Skip to main content

Nota van wijziging mbt olv houdende vaststelling van een nieuw Wetboek van Strafrecht van Aruba (ZJ

Page 1

Staten - 77

ARUBA Aan: de Voorzitter der Staten ALHIER. Uw kenmerk: Uw brief: Ons kenmerk: Onderwerp: ontwerp-Iandsverordening houdende vaststelling Oranjestad, van een nieuw Wetboek van Strafrecht van Aruba Hierbij doe ik u toekomen een nota van wijziging inzake bovenvermeld ontwerp. Dc minister van Justitie en Onderwijs,

0


Staten - 77

Landsverordening houdende vaststelling van een nieuw Wetboek van Strafrecht van Aruba NOTA VAN WIJZIGING Het ontwerp wordt als volgt gewijzigd: A. artikel 1 .1.7 komt te luiden als volgt: Artikel 1.1.7 De strafwet van Aruba is van toepassing op ieder die zich schuldig maakt: a. aan een van de misdrijven, omschreven in de artikelen 2.11.2, 2.17a, 2.24.1, 2.27.1 en 2.30.1 tot en met 2.30.3, voor zover het feit valt onder de omschrijvingen van artikel 20 van het op 16 mei 2005 te Warschau tot stand gekomen Verdrag inzake bestrijding van mensenhandel (Trb. 2006, 99), indien het feit is gepleegd tegen een Nederlander. b. aan een van de misdrijven omschreven in de artikelen 2.13.4 tot en met 2.13.17 en 2.17a, indien bet feit is gepleegd tegen een Nederlander die de leeftijd van achttien jaren nog niet heeft bereikt of tegen een vreemdeling die in Aruba een vaste woon- of verblijfplaats heeft en die de leeftijd van achttien jaren nog niet heeft bereikt. B. in artikel 1.2.22 en artikel 1.2.23 komt bet vierde lid telkens te luiden: 4. Artikel 1.2.19, zesde en zevende lid, zijn van overeenkomstige toepassing.

0


Staten - 77

C. artikel 1.2.24, derde lid, komt te luiden: 3. Artikel 1.2.19, zesde en zeveride lid, zijn van overeenkomstige toepassing. D. artikel 1.2,56, eerste lid, onderdeel a, komt te luiden: 1. Vatbaar voor verbeurdverklaring zijn aan de veroordeelde toebehorende voorwerpen: a. die geheel of grotendeels door middel van of uit de baten van het strafbare feit zijn verkregen; E. in artikel 1.3.5 worden de volgende wijzigingen aangebraeht: 10 het tweede en derde lid komen te luiden: 2. De verplichting kan worden opgelegd aan de in het eerste lid bedoelde persoon die voordeel heeft verkregen door middel van of uit de baten van het daar bedoelde feit of andere strafbare feiten, waaromtrent voldoende aanwijzingen bestaan dat zij door de veroordeelde zijn begaan. 3. Op vordering van het openbaar ministerie kan bij een afzonderlijke rechterlijke beslissing aan degene die is veroordeeld wegens een misdrijf waarop naar de wettelijke omschrijving gevangenisstraf van ten hoogste vier of meer jaren is gesteld, of een misdrijf waardoor op geld waardeerbaar voordeel van enig belang kan worden verkregen, de verplichting worden opgelegd tot betaling van een geldbedrag aan het Land ter ontneming van wederrechtel ijk verkregen voordeel, indien aannemel ijk is dat dat misdrijf of andere strafbare feiten op enigerlei wijze ertoe hebben geleid dat de veroordeelde wederrechtelijk voordeel heeft verkregen. In dat geval kan ook worden vermoed dat: a. uitgaven die de veroordeelde heeft gedaan in een periode van zes jaren, voorafgaand aan het plegen van dat misdrijf wederrechtelijk verkregen voordeel belichamen, tenzij aannemelijk is dat deze uitgaven zijn gedaan uit een legale bron van inkomsten, of; 2

