Janette Benaddi, Helen Butters, Niki Doeg en Frances Davies
VIER VROUWEN EN EEN BOOT
*
*
>
*
#
M
"
!
U
C
#
%
V
>
!
)
V
$
+
L
)
#
B
F
0
3
"
+
B
F
M
$
F
$
2
=
L
1
4
5
6
7
8
/
!
7
"
#
$
%
&
'
(
#
)
9
$
:
0
=
L
@
$
/
C
.
A
)
-
?
"
$
%
#
$
$
:
G
%
"
?
?
C
$
:
"
B
=
%
;
)
%
(
H
C
%
L
D
"
L
$
L
Q
V
$
$
"
F
%
$
%
C
)
-
=
!
"
#
$
%
'
(
#
)
E
,
+
=
H
$
W
+
>
H
$
$
"
$
N
%
=
E
C
+
<
H
$
L
<
$
N
E
C
=
$
%
C
$
E
%
(
$
C
+
F
$
F
E
$
,
"
+
>
$
>
$
"
V
=
=
$
C
<
<
H
,
)
)
W
)
L
+
L
"
(
)
%
%
%
$
$
)
$
>
)
(
C
$
F
F
%
+
"
)
$
)
%
$
Q
I
-
K
$
H
C
>
J
$
C
>
!
-
+
B
<
A
O
P
*
T
"
-
@
,
>
J
N
-
O
S
%
"
H
E
;
%
!
R
-
$
"
-
"
%
%
>
$
I
=
+
=
:
@
$
%
%
=
>
)
,
"
V
$
$
=
$
%
$
)
"
L
U
+
<
=
F
We dragen dit boek op aan jou in de hoop dat het je zal inspireren om je eigen ‘oceaan’ te bedwingen, hoe die er ook uit mag zien. janette, helen, frances en niki
Inhoudsopgave Hoofdstuk 1
La Gomera
11
Hoofdstuk 2
Volhouden
37
Hoofdstuk 3
Het begin
48
Hoofdstuk 4
Het team
68
Hoofdstuk 5
Geregel
81
Hoofdstuk 6
Een stap voorwaarts
94
Hoofdstuk 7
Rose
108
Hoofdstuk 8
Thuis
124
Hoofdstuk 9
De Noordzee
139
Hoofdstuk 10
De final countdown
168
Hoofdstuk 11
De roeitocht
194
Hoofdstuk 12
Kerst
203
Hoofdstuk 13
Orkaan
219
Hoofdstuk 14
Flow
230
Hoofdstuk 15
Antigua
256
Hoofdstuk 16
Terug
288
De brieven
308
Dankwoord
314
hoofdstuk 1
La Gomera ‘Te zijn is te doen.’ socrates
30 november 2015, de haven van San Sebastián, La Gomera Frances schudde langzaam haar hoofd. Met een blik op de golven die onder ons tegen de kademuur stuksloegen zei ze: ‘Dit is geen oceaan voor beginners.’ Naast haar, uitkijkend over het watergeweld vlak buiten de haven van San Sebastián op La Gomera, moesten wij – Janette, Helen en Niki – haar wel gelijk geven. De golven waren gigantisch hoog en de afstand die wij zouden gaan roeien loog er niet om. Wie had dit eigenlijk ooit verzonnen? Alles bij elkaar stonden we op het punt om vier echtgenoten, acht kinderen, vijf honden, twee katten, twee slangen en een woestijnratje achter te laten om drieduizend zeemijlen over een van de gevaarlijkste oceanen ter wereld te gaan roeien. Er schijnen meer mensen de ruimte in te zijn geweest en meer mensen op de top van de Mount Everest te hebben gestaan dan er mensen zijn die in een roeiboot de Atlantische Oceaan overgestoken hebben.
