Vertaling Clementine Luijten
© 2016 Christoffer Carlsson Oorspronkelijke titel: Oktober är den kallaste månaden Vertaling: © Clementine Luijten Omslagontwerp: Wil Immink Design Omslagbeeld: Wil Immink Design/iStock Zetwerk: Mat-Zet B.V., Soest Druk: CPI books GmbH, Germany ISBN 978 94 027 0054 1 NUR 285 Eerste druk september 2017 Originele uitgave verschenen bij Gilla Böcker, Stockholm, Zweden Deze uitgave is uitgegeven in samenwerking met HarperCollins Publishers LLC © Nederlandse uitgave: HarperCollins Holland HarperCollins Holland en Harlequin Holland zijn divisies van Harlequin Enterprises Limited www.harpercollins.nl Niets uit deze uitgave mag openbaar worden gemaakt door middel van druk, fotokopie, internet of op welke andere wijze dan ook zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de uitgever. Alle in dit verhaal voorkomende personen zijn ontleend aan de fantasie van de schrijver. Elke gelijkenis met bestaande personen berust op toeval.
Er gingen wel drie dagen voorbij voordat de ernst van de situatie echt tot me doordrong. Aan de rand van het bos daalde de herfstnevel langzaam neer en vormde een dun, wit vlies over alles. Ik liep die middag naar huis met een muziekje op mijn oren, een hese stem die ‘carry only what you fear’ zong. Nadat ik een bad had genomen om warm te worden, werd er aangebeld. Hij stond in uniform op onze voordeurstoep en zei dat hij Viktor Franzén heette. Ik mocht hem niet. Hij vroeg of mijn moeder thuis was. ‘Nee.’ ‘Weet je waar ze is?’ ‘Nee.’ ‘Weet je wanneer ze thuiskomt?’ Ik zei voor de derde keer nee en sloeg mijn armen over elkaar. ‘Hoe oud ben je?’ vroeg hij. ‘Hoezo?’
9
‘Kun je de vraag beantwoorden?’ ‘Ik ben zestien. Waar gaat het over?’ ‘Je broer Jakob.’ ‘Wat is er met hem?’ ‘Wanneer heb je hem voor het laatst gezien?’ ‘Weet ik niet meer.’ Viktor Franzén sprak Smålands – het dialect van de streek – maar hij was niet van hier, dat hoorde ik. Hij had puntige, smalle wenkbrauwen die eruitzagen als een lelijke M wanneer hij ze optrok. Hij pakte een notitieboekje uit zijn borstzak met het label politie-inspecteur, en klikte met zijn pen. ‘Je weet niet meer wanneer je je broer voor het laatst hebt gezien?’ ‘Nee.’ ‘Ik heb begrepen dat jullie nogal close zijn.’ ‘Hoe heb je dat begrepen?’ Hij zuchtte. Ik had zin om het hagelgeweer te gaan halen maar dat stond bij het keukenraam en als ik naar binnen ging, kreeg inspecteur Franzén de kans om de hal in te stappen en dat wilde ik niet. ‘Ik wil Jakob wat vragen stellen.’ ‘Waarover?’ ‘Daar kan ik het niet met je over hebben. Kun je niet zeggen waar je moeder is?’
10
Ik stond nog steeds met mijn armen over elkaar. Dat was maar goed ook, anders had hij mijn trillende handen gezien. Ik leunde tegen de deurpost, wachtte tot hij het op zou geven en toen het zover was, haalde hij een kaartje tevoorschijn. ‘Dit is mijn telefoonnummer. Zodra je iets van je moeder of je broer hoort, vraag dan of ze me bellen. Het is belangrijk.’ Toen Franzén onze stoep had verlaten, liep ik naar de keuken en ik keek hem na terwijl hij zijn blauwwitte Volvo keerde, de grindweg op reed en tussen de bomen verdween. Ik las politie op de motorkap, de zijkant en op de achterklep. Alarmbellen begonnen te rinkelen en mijn ademhaling was zwaar. Het kaartje met Franzéns nummer gooide ik weg.
