Didactisch handelen studiegebied onderwijs bachelor in het kleuteronderwijs afstandsonderwijs academiejaar 2022-2023
2 Start van het didactisch handelen: het kind, de context, de doelen LEERDOELEN Na het bestuderen moet je: kunnen aangeven wat de start van het didactisch handelen is. kunnen uitleggen wat focus hierbij inhoudt.
Start het didactisch handelen vanuit het kind, vanuit doelen of vanuit de context? Het antwoord? Volgens het het leerplan van het katholieke onderwijs (ZILL)? Vanuit het leerplan van het katholieke onderwijs stelt men dat je als leerkracht vanuit een focus gaat werken waarop je aanbod en aanpak afstemt. Die focus is het resultaat van een beslissingsproces waarbij drie vragen centraal staan (zie ook onderstaande figuur): Wat zijn de onderwijsbehoeften van de leerling(en)? Wat biedt en vraagt de context? In welke mate realiseren we het leerplan?
2.1 Focus op de beginsituatie LEERDOELEN Na het bestuderen moet je:
de 2 invullingen van de beginsituatie kunnen onderscheiden en illustreren. kunnen uitleggen wat een kindgerichte onderwijsvisie betekent voor jouw klaspraktijk. kunnen verduidelijken aan de hand van verschillende argumenten waarom een grondige verkenning van de beginsituatie van de kleuter en van de context, belangrijk is. kunnen uitleggen wat we bedoelen met ‘gedifferentieerde beginsituatie’, ‘dynamische beginsituatie’, actuele tegenover verwachte beginsituatie. het verband kunnen uitleggen tussen ‘beginsituatie’ en ‘zone van naaste ontwikkeling’. de verschillende aspecten en deelelementen van de beginsituatie kennen en daarvan de implicaties voor het onderwijzen kunnen inschatten. een aantal methodes kennen om de beginsituatie te achterhalen. bij de voorbereiding, uitvoering van de stages en bij de reflectie op de stages achteraf bewust bezig zijn met het perspectief van de kleuter en het achterhalen van de beginsituatie.
Je vertrekt enerzijds altijd vanuit het kind/leerling en vanuit de context, m.a.w. jouw focus ligt op kind/leerling en context dan begin je met het in kaart brengen van de beginsituatie.
De beginsituatie kent 2 invullingen: •
De beginsituatie van de kinderen
•
De context als beginsituatie
Dit kan je ook zien op bovenstaand schema.
In wat volgt verkennen we de beginsituatie grondig.
2.1.1 Een kindgerichte onderwijsvisie Een kindgerichte visie komt tot uiting in het schenken van aandacht aan de beginsituatie van de kinderen. Het is belangrijk om voldoende tijd te nemen om de gegevens van de beginsituatie te analyseren. Je moet rekening houden met wat de kinderen al kennen en kunnen, met wat de kinderen motiveert en stimuleert. Daarop moet je immers verder bouwen! Als je de kinderen observeert, kan je de ontwikkeling maximaal ondersteunen. Als de leerkracht de kleuters kent, is het gemakkelijker een geschikt thema te kiezen of er activiteiten bij op te zetten. Het stelt de leerkracht in staat de concrete doelen te bepalen waarrond hij ontwikkelingskansen wil creëren.
2.1.2 De beginsituatie m.b.t. de doelgroep
Groepsgerichte focus Het is belangrijk om info te achterhalen m.b.t. niveau van de klasgroep, wat de kleuters kan boeien en hoe de klas als groep functioneert. De groepsgerichte focus bestaat uit deze elementen: -
De belevingswereld van de kinderen
-
Het aanvangsniveau van de klasgroep
-
Info i.v.m. het leef- en leerklimaat van de klas
De belevingswereld van de kinderen Het is belangrijk om als leerkracht de interesses en belangstelling van de kleuters te kennen. Pas dan kan hij immers activiteiten geven waarin de kleuters gemotiveerd zijn om te leren. Bijvoorbeeld: §
Voor peuters en jonge kleuters behoort alles wat te maken heeft met het eigen ‘ikje’ tot de interesses. ‘Ik en mijn boekentas’, ‘Ik was mij’, ‘mijn lichaam’ zijn toppers.
