PLANTAGES, JAVANEN EN ANDERE VERHALEN
De ‘Bosjesbrug’ is 1504 meter lang en overspant de Surinamerivier. Als je eroverheen rijdt, lijkt het alsof je vliegt. Van boven kijk je neer op Paramaribo en Meerzorg, in het district Commewijne. Vóór 2000 stak je de rivier over met een pont. Dat duurde soms uren; een pont was snel vol. De sfeer in Commewijne is veranderd na de aanleg van de brug. Het landelijk gebied wordt steeds meer gemengd en urbaan en groeit uit tot een buitenwijk van Paramaribo.
Het leven was hard in Commewijne, eerst voor de tot slaafgemaakten uit Afrika, en later voor de vooral Javaanse contractarbeiders die op de suiker-, koffie- en cacaoplantages werkten. Peperpot, Meerzorg, Belwaarde, Mariënburg, Katwijk, Spieringshoek, Alliance, Bakkie,
COMMEWIJNE, PLANTAGES, JAVANEN EN ANDERE VERHALEN
COMMEWIJNE
COMMEWIJNE PLANTAGES, JAVANEN EN ANDERE VERHALEN
Mariënbosch, Frederiksdorp, Johan en Margaretha, Rust en Werk – het zijn namen met een roemrucht verleden. Van dat verleden resten nog plantagehuizen, arbeiderswoningen, een
plantages worden opnieuw activiteiten ontplooid voor landbouwproductie en erfgoedtoerisme.
De nazaten van de Javaanse immigranten die vanaf 1894 naar Suriname kwamen, hebben met hard werken een perceel verworven, een huis gebouwd, de kinderen naar school gestuurd. Ouderen kunnen nog vertellen van vroegere tijden, van gebrek, onderlinge saamhorigheid, en van de tradities die hun (groot)ouders meenamen van Java, zoals wajang en gamelan. Inmiddels zijn ze geworteld, ze zijn geen Java-Javanen, maar Surinaamse Javanen, preciezer: Surinamers.
Fineke van der Veen Dick ter Steege
FINEKE VAN DER VEEN, DICK TER STEEGE
koffieloods, sluizen en kanalen. Veel is overwoekerd door tropisch groen. Op een aantal
FINEKE VAN DER VEEN DICK TER STEEGE
COMMEWIJNE PLANTAGES, JAVANEN EN ANDERE VERHALEN FINEKE VAN DER VEEN DICK TER STEEGE
COMMEWIJNE 000_192_HT.indd 1
13-07-16 14:08
INHOUD
INLEIDING: COMMEWIJNE, NA HET ZUUR HET ZOET
7
DEEL I: DE MENSEN ‘NOG ÉÉN JAAR CONTRACT’, GEDICHT VAN SURIANTO
13
1. DE OOST, DE WEST EN NEDERLAND
15
2. NAAR TANAH SABRANG – HET LAND OVERZEE
23
3. WAT MEEKWAM VAN JAVA
33
4. DE WERELD RONDOM
43
5. EEN NIEUWE TIJD
49
6. RUST EN WERK, PIETERSZORG EN JOHANNESBURG – DE FAMILIE IRIDIKROMO
57
7. VISSERSZORG EN LELIËNDAAL – DE FAMILIE MINGOEN
69
8. PLANTAGE WEDERZORG – DE FAMILIE DJAMIN
79
PARELS: TOERISME, FREDERIKSDORP, CHRISTINA DURAN, FOTOSAFARI
89
DEEL II: DE GEBOUWEN 1. KORTE GESCHIEDENIS VAN DE EXPLOITATIE VAN DE KOLONIE SURINAME
109
2. DE ONTWIKKELING VAN COMMEWIJNE
117
3. DE GEBOUWDE OMGEVING IN COMMEWIJNE
139
4. DOCUMENTATIE VAN EEN AANTAL TYPERENDE GEBOUWEN
151
VERANTWOORDING/WOORD VAN DANK
190
LITERATUUR
191
COMMEWIJNE 000_192_HT.indd 3
13-07-16 14:08
4
COMMEWIJNE 000_192_HT.indd 4
13-07-16 14:08
• Commewijne (oppervlakte 2353 km2) ligt op de rechteroever van de Surinamerivier, aan de overkant van de hoofdstad Paramaribo. • In het noorden van het district grenst het district aan de Atlantische Oceaan, in het westen aan de districten Paramaribo en Wanica, in het zuiden aan het district Para en in het oosten aan het district Marowijne. • Hoofdplaats: NieuwAmsterdam. Ressorten (vergelijkbaar met gemeentes): Alkmaar, Bakkie, Johan & Margaretha, Meerzorg, Nieuw-Amsterdam en Tamanredjo. • Commewijne heeft volgens de volkstelling van 2012, 31.420 inwoners. • In totaal wonen er ongeveer 560.000 mensen in Suriname.
5
COMMEWIJNE 000_192_HT.indd 5
13-07-16 14:08
Overzetbootjes in Meerzorg, met uitzicht op Paramaribo
6
COMMEWIJNE 000_192_HT.indd 6
13-07-16 14:08
INLEIDING
C O M M E W I J N E ‘NA
HET ZUUR HET ZOET’
De fameuze ‘Bosjesbrug’.1 Hij is 1504 meter lang en overspant de Surinamerivier. Als je eroverheen rijdt naar het district Commewijne lijkt het alsof je vliegt. Van boven kijk je neer op zowel Paramaribo, het water en Meerzorg, Commewijne. In de ochtend- en middagspits sta je bijna stil – de op- en afritten van de brug kunnen de groei van het autoverkeer nauwelijks bijhouden. Vóór 2000 stak je vanuit Paramaribo de rivier over met een pont, eerst de Maratakka I, de Ansoe, later de Matapica en de Maratakka II. De reis duurde lang. Eerst wachten in de rij. Dan de boot op, de oversteek maken en tot slot hobbel-bobbel de boothelling af, Commewijne in. Vroeger werd je in het district ontvangen door een welkomstbord met de tekst: Commewijne, na het zuur het zoet. Waar dat op sloeg was onduidelijk. Was het een boodschap van de calvinistische Hollanders, in de trant van ‘na deze tijden komen betere tijden’? Want vroeger was het leven hard in Commewijne, in ieder geval voor de tot slaafgemaakten2 uit Afrika, en later voor de contractarbeiders uit Brits- en Nederlands-Indië. Je kunt je afvragen wat de Europese planters destijds bezield heeft om dit zompige stuk oerwoud, alleen per boot bereikbaar, te willen exploiteren. Feit is dat de meeste plantages in Commewijne (suiker, koffie, cacao) een korte bloeitijd kenden. Alleen Mariënburg kon het langere tijd volhouden, vanwege de gemechaniseerde verwerking van het riet en door de aanvoer van goedkope arbeidskrachten. Beter gezegd: ten koste van goedkope arbeidskrachten.
