Taal laten groeien studiegebied onderwijs bachelor in het kleuteronderwijs afstandsonderwijs academiejaar 2022-2023
5 Spelen met poëzie 1
Inleiding
2
Een kans voor taalbeschouwing
154
2.1
Nadenken over dichten, de dichter en het gedicht
2.2
Via gedichten nadenken over klanken, woorden, zinnen 156
3
Spelen met poezie In de kleuterklas
3.1
Algemene aanpak
3.2
Een gedicht kiezen
3.3
De opbouw van een activiteit “spelen met een vers”
3.4
Mogelijke spelvormen
3.4.1
Met voorwerpen
3.4.2
Met prenten
3.4.3
Dramatiseren
3.4.4
Met handen en vingers
3.4.5
Tekenen
3.4.6
Variëren in toon en volume 173
3.4.7
Werken rond ritme en tempo 174
3.4.8
Poppen of figuren inzetten
3.4.9
Beeldend werken
154 154
162
162 164 166
166
167
169 170 170
172
175
176
3.4.10 Spreek- of geluidenkoren
176
4
Versjes uit de oude doos 177
4.1
Schootliedjes of knierijversjes
4.2
Dierenrijmpjes
4.3
Handrijmpjes en vingerversjes
178
178 178
153
TDKK00L.indd 153
6/20/16 9:31 AM
1
Inleiding
Kleuters maken kennis met literatuur via prentenboeken en voorleesverhalen, maar ook via poëzie. Poëzie die met bezieling en speelsheid aangebracht wordt, heeft beslist een meerwaarde. Poëzie biedt verrijking op tal van vlakken: kleuters luisteren en spreken, ontwikkelen een gevoel voor rijm en ritme, oefenen hun expressieve vaardigheden of experimenteren zelf met taal. Gevoelsgeladen gedichten kunnen dan weer iets teweegbrengen op het vlak van de sociaal-emotionele ontwikkeling. Ze kunnen kleuters ertoe aanzetten om spontaan te vertellen over hun belevingswereld. Poëzie creëert mogelijkheden op verschillende domeinen. Door de diversiteit in het aanbod, kan een vers niet alleen een taalactiviteit op zich zijn, maar ook geïntegreerd worden in beweging, drama, beeldopvoeding of muziek. In wat volgt, proberen we eerst te duiden hoe poëzie kansen kan bieden voor taalbeschouwing. Dit sluit aan bij ontwikkelingsdoel NED.5.5 (De kleuters stellen zich vragen bij en reflecteren over taal en taalgebruik in concrete situaties: discrimineren van klanken, woorden; ritmische aspecten van taal, rijmen; intonatie en mimiek in relatie tot gevoelens, boodschap). Vervolgens wordt aangegeven hoe er in de kleuterklas gespeeld kan worden met poëzie. Het ontwikkelingsdoel dat hierbij past, is NED.2.13 (De kleuters beleven plezier in het gebruiken van taal en het spelen met taal in concrete situaties.). Tot slot komen er nog versjes van vroeger aan bod, de zogenaamde bakerrijmpjes. 2
Een kans voor taalbeschouwing
Taalbeschouwing bevat twee luiken: nadenken over taalgebruik en nadenken over het taalsysteem (bijvoorbeeld klanken, woorden, zinnen, teksten). Beide aspecten kunnen, bij de oudste kleuters weliswaar, gekoppeld worden aan poëzieonderwijs. 2.1
Nadenken over dichten, de dichter en het gedicht
De leraar kan met de oudste kleuters een gesprek voeren over wat poëzie is, wie poëzie maakt en hoe dat gebeurt. Daarbij is het van belang om een rijke taal te hanteren. Verschillende termen kunnen gebruikt worden: een dichter, gedichten schrijven, een gedichtenbundel, poëzie, een poëziebundel, een versje maken, enz. Een aanknopingspunt kan bijvoorbeeld het verhaal Vos en Haas en de bui van Uil zijn (van Sylvia Vanden Heede), waarin Uil een gedicht maakt en dat
154
TDKK00L.indd 154
Taal laten groeien
6/20/16 9:31 AM
best moeilijk vindt. Of de leraar kan met een eenvoudige omschrijving aan de slag. Bijvoorbeeld: • • •
Poëzie is veel zeggen met weinig woorden. Gedichten zijn gedachten die dicht bij elkaar gezet worden.140 Gedichten zijn meer dan alleen maar een hoopje woorden bij elkaar.