§
Oudere kleuters kunnen al volop genieten van fantasieverhalen en andere activiteiten die hun fantasie aanspreekt: ‘piraten’, ‘ridders en kastelen’, …
§
In de klas van Inge zijn de kleuters een hele tijd in de ban van ‘wespen’. Dit is zo sinds 2 kleuters tijdens een speeltijd gestoken werden.
Het aanvangsniveau van de klasgroep
Het is belangrijk als leerkracht het niveau van de kinderen op de verschillende ontwikkelingsdomeinen te kennen. In de ontwikkelingspsychologie zijn enkele mijlpalen in kaart gebracht waarop een (gemiddeld) kind van een bepaalde leeftijd bepaalde vaardigheden kan. Dat betekent echter niet dat kinderen gelijk zijn. Hoewel de kinderen in jaarklassen zitten en zich dus op min of meer dezelfde ontwikkelingsfase bevinden, zijn er soms nog grote onderlinge verschillen. Kinderen hebben de tijd nodig om zich te ontwikkelen en te rijpen. Algemene inzichten bieden een ruw raamwerk waartegen we de eigenheid van die ene kleuter willen, kunnen, (moeten) ontdekken via observatie, gesprek. Ook de voorkennis van de klasgroep, is belangrijke informatie. Een voorbeeld: als je wilt de woordenschat van kleuters verrijken in een activiteit rond het thema ‘boerderij’, dan is het belangrijk dat je nagaat welke woorden de kleuters al kennen. Het aanvangsniveau en de voorkennis bepalen, is belangrijk om in te schatten wat de zone van naaste ontwikkeling is. De activiteit, het aanbod, moet namelijk uitdagen om net dat stapje verder te gaan dan wat een kleuter reeds goed kent/kan, beheerst. Dit stapje hoger is de zone van de naaste ontwikkeling.
Info in verband met het leef- en leerklimaat in de klas Voor het bepalen van de beginsituatie kijken we ook best naar de klasgroep. Vragen die we ons daarbij kunnen stellen zijn: Wie zijn de medekleuters? Wat is het klasklimaat? Hoe is de groepssfeer? Deze info kan relevant zijn voor het uit te werken aanbod, de te geven activiteit.
Hoe te noteren op het voorbereidingssjabloon (ter voorbereiding van activiteiten op stage)? Groepsgerichte focus
Noteer hier belangrijke info m.b.t. de voorkennis en het aanvangsniveau van de groep, het leef- en leerklimaat van de klas, ….
We beschrijven hier de recente ervaringen van kleuters waarbij aangesloten kan worden tijdens deze voor te bereiden activiteit. We schrijven dus neer wat de kleuters al kunnen, kennen, ervaren hebben in verband met het onderwerp, techniek, aspect … dat/die jij zal aanbrengen. Alle informatie (over de kleuters) die belangrijk is om de activiteit goed voor te bereiden en te begeleiden, schrijf je hier. Zorg dat je vooral info geeft over het kennen en kunnen van de kleuters met betrekking tot wat ze in de activiteit zullen moeten doen. Met andere woorden, geef info over het aanvangsniveau van de kleuters.
Enkele voorbeelden zijn: §
Op leeruitstap naar de tuin (begin van het thema): Enkele kleuters kennen de schooltuin en de weg er naartoe. Bij het aankondigen van het thema (vorige week) bleek dat enkele kleuters geen regenwormen kennen. Enkele kleuters hebben al regenwormen gevangen in hun tuin. Pieter zoekt regelmatig regenwormen voor zijn vader om te gaan vissen. Lies heeft een boek waar prenten over regenwormen in staan. De kleuters kennen de afspraken die gelden tijdens de wandeling.
