Skip to main content

Levensbloed - Gena Showalter inkijkexemplaar

Page 1

#

,

@

)

=

.

F

F

,

D

#

+

N

-

=

$

3

4

?

"

5

5

!

"

6

;

)

'

:

C

I

2

E

$

1

7

'

0

C

*

(

/

>

.

-

N

<

(

"

%

?

'

O

*

.

E

E

'

!

:

:

+

;

-

<

:

"

=

M

-

)

"

N

!

:

;

<

"

&

*

%

L

C

$

-

L

!

O

"

-

-

.

@

%

-

B

I

*

C

+

+

F

F

?

+

K

N

G

9

>

=

*

-

+

A

H

H

!

.

8

'

G

$

J

;

.

9

)

-

8

-

-

.

-

+

+

D

(

'

&

=

%

7

;

$

,

8

*

L

-

O

O

E

!

-

+

+

-

N

E

!

+

!

-

N

C

-

C

O

L

*

!

C


â&#x20AC;&#x2DC;Ik zie een prachtige stad en een schitterend volk dat uit deze afgrond oprijst. Ik zie de levens waarvoor ik mijn eigen leven gegeven heb: vredig, nuttig, welvarend en gelukkig. Ik zie dat ik een schuilplaats heb in hun hart, en in de harten van hun nakomelingen, van de generaties hierna. Dit is veel, veel beter dan al die andere dingen die ik heb gedaan; deze rust waar ik naartoe ga is veel, veel beter dan de rust die ik ooit heb gekend.â&#x20AC;&#x2122; charles dickens, twee steden


Q

\

T

R

[

Q

T

T X

P

Q

R

S

T

U

V

Z

Y

W

]

^

f

i

q

_

e

`

a

g

j

b

e

j

_

k

c

h

d

e

e

c

l

|

m

e

h

n

e

o

d

e

k

{ t

m

e

h

n

e

o

`

r

t

z q

y

_

c

c

e

c

n

o

b

b

l

`

t

x

j

o

a

b

c

vw

_

e

k

j

j

u

f

s

k

j

l

e

t m

m

k

j

j

j

k

e

c

a

b

e

b

g

r

i

j

j

k

l

i

m

}

~

^

_

_

l

c

a

_

`

b

`

c

d

e

o

_

j

j

k

l

e

c

i

j

j

k

l

~

~

c

c

d

p q

l


«

£

¡

ª

©

£

¨

£

¤

¡

¢

¥

¦

§

£

Æ

Ç

È

¹

Ç

Ê

Ë

Ì

Í

Î

Ï

Ì

º

»

Ð

É

¼

½

¾

¿

À

Á

Ñ

Ü

Õ

Õ

Í

Ò

Ì

Ó

Ô

Â

Ì

Ï

½

Ë

Õ

Õ

Ö

È

Î

Ï

Ç

Ã

È

º

½ »