In een gedicht hebben woorden veel zeggingskracht en kunnen ze een heel verhaal vertellen of een hele belevingswereld oproepen. De leraar kan bijvoorbeeld een verhaal verzinnen rond een specifiek gedicht en aangeven dat de dichter het allerbelangrijkste in een paar woorden gezegd heeft en die woorden dicht bij elkaar gezet heeft. Hij kan laten zien dat een gedicht veel compacter is van vorm dan een prentenboek of een voorleesverhaal. Dit sluit aan bij de aanpak die Geert De Kockere voorstelt.141 Hij benadrukt dat gedichten gedachten zijn, die gedicht worden. Gedichten zijn gedachten, ideetjes die de dichter opschrijft. Die ideeën komen in het hoofd van de dichter door goed te kijken, te luisteren, te voelen, te ruiken. De dichter moet over die ideeën nadenken, er als het ware op broeden. Zo houdt hij de mooiste of beste ideetjes over en schrijft ze dicht bij elkaar. Gedichten zijn dan gedachten die dicht bij elkaar staan. De dichter laat ons zijn gedachten lezen. De leraar kan het groeiproces van een gedicht aan de hand van een voorbeeld illustreren. Bijvoorbeeld: De leraar vertelt dat hij (of de dichter) een wandeling maakte en ergens in een wei iets geels zag staan. Hij ging wat dichterbij en zag dat het een gele bloem was en bovendien niet zomaar een bloem, maar een paardenbloem. Toen hij goed keek, zag hij dat er nog meer stonden en dat er zelfs stonden die bijna uitgebloeid waren. Die hadden rare dingetjes, pluisjes! Hij plukte er eentje, rook er eens aan en toen blies hij eerst zachtjes en toen harder en oeps… de pluisjes vlogen de lucht in. Toen moest hij denken aan parachutes, want die zweven ook door de lucht. Zo groeiden de ideetjes in zijn hoofd en de beste schreef hij op in dit gedicht: Paardebloemenpluizenbol Paardebloemenpluizenbol Als ik blaas of als ik zucht vliegen al jouw parachuutjes zomaar door de lentelucht.142 140 (De Kockere, bijscholing “Gedichten zijn gedachten. Ververs de klas”, CPE Tielt, november 2001) 141 (De Kockere, bijscholing “Gedichten zijn gedachten. Ververs de klas”, CPE Tielt, november 2001) 142 (Van Os, 1997)
Spelen met poëzie
TDKK00L.indd 155
155
6/20/16 9:31 AM
Om duidelijk te maken dat de dichter ideeën heeft, kan de leraar een koffer of doos vol “ideetjes” meebrengen. Dit zijn dan voorwerpen waarrond een gedicht gemaakt werd. Het voorwerp kan dan met alle zintuigen “bekeken” worden en besproken. Daarna wordt het bijhorende gedicht voorgelezen. De kleuters kunnen eventueel samen met de leraar enkele mooie woorden zoeken bij een voorwerp. Dit kan het vertrekpunt zijn om samen met de kleuters een groepsgedicht te schrijven. In de bundel Kijk eens wat ik kan! Vorming poëzie voor de oudste kleuters143 wordt uitgelegd hoe de leraar dit kan aanpakken. Vanuit het benoemen van zintuiglijke ervaringen worden woorden bijeengesprokkeld. Er wordt nagegaan of er combinaties van woorden met beginrijm gemaakt kunnen worden. Vervolgens wordt er vooral geschrapt en verkort. Er kan ook aangetoond worden dat gedichten meer zijn dan alleen maar een hoopje woorden bij elkaar. Soms zit er muziek in of ritme, een schilderijtje (= beeldspraak), rijm, een toneeltje, een verhaal. Wie goed luistert, kan horen dat dat er ook in zit. Uiteraard is het nodig om een gedicht te kiezen waarin één van deze aspecten duidelijk aanwezig is. Eruit halen wat erin zit en dit op de voorgrond plaatsen, is de boodschap. Bijvoorbeeld: een versje met een duidelijke cadans klappen, stappen, zingen of rappen; een gedicht met een mooi beeld laten tekenen of schilderen; een gedicht met veel rijm aangrijpen om er een rijmspel mee te doen, enz. 2.2
Via gedichten nadenken over klanken, woorden, zinnen
Gedichten kunnen ook aanzetten tot nadenken over klanken, woorden en zinnen. Soms bevatten gedichten immers gekke klankencombinaties, nieuwe, onbestaande woorden, rare zinnen of opvallende rijmen. Kleuters kunnen daarover verwonderd zijn en zelf nieuwe dingen verzinnen. De leraar kan hierbij stilstaan en kleuters de kans geven om te experimenteren met taal. Enkele voorbeelden: •
Werken rond een bepaalde klank.
