Reconstructieve heelkunde in urologie Groeistoornissen bij kinderen Opstart raadpleging polyfarmacie
MEDISCH INFORMATIEBLAD JESSA ZIEKENHUIS NR. 19 OKTOBER 2015
JessaLinea
2 INHOUD
COLOFON JessaLinea
nr. 19 - oktober 2015 Verantwoordelijke uitgever: vzw Jessa Ziekenhuis, Salvatorstraat 20, 3500 Hasselt Hoofd- en eindredactie: dienst communicatie Jessa Ziekenhuis, Salvatorstraat 20, 3500 Hasselt tel. 011 30 82 21, jessalinea@jessazh.be
HERSENTUMOREN: OP ZOEK NAAR DE FUNCTIONELE HERSENZONES
6
Een functioneel hersenonderzoek met MRI brengt de activatie van specifieke hersengebieden in beeld. De neurochirurg kan op die manier op voorhand inschatten welk deel van een hersentumor kan weggehaald worden zonder aantasting van de functionele hersenzones met een veiligere ingreep tot gevolg.
Vormgeving: marjanwuyts Grafische Vormgeving Drukwerk: Drukkerij Haletra www.jessazh.be info@jessazh.be www.facebook.com/jessaziekenhuis www.twitter.com/jessaziekenhuis
Integrale kwaliteitstoetsing
9
Communicatieve begeleiding van patiĂŤnten met dementie
22
Cardiale revalidatie
25
Urologische en andrologische heelkunde
26
Operatie animatie
32
3 INHOUD
REVALIDATIE VAN BOVENSTE LIDMATEN NA BEROERTE
18
14
Na een beroerte met verlamming is niet alleen opnieuw leren stappen belangrijk, maar ook de arm-handrevalidatie verdient de nodige aandacht. Dankzij een nieuw behandelingsdiagram kan het revalidatiecentrum St.-Ursula positieve resultaten tonen.
Neuromonitoring tijdens een lumbale fusie resulteert in belangrijke voordelen voor de patiënt zoals minder weefseltrauma, minder littekenweefsel, minder operatief discomfort en een korter verblijf in het ziekenhuis. Bovendien heeft de patiënt minder pijnmedicatie nodig en is hij sneller weer mobiel.
ZENUWSTIMULATIE BIJ RUGOPERATIES
Polyfarmacie bij geriatrische patiënten
34
Nieuwe artsenspecialisten in opleiding
37
Slaapzakjes ter preventie van wiegendood
38
Groeistoornissen: te groot/ te klein?
40
5 vragen over handhygiëne
42
Burn-out bij hulpverleners
44
4 KORT NIEUWS
WIJZIGING TELEFOONNUMMERS Vanaf 1 november wijzigen een aantal belangrijke telefoonnummers van het Jessa Ziekenhuis. Wie voor onderstaande lijst nog het oude nummer gebruikt, wordt voorlopig nog doorverbonden naar het nieuwe nummer. De belangrijkste telefoonnummers op een rijtje: - ALGEMEEN NUMMER: - CAMPUS SALVATOR EN CAMPUS VIRGA JESSE 011 33 55 11 - CAMPUS ST.-URSULA 013 55 07 11 - RAADPLEGINGEN
011 33 55 77
- OMBUDSDIENST
011 33 54 90
Verbeterde doorstroom op spoedgevallen Niemand wacht graag, zeker niet op de dienst spoedgevallen. Daarom wordt er alles aan gedaan om de wachttijden zo kort mogelijk te houden en de patiënt zo snel mogelijk te behandelen. Geen sinecure, zeker omdat het aantal gebruikers van de dienst spoedgevallen blijft toenemen. Tegelijkertijd mag de kwaliteit van de zorgverlening niet dalen in termen van correcte diagnose/behandeling, veiligheid, privacy en nazorg.
TOENAME VAN HET AANTAL PATIËNTEN IN PELVIENE ONCOLOGIE Met ongeveer 340 nieuwe diagnoses per jaar is het borstcentrum van het Jessa Ziekenhuis erkend als coördinerend borstcentrum. Het centrum werkt al jaren intensief samen met verschillende satellietcentra in de regio (Sint-Trudo, Sint-Truiden; AZ Vesalius, Tongeren; Sint-Franciskusziekenhuis, Heusden-Zolder). Deze samenwerking is concreet vertaald in het opstellen van gemeenschappelijke behandelingsprotocollen en oncologisch handboek en het bespreken van de patiënten
Via triage worden de urgente gevallen eerst behandeld. De minder urgente gevallen komen terecht in een apart circuit. Hier is alles er op gericht om zo snel mogelijk de nodige diagnostiek uit te voeren (zoals klinisch onderzoek, RX, bloedafname) en de noodzakelijke behandeling in te stellen (hechting, gipsen, voorschrift voor thuis - en nazorg, enzovoort).
in een gemeenschappelijk medisch oncologisch consult. Zo krijgt een patiënt in de satellietcentra exact dezelfde kwaliteitsvolle behandeling als in het Jessa Ziekenhuis. Bovendien werkt het Jessa Ziekenhuis intensief verder aan de ontwikkeling van een groot centrum voor pelviene oncologie (baarmoederkanker, eierstokkanker, enz). Pelviene oncologie is veel zeldzamer en vraagt een gecentraliseerde aanpak. De meeste gynaecologen zien slechts enkele gevallen per jaar waardoor ze onvoldoende expertise kunnen verwerven of behouden. De satellietcentra sturen hun patiënten door naar ons zodat wij de ingrepen kunnen uitvoeren. De ver-
Deze inspanningen leveren duidelijk resultaat op. Het gemiddeld ontslagpercentage binnen de 2 uur na aankomst op spoed is geëvolueerd van minder dan 30% tot bijna 50%.
dere opvolging kan perifeer in onze netwerkziekenhuizen gebeuren. Hierdoor hebben we nu ongeveer 140 diagnoses per jaar in pelviene oncologie, wat een goede zaak is voor de patiënt. Het aantal patiënten voor deze pathologie neemt jaarlijks toe, een teken van vertrouwen in ons centrum!
Laserbehandeling van prostaatvergroting: sneller en veiliger
I
n september kwam prof. Fournier (Brest, Frankrijk) op bezoek om onze urologen op te leiden voor het gebruik van een nieuwe behandelingsmethode van prostaatvergrotingen, namelijk een laserbehandeling met de Green Light laser. De ingreep is vrijwel bloedloos, waardoor de opnameduur vermindert van twee tot vier dagen naar één nacht. Tijdens de behandeling met Green Light laser brengt de uroloog een kijkbuis in de urethra. Door deze buis gaat vervolgens een laserdraad waaraan de lasermachine wordt aangesloten. Het laserlicht verdampt het extra weefsel van de vergrote prostaat, zodat de prostaat weer zijn normale grootte krijgt. Er komt dus totaal geen bloed aan de ingreep te pas. De behandeling duurt één tot anderhalf uur, waarna de patiënt een blaas-katheter krijgt. Deze nieuwe techniek leidt tot een sneller herstel en heeft minder complicaties tot gevolg. Onze urologen zullen vanaf november starten met deze nieuwe behandeling.
NIET-INVASIEVE TECHNIEK BIEDT VOORDELEN AAN DE PATIËNT EN DE NEUROCHIRURG
FUNCTIONELE MRI VAN DE HERSENEN meerwaarde bij hersenchirurgie
DR. STEVEN SCHEPERS,
H
et Jessa Ziekenhuis blijft de evoluties in de medische beeld-
naamwoorden tonen en de patiënt hierbij
vorming opvolgen en gebruikt beschikbare hooggespeciali-
moet denken aan een werkwoord dat hier
seerde technieken zoals functionele MRI. Bij dit onderzoek brengen de radiologen de functionele zones van de hersenen in beeld. Dit is vooral een grote hulp voor de neurochirurgen bij de voorbereiding van de operatieve verwijdering van hersentumoren.
verband mee houdt. Afhankelijk van waar het letsel zich bevindt in de hersenen, kiezen we één of meerdere opdrachten die de patiënt moet uitvoeren”, zegt collega-radioloog Bruno Termote. “Net zoals voor structurele MRI-onderzoeken moet de patiënt muisstil liggen, uit-
“Functionele MRI (Functional Magnetic
inschatten welk deel weggehaald kan wor-
gezonderd de bewegingen die nodig zijn
Resonance Imaging, fMRI) is een techniek
den zonder die functies aan te tasten.”
voor het uitvoeren van de taken. Terwijl
die nieuw is voor het Jessa Ziekenhuis. Bij
de patiënt bezig is met zijn taken wordt
een structureel MRI-onderzoek maken we
de weerslag in de hersenen geregistreerd.
anatomische beelden, maar bij fMRI-on-
Patiënt voert taken uit
Het onderzoek kan vrij lang duren (in to-
derzoek bekijken we ook de activatie van
in het MRI-toestel
taal tot zelfs 60 minuten), en dat betekent
specifieke hersengebieden. De bedoeling
“We voeren dit supergespecialiseerd MRI-
dan ook dat het onderzoek voor sommige
van het onderzoek is dat de neurochi-
onderzoek uit op ons 3T-toestel waarbij
patiënten een hele opgave is”, vertelt Pas-
rurg voor een hersenoperatie exact kan
we de patiënt een taak laten uitvoeren in
cal Hamaekers, verpleegkundig-consulent
nagaan waar de hersentumor zit en waar
de scanner. Er kunnen twee grote groepen
MRI op de dienst radiologie.
belangrijke functies zoals motoriek en
van taken onderscheiden worden: enerzijds
spraak gelokaliseerd zijn in de hersenen
de motorische taken, zoals het bewegen
van de patiënt”, vertelt dr. Steven Sche-
van vingers of tenen, of de lippen tuiten,
Visualiseren van hersenbanen
pers, radioloog in het Jessa Ziekenhuis.
en anderzijds de spraakgerelateerde taken,
“Tijdens dit onderzoek voeren we ook nog
“Op die manier kan de neurochirurg beter
waarbij we bijvoorbeeld zelfstandige
een DTI (diffusion tensor imaging)-on-
6 MEDISCHE BEELDVORMING
UITEINDELIJK RESULTEERT DIT IN EEN VEILIGERE INGREEP MET VEEL MINDER KANS OP POSTOPERATIEF NEUROLOGISCH DEFICIT.
RADIOLOOG EN DR. BRUNO TERMOTE, RADIOLOOG
derzoek uit. Dit is een onderzoek waarbij
in de preoperatieve beoordeling van
Risico’s van operatie beperken
verschillende hersenbanen gevisualiseerd
patiënten met hersentumor. Het geeft ons
“We kunnen nu dus beter plannen hoeveel
worden en in een 3D-projectie ten opzich-
een goed beeld waar de eloquente zones
van de tumor we veilig kunnen reseceren”,
te van de tumor getoond kunnen worden.
gelokaliseerd zijn. We kennen de anatomi-
gaat de neurochirurg verder. “Als het
Op het einde van het onderzoek wordt
sche lokalisatie van deze zones wel maar
risico op beschadiging van bijvoorbeeld
meestal een contrastvloeistof toegediend
de functionele lokalisatie is vaak toch
het spraakcentrum te groot is, dan beslis-
om de tumor zo goed mogelijk in beeld te
nog anders. We kijken dan vooral naar
sen we soms om een deel van de tumor
brengen. Daarna worden de functionele
de spraakcentra van Broca, Wernicke en
niet te verwijderen. De behandelingen bij
beelden samengevoegd met deze anato-
supplementaire spraakcentra alsook naar
patiënten met maligne tumoren zijn vaak
mische beelden”, legt dr. Schepers uit.
de motorische regio’s (bijvoorbeeld de pri-
niet curatief en dus is het van groot belang
maire motorcortex, supplementary motor
dat de levenskwaliteit van de patiënten
“Met deze weinig invasieve techniek kan
area). Ook de verhouding tussen de tumor
verbetert zonder bijkomende problemen te
men nu inschatten waar de belangrijkste
en bv. de tractus corticospinalis (motori-
veroorzaken.”
spraak- en motorische zones gelegen
sche tractus) kan met DTI in kaart worden
zijn. Daardoor kan de neurochirurg op
gebracht. Het is van primordiaal belang
“Het is een complex onderzoek waarbij
voorhand de meest geschikte benadering
om de functionele lokalisatie van deze
er voldoende coöperatiecapaciteit van de
voor de ingreep bepalen om zo de risico’s
zones t.o.v. de tumor te weten. Dit zal de
patiënten vereist is. Sommige patiënten
te beperken of beter in te schatten”, legt
operatieve aanpak in belangrijke mate
slagen er door hun aandoening bijvoorbeeld
dr. Termote uit.
mede bepalen. Op deze manier kunnen we
niet in om relevante woorden te bedenken,
het neuronavigatieplan zodanig opstel-
om de gevraagde bewegingen uit te voeren
len dat deze eloquente zones tijdens
of om lang genoeg stil te blijven liggen. Het
Anatomische en functionele lokalisa-
de ingreep zo goed mogelijk vermeden
resultaat van het onderzoek kan verder on-
tie
worden. Uiteindelijk resulteert dit in een
der meer beïnvloed worden door het gebruik
Dr. Eric Put, neurochirurg in het Jessa
veiligere ingreep met veel minder kans op
van bepaalde medicatie (bv anxiolytica)”,
Ziekenhuis: “Een fMRI is heel belangrijk
postoperatief neurologisch deficit.”
relativeert dr. Schepers.
7 MEDISCHE BEELDVORMING
A
B
A: Activatie in de handregio van de primaire sensorimotorische cortex met links visualisatie van een tumor B: Activatie in het spraakcentrum van Broca links in de gyrus frontalis inferior C: Activatie in de lipregio van de primaire sensorimotorische cortex C
D
HOE WERKT FUNCTIONELE MRI? Een Functionele MRI (functionele kernspintomografie, fMRI) is een speciale MRI-techniek die wordt gebruikt in het moderne hersenonderzoek waarbij de activiteit van de hersenen zichtbaar wordt gemaakt in een driedimensionaal beeld. fMRI is, net als de structurele MRItechniek, gebaseerd op het principe van kernspinresonantie. Verhoging van activiteit in een bepaald gebied van de hersenen (bijvoorbeeld in de motorische gebieden bij het bewegen van een arm of been, of in de spraakgebieden bij taalopdrachten) gaat gepaard met een verhoogd zuurstofgebruik door de neuronen van deze gebieden. Als gevolg hiervan gaat er vasodilatatie optreden in deze gebieden (“hemodynamische respons functie”) en stijgt de aanvoer van zuurstofrijk bloed. Deze aanvoer overstijgt de vraag, waardoor in deze regio’s meer zuurstofrijk bloed met geoxygeneerd hemoglobine aanwezig zal zijn. Het oxyhemoglobine heeft andere magnetische eigenschappen dan deoxyhemoglobine en dit verschil kan door de MR scanner gevisualiseerd worden. Na correctie voor hoofdbewegingen wordt met behulp van statistiek berekend wat de waarschijnlijkheid is dat de gemeten veranderingen het gevolg zijn van de opdracht die de patiënt uitvoerde. Deze beelden worden dan geprojecteerd op de anatomische beelden, wat de neurochirurg in staat stelt om te weten waar bijvoorbeeld de primaire somatosensorische cortex zich bevindt.
MEER INFORMATIE CALL CENTER RADIOLOGIE tel. 011 33 55 66 DIENST NEUROCHIRURGIE tel. 011 30 90 70 DR. BRUNO TERMOTE, radiologie DR. STEVEN SCHEPERS, radiologie PASCAL HAMAEKERS, radiologie DR. ERIC PUT, neurochirurgie
8 MEDISCHE BEELDVORMING
D: DTI van de corticospinale tractus
9 KWALITEIT
VEILIGE
ZORG door integrale
kwaliteitstoetsing UNIEKE DOORGEDREVEN AANPAK
H
et Jessa Ziekenhuis heeft reeds een lange cultuur van kwaliteitsopvolging. Zo was het Jessa
Ziekenhuis in 2008, nog voor dit een verplichting was, het eerste ziekenhuis in België dat een NIAZ-accreditatie
LUDO MEYERS:
kreeg. Ondertussen blijven we werken aan een continu
VOOR ONZE INTEGRALE
externe audit voor NIAZ-Qmentum, een belangrijke uit-
KWALITEITSTOETSING WERKEN
daging voor ons ziekenhuis. “We bereiden ons hierop
WE MET EEN INTEGRATIEMODEL
voor door ons uniek systeem van integrale kwaliteits-
MET DRIE SCHILLEN.
toetsing”, zegt Ludo Meyers, directeur patiëntenzorg.
proces van verbetering. In 2016 wacht ons een nieuwe
10 KWALITEIT
“In 2008 waren we de eersten in België om een NIAZ-accreditatie
checken we dan met 2 mensen van de dienst en 2 externe men-
te behalen”, vertelt Ludo Meyers, directeur patiëntenzorg van het
sen al die verschillende items en koppelen we direct terug aan de
Jessa Ziekenhuis. “Ondertussen zijn de kwaliteitsnormen veel
afdeling. We proberen dan vooral het goede te bekrachtigen met
strenger geworden. In het nieuwe evaluatiesysteem van NIAZ
een zogenaamd pluimsysteem.”
staan normensets per afdeling centraal, met daaraan gekoppeld een methodiek om kwaliteitsteams op te richten binnen bepaalde
“Vroeger werden de veiligheidsrondes aangekondigd. Maar op
groepen. Die kwaliteitsteams zitten dieper in de organisatie en
vraag van onze eigen mensen starten we vanaf dit najaar met
hebben de verantwoordelijkheid om een verbetertraject uit te
onaangekondigde veiligheidsrondes om zo de geesten scherp te
werken.”
houden. In de veiligheidsrondes richten we ons op de vereiste instellingsrichtlijnen en bijkomend de verbeterpunten van het vorige bezoek aan de afdeling. Zo kunnen we de cyclus van continue
Normensets
verbetering integreren in de organisatie.”
Ludo Meyers: “We willen niet gewoon de normenset halen, maar wel een cultuur inbouwen binnen de organisatie die aanzet tot
“Naast de veiligheidsronde voeren we ook een hygiëneronde uit.
het constant verbeteren van de kwaliteit om zo een veilige zorg
Dit gebeurt door de dienst ziekenhuishygiëne. Ten derde is er
te garanderen in het ziekenhuis. Daarom hebben we besloten om
de bedrijfsrondgang met de bedrijfsgeneeskundige dienst en de
meer integraal te gaan werken.”
vakbonden. Tenslotte hebben sommige diensten ook nog dienstspecifieke accreditatie zoals oncologie, de apotheek, de keuken,
“We zijn op zoek gegaan naar een goede strategie om dit allemaal
het labo enzovoort. Uit al deze inspectierondes komen terugkop-
uit te werken en daar zijn we volgens mij goed in geslaagd. Er
pelingen en daar zetten we dan verbeterplannen tegenover.”
bestaan 5 organisatiebrede normensets, die geldig zijn voor elk ziekenhuis, namelijk governance, leiderschap, hygiëne en infectiepreventie, medicatiebeheer en voorbereid zijn op noodsituaties en
Benchmarking
rampen. Dat zijn ook de logische topics die zeker in orde moeten
Ludo Meyers: “Tot zover de eerste schil van ons model. De tweede
zijn in elk ziekenhuis. Daarnaast zijn er nog de specifieke normen-
schil betreft al de verzamelde gegevens rond hygiëne, valinciden-
sets die worden samengesteld afhankelijk van het type zieken-
ten, doorligwonden, enzovoort. Deze gegevens worden trimestri-
huis. Voor ons zijn er dat 15, een totaal dus van 20 normensets.”
eel nagekeken en teruggekoppeld aan de diensten en afdelingen. De gegevens worden ook nationaal vergeleken met andere ziekenhuizen, bijvoorbeeld binnen VIP² of binnen het Vlaams
Integratiemodel met 3 schillen
Ziekenhuisnetwerk van Leuven. Zo hebben we een interne en
“Voor onze integrale kwaliteitstoetsing hebben we een integra-
externe benchmarking. Daarnaast zijn er nog de indicatoren rond
tiemodel met drie schillen opgesteld (zie figuur). De eerste schil
verbruikscijfers, incidentmeldingen, patiëntentevredenheidsmetin-
situeert zich op het afdelingsniveau. Hierin willen we elke afdeling
gen, cultuurmetingen, enzovoort die allemaal kunnen aangegre-
een spiegel voorhouden”, legt Ludo Meyers uit.” Zo hebben we bij-
pen worden als een verbeterkans.“
voorbeeld 3 keer per jaar een veiligheidsronde binnen elke afdeling. We beschikken daarvoor over een lijst met een 375 items die
“We ondersteunen de afdelingen die minder goede cijfers halen.
in orde zouden moeten zijn, zoals bijvoorbeeld het vrij toegankelijk
Bijvoorbeeld, de 5 afdelingen die het slechtste scoren op doorlig-
zijn van een brandweg, het tijdig keuren en onderhouden van
wonden worden de maanden daarna door de wondzorgspecialis-
medisch materiaal tot en met de aanwezigheid en de leesbaarheid
ten extra begeleid om zo de pijnpunten na te gaan. De verklaring
van het identificatiebandje van de patiënt. Per veiligheidsronde
kan bijvoorbeeld gevonden waren in het soort matrassen die
nemen we een steekproef van 40 tot 60 items. Binnen het uur
gebruikt worden op die afdeling.”