11
En eerlijk gezegd: geen van hen was een werkende moeder uit Yorkshire, aan de verkeerde kant van de veertig, of zelfs de vijftig al gepasseerd, en (als we dan toch eerlijk zijn) geen van ons was een topsporter. Sterker nog, geen van ons vieren had ooit op niveau aan een duursport gedaan. We waren nooit op de Noordpool of de Zuidpool geweest, hadden nooit ons bivak opgeslagen op een berg, nooit in een grot gewoond, levend van regenwater en met een klein knaagdier als enige gezelschap. Toch waren we ook weer geen uitgebluste bankhangers; Frances had deelgenomen aan de Coast to Coast-race, van Nairn naar Glen Coe, en Janette had een ‘fun run’ van vijf kilometer gelopen, waarbij ze overdekt met roze verf een rondje om Castle Howard deed. Maar in essentie waren we gewoon vier moeders die elkaar kenden van het schoolplein en die het plan hadden opgevat om de oceaan over te roeien. En nu we hier zo stonden, leek dat plan om de Talisker Whisky Atlantic Challenge aan te gaan – een van de zwaarste races ter wereld – dat we bedacht hadden na een paar glaasjes pinot op een koude winteravond in York, in januari 2013, ineens volkomen krankzinnig. Het had ons bijna drie jaar gekost om tot dit punt te komen. We zeiden altijd tegen elkaar dat het zwaarste deel van de race, de grootste uitdaging, bij de start op de Canarische Eilanden zou zijn. En dat punt waren we al gepasseerd. Het moeilijkste hadden we achter de rug. We hadden sponsoren gevonden en geld ingezameld, genoeg mensen ervan weten te overtuigen dat we dit echt wilden, en dat we hun steun waard waren. Maar nu stonden we hier te staren in die heksenketel vol onderstromen en getijden, met een stormachtige wind en golven van wel achttien meter hoog, om nog te zwijgen van de mammoettankers die ons kleine bootje in een oogwenk konden vermorzelen. Aan haaien, walvissen en zwaardvissen, die soms
12
midden in de nacht kleine boten aan hun zwaard regen, probeerden we ook maar niet te denken, net zo min als aan de brandend hete zon, slagregens, verwondingen, zweren, uitputting en het eindeloze roeien. We zouden twee uur op, twee uur af gaan – eat, sleep, row, repeat – en onze schatting was dat we dat vijftig dagen zouden moeten volhouden, en misschien nog wel ietsje langer. Die fles mango-gin die we in het ruim van de boot wilden verstoppen voor noodgevallen zou hoe dan ook opengaan. ‘Het komt goed,’ zei Helen met een verbeten glimlach en een overdreven nonchalant schouderophalen, terwijl er weer een golf op de rotsen onder ons te pletter sloeg. ‘We halen Antigua heus wel.’ Ze knikte erbij. ‘We moeten positief denken,’ meende Niki. ‘Wij maken ons team sterk, en het is ons team dat ons sterk maakt.’ Janette citeerde uit het manifest Kernwaarden voor aan boord, dat ze ons vijfduizend kilometer verderop, in Yorkshire, ter goedkeuring had voorgelegd. Starend naar die machtige golven deden we allemaal verschrikkelijk ons best om optimistisch te blijven, positief te denken en te blijven ademhalen, terwijl we ons diep vanbinnen afvroegen: hoe kom je er in godsnaam op om de oceaan te willen oversteken in een roeiboot? We wisten dat er een kans was dat we het niet zouden halen, maar wilden niet vastlopen in negatieve gedachten. Deze ervaring zou ons leven veranderen. De reden om dit avontuur aan te gaan was niet dat wij aan ons leven wilden ontsnappen, maar dat we niet wilden dat ons leven aan óns zou ontsnappen. En nu was het zover. De zon scheen genadeloos, de zilte lucht vulde onze longen. Helen verbrak de stilte. ‘En dan nog iets,’ zei ze ferm. ‘Geen gejank.’