Voormalige veerboten Matapica en Marataka II
Het welkomstbord met ‘Na het zuur het zoet’ is al jaren weg. En nu de brug er is, zijn de tijden voor velen ‘zoet’. Helaas niet voor de voormalige arbeiders van Mariënburg en Peperpot die met loze beloften zijn achtergebleven in de barakken op het plantageterrein. Wel voor de landbouwers die hun producten sneller naar afzetgebieden in de hoofdstad kunnen brengen. Voor bouwbedrijven en hun vrachtwagens met materialen – er is veel te bouwen in Commewijne. Voor alle verkeer op de enige weg die leidt in oostelijke richting, naar Moengo, Albina en Frans-Guyana. Nu ook dit deel van de oostwestverbinding strak is geasfalteerd, is de reistijd sterk verkort en de reis comfortabel. Het is nu heel goed mogelijk om vanuit Paramaribo een dagtrip te maken naar buurland Frans-Guyana: een stukje EU in Zuid-Amerika. (School)busjes rijden vanaf Meerzorg door heel Commewijne
7
COMMEWIJNE 000_192_HT.indd 7
13-07-16 14:08
NA HET ZUUR HET ZOET
Met de verbreding en verbetering van de weg lijkt het alsof eindelijk de periode van de binnenlandse oorlog (1986-1991) is afgesloten. Toen was de weg een strijdtoneel, later een soort Wild West, compleet met bandieten. De oorlog komt weer in beeld verder naar het oosten, in Marowijne, waar naast de weg het indrukwekkende door Marcel Pinas ontworpen monument voor de slachtoffers van het dorp Moiwana staat. Aan de andere kant van de weg staat een nieuw dorp – de huisjes recht op een rij, levenloos. Voorzieningen als elektra en water ontbreken.3 De sfeer in Commewijne is na aanleg van de brug op vele plaatsen veranderd. Was het vroeger een landelijk gebied: rustig, voornamelijk Javaans, nu wordt het steeds meer gemengd en urbaan, zeker langs de hoofdweg en de weg naar Nieuw-Amsterdam. Ga je echter van de weg af, ‘naar binnen’, is daar nog bos. Leefgebied van apen, luiaards, reptielen zoals leguanen, en talrijke vogelsoorten. In rap tempo worden oude plantagegebieden gebruikt voor de houtkap. Of verkaveld en getransformeerd tot luxe woonoorden. De nieuwe bewoners ontvluchtten de drukke hoofdstad, of zijn uit Holland teruggekomen om van hun pensioen te genieten. Ook verrijzen er in Commewijne nieuwe bedrijven en winkels, vooral enorme koophallen van de nieuwste immigranten, Chinezen uit de Volksrepubliek. De nazaten van de Javaanse immigranten hebben met hard werken of geluk een perceel verworven, een huis gebouwd, de kinderen naar school gestuurd. Ouderen kunnen nog vertellen van vroegere tijden, van gebrek en onderlinge saamhorigheid. Jongeren, gekleed in schooluniform of naar de laatste mode, verdiepen zich in hun mobieltje. Maar district blijft district: rustig, niet zo hectisch als Paramaribo. De verbreding van de oostwestverbinding ging ten koste van groenstroken en tuintjes, vooral in het dorp Tamanredjo. Maar het stijgend aantal passanten is wel gunstig voor de bedrijvigheid in het dorp, vooral voor de eigenaars van de warungs, de populaire Javaanse eethuisjes, waar iedere reiziger graag bami, nasi of een andere Javaans-Surinaamse lekkernij komt eten. De warungs zijn voor velen een inkomstenbron en de meeste producten worden lokaal geteeld: groeten, kip, fruit, vis. In Commewijne hoef je geen honger te hebben. De grootste productieve sector in Commewijne is de agrarische sector, landbouw, veeteelt en visserij. Veel vis wordt lokaal gerookt en vanaf stalletjes aan de weg verkocht. Maar net als in andere districten is ook in Commewijne lanti (de overheid) een belangrijke werkgever. Sporen van het roemruchte plantageverleden zijn nog overal te vinden. Bijvoorbeeld in grondpatronen, gevormd door kaarsrechte kanalen voor afwatering en het vervoer van producten die op de plantage werden verbouwd. Ook oude stenen sluizen verwijzen naar de ingenieuze polderstructuur. Een aantal ondernemers heeft met koppig doorzettingsvermogen nieuw leven in oude plantages en plantagebebouwing gebracht: aquacultuur, veeteelt, koffie, citrus. De interesse van binnen-
8
COMMEWIJNE 000_192_HT.indd 8
13-07-16 14:08
INLEIDING
en buitenlandse toeristen helpt een handje. ‘Plantagetochten’ per boot of fiets zorgen op diverse plantages voor (aanvullende) inkomsten via restaurant- en overnachtingsfaciliteiten. Toeristen komen ook voor de natuur. Zij kunnen bijvoorbeeld in natuurpark Peperpot een wandeling maken of overnachten in hotel De Plantage en bij het ontbijt apen en luiaards spotten. Een belangrijke historische plek is Mariënburg waar de overblijfselen te zien zijn van de eertijds roemruchte suikerplantage: de fabriek, de barakken van de arbeiders, stafwoningen, bedrijfswinkel, treinstelsel, etc. Nu alleen nog geschikt als decor voor het vertellen van verhalen van vroeger door gids Toekijan Soekardi en voor het maken van foto’s. Op Mariënburg staat ook het monument ter ere van de eerste Javaanse contractarbeiders die in 1890 aankwamen en op Mariënburg tewerkgesteld werden. Een groot aantal van hun nazaten woont nog steeds in Commewijne, vaak op een stukje van het perceel dat hun voorouders na beëindiging van hun contract kregen. Toen de brug over de Surinamerivier kwam, verdwenen de ponten; de Maratakka II vaart vanaf 2008 als partyschip. Als je te voet of met de fiets de rivier wilt oversteken, kan dat nog steeds, in ‘oversteekbootjes’ vanaf de ‘platte brug’ aan de waterkant in Paramaribo naar Meerzorg, waar kleine busjes klaarstaan voor verder vervoer in Commewijne. Ook bij Leonsberg, in Paramaribo-Noord, kun je overvaren. In een minuut of tien ben je in Nieuw-Amsterdam, het bestuurscentrum van Commewijne, waar onder andere de districtscommissaris (DC) zetelt. Iets verder, waar de Surinamerivier en de Commewijne samenkomen voordat ze in zee uitmonden, ligt het koloniale verdedigingswerk annex gevangenis, Fort Nieuw-Amsterdam, nu Openlucht Museum. Er waait daar bijna altijd een verkoelende wind. Fijn voor een zondagje ontspannen.
1 Gebouwd tijdens het presidentschap (1996-2000) van Jules Wijdenbosch. 2 Alhoewel ‘tot slaafgemaakten’ momenteel de gangbare (politiek correcte) term is, gebruik ik vanwege de leesbaarheid in het vervolg het woord ‘slaaf’. Hieronder vallen zowel tot slaafgemaakten als in slavernij geborenen. 3 Zie: Marion Poll, ‘We zijn al die jaren voor de gek gehouden’ in: Parbode okt. 2015, pag. 64 e.v.