0


Staten - 77

b. voorwerpen die in een periode van zes jaren voorafgaand aan het plegen van dat misdrijf aan de veroordeelde zijn gaan toebehoren voordeel belichamen als bedoeld in het eerste lid, tenzij aannemelijk is dat aan de verkrijging van die voorwerpen een legale bron van herkomst ten grondsiag ligt. 2째. onder vernummering van het vierde tot en met het zevende lid tot vijfde tot en met het achtste lid wordt een lid ingevoegd, luidende: 4. De rechter kan ambtshalve, op vordering van het openbaar ministerie of op verzoek van de veroordeelde, afwijken van de in bet derde lid genoemde periode van zes jaren en een kortere periode in aanmerking nemen. 3째. onder vernummering van het zevende lid (nieuw) en het achtste lid (nieuw) tot achtste en negende lid wordt een lid ingevoegd, luidende: 7. Bij bet vaststellen van het bedrag van het wederrechtelijk verkregen voordeel op grond van het eerste en tweede lid ter zake van straibare feiten die door twee of meer personen zijn gepleegd, kan de rechter bepalen dat dezen hoofdelijk, dan we! voor een door hem te bepalen dee! aansprakelijk zijn voor de gezamenlijke betal ingsverplichting. F. artikel .3.17, tweede lid, komt te luiden als volgt: 2. De termijn van de terbeschikkingstelling kan, behoudens artikel 1.3.18 of artikel 1.3.23, door de rechter, op vordering van het openbaar ministerie, telkens hetzij met een jaar hetzij met twee jaren worden verlengd, indien de veiligheid van anderen dan wel de algemene veiligheid van personen of goederen naar diens oordeel die verlenging vereist. G. in artiket 1.3.18 worden de volgende wijzigingen aangebracht: 3

0


Staten - 77

1째. het eerste lid komt te luiden als volgt: 1. De totale duur van de maatregel van terbeschikkingstelling met bevel tot verpleging van overheidswege gaat een periode van vier jaren niet te boven, tenzij de terbeschikkingstelling met bevel tot verpleging van overheidswege is opgelegd ter zake van een misdrijf dat gericht is tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen. 2째. onder vemummering van het tweede tot derde lid wordt in artikel 1.3.18 een nieuw lid ingevoegd, luidende: 2. Behoudens de gevallen waarin een bevel als bedoeld in artikel 1.3.9 of artikel 1.3.16 is gegeven, gaat de totale duur van de maatregel van terbeschikkingstelling een periode van negen jaar niet te boven. H, artikel .9.3, eerste lid, onderdelen b en c, komen te luiden: b. in zes jaren voor de misdrijven waarop geldboete of gevangenisstraf van niet meer dan driejaren is gesteld; c. in twaalf jaren voor de misdrijven waarop gevangenisstraf van meer dan drie jaren doch niet meer dan tienjaren is gesteld; artikel 2.13.4, eerste lid, komt te luiden als volgt: 1. Met gevangenisstraf van ten hoogste vier jaren of geldboete van de vierde categoric wordt gestraft hij die een afbeelding, of een gegevensdrager, bevattende een afbeelding, van een seksuele gedraging waarbij iemand die kennelijk de Ieeftijd van achttien jaren nog niet heeft bereikt, is betrokken of schijnbaar is betrokken, opzettelijk verspreidt, aanbiedt, openlijk tentoonstelt, vervaardigt, invoert, doorvoert, uitvoert, verwerft, in bezit heeft of zich door middel van een geautomatiseerd werk of met gebruikmaking van een communicatiedienst de toegang daartoe verschaft. 4

0


Staten - 77

J. in artikel 2.13.17 worden, onder vernummering van bet eerste tot en met derde lid tot derde tot en met vijfde lid, twee leden ingevoegd, luidende: 1. De in de artikelen 2.13.4 tot en met 2.13.16 bepaalde gevangenisstraffen worden met ten hoogste een derde verhoogd en de op die feiten gestelde geldboetes worden verhoogd naar de naasthogere categorie, indien het feit wordt gepleegd door twee of meerdere verenigde personen. 2. De in de artikelen 2.13.4 tot en met 2.13.14b bepaalde gevangenisstraffen worden met ten hoogste een derde verhoogd en de op de feiten gestelde geldboetes worden verhoogd naar de naasthogere categorie, indien de schuldige het feit begaat tegen zijn kind, een kind over wie hij het gezag uitoefent, een kind dat hij verzorgt of opvoedt als behorend tot zijn gezin, zijn pupil, een aan zijn zorg, opleiding of waakzaamheid toevertrouwde minderjarige of zij n minderjarige bedi ende of ondergeschikte. K. artikel 2.24.2a komt te luiden: Artikel 2.24.2a Indien een van de in de artikelen 2.24.1 en 2.24.2 omschreven feiten wordt gepleegd met bet oogmerk om een terroristisch misdrijf voor te bereiden of gemakkelijker te maken, wordt de op bet feit gestelde gevangenisstraf met een derde verhoogd en wordt de op bet feit gestelde geldboete verhoogd naar de naasthogere categorie. TOELICHTING Onderdeel A Deze wijziging geeft uitvoering aan artikel 25, tweede lid, van het op 25 oktober 2007 te Lanzarote tot stand gekomen Verdrag van de Raad van Europa inzake de bescherming van kinderen tegen seksuele uitbuiting en 5

