Bepalen van de deviatie met behulp van een lichtenlijn 206
Bepalen van de positie door peilingen 207
Verticale getijdenbeweging 212
Het berekenen van waterhoogten 214
HOOFDSTUK 6
Horizontale getijdenbeweging 222
De getijstroom 222
Stroomkavelen 224
Opsturen voor dwarsstroom 224
Opsturen voor stroom en drift 225
Navigatie met gps 226
Inrichting van het systeem 227
Betrouwbaarheid en nauwkeurigheid 227
Instellen van de basisgegevens 228
Toepassingsmogelijkheden van een gps 230
Automatic Identification System (AIS) 231
Galileo 231
Meteorologie (weerkunde) 2 232
Luchtsoorten 232
Fronten 233
Depressies 234
Vorming van wolken 235
Lokale weersverschijnselen 237
Grafische weergave van het weer 238
1
Knopen en beleggen van lijnen 246
Antwoorden 248
Bijlagen BPR 249 Register 252
Onderwerpen
REGLEMENTEN EN WETTEN
n Binnenvaartwet (vaarbewijzen)
n Wetboek van Koophandel
n Scheepvaartverkeerswet
n reglementen
n definities uit het BPR, bepalingen en kentekens
n navigatieverlichting en dagmerken voor schepen
n geluidsseinen en noodtekens
n verkeerstekens
bedrijfsmatig vervoer
binnenschip
binnenwateren
duwboot sleepboot
sleepduwboot passagiersschip
pleziervaartuig openbaarvervoersdienst
BINNENVAARTWET
Deze wet geeft voorschriften voor de veiligheid van de vaart en de uitrusting aan boord van beroepsschepen (bedrijfsmatig vervoer) op alle binnenwateren. Zij geeft voorts bepalingen ten aanzien van inrichting en uitrusting van het schip en bekwaamheid van de schipper, zoals het vaarbevoegdheidsbewijs. Een vaarbevoegdheidsbewijs is een vaarbewijs, een bewijs van bekwaamheid voor de binnenvaart (BSW), Rijnpatent (Reglement Rijnpatenten) of een ander erkend buitenlands bewijs van bekwaamheid.
Veel bepalingen van de Binnenvaartwet zijn als Algemene Maatregel van Bestuur uitgewerkt in het Binnenvaartbesluit.
Definities
1. vervoer uitoefening van bedrijf of beroep; 2. vervoer van goederen bestemd voor of afkomstig van de eigen onderneming;
3. slepen en duwen van schepen met duw-, sleepen sleepduwboten.
1. vaartuig bestemd voor de vaart op de binnenwateren of op overeenkomstige buitenlandse wateren;
2. drijvend werktuig.
• wateren die in Nederland zijn gelegen binnen een langs de Nederlandse kust gaande, bij ministeriële regeling aan te wijzen lijn.
• schip voor het duwen van schepen en niet voor het zelfstandig vervoeren van goederen.
• schip voor het slepen van schepen en niet voor het zelfstandig vervoeren van goederen.
• schip voor het slepen of duwen van schepen en niet voor het zelfstandig vervoeren van goederen.
• binnenschip niet zijnde een veerpont of veerboot, voor het bedrijfsmatig vervoer van meer dan 12 personen buiten de bemanningsleden.
• schip voor sportbeoefening of vrijetijdsbesteding.
• een voor ieder openstaand personenvervoer.
* Net zoals in het Reglement Rijnpatenten: de grens tussen Klein Rijnpatent en Groot Rijnpatent ligt op 35 meter lengte van het schip. Nederland hanteert als enige de grens van 40 meter lengte.
Het Belgische ‘Beperkt Stuurbrevet’ wordt in Nederland erkend voor het varen op rivieren, kanalen en meren met een snelle motorboot of een vaartuig met een lengte van ten minste 15 meter en ten hoogste 40 meter.