11 KWALITEIT
Integrale aanpak
Continu proces van kwaliteitsverbetering
“Tot dan zitten we nog steeds op afdelingsniveau te werken”, zegt
“Op die manier komen we terecht in een continu proces van kwali-
Ludo Meyers. “De derde schil van ons model beschrijft de integrale
teitsverbetering en kunnen we echt spreken van een transversale
aanpak en is dus transversaal. We hebben dit systeem tijdens de zo-
integrale kwaliteitstoetsing. We werken nu zeer hard om deze
mermaanden afgetoetst en vanaf september rollen we dat systeem
aanpak volledig klaar te krijgen voor onze volgende externe audit
uit. Hierin zitten de thema-audits waarin ook de ondersteunende
in maart 2016.”
diensten worden betrokken. Bij de thema-audits gaan we op alle afdelingen hetzelfde thema nakijken, bijvoorbeeld of het beleid rond anticoagulantia in orde is, of al de geïnformeerde toestemmingsfor-
MEER INFORMATIE LUDO MEYERS, directeur patiëntenzorg, tel. 011 30 90 21
mulieren geregeld zijn, enzovoort.”
INTERNE INTEGRALE KWALITEITSTOETSING A.D.H.V. HET INTEGRATIEMODEL MET 3 SCHILLEN
CONTINU PROCES OF TOETSING EN VERBETERING
TRANSVERSALE INTEGRALE KWALITEITSTOETSING THEMA-AUDITS
Afdelings/dienst/cluster-niveau of ziekenhuisbreed - PTO - Indicatoren - Verbruikscijfers
Afdelings/dienst/cluster-niveau of ziekenhuisbreed
- PPS antibioticatherapie - Incidentmeldingen - Cultuurmeting
- PTO - Indicatoren - Verbruikscijfers
Afdelingsniveau (verpleeg- en ondersteunende diensten) -
Afdelingsniveau (verpleeg- en ondersteunende diensten)
Veiligheidsrondes Hygiënetoer Bedrijfsrondgang Dienstspecifieke accreditatie
Ondersteunende diensten
- PPS antibioticatherapie - Incidentmeldingen - Cultuurmeting
-
Ondersteunende diensten
Veiligheidsrondes Hygiënetoer Bedrijfsrondgang Dienstspecifieke accreditatie
Ondersteunende diensten
12 NIEUWS
JESSA ZIEKENHUIS LANCEERT HAAR NIEUWE WEBSITE
S
inds juli vind je op www.jessazh.be onze compleet vernieuwde website. Ze heeft een frisse hedendaagse look gekregen, is volledig res-
ponsive (past zich aan op tablet en smartphone) en maakt de massa informatie die we aanbieden beter toegankelijk dan ooit. Grote nieuwigheid is het duidelijk overzicht van onze specialismen in een visuele tegelstructuur. 17 tegels zoals ‘Hart & Vaten’, ‘Senioren’ en ‘Kanker’
scrollen, of door op de button ‘Waarvoor kan ik terecht bij Jessa’ te klikken.
PROF. DR. DIRK RAMAEKERS:
Het belang van online communicatie is de voorbije jaren enorm toegeno-
ER IS NOOD AAN EEN MEER
men. We slagen er als Jessa Ziekenhuis al jaren in om een pioniersrol in
REALISTISCH,
het ziekenhuislandschap te spelen. Om onze voortrekkersrol te handhaven
MEER MENSELIJK BEELD
is deze nieuwe website een logische volgende stap in ons online verhaal.
VAN DE ARTS.
loodsen de bezoeker van onze website sneller en makkelijker naar de informatie die hij zoekt. Je vindt de tegels door op de homepage naar beneden te
13 COLUMN
DAG
R
Collega’s
ecent weidde de Orde der Artsen van Limburg een druk
werk en sinds kort is er een coach waar men terecht kan bij proble-
bijgewoond symposium aan het thema “De dokter vraagt
men. Een professioneel selectie- en begeleidingsproces voor nieu-
hulp, wat nu?”. Op zich zijn de cijfers over ‘burn-out’ bij artsen zorg-
we artsen is de volgende stap. Tijdens je carrière zijn de collega’s
wekkend. Of anno 2015 er nu meer psychische problemen voor-
en het diensthoofd belangrijke steunpilaren, samen met de Medi-
komen dan pakweg 20 jaar geleden is onbeslist. Een aantal feno-
sche Raad en de medische directie. Op educatie inzake burn-out
menen zoals alcoholisme, middelengebruik, depressie en suïcide bij
gaan we nog hoger moeten inzetten. Ook op het vlak van voortge-
artsen blijven hoog prevalent doorheen de tijd. Wat de juiste impact
zette opleiding, carrièreplanning, communicatie- en management-
daarvan is op zorgkwaliteit en patiëntveiligheid blijft wat gissen.
vaardigheden heeft het ziekenhuis een belangrijke ondersteunen-
Intuïtief en op basis van mijn persoonlijke ervaring denk ik stellig
de rol te vervullen. Ons second victim beleid wordt meer en meer
dat mentale moeilijkheden wel degelijk tot onprofessioneel han-
toegepast. Ultiem is het de warme cultuur van het ziekenhuis en de
delen en medische fouten leiden. Maar het is zeker geen absoluut
onderlinge verbondenheid tussen de artsen die mentale problemen
verband. Heel wat collega’s die kenmerken van ‘burn-out’ vertonen
al dan niet bespreekbaar maken.
blijven goed functioneren en omgekeerd lopen er ook zaken mis bij enthousiaste, tevreden collega’s.
Niet alleen de media, maar ook wijzelf hebben nood aan een meer realistisch, meer menselijk beeld van de arts. Die beeldvorming be-
Een heleboel initiatieven werden ondertussen genomen. Denk aan
gint al vroeg, namelijk bij de HAIO’s en ASO’s. Laat ons nu eens uit-
de acties van de Orde, “Artsen in nood”, Doctors4doctors, referen-
drukkelijk aan alle studenten zeggen dat Grey’s Anatomy onbenul-
tieartsen, enzovoort. De provinciale Raden van de Orde zullen elk
lige, druilerige fictie is en dat Topdokters geromantiseerd werd tot
binnenkort een telefoonnummer voor Arts in Nood opstarten. Voor
een ongeëvenaarde theatraliteit bij de montage. Wat niet weglaat
Limburg wordt het noodnummer 0800 23 467. Of al die initiatieven
dat ik het menselijk gelaat van enkele collega’s in die serie soms
met werkgroepen en allerhande interventies ook een effect zullen
wel sterk kon pruimen.
hebben, is nog wat afwachten. De vraag is of ze überhaupt zullen geëvalueerd worden.
Het feit dat ‘artsen in nood’ nu uit de taboesfeer begint te komen, is een goede zaak. Er is werk aan de winkel. Ondertussen lan-
Naar verluidt zou ook slechts een kwart van de artsen in moeilijk-
ceer ik een concreet voorstel gericht op de patiënt. Laat ons de
heden hulp zoeken. Ze worden vaak te laat opgemerkt door de col-
bevlogenheid van onze artsen in elk ziekenhuis meten en dit als
lega’s en dan dreigt isolement en ook schade voor de patiënt. Op
kwaliteitsindicator gebruiken. Mijn hypothese is dat een gedegen
het ogenblik dat de eerste signalen zich voordoen, zijn sociale on-
HR-artsenbeleid - zoals bij Jessa overheen vele jaren is opgebouwd
dersteuning met het concreet aanpakken van de eigen persoonlijke
- die kwaliteitsindicator gunstig zal beïnvloeden. En wie weet gaan
problemen, het aanpassen van de werkdruk, meer aandacht voor
we ook hier de klassieke lijnen doorbreken en gaan huisartsen en
positieve feedback en het aanmoedigen van professionele bege-
ziekenhuisartsen elkaar helpen.
leiding, noodwendig. HR-artsenbeleid blijft bij Jessa niet bij loze woorden. Het start met
A propos, bij welke collega kan ik mijn GMD openen? Let wel, ik ben
de begeleiding van de ASO’s. De stagemeesters doen eersteklas
een lastige patiënt, persoonlijkheidstype House, MD.
14 NEUROCHIRURGIE
NIEUWE TECHNIEK voor rugoperaties
ZENUWSTIMULATIE VERMINDERT RISICO BIJ
O
nze dienst neurochirurgie is al jaren pionier in het uitvoeren van anterieure en laterale benaderingen
van de lumbale wervelzuil. Sinds de zomer werd gestart met een nieuwe techniek voor specifieke lumbale fusie operaties, de XLIF procedure, onder neuromonitoring. Bij deze nieuwe XLIF techniek wordt continu een electromyografie (EMG) van de onderste ledematen uitgevoerd. Wanneer tijdens de ingreep een zenuw van de lumbosacrale plexus te dicht benaderd wordt, zal dat op het EMG worden aangegeven. Naast de reeds vele voordelen van een laterale benadering tot de lumbale wervelzuil heeft deze techniek nog een aantal bijkomende voordelen voor de patiĂŤnt.
15 RUBRIEK
INGREPEN AAN TUSSENWERVELSCHIJVEN
16 NEUROCHIRURGIE
NIEUWE TECHNIEK RUGOPERATIES
DR. ERIC PUT
“Een lumbale fusie is een rugoperatie waarbij twee of meer wervellichamen van de lumbale wervelzuil met een kooi, schroeven en staven aan elkaar worden gefixeerd. De bedoeling is dat deze aan elkaar vastgroeien tot een definitieve beenderige fusie”, legt dr. Eric Put van de dienst neurochirurgie uit. “Traditioneel gezien zijn er verschillende manieren om een lumbale fusie te bekomen. Eén van deze manieren is gekend als ‘interbody fusion’ waarbij twee wervellichamen in de anterieure kolom van de wervelkolom gefusioneerd worden om zo ook het normale alignement van de spinale kolom te herstellen. Hiervoor wordt de discus gereseceerd en vervangen door een cage. Deze cage wordt gevuld met autoloog bot of een bot substituut (bot inductor of bot conductor). Wanneer we dergelijke ‘interbody fusion’ willen bekomen is het uitvoeren van een XLIF procedure een goede optie.”
Minder complicaties XLIF staat voor eXtreme Lateral Interbody Fusion. Bij deze ingreep wordt een lumbale fusie verricht waarbij de neurochirurg via een laterale chirurgische approach de discus intervertebralis bereikt en de fusie uitvoert. Tijdens de ingreep wordt een neuromonitoring van de lumbosacrale plexus voorzien. Met deze methode wordt de kans op nerveuze complicaties geminimaliseerd. “Deze ingreep kan uitgevoerd worden vanaf het niveau L4/5 en craniaal hiervan. De discus L5/S1 kan omwille van de anatomische positie van de crista iliaca niet via een laterale approach benaderd worden. Voor dit niveau is een anterieure of posterieure toegang te verkiezen. De indicaties waarvoor een XLIF procedure kan uitgevoerd worden zijn discus degeneratie (degenerative disc disease), spondylolisthesis en spondylolyse, scoliose en deformiteit, sommige recidief discus hernia’s, en neuroforaminale stenose (met neurogene claudicatio).”
Minimaal invasieve ingreep De XLIF procedure is een minimaal invasieve ingreep. ”In tegenstelling tot sommige procedures met een grotere incisie, wordt deze ingreep via een kleine incisie (2 à 3 cm) uitgevoerd”, vertelt dr. Put.
17 NEUROCHIRURGIE
“Tijdens de ingreep worden in eerste instantie electrodenaaldjes geplaatst in verschillende spieren van de onderste ledematen. De patiënt wordt op zijn rechterzijde geplaatst. Via een kleine incisie in de linkerflank worden de buikwandspieren gesplit en kan de musculus psoas bereikt worden via retroperitoneale weg. Vervolgens worden de dilatatortubes onder neuromonitoring gepositioneerd op de laterale zijde van de wervelkolom. Het monitoringsysteem geeft nauwgezet aan of de tube één van de lumbosacrale zenuwen te dicht benadert. Op die manier kunnen we de tube herpositioneren alvorens neurveuze structuren beschadigd raken. Na inbreng van de dilatatoren wordt de retractor ingebracht en kan de discectomie, cage implantatie en plaatfixatie uitgevoerd worden.”
Belangrijke voordelen “Vele chirurgen zien belangrijke voordelen van dergelijke laterale approach zoals minder weefseltrauma, minder littekenweefsel, minder postoperatief discomfort en dus een kortere hospitalisatieperiode. Daarenboven heeft de patiënt significant minder nood aan pijnmedicatie en volgt een vlottere en snellere postoperatieve mobilisatie met alle bijkomende voordelen.“ Iedere ingreep of procedure kan gepaard gaan met complicaties. Daarom wordt er meer en meer gebruik gemaakt van neuromonitoring. Aanvankelijk werd dit vooral gebruikt voor craniale en medullaire ingrepen, maar de laatste jaren worden ook steeds meer en meer spinale ingrepen onder neuromonitoring verricht. “Alhoewel er een learning curve is voor het uitvoeren van deze ingreep, was, gezien onze ervaring in DLIF procedures, deze volgende stap vlot te nemen. Na een workshop in Amsterdam en teaching van specialisten uit de UK werden de eerste patiënten afgelopen zomer met deze XLIF procedure geopereerd”, besluit de neurochirurg.
MEER INFORMATIE DR. ERIC PUT, neurochirurg, tel. 011 30 90 75 DR. MAARTEN WISSELS, neurochirurg, tel. 011 30 90 74
JSU Diagram:
Arm- en handrevalidatie vooraan in revalidatieschema INTERNATIONALE ERKENNING VAN BEHANDELING VAN PATIテ起TEN NA EEN BEROERTE
18 REVALIDATIE
N
a een beroerte met een verlamming moet
stappen’. Op de tweede plaats volgt ‘zichzelf een beetje kunnen
een patiënt opnieuw de verlamde ledema-
verzorgen’. Na een 2- tot 3-tal maanden komt men tot het besef dat ook het hebben van een functioneel bovenste lidmaat een
ten leren gebruiken. De meeste aandacht ging tot
belangrijk doel is. Op dat moment kan de patiënt meestal al wel
voor kort uit naar het zo snel mogelijk weer kun-
stappen en zich verzorgen, maar de revalidatie van de armen en de
nen stappen en zichzelf kunnen verzorgen. De
handen laat op dat ogenblik nog te wensen over.”
revalidatie van de bovenste lidmaten verdween daarmee een beetje naar de achtergrond. In het reSneller starten met de hand-arm revalidatie
validatiecentrum St.-Ursula ontwikkelde men een
Marc Michielsen: “Het klinkt misschien eigenaardig, maar onze her-
nieuw diagram om onmiddellijk te starten met de
senen zijn eigenlijk redelijk dom. Als je er niets in steekt, komt er
arm-handrevalidatie, het zogenaamde JSU-diagram
ook niets uit. In dat opzicht kan je ze perfect vergelijken met een
dat recent gepubliceerd werd. Deze vernieuwende
computer. Een praktisch voorbeeld: als je twee vingers van één
aanpak werpt duidelijk zijn vruchten af.
hand zou samenbinden, dan hebben je hersenen ongeveer 2 uur nodig vooraleer ze denken dat je maar 1 vinger hebt in plaats van 2. Dat gaat dus heel snel. Als men een verlamming heeft aan de arm en men beweegt die arm niet meer, dan verdwijnt die arm als
“Binnen het revalidatiecentrum is het onze doelstelling om een
het ware uit de programmatie van de hersenen. Het is dus ontzet-
hoogwaardige algemene neurologische revalidatie aan te bieden
tend belangrijk om snel te starten met de arm-handrevalidatie.”
met een aantal speerpunten”, begint Marc Michielsen, paramedisch hoofd van het revalidatiecentrum St.-Ursula. “Eén daarvan is de arm-handrevalidatie. Als we patiënten na een herseninfarct vragen
JSU-diagram: internationaal erkend
wat hun doel is, dan is de topper ‘zo snel mogelijk weer kunnen
“Dikwijls wordt gezegd dat men nog niet kan starten aan het
19 REVALIDATIE
MARC MICHIELSEN:
VROEG AANDACHT VOOR HET BOVENSTE LIDMAAT VERHOOGT DE KANS OP EEN FUNCTIONEEL HERSTEL.
herstel van de hand als de patiënt nog niet kan zitten. Maar als je
oefent op kracht, richt men zich niet rechtstreeks tot de herse-
moet wachten tot de patiënt kan zitten, is er weer heel wat tijd
nen. Het is dan de kunst om ook in liggende positie een aantal
verloren”, legt Marc Michielsen uit. “Daarom hebben we een nieuw
taken te geven die zinvol zijn. De patiënten moeten bijvoorbeeld
diagram opgesteld, het JSU (Jessa St.-Ursula) diagram
een flesje water in evenwicht houden of ingieten in een glas of
(zie schema), waarbij rekening wordt gehouden met de moge-
waterpas houden. De patiënt denkt dan na op het niveau van
lijkheid van de patiënt om te zitten en waarbij we onmiddellijk
de taken. Wij als therapeut denken dan na over wat we willen
kunnen beginnen met de revalidatie van de hand, vanaf de eerste
veranderen. Indien de patiënt moeite heeft om een object los te
dag. Als de patiënt niet kan zitten, kunnen immers ook heel wat
laten, bieden we taken aan waarbij het loslaten centraal staat. De
oefeningen al liggend afgewerkt worden. Met dit diagram zijn we
patiënt denkt op dit ogenblik aan de taak ‘wegzetten’, terwijl de
wereldwijd de eerste die een structuur voorstellen waarin de arm-
therapeut het doel excentrische controle van de vingerflexoren in
hand revalidatie vooraan in het revalidatieschema opgenomen
gedachte heeft. Op die manier kunnen we in ligpositie een aantal
is, zonder dat we moeten wachten tot de patiënt kan zitten. We
taakgerelateerde trainingen aanbieden. In een volgende fase
hebben daarover ook net een eerste artikel gepubliceerd in The
kan de patiënt zitten maar beweegt deze zijn bovenste lidmaat
International Journal of Physical Medicine and Rehabilitation, wat
‘in patroon’. Dit houdt in dat hij er niet in slaagt zijn arm weg te
toch betekent dat onze werkwijze internationaal naar waarde
bewegen van zijn lichaam. In het diagram worden een aantal
geschat wordt.”
hypothesen gedefinieerd die een leidraad kunnen zijn voor de behandeling. Eens de patiënt uit patroon kan handelen, beginnen we aan de laatste fase. Dan gaan we meestal de keuken in met
Trainen op taken in plaats van op kracht
de patiënt en starten we CIMT (constrained induced movement
Marc Michielsen: “Taakgerelateerde training is beter dan functie-
therapy) training. Dit betekent dat patiënten 10 dagen na elkaar
gerelateerde training. Als we een patiënt in taken leren denken
6 tot 7 uur per dag moeten trainen met een handschoen aan hun
(vb neem dat mesje, schenk een flesje uit, zet het glas terug), dan
‘goede zijde’ om ze zo te verplichten hun andere, minder goede
richten we ons rechtstreeks tot de hersenen. Wanneer men enkel
kant te gebruiken.”
20 REVALIDATIE
JSU-DIAGRAM VOOR DE REVALIDATIE VAN DE BOVENSTE LIDMAAT NA BEROERTE TCT
item 3<25
item 3=25
BFM ST 2 < 11
Core in lying, related to reaching
Lying
Supine
BFM ST 2-3-4 > 17
Scapula setting
Supine Lat. Pos.