9
COMMEWIJNE 000_192_HT.indd 9
13-07-16 14:08
10
COMMEWIJNE 000_192_HT.indd 10
13-07-16 14:08
DEEL I - DE MENSEN
11
COMMEWIJNE 000_192_HT.indd 11
13-07-16 14:08
Koffieplukster, ca .1920
12
COMMEWIJNE 000_192_HT.indd 12
13-07-16 14:08
GEDICHT
KONTRAK ISIH SETAUN
NOG EEN JAAR CONTRACT
anakku ayu anak siji sing tak aji-ajimijn tak turokaké ana bandhulan sangisoré uwit tyangkring
kindje lief enige dat ik erg waardeer ik leg je in een schommelwieg onder de koffiemamaboom
anakku ayu anak siji sing tak léla-léla tak iyun aja pijer nangis biyung kudu ngundhuh kopi
kindje lief mijn enige dat ik in slaap sus ik wiegel je zacht huil niet meer moeder moet koffie plukken
mangsa ketiga dawade mingis srengéngé garing gorokan tansah n kereng sangsaya mandhoréde mandor
lange droogte scherpe zon, windloos gelakkelen droog en dorstig steeds strenger
anakku ayu anak siji sing tak aji-aji tyep menenga aja rèwèl
kindje lief mijn enige dat ik erg waardeer wees lief en stil
galo rungokna ana putyuké pring apus lagu merdu otyèhé manu kontrak isih setaun
hoor eens daarginds in de zang der vogels kop de bamboetop het lieflijk lied nog één jaar contract
(Javaans)
Surianto (pseudoniem van Ramin Hardjoprajitno) Uit: Woorden die diep wortelen door Michel Szulc-Krzyzanowski en Michiel van Kempen
13
COMMEWIJNE 000_192_HT.indd 13
13-07-16 14:08
Resident W. De Vogel met Soesoehoenan Pakubuwono X, 1897
14
COMMEWIJNE 000_192_HT.indd 14
13-07-16 14:08
1
DE OOST, DE WEST EN NEDERLAND
De Oost, Java: honger en armoede Als je wilt schrijven over Javanen in Commewijne, is het goed te beginnen in Nederlands-Indië, dat destijds deels koloniaal, deels feodaal-inheems werd bestuurd. Het koloniale gezag, met als hoogste baas de gouverneur-generaal en en als bestuurders van een gewest, werkte in delicaat evenwicht samen met regenten, veelal lokale vorsten. Het Nederlandse gezag heerste vooral op Java, een eiland ruim driemaal zo groot als Nederland. De rest, ‘de Buitengewesten’, stond voornamelijk onder lokaal bestuur. Als een Javaan uit de kampong1 een blanke of bruine tuan besar tegenkwam, moest hij uit eerbied snel op de hurken aan de kant van de weg gaan zitten, met het hoofd omlaag. Hij kon bij een ‘grote heer’ beter geen ongenoegen opwekken. Het was al belastend genoeg regelmatig een ‘herendienst’ te moeten doen, een mooi woord voor gratis werk verrichten, bij voorbeeld bij de aanleg van wegen of andere (openbare) voorzieningen. Vanaf de invoering van het Cultuurstelsel, rond 1830, was het voor de desabewoner2 moeilijker geworden om in de eigen levensbehoeften te voorzien. Het Cultuurstelsel hield in dat de landbouwgrond voor een vijfde gebruikt moest worden voor het telen van tropische exportproducten. Die werden tegen lage prijzen door de Nederlandse Handel Maatschappij (NHM) opgekocht, verscheept, en in Amsterdam met veel winst geveild, grotendeels ten bate van de Nederlandse schatkist – het ‘batig slot’. Dit ging ten koste van de Javaanse landbouwer die minder grond en tijd beschikbaar had om rijst en andere producten voor eigen consumptie te verbouwen. De gevolgen waren niet mis, zoals te lezen is in een rapport van 1869: ‘In geheel Midden-Java was de bevolking, ten gevolge van vele ontberingen, ongenoegzaam voedsel en epidemische ziekten, belangrijk verminderd, Cheribon verloor 60.000 zielen, Tegal, 18.000, Pekalongan 20.000, Japara 65.000, Bagelen 95.000, Banjoemas 82.000, Madioen, 14.000, te zamen 354.000 zielen.’3 Dit aantal bevat waarschijnlijk ook personen die niet zijn overleden, maar zijn weggetrokken. Er ontstaat zowel in Indië als in Nederland verzet tegen het Cultuurstelsel met als gevolg dat in 1864 de indigo- en tabakscultures worden afgeschaft. Maar de veel winstgevender suiker- en koffiecultures duren nog tot resp. 1890 en 1915. Door de invoering van de Agrarische wet en de Suikerwet in
15
COMMEWIJNE 000_192_HT.indd 15
13-07-16 14:08
OOST, WEST EN NEDERL AND
1870 wordt de staat als ondernemer vervangen door privébedrijven. De wetten geven buitenlandse investeerders de gelegenheid grond te huren voor maximaal vijfentwintig jaar. Voor de verhuurders, veelal kleine boeren, rest weinig anders dan als arbeider te gaan werken op zo’n nieuwe onderneming. Niet in cultuur gebrachte grond mocht ten hoogste voor vijfenzeventig jaar in erfpacht worden gegeven. Zo wordt Nederlands-Indië alsnog gedeeltelijk een plantagemaatschappij, vooral op Java (suiker) en op nieuw ontgonnen land in het regentschap Deli, op Sumatra (tabak en rubber). Een directe aanleiding voor het nieuwe beleid is de opening van het Suezkanaal in 1869. Daardoor vermindert de reistijd tussen West-Europa en Oost-Azië van enkele maanden tot enkele weken. Het wordt niet alleen lonend om grote hoeveelheden tropische producten te verbouwen, maar ook om grondstoffen zoals tin via mijnbouw te exploiteren en exporteren. Om andere westerse landen met koloniale aspiraties op afstand te houden, wil Nederland zijn gezag versterken en uitbreiden in de Buitengewesten. Er worden ‘expedities’ ondernomen met als doel ‘pacificatie’, naar o.a. Lombok, Celebes en een deel van Borneo. Deze militaire acties kosten veel mensenlevens en veroorzaken een groeiende weerstand tegen het koloniale gezag. Voor de nieuwe ondernemingen was arbeid nodig, vooral voor Deli. De eerste arbeidsmigranten, koelies4 genoemd, waren Chinezen uit Penang en Malakka. Zij vielen onder de ‘Koelie-ordonnantie’ van 1880. Daarin was bepaald dat elke arbeidsverhouding diende te worden vastgelegd in een schriftelijke overeenkomst op naam van de arbeider. Er stond in wat het werk inhield en de hoogte van de beloning, uitgaande van een werkdag van tien uur en een contractduur van drie jaar. Het contract moest door het hoofd van het plaatselijk bestuur worden geregistreerd, nadat was vastgesteld dat het contract op vrijwillige basis was aangegaan. De contractant had recht op een goede behandeling: geregeld loon, huisvesting, bad- en drinkwater, geneeskundige verzorging.5 Hij mocht de onderneming echter niet zonder schriftelijke toestemming van de werkgever verlaten. Werkweigering, verstoring van de rust, dronkenschap en dergelijke werden gezien als overtreding. Via een speciale regeling, de poenale sanctie, kon de resident van Deli afhankelijk van het vergrijp, dwangarbeid opleggen voor een bepaalde periode. Negatieve verhalen in de Chinese pers over de methodes van rekruteren en de slechte werk- en levensomstandigheden van de arbeiders maakten de toevoer van arbeiders onzeker. Toch weigeren ondernemingen een aantal aanpassingen uit te voeren, zoals het sluiten van de opiumkitten, het verbieden van het dobbelen en het toekennen van hoger loon.6 Om verdere kritiek uit China te vermijden, richtte men zich op Javaanse arbeiders. Die zouden rustiger zijn dan Chinezen, minder rebels en opstandig. Bovendien waren de kosten van werving en transport lager. Voor de werving van arbeiders voor Sumatra werden eerst kleinere kantoren ingeschakeld. In 1920 richtten plantersverenigingen op Sumatra het Algemeen Delisch Emigratie Kantoor (ADEK) op. Het echte werk werd gedaan door ronselaars, wereks genoemd die een aardig bedrag kregen per geworven persoon. Hun methodes waren dermate agressief dat sommige kampongs geen wervers meer toelieten.