Het ‘Algemeen Stuurbrevet’, het brevet ‘Yachtsman’ en het brevet ‘Yachtnavigator’ wordt voor deze vaartuigen erkend voor het varen op alle binnenwateren.
Vaarbewijzen moeten aan boord getoond kunnen worden.
Het begrip pleziervaart betreft de niet-bedrijfsmatige vaart.
Met beroepsvaart wordt de bedrijfsmatige vaart bedoeld.
Groot Pleziervaartbewijs Schippers die willen varen met een schip met een lengte van 25 tot 40 meter, kunnen kiezen:
• of examen doen bij de CCV (met 3 jaar vaartijd): geeft Beperkt Groot Vaarbewijs;
• of examen doen bij het CBR (met praktijkexamen): geeft vrijstelling voor Beperkt Groot Vaarbewijs ten behoeve van de pleziervaart: het Groot Pleziervaartbewijs.
Met het Groot Pleziervaartbewijs mag iemand niet bedrijfsmatig varen.
* CWO Groot Motorschip Omdat 3 jaar vaartijd voor de meeste pleziervaartschippers onhaalbaar is, bestaat er een alternatief: het examen CWO Groot Motorschip. Houders van het diploma kunnen een vrijstelling krijgen voor het Beperkt Groot Vaarbewijs (Groot Pleziervaartbewijs).
Vaarbewijs
Er zijn drie vaarbewijzen*: een ‘Groot Vaarbewijs’, een ‘Beperkt Groot Vaarbewijs’ en een ‘Klein Vaarbewijs’
Van elk vaarbewijs zijn twee versies: de lichte versie, deel I voor rivieren, kanalen en meren, en de zware, deel II, voor alle binnenwateren, inclusief Schelde, IJsselmeer, Waddenzee, Eems en Dollard.
Met welke schepen mag u varen?
met Groot Vaarbewijs:
• alle schepen, dus ook: passagiersschepen (elke maat), veerboten (elke maat), sleep- en duwboten (ook niet zijnde pleziervaart), alle schepen van 40 meter en langer.
met Beperkt Groot Vaarbewijs:
• pleziervaart: alle schepen tot 40 meter.
• beroepsvaart: alle schepen tot 40 meter, behalve passagiersschip, veerboot, veerpont (> 12 passagiers of v > 30 km/u), sleep-, duw- of sleepduwboot.
met Klein Vaarbewijs:
• pleziervaart: alle schepen tot 25 meter, dus ook schepen die meer dan 20 km/u kunnen varen.
• beroepsvaart: tot 20 meter, niet zijnde passagiersschip, veerboot, veerpont (> 12 passagiers of v > 30 km/u). Sleepboten, duwboten of sleepduwboten met een lengte van ten minste 15 meter en minder dan 25 meter worden niet als sleepboot (d.w.z. grootvaarbewijsplichtig) gezien, indien ze over een verklaring van de minister beschikken waarin staat dat het schip uitsluitend wordt gebruikt als pleziervaartuig en ze overeenkomstig de voorwaarden gesteld op die verklaring worden gebruikt.
zonder vaarbewijs:
• pleziervaart: schepen tot 15 meter, niet zijnde passagiersschip, veerboot, veerpont (> 12 passagiers of v > 30 km/u), sleep-, duw- of sleepduwboot.
• pleziervaart: motorschepen tot 15 meter die niet sneller kunnen varen dan 20 km/u.
Samengevat:
lengtematen bij en vereisten voor de vaarbewijzen voor de pleziervaart:
• groter dan 15 meter, maar kleiner dan 25 meter: Klein Vaarbewijs (theorie-examen);
• groter dan 25 meter, maar kleiner dan 40 meter: Beperkt Groot Vaarbewijs (theorie-examen + 3 jaar van ten minste 180 vaardagen)*;
• groter dan 40 meter: Groot Vaarbewijs (theorieexamen + 4 jaar van ten minste 180 vaardagen).