Prone / sitting / standing
Selective recruitment
Supine /A/, Lat. pos. /AP/, /A/
Sitting /AP/ to /A/
Standing /AP/ to /A/
Sitting standing
(TCT: Trunk Control Test; BFM ST: Brunnstrom-Fugl-Meyer UL stadium; Lat. Pos.: Lateral position; /AP/: Active-passive, assisted movement; /A/: Active movement)
Voordelen van het JSU-diagram
bij ‘normale’ motoriek waargenomen wordt bij het tillen van zware
“Het systematisch toepassen van ons diagram heeft heel wat voor-
lasten. Dus moeten we ervoor zorgen dat de hersenen de arm als
delen”, zegt de hoofdtherapeut. “Als we naar gelijkaardige revalida-
‘minder zwaar’ percipiëren. Onze hypothese is dat als we de arm
tiecentra kijken in bijvoorbeeld Zwitserland of Nederland, zien we
kunnen ondersteunen (met rekbandages bijvoorbeeld), waardoor
dat ze daar op jaarbasis een 5 tot 6-tal patiënten hebben die tot in
die voor de hersenen minder zwaar lijkt, de patiënt een normaler
het CIMT-stadium geraken. Met onze aanpak halen we 25 patiënten
bewegingspatroon waarneemt en daardoor de arm ook sneller
per jaar in het CIMT-stadium. We denken dat dit te maken heeft met
weer op een zo efficiënt mogelijke wijze zal gebruiken. Het is onze
onze vroegere aanpak van de arm-hand revalidatie. Daarnaast is het
intentie om rond deze hypothese een onderzoeksproject op te
kunnen gebruiken van de bovenste lidmaten rechtstreeks verbon-
zetten.”
den met het sneller opnieuw aan het werk kunnen gaan, zeker bij jonge mensen. En dat werkt dan weer de levenskwaliteit sterk in de hand. De revalidatieduur blijft hetzelfde, maar de patiënten komen er wel beter uit omwille van de verbeterde arm-handfunctie.“ Verlamde arm ‘minder zwaar’ maken Marc Michielsen: “Dit JSU-diagram leidt ons trouwens nog verder. Tot nog toe werd bijvoorbeeld aangenomen dat een goede core stability en een correcte scapula setting voorwaarden zijn voor het functionele gebruik van de arm. Een stabiel schouderblad zorgt er MEER INFORMATIE
immers voor dat de arm een beetje naar buiten kan draaien en dat men de arm kan wegdraaien van het lichaam. Anderzijds is het zo
REVALIDATIECENTRUM ST.-URSULA, Herk-de-Stad, tel. 013 55 17 11
dat als men enkel naar de hersenen kijkt, deze de verlamde arm
MARC MICHIELSEN, ELKE JANSSENS, MAARTEN BOSSUYT,
als ‘zwaar’ aanvoelen, waardoor je patronen waarneemt, die ook
KLARA CYPERS, GRIET DAEMS, LISELOT THIJS, ELS SCHRUERS
21 REVALIDATIE
22 PSYCHOGERIATRIE
Patiënten met dementie beter begeleiden via communicatie
“Elk gedrag is COMMUNICATIE”
S
inds een jaar werkt men op de dienst psychoge-
riatrie met een nieuw ontwikkeld zorgpad voor de behandeling van patiënten met dementie die storend gedrag vertonen. In dat uniek zorgpad staat de communicatietherapie van Watzlawick centraal. Hierbij beschouwt men elk gesteld gedrag, zowel van de patiënt als van de zorgverlener als communicatie en probeert men via deze weg het probleemgedrag op te lossen met de familie als partner.
23 PSYCHOGERIATRIE
“We richten ons naar patiënten met
Problemen oplossen via communicatie
dementie die storend gedrag vertonen”,
Nathalie Nelles: “Als basis van de be-
vertelt Nathalie Nelles, hoofdverpleeg-
handeling van onze patiënten maken we
kundige psychogeriatrie. “Met storend
gebruik van een denkkader waarbij de
gedrag bedoelen we gedrag dat maat-
beïnvloe-dingen tussen mensen centraal
schappelijk niet aanvaard wordt zoals
staan, namelijk de algemene systeemthe-
agressie, roepen en ander gedrag waarbij
orie (AST). Daarnaast hanteren we een
er 24 u per dag toezicht nodig is.”
belevingsgerichte aanpak en werken we contextueel. Als we de samenwerking en dynamiek tussen de verschillende spelers
Zorgpad als leidraad
in een systeem willen verklaren, dan doen
“Ongeveer een jaar geleden hebben we
we dat via de communicatietheorie van
samen met het hele team bestaande
Watzlawick (zie 5 axioma’s). Hierbij ne-
uit een psycholoog, een ergotherapeut,
men we aan dat alles wat tussen mensen
een logopediste, een maatschappelijk
gebeurt communicatie is. De AST is vooral
werker en verpleegkundigen een zorgpad
een manier van denken en kijken en ingrij-
opgesteld voor mensen met dementie die
pen (naar een individu, een team, een ge-
storend gedrag vertonen. De opzet is een
zin,…) die loodrecht staat op de klassieke
leidraad te hebben om de psychogeriatri-
aanpak. Concreet betekent dit dat we het
sche patiënt te begeleiden van opname
gedrag van de patiënt en de hulpverlener
tot ontslag en duidelijk te omschrijven
moeten bekijken in zijn actuele context,
welke handelingen we moeten of kunnen
waarbij we rekening moeten houden met
stellen in de verschillende fasen van de
de achtergrond van de patiënt. Welke
opname van de patiënt en de verdere
invloed is er vanuit de omgeving (familie,
begeleiding.”
vrienden, hulpverleners, andere patiënten) op het gedrag van de patiënt en om-
Nathalie Nelles: “De patiënt komt bin-
gekeerd, welke invloed heeft de patiënt
nen de zorg in aanraking met heel veel
met zijn gedrag op diezelfde omgeving.
mensen die in het verleden soms een
We proberen dan ook zoveel mogelijk via
verschillende aanpak hadden. Dit zorgpad
de communicatieve weg de problemen
zorgt voor een grotere uniformiteit in ons
op te lossen. De manier waarop we als
streven naar de best mogelijke kwaliteit
hulpverlener omgaan met onze patiënten
in de zorg. Psychogeriatrie is immers veel
heeft immers een invloed op het gedrag
meer dan alleen maar de zorg voor pa-
van onze patiënten, en omgekeerd ook.
tiënten met dementie. Naast de klassieke
Als hulpverlener moeten we ons dan
psychiatrische beelden verdienen ook de
ook in vraag durven stellen ten aanzien
psychosociale problemen onze aandacht.
van de benadering van patiënten en hun
We stellen niet de patiënt centraal, maar
systeem maar ook ten aanzien van elkaar
wel de patiënt in relatie tot zijn omge-
binnen ons eigen team.”
ving, zijn familie en naasten. Ons zorgpad is succesvol door de ondersteuning van het professionele netwerk. Naast de 1ste
Betrouwbaarheid
lijnszorg is de samenwerking met Asster
“Eén van de fundamenten van deze com-
zeker een meerwaarde.”
municatietheorie is dat betrouwbaarheid
24 PSYCHOGERIATRIE
DE 5 AXIOMA’S VAN DE COMMUNICATIETHEORIE VAN WATZLAWICK EN HUN BETEKENIS VOOR DE BEROEPSRELATIE NATHALIE NELLES
AXIOMA 1 ALLE GEDRAG IS COMMUNICATIE. AXIOMA 2 MENSEN BEÏNVLOEDEN MET WOORDEN EN VOORAL ZONDER WOOR
DEN OF MENSEN COMMUNICEREN ZOWEL DIGITAAL ALS ANALOOG.
Het eerste axioma heeft een grote belangrijkheid in het omgaan met mensen en zeker binnen de beroepsrelatie. Het tweede axioma leunt hier erg bij aan, en kan aanzien worden als een verlengde. Wanneer we ervan uitgaan dat alle gedragingen, alle verbale en non-verbale boodschappen, informatie overbrengen, is het noodzakelijk met deze gegevens rekening te houden bij het observeren van mensen. Het is dus niet voldoende enkel rekening te houden met het inhoudelijke van een boodschap, maar ook met het gedrag of de gedragingen die deze boodschap begeleiden. Dit betekent dat alle gedragingen van begeleiders invloed hebben op patiënten en omgekeerd. We moeten ons dus niet enkel bewust zijn belangrijk is. De patiënt moet erop kunnen
van de gedragingen van anderen maar ook van onze eigen gedragingen. Patiënten kun-
betrouwen dat je doet wat je zegt. Open
nen erg verschillend reageren op verschillende teamleden. Dit wordt mee bepaald door
communicatie zowel tussen hulpverlener
de beïnvloeding van de begeleiding naar de patiënt toe.
en patiënt als tussen teamleden berust op vertrouwen en veiligheid. Je kan maar
AXIOMA 3 WAT IK BEDOEL IS NIET PER SE WAAR VOOR EEN ANDER
iemands vertrouwen krijgen als je zelf be-
In onze beroepsrelatie is het dan ook noodzakelijk op de hoogte te zijn van de levens-
trouwbaar bent. Bijvoorbeeld, als je tegen
geschiedenis en de vroegere context waarin mensen leefden. Zodoende kunnen we dan
de patiënt zegt ‘ik kom binnen 5 minuten
een inzicht krijgen in de manier waarop mensen binnen hun systeem met elkaar om-
terug’, dan doe je dat ook. Als je dat niet
gaan en wat hun beleving en visie is over bepaalde situaties en toestanden. Indien we
kan garanderen dan zeg je dat niet, anders
hiermee rekening houden, kunnen onnodige conflicten voorkomen worden en kunnen
creëer je een onveilige omgeving. Dat
waarheden geplaatst worden binnen de context van de cliënt.
geldt niet alleen voor de hulpverleners
Waarheden kunnen dan vanuit het contextuele van de patiënt omgebogen worden naar
maar ook voor de gehele omkadering van
een eventueel meer realistische visie. Belangrijk is geen standpunt in te nemen in fa-
de patiënt, inclusief de familie. Die wordt
miliale conflicten.
dus mee ingeschakeld om het problematisch gedrag van de patiënt op te lossen.
AXIOMA 4 ALS IK WAT ZEG,
Zij zijn onze partners in de zorg.”
ZEG IK IETS OVER HOE IK WIL DAT DE ANDER MET MIJ OMGAAT.
Als hulpverlener zit je in een ideale rol om van de zijkant van het systeem toe te kijken naar de individuen en groepen. Tegelijkertijd dien je er je bewust van te zijn dat je samen met het gezin een nieuw systeem vormt. Luisteren naar je eigen gevoelens en eens MEER INFORMATIE DIENST PSYCHOGERIATRIE tel. 011 33 94 00
kijken hoe een communicatie zich recent heeft afgespeeld, is een uitstekende remedie om dreigende relatieconflicten te vermijden.
OUDERENPSYCHIATER: DR. JOHANNES ADRIAENSEN HOOFDVERPLEEGKUNDIGE: NATHALIE NELLES
AXIOMA 5 WIE HEEFT HET VOOR HET ZEGGEN, WIE LAAT HET VOOR HET ZEGGEN?
PSYCHOLOGE: ELS VUERSTAEK
In een complementaire relatie neemt de hulpverlener een bemoederende rol aan en laat
ERGOTHERAPEUT: ANNEKE HABEX MAATSCHAPPELIJK WERKER: MIRIAM GAWLA LOGOPEDISTE: MARGRIET GOLSTEIN
de patiënt zich verzorgen. In een symmetrische relatie streeft de hulpverlener naar autonoom en zelfstandig functioneren van de patiënt. Het observeren van de relatiepatro-
HET VERPLEEGKUNDIG TEAM
nen van het patiëntensysteem kan helpen om o.a. meer zicht te krijgen op de regels en
ASSTER tel. 011 78 80 11
loyaliteiten.
Jessa Ziekenhuis geselecteerd als
Europees referentiecentrum voor cardiale revalidatie Kransslagaderlijden vormt de meest frequent voorkomende
diale revalidatie, namelijk het Jessa Ziekenhuis en Inselspital (Bern,
doodsoorzaak. Eén op 6 mannen en 1 op 7 vrouwen in Europa
Zwitserland). Deze video illustreert de huidige “good clinical practi-
sterft aan een myocard infarct. De literatuur leert ons dat deze
ce” voor secundaire preventie bij kransslagaderlijden en benadrukt
hartpatiënten, na het doormaken van het initiële cardiale event, in
de uitdagingen voor de toekomst. Hij werd getoond op het jaarlijkse
de daaropvolgende jaren vaak opnieuw problemen ondervinden.
congres van de European Society of Cardiology in Londen, met dit
Richtlijngebaseerde secundaire preventieprogramma’s blijken
jaar meer dan 30.000 deelnemers (hoofdzakelijk cardiologen).
hierbij van primordiaal belang om de morbiditeit en mortaliteit op lange termijn terug te schroeven. Spijtig genoeg blijkt uit grote
Als tweede initiatief werken de EACPR, de ACCA en de CCNAP
Europese studies, zoals de EUROASPIRE, dat het overgrote deel
momenteel intensief aan een position paper over secundaire pre-
van de coronaire patiënten nog steeds volhardt in een ongezonde
ventie na een myocard infarct, waaraan ook Prof. dr. Paul Dendale
levensstijl, waarbij de cardiovasculaire risicofactoren onvoldoende
en dr. Ines Frederix actief meeschrijven. Deze paper schetst het
onder controle zijn.
landschap van de “coronaire pandemie”, beschrijft de wetenschappelijke evidentie voor het belang van goede secundaire preventie
De European Association of Cardiovascular Prevention and Rehabi-
programma’s, de actuele uitdagingen voor dergelijke programma’s
litation (EACPR), de Acute Cardiovascular Care Association (ACCA)
en wat hier in de toekomst aan gedaan kan worden.
en de Council on Cardiovascular Nursing and Allied Professions (CCNAP) besloten een gezamenlijk project op te zetten om Europa
Graag nodigen we jullie uit de video te bekijken (www.jessazh.be/
bewust te maken van deze cijfers en de noodzaak tot investering
cardio). De position paper zal waarschijnlijk begin 2016 verschij-
in secundaire preventie te benadrukken. Als eerste initiatief werd
nen. We houden jullie alvast op de hoogte!
een video opgenomen in de 2 Europese referentiecentra voor car-
25 NIEUWS
26 UROLOGIE
Jessa Ziekenhuis top in
UROLOGISCHE EN ANDROLOGISCHE
HEELKUNDE “Ik neem de reconstructieve en oncologische urologie voor mijn rekening, alsook kinderurologie, vooral de wat complexere urethrachirurgie”, gaat dr. Vekemans van start. “Heel wat urologen proberen een vernauwing aan de urethra vooral endoscopisch op te lossen, bijvoorbeeld via koud insnijden (Sachse) of met later ontwikkelde lasertechnieken. Stents, zoals die gebruikt worden bij coronaire ingrepen,
O
zijn ook een tijdje populair geweest. Maar
p de dienst urologie op Campus Salvator werken
al deze ingrepen leiden tot zeer kortdurende oplossingen. De stents geven zelfs
momenteel 7 urologen, elk met hun eigen speci-
desastreuze resultaten op lange termijn
aliteit, en 4 assistenten. In dit nummer lichten 2 urolo-
met veel nevenwerkingen. Na enige tijd
gen, dr. Kris Vekemans en prof. dr. Koen van Renterghem,
groeit de vernauwing gewoon door de
hun activiteiten toe. Dr. Vekemans is gespecialiseerd in reconstructieve urologische heelkunde en vertelt over de voordelen van open chirurgie ten opzichte van minimaal invasieve ingrepen.
stents met de vorming van littekenweefsel tot gevolg. Men start dus met een minimaal invasieve techniek om te eindigen met een gigantisch probleem, dat kan toch niet de bedoeling zijn.”
27 UROLOGIE
DR. KRIS VEKEMANS
Open chirurgie
vernauwingen worden dan ook steeds
een beetje angstig om wat zij denken dat
voor vernauwde urethra
uitgebreider omwille van het littekenweef-
een grote ingreep is, aan te raden aan hun
Dr. Vekemans: “Internationaal gerenom-
sel dat groeit.”
patiënten. Maar eens men deze techniek goed beheerst, is dit geen grote ingreep
meerde chirurgen zagen snel in dat dergelijke technieken niet werken. Daarom
“Binnen onze associatie hebben we
meer. Zelfs oudere patiënten verdragen
is men opnieuw gestart met open chirurgie
dan ook de afspraak dat patiënten die
deze chirurgie zeer goed. Ook het wegha-
voor het oplossen van die vernauwingen.
voorafgaandelijk endoscopisch behandeld
len van de buccale greffen (binnenkant van
Ikzelf ben ook die mening toegedaan. Ik heb
zijn voor een vernauwing aan de urethra,
het wangslijmvlies) is niet erg belastend
gedurende 20 jaar congressen bijgewoond
bij recidief open chirurgie zullen krijgen.
voor de patiënt. Sommige artsen hebben
en workshops gevolgd over urethraplas-
Hierdoor neemt het aantal patiënten bij
er weinig vertrouwen in omdat een aantal
tie in het algemeen en hypospadie in het
ons toe omdat we steeds meer doorverwij-
urologen de techniek niet voldoen meester
bijzonder, waardoor we in de loop der
zingen krijgen voor dit type chirurgie”, zegt
zijn en niet genoeg patiënten hebben om
jaren een zeer grote ervaring hebben
dr. Vekemans.
de techniek voldoende dikwijls uit te voe-
opgebouwd in dit soort ingrepen. Er zijn in
ren. Dan zijn de resultaten natuurlijk heel
België slechts een beperkt aantal artsen die
slecht. Uiteindelijk moeten ze dan toch hun
open chirurgie kunnen toepassen voor de
Kennis van vernauwingsproblematiek
patiënt doorverwijzen, maar eerst onder-
vernauwing van de urethra. Spijtig genoeg
“Naar mijn gevoel zijn maar weinig huis-
gaat de patiënt wel een hele lijdensweg.
gebeuren er dus nog steeds veel endoscopi-
artsen vertrouwd met de vernauwings-
Wij voeren gemiddeld 3 urethraplasties
sche ingrepen en worden mensen eindeloos
problematiek en weten ze ook niet dat
uit per maand. Mensen blijven meestal 5
ingesneden en gedilateerd, waardoor een
open urethrachirurgie hier een oplossing
dagen in het ziekenhuis. Afhankelijk van de
klein probleem steeds groter wordt. De
kan bieden”, zegt dr. Vekemans. “Of ze zijn
plaats van de ingreep hebben ze dan nog
28 UROLOGIE
OPEN CHIRURGIE MET HET GEBRUIK VAN BUCCALE GREFFEN LEIDT TOT ESTHETISCH VERANTWOORDE RESULTATEN, ZEKER OP LANGE TERMIJN, MET EEN MINIMUM AAN NEVENWERKINGEN.
normaal uit een spongieus weefsel dat bij erectie elasticiteit geeft. Maar de jonge mannen die geopereerd zijn als kind hebben dat dus niet. Mijn hypothese is dat ze langzaam aan meer frictiebewegingen ondergaan op hun urinekanaal, waardoor er scheurtjes ontstaan en er nieuwe stricturen
10 dagen tot 3 weken een sonde. Daarna is
ken; dat is esthetisch verantwoord en levert
optreden. We zien dit fenomeen dan ook
het euvel verdwenen.”
op lange termijn mooie resultaten op.”
toenemen bij jongvolwassenen. We moeten dergelijke patiënten soms zelfs in 2 tijden opereren omdat het zo slecht gesteld is
Lichen sclerosus
Hypospadie
met hen. Dan is het toch beter om dit vanaf
“Open chirurgie kan ook aangewend worden
“Hypospadie is toch een apart verhaal. Nor-
de eerste keer grondig en correct aan te
voor de behandeling van lichen sclerosus,
maal staat het plasgaatje op het topje van
pakken.”
een huidaandoening van de voorhuid en
de penis, maar bij hypospadie kan dit gaatje
distale urethra. Deze aandoening geeft aan-
op eender welke plaats van de penis staan.
leiding tot vernauwingen, maar wordt vaak
Dat wordt op jonge leeftijd gecorrigeerd,
ingeknipt. Dit leidt tot slechte esthetische
meestal rond de leeftijd van 9 maanden tot
resultaten en meestal komt het terug. Dat is
2 jaar. De nieuw geconstrueerde urine-
geen oplossing voor de patiënt. Het is beter
buis bestaat vaak uit huidweefsel. Bij een
UROLOGIE, tel. 011 28 93 30
om ook hiervoor buccale greffen te gebrui-
volwassen man bestaat het urinekanaal
DR. KRIS VEKEMANS
MEER INFORMATIE
29 UROLOGIE
PROF. DR. KOEN VAN RENTERGHEM
B
innen de dienst urologie is Prof. dr. Koen van Renterghem vooral
gen, verkeersongevallen, enzovoort). De
bezig met andrologische heelkunde. Hieronder kunnen we drie
meeste patiënten schamen zich hier ook
soorten ingrepen catalogeren: vasovasostomie, de behandeling van de ziekte van Peyronie en het plaatsen van erectieprothesen. Vooral op vlak van die twee laatste ingrepen staat Prof. dr. van Renterghem aan de top.
voor en gaan er dus niet snel mee naar de arts. De ziekte is dan ook bij artsen niet zo gekend. Maar wij behandelen wel ongeveer 100 patiënten per jaar met deze aandoening.” “De ziekte van Peyronie vraagt een specifieke en geïndividualiseerde behandeling. De behandeling verloopt in 2 fasen, het
“In België is er bijna niemand die alle
Ziekte van Peyronie…
afkoelen van de acute fase (een soort
andrologische heelkundige ingrepen
Prof. dr. van Renterghem: “De tweede
van inflammatoir proces) en het oplossen
uitvoert”, vertelt prof. dr. Koen van Rent-
operatie is chirurgie voor aangeboren
van de chronische fase met kromstand
erghem. “Vasovasostomie (herstelopera-
(congenitaal) of verworven curvatuur
en erectiele dysfunctie. Ondertussen
tie na vasectomie) wordt wel op meerdere
of kromstand van de penis (ziekte van
weten we dat deze patiënten dezelfde co-
plaatsen uitgevoerd, maar ook hier
Peyronie). Dit is een vrij zeldzame ziekte
morbiditeiten vertonen als patiënten met
geldt dat men jaarlijks een zeker aantal
die voorkomt bij 0,5% tot 8% van de
erectieproblemen (diabetes, hypertensie,
ingrepen zou moeten kunnen doen want
mannen. Het komt voor bij patiënten met
obesitas, cholesterolproblemen). Ze zijn
anders komen er problemen van.”
hypospadie, maar meestal treedt het op
dus eigenlijk voorbeschikt; de traumata
na een trauma (opgelopen bij betrekkin-
zijn dan vaak de uitlokkende factor.”