Ä

½

º

Ü

×

Ç

Ê

Ó

È

Î

Ì

Ì

Ó

Ù

Ò

Ø

Ú

Î

Û

Ì

Ò

È

É

Ü

Õ

Õ

Í

Ï

­

®

­ °

°

¬

­

®

¯

°

±

²

³

´

µ

·

°

¸

Õ

Õ

Í

Ï

Å


Ý

Þ

ß

à

á

â

ß

ã

ä

â

å

æ

ñ

â

â

å

å

ç

ë

ß

è

é

æ

ê

á

ç

â

â

õ

å

â

á

ë

ç

â

ì

ä

í

ß

ç

æ

ß

á

ë

â

ò

â

î

ç

í

ì

ç

ç

ß

ß

í

ó

á

î

ï

è

ç

ð

ô

î

Vandaag Zand valt door de zandloper, korreltje voor korreltje… Tijd… de ene seconde versmelt met de volgende… twee, drie… Ik probeer mijn gedachteflarden aan elkaar te knopen. Lastige klus. Mijn geest is wazig, mijn gedachten zijn vaag. Vier… Er valt een feit op zijn plek. Getallen zijn mijn grootste obsessie. Ze vertellen altijd een verhaal en liegen nooit. Vijf… vijf… vijf. De cijfers raken gevangen in mijn hoofd en worden constant herhaald. Klik. Vijf minuten en veertien seconden geleden ben ik doodgegaan. Whoa. Ben ik dood? Dat moet haast wel. Mijn hart klopt niet meer en in mijn longen zit geen lucht meer. Ik kan niet ademen. Ik moet ademen. Het zweet staat in mijn nek en druipt over mijn rug, maar mijn ledematen blijven ijskoud. Kalm blijven. Rustig. Mijn lichaam mag dan hebben afgedaan, maar mijn geest leeft verder. Dit is een nieuw begin. Een nieuw leven. Kalm blijven? Meen je dat nou? Van nu af aan krijg ik nooit meer 23


een tweede kans. Nul tweede-keren. Alles wat ik doe, is belangrijk: elk woord dat ik zeg, elke handeling die ik onderneem, elke vriend die ik maak en elke vijand die ik in de pan hak, zal mij positief of negatief beïnvloeden. Geen alsen, ennen of maaren meer. Welkom in het Eeuwige leven. De wind fluistert de woorden en ik hoor een zacht rinkelen in mijn oren. Binnen een paar seconden zwelt het volume aan tot een enorme herrie. Ik krimp in elkaar. Mijn botten trillen en ik voel iets zachtjes tikken tegen mijn ribbenkast. Tik tik. Tik tik. Knal. KNAL! Ik schrik en hap naar adem en eindelijk wordt mijn echte ik wakker. Mijn borst koelt af en mijn longen vullen zich. Ik kan weer ademen. Ik ben dood, maar toch leef ik nog. Wakker worden! Wakker worden! Opnieuw fluistert de wind iets… of het is een stem die weerklinkt in mijn hoofd. Ben ik dood én gek? Vanbinnen verdor ik, en ik keer terug naar mijn basispatroon: tellen. Zes… zeven… Klik! Zeventien! Ik ben zeventien jaar. Ik ben geboren op de tiende van de tiende maand om tien over tien, en ik ben overleden op de elfde van de elfde maand om veertien minuten over tien. 1+1+1+1+1+0+1+4=10 Dat is het Lot, zouden sommigen zeggen. Mis! Het Lot is een mythe, een excuus, een manier om onder je schuld uit te komen. We mogen dan een goddelijke bestemming hebben, dat wil nog niet zeggen dat alles door goddelijke interventie plaatsvindt. Onze eigen daden veranderen de richting die ons leven neemt, in positieve en in negatieve zin. Wij zijn zelf onze hoogste autoriteit. Mijn heden is de optelsom van beslissingen die ik in mijn verleden heb gemaakt – mijn eigen beslissingen, maar ook van beslissingen die mensen om mij heen hebben gemaakt. Die tellen allemaal… tellen… acht, negen… Tien! 24


Klik, klik. Mijn naam is Tenley Lockwood. ‘Ten’ voor mijn vrienden. 5+5=10. Ik besta uit twee gelijke delen. Het laatste stukje van de puzzel valt op zijn plek. Twee koninkrijken in het Eeuwige leven – Troika en Myriad – zijn op dit moment verwikkeld in een heftige, agressieve strijd. Troika wilde mijn Eerste leven redden, terwijl Myriad het probeerde te beëindigen. Myriad won. Mijn lichaam ligt op een bloederig wegdek ergens in het centrum van LA. Gefeliciteerd, Myriad. Je hebt een slag gewonnen. Maar de oorlog win je niet. Met mijn laatste adem heb ik trouw gezworen aan Troika, voor altijd en altijd, en ik heb er geen spijt van. Ik waardeer het Eerste leven. Ik hou van regels en structuur. Ik begrijp dat straf eerder bedoeld is om van te leren dan om iemand kwaad te doen. Ik ben nu een Troikaan, herboren uit bloed en geweld. Een soldaat in een oorlog zo oud als de tijd. Ik ben de vijand geworden van mensen die ik nooit heb ontmoet, en ook van mensen die ik ken en liefheb. Ik ben de vijand geworden van Killian, een top Arbeider van Myriad. Killian! Zijn naam is een rauwe schreeuw uit de diepte van mijn ziel. Ik heb met hem geflirt, al is geflirt misschien nog te zwak uitgedrukt. Ik verlangde naar hem als naar een drug… en toch verkoos ik Troika boven Myriad. Home sweet home. Eigenlijk heb ik nooit een thuis gekend. Ik word geacht hem te haten, maar elke vezel in mijn lichaam verzet zich tegen die gedachte. Ik zal hem nooit kwaad kunnen doen. Daarvoor betekent hij te veel voor me. ‘Is ze dood?’ Een strenge, onbekende stem eist mijn aandacht op. ‘Heeft ze een convenant gesloten met Troika?’ ‘Ja en ja.’ Ik herken het schorre Ierse accent en opluchting stroomt als een waterval over mij heen. Killian heeft me niet alleen gelaten! Ik wil hem zo graag zien dat ik begin te trillen. 25