0


Staten - 77

seksueel misbruik (Trb. 2008, 58). Dc wijziging beoogt voor Aruba de rechtsmacht te vestigen over feiten, begaan in het buitenland tegen eigen onderdanen en personen die in Aruba hun vaste woon- of verblijfplaats hebben. Seksuele exploitatie en seksuee! misbruik van kinderen zijn zeer ernstige misdrijven, die onze rechtsorde schokken. Slachtoffers van seksuee! misbruik dragen de tekenen van die traumatische gebeurtenissen veela! de rest van hun leven met zich mee. Seksuele uitbuiting van kinderen gaat daarenboven vaak gepaard met grensoverschrijdende zware en georganiseerde criminaliteit. Over de strafwaardigheid en de noodzaak tot strafbaarstelling en effectieve vervolging ervan bestaat een grote mate van internationale consensus. Er wordt met deze wijziging gekozen voor de maximale beschermingsomvang die het Verdrag biedt. Daarmee geeft Aruba ook internationaal een belangrijk signaal af, namelijk dat het ten vo!!e aan de onderhavige verdragsverp!ichtingen wenst te voldoen. De bepaling maakt daarbij geen onderscheid naar zedenmisdrijven die we! en niet onder de omschrijvingen van het Verdrag vallen; alle slachtoffers van zedenmisdrijven die de Ieeftijd van achttien jaren nog niet hebben bereikt, worden evenzeer beschermd. Onderdelen B en C In deze onderdelen worden verkeerde verwijzingen in een drietal artikelen hersteld. Onderdeel D Deze uitbreiding correspondeert met het Nederlandse wetsvoorstel, inhoudende Wijziging van het Wetboek van Strafrecht, het Wetboek van Strafvordering en enige andere wetten ter verbetering van de toepassing van de maatregel ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel (verruiming mogelijkheden voordeelontneming (verruiming mogelijkheden voordeelontneming), Tweede Kamerstuk nr. 32194. Door deze uitbreiding van artikel 1.2.56, eerste lid, onderdeel a, wordt voorzien in eeri uitbreidirig van de bijkomende straf van verbeurdverklaring. Daardoor kunnen ook voorwerpen die niet rechtstreeks afkomstig zijn van het strafbare feit waarvoor een veroordeling is uitgesproken, maar die uit 6

0


Staten - 77

baten daarvan zijn verkregen, worden verbeurdverklaard. Ook voorwerpen die met de opbrengsten van dit strafbare feit zijn aangeschaft, komen aldus voor verbeurdverklaring in aanmerking. Onderdeel E Ook deze uitbreiding correspondeert met het vorenvermelde Nederlandse wetsvoorstel. De term ‘andere straflare feiten’ maakt ontneming op grond van artikel 1.3.5, tweede lid, mogelijk ter zake van het strafbare feit waarvoor de betrokkene is veroordeeld, en daarnaast ter zake van andere strafbare feiten waaromtrent voldoende aanwijzingen bestaan dat ze door de veroordeelde zijn begaan. Hierdoor worden de mogelijkheden om ter zake van lichte(re) feiten te ontnemen, vergroot en verduidelijkt. Met aanpassing van het derde lid van artikel 13.5, wordt voorzien in de introductie van een wettelijk bewijsvermoeden. Wanneer sprake is van een misdrijfwaarop naar de wettelijke omschrijving gevangenisstraf van ten hoogste vier of meer jaren is gesteld, of een misdrijf, waardoor op geld waardeerbaar voordeel van enig belang kan worden verkregen en aannemelijk is dat naast het plegen van dat misdrijf ook andere strafbare feiten er op enigerlei wijze toe hebben geleid dat de veroordeelde wederrechtelijk voordeel heeft genoten, kan aan dit bewijsvermoeden toepassing word en gegeven. In die gevallen wordt van de veroordeelde inzicht verlangd in de herkomst van zijn vermogen in een periode van zes jaren, voorafgaand aan het plegen van bet misdrijf. Daarbij kunnen gebleken uitgaven (zie derde lid, onderdeel a) een rol spelen of kunnen de voorwerpen die bij de veroordeelde worden aangetroffen, als uitgangspunt worden genomen (onderdeel b). Met het woordgebruik ‘of is naar vast gebruik in wetgevingsterminologie en/of bedoeld. Daarmee wordt beoogd een zo volledig mogelijk beeld te krijgen van de vermogenspositie van degene tegen wie de vordering zich richt. Dubbeltellingen dienen daarbij echter te worden voorkomen. De gewijzigde wettekst strekt ertoe om meer dan voorheen te komen tot een aanpassing van de reikwijdte van de stelplicht van het openbaar ministerie. Ret uitgangspunt was dat bet openbaar ministerie de vordering van het te ontnemen voordeel moest onderbouwen met gegevens, waarbij een mm of meer direct verband moet worden aangetoond met een strafbaar feit. Door de werking van bet 7