§
een regenworm van nabij verkennen (uitgegraven tijdens de uitstap): Gisteren zijn we op leerwandeling geweest naar de schooltuin. Daar ‘verzamelden’ de kleuters regenwormen in emmertjes, gevuld met aarde. Jos was bang van de regenwormen en wou geen regenworm in zijn hand nemen. Lies heeft haar boek meegebracht. De kleuters zijn het gewoon om een klassikale inleiding te krijgen en dan in groepjes te werken.
§
Activiteit bewegingsopvoeding (tikspelen): De kinderen hebben nog geen tikspelen gespeeld. Ik start dus bij een voorbereidend tikspel. Ik maak met de kinderen afspraken. Ze zijn gewoon deze na te leven. Motorisch gezien zijn de volgende kenmerken aanwezig bij deze vierjarigen: Armen actief meezwaaien. Ze lopen nog in een zweeffase. Ze kunnen bewegende hindernissen ontwijken; lopen met korte en lange passen; een traject volgen tijdens het lopen; snel en trager lopen, op hun niveau.
Individugerichte focus
Wanneer de leerkracht de beginsituatie van de kinderen en de klasgroep opmaakt, achterhaalt hij kenmerken die van invloed kunnen zijn op ontwikkelen en onderwijzen en wordt hij zich ervan bewust gemaakt dat een kleuter meestal niet als een onbeschreven blad begint: een kind is iemand, kan wat, vindt wat en heeft een eigen manier van ontwikkelen.
Een groep kleuters lijkt misschien een eenheid, maar als we bv. de gespreksronde bij het onthaal (begin van de dag) analyseren, stellen we vast dat de interesses van kleuters heel sterk uiteenlopen. Wanneer de leerkracht de beginsituatie van de kleuters in kaart wil brengen, zal hij dan ook merken dat er steeds meer verschillen zijn tussen de kinderen. Meestal is er geen uniforme beginsituatie, maar een gedifferentieerde beginsituatie. Kinderen kunnen wat ontwikkeling betreft sterk verschillen. Een gedetailleerde beginsituatiepeiling is belangrijk: door meer kennis te hebben van de situatie zal het immers beter mogelijk zijn om levensechte onderwijs- of leerprocessen te organiseren. De vraag die de leerkracht zich dan wellicht zal stellen is: ‘Hoe moet ik tegemoet komen aan al die individuele verschillen?’. We komen daar in de cursus ‘didactiek 3’ op terug. Zoals reeds geschreven is er geen sprake van een uniforme beginsituatie, enkel van een gedifferentieerde beginsituatie. Het is dus belangrijk om naast het aanvangsniveau en de interesses voor de groep, de meeste kleuters, ook rekening te houden met de specifieke beginsituatie van enkele kleuters. Voorbeelden Een kind dat moeite heeft om zijn aandacht goed te richten naar de essentie, kan je onder andere helpen door dit kind bij een activiteit in de kring dicht bij jou te laten plaatsnemen, of dicht bij de aangeboden materialen te plaatsen. Bij een kind dat thuis een andere taal spreekt, is het goed na te gaan of dit kind voldoende het Nederlands begrijpt. Wanneer dit kind nog moeite heeft om alles vlot te begrijpen, dan zal je als leerkracht bij het geven van instructies best ook visuele hupmiddelen gebruiken, en eens extra controleren of dit kind de opdracht juist begrepen heeft. Het kan ook dat een kind veel begrijpt, maar nog niet goed de taal kan spreken. Dit vraagt dan weer een andere aanpak. En het kan ook, dat dit kind al goed tweetalig is. Dan is de info dat het kind thuis een andere taal spreekt, eigenlijk niet meer relevant, behalve als in een activiteit waarin meertaligheid aan bod komt. Hoe te noteren op het ‘nieuwe’ voorbereidingssjabloon? Individugerichte focus:
Noteer hier voor welke (individuele) kind(eren) je dit aanbod doet en waarom? (ook al staat het ruimer open)
Noteer in dit kader relevante informatie over individuele kleuters. “Relevant” betekent dat dit info is waar je best rekening mee houdt bij de uitwerking en begeleiding van de activiteit. Spreek niet over ‘enkele’ of ‘sommige’ kleuters, maar vermeld erbij over welke kleuters dit dan gaat, bv. door hun initialen te vermelden.