‘Valt niet mee om jou te zijn,’ gaat Onbekend verder. In de verte hoor ik het klang-klang van zwaarden die elkaar raken. ‘Nu Madame Bennett dood is, val je onder Zhi’s leiding. Als hij hoort dat het je niet gelukt is om het Lockwood-meisje te strikken, spiest hij je hoofd op een paal.’ Opluchting maakt plaats voor angst. Killian is in gevaar. Vanwege mij. Ik wil hem helpen, ik moet hem helpen, en ik probeer op te staan, maar ik zit vast, muurvast. Waardeloos! Wat is het probleem? Mijn omhulsel is dood, de banden van mijn geest zijn gebroken. Ik zou nu toch vrij moeten zijn? ‘Laat het.’ Dreiging druipt van Killians bevel. ‘Bescherm onze verwanten tegen de Troikanen.’ ‘Zodat jij Lockwood kunt doden voordat haar geest haar lichaam verlaat en je in je eentje de hoofdprijs op kunt strijken? Nee.’ Hoofdprijs? Er klinkt gebrom. Iets vliegt in brand. Dikke rookwolken vullen de ruimte, scherp en verstikkend. Iemand hapt pijnlijk naar adem. Dan klinkt een luide bonk. ‘Naar beneden,’ snauwt Killian. Heeft hij zojuist Onbekend aangevallen? Waarom zou hij zijn koninkrijksbroeder aanvallen om een vijand te redden? Waarom zou hij straf riskeren? Het antwoord is eenvoudig: dat zou hij nooit doen, behalve voor mij, alleen maar voor mij. Ik twijfel tussen smelten en mezelf bij elkaar rapen. Bevrijd jezelf, bescherm Killian. Toen hij de kans had om de overeenkomst te sluiten en mij ervan te overtuigen dat ik een convenant moest aangaan met Myriad, drong hij er in plaats daarvan op aan dat ik mijn hart zou volgen. We wisten allebei dat ik in Troika thuishoorde. Voor Killian waren mijn behoeften belangrijker dan zijn wil, een beloning of een straf. Hij offerde zijn geluk op voor het mijne, maar ik heb dat op mijn beurt niet gedaan. Wat ben ik voor een halfslachtige vriendin? 26


Ik draai de film van de laatste momenten van mijn leven weer af in mijn hoofd. Sloan Aubuchon, eens mijn vijand, toen mijn vriend en nu weer mijn ergste vijand, stak me neer met een giftige speer. Mijn haat voor hem is groter dan mijn liefde voor jou, zei ze tegen me. Hem. Dokter Vans, het monster dat alle martelingen tot in de kleinste facetten overzag in de psychiatrische inrichting Prynne, een ‘tehuis’ voor verwarde tieners. Myriad zwoer dat ze Sloan zou helpen om Vans te straffen. Als ze met hen een convenant zou sluiten en mij zou vermoorden. Met beide voorwaarden ging ze akkoord. Haar verraad dringt net zo diep door als haar speer. Toegegeven, Vans deed vreselijke dingen met haar. Dingen die niemand ooit zouden mogen overkomen. Maar zijn gedrag is geen excuus voor het hare. In haar zucht naar wraak werd ze zijn spiegelbeeld en schond ze mijn vertrouwen zoals hij het hare had geschonden. Er werd onmiddellijk gehandeld. Killian rukte de speer uit mijn lichaam en stak hem in het hare. Nog een reden waarom hij gestraft zal worden. Ik moet hem helpen. Ik stomp en schop, maar er gebeurt nog altijd niets. ‘Waar is ze, Killian?’ Ik registreer een nieuwe stem. Deze ken ik ook maar al te goed. ‘Waar heb je haar verstopt?’ Deacon, een verpleger. Mijn vriend. Hij herinnert me aan een stoere krijger uit het verleden, en zijn eergevoel hoort net zozeer bij hem als zijn spierkracht. Als er iemand is die me kan bevrijden, dan is het Deacon. ‘Hier!’ roept Killian schor. ‘Ze is al… het is te laat om haar nog…’ Plotseling voel ik een warme en stevige greep om mijn pols. Opeens sta ik op mijn eigen voeten en kan ik weer zien! Ik hap naar adem als ik de geesteswereld voor het eerst met mijn eigen ogen zie. Straaltjes gouden zonlicht spatten uit een hemel van 27