Vaststellingsbesluit BPR art. 2
* Het BPR geldt wel in de Westerschelde-havens.
Voor het KVB1 bestudeert u het BPR en het RPR. Van de andere reglementen moet u alleen weten waar ze gelden.
BPR, SRGM en RPR zijn aan elkaar verwant; ze zijn gebaseerd op CEVNI (Code Européen des Voies de Navigation Intérieure), de uniforme Europese vaarwegen reglementering.
WAAR GELDEN DE REGLEMENTEN
BPR
Het BPR geldt op alle binnenwateren van Nederland, inclusief het IJsselmeer, de Waddenzee en de Zeeuwse wateren. Het BPR geldt niet op de grote rivieren en de Westerschelde*. De Maas en de IJssel worden niet gezien als grote rivieren en vallen derhalve onder het BPR, behalve de Nederlandse gedeelten van de Gemeenschappelijke Maas (SRGM).
Samengevat:
Het BPR geldt voor:
• alle kanalen, meren en kleine rivieren;
• IJsselmeer, Waddenzee en Zeeuwse wateren;
• Maas en IJssel.
RPR
Het RPR geldt op de Boven-Rijn, Neder-Rijn, Lek, Waal en op het Pannerdensch Kanaal, inclusief de aan die vaarwegen gelegen havens, laad- en losplaatsen en recreatieplassen.
Het Pannerdensch Kanaal vormt de verbinding tussen de Rijn en de Waal bij Arnhem.
Samengevat:
Het RPR geldt voor:
• (Boven-, Neder-)Rijn, Waal en Lek;
• Pannerdensch Kanaal.
SRKGT
Het SRKGT is van toepassing op het Kanaal van Gent naar Terneuzen vanaf de grens met België tot aan de sluizen van Terneuzen, de Westbuitenhaven en de Oostbuitenhaven te Terneuzen, tot aan de denkbeeldige lijn getrokken over de koppen van de havenhoofden.
SRGM
Het SRGM is van toepassing op de tot de Maas behorende wateren in de grensgebieden (Gemeenschappelijke Maas) tussen België en Nederland.
SRW
Het SRW is van toepassing op de Westerschelde met haar mondingen, met inbegrip van het gedeelte van de territoriale zee. Hier ontmoeten de binnenvaart en de zeevaart elkaar en zijn de regels van het BPR en de BVA aan elkaar aangepast.
SRE
Het SRE geldt in de Eemsmonding. Het bevat aanvullende regels op de BVA, aangepast aan de Duitse reglementen.
* De bepalingen van de BVA volgen niet uit Nederlandse wetgeving, maar zijn het resultaat van een internationaal verdrag.
BVA
De BVA gelden op alle wereldzeeën. Bij onze kust is dat de Noordzee, inclusief de Eemsmonding. De Waddenzee tussen de eilanden en de vaste wal valt onder het BPR.
STZ
Het STZ is een aanvulling op de BVA en bevat regels voor de zee langs de kust en de aanloopgebieden naar de zeehavens (uitgezonderd Westerschelde en Eemsmonding met hun eigen reglement).
Toepassingsgebied van de reglementen:
Overige bepalingen Behalve bovenstaande reglementen kunnen er op vaarwegen nog lokale, provinciale, waterschaps- of gemeentelijke bepalingen van kracht zijn, evenals havenreglementen. Meestal kunt u deze voorschriften terugvinden in ANWB Wateralmanak 2.
LICHTEN EN DAGMERKEN (BPR)
BPR 3.01, 3.01a, 3.02
DEFINITIES
BPR Bijlage 3
bb sb
Kijkend naar de voorkant van het schip: over stuurboord: rechts, sb; over bakboord: links, bb.
Sector deel van een cirkel (‘taartpunt’).