16
COMMEWIJNE 000_192_HT.indd 16
13-07-16 14:08
1
Ontvangen van tabak in de fermenteerschuur van een tabaksplantage in Deli in de Oostkust van Sumatra, ca.1920
Dessaschool Java, ca.1920
Verreweg de meeste
Het leven van de contractarbeiders of koelies was zeer zwaar. In 1902 publiceerde mr. J. van den Brand, advocaat uit Deli, de brochure De Milloenen uit Deli. De auteur stelde de vraag of het koeliesysteem moreel te verdedigen is. Zijn antwoord was nee: het ‘contract-koeliedom’ is een vorm van slavernij. Van den Brand beschrijft gedetailleerd de vormen van mishandeling en wreedheid, ongevoeligheid en gelddorst, willekeur en bedrog. Dat de Javaanse vrouwen het nog veel slechter hebben dan de mannen beschreef hij in Hoe verdient een Javaansche vrouw haar sarong? Van den Brand: ‘Laat ik kort zijn in het beantwoorden dezer vreselijke vraag: de Javaansche vrouw verdient, moet verdienen, het geld voor haar sarong door hoererij.’7 Na veel gekrakeel in de Tweede Kamer krijgt mr. J.L.T. Rhemrev, officier van justitie bij de Raad van Justitie in Batavia een jaar later de opdracht nader onderzoek te doen. In 1904 verschijnt zijn rapport waarvan de kern is dat de beschuldigingen, geuit door Van den Brand, op waarheid berusten. Hij is het ook met Van den Brand eens dat de koelie-ordonnantie op zich niet deugt. Het rapport-Rhemrev wordt zonder bijlagen en zonder commentaar van de gouverneur-generaal opgestuurd naar de minister van Koloniën in Den Haag, Idenburg. Zijn reactie na lezing is: ‘Een treurige geschiedenis van lijden en onrecht.’ Maar hij geeft de tekst niet vrij. Wel ontstaat er politieke discussie die echter nergens toe leidt. Van den Brand in 1921: ‘De toestanden ter Oostkust van Sumatra zijn vreselijk en het zou niet moeilijk zijn, opnieuw een ‘Millioenen uit Deli’ samen te stellen. Telkens en telkens weer brengen nieuwe ontdekkingen varianten op oude schandalen, welke nimmer voorgoed zullen verdwijnen, zoolang de koelie-ordonnantie van kracht zal zijn.’8
plattelanders op Java, ook diegenen die een desa-school bezochten, waren analfabeet door gebrek aan oefening. Dat gold naar alle waarschijnlijkheid ook voor de mensen die naar Deli en Suriname vertrokken.
De West, Suriname: arbeiders gevraagd! In Suriname was in 1863 de slavernij afgeschaft, met de verplichting voor vrijgemaakten tussen 18 en 30 jaar om nog tien jaar tegen betaling op een plantage te werken. De regering in Den Haag wilde
17
COMMEWIJNE 000_192_HT.indd 17
13-07-16 14:08
OOST, WEST EN NEDERL AND
Javaanse arbeiders onderweg naar Suriname, ca. 1925
tijdens dit zogeheten ‘Staatstoezicht’, 25.000 contractanten voor plantagearbeid aantrekken. In 1872 wordt wettelijk vastgelegd dat de regering verantwoordelijk is voor de jaarlijkse immigratie van arbeiders. Echter niet uit de eigen kolonie in de Oost, omdat het koloniale gouvernement in Batavia voorstander is van migratie vanuit het dichtbevolkte Java naar de dunbevolkte Buitengewesten, zoals Sumatra. In Engelse koloniën in het Caraïbisch gebied werken al Brits-Indische landarbeiders op contract. De Nederlandse regering gaat in onderhandeling met de Britten over werving van arbeiders voor Suriname. In 1872 is het zover. Koningin Victoria en koning Willem lll bekrachtigen het Koelietraktaat, een lijvig stuk dat de voorwaarden van de immigratie tot in detail regelt, inclusief poenale sanctie. Het traktaat lijkt veel op de Koelie-ordonnantie die acht jaar later in Nederlands-Indië zou worden ingevoerd. Het grote verschil met Deli is, dat de duur van een contract voor Suriname vijf in plaats van drie jaar is. De Britse consul had in zijn functie van Protector of Emigrants de plicht verslag uit te brengen aan zijn regering over het naleven van de rechten en plichten vermeld in het Koelietraktaat. Van Nederlandse kant was een agent-generaal de verantwoordelijke. Hij stond aan het hoofd van een speciaal opgericht Immigratiedepartement in Paramaribo. De agent-generaal werkte samen met de districtscommissarissen en rapporteerde zijn bevindingen aan de gouverneur.