13
Op de laatste dag van november 2015 kwamen we aan op La Gomera, twee weken voor de start van de Talisker Whisky Atlantic Challenge. Met ons vieren zouden we drieduizend mijl roeien van onze basis op de Canarische Eilanden naar Antigua, in de Antillen. Er was ons verteld dat de voorbereiding het belangrijkste onderdeel van de race was, en we wilden per se ruim op tijd op de Canarische Eilanden zijn om dingen te regelen, en om te controleren of de paar winkeltjes op het piepkleine vulkanische eiland wel echt alles in voorraad hadden wat wij nodig hadden. Het nieuwsprogramma bbc Breakfast had besloten ons vertrek uit Engeland te filmen. Op het vliegveld van Manchester namen we afscheid van onze steuntroepen, vrienden (heel veel vrienden), familie (heel veel familie) en supporters. Van de zesentwintig teams die dat jaar de Atlantische Oceaan zouden oversteken, had de bbc ons uitgekozen – Yorkshire Rows, zo heetten wij – om gedurende de race te volgen. Daar waren we heel blij mee, omdat we geld wilden ophalen voor maar liefst twee goede doelen: Maggie’s Cancer Care en de Yorkshire Air Ambulance. De tv-camera’s draaiden toen we bij de Thompson-balie stonden om in te checken voor Tenerife, omringd door vrienden, familie en stapels koffers vol met waterpompen, zakjes paranoten, regenkleding en comfortabel zittende broeken, in de hoop dat er geen toeslagen zouden volgen voor al die extra kilo’s bagage. Precies op dat moment werden we benaderd door de schrikbarend knappe voormalige olympisch kampioen James Cracknell, die een paar jaar geleden ook aan deze race had deelgenomen met presentator Ben Fogle, maar dan niet voor tv. De charmante sportman was door de bbc gestuurd om ons te verrassen, en om ons uit te zwaaien en nog wat laatste wijze raad mee te geven.
14
Helaas had niemand dat tegen Janette gezegd, en in de warboel van bagage, gezichten en felle lampen had ze hem aan de kant geduwd. ‘Sst,’ waarschuwde ze met haar wijsvinger in de lucht. ‘De bbc staat verderop te filmen.’ ‘Maar…’ begon James. Het klonk verward. ‘Je ziet de camera toch wel?’ Janette had de knappe roeier niet herkend. Ze dacht dat hij een andere deelnemer aan de race was. ‘De mensen van de tv willen graag hun werk doen,’ zei ze, met samengeknepen ogen tegen het licht. ‘Dus als je gewoon even stil bent tot ze klaar zijn?’ ‘Ik was alleen…’ probeerde Cracknell nog eens. ‘Sst,’ herhaalde ze. Toen Janette ten slotte werd voorgesteld aan haar gesprekspartner kon hij, na uitvoerige, blozende verontschuldigingen van haar kant, eindelijk zijn woordje doen. Hij zei dat we elkaar de ene dag zouden haten, en dat we de volgende dag weer van elkaar zouden houden, en dat dit patroon zich zou herhalen tot we de oceaan over waren. Hij waarschuwde ons dat we blaren zouden krijgen op onvermoede plaatsen en hij voegde eraan toe dat hij dacht dat we onze bestemming wel zouden halen, aangezien we een nog veel grotere beproeving hadden doorstaan: kinderen baren. Terwijl zijn bemoedigende woorden nog nagalmden, vertrokken we naar de Canarische Eilanden – met onze antischaafbroeken veilig in het ruim, zonder bijbetaling! Om zover te kunnen komen, hadden we niet alleen hulp gekregen van onze gezinnen, maar ook van heel veel andere uiterst gulle mensen. Een van hen was de achtentachtigjarige Ron uit Halifax, die een vervoersbedrijf had in Yorkshire, en een appartement in Tenerife. Hij had over ons
15
