!
1
$
"
%
6
"
6
"
:
!
$
N
2
5
!
R
V
W
!
Y
X
!
N
$
R
!
Z
"
!
Z
_
Z
"
!
Q
^
$
"
"
"
3
!
!
"
>
L
8
'
)
?
8
@
8
1
A
M
9
*
(
(
+
(
,
-
.
)
/
0
0
C
6
?
D
!
U
(
B
T
(
#
7
?
L
(
3
!
=
T
2
E
F
G
H
D
I
$
8
8
8
T
$
#
$
!
!
b
7
"
$
"
"
!
!
"
!
6
\
6
2
$
!
$
!
#
6
"
Z
!
!
O
[
!
"
"
"
!
[
5
"
"
$
"
Y
Z
Z
!
"
!
6
!
$
!
Z
\
"
!
[
6
$
!
3
M
L
]
$
M
O
3
_
3
3
^
#
3
Q
!
Q
3
_
N
:
Z
$
!
:
Z
\
6
!
$
J
R
N
N
Y
2
1
O
^
Y
#
7
3
!
"
6
!
!
Q
3
"
3
Q
!
!
a
M
%
!
Q
!
!
!
!
Q
3
Z
8
7
!
Q
9
!
$
!
6
3
$
"
!
$
!
!
9
^
!
!
Q
$
T
Q
Z
!
!
R
!
!
b
Q
Y
3
Q
"
3
"
"
Y
M
3
$
Q
&
!
5
$
%
!
$
!
!
"
!
!
%
"
<
$
Q
V
3
"
`
7
_
Y
!
!
5
$
4
4
;
K
8
$
J
Y
5
[
3
%
#
O
[
$
3
!
$
!
\
5
R
3
W
"
!
!
S
!
Z
5
"
!
3
!
#
5
!
U
!
^
$
2
T
J
P
S
"
!
%
O
R
2
%
L
!
4
7
$
9
!
b
$
!
!
$
6
!
!
b
"
3
3
!
:
#
$
!
5
!
!
!
!
5
!
$
!
!
!
"
!
6
!
3
^
:
!
!
!
6
3
#
Q
5
6
!
$
#
"
$
^
!
$
!
3
3
!
3
!
$
3
!
"
6
$
Q
!
8
3
3
!
"
Q
3
!
!
8
b
$
!
Q
3
!
9
7
#
Q
!
8
Deel 1
Een honingbij die nectar aan het verzamelen is, steekt zelden, behalve wanneer ze schrikt of dreigt te worden vertrapt. Als een bij zich bedreigd voelt, of het signaal van alarmferomonen oppikt, gaat ze in de aanval en steekt. De angel van een werkster heeft weerhaakjes. Wanneer die zich vasthaken in de huid van een slachtoffer, scheurt de angel los van het achterlijf van de bij, waardoor ze bijna ogenblikkelijk sterft. De angel van de koningin heeft echter geen weerhaakjes. De koningin kan meerdere keren steken zonder te sterven.
Hoofdstuk 1
De gouden regel voor het houden van bijen, de regel die Isabel zich heilig had voorgenomen nooit te overtreden, was kalm blijven. Maar nu ze zo eens keek naar de gigantische zwerm honingbijen die aan een ligustertak hing, vreesde ze zich daar niet aan te kunnen houden. Ze was een groentje in de imkerij, maar dat was geen excuus. Ze dacht echt dat ze er klaar voor was om haar eerste zwerm te vangen. Alle boeken over imkeren in de bibliotheek van Archangel had ze gelezen. Tientallen online video’s had ze bekeken. In geen van de boeken en video’s werd echter vermeld dat het gezoem van tienduizend bijen het engste geluid was dat ze ooit had gehoord. Het deed haar denken aan de vliegende-apenmuziek in The Wizard of Oz. ‘Niet aan vliegende apen denken,’ mompelde ze voor zich uit. Het vergde het uiterste van haar wilskracht en zelfbeheersing om niet hard gillend naar de dichtstbijzijnde irrigatiesloot te vluchten. De ochtend was zo veelbelovend begonnen. Bij zonsopgang was ze uit bed gesprongen om alweer zo’n prachtige Sonoma-dag te verwelkomen. Een paar nevelige mistflarden dreven van de kust landinwaarts door de valleien en hooglanden en lagen als een bruidssluier over de groene en gouden heuvels. Isabel had snel een short en een T-shirt aangeschoten om Charlie uit te laten voor zijn ochtendrondje langs de appel- en walnootbomen, terwijl ze zelf de naar lavendel en warm zomergras geurende lucht opsnoof. Het was een paradijs op aarde. 7