11
Het werd snel donker en om niet te hoeven denken aan wat het bezoek van inspecteur FranzĂŠn te betekenen had, deed ik de afwas en stopte daarna de kleren in onze oude wasmachine. Ik ruimde de rommel op en ging stoffen en stofzuigen. Toen ik klaar was, controleerde ik of het hagelgeweer geladen was. Vervolgens sloeg ik een oud fleecejack om en ging buiten op de stoep een sigaret zitten roken in de kou. Als je een kaart van Varvet bekijkt, zie je dat er tussen elk huis een paar honderd meter of soms wel een kilometer zit, dat wil zeggen tussen de huizen die erop staan. Alsof God een handje huizen, garages, stallen en schuren in zijn enorme hand had genomen en ze naar de aarde had laten dwarrelen, koud en eenzaam als sneeuwvlokken, uitgestrooid in een merkwaardige volgorde. De natuur en het bos zijn van het ouderwetse soort, zodat je zelfs overdag op de wegen en paden blijft. De zomers
12
worden altijd drukkend warm en in de herfst en winter is de lucht vochtig, guur. In de verte hoorde ik een vogel krijsen en trage insecten die tot nu toe de kou hadden overleefd, zoemden ergens in de buurt. Rook kringelde van de gloeiende punt van mijn sigaret omhoog en terwijl ik daar zat, bedacht ik dat hoe meer ik deed, hoe nerveuzer ik werd. De politie was op zoek naar mijn broer. Behalve mijn moeder was hij in feite de enige connectie die ik had met iemand van betekenis en als ze hem oppakten, zou ik niet weten wat ik moest doen, hoe ik het moest zien te redden. Het gebrom van een motor en geknerp van banden over de grindweg zwol aan en kwam dichterbij, tot de blauwe Ford van mijn moeder de inrit op draaide en stopte. Ik stond op en ging naar binnen, vastbesloten tegen haar te blijven liegen als dat nodig was.
13
‘Hoe was het vandaag op school?’ ‘Weet ik niet.’ ‘Hoezo niet?’ ‘Omdat ik niet ben geweest.’ ‘Waarom niet? Het is toch maandag?’ ‘We hebben herfstvakantie.’ ‘Aha.’ ‘Er was vandaag een politieagent aan de deur,’ liet ik me ontvallen. ‘Hij vroeg naar je.’ Ze stond bij het fornuis met een theezakje in haar hand te wachten tot het water in de pan begon te koken. Het duurde altijd abnormaal lang. Ze draaide zich om, leunde tegen het aanrecht. ‘Naar mij?’ ‘Ja. Viktor Franzén.’ ‘Wat moest hij van me?’ ‘Ik geloof dat hij naar Jakob wilde vragen. Of je weet waar hij is.’
14
‘Ik heb geen idee. Heb je dat tegen hem gezegd?’ ‘Ik heb gezegd dat ik niet wist waar Jakob was.’ ‘Maar ik…’ zei ze. ‘Heb je gezegd dat ik het ook niet weet?’ ‘Nee.’ Ze onderdrukte een zucht, dat zag ik aan haar schouders. De kookplaat begon zacht te sissen en mama hing het theezakje in de pan en pakte een beker uit de kast. ‘Weet je het niet?’ vroeg ze. ‘Weet wat niet?’ ‘Weet je niet waar Jakob is?’ ‘Nee, maar ik neem aan dat hij niet thuis is,’ zei ik. ‘Anders was de politie niet hierheen gekomen.’ ‘Nee. Nee, daar heb je gelijk in,’ zei ze en ze leek iets rustiger, wat een opluchting was. Ik hoefde misschien niet te liegen. Ze moest over een uur naar haar werk. Zo was het al een tijdje: ze werkte in het Varvshus, serveerde bier en sterkedrank aan de vijf of tien gasten die er doordeweeks waren en de vijfentwintig of dertig die er in het weekend kwamen. Ze gingen om één uur dicht en dan bleef mijn moeder hangen en dronk één of twee glaasjes, soms meer, met de stamgasten. Daarna moest ze nog een uurtje de kas opmaken, schoonmaken en alles voorbereiden voor de volgende dag. Ze kwam zelden voor vier uur ’s nachts thuis en sliep vaak tot na de lunch.