18
COMMEWIJNE 000_192_HT.indd 18
13-07-16 14:08
1
Ondanks regelingen en rapportages was de dagelijkse behandeling van de arbeiders vaak een kwestie van afknijpen en vernederen. De minister van Koloniën liet de gouverneur weten dat het belangrijk is om de migranten te beschermen tegen ‘schadelijke invloeden waaraan zij, vooral in eene kolonie waar nog zoveel voormalige slaveneigenaren worden aangetroffen, bloot staan.’9 Kortom, er was een verandering van systeem, niet van mentaliteit. De eerste groep arbeiders arriveerde in 1873. In totaal kwamen ruim 34.000 Brits-Indiërs naar Suriname. Na aankomst werden ze opgevangen in het ‘koeliedepot’ in Paramaribo. Vandaar volgt de plaatsing op een plantage, op ‘bestelling’ van de eigenaar of beheerder van een plantage. Na afloop van het contract kon de arbeider een nieuw contract tekenen, kosteloos terugkeren naar Brits-Indië of in Suriname blijven en een stukje grond en 100 gulden krijgen. Door de slechte woon-en werksituatie was de sterfte onder de arbeiders in het eerste jaar van immigratie hoog. Als reactie hierop schortten de Britten de immigratie op tussen 1875 en 1878. Hierdoor aangespoord werd de medische zorg enigszins verbeterd en de poenale sanctie aangepast. Maar de onvrede in het land van herkomst, Brits-Indië, bleef. In 1885 was daar het Nationaal Congres opgericht om een eigen, antikoloniaal, geluid te laten horen. De slechte behandeling van de contractarbeiders in o.a. Zuid-Afrika en Suriname was een van de punten op de politieke agenda. Uiteindelijk gaven de Britten toestemming om de uitzending van contractarbeiders te stoppen, ingaande 1917. De planterslobby in Suriname wachtte niet met de armen over elkaar tot de toevoer van Brits-Indiërs stopte. Sommige planters waren toch al niet zo blij met hen: die koelies klaagden teveel en waren maar koppig en twistziek. De Nederlandse Handel Maatschappij (NHM) verzoekt opnieuw Javaanse arbeidsmigranten te mogen verschepen naar Suriname voor suikeronderneming Mariënburg, waarvan de NHM eigenaar is. De gouverneur van Suriname en de agent van de NHM komen overeen dat het hoofdkantoor van de NHM in Batavia als experiment honderd Javanen zal werven. In 1890 komen de eerste 94 Javaanse arbeiders in Paramaribo aan en zij gaan naar Commewijne, naar Mariënburg. Alhoewel de directie niet onverdeeld positief is over de nieuwe arbeiders zet men de immigratie voort. De werving gaat in het vervolg via dezelfde kanalen als voor Deli. Het tweede transport, met het ss Voorwaarts, is berucht. Het stampvolle schip vertrekt op 29 april 1894 met 614 migranten vanuit Tandjong Priok, de haven van Batavia. De hygiëne is erbarmelijk, het eten bedorven, het drinkwater onvoldoende. Er is een tekort aan medicijnen en medische zorg. Onderweg sterven 32 passagiers, contractanten en bemanningsleden. Agent-generaal Barnet Lyon beschrijft de ziekenzaal in de Voorwaarts als volgt: ‘In het hospitaal trof ik een 40tal zieken aan in, over het algemeen ellendigen toestand. In het hospitaal heerschte een ondragelijke stank. De zieken lagen ongedekt, enkelen geheel naakt op den blooten grond. Nergens was er een brits te bespeuren. Een langwerpig houten bak zonder deksel diende als latrine.’10 In totaal worden 250 personen naar het Militair Hospitaal gezonden, waarvan er alsnog een aantal overlijdt. De reis van oost naar west duurde lang – de meeste transporten gingen van Java naar Amsterdam, waar de migranten soms dagen moeten wachten op een schip dat hen naar Suriname bracht. Pas na
Monument herdenking Javaanse immigratie, Mariënburg, details
19
COMMEWIJNE 000_192_HT.indd 19
13-07-16 14:08
OOST, WEST EN NEDERL AND
1914, bij het uitbreken van de Eerste Wereldoorlog, varen de schepen rechtstreeks. Niet alleen voor de plantages kwamen Javanen naar Suriname: in 1904 arriveerden 77 arbeiders in Suriname op verzoek van de Koloniale Spoorwegen om te werken aan de aanleg van de Lawaspoorlijn, voor het transport van goud uit de goudvelden van Oost-Suriname.11 In 1914 werden Javanen geworven voor de bauxietindustrie in Moengo, in het district Marowijne. Het totale aantal immigranten tussen 1891 en 1938 was 32.620, daarvan keerden er 7.242 naar Java terug.12
Nederland: ethische politiek, maar met mate In 1860 verschijnt ‘Max Havelaar of de Koffie-Veilingen der Nederlandsche Handelmaatschappy’ van voormalig koloniaal bestuurder Multatuli (E. Douwes Dekker) waarin hij de ‘knevelarij der hoofden’ – het machtsmisbruik van het lokale gezag, veroordeelt. De verontwaardiging in Nederland over de slechte levensomstandigheden van de Javanen is gewekt. De negatieve rol die het koloniale beleid speelt via het Cultuurstelsel en het ‘batig slot’, komt in 1899 aan bod in het artikel De eereschuld door mr. C. van Deventer. Hij schrijft dat ‘geen enkel argument, hoe zwak ook, meer voor de naasting der indische overschotten ten bate van het moederland pleitte (…)’. Integendeel: ‘de sedert 1 Januari 1867 aan Indië onttrokken millioenen aan Indië moeten worden teruggegeven. De restitutie dier indische millioenen – dat is de eereschuld van Nederland aan Indië, eereschuld omdat haar kwijting niet door geschreven rechtstitels, maar door die hoogere wet, die men de wet der eer en der eerlijkheid noemt, geboden wordt.’ Van Deventer berekende dat Nederland sinds 1867, 187 miljoen gulden aan Nederlands-Indië had onttrokken.13 De journalist Pieter Brooshooft is het met Van Deventer eens. Hij publiceert in 1901 de brochure De ethische koers in de koloniale politiek: ‘Wat ons moet nopen tot plichtsbetrachting tegenover Indië is de beste der menselijke neigingen; het rechtsbewustzijn, het gevoel dat wij den, tegen zijn wil, van ons afhankelijk geworden Javaan het beste moeten geven wat wij voor hem hebben, de edelmoedige drang van den sterkere om den zwakkere rechtvaardig te behandelen.’14 Het kabinet-Kuyper zet door deze woorden geïnspireerd een nieuwe koers uit die de geschiedenis ingaat als de ‘ethische politiek’: van exploitatie naar verheffing van de bevolking door irrigatie, verbetering van de landbouwproductie en voedselvoorziening; emigratie, om de bevolkingsdruk op Java te verminderen; en volkseducatie- en onderwijs. ‘Als Christelijke mogendheid is Nederland verplicht, in de Indische Archipel de rechtspositie der inlandse Christenen beter te regelen, aan de Christelijke zending op vaster voet steun te verlenen en geheel het regeringsbeleid te doordringen van het besef dat Nederland tegenover de bevolking dezer gewesten een zedelijke roeping heeft te vervullen,’ zegt koningin Wilhelmina in haar troonrede op 17 september 1901.
Kinderarbeid in Nederland, ca. 1900
Mannen, vrouwen en kinderen maken lange dagen onder zware omstandigheden. Critici van de situatie in de Twentse textielfabrieken spreken van de ‘slavenkolonie Enschede’. Werkdagen van 11 uur, zes dagen
De verheffing van de Javaan moest geleidelijk gaan, aan de hand van de ‘oudere broer’. Het was niet de bedoeling van Nederland dat onderwijs zou leiden tot protest en een streven naar onafhankelijk-
per week, zijn geen uitzondering. 20
COMMEWIJNE 000_192_HT.indd 20
13-07-16 14:08
1
heid. Toen dat toch gebeurde, volgde repressie. In 1929 zijn een soort razzia’s gehouden waarbij honderden nationalisten worden gearresteerd. Zo ook Koesno Sosrodihardjo, de latere president Soekarno. Hij krijgt een proces in Bandung en voert zijn eigen verdediging, die meer lijkt op een aanklacht.15 Tegen het koloniale imperialisme, tegen contractarbeid en poenale sanctie. Soekarno krijgt gevangenisstraf. Bij een nieuwe arrestatie volgt alsnog een verbanning die eindigt als de Japanners hem in 1942 bevrijden. Het beste onderwijs was voor de stedelijke, blanke of Indo-elite. In de desa’s waren vanaf 1907 eenvoudige, driejarige scholen opgericht. Volgens de Volkstelling van 1930 kon zes procent van de inlandse bevolking lezen en schrijven. Maar verreweg de meeste plattelanders, ook diegenen die een desa-school bezochten, waren analfabeet door gebrek aan oefening. Dat gold naar alle waarschijnlijkheid ook voor de mensen die naar Deli en Suriname vertrokken. Intussen is Nederland gemoderniseerd. De drooglegging van de Haarlemmermeer zorgt voor nieuw land, stoomschepen maken zeereizen sneller en comfortabeler; er is een verdere mechanisatie van de industrie. En net als in de koloniën, lijkt het lot van de arbeider er weinig toe te doen. Mannen, vrouwen en kinderen maken lange dagen onder zware omstandigheden. Critici van de situatie in de Twentse textielfabrieken spreken van de ‘slavenkolonie Enschede’. Werkdagen van 11 uur, zes dagen per week, zijn geen uitzondering. Niet dat er geen protesten zijn – de sociale kwesties leiden in 1881 tot de oprichting van de Sociaal-Democratische Bond door Domela Nieuwenhuis en de SociaalDemocratische Arbeiderspartij (SDAP) van Pieter Jelle Troelstra (1894).