Bereik van de lichten
gewoon licht: 2,3–3,7 km helder licht: 3,2–5,0 km krachtig licht: 5,9–8,0 km
In dit boek zijn de aanduidingen voor de lichten in de tekeningen weergegeven zoals hieronder toegelicht.
rondomschijnend flikkerlicht vast licht, schijnend over een bepaalde boog van de horizon
een licht, dat in de gegeven projectie eigenlijk niet zichtbaar is
BPR 3.07
• sb-boordlicht: groen, helder licht aan stuurboord (rechts), uitsluitend te zien in een sector van 112,5° (van recht vooruit tot 112,5° over stuurboord);
• bb-boordlicht: rood, helder licht aan bakboord (links), uitsluitend te zien in een sector van 112,5° (van recht vooruit tot 112,5° over bakboord). De boordlichten beslaan elk de helft van het toplicht;
• heklicht: wit licht achterop het schip, uitsluitend te zien in een sector van 135° (67,5° over stuurboord – recht achteruit – 67,5° over bakboord). Het heklicht vult het toplicht op (360° – 225° = 135°);
• toplicht: wit, krachtig licht aan de mast, uitsluitend te zien in een sector van 225° (112,5° over stuurboord – recht vooruit – 112,5° over bakboord);
• rondomschijnend licht: een licht dat van alle kanten te zien is (boog van 360°);
• bijkomende lichten: lichten die een bepaald type schip en/of manoeuvreerproblemen aanduiden. Deze lichten zijn altijd van alle kanten te zien. Aan de kleur en het aantal kunt u zien met wat voor schip of problemen u te maken hebt;
• snel flikkerlicht: zwaailicht of periodelicht (100-150 flikkeringen/min);
• hoogte: de hoogte boven het vlak van de grootst toegelaten diepgang, boven het bovenste doorlopende dek of boven het potdeksel.
Schepen moeten lichten voeren van zonsondergang tot zonsopkomst en overdag bij slecht zicht. Schepen die stilliggen in afwachting van doorvaart bij brug of sluis, mogen de lichten en dagmerken blijven voeren van een varend schip.
Lichten en tekens, zoals zoeklichten die verblinden of vlaggen die leiden tot verwarring, zijn verboden.
Herkennen van lichten
De functie van navigatieverlichting is niet om te zien, maar om gezien te worden. Ze geeft informatie over koers, gevaar voor aanvaring en verlenen van voorrang. Soms wordt ze overdag vervangen door een ‘dagmerk’.
Stel uzelf de volgende vragen bij het herkennen: 1. Tegen welke zijde van het schip kijk ik aan?
Groen: de stuurboordzijde, het schip vaart naar rechts.
Is het schip kleiner dan 40 m, dan mag de hoogte ook 4 m bedragen.
Een schip dat sleept of een duwboot korter dan 20 m, is alleen ‘groot’ als een groot schip wordt gesleept, geduwd of geassisteerd.
Een schip van 20 m of langer dat sleept, is altijd een groot schip.
2. Is het een motorschip of een zeilschip?
Wit toplicht: het schip vaart op de motor.
3. Welke extra verlichting zie ik?
Behalve de basisverlichting (boordlichten, heklicht en toplicht) hebben bepaalde typen schepen aanvullende verlichting. Die wordt hieronder behandeld.
TEKENS VAN VARENDE SCHEPEN
Groot motorschip (20 m en langer)
Een alleenvarend groot motorschip moet de navolgende navigatieverlichting voeren:
• boordlichten aan weerszijden van de brug, tenminste 1 meter lager dan het toplicht en maximaal 1 meter binnen de buitenzijde van het schip;
• een heklicht op het achterschip;
• een toplicht op het voorschip, minstens 5 meter boven het wateroppervlak.
Een groot motorschip mag een tweede toplicht voeren. Dit tweede toplicht staat op het achterschip op een grotere hoogte dan het voorste toplicht.
Dagmerk: geen.