15
Het was een goede baan, maar onderling zeiden we vaak dat ze voor de concurrent was gaan werken, wat in zekere zin waar was. Toen de thee klaar was, kwam ze tegenover me aan de keukentafel zitten. Ze had van die groene ogen die aan edelstenen deden denken. Die ogen en hoge jukbeenderen had ik van haar. Ik had mijn vaders haar, dik en donker als roet, en zijn scheve glimlach. Jakob was negentien, drie jaar ouder dan ik, en we leken op elkaar, hadden dezelfde trekken geërfd, maar terwijl hij ruim één meter vijfentachtig lang was, ben ik nooit langer geworden dan één meter zestig, hoe ik me ook uitstrekte. ‘Je hebt afgewassen,’ zei mijn moeder. ‘Ja.’ ‘Heb je ook gestofzuigd?’ ‘Ja.’ ‘Fijn.’ Ze nam een slok van haar thee. ‘Je moet wat meer eten. Die borsten en mooie billen die je hebt gekregen, verdwijnen weer als je niet eet.’ Toen ze even later wegreed in haar Ford, had ze een lichtgrijs flanellen overhemd aangetrokken dat ze onder haar borsten had vastgeknoopt, en een korte, zwarte rok. Ik keek graag naar haar als ze voor de spiegel stond om zich mooi te maken, als ze haar lange, bruine haar glad stylede of krulde, als ze een panty aantrok en haar lippen
16
stiftte, controleerde of haar kleren goed zaten. Het was rustgevend, op de een of andere manier. Maar soms, als ze voor de spiegel stond om te kijken hoe ze eruitzag en om te checken of de randen van haar slipje niet zichtbaar waren door haar rok heen, legde ze een hand op haar bil en de andere op haar borst, kneep even, lachte en zei: ‘Deze moeten goed gezien worden, want die betalen onze rekeningen.’ Daar walgde ik van. De Ford verdween over de grindweg. Ik stak een nieuwe sigaret op en ging weer op de stoep zitten, keek de duisternis in en hoopte dat Jakobs oude Volvo uit het bos zou opdoemen. Maar dat gebeurde niet, dus zat ik daar en dacht aan mijn broer, vroeg me af waar hij uithing.
17
In Varvet erf je je huis, hoe je leeft, waar je loyaliteit ligt. De geschiedenis zit in je bloed, of je nu wilt of niet. Ooit, lang geleden, ruzieden de families F채llgren en Adolfsson over een stuk grond waar geen papieren van waren en dat midden tussen hun boerderijen in lag. Het begon toen twee knechten van F채llgren de grond afbrandden om hem vruchtbaarder te maken. Toen boer Adolfsson de rooklucht bespeurde, was hij opgestaan van zijn ontbijt, met zijn geweer naar buiten gestormd, en had een dot hagel in de rug van een van de knechten geschoten. Zo was het begonnen: F채llgren zat met een gewonde knecht die medische zorg en rust nodig had, en bovendien was het op F채llgrens eigen grond gebeurd. Adolfssons grond was ook afgebrand doordat de knechten de klus slecht hadden geklaard. De ruzie was een feit en werd steeds omvangrijker. Dit gebeurde allemaal lang geleden, in de tijd dat het nog goed ging met de boerderijen. Daarna kwamen de zware jaren, en die zijn ze nooit te boven gekomen.