1 Kampong: wijk in dorp of stad. 2 Desa: dorp. 3 Van Soest, 1869, geciteerd in: Drie geografische studies over Java; feestbundel ter gelegenheid van het negentigjarig bestaan van het Koninklijk Nederlands Aardrijkskundig Genootschap, E.J. Brill, Leiden, 1963: 271. 4 Koelie: dagloner, sjouwer. In Nederlands-Indië en Suriname term voor contractarbeiders uit Azië.
De crisis in de jaren dertig maakt het niet makkelijker. Naast bezuinigingen in eigen land worden de koloniale begrotingen voor zowel de Oost als de West ingekrompen. De ‘ethische politiek’ is dan al verlaten. Bovendien, vinden vele politici, zijn de inkomsten uit Indië noodzakelijk. En die zijn het hoogst als de arbeidskosten laag zijn, dus van afschaffing van contractarbeid en poenale sanctie kan geen sprake zijn. Al eerder liet de Nederlandse regering n.a.v. een wetsontwerp tot goedkeuring van het ‘Internationale verdrag inzake de slavernij’ weten, dat het vanzelfsprekend is dat ‘beschaafde landen de slavernij, waar die nog mocht bestaan, met alle ten dienste staande middelen tegengaan.’ De poenale sanctie zou daar buiten vallen want die ‘waarborgt slechts de nakoming van een vrijwillig gesloten arbeidsovereenkomst en is bij wanprestatie zowel op den werkgever als op den arbeider toepasselijk.’16 In 1928 wordt tijdens een zitting van de Volkenbond door de Nederlandse afgevaardigde de consequentie van afschaffing van de poenale sanctie geschetst: ‘Niet alleen zou de ontwikkeling van tal van plantages en mijnen belemmerd worden, maar ook belangrijke industrieën zouden tot vernietiging worden veroordeeld.’17 In de volgende jaren zal de Koelie-ordonnantie worden bijgesteld, maar pas in 1941 wordt hij onder druk van de Amerikanen in Nederlands-Indië afgeschaft en vervangen door de ‘Vrije Arbeidsordonnantie’.
5 Breman 1992: 64.
In Suriname is de contractarbeid in 1930 geëindigd. In dat jaar komen met het ss Djember de eerste vrije arbeiders uit Java aan, 150 gezinnen. Het laatste schip dat Javanen gratis terugbrengt naar hun geboorteland, vertrekt in 1947.
16 Baay: 244, 245.
6 Ibid.: 87. De opiumhandel was vanaf 1676 tot 1943 in Nederlandse handen van achtereenvolgens de VOC, de Nederlandse Handel Maatschappij en de Nederlandse staat (de zogeheten ‘opiumregie’). 7 Van den Brand: 69. 8 Uit de ‘Handelingen Volksraad’, 25-11-1921; geciteerd in Breman: 314. 9 Brief 5 maart 1878, geciteerd in Bhagwanbali: 175. 10 Bron: NAS, Archief Immigratiedepartement, Inv. nr. 20, 22 juni 1894. 11 Zie verder o.a.: Wikipedia: landsspoorlijn of Lawaspoorlijn. 12 Van Lier 1971: 160. Andere bronnen geven iets andere cijfers. 13 C.Th. van Deventer, ‘Een eereschuld’ in: De Gids; P.N. van Kampen en Zoon, Amsterdam, 1899: 218. 14 P. Brooshooft; ‘De ethische richting in de koloniale politiek’ in: De Locomotief, Semarang, 1901. 15 Ir. Soekarno: Indonesië klaagt aan, pleitrede van den Landraad te Dandoeng op 2 december 1930, Amsterdam, De Arbeiderspers.
17 Ibid.: 245.
21
COMMEWIJNE 000_192_HT.indd 21
13-07-16 14:08
Javaanse arbeiders na aankomst met het ss Chenab, ca. 1925
22
COMMEWIJNE 000_192_HT.indd 22
13-07-16 14:08
2
NAAR TANAH SABRANG – HET LAND OVERZEE
Niet alleen armoede en honger, ook persoonlijke redenen zoals gedwongen of ongelukkige huwelijken, schulden, conflicten, sociale druk kunnen maken dat iemand ingaat op een aanbieding om elders te gaan werken. Sommigen gaan weg om te ontsnappen aan straf. Zo was daar een man die van de dochter van de lurah, het dorpshoofd, hield maar te min werd bevonden. De man wachtte de lurah in het donker op, sloeg hem in elkaar en liet hem zwaar gewond achter. Vervolgens vluchtte hij naar een depot voor migranten en vertrok naar Suriname. Sommige vrouwen zouden aan een ronselaar zijn verkocht door hun man omdat hij een nieuw liefje had. 1 Het kon ook zijn dat er zwarte magie gebruik werd. Mevrouw Semi Pantono was pas dertien toen ze betoverd zou zijn door een vrouw die bij haar in de buurt woonde. ‘Ik kwam veel bij haar en deed boodschappen voor haar. (…) Op een keer mocht ik van haar tanjung-bloemen van een boom plukken en ik keek niet naar de grond. Mijn zusje riep nog om me te waarschuwen, maar ik trapte op dat tovermiddel. Dat was op een maandag. De volgende donderdag wist ik al niet meer wat ik deed. Ik was ook al vergeten dat ik op dat middeltje getrapt had, anders had ik het wel gezegd. Mijn familie haalde er een dukun bij, want ik huilde alsof ik dood zou gaan. De dukun bekeek me en zei tegen mijn moeder: Je kunt proberen wat je wilt, maar je zult er niets aan kunnen doen. Het is tanah sabrang dat haar roept.’ Dat klopte, want de jonge Semi liep stiekem weg. ‘Ik heb zelfs mijn broertjes en zusjes achtergelaten. Ik heb niets gezegd tegen mijn moeder en niets tegen mijn vader over dat ik weg wilde gaan… daarheen – ik wist niet dat het Suriname was.’2 Hoe het ook zij: scheepsladingen mensen vertrekken voor vijf jaar naar tanah sabrang – het land aan de overkant. Al was het alleen maar om de droom na te jagen van iedere migrant en landverhuizer: een betere toekomst elders en misschien ooit rijk terugkeren.
Op de plantages: veel werk, weinig loon: ‘het rapport-Van Vleuten’ Voor de emigratie van Javanen naar Suriname was op Java geen speciaal kantoor opgezet zoals het Emigratie Departement in Calcutta voor de Brits-Indische emigranten. Daardoor was er, zeker in het begin, weinig toezicht op de selectie. Zo kwamen personen in de depots te Batavia, Semarang en
23
COMMEWIJNE 000_192_HT.indd 23
13-07-16 14:08
NAAR TANAH SABRANG
Mannenwerk: sjouwen, graven, rietkappen, was zwaarder dan vrouwenwerk: wieden, sorteren, koken, verzorgen van zieken. Al zag Van Vleuten ook vrouwen die suikerriet kapten en transporteerden met een cane-carrier – uiteraard voor een vrouwenloon.