Voorbeeld §
Sommige kinderen (A. en Z.) begrijpen niet goed Nederlands, en zullen dus in deze activiteit aangepaste begeleiding moeten krijgen zodanig dat ze alles goed begrijpen en de nieuwe begrippen goed opnemen.
§
Laura staat verder dan de meeste kleuters wat betreft getallenkennis. Zij kan reeds vlot synchroon en resultatief tellen en terugtellen binnen het bereik tot 10.
§
Lars heeft moeite met kleine motoriek. Knippen om gebogen lijnen is nog moeilijk voor hem.
2.1.3 De beginsituatie van de context
Naast de aanvangsgegevens van de kleuter en de groep zijn er ook elementen van de klas- en schoolsituatie waarmee we bij het voorbereiden van de activiteit best rekening houden. Het gaat om relevante klasgewoonten, relevante info over de schoolomgeving en de schooluitrusting, waarmee rekening moet gehouden worden. De klas Relevante factoren binnen de klascontext kunnen zijn: §
de grootte van de klasruimte
§
aantal kleuters
§
materiaal aanwezig in de klas
§
ligging, verlichting, versiering, temperatuur
§
gewoontes van de klas (Bijvoorbeeld, als het de gewoonte is om te werken met een bepaald beurtensysteem, dan moet je hiermee rekening houden bij activiteiten waarbij kleuters om de beurt aan bod moeten komen.)
De school In welke omgeving ligt de school? Ligt de school op het platteland, in de stad, naast een drukke spoorweg, … Bijvoorbeeld: -
Dit soort info kan bijvoorbeeld van belang zijn als je bv. wil werken rond natuur, rond
-
vervoersmiddelen, rond bepaalde beroepen, enz. Wanneer een aanzienlijk deel van de kinderen van deze school deel uitmaken van maatschappelijk kwetsbare of arme gezinnen, dan past het niet dat je ervan uitgaat dat elk kind materiaal van thuis meebrengt om mee te werken in de klas.
Aanknopingspunten vanuit de actualiteit Wat vanuit de maatschappij actueel is, komt ook de school en de klas binnen. Wanneer relevant en gepast, hou je hiermee rekening. Bijvoorbeeld: -
De aandacht in de media voor duurzaam consumeren.
-
Nieuwe inzichten die in de media verschijnen omtrent gezonde voeding en beweging (bv. de omgekeerde voedingsdriehoek). Hoe te noteren op het voorbereidingssjabloon?
Beginsituatie m.b.t. de CONTEXT: Wat biedt/vraagt de context? Noteer hier de aanknopingspunten vanuit de actualiteit, de klasgewoonten, de schoolomgeving, de schooluitrusting, …. waarmee rekening zal gehouden worden i.f.v. de geselecteerde ontwikkelvelden en ontwikkelthema’s.
2.1.4 De beginsituatie achterhalen Er zijn heel wat verschillende manieren om de beginsituatie te bepalen. We sommen enkele methoden op om kinderen te leren kennen: §
Meespelen met kleuters en spreken met kleuters: dit geeft je een beeld van de interesse van de kleuteren van het niveau van het kind op de verschillende ontwikkelvelden.
§
Een observatie: dit is het verzamelen van gegevens betreffende waarneembare gedragingen door het gericht kijken en luisteren naar kinderen met de bedoeling een zo objectief mogelijk beeld te verwerven. (Op stage kan je naast eigen observatie, ook de mentor bevragen over de beginsituatie.)
§
Diagnostische toetsen: dit is een toets waarbij specifieke leermoeilijkheden van kinderen achterhaald worden. Diagnostische toetsen worden vooral gebruikt om bij leerzwakke kinderen exact te kunnen bepalen waar het fout loopt.