gelezen in de Yorkshire Post. Op onze fundraisingswebsite had hij aangeboden ons van het vliegveld in Tenerife op te komen halen. Aangezien we hem nog nooit hadden ontmoet, hadden we geen idee wat we konden verwachten toen we kennismaakten met deze aardige, kleine oudere man. Hij gooide onze loodzware tassen achter in zijn auto en nam ons mee uit lunchen in Santa Cruz voordat hij ons op de veerboot naar La Gomera zette. Nog geen uur later kwamen we aan in de haven van San Sebastián, die bruiste van energie. We checkten in bij de organisatie van de race, en kregen onze toegangspassen voor de haven. Toen we de enorme beveiligingspoorten bij de haven doorliepen, was het lawaai het eerste wat ons opviel: geschreeuw, geklets, gelach, het geluid van zagen, snijbranders, hamers. Overal werd keihard gewerkt. ‘Ben ik de enige die zenuwachtig en opgewonden is?’ vroeg Niki. ‘Ik kan niet geloven dat we hier echt zijn,’ zei Helen. ‘Dat we het zo ver hebben geschopt,’ voegde Janette daaraan toe. ‘Eindelijk,’ zei Frances lachend. Overal stonden ploegen die zouden deelnemen aan de race, en de boten lagen naast elkaar opgesteld. De teams kwamen van over de hele wereld: tweemansformaties, solisten en groepjes van vier, zoals het onze. In totaal waren zesentwintig teams bezig zich voor te bereiden op de race; de deelnemers liepen voortdurend over de pier heen en weer. Dikke stapels spullen, touwen, emmers, noodtassen, waterpompen, remparachutes, zee-ankers, radio’s, handfakkels en ehbo-sets lagen verstrooid over de houten planken in een soort ordelijke chaos om door de organisatie van de race te worden geïnspecteerd. Dat is een uiterst nauwkeurige procedure waarbij alle materialen worden gecheckt. Aan de ene kant is het een inventarisopname van de boot, maar er wordt ook gekeken hoe zee-
16
waardig de boot en de bemanning zijn. Iemand die niet door deze controle komt, wordt uitgesloten van de race. Midden tussen dat alles lag Rose – onze schitterende, oceaanwaardige Rannoch-wedstrijdboot, en het vijfde lid van ons team: acht meter lang en anderhalve meter breed, en glanzend wit in het zonlicht. We wilden haar zo graag zien dat we snel tussen alle andere teams door slingerden, op zoek naar haar. We hadden haar gemist, sinds ze twee maanden eerder op een vrachtschip was geladen en alvast naar het zuiden was gestuurd. Eindelijk zagen we haar liggen, strak en glimmend van de nieuwe Glide Coat-verf waarmee ze over de Atlantische Oceaan zou scheren. Ze lag aangemeerd naast een felgroene boot, die bemand werd door de enige andere geheel vrouwelijke bemanning in de race – Row Like a Girl. We stapten meteen aan boord, en als bezorgde ouders begonnen we haar helemaal na te lopen om te zien of ze geen butsen had opgelopen tijdens haar reis. Gelukkig was ze in perfecte staat. Sterker nog, vergeleken met veel andere boten in de haven zag ze er fantastisch uit. ‘Niet om het een of ander,’ fluisterde Helen terwijl ze langs de rij met boten keek, ‘maar geen van deze boten kan aan Rose tippen.’ ‘Zo is dat,’ beaamde Niki. ‘Rose is een van de modernste van allemaal.’ Maar de boten verschilden niet alleen in leeftijd en afmetingen; het zat hem ook in wat de andere bemanningen ermee hadden gedaan. Toen we langs de aanlegsteigers liepen om kennis te maken met de andere deelnemers, werd wel duidelijk dat veel andere teams hun boten flink hadden gepimpt. ‘De Antiguanen hebben zelfs een klein fornuis,’ zei Janette. ‘Ze hebben een van de zittingen eruit gehaald; het fornuisje staat nu in het midden.’ ‘Ze hebben ook hengels,’ ging Niki verder. ‘Blijkbaar zijn ze van plan om onderweg te gaan vissen.’