30 UROLOGIE
…eerst de acute fase behandelen…
maanden wachten om de volgende stap
kingen kan hebben”, gaat prof. dr. van
“In de acute fase hebben de patiënten veel
te kunnen aanvatten. Bij de ziekte van
Renterghem verder. “Vroeger dacht
pijn. Die moet eerst weggenomen worden
Peyronie vormen zich plaques, verkalkte
men dat de verharding moest uitge-
vooraleer we verder kunnen behandelen.
zones, in de penis. Dat resulteert dan in
sneden worden en dat ruimte die vrij
Hiervoor zijn 2 behandelingen mogelijk. De
de chronische fase in deformatie van de
kwam moest toegemaakt worden met
eerste is shockwave therapie (ESWT) met
penis, een kromstand, en anderzijds ook
onder andere veneuze structuren uit de
de niersteenvergruizer met een zeer lage
een erectiele dysfunctie (met onvoldoen-
benen. Het nadeel van die techniek is
energie en een speciale applicatie hiervoor.
de rigiditeit of duurtijd van de erectie
dat je de plaque moet verwijderen. De
Een tweede behandeling is iontoforese of
omwille van de afsluiting van de venen
plaque ligt dorsaal waar ook de neuro-
EMDA (electromotive drug administration).
ter hoogte van de plaque). De verkalkte
vasculaire bundel loopt. Hierdoor loop je
Daarbij laten we door middel van stroom
zones zetten niet mee uit bij erectie wat
een groot risico op zenuwproblemen en,
medicatie (verapamil en dexamethasone)
leidt tot kromstand. De plaques zitten
daaropvolgend, problemen met seksuele
doordringen in het ontstekingsgebied. Van
meestal dorsaal waardoor de penis naar
betrekkingen. Ten tweede is de hele
alle andere behandelingen (zoals inspui-
boven wijst. Congenitale curvaturen zijn
structuur die opgebouwd wordt niet
tingen in de verharding of het gebruik van
meestal naar beneden gericht omdat daar
altijd lekdicht waardoor de erectie niet
vitamine E) is eigenlijk bewezen dat ze niet
vaak problemen met de plasbuis aan de
meer kan aangehouden worden. Ten
werken”, aldus prof. dr. van Renterghem.
oorsprong liggen.”
derde zien we dat de gebruikte greffen kan retraheren en begint samen te trekken zodat er opnieuw een harde zone
…dan de chronische fase
“De bedoeling van de behandeling is dat
“Na deze eerste stap moet men 3 tot 6
de patiënt opnieuw seksuele betrek-
gevormd wordt in de penis.”
31 UROLOGIE
DE STERKTE VAN ONZE DIENST LIGT OOK IN DE UITBOUW VAN MULTIDISCIPLINAIRE TEAMS MET NURSE PRACTITIONERS, KINESISTEN, PSYCHOLOGEN EN DIËTISTEN.
“Wij voeren een Nesbitt ingreep uit, de
“Een erectieprothese is niet te zien op
ziekenhuis. Het bloedverlies is minimaal
gouden standaard. Dat is een plicaturatie,
voorwaarde dat ze goed geplaatst is”, zegt
met een kleine wonde die snel geneest.
waarbij de penis eigenlijk wordt opgeplooid
prof. dr. van Renterghem. “We werken nu
De belangrijkste complicaties van dit
en bij elkaar wordt getrokken aan de lange
met een nieuwe type van incisie, een pe-
soort ingrepen zijn infecties. Omwille van
kant. De lange kant wordt dus even kort
noscrotale incisie. Dat geneest nadien heel
onze aanpak en de prestaties van het
gemaakt als de kortste kant. Dat leidt tot
mooi, zonder sporen achter te laten. In de
team komt dat bij ons bijna niet voor. Een
veel mooiere resultaten.”
literatuur is aangetoond dat de overgrote
andere complicatie kan een mechanisch
meerderheid van de mannen, en ook hun
defect zijn of, op termijn, slijtage, maar
partners (tot 98%), die een erectiepro-
ook dat gebeurt zelden”, eindigt prof. dr.
Erectieprothesen
these heeft ingeplant gekregen daar zeer
van Renterghem.
“Voor het oplossen van erectieproblemen,
tevreden over is, veel meer dan over alle
ook na de ziekte van Peyronie, werken we
andere technieken. De prothese benadert
met een erectieprothese of een implantaat.
dan ook de natuurlijke situatie. Er moet
Er bestaan 3 soorten erectieprothesen, de
niets gepland worden, je hebt dat altijd bij
rigide, de maleabele en de opblaasbare.
de hand, je krijgt er geen hoofdpijn van. De
Meestal wordt deze laatste gebruikt. Die be-
kwaliteit van de erectie is ook perfect.”
staat uit 3 delen: 2 zwellichamen (in de vorm van cilinders), een pompje om het systeem MEER INFORMATIE
te bedienen dat ingeplant wordt in het scro-
Korte ingreep met goede resultaten
tum en een reservoir gevuld met vloeistof
“De totale ingreep duurt ongeveer 30
UROLOGIE, tel. 011 28 93 30
dat extraperitoneaal komt naast de blaas.”
minuten. De patiënt blijft 48 uur in het
PROF. DR. KOEN VAN RENTERGHEM
32 RUBRIEK
Operatie
33 RUBRIEK
animatie E
ind vorig jaar riep JCI (Junior Chamber International) Hasselt Operatie Animatie in het leven, een project om het Jessa Ziekenhuis te steunen in de verdere uitbouw als kindvriendelijk ziekenhuis. Voor de ontwerpen van kindvriendelijke tekeningen deden ze een beroep op Peggy van Gurp, de illustratrice van de figuurtjes Kaat en Milan, waarbij de illustraties werden ontworpen in functie van de ruimte waar ze zich bevinden. Zo werd bijvoorbeeld de wachtruimte van de oogkliniek voorzien van een wandtekening met een illustratie van Kaat en Milan met een bril en met ooglapjes. In de inkomhallen prijkt nu een grote illustratie in combinatie met een wandspeelsysteem; op campus Virga Jesse werd er zelfs een elektronisch softwaresysteem aan gekoppeld. Op de recovery van de oogkliniek koos men voor plafondtegels met een toffe print, omdat dat het eerste is wat de kinderen zien als ze ontwaken. Op pediatrie werd dan weer een lokaal ingericht waar ouders even kunnen ontspannen, op hun laptop werken of eten opwarmen. Ook de wachtruimte op urologie krijgt een kindvriendelijk hoekje. En binnenkort rollen 2 XL memoryspelen door de gangen van geriatrie zodat grootouders een spelletje kunnen spelen met de kleinkinderen. De kinderen zijn alvast enthousiast!
34 KLINISCHE FARMACIE
Jessa start met ambulante raadpleging voor
POLYFARMACIE BIJ OUDEREN
P
olyfarmacie bij ouderen is een frequent gezien probleem. Op 18 september ging het Jessa Ziekenhuis
van start met een uniek concept: een ambulante raadpleging polyfarmacie. Elke vrijdagnamiddag is er een multidiscipli-
naire raadpleging met een geriater en een klinisch apotheker gespecialiseerd in polyfarmacie.
LIESBETH DECOUTERE:
HET AFBOUWEN VAN SLAAPPILLEN EN ANTIDEPRESSIVA
Polyfarmacie tijdens hospitalisatie
verminderen of stopzetten van een aantal
LEIDT TOT EEN
“Sinds een 3-tal jaar besteden we meer
geneesmiddelen. Toch zien we dat na
aandacht aan polyfarmacie. Tijdens
de hospitalisatie de geneesmiddelen op-
hospitalisaties merken we dat heel wat
nieuw worden opgestart door de patiënt
oudere patiënten een grote hoeveelheid
en soms door de huisarts.”
VERBETERING VAN DE LEVENSKWALITEIT, ZELFREDZAAMHEID, EN MINDER VALRISICO.
verschillende geneesmiddelen nemen die niet meer nodig zijn, of soms zelfs
Dr. Toon Delva: “Soms is het ook voor de
elkaar tegenwerken,” zegt dr. Toon Delva,
huisarts, de patiënt en zijn apotheker niet
geriater. “We geven dan advies rond het
meer duidelijk welke medicatie noodzake-
35 KLINISCHE FARMACIE
lijk is en welke kan verminderd/afgeschaft
zegt Liesbeth. “Een ander voorbeeld is
worden. Of er ontbreekt een verantwoor-
het langdurig gebruik van psychofarmaca
delijke persoon die zich kan engageren om
zoals slaappillen of antidepressiva. Lang-
medicatieschema’s bij te sturen.”
durige therapie is niet aangewezen. Het gebruik ervan kan afgebouwd worden met
“Daarom dachten we dat het misschien
een verbetering van de levenskwaliteit
beter zou zijn om het initiatief bij de
en zelfredzaamheid, en beduidend minder
huisarts en de patiënt zelf te leggen om
valrisico tot gevolg. Toch geen onbelang-
zo een groter draagvlak te creëren voor
rijke factoren als je weet dat polyfarmacie
onze visie. Op die manier kunnen we
een fenomeen is dat vooral voorkomt bij
polyfarmacie systematischer aanpak-
oudere patiënten.”
ken op een ambulante manier”, verklaart Liesbeth Decoutere, klinisch apotheker in het Jessa Ziekenhuis en direct betrokken
RASP-lijst
bij dit project.
“Om de medicatieschema’s bij te sturen, gebruiken we de RASP-lijst (RASP-principe: Rationalisation of home medication by
Verschillende definities
an adjusted STOPP-list in older patients;
Liesbeth Decoutere: “Er zijn verschillende
STOPP = Screening tool of older persons’
manieren om de term polyfarmacie te
potentially inappropriate prescriptions).
omschrijven. Vroeger dacht men louter
Deze nieuwe lijst is specifiek ontwikkeld
kwantitatief en hanteerde men als defini-
voor de reductie van polyfarmacie en is
tie voor polyfarmacie dat een patiënt 5 of
gevalideerd door geriaters in België. De
meer geneesmiddelen innam. Tegenwoor-
RASP-tool is een lijst met 76 stellingen
dig is ons denkbeeld daarover veranderd
over 12 systeemklassen, o.a. het cardio-
en bekijken we dit meer op een kwalitatie-
vasculair stelsel, het zenuwstelsel, enz.
ve wijze, waarbij we ons de vraag stellen
Aan de hand van deze tool bekijken we
of de patiënt al zijn behandelingen nog
de medicatielijst van de patiënt om na te
wel nodig heeft. Daarom spreken we nu
gaan welke medicatie mogelijk ongepast
meer in termen van gepast en ongepast
is voor de patiënt”, vervolgt Liesbeth.
geneesmiddelengebruik.”
DR. TOON DELVA:
“Een typisch voorbeeld hiervan is het
Werkwijze
langdurig gebruik van een protonpomp-
”Momenteel werken we via het secretari-
VEEL PATIËNTEN EN
inhibitor, zoals omeprazole, voor de
aat geriatrie, waarbij de huisarts belt om
HUN FAMILIE ZIJN ZICH
behandeling van een maagulcus. Die
de patiënt in te boeken voor de raadple-
behandeling duurt in principe slechts
ging polyfarmacie. Die gaat elke vrijdag-
enkele weken. Als de patiënt maanden of
namiddag door”, legt dr. Delva uit. “Er zijn
zelfs jaren een dergelijk product neemt,
echter wel twee belangrijke voorwaarden
kan men er vanuit gaan dat er sprake is
aan verbonden. Ten eerste moet het
van ongepast geneesmiddelengebruik.
initiatief van de huisarts komen, niet van
Maar de situatie is anders voor elke pati-
de patiënt. De patiënt moet ook willen
ënt en moet ook zo geëvalueerd worden”,
meewerken natuurlijk. We merken wel dat
NIET BEWUST VAN DE MOGELIJKE NADELEN VAN SOMMIGE MEDICATIE.
36 KLINISCHE FARMACIE
POLYFARMACIE BIJ OUDEREN
veel patiënten en hun familie zich niet
ben, kunnen we een voorstel uitwerken
voorlopig de enige in België die dit kunnen
bewust zijn over de mogelijke nadelen
voor de patiënt. We roepen de patiënt
aanbieden. We hebben dan ook enige tijd
van sommige medicatie. Vaak schrikken
terug binnen en we overlopen samen het
geleden een Baxter Clinical Pharmacy
mensen als we hen daarmee confronteren.
voorstel. De huisarts krijgt nog een ver-
Award gewonnen voor dit project. Dit bud-
We zullen dan ook de voordelen uitleggen
slag doorgestuurd en de patiënt krijgt een
get kunnen we nu mee gebruiken om de
van het afbouwen/stoppen van bepaalde
nieuw overzicht van zijn medicatie. Alles
inzet van een apotheker te verzekeren. De
medicatie.”
bij elkaar zal het voor de patiënt ongeveer
kostprijs voor de patiënt blijft dezelfde als
1 uur en 45 minuten duren. Zo kunnen we
voor een andere ambulante geriatrische
3 tot 4 patiënten zien per dag.”
raadpleging. Momenteel lopen er gesprek-
“En ten tweede moeten we kunnen
ken met de Algemene Pharmaceutische
beschikken over de nodige documen-
Bond. Ook zij zijn gewonnen voor dit pro-
tatie zoals de voorgeschiedenis van de patiënt en de actuele medicatie zodat
Toekomstige projecten
ject en zouden graag de officina-apotheker
we een goed inzicht kunnen krijgen in de
“Dit is een unieke aanpak. Heel wat
mee willen betrekken in dit verhaal. Ook
problematiek. Daarvoor hebben we een
ziekenhuizen zijn wel bezig met poly-
binnen rusthuizen worden er binnenkort
sjabloon ontwikkeld dat op voorhand aan
farmacie, maar niet op deze manier. Wat
projecten opgestart rond polyfarmacie”,
de huisarts ter beschikking kan worden
de ambulante aanpak betreft zijn wij
zegt apr. Decoutere.
gesteld. Voorlopig moeten de ingevulde documenten nog doorgemaild of gefaxt worden. In de nabije toekomst zal dit elektronisch kunnen gebeuren via het zorgverlenersportaal.” WELKE PATIËNTEN KOMEN IN AANMERKING VOOR DE AMBULANTE RAADPLEGING Liesbeth Decoutere: “Nadat de afspraak
POLYFARMACIE?
is gemaakt door de huisarts, komt de
Patiënten met volgend risicoprofiel: > 75 jaar én minstens 5 geneesmiddelen en
patiënt naar het dagziekenhuis geriatrie.
minstens één van de volgende risicofactoren:
Er wordt dan een bloedstaal afgenomen
- Verminderde nierfunctie (eGFR < 50 ml/min/1,73 m²)
voor laboratoriumanalyse. Dat is nodig om
- Verminderde cognitie, of aanwijzingen voor geheugenstoornissen
de nier- en leverfunctie na te gaan en om
- Verhoogd valrisico (1 of meermaals gevallen de voorbije 12 maanden)
bijvoorbeeld zicht te krijgen op de vitami-
- Signalen van gedaalde therapietrouw
nestatus, cholesterolwaarden en HbA1C
- Niet zelfstandig wonend (in RVT, serviceflat)
van de patiënt. Daarna komt de patiënt bij de klinische apotheker voor de medicatieanamnese, waarbij we ook polsen naar de
WERKEN MEE AAN DIT PROJECT:
kennis van de patiënt over zijn genees-
APR. LIESBETH DECOUTERE, APR. LIESBET LOUWIES, APR. MARTIJN DROOGMANS, DR. TOON
middelen en de mogelijke moeilijkheden
DELVA, DR. CHARLOTTE DE CLERCQ, DR. MARK LUTIN, DR. MARIE-LOUISE VAN LEEUWEN,
en/of nevenwerkingen die hij in zijn
DR. MARIE-ELENA VANDEN ABEELE, DR. STEFAN WYNANTS
therapie ervaart. Vervolgens schuift hij door naar de arts voor een klinisch onderzoek waarbij een aantal parameters worden nagegaan en de huidige medische problemen worden geëvalueerd. Daarna is
MEER INFORMATIE
het even wachten op de resultaten van de
SECRETARIAAT GERIATRIE: tel. 011 28 94 72 - alle werkdagen tussen 8.30u en 16.30u
bloedanalyse. Eens we die gegevens heb-
RAADPLEGING POLYFARMACIE: Elke vrijdagnamiddag: tussen 13u en 16.30u
NIEUWE ARTSEN-SPECIALISTEN IN OPLEIDING 2015-2016
O
p 3 augustus 2015 zijn een aantal artsen-
3de rij: dr. Pieter Jan Van Asbroeck (urgentiegeneeskunde),
specialisten in opleiding een opleidingsjaar
dr. Melvin Willems (acute geneeskunde), dr. Berina Ihtijarevic (neus-,
in het Jessa Ziekenhuis gestart. In totaal heeft het
keel- en oorziekten), dr. Ruben Spitaels (gastro-enterologie), dr. Jan Ardui (gynaecologie), dr. Koen Delmotte (neurologie),
Jessa Ziekenhuis 68 artsen-specialisten in oplei-
dr. Karel Smeyers (heelkunde)
ding vanuit KULeuven en UAntwerpen die voor hun verdere opleiding zijn toegewezen aan de er-
4de rij: dr. Jeroen Vandenbrande (resident intensieve zorgen),
kende stageplaatsen binnen het Jessa Ziekenhuis.
dr. Thibault Meert (urologie), dr. Bram Casier (urologie), dr. Evert Baten (urologie), dr. Cedric Vanderstappen (orthopedie), dr. Michiel Boon (anesthesie), dr. Maarten Hendrickx (anesthesie), dr. Pieter-
Van links naar rechts:
Jan Moonen (urgentiegeneeskunde)
1ste rij: dr. Lies Lambrechts (klinische biologie), dr. Shu Chun Cao (pediatrie), dr. Bieke Wellens (urgentiegeneeskunde), dr. Isabelle Dewandel (pediatrie), dr. Wen Wen (heelkunde), dr. Dries Verdeyen (urgentiegeneeskunde), dr. Ine Westhovens (geriatrie), dr. Margot
Ontbreken op de foto: ASO’s die later starten
Van Mechelen (inwendige ziekten), dr. Valerie Dekoninck (anesthe-
dr. Govaert Kim (abdominale heelkunde), dr. Schuermans Wim
sie), dr. Evelien Claesen (medische beeldvorming), dr. Paulien Hil-
(klinische biologie), dr. Van den Rul Nathalie (gynaecologie)
ven (heelkunde), dr. Lukas Boomgaert (medische beeldvorming), dr.
dr. Vermaning Sietske (pediatrie)
Nele Guelinckx (Abdominale Hlk), dr. An Outtier (heelkunde), dr. Eva Ontbreken op de foto: ASO’s die hun opleiding reeds startten
Van Ginderdeuren (pediatrie)
in 2013 en 2014 dr. Billiet Charlotte (radiotherapie), dr. Brands 2de rij: dr. Liesbeth Thijs (inwendige ziekten), dr. Nathalie Ilsbroux
Michiel (anesthesie), dr. Byloos Bram (acute geneeskunde), dr.