De laatste tijd werd ze elke dag vroeg wakker, te opgewonden om te slapen. Ze was bezig met het grootste project dat ze tot dusver op zich had durven nemen – haar ouderlijk huis verbouwen tot een kookschool. De werkzaamheden naderden hun voltooiing en als alles volgens plan verliep, zou ze in de oogsttijd de eerste gasten van de Bella Vista Kookschool welkom heten. De grote haciënda met haar appelboomgaard en moestuinen was de perfecte locatie voor het project. Het gebouw was al lange tijd veel te groot voor de twee bewoners, Isabel en haar opa, maar haar dromen waren altijd te groot geweest voor haar budget. Koken was haar passie, en het was haar hartenwens om een plek te realiseren waar andere dromers naartoe konden komen om haar kookkunsten te leren. Uiteindelijk had ze met de kookschool een passende bestemming gevonden voor de haciënda. Isabel was vastbesloten het grote huis op alle mogelijke manieren nieuw leven in te blazen, het te laten bruisen van energie. Vandaag de dag was ze dankbaar dat ze nu eindelijk de middelen had om het gebouw in zijn oude glorie te herstellen. Dat hield in dat de haciënda weer werd opengesteld voor de buitenwereld. Ze wilde er meer van maken dan uitsluitend de plek waar zij en haar bejaarde opa hun dagen sleten. Veel te lang had ze als een kluizenaar geleefd. Deze zomer stond er een bruiloft gepland die leven in de brouwerij bracht met vrolijke feestvierders. In de herfst zou ze dan de gasten van de kookschool ontvangen. Met een hoofd dat overliep van de plannen was ze een kijkje bij de bijen gaan nemen met Charlie, haar zwerflustige Duitse herder. Toen ze bij de bijenkasten aankwam, op een heuvel langs een karrenspoor aan het eind van de grootste boomgaard, had ze de vliegende apen gehoord en zich gerealiseerd wat er aan de hand was – er was een bijenzwerm in de buurt. Het was een natuurlijk verschijnsel. Als een weduwe die plaatsmaakt voor haar opvolgster, verliet de oude koningin de bijenkast op zoek naar een nieuw onderkomen, waarbij ze meer dan de helft 8
van de werksters meenam. Het kwam zelden voor dat een zwerm zich zo vroeg op de dag vormde, maar de ochtendzon was al fel. Verkenningsbijen waren eropuit gegaan om de ideale plek voor een nieuwe kolonie te zoeken, terwijl de rest en masse aan de tak hing en wachtte. Isabel moest de zwerm vangen en in een lege bijenkast zien te krijgen voordat de verkenners terugkeerden en ze allemaal wegvoerden, naar onbekende streken. Ze had snel een sms’je gestuurd naar Jamie Westfall, een plaatselijke imker. Een week daarvoor had hij toevallig een folder in haar brievenbus gedaan: imkerservices in ruil voor honingoogst. Isabel had hem nooit ontmoet, maar ze had zijn nummer in haar mobiel opgeslagen, voor het geval dat. Helaas was een zwerm in deze fase van zeer korte duur, en als die Jamie hier niet heel snel naartoe kwam, stond ze er alleen voor. Ze had haar overall aangetrokken, een hoed met gaas opgezet, een takkenschaar en een kartonnen doos met deksel mee gegrist, en daarna was ze behoedzaam op de hangende zwerm afgelopen. Dit hoorde een simpel klusje te zijn, dacht ze. Behalve dan dat het gevaarte dat aan de boom hing eruitzag als een griezelige, roodachtige, levende baard. Het gonzende geluid weergalmde door haar hoofd en verspreidde zich vervolgens door de rest van haar lijf als het bloed in haar aderen. Ze bleef zichzelf maar inprenten dat er niets was om bang voor te zijn, ondanks de angstaanjagende aanblik en het furieuze gezoem van de zwerm. Ze waren op zoek naar een nieuw thuis, meer niet. Elke sterveling op aarde kon die behoefte begrijpen. Als er iets was waar Isabel naar hunkerde, was het om zich ergens thuis te voelen. ‘Oké, dan,’ mompelde ze, haar blik onafgebroken gericht op de krioelende drom honingbijen, haar hart bonkend. Een zwerm vangen moest leuk en opwindend werk zijn. Het was de ideale manier om meer bijenkasten te vullen, en daarmee voorkwam je dat de bijen een nest bouwden op een plek waar ze voor overlast zouden zorgen, zoals in haar opa’s geliefde appelbomen. 9