Soerabaya terecht die geen ervaring als landarbeider hadden of die vanwege gedrag, gezondheid of karakter ongeschikt waren. In de depots moesten de, vaak analfabete, arbeiders hun contract tekenen. Men ging de verplichting aan om vijf jaar lang, zes dagen per week te werken, zeven uur op de plantage of tien uur in de (suiker)fabriek. De hygiënische toestand in de depots was slecht en de medische keuring minimaal zodat veel emigranten verzwakt aan de zware zeereis naar Suriname begonnen. De beloning voor mannen van zestien jaar en ouder bedroeg 60 cent per dag, vrouwen en kinderen tussen 10 en 16 jaar, kregen 40 cent. Voor de aanschaf van kook- en eetgerei en wat landbouwgereedschappen moest de nieuweling meteen al een schuld maken. Vele arbeiders konden nauwelijks rondkomen, laat staan sparen voor als ze weer op Java zouden zijn. Mede daarom blijft bijna twee derde voorgoed in Suriname. Degenen die wel terugkeren, krijgen bij aankomst de vraag of zij klachten hebben over hun verblijf in Suriname. Die blijken zo frequent te zijn, dat ze in de pers terechtkomen. De Java-Bode van 30 oktober 1907 publiceert een hele waslijst klachten die erop neerkwam dat je na terugkeer van vijf jaar Suriname even arm was als bij vertrek. Dit in tegenstelling tot de vanuit Suriname naar Brits-Indië teruggekeerde arbeiders. Surinaamse planters sturen ingezonden stukken naar de Nederlands-Indische media om de klachten te ontzenuwen. De strekking is dat de Javanen lui waren en zich makkelijk lieten verleiden tot ‘spilzucht’ en ‘speelzucht’.3 Het wordt een hele polemiek. Om de schade aan de beeldvorming te beperken vragen de Surinaamse planters om een onderzoek. Hiervoor wordt Herman L.C.B. van Vleuten aangetrokken. Na zijn onderzoek schrijft Van Vleuten het ‘Rapport omtrent den toestand der Javanen in Suriname’.4 Van Vleutens belangrijkste conclusie is dat de lonen te laag zijn en de werkdruk te hoog. Hij erkent dat bezuinigingen nodig zijn, maar dat de wijze waarop dit gebeurt, tot structurele wantoestanden leidt. De contractant heeft geen inspraak over de hoeveelheid taken die moet worden verricht en dat is tegen de arbeidsregeling. De Cacao-oogsten, ca. 1920
24
COMMEWIJNE 000_192_HT.indd 24
13-07-16 14:08
2
Javaanse arbeiders op weg naar het ‘koelidepot’, ca. 1925
In het ‘koelidepot’, ca. 1925
Hindostaan zou daar minder last van hebben: ‘die staakt gewoon, doch voor den meer gedweeën Javaan kan die eigengerechtigheid van den huurder wel degelijk aanleiding geven tot onbillijkheden.’5 Andere kritiekpunten van Van Vleuten zijn de slechte hygiënische situatie op de plantages, de gebrekkige watervoorziening en medische verzorging, en de hoge prijzen van levensmiddelen. Ook signaleert Van Vleuten problemen als drugsgebruik en overmatig drankgebruik. Opium is moeilijker te verkrijgen dan op Java, en duurder. Een goedkoop alternatief is het door Brits-Indiërs gerookte ganja.6 In 1910 zal de gouverneur een verbod op de invoer van opium afkondigen – maar pas per op 1 maart 1918 wordt het effectief.7 De meest Javaanse arbeiders zijn alleenstaand. Volgens de regels moet het percentage vrouwen onder immigranten ongeveer dertig procent zijn maar in de praktijk is dat veel minder.8 De alleenstaande vrouwen zouden van laag allooi en van lichte zeden zijn.9 Vandaar dat de planters er geen probleem van maken bij de toewijzing van woonruimte een man en vrouw die elkaar niet kennen te laten samenwonen.10 Het vrouwentekort en de lage sociale status van vrouwen, maken dat een aantal vrouwen het lage loon, net als in Deli, aanvult met inkomsten uit seksuele dienstverlening, wat de ongunstige opvatting over de vrouwen bevestigt. Hoe de betreffende vrouwen er zelf over dachten, is niet op papier vastgelegd. Het geboortecijfer bij de Javanen op de plantages is laag. Tropische en geslachtsziektes ondermijnen de gezondheid, maar ook het afbreken van ongewenste zwangerschappen door het drinken van kruidendrankjes, het doorprikken van het vruchtvlies, of het kantelen van de baarmoeder door massage, beperkt het aantal kinderen. Van Vleuten observeert: ‘Het huiselijk leven der Javaanse immigranten schijnt mij, over het geheel genomen, vrij treurig toe.’11 Het verbaast Van Vleuten dat niemand hem vroeg ‘wat gedaan zou kunnen worden om het den Javaanschen immigranten meer naar den zin te maken, daardoor dus hun leven te veraangenamen, opdat zij in groter getale dan thans het geval is na afloop van hun contract, hetzij als vrije arbeiders
25
COMMEWIJNE 000_192_HT.indd 25
13-07-16 14:08
NAAR TANAH SABRANG
Katoenpluk, ca. 1925
op de plantages blijven werken, dan wel zich als kolonisten in Suriname vestigen.’12 Want dat was het doel van immigratie geworden: permanente kolonisatie. De deugden die een contractarbeider tot een geschikte kolonist maakte, waren volgens Van Vleuten een groot aanpassingsvermogen, energie en spaarzin. Hij signaleert dat het ‘de doorsnee dessaJavaan’ hieraan ontbreekt en dat deze bovendien snel last heeft van heimwee naar zijn dorp op Java. Als goede eigenschappen noemt Van Vleuten ‘zijn kalmen aard en groote volgzaamheid’ waardoor planters Javanen prefereren boven de ‘meer opvliegenden en zelfstandigen cooly.’ In Nederland wordt het Van-Vleutenrapport met ongerustheid ontvangen, zeker de opmerking dat de arbeidsregeling wordt ontdoken. Dit mag niet bij de Engelse regering bekend worden, anders stopt zij de arbeidsmigratie uit Brits-Indië wellicht. Dus maar liever geen bekendheid geven aan het rapport, ook niet in Nederlands-Indië. De gouverneur-generaal aldaar krijgt wel het verzoek van de minister van Koloniën de werving van de arbeiders en de omstandigheden in de depots te verbeteren. Van Vleuten heeft geen verdere bemoeienis meer met Suriname. Hij is tot zijn pensioen resident van Bantam, Java.