(inwendige ziekten), dr. Sielte Maes (inwendige ziekten), dr. Anne-
Colpaert Charlotte (neus-, keel- en oorziekten), dr. Deferm Nathalie
lies RequilĂŠ (oncologie), dr. Eva Duinslaeger (fysische geneeskunde
(heelkunde), dr. Eyckmans Joeri (anesthesie), dr. Gijbels Roos (acu-
& revalidatie), dr. Julie Van der Veen (radiotherapie), dr. Benedict
te geneeskunde), dr. Indesteege Inge (medische beeldvorming),
Sars (inwendige ziekten), dr. Jan Stassen (inwendige ziekten),
dr. Jourand Kris (heelkunde), dr. Knaepen Senne (gynaecologie),
dr. Philippe Mortelmans (cardiologie), dr. Thomas Pilate (klinische
dr. Lefebvre Kristof (cardiologie), dr. Neuts Anneleen (anesthesie),
biologie), dr. Frederic De Roeck (cardiologie), dr. Annelies Van den
dr. Orye Christophe (urologie), dr. Schoenmaekers Bruno (urgen-
Bergh (pneumologie), dr. Stephanie Petermans (gynaecologie),
tiegeneeskunde), dr. Van kerkhoven Joke (urgentiegeneeskunde),
dr. Mieke Vanoppen (gynaecologie), dr. Benedicte Eneman (pedia-
dr. Vandersteen Liesbeth (anesthesie), dr. Verbeke Nikolaas (anes-
trie), dr. Ilja Depoortere (klinische biologie)
thesie ), dr. Verelst Sophie (pediatrie)
37 NIEUWS
Kraamafdeling gebruikt slaapzakjes om wiegendood te
D
e precieze oorzaak van wiegendood is nog niet bekend. Een aantal factoren waarop we geen invloed hebben, zoals geslacht, leeftijd, vroeggeboorte en een laag geboortegewicht kunnen de kans op wiegendood verhogen. Maar een aantal andere factoren zoals de temperatuur en de slaaphouding kunnen we wel aanpakken.
De kraamafdeling van het Jessa Ziekenhuis is dan ook overgeschakeld van lakentjes en dekentjes naar slaapzakjes. Het gebruik van een goed passend slaapzakje heeft een positieve invloed op een aantal factoren: -
Slaaphouding: jonge baby’s moeten op de rug te slapen gelegd worden. Ze kunnen dan immers niet zo gemakkelijk rollen. Baby’s die op de zij gelegd worden in een slaapzakje hebben een hoger risico op wiegendood omdat ze wel van zij naar buik kunnen doorrollen, maar onmogelijk terug kunnen. Daarom zijn slaapzakjes enkel aangeraden in ruglig.
-
Temperatuur: de slaapzak moet aangepast zijn aan de omgevingstemperatuur (bij koud weer kan eventueel een extra laken of deken gebruikt worden en in ‘feet to foot’-houding).
-
Veilig slaapmateriaal: passende slaapzak zodat het hoofdje niet mee in de slaapzak kan zakken (de temperatuur wordt bij baby’s geregeld via het hoofd en er is ook het gevaar voor verstikking/CO-vergiftiging).
38 KRAAMAFDELING
39
voorkomen
SYMPOSIUM GROEISTOORNISSEN
Dokter, onze zoon/dochter is Idiopathische kleine lengte “Ongeveer 3% van de kinderen is te klein. Behandeling met groeihormoon kan alleen maar in bepaalde gevallen waarbij er een duidelijk tekort aan is. De meest voorkomende reden van kleine lengte is echter een idiopathische groeiachterstand. Meestal is de kleine lengte dan een familiaal gegeven. De lengte van de ouders is dus zeer belangrijk. Als de ouders klein zijn, is de kans groot dat de kinderen ook klein zijn en een relatief kleine volwassen lengte zullen bereiken”, zegt prof. dr. G. Massa. “De behandeling van deze kinderen is niet altijd even evident omdat ze immers geen tekort aan groeihormoon hebben, maar wel een genetische oorzaak die aan de basis ligt van hun groeiachterstand.
O
Voorbeelden hiervan zijn een defecte groeihormoonreceptor of een te geringe aanmaak van receptoren. Dit komt echter vrij zelden voor
ngeveer 3% van de kinderen is te klein en ongeveer evenveel kinderen zijn te groot. Een tekort aan groeihormoon is een eerder zeldzame oorzaak van groeiachterstand. Maar andere oorzaken, zoals het uitblijven van de puberteit, komen veel vaker voor. “Tijdig doorverwijzen is dan ook de boodschap”, zegt Prof. dr. Guy Massa, kinderendocrinoloog in het Jessa Ziekenhuis, gespecialiseerd in groeistoornissen.
in België. Een ander voorbeeld hiervan is de SHOX-haploinsuffi-ciëntie (Short Stature Homeobox Gene). Een dergelijke aandoening komt wel in aanmerking voor behandeling met groeihormoon, voorlopig nog in het kader van een medical need programma. Recent hebben we zo’n patiënt succesvol kunnen behandelen. Jaarlijks worden er nieuwe genetische defecten ontdekt die verband houden met kleine lengte en groeiachterstand. De behandeling hiervan blijft een vraagteken.”
Intra-uteriene groeiachterstand Prof. dr. G. Massa: “Een relatief frekwent voorkomende indicatie voor behandeling met groeihormoon is intra-uteriene groeiachterstand zonder postnatale inhaalgroei. Ongeveer 5% van de baby’s is te “De vraag om meer te groeien komt wel eens van kinderen (of hun
klein bij geboorte. Daarvan zal 20% de groeiachterstand opgelopen
ouders) die eigenlijk niet echt te klein zijn”, aldus prof. dr. G. Massa.
in de baarmoeder na de geboorte niet meer inhalen. Deze kinderen
“Maar een te kleine gestalte is vaak een subjectief gegeven. Deze
komen in aanmerking voor een terugbetaalde behandeling met
kinderen zijn weliswaar niet van de grootste, maar hun lengte zit
biosynthetisch humaan groeihormoon. Deze indicatie kan behandeld
nog meestal boven de percentiel-10 waarde. Concreet betekent
worden vanaf de leeftijd van 4 jaar. Maar hoe langer het kind onder
dit dat 90% van de kinderen op hun leeftijd groter zijn dan zijzelf.
de groeicurve blijft, hoe moeilijker het wordt om de groeiachterstand
Dat is niet leuk natuurlijk, maar dat is in principe geen reden tot
in te halen. Daarom moeten dergelijke patiënten tijdig doorverwezen
ongerustheid.”
worden zodat we vroegtijdig kunnen starten met de behandeling.
40 KINDER- EN JEUGDGENEESKUNDE
PROF. DR. GUY MASSA
te klein/te groot Anderzijds mogen we die behandeling niet onderschatten, het kind
hand van de lichaamslengte van de ouders (de zogeheten mid-ou-
moet immers elke dag een inspuiting krijgen. Ik wacht dan ook liever
derlengte). Hier zit wel een foutmarge (± 8,5 cm) op, maar het biedt
tot de leeftijd van ongeveer 6 jaar zodat het kind een beetje begrijpt
wel een goede indicatie van de finale lengte. Een andere methode is
waarom dat allemaal moet gebeuren. Dat maakt het toch wat ge-
de bepaling van de botleeftijd aan de hand van een röntgenopname
makkelijker voor iedereen.”
van de hand. Op basis van de botleeftijd en de actuele lengte van het kind kan op basis van statistische formules een schatting van de uiteindelijke volwassen lengte gemaakt worden.
De rol van de puberteit “Ook het uitblijven van de puberteit kan aan de oorsprong liggen
“Klein zijn is echter niet altijd een probleem. De moeilijkste geval-
van een groeiachterstand. De groei en puberteit zijn nu eenmaal
len zijn de personen met een pseudo kleine gestalte, mensen die
onlosmakelijk met elkaar verbonden”, legt prof. dr. G. Massa uit. “De
denken dat zij of hun kind te klein zijn. Onze taak is vaak om deze
meeste mensen denken dat meisjes met beginnende borstontwik-
mensen gerust te stellen en de normaliteit van hun lengte aan te
keling gaan stoppen met groeien. Dat is een misvatting. Dan vatten
tonen. We moeten immers uiterst voorzichtig zijn met de medica-
zij hun pubertaire groeispurt aan en beginnen ze net te groeien. De
lisering van de maatschappij! Ook de instelling van de patiënt is
groei stopt evenwel korte tijd na de eerste menstruatie. Meer dan
hierbij cruciaal. Daarenboven suggereren enkele recente studies dat
bij meisjes zien we bij jongens een latere puberteit. Die jongens
het gebruik van hoge doses groeihormoon op lange termijn ernstige
zijn dan te klein omdat hun puberteit nog niet ingetreden is. De
bijwerkingen kan hebben zoals bottumoren en hersenbloedingen.
huisarts kan dit nagaan door het teelbalvolume te meten. Indien we
Een reden temeer om niet iedereen zomaar ondoordacht te gaan
te maken hebben met een 15 – 16 jarige jongen bij wie de puberteit
behandelen met groeihormoon”, concludeert prof. dr. G. Massa.
nog niet is ingetreden kunnen we de puberteit induceren door een behandeling met testosteron. Hierdoor beginnen deze jongens te Te groot?
groeien met soms spectaculaire resultaten tot gevolg.”
“Het tegenovergestelde bestaat uiteraard ook. Drie procent van de “Bij meisjes kan een verlate puberteit ook voorkomen en dan kunnen
kinderen heeft een te ‘grote’ lengte, meestal in het kader van een
we de puberteit induceren door het toedienen van vrouwelijke hor-
familiaal grote lengte. De behandeling van deze te grote kinderen
monen. Maar we zien bij meisjes eerder een te vroege puberteit dan
bestaat er in om de puberteit met hoge doses geslachtshormonen
bij jongens, met dus ook een snellere groeistop. Hier is het dus cru-
te versnellen zodat deze kinderen sneller stoppen met groeien. De
ciaal dat de huisarts deze kinderen tijdig doorverwijst voor verdere
laatste jaren duiken er in de literatuur evenwel gegevens op over
diagnostiek en zo nodig behandeling. Soms worden meisjes doorver-
de mogelijke ongunstige gevolgen op de vruchtbaarheid op lange
wezen 3 jaar na hun eerste menstruatie. Die meisjes zijn uitgegroeid,
termijn na behandeling met hoge doses geslachtshormonen ter
daar kunnen we dan jammer genoeg niets meer voor doen.”
remming van de groei. Een alternatieve behandelingsmogelijkheid is een orthopedische ingreep aan de knie om deze kinderen vroeger te laten stoppen met groeien.”
Hoe groot kan ik worden? “We krijgen ook regelmatig de vraag om de uiteindelijke volwassen
MEER INFORMATIE
lengte in te schatten. We kunnen dat op 2 manieren nagaan. Een eenvoudige manier is de inschatting van de finale lengte aan de
PROF. DR. GUY MASSA, tel. 011 30 96 34
41 KINDER- EN JEUGDGENEESKUNDE
42 HANDHYGIËNE
5 vragen over E
en goede hygiëne is cruciaal, zeker in de zorgsector. Dr. Koen Magerman en dr. Luc Waumans van de dienst ziekenhuishy-
giëne geven antwoord op 5 vragen omtrent (hand)hygiëne in de dokterspraktijk.
MULTI-RESISTENTE KIEMEN KOMEN MEER EN MEER VOOR, OOK IN DE HUISARTSENPRAKTIJK EN DE WOON-EN ZORGCENTRA.
1
Wat zijn de basisvereisten voor handhygiëne?
Microben die zorginfecties veroorzaken,
2
Wanneer moet handhygiëne uitgevoerd worden?
Er zijn verschillende indicaties om de han-
worden vooral overgedragen via de han-
den te ontsmetten zoals
den. Zorgverleners moeten dus propere
- vóór ieder rechtstreeks contact met de
handen hebben als ze een patiënt verzor-
patiënt,
gen. Dat kan door de handen te wassen
- vóór een zuivere of invasieve handeling
met water en zeep of door ze te ontsmet-
zoals een bloedafname, plaatsing van
ten met handalcohol. Het inwrijven van de handen met handalcohol is efficiënter,
een katheter of een urinesonde, … - bij het verlaten van de patiënt indien er
sneller en gebruiksvriendelijker. Als de
rechtstreeks contact was met de patiënt,
handen zichtbaar bevuild zijn, moeten
- na een risico op blootstelling aan li-
ze eerst gewassen worden met water en
chaamsvochten of slijmvliezen van de
zeep en vervolgens ontsmet met handal-
patiënt zoals bij het ledigen van de uri-
cohol.
nezak, … en - na contact met voorwerpen of opper-
Andere basisvereisten zijn kortgeknipte
vlakken in de onmiddellijke omgeving
en zuivere nagels (geen nagellak en geen
van de patiënt zoals een bed of nacht-
kunstnagels), een jas met korte mouwen,
DR. KOEN MAGERMAN EN DR. LUC WAUMANS
kastje.
het afdekken van eventuele wondjes en
Best is dat de huisarts voor en na contact
geen juwelen, horloges, armbanden of
met de patiënt zijn handen ontsmet om de
piercings ter hoogte van de handen en de
kans op potentiële overdracht te vermin-
polsen/onderarmen.
deren.
43 HANDHYGIËNE
(hand)hygiëne 3
Hoe is het gesteld met de handhygiëne bij huisartsen?
Handhygiëne is niet alleen een zaak van
4
Wat met de hygiëne in de consultatieen wachtruimte?
5
Zijn er nog andere factoren waarop de huisarts kan letten?
We kunnen moeilijk verlangen dat artsen
Onder goede hygiëne valt niet alleen alles
ziekenhuizen natuurlijk. Huisartsen komen
hun volledige praktijk inrichten zoals een
rond preventie van overdracht van ziekte-
vaak in rusthuizen, plaatsen met typisch
ziekenhuis. De huisartsen moeten zelf na-
kiemen, maar ook het voorschrijfgedrag
een groter risico op de aanwezigheid van
denken over hoe ze hun praktijk het best
van artsen in verband met antibiotica.
resistente kiemen zoals MRSA. In de am-
inrichten met het oog op een optimale hy-
Artsen beschikken over de richtlijnen voor
bulante praktijk worden ook steeds meer
giëne. Daaronder vallen zaken zoals mo-
het gebruik van antibiotica in de ambu-
patiënten met chronische ernstige patho-
gelijkheden om de handen te wassen en
lante praktijk van BAPCOC. Ze zouden
logie behandeld. De kans op dragerschap
te ontsmetten, het gebruik van papieren
die nog strikter moeten toepassen en
van multi-resistente bacteriën en over-
handdoeken. Maar ze moeten ook naden-
erop toezien dat het langdurig gebruik
dracht tussen patiënten is toegenomen
ken over hoe het lokaal optimaal gepoetst
van antibiotica vermindert. De ambulante
in de huisartsenpraktijk. Best is dat de
kan worden, hiervoor kunnen bijvoorbeeld
praktijk is goed voor 85% van alle antibi-
huisarts hier ook voor en na contact met
afgeronde overgangen tussen muren en
oticaverbruik in België. Het totaalgebruik
de patiënt zijn handen ontsmet om de kans
vloeren worden voorzien. Het schoon-
van antibiotica moet naar beneden in het
op potentiële overdracht te verminderen.
maken van medisch onderzoeksmateriaal
kader van de resistentieproblematiek. Dit
De meer gestructureerde aanpak blijft
is cruciaal, maar ook het ontsmetten van
kan bijvoorbeeld al door virale infecties
echter vooral gericht naar ziekenhuizen.
telefoon, toetsenborden en dergelijke zijn
op een juiste manier (zonder antibiotica)
Er worden wel verschillende campagnes
van primordiaal belang. Dat vraagt geen
te behandelen.
gelanceerd vanuit organisaties zoals het
grote investeringen. De richtlijnen voor
Wit-Geel Kruis en Domus Medica. Ook ini-
inrichting van gezondheidsinstellingen
tiatieven vanuit de LOCs spelen hierbij een
zijn recent uitgevaardigd door de hoge
rol. Vergelijking met cijfers uit het verleden
gezondheidsraad en kunnen dienen als
toont aan dat dit laatste jaren verbeterd is,
inspiratie.
mede omdat de patiënt actief vragen stelt
Daarnaast bestaat er in de wachtruimte
aan zijn arts over hygiëne. Een blijvende
een verhoogd risico op besmetting, maar
sensibilisering is nodig, dat geldt trouwens
dat is vooral tussen patiënten onderling.
ook voor de ziekenhuizen. We hebben re-
De huisarts krijgt regelmatig informatie
gelmatig overleg hierover met woonzorg-
van de overheid omtrent hygiëne, die
centra, maar nog niet, of toch veel minder,
specifiek gericht is naar patiënten. Het
FUNCTIE. HET IS DUS PRIMORDIAAL
met huisartsen. Een externe audit zoals in
is geen slecht idee om die zichtbaar te
DAT ZE DE BASISVEREISTEN
de ziekenhuizen door de overheid is niet
plaatsen in de wachtzaal.
NAUWGEZET VOLGEN.
ARTSEN HEBBEN EEN VOORBEELDFUNCTIE EN EEN ONDERSTEUNENDE
realistisch. De persoonlijke discipline van de huisarts zal bepalen hoe goed handhygiëne wordt toegepast in de praktijk. Mondige patiënten houden wel een oogje
MEER INFORMATIE
in het zeil en wijzen de artsen op hun ver-
DIENST ZIEKENHUISHYGIËNE tel. 011 30 86 95
antwoordelijkheden.
DIENST INFECTIEZIEKTEN EN IMMUNITEIT tel. 011 30 94 85
44
OPINIE
OPINIE
BURN-OUT BIJ
T
wee op drie werknemers in België geeft aan last te hebben van stress op het werk.
Een op tien krijgt te maken met een burn-out1.
Hulpverleners, die instaan voor het fysiek en mentaal welbevinden van anderen, lopen helaas zelf vaak een groot risico om “erdoor te zitten” en opgebrand te geraken. Artsen en verpleegkundigen kampen steeds vaker met fysieke en emotionele uitputting met een burn-out als gevolg2. Het is daarom belangrijk om in de gezondheidszorg niet alleen oog te hebben voor cijfers en de prestaties op de werkvloer, maar ook voor het mentaal welzijn van werknemers en leidinggevenden.
Belang van een juiste diagnose Een burn-out wordt wel eens verward met een depressie, overspannenheid of workaholisme. Toch zijn dit allemaal verschillende aandoeningen of toestanden. Je kan pas daadwerkelijk van een burn-out spreken wanneer je, na jarenlange overbelasting, in een soort eindtoestand komt van fysieke en emotionele uitputting ten gevolge van je werk. Typisch hierbij zijn emotionele uitputting, depersonalisatie (het gevoel vervreemd te zijn van collega’s en patiënten, je steeds sarcastischer opstellen op de werkvloer) en twijfels aan de eigen capaciteiten en prestaties3. Waar vroeger de nadruk gelegd werd op de individuele verantwoordelijkheid bij het bereiken van een dergelijke eindtoestand (“je dient aan jezelf te werken en jezelf sterker te maken”), groeit stilaan het besef bij
ALS HULPVERLENER AAN HET EINDE VAN JE LATIJN ZIJN, HET IS NIET
instanties van een gedeelde verantwoordelijkheid van werkgever en werknemer. Factoren als werkdruk, te weinig tijd voor menselijk contact met de patiënt, te weinig evenwicht tussen werk en privé-
GEMAKKELIJK OM DIT TOE TE
leven en een stijging in administratieve verplichtingen lijken de
GEVEN.
werkvreugde van de hulpverlener steeds meer te beknotten.