17
‘Vissen?’ vroeg Helen verbaasd. ‘Ze zien wel wanneer ze aankomen, tenminste, dat zeggen ze,’ vervolgde Niki. Het was duidelijk dat ze het maar een merkwaardige aanpak vond. ‘Team Beyond neemt liters olijfolie mee. Om op te drinken,’ vertelde Frances. ‘Maar daar krijg je toch diarree van?’ vroeg Helen. ‘En Ocean Reunion heeft een tas vol pindakaas bij zich!’ Toen we heen en weer liepen tussen de boten om de anderen te leren kennen, begonnen we ons serieus af te vragen of onze eigen voorbereiding wel deugde. Hadden wij niet ook een fornuis nodig? Moesten we niet ook vissen? En pindakaas wegspoelen met olijfolie? Waar waren we eigenlijk mee bezig? We hoorden hier helemaal niet thuis, tussen al die atleten. We waren maar gewoon vier moeders uit Yorkshire. ‘Zo is het wel genoeg,’ zei Frances streng. ‘We wilden dit, en nu zijn we hier. Dus gaan we ervoor.’ Met al die roeiers, ondersteunende teams en mensen van de organisatie op het kleine eilandje was accommodatie afgrijselijk duur. Gelukkig was Janette een jaar ervoor al met haar man, Ben, naar La Gomera geweest om voor het team op verkenning te gaan. Dus kende ze een paar restaurants en wat kroegen. Ze hadden zelfs een glamoureus vijfsterrenhotel gezien, boven op de heuvel, waar ze wel graag wilde overnachten voor de race, maar Frances zag dat anders. Die had een heel wat minder heilzaam maar een stuk praktischer appartement gevonden waar we ons met z’n vieren konden verschansen tot de rest van onze gezinnen zou komen om ons toe te juichen bij de start. Een makelaar zou het appartement op de eerste verdieping hebben omschreven als ‘karakteristiek’. Helen sprak optimistisch van ‘veel
18
Spaanse charme’, maar zij had dan ook de beste slaapkamer – of liever: de énige slaapkamer. Het vertrek bevatte een tweepersoonsbed en een grote linnenkast, en lag pal naast de badkamer. Janette moest op de slaapbank in de zitkamer slapen, en Frances en Niki waren ingekwartierd ‘op zolder’ – op een entresol, waar ze aan de elementen waren overgeleverd. Ze moesten in emmers plassen (tot hilariteit van de buren), want midden in de nacht van een gammele ladder klimmen leek een vrij zekere manier om blessures op te lopen. En die konden we ons niet veroorloven. Niet nu. Niet na al dat harde werk, met de race voor de deur. Op onze eerste avond bespraken we hoeveel bagage we zouden moeten meenemen aan boord. Hoe meer we meenamen, des te zwaarder de boot werd, en hoe trager we zouden roeien. Het was dus in ons eigen belang om alles tot een minimum te beperken. Essentiële dingen zoals een reserveroer en de handbediende watermaker konden we echt niet achterlaten, maar Helens steiltang en gigantische verpakking glitterdouchegel zouden absoluut weer met haar man, Richard, mee naar huis gaan, want die had ze alleen nodig op La Gomera – en dan nog… Trouwens, hoeveel onderbroeken moesten er eigenlijk mee? ‘Twee de man,’ vond Janette. ‘Twee?’ vroeg Niki. Janette knikte. ‘We moeten ergens beginnen, dus waarom niet bij ons ondergoed? We dragen ze trouwens toch niet.’ ‘Waarom maar twee?’ wilde Helen weten. ‘Vanwege het gewicht.’ ‘Maar onderbroeken wegen bijna niks,’ pleitte Helen. ‘Dat weet ik wel, maar als je het optelt bij wat je verder nog allemaal
19
wilt meenemen, dan eindig je met een boot die zo zwaar is dat we hem niet meer kunnen roeien.’ ‘Er zijn vast wel grotere en zwaardere spullen waar we over kunnen debatteren. Snackpacks, om maar eens wat te noemen.’ Niki schrok. Tijdens de lange aanloop naar de race hadden we elkaar rollen en taken toebedeeld, en Niki ging over de snackpacks. Het was een van de vele dingen waar ze goed in is. Want al is ze superslank, ze houdt van eten. Ze verteert haar eten supersnel, en als ze niet aan het eten is, zit ze te denken aan waar ze trek in heeft. Het was dan ook logisch om haar verantwoordelijk te maken voor het voedsel, en dan vooral voor de snacks. Voldoende calorieën innemen is op zo’n inspannende monsterreis natuurlijk cruciaal, en Niki had haar onderzoek verricht op de haar kenmerkende precieze manier. De regels van de race bepaalden dat op elke boot voor zestig dagen rantsoen aanwezig moest zijn per persoon, en aangezien we ergens tussen de zes- en tienduizend calorieën zouden verbranden, hadden we veel maaltijden en een hoop tussendoortjes nodig. Sterker nog, aangezien de calorierijke echte maaltijden ons zo zouden gaan vervelen dat we er al snel geen trek meer in zouden hebben, was ons verteld dat de snacks meer dan een tussendoortje waren; ze zouden ons door de lange nachten op zee helpen, of door de momenten dat de depressie toe zou slaan, kortom, ze zouden onze redding zijn. Niki had alle mogelijkheden uitvoerig onderzocht. Ze had bedacht wat we mee moesten nemen, welk voedsel de zweterige, zilte, klamme tocht zou overleven. Ze had ons gevraagd wat wij lekker vonden, en waar we trek in zouden hebben bij windkracht acht. Helaas hadden we er geen van allen echt goed bij stilgestaan toen ons die vraag per mail werd gesteld. ‘Het maakt niet uit,’ hadden we geantwoord. ‘Kies jij maar.’ Dat zouden we nog berouwen.