Een voorbeeld uit het boek aa bee see van Vos en Haas van Sylvia Vanden Heede.144 K is net een schaar. Daarmee knipt de kapper Hele bossen haar. Korte kopjes, dikke krullen. Knip en knap en klaar! 143 (Van Damme, 2009) 144 (Vanden Heede, 2002)
156
TDKK00L.indd 156
Taal laten groeien
6/20/16 9:31 AM
De kleuters halen uit het gedicht woorden die met een k beginnen. Ze maken bijvoorbeeld een schaarbeweging telkens als ze een k horen, ze zoeken nieuwe woorden met die klank, ze maken alliteraties met k of werken visueel door de k’s te zoeken in de tekst. Nog een voorbeeld uit de bundel Een rijm in mijn oor van Riet Wille.145 Z doet het niet goed Saa sie soo suu see. Saag siek soon suur seep. De son sakt in de see. Seg ik het so goed? Mijn szz weet niet hoe het moet. Bij dit gedicht kunnen kleuters opmerken dat s en z goed op elkaar lijken. Ze kunnen nonsenswoorden verzinnen met s of woorden zoeken met z en steeds z vervangen door s. •
Werken rond eindrijm
De leraar kan rijmwoorden weglaten in een gedicht en laten aanvullen door de kleuters. Riet Wille maakte zelfs enkele gedichten, waarbij de rijmwoorden enkel visueel weergegeven zijn.146
145 (Wille, 2003) 146 (Wille, 1997) (Wille, 2003) (Wille, 1985) Spelen met poëzie
TDKK00L.indd 157
157
6/20/16 9:31 AM
•
Gedichten aanvullen met een woord of een zin
Kleuters vullen dan een tekst aan, naar analogie met een voorbeeld. De aanvulling is nu niet een woord dat al gesuggereerd werd (zoals in de bovenstaande voorbeelden met rijm), maar is eerder een associatie die ze zelf moeten maken of een beeld dat ze moeten omschrijven. Bijvoorbeeld: Hokus, pokus, pilatus pas Ik wou dat ik een …. was omdat/want……………… …………………………… De bedoeling is dat kinderen om beurt tovenaar mogen zijn (met hoed en toverstaf) en daarbij het zinnetje moeten uitspreken.147 Of ze stapelen zinnen zoals bij het onderstaande gedicht van Nannie Kuiper: Dag poes op de tafel Dag hond op de grond Dag bloem aan de plant In de pot vol met zand Dag gras in de wei Op het schilderij Dag……………….. Dag……………….. Dag dag allemaal Een kusje van mij •
Raadsels oplossen en zelf maken
Riet Wille schreef heel wat raadselrijmpjes, onder andere in de bundels Raadsels te koop148, Een rijm in mijn oor149 of Kastje, wat past je?150. In dit laatste boek staan kasten centraal, met allerlei voorwerpen erin. Over die voorwerpen maakte Riet Wille de raadsels in het boek. Dit principe is bruikbaar bij de oudste kleuters. De leraar kan een aantal voorwerpen tonen en een raadselrijm zeggen dat bij een van de voorwerpen past. De kleuters raden welk voorwerp er bedoeld wordt. Visuele ondersteuning is hierbij noodzakelijk. Kunnen ze dit vlot, dan kunnen ze zelf experimenteren met taal en proberen om een raadsel te verzinnen.