45 OPINIE
HULPVERLENERS Taboe
en te blijven doen wat men altijd deed want “tot nu toe is het zo
Als hulpverlener aan het einde van je Latijn zijn, het is niet
toch altijd gelukt, dus we doen zo maar verder”. Bij een gebrek aan
gemakkelijk om dit toe te geven. Niet aan jezelf en al zeker niet
zelfzorg kom je echter op een gegeven moment toch op een punt
aan anderen. Zo ervaren artsen dat het onder collega’s not done
waarop je tegen jezelf aanbotst en je niet zomaar op de oude weg
is om de eigen kwetsbaarheid en nood aan ondersteuning aan
verder kan. Het is net dan, wanneer je geen uitweg meer ziet, dat
te kaarten. Ook naar de buitenwereld toe is dit een delicate
er ruimte vrijkomt voor nieuwe patronen en nieuwe manieren om
kwestie. Hoe reageert immers een patiënt in kwestie wanneer
onder andere werk en privé anders te gaan combineren en beter
hij zijn arts in de wachtkamer van een psycholoog tegenkomt?
voor zichzelf te zorgen.
En nemen collega’s je nog serieus als je verstek geeft, terwijl zij hard blijven doorwerken en het werk wel nog aankunnen4? Ook bij verpleegkundigen en paramedici speelt de paradox van de
Naar de toekomst toe
hulpverlener. Je staat erom bekend zelf voor anderen de rots in de
Als hulpverlener is het niet onverstandig om reeds preventief
branding te zijn. Aan de andere kant van de tafel belanden, dat
rond burn-out te werken. Een cursus mindfulness kan van pas
hoort toch niet? Als hulpverlener dien je toch jezelf te kunnen
komen, de klik maken als je van het werk naar huis vertrekt, in je
helpen? Helaas wordt hierbij over het hoofd gezien dat elk mens
privéleven zorgen voor voldoende mogelijkheden om te kunnen
zijn blinde vlekken heeft en hierdoor niet altijd zicht heeft op de
ventileren en met flowactiviteiten bezig te zijn (sport, kunst, mu-
oplossing of visie die vereist is om terug in balans te geraken.
ziek…). Op het werk is het belangrijk om je grenzen aan te geven,
Daarnaast is het niet meer dan menselijk dat ook de hulpverlener
ook al wordt hier niet altijd rekening mee gehouden. Durf af te
soms zelf hulp nodig heeft. Echter, we houden zo graag vast aan
bakenen en denk op lange termijn: welke beslissingen op dit mo-
onze onafhankelijkheid, ook op emotioneel vlak, en vinden het
ment dragen bij aan een blijvend functioneren op de werkvloer?
eng om dieper te gaan graven. Wat als we onszelf bijvoorbeeld
Ook voor de werkgever en leidinggevenden is het goed om hier
(onnodig) instabiel maken door op bepaalde emotionele kwesties
voldoende oog voor te hebben zodat de geëngageerde werkne-
te stoten? Toch blijkt dat het werken aan zelfinzicht en het leren
mers (en leidinggevenden) niet voortijdig opbranden en hierdoor
hanteren van angst en emotionele onrust op termijn net voor
verbitterd raken of andere oorden opzoeken. Op lange termijn
meer rust en evenwicht zorgt. Het is alleen niet gemakkelijk om
vertaalt preventie van burn-out zich immers ook in standvastig-
die keuze te maken en het vraagt moed om in eigen boezem te
heid van de cijfers, wat niet het geval is bij steeds meer uitval van
kijken. Veel handiger lijkt het om “maar gewoon door te gaan”
de betrokken werknemers.
1 Securex (2015). Whitepaper: Stress & burn-out: dreiging voor werknemers… én werkgevers? Brussel: Securex. 2 Vandenbroeck, S., Vanbelle, E., Witte, H. De, Moerenhout, E., Sercu, M., Man, H. De, Vanhaecht, K., Gerven, E. Van, Sermeus, W., & Godderis, L. (2012). Een onderzoek naar burn-out en bevlogenheid bij artsen en verpleegkundigne in Belgische ziekenhuizen. Samenvattend rapport. Brussel: FOD Volksgezondheid en FOD Werkgelegenheid. 3 Maslach, C., Schaufeli, W.B., & Leiter, M.P. (2001). Job burnout. Annual Review of Psychology, 52, 397-422. 4 Chew-Graham, C.A., Rogers, A., & Yassin, N. (2003). ‘I wouldn’t want it on
MEER INFORMATIE NATHALIE CARDINAELS
Klinisch psychologe, gedragstherapeute en mindfulness trainer Psychologe borstcentrum, Jessa Ziekenhuis psychologenpraktijk De Meiboom Het boek “Burn-out bij hulpverleners” van Nathalie Cardinaels verscheen in september 2015 bij uitgeverij Acco. Meer tips over omgaan met (werk)stress vind je ook op haar blog “Vrije vogel in drukke tijden”: www.drukketijden.com. Eerder verschenen van haar de boeken “Mindfulness bij borstkanker” (Acco, 2011 –
my CV or their records’: medical students experiences of help-seeking
bekroond met de Pink Panther Award en vertaald naar het Frans) en “Omgaan met
for mental health problems. Medical Education, 37(10), 873-880.
kanker” (Acco, 2014).
DR. SOFIE HULSBOSCH GYNAECOLOOG
DR. HENDRIK DISCART URGENTIE-ARTS
DR. CLAUDIA COOLEN KINDERNEFROLOOG
In 2010 voltooide dr. Sofie Hulsbosch
Na zijn geneeskundestudies aan de KU
Na haar geneeskundestudies aan de KU
haar basisopleiding arts aan de KU Leu-
Leuven en de VUB behaalde dr. Hendrik
Leuven behaalde dr. Claudia Coolen haar
ven. Nadien specialiseerde zij zich verder
Discart zijn artsendiploma in 1983. Hij
artsendiploma in 2010. Ze specialiseerde
in de gynaecologie-verloskunde, waarbij
specialiseerde zich in de algemene heel-
zich in algemene kindergeneeskunde
zij reeds 1 jaar actief was in het Jessa Zie-
kunde en vaatheelkunde in Brussel en
en behaalde haar erkenning en ManaMa
kenhuis. In 2015 behaalde ze haar diplo-
Durban (Zuid-Afrika). Na enkele jaren in
diploma in 2015. Ze was tijdens haar
ma ManaMa gynaecologie-verloskunde en
het Stuivenberg Ziekenhuis te Antwerpen
opleiding werkzaam in Leuven, Hasselt
sinds 1 september 2015 verdiept zij zich
gewerkt te hebben als vaatchirurg, ver-
en Antwerpen en deed ervaring op in de
gedurende 2 jaar nog verder in de sub-
trok hij naar Nederland. In Lelystad (MC-
verschillende subdisciplines van de kin-
specialisatie reproductieve geneeskunde.
groep) en Zwolle (ISALA-ziekenhuis) heeft
dergeneeskunde. Ze start nu in het Jessa
Hiervoor is ze deeltijds actief in het UZ
hij gedurende ongeveer 13 jaar met veel
Ziekenhuis en heeft een bijzondere inte-
Leuven. Sindsdien is zij ook gestart in het
plezier vaatheelkunde en algemene heel-
resse voor kindernefrologie, waarvoor ze
Jessa Ziekenhuis als gynaecoloog met oog
kunde beoefend. Nu komt hij terug naar
zich nog deeltijds verder specialiseert in
op verdere ontwikkeling van het fertili-
BelgiĂŤ om in het Jessa Ziekenhuis bij te
het UZ Gasthuisberg, Leuven. Ze zal zich
teitscentrum.
dragen aan de verdere ontwikkeling van
ondermeer toewijden aan kinderen met
de spoedgevallendienst.
plasproblemen, en aangeboren nierafwijkingen en zal het plas- en bekkenbodemteam, in samenwerking met andere betrokken disciplines, aansturen en verder uitbouwen.
46 NIEUWE ARTSEN
NIEUWE
artsen
DR. KOEN VANDEN DRIESSCHE KINDERINFECTIEZIEKTEN
DR. PHILIPPE JR. TIMMERMANS CARDIOLOOG
Na zijn geneeskundestudies aan de KU
Dr. Philippe Jr. Timmermans studeerde
Vanaf 1 september 2015 is dr. Timmer-
Leuven behaalde dr. Koen Vanden Dries-
geneeskunde aan de Universiteit Has-
mans als cardioloog-intensivist werkzaam
sche in 2005 zijn artsendiploma. Meteen
selt en de KU Leuven, en promoveerde
in het Jessa Ziekenhuis in de artsenassoci-
daarna vertrok hij naar Kinshasa (DRC)
in 2007. Hij specialiseerde zich verder in
atie Hasselt Hartcentrum, met ondersteu-
waar hij voor The University of North
cardiologie met rotaties in UZ Leuven en
ning van de functiemetingen in het AZ
Carolina in een tuberculose/HIV project
het Jessa Ziekenhuis.
Sint-Trudo op woensdag voormiddag. Hij
werkte. Hij volgde een opleiding aan het
Nadien startte hij een opleiding intensie-
zal zich voornamelijk toeleggen op acuut
Instituut voor Tropische Geneeskunde te
ve zorgen aan de UZ Leuven op de dienst
en chronisch hartfalen, cardiale beeldvor-
Antwerpen. Na zijn opleiding tot kinder-
van Professor Van den Berghe, en werd
ming en de cardiale intensieve zorgen.
arts (2007-2011) in Veldhoven (Maxima
erkend tot intensivist in 2014.
Op donderdag zal hij in UZ Leuven de
Medisch Centrum, NL) en Nijmegen (Rad-
Hij volgde een verdere subspecialisatie in
hartfalenraadplegingen
en
boud UMC, NL) vertrok hij voor drie jaar
geavanceerd hartfalen en -transplantatie
harttransplantatiezorg
blijven
naar Vancouver (CA) voor een fellowship
in UZ Leuven van 2014 tot 2015, waar
steunen, evenals verder deelnemen aan
kinderinfectieziekten.
hij tevens supervisor was op de cardiale
wetenschappelijk onderzoek in het do-
In het Jessa Ziekenhuis zal hij zich naast
intensieve zorgen.
mein van “Left Ventricular Assist Devices
de
en
In 2014 behaalde hij certificatie in transt-
(LVAD)” en inspanningstesten bij hartfa-
neonatologie toeleggen op kinderinfec-
horacale en transoesophagale echocar-
lenpatiënten.
tieziekten. Hij zal samen met dr. Raes de
diografie. aan de European Association
kinderlongziekten en kinderallergologie
of Cardiovascular Imaging. Hij slaagde
verder uitbouwen. Dr. Vanden Driessche
tevens voor de USMLE examens, afgelegd
combineert deze klinische activiteiten
in 2012 en 2013.
met een doctoraatsonderzoek naar de im-
Sedert 2014 neemt hij deel aan het Post-
pact van respiratoire hygiëne op transmis-
graduate Course in Heart Failure aan de
sie van tuberculose in Kaapstad (ZA).
universiteit van Zürich, waar hij als eerste
algemene
kindergeneeskunde
lichting Europese hartfalenspecialisten, erkend door de European Society of Cardiology, zal afstuderen in oktober 2015. Hij startte ook een opleiding management voor de ziekenhuisprofessional aan de Vlerick buisiness school.
47 NIEUWE ARTSEN
ambulante onder-
48 VERBUM
VERBUM Gepubliceerd in Case Rep Obstet Gynecol. 2014;2014:204915.
CHOLANGIOCARCINOMA PRESENTING AS UTERINE METASTASIS. Dendas W1, Cappelle L2, Verguts J1, Orye G3. (1) Department of Obstetrics and Gynecology, Jessa Hospital, Stadsomvaart 11, 3500 Hasselt, Belgium; Department of Obstetrics and Gynecology, University Hospital KU Leuven Gasthuisberg, Herestraat 49, 3000 Leuven, Belgium. (2) Department of Pathology, Jessa Hospital, Stadsomvaart 11, 3500 Hasselt, Belgium. (3) Department of Obstetrics and Gynecology, Jessa Hospital, Stadsomvaart 11, 3500 Hasselt, Belgium.
periprocedural period but late emboliszations are not uncommon. Although embolization into the aorta or the left atrium can be successfully managed by percutaneous techniques in most cases, device embolization into the LV is associated with a higher rate of surgical retrieval, increasing thereby procedure-related morbidity. © 2015 Wiley Periodicals, Inc. KEYWORDS: Amplatzer cardiac plug; closure; complication; device; embolization; left atrial appendage; watchman.
ABSTRACT
Metastases to the female genital tract are rare, with metastatic disease restricted to the uterus being even less frequent. The primary tumor is most often intragenital rather than extragenital. The diagnosis is usually made after occurrence of gynecological symptoms. We describe the case of a 26-year-old female, in whom a curettage for menorrhagia revealed a uterine malignancy, at first thought to be a carcinosarcoma. Biochemistry only showed iron deficiency anemia. Imaging showed discrepant results with liver lesions, suspect of neoplastic or inflammatory disease. She underwent an abdominal hysterectomy and, peroperatively, a frozen section of a mass in the liver hilus demonstrated a cholangiocarcinoma. The diagnosis of a uterine metastasized cholangiocarcinoma was made. We emphasize the fact that uterine metastases have to be excluded in every woman with abnormal uterine bleeding and a personal history of malignancy. However, our case also indicates that gynecological metastatic disease may be the first presentation of an extragenital primary neoplasm.
Gepubliceerd in Catheter Cardiovasc Interv. 2015 Feb 11.
EMBOLIZATION OF LEFT ATRIAL APPENDAGE CLOSURE DEVICES: A SYSTEMATIC REVIEW OF CASES REPORTED WITH THE WATCHMAN DEVICE AND THE AMPLATZER CARDIAC PLUG. Aminian A, Lalmand J, Tzikas A, Budts W, Benit E, Kefer J. ABSTRACT
We sought to provide a systematic review of reported cases of LAA closure device embolization by focusing on the two most commonly implanted devices: the Watchman (WM) device and the Amplatzer Cardiac Plug (ACP). METHODS: A comprehensive search of the Pubmed database was conducted until October 1, 2014. Studies were included if they described at least 1 case of embolization of the WM and/or the ACP. RESULTS: A total of 20 studies reporting 31 cases of device embolization were identified, including 13 cases with WM and 18 cases with ACP with ACP. The timing of embolization was described in 29 cases and was categorized as acute in 20 cases (65%) and late in 9 cases (30%). The anatomical location of embolized devices was reported in 21 cases: into the aorta in 9 cases, into the left ventricle (LV) in 9 cases and into the left atrial cavity in 3 cases. As compared to embolization into the aorta or the left atrial cavity, device embolization into the LV was associated with a higher rate of surgical retrieval (8/9 vs 2/12; 88% vs 17%, P = 0.0019). Major adverse events related to device embolization occurred in three patients (9.6%). CONCLUSIONS: LAA closure device embolization occurs mainly in the OBJECTIVES:
Gepubliceerd in Atherosclerosis 2015 Apr 7;240(2):351-354.
LONG-TERM EFFECT OF MOLSIDOMINE, A DIRECT NITRIC OXIDE DONOR, AS AN ADD-ON TREATMENT, ON ENDOTHELIAL DYSFUNCTION IN PATIENTS WITH STABLE ANGINA PECTORIS UNDERGOING PERCUTANEOUS CORONARY INTERVENTION: RESULTS OF THE MEDCOR TRIAL. Barbato E, Herman A, Benit E, Janssens L, Lalmand J, Hoffer E, Chenu P, Guédès A, Missault L, Pirenne B, Cardinal F, Vercauteren S, Wijns W. ABSTRACT OBJECTIVE: The
MEDCOR trial is a double-blind, randomized study aiming at demonstrating the superiority of molsidomine (direct NO donor) over placebo, used as add-on treatments, on improving endothelial function (EF) after 12 months, instable angina patients undergoing percutaneous coronary intervention. METHODS: EF was assessed by peripheral vasodilator response (i.e. Endoscore) using arterial tonometry and by several biomarkers, in terms of changes versus baseline after a one-year treatment. RESULTS: The change in Endoscore was +75 ± 130% in placebo group and +39 ± 145% in molsidomine group (p = 0.143). There was a decrease in sICAM-1 with molsidomine (-6%) and an increase with placebo (+6%). The MPO activity/antigen ratio slightly increased with placebo (+9%) and strongly decreased with molsidomine (-42%) (p = 0.020). CONCLUSION: The MEDCOR trial was not able to demonstrate significant differences between molsidomine and placebo for all parameters, except the MPO activity/antigen ratio which significantly decreased with molsidomine (p = 0.020 versus placebo). KEYWORDS: Atherosclerosis; biomarkers; molsidomine; nitric oxide donor; percutaneous coronary intervention; reactive hyperemia-peripheral arterial tonometry; stable angina.
Gepubliceerd in EuroIntervention. 2015 Apr 22;10(12):1383-90.
RANDOMISED STUDY OF A BIOABSORBABLE POLYMER-COATED SIROLIMUS-ELUTING STENT: RESULTS OF THE DESSOLVE II TRIAL. Wijns W, Vrolix M, Verheye S, Schoors D, Slagboom T, Gosselink M, Benit E, Donohoe D, Knape C, Attizzani GF, Lansky AJ, Ormiston J. ABSTRACT AIMS: To compare the efficacy and safety of the MiStent absorbable polymer sirolimus-eluting stent (APSES) with a zotarolimus-eluting stent (ZES). METHODS AND RESULTS: The trial was a 2:1 randomisation at 26 sites of 184 patients implanted with an APSES (n=123) versus a ZES (n=61).
49 VERBUM
Following stent implantation, all patients underwent quantitative coronary angiography at baseline and at nine months of follow-up, while a select subgroup also underwent optical coherence tomography (OCT). The primary efficacy hypothesis was superiority of in-stent late lumen loss (LLL) of APSES compared to ZES. At nine months, the primary endpoint was met, with a mean in-stent LLL of 0.27±0.46 mm in 103 APSES patients versus 0.58±0.41 mm in 52 ZES patients (p<0.001). The proportion of uncovered stent struts by OCT at nine months was very low in both groups. The mean neointimal thickness of covered struts (p=0.002) and percent net volume obstruction (p≤0.003) were significantly lower in the APSES than in the ZES group. Major adverse cardiac event and stent thrombosis rates were low and comparable between groups. CONCLUSIONS: The DESSOLVE II trial demonstrated superiority in the primary efficacy endpoint of nine-month mean LLL for APSES compared to ZES. Strut coverage by OCT was high with both stents and the clinical safety endpoints including stent thrombosis were equally low in both groups. ClinicalTrials.gov Identifier: NCT01294748.
Gepubliceerd in Acta Cardiol 2015;70(2):133-140.
PERCUTANEOUS CLOSURE OF INTER-ATRIAL COMMUNICATIONS (ATRIAL SEPTAL DEFECT AND PATENT FORAMEN OVALE): SINGLECENTRE EXPERIENCE AND MID-TERM FOLLOW-UP. Van De Bruaene A, Stroobants D, Benit E. Heart Center, Jessa Hospital, Hasselt, Belgium. ABSTRACT
Percutaneous closure of atrial septal defect (ASD) and patent foramen ovale (PFO) are increasingly being performed. Effective closure rate depends on the anatomy of the interatrial septum and the device used, but its relationship with outcome is poorly described. This study aimed at evaluating: (1) effective ASD and PFO closure rate, (2) factors related with effective closure rate, and (3) factors related with mid-term outcome. METHODS: All patients who underwent percutaneous ASD or PFO closure at Jessa Hospital Hasselt between April 2002 and February 2014 were enrolled. Closure rate was evaluated using consecutive contrast echocardiography studies. Adverse events were defined as a composite of all-cause mortality, hospitalization for heart failure, atrial arrhythmias and thrombo-embolic event. RESULTS: One-hundred and two patients (52 ± 12 y, 42% male, 75 PFO and 27 ASD) were included in the study. Moderate residual shunt was present in 6% and 10% 6 years after ASD and PFO closure, respectively. The presence of an aneurysmatic interatrial septum was associated with residual shunt after PFO closure (HR 0.57 95% CI 0.330.96; P = 0.031). Pulmonary hypertension (HR 1.09 95% CI 1.01-1.17; P = 0.017) and a history of atrial arrhythmias in ASD (HR 4.28 95% CI 1.06-17.40; P = 0.046) and age at closure (HR 1.09 95% CI 1.021.16; P = 0.012) in PFO patients were related with adverse events. The highest rate of adverse events was observed after placement of a Helex Septal Occluder®. Amplatzer® and Occlutech® devices yielded higher effective closure rates. BACKGROUND:
CONCLUSIONS: Effective closure rates were acceptable 6 years after ASD and PFO closure. The presence of an aneurysmatic septum is associated with residual shunting after PFO closure. Pulmonary hypertension in ASD and older age at closure in PFO are associated with adverse outcome. Adverse events are more frequent with the Helex occluder and effective closure rate depends on the device used. KEYWORDS: Artrial septal defect; patent foramen ovale; transcatheter device closure; outcome.