De bijen waren handelbaar in deze fase van het uitzwermen. Ze waren niet agressief omdat ze zich volgegeten hadden met honing en geen thuis hadden om te verdedigen. Ondertussen plofte Charlie laconiek in het hoge gras aan de zijkant van de heuvel, waar hij zich koesterde in de zon. ‘Ik kan dit,’ zei Isabel tegen zichzelf. ‘Het is de perfecte zwerm. Haha, heb je hem door, Charlie?’ Ze keek opzij naar de magere hond. ‘De perfecte zwerm!’ Isabel vond het niet vreemd om tegen een hond te praten. Ze was niet anders gewend, omdat ze was opgegroeid als enig kind op Bella Vista, in de beslotenheid van de omringende boom- en wijngaarden en beschermd door overbezorgde, liefhebbende grootouders. Als kind had ze geleerd zichzelf te vermaken. Als volwassene schermde ze zichzelf af, want dat was wat het leven haar had geleerd te doen. ‘Daar gaat-ie, Charlie,’ zei ze. ‘Ik ga erop af. Geen harde geluiden, geen onverwachte bewegingen.’ Ze zette de kartonnen doos op de grond onder de tak, die inmiddels begon door te zakken onder het gewicht van de bijen. Jasses, dit was wel een heel grote zwerm. De zon brandde op haar rug en deed haar beseffen dat de tijd begon te dringen. Met trillende handen hield ze de takkenschaar beet. ‘Nu,’ sprak ze zichzelf moed in. ‘Het is niet verantwoord om nog langer te wachten.’ Ze was het beu om kansen te laten schieten. Het was tijd om de gelegenheid te baat te nemen. Met bonkend hart klapte ze de takkenschaar open en knipte de tak af. De zwerm belandde in de wachtende doos – grotendeels in elk geval. Het gezoem werd nog luider, en een aantal bijen maakte zich los van de drom. Het vergde het uiterste van haar zelfbeheersing om niet op de vlucht te slaan. Het scheelde maar een haar of ze overtrad de gouden regel en ging volkomen door het lint. Wat maakt het uit als de zwerm verdween? Het was bepaald geen kwestie van leven of dood. Het was echter wel een kwestie van trots en wilskracht. Ze wilde 10
bijen houden. Bella Vista was altijd een werkend landbouwbedrijf geweest, waarvan de boomgaarden en tuinen sinds het eind van de Tweede Wereldoorlog in het levensonderhoud van de familie Johansen voorzagen. ‘Ziezo, jongens,’ zei ze met op elkaar geklemde kaken. ‘Hier gaan we.’ Ze bukte om de tak voorzichtig te verschuiven, zodat hij in de doos paste. De bijen die buiten de doos vielen, kropen weer terug naar de zwerm. Ze moesten bij de koningin blijven – dat was de enige manier om te overleven. Van top tot teen bibberend, tilde Isabel de doos op. Die was zwaar. Zwaarder dan ze had gedacht. En de bijen leken geagiteerd. Ze begonnen onrustiger te krioelen. Ze vroeg zich af of dat betekende dat de verkenners op de terugweg waren. Bij een felle steek in haar schouder verloor ze bijna haar zelfbeheersing. ‘Au!’ riep ze uit. ‘Au, au, au! Jullie horen passief te zijn. Wat mankeert jullie?’ Het arme beest was vast onder haar overall vast komen te zitten. Tegen zichzelf zei ze: ‘Langzaam en voorzichtig. Daar ben ik goed in, in dingen langzaam en voorzichtig aanpakken. Te goed, als je het Tess vraagt.’ Tess was veruit de impulsiefste zus. Soms werd ze niet goed van Isabels eeuwige wikken en wegen. Het moment van de waarheid was aangebroken. De volgende stap was om de zwerm in de lege bijenkast te krijgen. Uitgerekend op dat moment blafte Charlie, stond op en verdween op een drafje naar de weg. Isabel hoorde het geluid van een motor, het geronk lager dan het gezoem van de bijen. Een fruitplukker? Toen ze zich omdraaide, zag ze een kanariegele jeep met een rolstang en de kap naar beneden de heuvel op jakkeren, hotsend over het karrenspoor en grind opspattend vanonder de banden. Een wolk bijen steeg op uit de doos. Een aantal ervan landde onheilspellend op het gaas dat haar gezicht bedekte. Rustig aan, wilde ze roepen. Je stoort ze. De jeep kwam knarsend tot stilstand in een grote stofwolk, en 11
een lange onbekende man hees zichzelf aan de rolstang omhoog en sprong eruit. Hij had lang haar en brede schouders en hij droeg een legergroene cargobroek, een zwart T-shirt en een pilotenzonnebril. Er zat een brace om zijn knie, en hij trok zichtbaar met zijn been. Was dit soms Jamie Westfall, vroeg Isabel zich af. Ze kon momenteel best wat hulp gebruiken. ‘Is dit het huis van de Johansens?’ vroeg de onbekende met diepe stem. Charlie maakte een puffend geluid en plofte weer in het gras neer. ‘O, mooi zo, je hebt mijn sms’je gekregen,’ zei ze, haar ogen onafgebroken gericht op de zware, krioelende massa in de doos. ‘Perfecte timing. Je bent precies op tijd om me een handje te helpen.’ ‘Wat, ben je niet goed wijs of zo?’ reageerde hij, achterdochtig turend alsof hij haar door het gaas probeerde te zien. ‘Dat is een zwerm bijen.’ ‘Ja, dus als je het niet erg vindt…’ ‘Shit, ik ben gestoken.’ Hij sloeg tegen de zijkant van zijn hals. ‘Wat zullen we nou krijgen? Jezus, er zijn tientallen van die kleine klotebeesten!’ De paar seconden daarna vloekte hij nog een paar keer terwijl hij wild naar een aantal afgedwaalde bijen sloeg. Het gevloek was niet van de lucht. Door zijn meppende bewegingen raakten de bijen nog geagiteerder. Isabel voelde weer een felle steek, deze keer in haar enkel, waar de pijp van haar overall in een boord eindigde. ‘Stop daarmee! Je maakt ze boos.’ Mooie imker, dacht ze. ‘O, denk je? Dame, ik ben weg, hier. Ik ga…’ ‘Ik dacht dat je kwam helpen.’ Het gezoem werd luider, en de zwerm in de doos bewoog onrustiger, pulserend als een levende onweerswolk. ‘O, nee…’ Ze zette de doos neer en wapperde met haar hand naar een zwerm bijen. De verkenners waren terug. Ze voelde nog een steek, in haar pols dit keer. ‘Shit, kijk uit!’ De onbekende man greep haar beet en gooide haar 12
tegen de grond, schermde haar af met zijn lichaam. Charlie liet een diepe, waarschuwende grom horen. Paniek sneed door Isabel heen, en de angst had niets te maken met bijen. Het voelde als een lemmet van koud staal, en plotseling had ze het niet meer, werd ze terug gekatapulteerd naar het verleden, naar een inktzwarte gebeurtenis waaraan ze had gedacht nooit te kunnen ontsnappen. ‘Nee,’ bracht ze uit op schorre fluistertoon. Ze verzette zich, kromde haar rug tot een soort boog en stootte een knie omhoog, die hard in aanraking kwam met… iets. ‘Oef, verdomme zeg, wat bezielt jou in vredesnaam?’ De man rolde opzij, waarbij hij zijn knieën tegen zijn borst trok en naar zijn kruis greep. De zonnebril vloog van zijn neus, en hij kermde van de pijn. Isabel kroop zijwaarts weg zonder hem een ogenblik uit het oog te verliezen. Hij was groot, hij rook naar zweet en stof, en zijn ogen spuwden vuur van de pijn. Háár had hij echter geen pijn gedaan. Ze was net zo verbouwereerd als hij over haar eigen heftige reactie. Rustig, sprak ze zichzelf toe. Rustig aan. Stukje bij beetje ging haar hartslag naar beneden en maakte de adrenaline plaats voor diepe schaamte. Toen rukte ze haar blik los van de vreemdeling, net op tijd om de zwerm te zien opstijgen; een dikke, uitdijende sluier van zware zijde. De hele kolonie vloog weg, de wijde wereld in. De donkere wolk van insecten werd steeds kleiner, zweefde weg als een opgelaten ballon. ‘Je bent te laat. Ze zijn vertrokken,’ zei ze, over haar schouder wrijvend. Met een nijdige blik stond ze op en schopte gefrustreerd tegen de kartonnen doos. Een paar dode bijen tuimelden van de nu lege tak. ‘Je mag straks dank je wel zeggen,’ zei de man. Hij was inmiddels rechtop gaan zitten en nam haar met samengeknepen ogen op. ‘Dank je wel?’ vroeg ze vol ongeloof. ‘Graag gedaan?’ kaatste hij terug. ‘Wat ben jij nou voor een imker?’ 13
‘Eh… zie ik eruit als een imker? Jij bent degene die eruit ziet als een imker, tenzij die hoedenconstructie een soort boerka nieuwe stijl is.’ Isabel plukte de hoed van haar hoofd en liet hem op de grond vallen. Haar haar zat plat tegen haar hoofd en nek geplakt door het zweet van haar vruchteloze geploeter. ‘Je bent dus niet Jamie Westfall?’ ‘Nooit van die gast gehoord. Zoals ik al zei, ik ben op zoek naar het huis van de Johansens.’ Zijn ogen keken haar indringend aan, waardoor haar aandacht getrokken werd door de kleur: diepgroen, als bladeren in de schaduw. Hij was onwaarschijnlijk knap, zelfs met dat door bijensteken gehavende gezicht. ‘O, mijn hemel,’ zei ze. ‘Je bent zeker een van de bouwvakkers.’ De tegelzetter stond voor vandaag op de planning om het majolicategelwerk in de leskeuken af te maken. ‘Als je zo met je personeel omgaat, help me dan herinneren dat ik je niet tegen de haren instrijk. Maar nee, dus laten we opnieuw beginnen.’ Met pijn en moeite stond hij op. ‘Ik ben Cormac O’Neill,’ zei hij. ‘Ik zou je best een hand willen geven, maar je bent nogal eng.’ Die naam zei haar niets. Er stond geen O’Neill op de lijst aannemers met wie ze in het afgelopen jaar had gewerkt. ‘En je bent hier omdat…’ ‘Omdat, o, Jezus… Ik geloof dat ik het loodje ga leggen.’ Hij wreef over zijn gespierde blote armen, zijn gezicht en nek. ‘Wat? Kom zeg, zó hard heb ik je niet geschopt.’ Ze draaide zich net op tijd om om hem als een zak aardappelen tegen de grond te zien gaan. ‘Dat meen je toch zeker niet?’ schamperde ze. ‘Nee, hè?’ ‘Ik ben gestoken.’ ‘Dat zie ik ook wel.’ Behalve de steken in zijn gezicht, waren nu ook bulten verschenen in zijn hals, op zijn armen en handen. ‘Heel vervelend. Maar het zijn honingbijen,’ zei ze. ‘Hun steken zijn nou niet bepaald dodelijk.’ ‘Alleen voor mensen die er zwaar allergisch voor zijn,’ zei hij, ter14
wijl hij probeerde rechtop te gaan zitten en sprak alsof zijn tong plotseling was opgezwollen. Uit zijn keel kwam een fluitend geluid. Ze knielde naast hem. ‘Ben je allergisch? Zwaar allergisch?’ ‘Anafylaxie,’ zei hij hijgend, rukkend aan de hals van zijn T-shirt. ‘Als je er zo allergisch voor bent, waarom stortte je je er dan middenin?’ ‘Je zei dat ik precies op tijd was. Je zei dat je hulp nodig had.’ Zijn keel werd dichtgesnoerd, zijn ogen stonden glazig. Hij zag eruit alsof hij op het punt stond dood te gaan. Dat zou me niets verbazen, dacht Isabel even. Ik heb nooit veel geluk gehad met mannen.