saffieren zijde. Dikke wolken besprenkelen het land beneden met een adembenemende regen van diamantstof. Realisatie. Het zijn niet gewoon wolken, maar een rij vreemd vormgegeven gebouwen waar gewapende soldaten achter een muurtje heen en weer marcheren. In mijn hoofd komt er een vloedgolf van gedachten los. Het zijn wachttorens, van waaruit mensen in de gaten gehouden kunnen worden en de spirituele strijd kan worden uitgevochten. Ze bewegen zich tussen de koninkrijken en het Land van de Oogst, en ze veranderen voortdurend van eigenaar. De winnaar van elke slag bepaalt de rechten. Ik schud met mijn hoofd, mijn voorhoofd gefronst. Niemand heeft mij ooit iets geleerd over wachttorens, dus hoe kan ik daar nou alles over weten? Ik moet niet zo… Ik heb wel iets over wachttorens geleerd. Jaren geleden. Toen ik vijf was, heb ik een verplichte cursus gevolgd over de geschiedenis van de koninkrijken. Ik had… had… o, wauw, ik word ondergedompeld in een verdovende warmte, en ik ruik de heerlijkste geuren: veldbloemen, fruitbomen en verse bessen. Hoe kan ik me nou ooit zo concentreren? Ik snuif de geuren op en geniet ervan. ‘Er mag niemand bij haar in de buurt komen totdat ze verslaafd is,’ hoor ik Killian zeggen terwijl hij aan me schudt. Verslaafd? ‘Mijn mannen en ik zullen iedereen zo lang mogelijk op afstand houden,’ zegt Deacon en weg is hij. Mijn blik vangt die van Killian en mijn hart gaat tekeer. Zijn ogen zijn geweldig, een bezield goud met blauwe elektrische spikkels. In zijn ene oog zitten vijf vlekjes, in het andere drie. Toen ik hem voor het eerst zag, vergeleek ik die spikkels met een octaaf. De derde en de vijfde noot vormen het fundament van alle akkoorden. Telkens als hij me aankijkt, begint mijn bloed te zingen. Vandaag is geen uitzondering. Een Myriadiaanse soldaat breekt door het beschermende cor28