20
Janette ging bruut door met het uitdunnen van de bagage, en de onderbroekgate ontaardde in muiterij en plannen om stiekem wat onderbroeken mee de boot op te smokkelen. Maar wat ons vooral bijstaat van die eerste dagen knutselen aan Rose, het opplakken van de namen van onze sponsoren op haar romp en het doorlopen van de lijst met spullen waar we absoluut plaats voor moesten vinden aan boord, was de ongelofelijke zelfverzekerdheid van de andere deelnemers. Het was echt een andere wereld. We waren aangelegd naast Row Like a Girl – een fantastische ploeg belachelijk aantrekkelijke vrouwen die, eerlijk gezegd, jong genoeg waren om voor onze dochters door te gaan. Ze waren slim en capabel, en hadden al talloze sportieve avonturen beleefd. ‘Al zou ik tien kilo afvallen, dan zag ik er nog niet zo uit,’ zei Janette, die toekeek hoe de meiden zich stonden in te smeren met zonnebrandcrème. Verder op de steiger stonden een paar andere bemanningen naar de dames te fluiten. ‘Ik geloof niet dat ze dat ook voor ons gaan doen,’ zei ze. ‘Nee,’ beaamde Frances. ‘Sterker nog, wat is het tegenovergestelde van fluiten?’ In die eerste dagen renden we door de stad, op zoek naar een watersportwinkel waar we touwen en kussentjes voor de zittingen konden kopen, en kletsten we met onze buurvrouwen – Olivia, Gee, Bella en Lauren. ‘Yogamatjes zijn het beste als kussentje,’ opperde Lauren behulpzaam vanaf het dek van haar boot. ‘Echt?’ vroeg Helen. ‘Die zijn lekker zacht – goed voor je achterwerk.’ Terwijl we onze boot aan het voorbereiden waren en de hele romp vol-
21
geplakt hadden met sponsorstickers, vertelde Lauren dat ze twee jaar eerder had geprobeerd om in een tweepersoonsboot de Atlantische Oceaan over te steken, met haar teamgenoot Hannah Lawton. De poging was helaas mislukt. Bij de slechtste weersomstandigheden in de geschiedenis van de race waren ze gekapseisd. Veertig dagen hadden ze stuurloos over de oceaan gedobberd, zonder stroom en verstoken van contact met de buitenwereld. Ze was zesennegentig dagen op zee geweest voor ze, honderdelf dagen na vertrek, terugkeerde naar Engeland, gered door een vrachtschip uit Canada. Het feit dat ze hier toch weer was om haar demonen uit te bannen, was ongelofelijk. Haar verhaal was leerzaam. We rolden in elk geval met wat minder bravoure de touwen aan dek en dachten in stilte na over waar we aan begonnen waren. Wat bezielde ons om acht kinderen, in leeftijd variërend van acht tot achttien, in Yorkshire achter te laten? Was dat niet egocentrisch? Kunnen vrouwen op leeftijd, met banen en tal van andere verantwoordelijkheden, zomaar op avontuur gaan? Het leek op snoepen van verboden vruchten. Gek genoeg stelde niemand hier ons die vraag. Niemand vroeg ooit hoe we op de gedachte gekomen waren om zoiets te gaan doen. Niemand stelde onze motieven ter discussie, we werden gewoon geaccepteerd. Terwijl we ons mengden tussen deze bijzondere mensen met hun aanpakkersmentaliteit, die ons oppepten en nooit ontmoedigden, bedachten we dat er meer van zulke mensen zouden moeten zijn. Het geeft een vrouw veel kracht om niet te worden veroordeeld op haar gebrek aan spierballen. Nou ja, de bemanning van Row2Recover – een viertal mannelijke legermannen met een of meerdere geamputeerde ledematen: Cayle, Lee, Paddy en Nigel – keek wel een keer naar ons met een blik van: ‘wat is dit?’.