0


Staten - 77

bewijsvermoeden zal flu eerder van de veroordeelde mogen worden verlangd dat hij aannemelijk maakt dat aangetroffen vermogensbestanddelen op een legale wijze zijn verkregen. Ook flu reeds wordt in de rechtspraak uitgegaan van een redelijke en billijke verdeling van de bewijslast. Met het wetsvoorstel worden de bewijsvermoedens die in dit verband worden gehanteerd van een nadere wettelijke grondslag voorzien. Als uitgangspunt wordt verankerd dat de veroordeelde bij wie vermogensbestanddelen zijn aangetroffen, waaraan geen legale bron van herkomst ten grondsiag lijkt te liggen, in de gelegenheid wordt gesteld de legale herkomst daarvan aannemelijk te maken (zie ten 1째). Het nieuwe vierde lid van artikel 1.3.5 omvat de mogelijkheid om af te wijken van de termijn die genoemd wordt in het gewijzigde derde lid van artikel 1.3.5. Ret voorgestelde bewijsvermoeden van het derde lid werkt in beginsel in tijd terug tot zes jaren, te rekenen vanaf het moment waarop volgens de bewezenverklaring in de hoofdzaak het strafbaar feit of de strafbare feiten waarmee de ontnemingsvordering verband houdt, zijn gepleegd. Ingevolge het vierde lid van artikel 1.3.5 kan van deze termijn op vordering van het openbaar ministerie of op het verzoek van degene tegen wie de vordering zich richt worden afgeweken en een kortere termijn in aanmerking genomen worden. De reehter kan deze periode ook ambtshalve beperken. Ret wettelijk bewijsvermoeden kan zo buiten werking worden gesteld voor het geval de toepassing daarvan tot apert onrechtvaardige resultaten zou leiden. Artikel 1.3.5 verzet zich er niet tegen dat voor de berekening, in plaats van de voorgestelde zes jaren, als uitgangspunt wordt genomen de periode waarover de ten laste gelegde en bewezen verklaarde feiten zich hebben uitgestrekt. De beschikbare informatie over de vermogenspositie van de veroordeelde kan ingevolge artikel 1.3.5, vierde lid, mede beslissend zijn voor het bepalen van een periode waarover het wettelijk bewijsvermoeden zich in concreto zal uitstrekken. De werking van het bewijsvermoeden draagt er ook nu aan bij dat er helderheid bestaat over het thema van het bewijs: er is vermogen aangetroffen dat niet verklaard kan worden uit de legale bronnen van inkomsten (zie ten 2째). Ret doel van het nieuwe zevende lid van artikel 1.3.5 is het vereenvoudigen van de tenuitvoerlegging van de ontnemingsmaatregel. Ret gaat om zaken waarin meerdere daders een rol hebben gespeeld en niet of slechts zeer moeilijk kan worden aangetoond, welk deel van het vastgestelde 8

0


Staten - 77

wederrechtelijk verkregen voordeel bij ieder van de daders terecht is gekomen. De voorgestelde wijziging brengt een aanzienlijke bewijsvereenvoudiging teweeg voor het openbaar ministerie en de rechter. Hoofdelijke aansprakelijkheid kan alleen aan de orde konien, indien er sprake is van meerdere daders, die gezamenlijk een of meer aan te duiden strafbare feiten hebben gepleegd. Uit bet strafbare feit kan zeif reeds het gezamenlijke plegen voortvloeien, zoals uit deelneming aan een criminele organisatie (artikel 2.5.24) of diefstal in vereniging (artikel 2.22.2). Daarnaast kan het ook gaan om deelnemingsvormen; in het bijzonder valt te denken aan medeplegen. Van belang is telkens dat de daders samen verantwoordelijk kunnen worden gehouden voor het geheel van de misdrijven waarop de ontnemingsvordering is gebaseerd (zie ten 3째). Onderdeel F Deze wijziging komt overeeri met het Nederlandse wetsvoorstel, inhoudende wijziging van het Wetboek van Strafrecht en het Wetboek van Strafvordering in verband met de maatregel van terbeschikkingstelling met voorwaarden (aanpassing tbs met voorwaarden), Tweede Kamerstuk nr. 31823. Doordat voorgesteld wordt om de maximale duur van de terbeschikkingstelling (verder aan te duiden als tbs) met voorwaarden op negen jaar te stellen (zie onderdeel G, ten 2째), is de tweede volzin van het tweede lid van artikel 1.3.17 overbodig geworden. Onderdeel G Ook de in dit onderdeel aangebrachte wijzigingen stemt overeen met het in de toelichting op onderdeel F genoemde Nederlandse wetsvoorstel. Doordat voor de tbs met voorwaarden een specifieke regeling is opgenomen in het tweede lid van artikel 1.3.18, is het eerste lid beperkt tot de tbs met bevel tot verpleging van overheidswege.(zie ten 1째) Met de toevoeging onder 2째 wordt aangesloten bij het Nederlandse voorstel daaromtrent, waarmee uitvoering is gegeven aan een aanbeveling uit het rapport van de Tijdelijke commissie onderzoek tbs in Nederland. Dat voorstel houdt in een verlenging van de maximale duur van vier naar negen jaar van de terbeschikkingstelling met voorwaarden. Deze aanpassing zal 9