Sommigen remigranten kunnen na terugkeer op Java niet meer wennen en tekenen opnieuw een contract, maar dan voor werk in Deli, Sumatra. Er zijn nauwelijks (geschreven) ervaringen van deze mensen bekend. De brief die ene Martoredjo op 25 december 1929 schrijft aan zijn voormalige werkgever in Suriname en zijn vrouw, het echtpaar Riefeld, is daarom uniek te noemen. Na een beschrijving van de bootreis en aankomst in Tandjong Priok, vervolgt Martoredjo met zijn ervaringen daarna: ‘We gingen toen te land, stapten de spoorwagons in en kwamen 10 uur n/m te Depo (het depot, FvdV). De menschen werden één voor één geroepen en wie naar huis gaan, krijgen de reisgeld. Den volgende morgen ging ik naar huis. Toen ik thuis gekomen was vond ik alles vreemd, alles was Transport bacoven (bananen), ca. 1915
26
COMMEWIJNE 000_192_HT.indd 26
13-07-16 14:08
2
veranderd. Thuis had ik maar 2 maanden gebleven, langer kon ik niet houden. Eigenlijk wil ik naar Suriname terug gaan, maar ik verneem, volgens wat de werfers zeggen (Immigranten naar Suriname is gestopt, naar Sumatra geopend), daarom ging ik naar Sumatra, maar niet als contractant als vrij arbeiders.’ Martoredjo krijgt ‘goed werk en ook goed geld’ als tankmeter bij de Bataafse Petroleum Maatschappij (B.P.M.). Hij vergelijkt Sumatra met Suriname, en is zeer onder de indruk van Sumatra: ‘Hier in Oost Indië kan u verschillende dingen zien (vliegmachines, oorlogsschepen, onderzeeër,) grote handelsschepen, electrische trammen, groote gebouwen met hoge verdiepingen, deftige heren en mooie dames, auto, motorfiets, autobus (…).’ Hij is Suriname echter niet vergeten want hij vraagt aan het einde van zijn brief: ‘Mijnheer, zegt aan mandoer Karmo, dat hij mijn groeten aan de mensen moet doen.’13
Suikerrietoogst, Plantage Mariënburg, ca. 1922
Hindostanen en Javanen: opstand op Mariënburg Het rapport-Van Vleuten geeft een aardige indruk van het plantageleven rond 1908. Het werk bestond voornamelijk uit het onderhoud van de suiker-, cacao- koffie- en bananenaanplant, het oogsten en de gedeeltelijke verwerking van de gewassen. De betaling ging per dag, ‘compagniewerk’, of per handeling, ‘taakwerk’. De arbeider gaf de voorkeur aan betaling per dag omdat met taakwerk onvoldoende inkomen kon worden gehaald – zeker niet de beloofde 60 of 40 cent per dag.14 Hoger gewaardeerd werk, zoals dat van mandoer, opzichter, sluiswachter en huishoudelijk- en fabriekswerk, werd altijd per dag (of per week) betaald. Mannenwerk: sjouwen, graven, rietkappen, was zwaarder dan vrouwenwerk: wieden, sorteren, koken, verzorgen van zieken. Al zag Van Vleuten ook vrouwen die suikerriet kapten en transporteerden met een cane-carrier – uiteraard voor een vrouwenloon. Van Vleuten maakte een berekening waaruit blijkt dat uitgaande van 300 gewerkte dagen per jaar, Javaanse mannen doorsnee niet meer verdienden dan tussen 34-40 cent en vrouwen tussen 28-23 cent per dag. De plantersvereniging vond dat die lage bedragen grotendeels te wijten waren aan de ongeschiktheid van de Javaanse arbeiders. Hen meer geld geven zou tevens precedenten scheppen omdat ‘de Britsch-Indische immigranten, die nu niet te klagen hebben, op gelijke verhoging aanspraak zouden mogen maken.’15 Deze laatsten zouden zowel hardere werkers zijn, als minder eisen aan voeding stellen – zij waren vegetarisch en aten voornamelijk ‘eenige bananen, meelkoeken’ en dergelijke. De tevredenheid van de Brits-Indiërs werd weersproken door de opmerking dat zij uit onvrede werkstakingen organiseren, in tegenstelling tot Javanen. Laatstgenoemden meldden zich ook minder snel ziek. Beide groepen maakten zich schuldig aan ‘werkweigering, luiheid en desertie’, waarna poenale sanctie volgde, in de regel een boete of gevangenisstraf. Medische zorg en huisvesting, beide minimaal, waren gratis. Op sommige plantages werd toegestaan dat de Javanen eigen desawoningen bouwden. Dat zou misschien nog een beetje een thuisgevoel geven.
27
COMMEWIJNE 000_192_HT.indd 27
13-07-16 14:08
NAAR TANAH SABRANG
Ontpitten katoen, ca. 1925. Diverse foto’s van Augusta Curiel werden gebruikt als wervingsmateriaal.
28
COMMEWIJNE 000_192_HT.indd 28
13-07-16 14:08
2
Het verbaast van Vleuten dat niemand hem vroeg ‘wat gedaan zou kunnen worden om het den Javaanschen immigranten meer naar den zin te maken, daardoor dus hun leven te veraangenamen (…)’
Soms leidden de slechte levensomstandigheden van de contractarbeiders tot opstand. De grootste en meest gewelddadige vond plaats in 1902, op Mariënburg. De arbeiders eisten hoger loon en trokken op naar de directeurswoning. Toen de directeur, de Schot Mavis, de boel wilde sussen zonder aan de eisen van de arbeiders tegemoet te komen, werd hij door de woedende arbeiders in stukken gehakt. De volgende dag ontstond er een gevecht met militairen en politie die de leiders van de opstand wilden arresteren. 27 arbeiders werden gedood, 39 als gevangenen afgevoerd. De doden werden in een massagraf gegooid, waarvan de plek onbekend is.16
Een vestigingsplaats: Johan en Margaretha Veel vertier is er in het begin niet. De eerste muziekinstrumenten, een gamelanset, geïmporteerd uit Java, worden in 1903 door de NHM aangeschaft voor Mariënburg. Later wordt een loods gebouwd voor toneelvoorstellingen en komt er een tent voor het houden van slametans, maaltijden voor het heil van een gemeenschap. Weer later volgt een bioscoop.17 Op andere plantages zijn maar weinig mogelijkheden voor ontspanning. Het organiseren van een tayub, een Javaans dansfeest, is voor de meeste contractanten te kostbaar. Plantage-ondernemingen mogen best wat bijdragen aan ontspanningsmogelijkheden, vindt Van Vleuten. Maar hij voegt er meteen aan toe dat plezier niet mag ontaarden in een dobbelpartij. Dit ‘voortwoekerend kwaad’ waarbij een speler soms zijn hele bezit kwijtraakt, krijgt in Suriname meer kans dan op Java, zoals een informant zegt: ‘als ik op Java dadoe speelde, dan zou ik dadelijk gesnapt zijn en daarvan soesah18 krijgen, maar hier niet.’
‘In verband met den achteruitgang van de cacaoplantages werden nagenoeg geen immigranten na expiratie van hun contract opnieuw onder contract in dienst genomen, terwijl vele niet onder contract verbonden immigranten die op de plantages werkzaam waren deze moesten verlaten, omdat hun aldaar geen werk meer kon worden verschaft. Ter voorkoming dat de immigranten zouden repatriëren op kosten van het Immigratiefonds, was de aanleg van nieuwe vestigingsplaatsen dringend noodzakelijk. ‘(…) Wat ‘Johan en Margaretha’ betreft, zij vermeld dat door den aankoop van deze verlaten plantage de gelegenheid werd verkregen om onder gunstige omstandigheden eene proef te nemen met de
29
COMMEWIJNE 000_192_HT.indd 29
13-07-16 14:08
NAAR TANAH SABRANG
Plantage Mariënburg, ca. 1915, collectie Van Heemstra
30
COMMEWIJNE 000_192_HT.indd 30
13-07-16 14:08