don dat Deacon en zijn mannen hebben aangelegd. Zonder ons oogcontact te verbreken, haalt Killian snel uit met zijn degen. Zwiep-zwiep. Ik hap naar adem. Hij heeft zojuist een van zijn eigen mensen gedood. Onbeschaafd. Grof. Er kleeft Levensbloed aan het wapen, helder en glanzend, een macaber maar prachtig gezicht. Hij komt naar me toe, elke stap dreigender, maar ik blijf waar ik ben en voel geen angst. Deze jongen zal mij nooit kwaad doen. ‘Hou op met je mensen af te slachten ter wille van mij,’ beveel ik. ‘Ik zal je beschermen zoals ik denk dat dat het beste is, meissie.’ Hij steekt zijn degen weer in de schede en omvat met beide handen mijn gezicht. Zijn handpalmen zitten vol eelt van jaren strijd. Die eeltplekken kriebelen op mijn huid, veroorzaken wrijving, warmte. Heerlijke warmte. Al gauw vergeten we de strijd. Ik sta in vuur en vlam voor hem, mijn bloed kookt en kwelt me – windt me op. Alleen maar vanwege die ene aanraking! Ik heb altijd al op deze jongen gereageerd, maar nooit zo heftig als nu. Misschien omdat we elkaar nooit eerder hebben aangeraakt, geen huid-op-huidcontact, niets. Niet als mens en niet als Huls. Geen zaken van leven of dood. Ik geef me over aan zijn handen als een kitten die voor het eerst geaaid wordt. Zijn de zintuigen van alle geesten zo gevoelig? Ik doe mijn ogen dicht en adem hem in. Veenbrand en heide. Mijn favorieten. Mijn hoofd wordt weer wazig en ik weet dat hij me bedwelmt zonder het te weten. ‘Kijk me aan, meissie.’ Ik gehoorzaam. Hij bestudeert me, alsof hij mijn gelaatstrekken in zich op probeert te slaan. Ik bestudeer hem ook, ik kan het niet helpen. Er vallen schaduwen over hem heen, maar ze doen geen afbreuk aan zijn buitenaardse schoonheid. Gitzwarte zijde valt over zijn sterke voorhoofd en zwiept naar één kant. Het schept een schurkachtige omlijsting voor een al even schurkachtig gezicht. 29


Zijn wenkbrauwen zijn dik en zwart, zijn huid getint en gaaf, alsof zijn vlees op zijn botten is geschilderd. Zijn neus is messcherp en de sensuele mond eronder zou je haast vrouwelijk kunnen noemen. Op zijn driehoekige kin staat een sexy driedagenbaardje. ‘Ik wil dat je me de komende weken helemaal vertrouwt, wat er ook gebeurt,’ zegt hij. ‘Gaat dat lukken, denk je?’ Zonder te aarzelen antwoord ik: ‘Natuurlijk.’ Met mijn vingertop strijk ik zonder erbij na te denken langs de buitenrand van die uitbundige lippen. Hij mag dan overal sterk en gespierd zijn, maar hier is hij zo zacht als rozenblaadjes. Ik huiver. Zijn pupillen worden groter, ten teken dat hij mijn aanwezigheid dieper in zich opneemt. ‘Er is niks natuurlijks aan. Het wordt heel onaangenaam, maar je moet erop vertrouwen dat alles wat ik doe in jouw belang is.’ Zijn greep verstevigt zich. ‘Alsjeblieft.’ Ik wil hem geruststellen, en net als ik dat wil doen, waait er een pluk haar in mijn ogen. Ik pak de lok, hou hem in het licht en frons mijn voorhoofd. Kobaltblauw? Wat is dat? Voordat ik doodging, was mijn haar zwart. ‘Ik begrijp het niet,’ zeg ik. ‘Je zou eens moeten zien wat er nog meer is veranderd.’ Killians hand raakt de mijne als hij de haarlok door zijn vingers laat gaan. Een scherpe pijnscheut doet me achteruit struikelen en een kreet ontsnapt aan mijn lippen. Ben ik zojuist neergestoken? ‘Je bent erg gespannen.’ Killian vangt me op. Hij grijpt mijn polsen vast en houdt me overeind. ‘Ontspan.’ Deze je-kunt-me-maarbeter-gehoorzamen-toon bewaart hij meestal voor iedereen, behalve voor mij. Ik snuif. ‘Ontspan zelf! Ik –’ Doodsangst knaagt aan me, en het wordt me te veel, veel te veel. ‘Ik weet niet wat er… ik kan niet… ik ga…’ Dood? Voor de tweede en laatste keer? Zo snel al? ‘Je wordt gekoppeld aan het Rooster van je koninkrijk.’ Rooster? ‘Ik denk dat er iets mis is met de verbinding.’ Ik krijg de woorden nauwelijks langs de brok in mijn keel. 30