!Probeer een antwoord te formuleren op volgende vragen: Een kleuterleidster schrijft bij ‘beginsituatie’ (activiteit taal): “Twee kleuters zijn anderstalig en hebben extra begeleiding nodig op gebied van taal.” Deze informatie is onvolledig. Leg uit. Je zult binnenkort op stage een activiteit beweging moeten geven. Wat moet je allemaal te weten komen om je beginsituatie voldoende in te schatten en goed te kunnen omschrijven?
2.1.5 Flexibel omgaan met de beginsituatie De verwachte beginsituatie tegenover de actuele beginsituatie De verwachte beginsituatie, de beginsituatie die de leerkracht verwacht om op in te kunnen spelen, kan wel eens voor verassingen zorgen. Want wat gisteren nog niet interessant was voor de kleuters, kan misschien vandaag wel rekenen op belangstelling door een gebeurtenis in de buurt, door de actualiteit, door een spel… Dat noemen we de actuele beginsituatie. De leerkracht kan een activiteit dus heel goed voorbereiden, de kleuters beïnvloeden het activiteitenverloop en kunnen zo voor een onvoorziene wending zorgen. Het is aan de leerkracht om af te wegen of hij vasthoudt aan de voorbereiding dan wel inspeelt op de actuele beginsituatie. Zowel star vasthouden aan de voorbereide activiteit als met alle winden meewaaien zijn geen goede beslissingen. Wat de ontwikkeling van kleuters betreft, de verwachte beginsituatie valt (gelukkig..) vaker samen met de actuele beginsituatie dan dat die twee verschillen.
Een dynamische beginsituatie Het is belangrijk om het begrip ‘beginsituatie’ niet al te statisch (onveranderlijk) op te vatten. De leerkracht moet immers niet alleen vooraf vaststellen hoe ver de kleuter in de ontwikkeling staat, ook tijdens de activiteiten bepaalt de leerkracht steeds de beginsituatie. Door goed te observeren krijgt de leerkracht zicht op de gedragingen van de kleuters en weet hij hoe hierop verder te werken.
Voorbeeld Tijdens de muzikale activiteit valt het de leerkracht op dat Cléo de opdracht niet goed uitvoert. De bedoeling is dat de kleuters elk op hun ritme-instrumentje het ritme van het liedje meedoen, maar Cléo klopt er eigenlijk zomaar op los. Heeft ze de instructie niet goed begrepen? Of voelt ze het ritme niet? De leerkracht zoekt naar een snelle aanpak. Ze verwoordt nog eens duidelijk de instructie en klopt het ritme zachtjes mee op Cléo’s schouder.
2.1.6 Waarom is de focus op de beginsituatie zo belangrijk? De zone van actuele ontwikkeling tegenover de zone van naaste ontwikkeling: De onderwijspsycholoog Vygotsky maakt een onderscheid tussen de actuele beginsituatie of de zone van actuele ontwikkeling en de toekomstige beginsituatie of de zone van naaste ontwikkeling. Vygotsky stelt dat de leerkracht moet kijken naar wat een kind kan leren en niet enkel naar wat het nu al kan. De zone van naaste ontwikkeling is datgene wat een kind nog nét niet kan, maar met enige stimulering en/of hulp van anderen wel.
De actuele beginsituatiebepaling of de zone van de actuele ontwikkeling heeft dus een grote waarde voor een gericht onderwijsaanbod. Door de beginsituatie goed in kaart te hebben kan de leerkracht het activiteiten- en materialenaanbod afstemmen op de behoefte van individuele kleuters (zie onderstaand schema), waardoor er een beredeneerd aanbod ontstaat, dat tevens wordt afgestemd op de doorgaande lijnen binnen de school. De leerkracht kan zo ook gedifferentieerd begeleiden. Uiteraard moet er een overbrugbare kloof zijn tussen de doelen van een activiteit en de beginsituatie van de kleuters. De doelen moeten haalbaar zijn, want anders wordt de activiteit te moeilijk of te gemakkelijk waardoor er geen sprake is van ontwikkelen. De eindsituatie van elk ontwikkelings- of leerproces is op zijn beurt beginsituatie van het volgende ontwikkelings- of leerproces. Er moeten dan nieuwe doelen geformuleerd worden.