0


Staten - 77

leiden tot een effectievere toepassing van dit instrument. De verlenging zal er, in combinatie met de maximale gevangenisstraf van zes jaar (artikel 1.3.13, derde lid), toe kunnen leiden dat eerder gebruik wordt gemaakt van tbs met voorwaarden dan van tbs met dwangverpleging. Dc ondergetekende heeft vooraisnog besloten om de termijn van negen jaar over te nemen, die gestoeld is op een Nederlands recidiveonderzoek uit 2005 waaruit is gebleken dat de recidive binnen acht a negen jaar beduidend afneemt, ten opzichte van de voorgaande jaren.’ Als Aruba voldoende ervaring heeft opgedaan met de maatregel van tbs, zullen er te zijner tijd de nodige evaluatie daarvan moeten plaatsvinden. Daardoor zal het mogelijk worden om - indien nodig - de nodige aanpassingen daaraan aan te brengen met het oog op de omstandigheden en behoeftes van de Arubaanse samenleving. Door de verlenging van de maximale duur van de tbs met voorwaarden is bet mogelijk om de duur en intensiteit zoveel mogelijk op maat te snijden voor de betrokkene, d,w.z. dat de rechter de duur van de terbeschikkingstelling zoveel mogelijk kan afstemmen op de individuele problematiek van de ter beschikking gestelde. Dc nieuwe maximale periode van negen jaar voor de tbs met voorwaarden is een termijn waarvan de maximale duur vermoedelijk slechts voor een kleine groep van ter beschikking gestelden volledig zal worden benut. Gedurende deze periode van negen jaar kan de termijn van de opgelegde tbs steeds met een of twee jaar worden verlengd. Op basis van deze vordering tot verlenging door het openbaar ministerie, zal de rechter toetsen of deze verlenging daadwerketijk nodig is, of dat de tbs kan worden beeindigd. Op deze manier wordt voorkomen dat de tbs langer doorloopt, dan ter bescherming van de samenleving noodzakelijk is. Onderdeel H In dit onderdeel worden in artikel 1.9.3, regelende de verjaring van het recht tot strafvordering, de onderdelen b en c aangepast. In bet nieuwe onderdee b komt het begrip “hechtenis’ niet meer voor, daar het recht tot strafvordering voor overtredingen, ingevolge onderdeel a in drie jaren vervalt; bovendien vervalt in bet nieuwe onderdeel c het woord ‘tijdelijke’. I WODC-recidivestudies nr.230 ‘Buiten behandeling’ 10

0


Staten - 77

Onderdelen I en J Deze onderdelen strekken tot uitvoering van bet in onderdeel A genoemd Verdrag van Lanzarote. In artikel 20, eerste lid, van het Verdrag zijn als afzonderlijke categorieen van gedragingen opgenomen bet aanbieden van kinderpornografie en het verwerven van kinderpornografie. Flet verdient aanbeveling aan te sluiten bij de systematiek van dit artikel 20 en daarom wordt gekozen het aanbieden en het verwerven van kinderpornografie als afzonderlijke gedragingen op te nemen in artikel 2.13.4, eerste lid (zie onderdeel I). Dc in onderdeel J aangebrachte wijzigingen zien op bet op een eenduidige wijze uitbreiden van strafverzwarende omstandigheden, Onderdeel K Abusievelijk stond er ‘2.2.4.2’ in plaats van ‘2.24.2’ en deze wordt hierbij hersteld. De minister van Justitie en Onderwijs, ---/1/I _--11

0


Turn static files into dynamic content formats.

Create a flipbook