‘Er is niets mis.’ Hij trekt me tegen zich aan en streelt geruststellend over mijn rug. ‘Iedereen moet hierdoorheen. Zelfs Myriadianen.’ Ik leg mijn hoofd op zijn schouder en adem bewust in en uit. Ondanks onze goede bedoelingen heb ik het gevoel dat ik gevangenzit in een bodemloze put, en dat ik in het ene zwaard na het andere val terwijl er een onafgebroken serie kogels in mijn hoofd en borst geschoten wordt. Maak me dood! Laat me sterven. Maar de pijn trekt net zo snel weg als ze is opgekomen. Warmte omgeeft me, trekt door mijn lichaam en schijnt… schijnt zo helder dat de emoties die ik lang geleden in een donker hoekje heb verborgen plotseling tevoorschijn komen. Ze kruipen alle kanten op als kleine insectjes. Haat jegens mijn vader. Woede over dingen waar ik niets aan kon doen. Verdriet om het verlies van mijn moeder en mijn kleine broertje. Niets kan ik verborgen houden. Ik sis en snik tegelijkertijd. Het geluid van een gewond dier. ‘Je bent sterk. Je bent dapper,’ zegt Killian tegen me. ‘Jij hébt het, meissie.’ De warmte verzamelt zich op drie plekken – beide handen en één arm – en ik hou hem zo stevig vast dat ik zeker weet dat hij er blauwe plekken aan overhoudt. Hij geeft geen kik. De warmte… het schroeit nu. Word ik gebrandmerkt? In het midden van mijn handpalmen verschijnt een cirkel met drie blaadjes. Het Troikaanse symbool. Eerst zijn ze nog bleek, maar gaandeweg worden ze donkerder. Op mijn rechterarm verschijnen drie series getallen. ‘Spirituele stigma’s,’ zegt Killian terwijl hij zijn duim over een van de symbolen laat gaan zonder me daadwerkelijk aan te raken. ‘Een uiterlijk teken van je innerlijke loyaliteit.’ Eindelijk, gelukkig, trekt de pijn weer helemaal weg, en ik kreun van opluchting. ‘Een Sleutel.’ Killian verplaatst zijn aandacht – en zijn spook31


aanraking – naar de getallen. ‘Ik heb gehoord dat Troika haar nieuwe recruten dwingt om te werken voor hun beloningen, maar tot nu toe heeft niemand dat bevestigd of ontkend.’ ‘Een Sleutel?’ Toen zijn duim over mijn huid gleed, kreeg ik het plotseling ijskoud. Mijn kaken verstrakken en mijn tanden klapperen. Zijn gezicht vertrekt van woede en daarvan schik ik net zo hard als van de kou. Hij laat me los en doet een stap achteruit zodat de afstand tussen ons groter wordt. Ik ben er nog niet klaar voor om afscheid van hem te nemen. Ik til mijn kin op, doe een stap in zijn richting en leg mijn vlakke hand op zijn kostbare hart. Opnieuw een vlaag van kou, deze keer sterker dan de vorige, onverdraaglijk. ‘Zero!’ Mijn favoriete vloek ontsnapt me en ik spring achteruit. In een oogwenk is de vreselijke kou verdwenen. ‘Ik heb geprobeerd je te waarschuwen,’ zegt hij tandenknarsend. Ik kijk in zijn sirene-ogen en dan wordt de werkelijkheid duidelijk. Lichamelijk zullen onze lichamen elkaar altijd afstoten. Licht en duisternis gaan niet samen. De een zal de ander altijd verjagen. Door voor Troika te kiezen heb ik onze relatie verdoemd. Ik voel tranen opkomen. ‘Killian,’ zeg ik. Hij heeft inderdaad geprobeerd me te waarschuwen. Ik maakte mezelf wijs dat we wel een manier zouden vinden om samen te zijn, maar ik begreep niet welke obstakels we daarvoor zouden moeten overwinnen. ‘Wat gebeurd is, is gebeurd.’ Hij schudt bijna onzichtbaar met zijn hoofd terwijl hij achteruitloopt. ‘Als ik voor jou vecht, dan zal mijn koninkrijk de strijd verliezen. Als ik tegen je vecht, verlies ik jou. Er is geen middenweg. Niet voor ons. Net als jij zal ik moeten kiezen.’

32


Turn static files into dynamic content formats.

Create a flipbook
Levensbloed - Gena Showalter inkijkexemplaar by HarperCollins Holland - Issuu