikt onder en krijgt clandestien les.

Heldenstatus In de nacht van 11 op 12 mei 1944 wordt Leuven gebombardeerd door de Engelse luchtmacht. Onder meer de inspecteur van de universiteit, de algemeen beheerder van toen, overleeft het bombardement niet. Van Waeyenbergh weet in de dagen nadien een wagen te bemachtigen en ontsnapt midden in de nacht naar Leuven. Daar maakt hij foto’s van de tot puin gereduceerde universiteitsgebouwen in de Naamsestraat. Een paar maanden later is de oorlog voorbij en kan Van Waeyenbergh naar het Rectorshuis terugkeren. Hij zal nog tot zijn emeritaat in 1962 aanblijven als rector. Hij wordt een iconische figuur, geliefd bij de studenten, van wie menigeen een lift van de rector krijgt tussen Brussel en Leuven. Maar dat hij alle ongeveer 8.000 studenten bij naam kende, zoals destijds werd gezegd, moeten we wellicht met een korreltje zout nemen. ●


Colofon Dit magazine is een uitgave van KU Leuven Hoofdredactie

Tamara Broos Nel Bruneel Isabelle Van Geet Redactie en beeldredactie

kuleuven LeuvenU kuleuven

WWW.KULEUVEN.BE/STORIES

Pieter-Jan Borgelioen Greg Pokusa Ine Van Houdenhove Reiner Van Hove Wouter Verbeylen Fotografie

Rob Stevens

Werkten mee aan dit nummer

Saskia De Coster, Ilse Frederickx, Pieter Heylen, Jo Huys, Lothe Ramakers, Bert Van Hirtum, Julie Willems, Julie Zaman Met dank aan

Kjell Corens (Universiteitsarchief) Contact

Sonar@kuleuven.be Abonnement

U kan een abonnement nemen op Sonar op www.kuleuven.be/stories. Vormgeving

Freelancers

Altera

Hilde De Voghel Gaston Kooijmans

Druk

Van der Poorten


Nr 1 – september 2020

WWW.KULEUVEN.BE/STORIES Sonar

KU Leuven-magazine

Driemaandelijkse uitgave — P409886 — Afgiftekantoor: Leuven Masspost — V.U.: Dienst marketing en communicatie, Isabelle Van Geet, Minderbroedersstraat 8, 3000 Leuven

KU Leuven. Inspiring the Outstanding.

Sonar Nr 1 – september 2020

vorsers vs. het virus

KU Leuven-magazine


Turn static files into dynamic content formats.

Create a flipbook
KU Leuven Magazine Sonar n°1 - Sept 2020 by KULeuven_publications - Issuu