Schip dat sleept of assisteert
Een schip dat alleen sleept, of in kiellinie (achter elkaar) met een ander, moet de navolgende verlichting voeren:
• boordlichten;
• een geel heklicht;
• twee toplichten op het voorschip (boven elkaar).
Dagmerk: een gele cilinder met wit-zwarte banden aan de uiteinden.
Slepen niet in kiellinie
Een schip dat samen met een ander naast elkaar sleept of dat assisteert, moet voeren:
• boordlichten;
• een geel heklicht;
• drie toplichten op het voorschip (boven elkaar).
Dagmerk: een gele cilinder met wit-zwarte banden aan de uiteinden.
VERKEERSTEKENS
BPR Bijlage 7
BPR 5.01
Bijlage 7 (A.1 t/m A.20)
meestal: wit bord – rode rand
NB
Prioriteit BPR 5.02 Een verkeersteken gaat boven een gedragsregel (reglement).
Maar een verkeersaanwijzing (havendienst) gaat weer boven een verkeersteken. De volgorde is dus: 1. verkeersaanwijzing; 2. verkeersteken; 3. gedragsregel.
Een schip is verplicht een verkeersteken op te volgen.
VERBODSTEKENS
verboden doorvaart (brugopening)
verboden doorvaart voor langere tijd (sluis/ brug)
verboden doorvaart voor kortere tijd (sluis/ brug)
verboden doorvaart (werk in uitvoering)
* Er mag zelfs geen buitenboordmotor aan boord zijn.
vaarverbod, niet geldend voor een klein schip zonder motor*
voorbijlopen (inhalen) verboden
** Dit is dus eigenlijk een verbod op het gebruik van een motor.
voorbijlopen (inhalen) en voorbijvaren (tegemoetkomen) verboden
verboden stil te liggen (meren of ankeren) verboden te meren of te ankeren binnen de aangegeven breedte (in dit geval 20 m)
verboden te ankeren verboden te meren verboden te keren verboden golfslag te maken verboden voor motorschepen**
verboden voor kleine schepen
A.1
A.1a
A.2
A.4
A.5
A.5.1
A.6
A.12
A.13
* Dit is dus eigenlijk een verbod op snelvaren.
Bijlage 7 (B.1 t/m B.11)
meestal: wit bord – rode rand
verboden te waterskiën
verboden voor zeilboten
verboden te surfen einde van het vaargedeelte waar door snelle motorboten zonder beperking van de snelheid mag worden gevaren*
verboden om schepen te water te laten en uit het water te halen
GEBODSTEKENS
verplicht in de richting van de pijl te varen
verplicht de bakboordzijde van het vaarwater te houden
verplicht de stuurboordzijde van het vaarwater te houden
verplicht zich naar de bakboordzijde van het vaarwater te begeven
verboden voor door spierkracht voortbewogen schepen
verboden buiten de aangegeven begrenzing te varen (tussen de rood-witte ruiten blijven)
verboden door te varen, maar klaarmaken voor in- of doorvaart (brug/sluis)
verboden voor waterscooters
verplicht zich naar de stuurboordzijde van het vaarwater te begeven verplicht een aanwezige marifoon aan te hebben op het in dat gebied voorgeschreven kanaal
verplicht zo nodig koers en snelheid te wijzigen ten behoeve van uitvarende schepen (synchroon brandende flikkerlichten)