Gepubliceerd in Eur Heart J. 2015 Jul 13.
CLINICAL TRIAL DESIGN PRINCIPLES AND ENDPOINT DEFINITIONS FOR TRANSCATHETER MITRAL VALVE REPAIR AND REPLACEMENT: PART 2: ENDPOINT DEFINITIONS: A CONSENSUS DOCUMENT FROM THE MITRAL VALVE ACADEMIC RESEARCH CONSORTIUM. Stone GW, Adams DH, Abraham WT, Kappetein AP, Généreux P, Vranckx P, Mehran R, Kuck KH, Leon MB, Piazza N0, Head SJ, Filippatos G, Vahanian AS; Mitral Valve Academic Research Consortium (MVARC). ABSTRACT: Mitral regurgitation (MR) is one of the most prevalent valve disorders and has numerous aetiologies, including primary (organic) MR, due to underlying degenerative/structural mitral valve (MV) pathology, and secondary (functional) MR, which is principally caused by global or regional left ventricular remodelling and/or severe left atrial dilation. Diagnosis and optimal management of MR requires integration of valve disease and heart failure specialists, MV cardiac surgeons, interventional cardiologists with expertise in structural heart disease, and imaging experts. The introduction of trans- catheter MV therapies has highlighted the need for a consensus approach to pragmatic clinical trial design and uniform endpoint definitions to evaluate outcomes in patients with MR. The Mitral Valve Academic Research Consortium is a collaboration between leading academic research organizations and physician-scientists specializing in MV disease from the United States and Europe. Three in-person meetings were held in Virginia and New York during which 44 heart failure, valve, and imaging experts, MV surgeons and interventional cardiologists, clinical trial specialists and statisticians, and representatives from the U.S. Food and Drug Administration considered all aspects of MV pathophysiology, prognosis, and therapies, culminating in a 2-part document describing consensus recommendations for clinical trial design (Part 1) and endpoint definitions (Part 2) to guide evaluation of transcatheter and surgical therapies for MR. The adoption of these recommendations will afford robustness and consistency in the comparative effectiveness evaluation of new devices and approaches to treat MR. These principles may be useful for regulatory assessment of new transcatheter MV devices, as well as for monitoring local and regional outcomes to guide quality improvement initiatives. Published on behalf of the European Society of Cardiology. All rights reserved. ©American College of Cardiology 2015. For permissions please email: journals.permissions@oup.com. This article is being published concurrently in Journal of the American College of Cardiology [1]. The articles are identical except for minor stylistic and spelling
50 VERBUM
differences in keeping with each journal’s style. Either citation can be used when citing this article.[1] Stone GW, Vahanian AS, Adams DH, Abraham WT, Kappetein AP et al. Clinical trial design principles and endpoint definitions for transcatheter mitral valve repair and replacement: Part 2: endpoint definitions. J Am Coll Cardiol 2015;66:308–321. Doi: 10.1016/j.jacc.2015.05.049. KEYWORDS: Heart failure; Mitral regurgitation; Mitral valve; Valve intervention; Valve surgery (or cardiac surgery).
definite stent thrombosis, or net adverse clinical events (11.0% and 11.9%, respectively; relative risk, 0.91; 95% CI, 0.74 to 1.11; P=0.34). CONCLUSIONS: In patients with an acute coronary syndrome, the rates of major adverse cardiovascular events and net adverse clinical events were not significantly lower with bivalirudin than with unfractionated heparin. The rate of the composite of urgent target-vessel revascularization, definite stent thrombosis, or net adverse clinical events was not significantly lower with a post-PCI bivalirudin infusion than with no post-PCI infusion. (Funded by the Medicines Company and Terumo Medical; MATRIX ClinicalTrials.gov number, NCT01433627.)
Gepubliceerd in Int J Cardiol 2015 Apr 22;190:242-245.
DOES SMOKING HABIT AFFECT THE RANDOMIZED COMPARISON OF 6 VERSUS 24-MONTH DUAL ANTIPLATELET THERAPY DURATION? INSIGHTS FROM THE PRODIGY TRIAL. Adamo M, Costa F, Vranckx P, Leonardi S, Navarese EP, Garcia-Garcia HM, Valgimigli M. No abstract available.
Gepubliceerd in NEJM September 1, 2015.
BIVALIRUDIN OR UNFRACTIONATED HEPARIN IN ACUTE CORONARY SYNDROMES. Valgimigli M, Frigoli E, Leonardi S, Rothenbühler M, Gagnor A, Calabrò P, Garducci S, Rubartelli P, Briguori C, Andò G, Repetto A, Limbruno U, Garbo R, Sganzerla P, Russo F, Lupi A , Cortese B, Ausiello A, Ierna S, Esposito G, Presbitero P, Santarelli A, Sardella G, Varbella F, Tresoldi S, de Cesare N, Rigattieri S, Zingarelli A, Tosi P, van ’t Hof A, Boccuzzi, G, Omerovic E, Sabaté M, Heg D, Jüni P, and Vranckx P for the MATRIX Investigators. ABSTRACT BACKGROUND: Conflicting
evidence exists on the efficacy and safety of bivalirudin administered as part of percutaneous coronary intervention (PCI) in patients with an acute coronary syndrome. METHODS: We randomly assigned 7213 patients with an acute coronary syndrome for whom PCI was anticipated to receive either bivalirudin or unfractionated heparin. Patients in the bivalirudin group were subsequently randomly assigned to receive or not to receive a postPCI bivalirudin infusion. Primary outcomes for the comparison between bivalirudin and heparin were the occurrence of major adverse cardiovascular events (a composite of death, myocardial infarction, or stroke) and net adverse clinical events (a composite of major bleeding or a major adverse cardiovascular event). The primary outcome for the comparison of a post-PCI bivalirudin infusion with no post-PCI infusion was a composite of urgent target-vessel revascularization, definite stent thrombosis, or net adverse clinical events. RESULTS: The rate of major adverse cardiovascular events was not significantly lower with bivalirudin than with heparin (10.3% and 10.9%, respectively; relative risk, 0.94; 95% confidence interval [CI], 0.81 to 1.09; P=0.44), nor was the rate of net adverse clinical events (11.2% and 12.4%, respectively; relative risk, 0.89; 95% CI, 0.78 to 1.03; P=0.12). Post-PCI bivalirudin infusion, as compared with no infusion, did not significantly decrease the rate of urgent target-vessel revascularization,
Gepubliceerd in BMC Cardiovasc Disord. 2015 May 7;15(1):29.
TELEREHAB III: A MULTI-CENTER RANDOMIZED, CONTROLLED TRIAL INVESTIGATING THE LONG-TERM EFFECTIVENESS OF A COMPREHENSIVE CARDIAC TELEREHABILITATION PROGRAM. RATIONALE AND STUDY DESIGN. Ines Frederix1,2, Dominique Hansen1, Karin Coninx3, Pieter Vandervoort2,4, Emeline M. Van Craenenbroeck5, Christiaan Vrints5, Paul Dendale1,2 (1) Department of Cardiology, Jessa Hospital, Stadsomvaart 11, 3500 Hasselt, Belgium. (2) Faculty of Medicine & Life Sciences, Hasselt University, Agoralaan gebouw D, 3590 Diepenbeek, Belgium. (3) Faculty of Sciences, Expertise Center for Digital Media, Hasselt University, Wetenschapspark 2, 3590 Diepenbeek, Belgium, (4) Department of Cardiology, Hospital East-Limburg, Schiepse Bos 6, 3600 Genk, Belgium, (5) Department of Cardiology, Antwerp University Hospital, Wilrijkstraat 10, 2650 Edegem, Belgium. ABSTRACT
Telerehabilitation has been proposed as an adjunct/alternative to standard center-based cardiac rehabilitation. Two recent systematic reviews showed non-inferiority and/or superiority of this remote approach for cardiac rehabilitation. However, these trials focused only on one core component of cardiac rehabilitation and telemonitoring, rather than implementing a more comprehensive approach. The aim of Telerehab III is to investigate the long-term effectiveness of the addition of a patient-tailored, internet-based telerehabilitation program implementing multiple cardiac rehabilitation core components and using both telemonitoring and telecoaching strategies to standard cardiac rehabilitation. METHODS/DESIGN: In this prospective, multi-center randomized, controlled trial 140 patients with coronary artery disease and/or chronic heart failure patients will be recruited between February 2013 and February 2015. Patients will be randomized 1:1 to an intervention group (receiving an internet-based telerehabilitation program in addition to standard cardiac rehabilitation) or to standard cardiac rehabilitation alone. The mean follow-up is at least 6 months. The primary endpoint is peak oxygen consumption (VO2 peak). Secondary endpoints include measured and self-reported daily physical activity, cardiovascular risk factor control, health-related quality of life, days lost due to (non)cardiovascular rehospitalizations and time to first (non) cardiovascular rehospitalization. A clinical event committee blinded to treatment allocation assesses causes of rehospitalizations. DISCUSSION: Telerehab III will be one of the first studies to examine BACKGROUND:
51 VERBUM
the added value of a more comprehensive cardiac telerehabilitation program, focusing on multiple cardiac rehabilitation core components. It has the potential to augment current standard center-based cardiac rehabilitation practices and to be used as a model for other disease prevention programs.
Gepubliceerd in Nutr Res. 2015 Jun 1.
A SINGLE DOSE OF SODIUM NITRATE DOES NOT IMPROVE ORAL GLUCOSE TOLERANCE IN PATIENTS WITH TYPE 2 DIABETES MELLITUS. Cermak NM, Hansen D, Kouw IW, van Dijk JW, Blackwell JR, Jones AM, Gibala MJ, van Loon LJ. ABSTRACT
Gepubliceerd in Exp Physiol. 2015 May 12.
MAGNITUDE OF MUSCLE WASTING EARLY AFTER ON-PUMP CORONARY ARTERY BYPASS GRAFT SURGERY AND EXPLORATION OF ETIOLOGY. Hansen D1,2, Linsen L1,3,4, Verboven K1, Hendrikx M1,5, Rummens JL1,3,4, van Erum M1, Eijnde BO1, Dendale P1,2. (1) REVAL - Rehabilitation Research Center, BIOMED- Biomedical Research Center, Faculty of Medicine and Life Sciences, Hasselt University, Diepenbeek, Belgium. (2) Heart Centre Hasselt, Jessa Hospital, Hasselt, Belgium. (3) University Biobank Limburg, Hasselt, Belgium. (4) Laboratory of Experimental Hematology, Jessa Hospital, Hasselt, Belgium. (5) Jessa Hospital, Department of Cardiothoracic Surgery, Hasselt, Belgium. ABSTRACT
The magnitude and etiology of muscle wasting early after coronary artery bypass graft (CABG) surgery remains unknown. In the present study we assessed changes in fat-free mass early after CABG surgery and explored the possible etiology (relations with post-surgical changes in blood hormones, insulin resistance, subject characteristics, inflammation) for these changes. Fat-free mass was assessed before and 23 (range:25) days after CABG surgery in 25 subjects. Blood testosterone, cortisol, insulin-like growth factor-1 (IGF-1), growth hormone, sex-hormone binding globulin (SHBG), glucose, insulin, cpeptide, and c-reactive protein (CRP) concentrations were determined and free androgen index, cortisol/testosterone ratio and HOMA-IR index were all calculated before surgery, during the first three days after surgery, and at body composition re-assessment. Relationships between changes in fat-free mass and changes in blood parameters after surgery or subject characteristics were studied. After surgery, free androgen index and blood SHBG, testosterone and IGF-1 content decreased significantly, while HOMA-IR index, cortisol/testosterone ratio, blood growth hormone, insulin and CRP content increased significantly (p<0.0025, observed α>0.80). Whole-body fat-free mass decreased significantly (by -1.9 (range:9.1)kg, p<0.0025, observed α = 0.99) after surgery. According to regression analysis, greater absolute fat-free mass loss was observed after CABG surgery in subjects who were younger, experienced a greater increase in blood cortisol/ testosterone ratio after surgery, and/or underwent earlier body composition re-assessment (p<0.05). Significant decrements in fat-free mass were observed early after CABG surgery, especially in younger subjects and/or subjects with elevated blood cortisol/testosterone ratios after surgery. Interventions to preserve fat-free mass soon after CABG surgery are thus warranted.
Dietary nitrate (NO3-) supplementation has been proposed as an emerging treatment strategy for type 2 diabetes. We hypothesized that ingestion of a single bolus of dietary NO3- ingestion improves oral glucose tolerance in patients with type 2 diabetes. Seventeen men with type 2 diabetes (glycated hemoglobin, 7.3% ± 0.2%) participated in a randomized crossover experiment. The subjects ingested a glucose beverage 2.5 hours after consumption of either sodium NO3- (0.15 mmol NaNO3- · kg-1) or a placebo solution. Venous blood samples were collected before ingestion of the glucose beverage and every 30 minutes thereafter during a 2-hour period to assess postprandial plasma glucose and insulin concentrations. The results show that plasma NO3- and nitrite levels were increased after NaNO3- as opposed to placebo ingestion (treatment-effect, P = .001). Despite the elevated plasma NO3- and nitrite levels, ingestion of NaNO3- did not attenuate the postprandial rise in plasma glucose and insulin concentrations (time × treatment interaction, P = .41 for glucose, P = .93 for insulin). Despite the lack of effect on oral glucose tolerance, basal plasma glucose concentrations measured 2.5 hours after NaNO3- ingestion were lower when compared with the placebo treatment (7.5 ± 0.4 vs 8.3 ± 0.4 mmol/L, respectively; P = .04). We conclude that ingestion of a single dose of dietary NO3- does not improve subsequent oral glucose tolerance in patients with type 2 diabetes. KEYWORDS: Blood glucose; Crossover studies; Hyperglycemia; Insulin; Nitrates; Nitrites.
Gepubliceerd in J Med Internet Res. 2015 Jul 23;17(7).
MEDIUM-TERM EFFECTIVENESS OF A COMPREHENSIVE INTERNETBASED AND PATIENT-SPECIFIC TELEREHABILITATION PROGRAM WITH TEXT MESSAGING SUPPORT FOR CARDIAC PATIENTS: RANDOMIZED CONTROLLED TRIAL. Frederix I, Hansen D, Coninx K, Vandervoort P, Vandijck D, Hens N, Van Craenenbroeck E, Van Driessche N, Dendale P. ABSTRACT
Cardiac telerehabilitation has been introduced as an adjunct or alternative to conventional center-based cardiac rehabilitation to increase its long-term effectiveness. However, before large-scale implementation and reimbursement in current health care systems is possible, well-designed studies on the effectiveness of this new additional treatment strategy are needed. OBJECTIVE: The aim of this trial was to assess the medium-term effectiveness of an Internet-based, comprehensive, and patient-tailored telerehabilitation program with short message service (SMS) texting support for cardiac patients. METHODS: This multicenter randomized controlled trial consisted of BACKGROUND:
52 VERBUM
140 cardiac rehabilitation patients randomized (1:1) to a 24-week telerehabilitation program in combination with conventional cardiac rehabilitation (intervention group; n=70) or to conventional cardiac rehabilitation alone (control group; n=70). In the telerehabilitation program, initiated 6 weeks after the start of ambulatory rehabilitation, patients were stimulated to increase physical activity levels. Based on registered activity data, they received semiautomatic telecoaching via email and SMS text message encouraging them to gradually achieve predefined exercise training goals. Patient-specific dietary and/or smoking cessation advice was also provided as part of the telecoaching. The primary endpoint was peak aerobic capacity (VO2 peak). Secondary endpoints included accelerometer-recorded daily step counts, self-assessed physical activities by International Physical Activity Questionnaire (IPAQ), and health-related quality of life (HRQL) assessed by the HeartQol questionnaire at baseline and at 6 and 24 weeks. RESULTS: Mean VO2 peak increased significantly in intervention group patients (n=69) from baseline (mean 22.46, SD 0.78 mL/[min*kg]) to 24 weeks (mean 24.46, SD 1.00 mL/[min*kg], P<.01) versus control group patients (n=70), who did not change significantly (baseline: mean 22.72, SD 0.74 mL/[min*kg]; 24 weeks: mean 22.15, SD 0.77 mL/[min*kg], P=.09). Between-group analysis of aerobic capacity confirmed a significant difference between the intervention group and control group in favor of the intervention group (P<.001). At 24 weeks, self-reported physical activity improved more in the intervention group compared to the control group (P=.01) as did the global HRQL score (P=.01). CONCLUSIONS: This study showed that an additional 6-month patientspecific, comprehensive telerehabilitation program can lead to a bigger improvement in both physical fitness (VO2 peak) and associated HRQL compared to center-based cardiac rehabilitation alone. These results are supportive in view of possible future implementation in standard cardiac care.
ABSTRACT BACKGROUND: Notwithstanding the cardiovascular disease epidemic, current budgetary constraints do not allow for budget expansion of conventional cardiac rehabilitation programmes. Consequently, there is an increasing need for cost-effectiveness studies of alternative strategies such as telerehabilitation. The present study evaluated the cost-effectiveness of a comprehensive cardiac telerehabilitation programme. DESIGN AND METHODS: This multi-centre randomized controlled trial comprised 140 cardiac rehabilitation patients, randomized (1:1) to a 24-week telerehabilitation programme in addition to conventional cardiac rehabilitation (intervention group) or to conventional cardiac rehabilitation alone (control group). The incremental cost-effectiveness ratio was calculated based on intervention and health care costs (incremental cost), and the differential incremental quality adjusted life years (QALYs) gained. RESULTS: The total average cost per patient was significantly lower in the intervention group (€2156 ± €126) than in the control group (€2720 ± €276) (p = 0.01) with an overall incremental cost of €-564.40. Dividing this incremental cost by the baseline adjusted differential incremental QALYs (0.026 QALYs) yielded an incremental cost-effectiveness ratio of €-21,707/QALY. The number of days lost due to cardiovascular rehospitalizations in the intervention group (0.33 ± 0.15) was significantly lower than in the control group (0.79 ± 0.20) (p = 0.037). CONCLUSIONS: This paper shows the addition of cardiac telerehabilitation to conventional centre-based cardiac rehabilitation to be more effective and efficient than centre-based cardiac rehabilitation alone. These results are useful for policy makers charged with deciding how limited health care resources should best be allocated in the era of exploding need.
Gepubliceerd in J Biomed Opt. 2015 Aug 1;20(8):86010.
Gepubliceerd in Eur J Prev Cardiol. 2015 Aug 19.
EFFECT OF COMPREHENSIVE CARDIAC TELEREHABILITATION ON ONE-YEAR CARDIOVASCULAR REHOSPITALIZATION RATE, MEDICAL COSTS AND QUALITY OF LIFE: A COST-EFFECTIVENESS ANALYSIS. Frederix I1, Hansen D2, Coninx K3, Vandervoort P4, Vandijck D2, Hens N5, Van Craenenbroeck E6, Van Driessche N2, Dendale P1. (1) Department of Cardiology, Jessa Hospital, Hasselt, Belgium Faculty of Medicine & Life Sciences, Hasselt University, Belgium. (2) Faculty of Medicine & Life Sciences, Hasselt University, Belgium. (3) Faculty of Sciences, Expertise Centre for Digital Media, Hasselt University, Belgium. (4) Faculty of Medicine & Life Sciences, Hasselt University, Belgium Department of Cardiology, Hospital East-Limburg, Genk, Belgium. (5) Interuniversity Institute of Biostatistics and Statistical Bioinformatics, Hasselt University, Belgium Centre for Health Economic Research and Modelling Infectious Diseases, Vaccine and Infectious Disease Institute, University of Antwerp, Belgium. (6) Department of Cardiology, Antwerp University Hospital, Belgium.