22
Dat was toen we snoeihard het inspirerende Let It Go uit de film Frozen afspeelden bij het schoonmaken van de boot. Ze kreunden, gromden en dekten hun oren af en smeekten of we het wilden uitzetten – net toen Greg Maud, een soloroeier die Mount Everest en de Kilimanjaro had beklommen en de Marathon des Sables had gelopen, voorbijliep en met zijn armen in de lucht uit volle borst meezong met het refrein. ‘let it go-o-o-! let it go-o-o!’ Hij viel stil. ‘Tja,’ zei hij toen schouderophalend bij de ontzette gezichten van het Row2Recovery team. ‘Ik heb een dochter, dan krijg je dat.’ Terwijl de dag van de race steeds dichterbij kwam, sloeg de sfeer in het stadje wat om: de spanning nam toe, net als het aantal glazen gin dat in The Blue Marlin werd geschonken. De onofficiële wedstrijdbar, The Blue Marlin – een piepklein hol in een zijstraatje op La Gomera, met op de muren de laatste woorden van avonturiers uit het verleden – was de plek waar alle roeiers en hun supporters bijeenkwamen na een lange dag van in- en weer uitpakken van boten. Dit was de plek waar je iedereen kon vinden die iets met de transAtlantische oversteek en roeien te maken had. Het rook er naar zout en gemorst bier en er werden vriendschappen gesloten en katers geboren. Naarmate de dagen voorbijgingen werd er gepraat over uitdagingen uit het verleden, hoge golven en sterke verhalen tot we aanbeland waren in het heden. We bepraatten in detail hoe je het gewicht op de juiste manier over de boot moest verdelen, hoe je een para-anker moest inzetten (een gigantische parachute die je als anker gebruikt bij storm, om te voorkomen dat de boot over zee wordt geblazen) en wanneer precies je een stabilisatieparachute moest lanceren (op een heel ruwe zee en bij uiterst sterke stroming klaarblijkelijk). Later op de avond, toen er nog
23
wat glaasjes rum in waren gegaan, werden de zang en het gitaarspel ietsje luidruchtiger. Het ging soms wel tot twee of drie uur ’s nachts door. Frances was in haar element. Ze had gestudeerd in Southampton, aan zee dus, en dit deed haar weer helemaal denken aan die tijd. Ze genoot met volle teugen. Normaal was ze altijd wat gereserveerd, maar hier praatte ze honderduit met alle deelnemers, en ze bloeide op van de positieve sfeer. Natuurlijk zouden we allemaal de overkant halen! Natuurlijk kon dat! Natuurlijk! Natuurlijk! Dan moesten we alleen nog wel even onze eerste proef doorstaan. We wisten dat de organisatoren een boot pas te water zouden laten als die door hun uiterst gedetailleerde inspectie kwam. Elk minuscuul stukje bagage, van de survivalpakken tot het aantal pleisters in de ehbo-doos, alles moest volgens een bepaald patroon naast de boot worden gelegd, en afgestreept worden van de lijst met verplichte bagage, die elf pagina’s lang was. De dag van onze laatste inspectie was zenuwslopend. Het kostte ons bijna een hele dag om alles naast Rose uit te stallen. Hadden we echt alles? Hadden de touwen de juiste dikte? Hadden we goede spalken in onze set met medische spullen? Bevatten onze voedselpakketjes genoeg calorieën? Alle andere bemanningen zaten natuurlijk in hetzelfde schuitje, dus als er ergens iets ontbrak, werd er over en weer gedeeld: spullen vlogen van de ene boot naar de andere, en de gemeenschapszin was geweldig, want iedereen wilde de andere teams helpen. Het was erg inspirerend. Maar om rustig te blijven terwijl Lee van Atlantic Campaigns langzaam en systematisch door je bepakking ging was een nachtmerrie. ‘Zullen we anders over de kaai gaan ijsberen?’ opperde Helen. ‘Of ergens een kop koffie doen?’ vroeg Frances. ‘Ik ben te gespannen,’ zei Niki. ‘Wat nu als we iets heel belangrijks missen?’