147 148 149 150
158
TDKK00L.indd 158
(Korste, 1994) (Wille, 1985) (Wille, 2003) (Wille, 2004)
Taal laten groeien
6/20/16 9:31 AM
Enkele voorbeelden: Tok tok tok. Ik woon in een hok. Ei ei ei. Dat is ook van mij. (kip) Wie slijmt er langzaam heen en terug met een huisje op haar rug? (slak) Ik geef een kus kus kus kus kus kus aan mijn zus. Hoe oud is mijn zus? (6 jaar) •
Nonsenswoorden
Een boek dat voor inspiratie kan zorgen, is Pas op voor de gnaskop! en andere verzinsels van Shel Silverstein. Het bevat gedichten over dingen die niet bestaan. Een voorbeeld:151 De zrbangdraldnk De zrbangdraldnk komt eraan! Ik heb eens goed gekeken: dit is hem dan! Al weet ik niet hoe je hem uit moet spreken… De kleuters kunnen een zrbangdraldnk tekenen of zelf iets bedenken. Sommige gedichten bestaan volledig uit nonsenstaal. Ze wekken daarom verwondering op bij kleuters. De leraar kan vragen aan de kinderen wat het gedicht zou kunnen betekenen en of ze zelf ook in nonsenstaal kunnen spreken. Een voorbeeld uit de bundel De wereld in mijn handen. Beeldige handen vingerversjes:152
151 (Silverstein, 2008) 152 (Dieltiens, 2013)
Spelen met poëzie
TDKK00L.indd 159
159
6/20/16 9:31 AM
Eun deun dip Eun deun dip. Inne kanne kip. Inne kanne dobbelmanne. Eun deun dip. Eun deun dip. Vette kane kip. Vette kane bokbanane. Een deun dip. uit: De wereld in mijn handen © 2013 door Kristien Dieltiens •
Stilstaan bij uitdrukkingen of bij figuurlijk taalgebruik
Uitdrukkingen of dingen die niet letterlijk bedoeld zijn, bieden kansen om aan taalbeschouwing te doen. Zo bevat het onderstaande gedicht de uitdrukking “een uiltje vangen”, iets wat kleuters zonder duiding niet zullen begrijpen. Het gedicht komt trouwens uit een bijzondere bundel: “Rare snuiters. Een prenten- en gedichtenboek.”153 Deze gedichtenbundel bevat niet alleen tekst en prenten, maar ook braille en een audio-cd. Op de kaft staat dan ook terecht dat het boek een “inclusieve leeservaring” biedt. Oogjes dicht, snaveltje toe, want je bent een beetje moe. Nog een zoen op beide wangen en dan gauw… een uiltje vangen! Ook het onderstaande gedicht van Geert De Kockere zet aan tot het nadenken over de betekenis van woorden. Hoe komt het dat een zebrapad een zebrapad genoemd wordt? Wat kan het woord pad allemaal betekenen? Zebra-pad154 Een zebra en een pad, Pas gewassen, pas uit bad, Liepen samen door de stad. Toen viel de zebra op de pad En lag er in de stad Een heel nieuw zebrapad… 153 (Dewitte, J. & Vlerick, F., 2011) 154 (De Kockere, 1992)
160
TDKK00L.indd 160
Taal laten groeien
6/20/16 9:31 AM
•
Nadenken over intonatie en mimiek in relatie tot gevoelens
In ontwikkelingsdoel 5.5 is ook opgenomen dat kleuters kunnen nadenken over intonatie en mimiek in relatie tot gevoelens. Dit kan aan de hand van gevoelsgeladen gedichten. Hoe kijken en spreken we bij een gedicht dat gaat over bang, boos, verdrietig, blij, enz.? We geven twee voorbeelden van Luk Depondt155, maar in zijn bundel Dichter bij mij. Poëzie voor kinderen van twee tot twaalf zijn er nog meer te vinden. Hij schreef niet alleen zelf gevoelsgeladen gedichten, maar hield ook een pleidooi voor het gebruik van gevoelsgeladen poëzie.156 Gevoelsgeladen gedichten boeien kinderen, want ze roepen herkenbare gevoelens op. Dit lokt dan op zijn beurt weer taal en communicatie uit. Bij het gedicht Blij horen prenten. De leraar kan de prenten vooraf al ophangen om nieuwsgierigheid op te wekken. Daarna bespreekt hij de prenten met de kleuters, laat de kleuters vertellen over het gevoel “blij” en het gevoel uitbeelden met lichaamstaal. Pas daarna wordt het gedicht voorgelezen.157 Blij Blij, als mama naar me lacht. Blij, mijn paps knuffelt me zacht. Blij, als je niet pest of plaagt. Blij, met jou speel ik heel graag. Blij, mijn beste vriend ben jij. In het gedicht over mama komen meerdere gevoelens voor. Ook hier kan visuele ondersteuning voor houvast zorgen om de verschillende gevoelens te koppelen aan mimiek. Mama is soms lief soms boos soms triest soms blij