18
Andere conflicten waren van minder lang geleden, zoals dat tussen ons en de familie Sten. Ik snap pas sinds kort waar dat over ging. Ik had er eerder niet zo naar gevraagd. Wat ik wist was dat Jakob een beetje ging klussen voor Dan, die zijn eigen alcohol stookte. Om bij zijn huis te komen moest je dieper het bos in en dat was niet voor iedereen te doen. Daarom nam hij bestellingen op die bij de koper thuis afgeleverd werden. Toen Dan in de twintig was, vertrok hij uit Varvet en belandde als arbeider in een van de kleinere havens aan de kust. Daar bleef hij, tot het lot hem terug naar huis wilde hebben en voor een vallende container zorgde die zijn linkerarm dusdanig verwondde dat er na amputatie amper iets van overbleef. Een eenarmige havenarbeider is slechter dan helemaal geen omdat hij meer geld kost dan hij opbrengt, dus uiteindelijk kwam hij terug, samen met een aantal dingen die hij in de haven had geleerd, zoals het stoken van je eigen sterkedrank. Alcohol was de broodwinning van de oude Frank Sten, maar zijn probleem was dat hij drank stookte die naar teer smaakte. Met betere drank en gemene trucjes lukte het oom Dan om Frank Sten weg te concurreren, die werkloos raakte en depressief werd. Hij probeerde zich wel staande te houden, maar dat lukte niet. Zijn vrouw Diana en hun zoon Tom wilden dat hij op een andere manier de kost zou verdienen, maar Frank kon
19
niets anders, zei hij. Langzamerhand werd zijn depressie de dood voor hun huwelijk, en toen vertrok hij uit Varvet. Diana en Tom bleven. In het begin was het mijn vader die bijkluste voor oom Dan en de bestellingen bezorgde. Toen hij ervandoor ging en mijn moeder, Jakob en mij aan ons lot overliet, was mijn broer gelukkig oud genoeg om het werk over te nemen. Daarom zeiden we voor de grap dat mijn moeder, die legale drank verkocht in het Varvshus, tegenwoordig voor de concurrent werkte. Maar eigenlijk waren ze meer collega’s. Afgelopen zomer ging ik voor het eerst met Jakob mee. Op een avond kwam hij langs toen mama naar haar werk was en vroeg of ik zin had om te helpen. Ik had niet echt iets te doen, dus zei ik ja. Jakob had een oude Volvo-stationwagen en de lak had die frisgroene kleur van mint of koraalrif zoals je in films ziet, en toen ik me in de passagiersstoel liet zakken, kreeg ik het gevoel dat de wereld aan mijn voeten lag. Alsof ik niet langer vastgeplakt of vastgevroren hoefde te zitten, terwijl buiten het leven onophoudelijk doorging. ‘Wat gaan we doen?’ vroeg ik. ‘Alleen wat spullen bezorgen.’ ‘Wat voor spullen?’ ‘Spullen. Vraag niet verder.’
20
‘Je wilt dat ik meega maar weigert te zeggen wat we gaan doen?’ ‘Willen, willen,’ mompelde Jakob en hij zette de auto in zijn één en stelde de ventilatie in. Toen begreep ik ineens hoe het zat. Ik liet mijn hoofd tegen de neksteun rusten en sloot mijn ogen. ‘Je moest me meenemen van mama.’ ‘Zoiets.’ We reden over de grindweg. Ik hoorde de steentjes tegen de onderkant ratelen en haalde diep adem door mijn neus om de zware lucht van de natuur te ruiken. ‘We moeten een meubel ophalen bij Nattflysjön,’ zei Jakob uiteindelijk. ‘Oom Dan heeft een kennis die een maand geleden een mooi ladekastje op de kop had getikt, en dat is nu verkocht.’ We reden door de zomeravond en in het begin zweeg ik vooral, maar op een gegeven moment begonnen we te kletsen en de tijd vloog voorbij. Algauw stopten we bij een huis in de buurt van het meer. Het kastje dat we moesten ophalen stond achter een garage, verborgen onder een groen dekzeil, in een dik kleed gewikkeld. Het was oud en van hout en veel te mooi om niet gestolen te zijn. Het was zo’n soort meubelstuk dat je alleen in je dromen bezit. Jakob klapte de achterbank naar voren en ik hielp hem het kastje in de auto te tillen.