VHF
VRAGEN – DEEL 1 – HOOFDSTUK 2
1. Als een schip dat moet wijken een aanvaring alleen niet kan voorkomen, dan:
a. moeten beiden schepen naar stuurboord wijken
b. moet het wijkplichtige schip een reeks korte stoten geven
c. moet het niet-wijkplichtige schip ook wijken en/of stoppen
2. Welk schip moet wijken (zie tekening)?
a. schip A omdat het over stuurboord ligt
b. schip B omdat schip A stuurboordwal houdt
c. schip A omdat loef wijkt voor lij
3. Als een opvarend schip aan sb wil voorbijvaren maar niet begrepen wordt, dan geeft hij:
a. een korte stoot
b. twee lange stoten en één korte stoot
c. twee korte stoten
4. Als voorbijlopen aan bb niet kan zonder dat de ander meewerkt, geeft u:
a. een lange stoot en twee korte stoten
b. twee lange stoten en een korte stoot
c. twee lange stoten en twee korte stoten
5. Wie moet wijken (zie tekening)?
a. beide schepen (iets naar stuurboor)
b. schip B
c. schip A
6. Wat zegt het BPR over de situatie in de tekening hiernaast?
a. Schip B moet meewerken als schip A om medewerking vraagt.
b. Schip B mag voorgaan omdat schip A in een nevenvaar water vaart.
c. Schip A moet schip B voor laten gaan omdat schip B van rechts komt.
7. Een veerpont moet voorrang verlenen aan:
a. alle schepen
b. grote schepen
c. geen enkel ander schip
8. Zo mogelijk moet een zeilboot een andere zeilboot laten oplopen aan:
a. de loefzijde
b. de bakboordkant
c. de lijzijde
9. Twee kleine schepen naderen elkaar bij een engte. Klein motorschip Fin vaart voor stroom. Klein zeilschip Lot zeilt over bakboordsboeg. Gelijktijdige doorvaart is niet mogelijk (zie plaatje). Regelt het BPR dit? Zo ja, hoe?
a. Dit is niet geregeld; goed zeemanschap toepassen.
b. Ja, Lot moet hier voorrang verlenen.
c. Ja, Fin moet hier voorrang verlenen.
10. Wie moet wijken (zie tekening)?
a. beide, iets naar stuurboord
b. alleen de motorboot
c. alleen de zeilboot
11. Wat voor geluidsseinen worden er gegeven als men van een hoofdvaarwater naar stuurboord een nevenvaarwater wil opvaren en anderen medewerking wil vragen?
a. drie lange stoten
b. één korte stoot
c. drie lange stoten en één korte stoot
12. Wie moet voorrang verlenen (zie tekening)?
a. schip A omdat schip B het bezeild heeft
b. schip A omdat schip B over bb zeilt
c. schip B omdat schip A niet zeilt
13. Als een schip met slecht zicht doorvaart op radar, dan:
a. moet de radarreflector ook gehesen worden
b. moet er een uitkijk staan op het voorschip
c. moet de marifoon aanstaan
14. Een schip dat in of bij een vaarwater stilligt in de mist, moet:
a. om de minuut een lange stoot geven
b. om de twee minuten een lange stoot geven
c. om de minuut een reeks klokslagen geven
15. Bij slecht zicht moet een varend schip:
a. radar en marifoon aan boord hebben
b. de snelheid aanpassen en zo veel mogelijk stuurboordwal houden
c. voor anker gaan buiten het vaarwater
16. Hoe maakt een schip kenbaar dat het wil keren over stuurboord?
a. twee lange stoten en één korte stoot
b. drie lange stoten en één korte stoot
c. één lange stoot en één korte stoot
17. Als een opvarend schip bakboord-op-bakboord wil voorbijvaren en hij wordt niet begrepen, dan:
a. geeft hij één korte stoot
b. geeft hij twee korte stoten
c. geeft hij een reeks korte stoten
18. Wie moet voorrang verlenen (zie tekening):
a. schip A omdat schip B van stuurboord komt
b. beide schepen (omdat beide over stuurboord varen)
c. schip A omdat loef wijkt voor lij
19. Een opvarend schip laat aan stuurboord de weg vrij en zal dan tonen:
a. een blauw bord en wit flikkerlicht aan bakboord
b. een blauw bord en wit flikkerlicht aan stuurboord
c. een blauw bord en wit flikkerlicht en twee korte stoten