155 (Depondt, 1998) 156 (Depondt, 1997) 157 (Wauters, 1995)
Spelen met poëzie
TDKK00L.indd 161
161
6/20/16 9:31 AM
Maar lief boos triest of blij Mama is altijd dé mama van mij 3
Spelen met poezie In de kleuterklas
3.1
Algemene aanpak
Via de bovenstaande voorbeelden werd getoond hoe poëzie ingezet kan worden als middel om aan taalbeschouwing te doen. Dat dit op een speelse wijze kan, blijkt uit de voorbeelden. In de kleuterklas dienen gedichten niet om te analyseren of te memoriseren, maar om er werkelijk mee te spelen. Ontwikkelingsdoel NED.2.13 (De kleuters beleven plezier in het gebruiken van taal en het spelen met taal in concrete situaties.) stelt duidelijk plezier en spelen voorop. Om het met de woorden van Geert De Kockere te zeggen: gedichten zijn als torentjes van plezier, gebouwd op een voetpad van papier … Welkom Welkom op mijn voetpad van papier. Hinkel rond mijn torentjes van plezier. Want voor jou zet ik hier mijn gedachten op een kier… uit Torentjes van plezier © 1991 door Geert De Kockere Gedichten dienen NIET om te memoriseren. De tijd van het opdreunen van versjes, van papegaaienwerk zonder meer en puur geheugenwerk is voorbij. Als de interesse van de kleuters gewekt is, als ze al vaak gespeeld hebben met hetzelfde gedicht, dan zeggen ze het vaak vanzelf mee. Het memoriseren van een gedicht kan dus wel het gevolg zijn van het spelen ermee, maar mag geen doel zijn.
162
TDKK00L.indd 162
Taal laten groeien
6/20/16 9:31 AM
De klemtoon ligt op het actief beleven van de taal van een gedicht, actief bezig zijn met een gedicht, ermee spelen, dingen doen. Versjes zijn er niet alleen om te zeggen en te lezen, maar ook om te dansen, te zingen en te spelen, enz.158 De gouden regel daarbij is dat de leraar uit het gedicht moet halen wat er duidelijk in zit (rijm, ritme, intonatie, beelden, beweging, woordenschat, voorwerpen, klanken, …) en daarmee aan de slag moet gaan. Een standaardaanpak waarbij elk gedicht opgedreund wordt met wat gebaren erbij, kan niet. Verscheidenheid in keuze en aanpak is een must. Toch wil dit niet zeggen dat de leraar altijd wat moet aanvangen met een gedicht. Poëzie is al een doel op zich. Door het gewoon voor te lezen, kunnen kinderen al merken dat een gedicht leuk, gek, spannend, verrassend of ontroerend kan zijn. De leraar kan gedichten voorlezen als inleiding (sfeerschepping) of slot van een activiteit of gewoon tussendoor, zonder dat er verder iets mee gebeurt. Of de leraar kan op gedichtendag (de laatste donderdag van januari) een poëzieroute organiseren op school en op verschillende plaatsen een gedicht voorlezen. De leraar kan ook gebruik maken van functionele gedichten (bijvoorbeeld als morgengroet, bij het opruimen, bij het aantrekken van de jassen, vrij spel, het vieren van een verjaardag). Een gedicht kan zelfs een ritueel worden, zoals het onderstaande gedicht dat elke namiddag door de juf en de klaspop (een hond) gezegd wordt, of het gedicht ernaast. TOT MORGEN Een kusje een aai een pootje Een zwaai een neusje een lik we zeggen “tot morgen!” mijn hondje en ik160
Vlug mijn jas, mijn boekentas. Even zwaaien, Nog een keer… Dag vriendjes! Dag juf! Morgen kom ik terug!159
Nog meer voorbeelden van functionele gedichten: bij het opruimen:
bij het aantrekken van jas en muts:
Toverspreuk Rommel, rommel, rommel onderbroek en sprookjesboek duikbril, appelschil tennisbal en wintersok
Riezerazerop doe je mutsje op Riezerazeroe
158 (De Schutter, 1990) 159 (Fournier, 1996) 160 (Kuiper, N., 2008)
Spelen met poëzie
TDKK00L.indd 163
163
6/20/16 9:31 AM
rommel, rommel, rommel rommel ruim je op!162
doe je jasje toe.161