ON THE INTERPRETATION OF SECOND HARMONIC GENERATION INTENSITY PROFILES OF STRIATED MUSCLE. Paesen R, Smolders S, Wens I, Notelaers K, de Hoyos Vega JM, Bito V, Eijnde BO, Hansen D, Ameloot M. Recently, a supra-molecular model was developed for predicting striated skeletal muscle intensity profiles obtained by label-free second harmonic generation (SHG) microscopy. This model allows for a quantitative determination of the length of the thick filament anti-parallel range or M-band (M), and results in M = 0.12 µm for single band intensity profiles when fixing the A-band length (A) to A = 1.6 µm, a value originating from electron microscopy observations. Using simulations and experimental data sets, we show that the objective numerical aperture and the refractive index (RI) mismatch (∆n = n2ω − nω) between the illumination wave (ω) and the second harmonic wave (2ω) severely affect the simulated sarcomere intensity profiles, and thereby the recovered filament lengths. For an RI mismatch of ∆n = 0.02, and a moderate illumination numerical aperture of 0.8, analysis of single band SHG intensity profiles with freely adjustable A- and
53 VERBUM
M-band size yields A = 1.40 ± 0.04 µm and M = 0.07 ± 0.05 µm for skeletal muscle. These lower than expected values are rationalized in terms of the myosin density distribution along the myosin thick filament axis. We believe that the results obtained in this work provide new and practical insights for the application of the supra-molecular model to study SHG intensity profiles in striated muscle.
Gepubliceerd in Rheumatology (Oxford). 2015 Jan;54(1):196-7.
ACQUIRED HAEMOPHILIA A IN A PATIENT WITH SYSTEMIC SCLEROSIS TREATED WITH AUTOLOGOUS HAEMATOPOIETIC STEM CELL TRANSPLANTATION. De Langhe E, Lenaerts J, Dierickx D, Hendrickx P, Verleden GM, Wuyts WA, Peerlinck K, Westhovens R. ABSTRACT
Acquired haemophilia is a rare disorder caused by the development of autoantibodies directed against plasma coagulation factor VIII. Fifty per cent of patients do not show any associated condition, but autoimmune diseases (ADs), malignancy, pregnancy or drug-exposure may be present [1]. SSc is an autoimmune CTD with high risk of organ manifestations. Recently a significant increase in event-free survival was demonstrated in patients with early severe diffuse SSc when treated with autologous haematopoietic stem cell transplantation (HSCT) [2]. In 2008 a 38-year-old female patient was diagnosed with early diffuse SSc (speckled and nucleolar antinuclear antibody pattern, autoantigen unidentified). Rapid progression of cutaneous involvement and interstitial lung disease (ILD) warranted treatment with pulses of i.v. CYC (six fortnightly pulses at a fixed dose of 500 mg) in 2009 and with rituximab (two fixed doses of 1000 mg with a 2 week interval) in 2010, with re-treatment after 6 and 18 months. Because of progressive skin and pulmonary disease she received autologous HSCT according to (but not included in) the Autologous Stem Cell Transplantation International.
pulmonology department with dyspnea, Raynaud’s phenomenon and subtle swelling of fingers and eyelids. Laboratory analysis and autoantibody screening was negative. She was diagnosed with nonspecific interstitial pneumonia with a concurring undifferentiated connective tissue disease. After four years of stable disease, she presented with rapid pulmonary deterioration, myalgia, periorbital edema, arthritis and a cracked appearance of the radial sides of the fingers of both her hands. This clinical sign was recognized as mechanic’s hands and a specific search for the presence of antisynthetase antibodies was performed. She was found to harbor anti-threonyl-tRNA synthetase antibodies. A diagnosis of antisynthetase syndrome was made and she was treated with glucocorticoids and immunosuppressives. Conclusions: This case highlights the difficulty in fine-tuning the diagnosis when confronted with a patient with interstitial lung disease and the suspicion of an underlying, yet undifferentiated connective tissue disease. There is a strong need for clinical multidisciplinary follow-up of these patients, with a high level of alertness to rare and specific clinical signs. The diagnosis of the underlying connective tissue disease profoundly influences the management of the interstitial lung disease. Recent data stress that identification of the autoantibody specificity allows for further prognostic stratification and therefore should be pursued.
Gepubliceerd in Arthritis Res Ther. 2015 Apr 9;17(1):97.
PATIENTS LACKING CLASSICAL POOR PROGNOSTIC MARKERS MIGHT ALSO BENEFIT FROM A STEP-DOWN GLUCOCORTICOID BRIDGING SCHEME IN EARLY RHEUMATOID ARTHRITIS: WEEK 16 RESULTS FROM THE RANDOMIZED MULTICENTER CARERA TRIAL. Verschueren P, De Cock D, Corluy L, Joos R, Langenaken C, Taelman V, Raeman F, Ravelingien I, Vandevyvere K, Lenaerts J, Geens E, Geusens P, Vanhoof J, Durnez A, Remans J, Vander Cruyssen B, Van Essche E, Sileghem A, De Brabanter G, Joly J, Van der Elst K, Meyfroidt S, Westhovens R CareRA study group. ABSTRACT
Gepubliceerd in J Med Case Rep. 2015 Apr 15;9:82.
MECHANIC’S HANDS IN A WOMAN WITH UNDIFFERENTIATED CONNECTIVE TISSUE DISEASE AND INTERSTITIAL LUNG DISEASE--ANTI-PL7 POSITIVE ANTSYNTHETASE SYNDROME: A CASE REPORT. De Langhe E, Lenaerts J, Bossuyt X, Westhovens R, Wuyts WA. ABSTRACT INTRODUCTION: Interstitial lung disease can be idiopathic or occur in the setting of connective tissue diseases. In the latter case it requires a different treatment approach with a better prognosis. Interstitial lung disease can precede the onset of typical connective tissue disease features by many years, and therefore meticulous multidisciplinary follow-up is crucial. This case highlights the diagnostic challenge and the need for intensified attention for subtle clinical features when faced with interstitial lung disease in patients with characteristics of a hitherto undifferentiated connective tissue disease. CASE PRESENTATION: A 44-year-old Caucasian woman presented to our
INTRODUCTION: Considering a lack of efficacy data in patients with early rheumatoid arthritis (eRA) presenting without classical markers of poor prognosis, we compared methotrexate (MTX) with or without step-down glucocorticoids in the CareRA trial. METHODS: Disease-modifying antirheumatic drug-naïve patients with eRA were stratified into a low-risk group based on prognostic markers that included non-erosiveness, anti-citrullinated protein antibodies and rheumatoid factor negativity and low disease activity (Disease Activity Score in 28 joints based on C-reactive protein (DAS28(CRP)) ≤3.2). Patients were randomized to 15 mg of MTX weekly (MTX with tight step-up (MTX-TSU)) or 15 mg of MTX weekly with prednisone bridging, starting at 30 mg and tapered to 5 mg daily from week 6 (Combinatie therapie bij Reumatoïde Artritis (COBRA Slim)). A TSU approach was applied. Outcomes assessed were DAS28(CRP)-determined remission, cumulative disease activity, Health Assessment Questionnaire (HAQ) scores and adverse events (AEs) after 16 treatment weeks.
54 VERBUM
We analyzed 43 COBRA Slim and 47 MTX-TSU patients and found that 65.1% in the COBRA Slim group and 46.8% in the MTXTSU group reached remission (P = 0.081). Mean ± standard deviation area under the curve values of DAS28(CRP) were 13.84 ± 4.58 and 11.18 ± 4.25 for the MTX-TSU and COBRA Slim patients, respectively (P = 0.006). More COBRA Slim patients had an HAQ score of 0 (51.2% versus 23.4%, P = 0.006) at week 16. Therapy-related AEs between groups did not differ. CONCLUSION: In patients with low-risk eRA, MTX with step-down glucocorticoid bridging seems more efficacious than MTX step-up monotherapy, with a comparable number of AEs observed over the first 16 treatment weeks. RESULTS:
Gepubliceerd in Int J Cardiol. 2015 Aug 1;201:10-19.
CARDIAC ATRIAL APPENDAGE STEM CELLS ENGRAFT AND DIFFERENTIATE INTO CARDIOMYOCYTES IN VIVO: A NEW TOOL FOR CARDIAC REPAIR AFTER MI. Fanton Y1, Robic B2, Rummens JL1, Daniëls A3, Windmolders S1, Willems L1, Jamaer L4, Dubois J4, Bijnens E5, Heuts N5, Notelaers K6, Paesen R6, Ameloot M6, Mees U7, Bito V6, Declercq J1, Hensen K1, Koninckx R1, Hendrikx M8. (1) Laboratory of Experimental Hematology, Jessa Hospital, Hasselt, Belgium; Faculty of Medicine and Life Sciences, Hasselt University, Hasselt, Belgium. (2) Faculty of Medicine and Life Sciences, Hasselt University, Hasselt, Belgium; Department of Cardiothoracic Surgery, Jessa Hospital, Hasselt, Belgium. (3) Laboratory of Experimental Hematology, Jessa Hospital, Hasselt, Belgium. (4) Department of Cardiac Anesthesia, Jessa Hospital, Hasselt, Belgium. (5) MRI Unit-Department of Radiology, Jessa Hospital, Hasselt, Belgium. (6) Faculty of Medicine and Life Sciences, Hasselt University, Hasselt, Belgium; Biomedical Research Institute, Hasselt University, Hasselt, Belgium. (7) Department of Cardiothoracic Surgery, Jessa Hospital, Hasselt, Belgium. (8) Faculty of Medicine and Life Sciences, Hasselt University, Hasselt, Belgium; Department of Cardiothoracic Surgery, Jessa Hospital, Hasselt, Belgium. ABSTRACT
This study assessed whether autologous transplantation of cardiac atrial appendage stem cells (CASCs) preserves cardiac function after myocardial infarction (MI) in a minipig model. METHODS AND RESULTS: CASCs were isolated from right atrial appendages of Göttingen minipigs based on high aldehyde dehydrogenase activity and expanded. MI was induced by a 2h snare ligation of the left anterior descending coronary artery. Upon reperfusion, CASCs were intramyocardially injected under NOGA guidance (MI-CASC, n=10). Non-transplanted pigs (MI, n=8) received sham treatment. 3D electromechanical mapping (EMM) and cardiac MRI were performed to assess left ventricular (LV) function. MI pigs developed LV dilatation at 2months (2M), while in the MI-CASC group volumes remained stable. Global LV ejection fraction decreased by 16±8% in MI animals vs 3±10% in MI-CASC animals and regional wall thickening in border areas was better preserved in the MI-CASC group. EMM showed decreased viability and wall motion in the LV for both groups POSTMI, whereas at 2M these parameters only improved in the MI-CASC. Substantial cell retention was accompanied by cardiomyogenic difBACKGROUND:
ferentiation in 98±1% of the transplanted CASCs, which functionally integrated. Second harmonic generation microscopy confirmed the formation of mature sarcomeres in transplanted CASCs. Absence of cardiac arrhythmias indicated the safety of CASC transplantation. CONCLUSION: CASCs preserve cardiac function by extensive engraftment and cardiomyogenic differentiation. Our data indicate the enormous potential of CASCs in myocardial repair. KEYWORDS: Cardiac stem cell; Differentiation; Magnetic resonance imaging; Mapping; Myocardial infarction.
Gepubliceerd in Tijdschr. Voor Geneeskunde 2015;71(10):652-661
EXTRA-INTESTINALE MANIFESTATIES VAN DE ZIEKTE VAN CROHN BIJ KINDEREN: OSTEOARTICULAIRE EN CUTANE AANTASTING Buyck C, Wouters C, Alliet P, Hoffman I. ABSTRACT
De ziekte van Crohn is een chronisch inflammatoire aandoening van het gastro-intestinale stelsel met mogelijk geassocieerde extra-intestinale manifestaties. In deze studie wordt de prevalentie bepaald van osteoarticulaire en cutane aantasting bij Crohn-patiënten op kinderleeftijd en wordt gezocht naar een relatie tussen deze extraintestinale manifestaties en het tijdsverloop tussen de aanmelding en de diagnose. De gegevens werden verzameld via een retrospectieve observationele dossierstudie van alle patiënten die tussen januari 2005 en december 2010 in het UZ Leuven op de afdeling kindergastro-enterologie gevolgd werden voor de ziekte van Crohn. In deze patiëntengroep betrof de prevalentie van Crohn-patiënten met osteoarticulaire en/of cutane aantasting 16 op 85 Crohn-patiënten of 18,8%. Deze prevalentie was vergelijkbaar met wat beschreven wordt in de literatuur. Er werd een latentie vastgesteld wat betreft de diagnose van de ziekte van Crohn wanneer patiënten zich aandienden met geïsoleerde osteoarticulaire en/of systeemklachten versus gastro-intestinale klachten. Bij deze patiënten kunnen faecale markers van inflammatie, zoals calprotectine of lactoferrine, in de toekomst een hulp zijn bij een snellere diagnose van de ziekte van Crohn. TREFWOORDEN: Ziekte Van Crohn; Artritis; Artralgie; Erythema Nodosum, Pyoderma Gangrenosum.
Gepubliceerd in Tijdschr. Voor Geneeskunde 2015;71(11): 756-751
ERECTIELE DISFUNCTIE: VROEGTIJDIGE PARAMETER CARDIOVASCULAIR LIJDEN Falter M, Brone B, Dendale P, Van Renterghem K.
VOOR
ABSTRACT
Erectiele disfunctie (ED) en cardiovasculair (CV) lijden zijn twee manifestaties van dezelfde endotheliale aandoening. Centraal in de pathways voor relaxatie van gladde spiercellen in de vaatwand staat stikstofmonoxide (NO), hetgeen via cyclisch guanosinemonofosfaat (cGMP) en cyclisch adenosinemonofosfaat (cAMP) een daling in intracellulair Ca2+ teweegbrengt. Defect endotheel verliest de capaciteit om het relaxerende NO aan te maken, hetgeen zich manifesteert in
55 VERBUM
cardiovasculaire aandoeningen en ED. Risicofactoren als leeftijd, hypertensie, roken, diabetes, obesitas en metabool syndroom zijn gelijk voor beide aandoeningen. ED gaat CVaandoeningen meestal vooraf, vaak met een drietal jaar. Verder is er een correlatie tussen de ernst van ED en de uitgebreidheid van CVlijden. Verklaringen voor deze relatie en het voorafgaan van CV-ziekte door ED zijn divers. Een eerste factor is het verschil in diameter tussen de grotere coronairen en de kleinere penisarteriën, waardoor problemen eerder in de penis optreden. Ontsteking is een tweede factor die meespeelt en daling in androgenen (testosteron) een derde. ED is dus een belangrijk middel om comorbiditeiten en risicofactoren voor CVziekte vroegtijdig op te sporen en te behandelen.
CASUS Een 67-jarige vrouw werd gezien op de dienst infectieziekten en immuniteit in verband met persisterende huidletsels. Ze had sinds 4 weken pijnlijke verheven rood-paarse plekkenop beide onderbenen. Systeemanamnestisch waren er geen bijzondere klachten. Het lichamelijke onderzoek liet een beeld zien suggestief voor erythema nodosum. Daarnaast had de patiënte enkele erytrosquameuze letsels op de knie en vermeldde ze opnieuw last te ervaren van een litteken aan de hand, gelijktijdig met de andere klachten. Dertig jaar ervoor was er naar aanleiding van een trauma een litteken ontstaan op de handpalm. Ze had hier in de tussenliggende periode nooit last gehad, maar nu was het litteken pijnlijk en rood. Er werd een huidbiopt genomen.
Gepubliceerd in J Clin Microbiol. 2015 Feb;53(2). Gepubliceerd in Tijdschr. Voor Geneeskunde 2015;71(6):409
CASUS VAN DE MAAND EEN PATIËNT MET RODE OORTJES J. van der Hilst1, P. Messiaen1. (1) Dienst infectieziekten en immuniteit, Jessa Ziekenhuis, Stadsomvaart 11, 3500 Hasselt ZIEKTEGESCHIEDENIS
Een 54-jarige vrouw wordt naar de internist-infectioloog verwezen met het vermoeden van een aanslepende infectie van de oorschelp. De patiënte had sinds twee maanden pijn, roodheid en zwelling van haar rechteroorschelp. Ze was reeds door de huisarts behandeld met amoxicilline-clavulaanzuur (Augmentin) gedurende tien dagen vanwege een vermoeden van een bacteriële infectie. Wegens onvoldoende effect werd vervolgens clindamycine in combinatie met 16 mg methylprednisolon (Medrol) gegeven. Binnen enkele dagen waren de klachten volledig verdwenen. Echter, enkele dagen na het staken van de antibiotica en methylprednisolon keerden de klachten terug. Bovendien ontwikkelde de patiënte een pijnlijke zwelling aan haar andere oorschelp. Bij lichamelijk onderzoek viel een bilaterale zwelling van de oorschelp op die pijnlijk was bij aanraking. De oorlellen waren niet aangedaan.
ACCURATE QUANTIFICATION OF EPISOMAL HIV-1 TWO-LONG TERMINAL REPEAT CIRCLES BY USE OF OPTIMIZED DNA ISOLATION AND DROPLET DIGITAL PCR. Malatinkova E, Kiselinova M, Bonczkowski P, Trypsteen W, Messiaen P, Vermeire J, Verhasselt B, Vervisch K , Vandekerckhove L, De Spiegelaere. ABSTRACT
Episomal HIV-1 two-long terminal repeat (2-LTR) circles are considered markers for ongoing viral replication. Two sample processing procedures were compared to accurately quantify 2-LTR in patients by using droplet digital PCR (ddPCR). Here, we show that plasmid isolation with a spiked non-HIV plasmid for normalization enables more accurate 2-LTR quantification than genomic DNA isolation.
Gepubliceerd in Neth J Med. 2014 Dec;72(10):541-4.
THE DIAGNOSTIC TANGLE OF PYODERMA GANGRENOSUM: A CASE REPORT AND REVIEW OF THE LITERATURE. Bakelants E, van der Hilst J, Corluy L, Achten R, Gyssens I, Messiaen P. Departments of Infectious Diseases and Immunity, Jessa Hospital Hasselt, Belgium. ABSTRACT
Gepubliceerd in Tijdschr. Voor Geneeskunde 2015;71(14-15):969
CASUS VAN DE MAAND EEN OPSPELEND LITTEKEN J. van der Hilst1, E. Wisanto2, P. Messiaen1. (1) Dienst infectieziekten en immuniteit, Jessa Ziekenhuis, Stadsomvaart 11, 3500 Hasselt, (2) Dienst pathologische anatomie, Jessa Ziekenhuis, Stadsomvaart 11, 3500 Hasselt.
This report describes a 55-year-old patient with the rare inflammatory dermatosis pyoderma gangrenosum. It is an often misdiagnosed condition of unclear origin and pathogenesis. There is an association with underlying systemic disorders such as inflammatory bowel disease, haematological disorders, rheumatological disease or solid malignancies, although this last association is still under investigation. The diagnosis can be challenging and treatment depends upon the severity of the lesions. The long-term prognosis is unpredictable.
SYMPOSIA
2015
SYMPOSIUM LOC DATUM: zaterdag 14 november 2015 LOCATIE: UHasselt, campus Diepenbeek
SYMPOSIUM NEUROCHIRURGIE DATUM: zaterdag 21 november 2015 LOCATIE: Jessa Ziekenhuis, aula campus Salvator, Hasselt
SYMPOSIUM LIVE SURGERY UROLOGIE DATUM: zaterdag 28 november 2015 LOCATIE: Jessa Ziekenhuis, aula campus Salvator, Hasselt MINI SYMPOSIUM MALIGNE MELANOOM DATUM: donderdag 3 december 2015 LOCATIE: Jessa Ziekenhuis, aula campus Salvator, Hasselt SYMPOSIUM CARDIO 2016 DATUM: zaterdag 5 december 2015 LOCATIE: Kinepolis, Hasselt SYMPOSIUM WECO 2015 DATUM: zaterdag 12 december 2015 LOCATIE: Jessa Ziekenhuis, aula campus Salvator, Hasselt
Dit is een voorlopige lijst van symposia. Voor een up-to-date overzicht kan u terecht op www.jessazh.be/symposia.