24
Uiteindelijk bleven we om beurten bij de boot om Lees vragen te beantwoorden, want we trokken het niet om met ons vieren de volle twee uur bij hem te blijven. Ons hart ging tekeer. We hadden een droge mond. En toen… eindelijk… waren we door de inspectie! Nog nooit was een groep werkende moeders zo uitzinnig over het feit dat ze vijfendertig pleisters had ingekocht. We waren klaar voor de race, en konden Rose te water laten. Het zou de volgende ochtend gebeuren. We waren door het dolle. Niets kon ons nog tegenhouden. Maar onze eerste training met Rose was een heel ander verhaal. De regels van de race schrijven voor dat je minstens vierentwintig uur ervaring op zee moet hebben met de boot voor je kunt vertrekken, en ook al konden we dat hokje afvinken, we wilden nu toch wel graag weten hoe het voelde om echt op de Atlantische Oceaan te varen. Hoe zou onze boot zich gedragen? Hoe zou het voelen? Ook was het een goed idee om een aantal speciale verrichtingen te oefenen – en om de watermaker aan de praat te krijgen, om maar eens iets te noemen – nu we nog de luxe hadden om dingen op het droge aan te kunnen passen. Als er iets misging zodra we eenmaal aan de race waren begonnen, moest dat op zee worden opgelost. En we wisten allemaal hoe lastig dat zou zijn. Op nog geen uur buitengaats werd ons eerste probleem al zichtbaar: Helen. De zee was groot, en de golven waren woelig en bestookten ons van alle kanten. De boot stuiterde in het rond als een pingpongbal in een bubbelbad. Ze hadden ons gewaarschuwd dat we de eerste paar weken na vertrek uit La Gomera last zouden hebben van een onstuimige, angstaanjagende zee, maar we waren de haven nog niet uit of de oceaan gooide ons al als een stuk speelgoed alle kanten op. ‘Ik moet overgeven,’ zei Helen. Ze voegde de daad bij het woord en deponeerde haar ontbijt naast de boot.
25
‘En nog een keer.’ Weer ging ze over haar nek. Die arme Helen lijdt aan zeeziekte, en dat is niet de ideale aandoening in een oceaanroeiboot. We wisten wel dat ze er last van had, we hadden het er al heel vaak over gehad. Ze was ook niet de enige. Frances had ook geen sterke maag, maar zij voelde zich direct een stuk beter nadat ze haar maag had geleegd, en kon dan gewoon doorroeien. Ze hield alleen even haar riem stil, kotste over de rand van de boot, en pakte de draad weer op. Terwijl Helen echt de weg kwijt was. Die kon zich niet meer verroeren, ze kon niet meer roeien, ze kon de kajuit niet meer uit. Het enige wat ze nog kon was liggen en vreemde geluiden maken, als een koe in barensnood. Zitten, praten, slikken… Het ging allemaal niet meer. En ze had alles al geprobeerd: pillen, drankjes, gemberpreparaten, zelfs een krachtig antibraakmiddel, dat ze had gekregen van een bevriende arts, Caroline Lennox. Helen had het aan de goddelijk knappe arts van de race laten zien, Thor Munsch, die adviseerde om het niet te gebruiken. Helen zou misselijk worden, net zo lang tot haar systeem zich had aangepast, en dan zou het voorbij zijn. Maar Helen had haar zinnen gezet op een snellere methode. Vandaag probeerde ze een speciale reisbril waardoor je maar met één oog kon zien. Volgens de leverancier was dat het ei van Columbus. ‘Dat werkt dus niet,’ zei ze terwijl ze over de rand van de boot hing. ‘Ik ben misselijk én ik kan maar met een oog kijken. Dat is alles wat ik ermee bereik.’ Ze keek naar Janette, die aan het roer stond terwijl Frances en Niki roeiden. Het was bijna lachwekkend. Ze klampte zich vast aan de zijkant van de boot, en haar lange bruine haar vloog alle kanten op, met die bril met één afgeplakt glas. Het zag er alles bij elkaar nogal idioot uit.
26