bij het stappen met een rij kleuters: Stappen, stappen, stamp maar mee, Met de voetjes alletwee. Stop! Wacht! Heel zacht, Als een muisje in de nacht.163 Ook in het boek Minimaal maxitaal. Een boek vol talige tips bij routines in de onthaalklas en eerste kleuterklas164 zijn voorbeelden te vinden van functionele versjes. Hierna wordt achtereenvolgens stilgestaan bij het kiezen van een gedicht, de opbouw van een activiteit “spelen met een vers” en mogelijke spelvormen. 3.2
Een gedicht kiezen
De leraar moet verschillende soorten gedichten aanbieden, niet alleen verhalende of humoristische versjes, maar ook gevoelsgeladen poëzie. Naast verscheidenheid is kwaliteit belangrijk. Het kan niet de bedoeling zijn om karamellenverzen of rijmelarij aan te bieden. Dichters zoals Luk Depondt, Nannie Kuiper, Geert De Kockere, Theo Olthuis, Miep Diekmann, Hans en Monique Hagen, Riet Wille, Edward van de Vendel, Joke Van Leeuwen, Johanna Kruit, Iene Biemans, Leendert Witvliet en nog anderen, zorgen voor gevarieerd materiaal. Een gedicht kiezen gebeurt het best op basis van verschillende criteria. 1) De inhoud De inhoud van een gedicht moet verstaanbaar en interessant zijn voor een bepaalde leeftijdsgroep. Gedichten voor de jongste kleuters sluiten goed aan bij hun leefwereld, zijn concreet en herkenbaar. Bij de oudste kleuters mag de inhoud origineler en fantasierijker zijn. 2) De taal Voor de jongste kleuters sluit de taal bij voorkeur zo nauw mogelijk aan bij de dagelijkse taal. Het gedicht mag best taalverrijkend zijn, 161 162 163 164
164
TDKK00L.indd 164
(Auteur onbekend) (Van Damme, 2009) (Coussement, 2004) (Boeckx, 2012)
Taal laten groeien
6/20/16 9:31 AM
maar het moet concreet en begrijpelijk zijn. Bij de oudste kleuters mag de taal gerust wat speelser zijn. Er zijn bij voorkeur vormelijke elementen aanwezig, die het gedicht een meerwaarde geven, zoals rijm (beginrijm, middenrijm of eindrijm), ritme, metrum (= een regelmatig terugkerende cadans, een vast ritme dat steeds herhaald wordt), spel met klanken of herhaling. Herhaling maakt een gedicht eenvoudiger. 3) Mogelijkheden om het gedicht visueel te ondersteunen Een gedicht wordt het best visueel ondersteund. Kan dit helemaal niet, dan gaat het wellicht om een gedicht dat te moeilijk is. Prenten zijn mogelijk, maar de leraar moet niet altijd met prenten werken. Het werken met concreet materiaal geniet de voorkeur. Een gedicht kan ook uitgebeeld worden, in een poppenspel verwerkt of getekend. Bij kinderen van de derde kleuterklas is het handig om met pictogrammen te werken, zo kunnen de kleuters zelf het gedicht voor Nieuwjaar of het gedicht voor de grootouders “lezen”. 4) De lengte Gedichten voor de jongste kleuters zijn meestal kort (4 à 6 regels). Gedichten voor de oudste kleuters zijn meestal wat langer (8 à 12 regels of zelfs meer). De lengte van de regels en het al dan niet aanwezig zijn van herhaling, speelt ook een rol. Zo kan een langer gedicht toch eenvoudiger zijn. Wordt een gedicht enkel voorgelezen en gebeurt er verder niets mee, dan kan het zelfs wat langer zijn. 5) De spelmogelijkheden: Het is een troef als de leraar allerlei spelmogelijkheden kan koppelen aan een gedicht. Kan het gedicht uitgebeeld worden, gespeeld, getekend, gedanst, gezongen, … of kan er op basis van de inhoud een spelletje bedacht worden (bijvoorbeeld met de voorwerpen die in het gedicht voorkomen)? Kan het vers creatief taalgebruik uitlokken bij de kleuters165 of kan het aanzetten tot het nadenken over taal? Hoe meer mogelijkheden er zijn om actief aan de slag te gaan met het gedicht, hoe beter.
OPDRACHT 12 Kies een doelgroep en een thema. Zoek verschillende gedichten die passen bij het thema. Overloop de criteria en maak daarna een keuze. Werk daarna een activiteit uit rond het gekozen gedicht.
165 (Wauters, 1995)
Spelen met poëzie
TDKK00L.indd 165
165
6/20/16 9:31 AM