21
‘Wat een geluk dat je mee was,’ zei hij toen hij het contactsleuteltje weer omdraaide. ‘In mijn eentje had ik het niet gered. Shit, wat was dat ding zwaar.’ Toen reden we weg. Midzomer was al achter de rug, maar we hadden nog bijna een hele zomer voor ons. Dat ik wist dat we iets verbodens deden, zorgde voor lekkere spanning ergens diep in mijn buik en ik had er niets op tegen als het altijd zo zou blijven. Zomerdagen werden zomerweken die in een roes voorbijgleden en ik bleef met Jakob meegaan. De derde of vierde keer begon hij het leuk te vinden, geloof ik, want hij legde me uit wat hij deed, hoe je je moest gedragen en wat je tegen wie moest zeggen, zoals je een leerling een vak bijbrengt. Maar ik herinner me dat Jakob anders was die avond. ‘Wat is er?’ vroeg ik. ‘Die vent naar wie we vanavond toe moeten. Ik mag hem niet.’ ‘Wie is het?’ ‘Je weet wie Lars Hellman in Krakasa is, toch?’ Dat wist ik. Hellman was een oude bajesklant die van stropen hield. Zijn vrouw was er een paar jaar geleden vandoor gegaan, toen ze het zat was elk weekend een pak slaag te krijgen, en sindsdien was hij veel te veel gaan drinken. ‘Omdat hij weigert bij Dan langs te gaan, moet ik het
22
spul bij hem afleveren. Hij is gestoord.’ Jakob schakelde naar een hogere versnelling, de motor stotterde even. ‘Ik weet zo goed als zeker dat hij er geen probleem mee zou hebben iemand om te leggen. Hem maakt het niet uit, een eland of een mens.’ Krakasa was een streek in het zuiden van Varvet waar ooit zoveel kraaien zaten, dat het zijn naam had ontleend aan het geluid dat ze maakten. Waar al de kraaien gebleven waren, wist ik niet. We arriveerden in Krakasa met drie jerrycans sterkedrank in de achterbak, en toen we uitstapten, bekeek Lars Hellman me zoals je naar een barbiepop kijkt voordat je haar hoofd eraf rukt. Zijn huis bestond uit twee verdiepingen, grofgebouwd met bruingeverfde hoeken en spijltjesramen. Het bleke hout was oud en het huis riep een ongemakkelijk gevoel op. Ik dacht aan de vrouw van Hellman, dat het voor haar misschien wel een gevangenis was geweest. Hoe vrij ze zich gevoeld moest hebben toen het haar eindelijk gelukt was om hier weg te komen. Hellman zelf was een lange, robuuste kerel van in de vijftig met een volle, witte baard. Hij had een pet op en een donkergroene jagersbroek aan, zo eentje met heel veel zakken. Zijn enorme bovenlichaam werd bedekt door een flanellen houthakkershemd dat openhing op zijn borst en eronder zag je een hemd dat ooit wit was
23
geweest, maar nu dezelfde gore kleur had als zijn huid. Hij bewoog zich onhandig maar zelfverzekerd als een boerenkinkel en stonk naar de drank. Tegen een steen vlak achter hem stond een hagelgeweer. De loop zag er hard en koud uit. ‘Is het een ouwehoer, die daar?’ vroeg hij. ‘Zo’n type dat antwoord geeft als je iets vraagt?’ ‘Nee, dat ben ik niet.’ ‘Ik had het niet tegen jou, beste meid.’ ‘Maak je niet druk,’ zei Jakob. Hij knikte naar de jerrycans. ‘Hier is je spul. Geef mij het geld.’ ‘Wat een armzalig hulpje heb je bij je,’ ging Hellman door en hij bekeek mijn armen. ‘Vega lijkt aan de magere kant,’ zei Jakob en hij probeerde te glimlachen, sloeg me op de schouder. ‘Maar ze is een en al spieren en pezen.’ ‘O ja,’ zei Hellman en hij draaide zijn hoofd om, keek naar de bijl in het hakblok. ‘Dus als ik haar uittest, weet je zeker dat ze de proef doorstaat?’ Jakob was opgehouden met glimlachen en keek me aan. ‘Kom,’ zei hij zacht en hij legde zijn arm over mijn schouders. ‘We gaan ervandoor.’ ‘Krijg je ineens haast, meisje? Toen ik zo oud was als jij had ik mijn eerste eland al geschoten en mijn oude vader verrot geslagen. Maar,’ ging Hellman verder, en zijn
24
grijns was vast als glimlach bedoeld, ‘ik was dan ook geen hulpeloos kutwijf.’ Hij sprak het uit als ‘kètwijf ’. ‘Ik ben weleens eerder “kutwijf ” genoemd,’ zei ik. ‘Maar nog nooit door iemand die zo oud is dat hij hem niet meer overeind krijgt.’ Hellmans ogen veranderden in spleetjes. ‘Wát zei je?’ Jakob greep mijn bovenarm stevig vast en we liepen terug naar de auto. Woede groeide in mijn borst. Achter mij spuugde Lars Hellman op de grond.
25