15
Hoofdstuk 2
‘Wat kan ik doen?’ Isabel ritste haar overall open en begon in haar zak te graven naar haar mobiel. Tot haar te binnen schoot dat ze die niet had meegenomen. Hij greep haar pols, en opnieuw schrok ze van de onverwachte aanraking. Dit keer haalde ze niet uit, maar verstijfde bij de onvermoede kracht van zijn greep. ‘Hé,’ zei hij, waarna hij begon te hoesten en piepen. Zijn gezicht liep vuurrood aan terwijl hij hapte naar lucht. ‘Weekendtas,’ bracht hij hijgend uit. ‘Daar zit een EpiPen in. Snel.’ Jemig. Dit zag er helemaal niet goed uit. Zijn ademhaling ging moeizaam, de aderen in zijn hals waren gezwollen. Ze rende naar de achterbak van de jeep en sleurde er een aftands ogende, legergroene weekendtas uit. Loeizwaar belandde die met een doffe dreun in het stof, waardoor een wolk opsteeg. Ze ritste hem open. Een geur van vieze sokken en zonnebrandcrème sloeg haar in het gezicht. Ze klauwde door in een prop opgerolde T-shirts en jeans, shorts en zwembroeken. ‘Weet je zeker dat het hier in zit?’ riep ze. Koortsachtig begon ze dingen over haar hoofd naar achteren te gooien. Brieven. Een kluwen kabels. Boeken. Wie reisde met zoveel boeken? Niet alleen reisboeken, zoals Het Verborgen Bali. Maar ook een bloemlezing van Ezra Pound. En een moppenboek! ‘Paarse toilettas,’ zei hij. ‘Aha.’ Ze viste de rechthoekige tas eruit en ritste hem open. ‘Waar moet ik naar zoeken?’ 16
‘EpiPen,’ zei hij. ‘Doorzichtig buisje met een gele dop.’ De tas zat propvol reizigersspullen. Ze kieperde hem ondersteboven en schudde de inhoud eruit. Alles kletterde op de grond – tandenborstel, tandpasta, pleisters, potjes en tubetjes, zakjes nootjes uit het vliegtuig, wegwerpscheermesjes. Ertussen vond ze een plastic buisje met een apothekersetiket, waarvan ze vlug de instructies op de zijkant las. ‘Injecteer het, snel,’ zei hij. De bulten lieten zijn handen en gezicht opzwellen, en zijn lippen waren inmiddels blauw. ‘Jezus, steek dat ding er gewoon in.’ Vaag gebaarde hij naar zijn dijbeen. Ze trok de dop van het buisje en liet de injector eruit schuiven. Van de procedure stond haar in grote lijnen iets bij, omdat ze er iets over had geleerd op de koksopleiding tijdens een seminar over voedselallergieën. ‘Ik heb dit nog nooit gedaan.’ ‘Geen… hogere wiskunde.’ Met een kordaat knikje ging ze naast hem zitten en drukte de injector tegen zijn dijbeen. Ze moest hem scheef gehouden hebben, want er schoot een kort naaldje uit dat in de stof van zijn broek bleef hangen, waar er een beetje vloeistof uit spoot. ‘O, jee,’ zei ze. ‘Ik heb hem gebroken.’ ‘Pak de andere. Er moet… er nog een zijn.’ Ze probeerde niet in paniek te raken terwijl ze in de toilettas rommelde naar de andere injectiepen. Toen ze zich naar hem omdraaide voor de tweede poging, zag ze tot haar ontsteltenis dat hij zijn broek aan een kant naar beneden had gerukt om een uiterst mannelijk, gespierd dijbeen te ontbloten. Ongewild werd ze geconfronteerd met het feit dat hij geen ondergoed droeg. ‘Geef maar hier,’ bracht hij hijgend uit, waarna hij het buisje in zijn vuist klemde. Vervolgens, met een agressieve steekbeweging, ramde hij de injector in zijn blote dijbeen. Er klonk een hoorbare klik toen het geveerde naaldje eruit schoot. Isabel ging op haar hurken zitten en keek naar hem, terwijl de paniek langzaam wegebde. Ze had het gevoel alsof ze door een vracht17
wagen was aangereden, maar hij zag eruit alsof hij echt door een vrachtwagen was aangereden. Hij leunde op een arm, zijn broek op zijn knieën, waarvan een pijp achter de kniebrace was blijven haken. Een vlekkerige huiduitslag vormde zich op zijn wangen, de rug van zijn handen, zijn ontblote bil. ‘Gaat het weer een beetje?’ waagde ze te vragen. ‘Wat moeten we nu doen?’ Hij zei niets. Nog steeds staarde hij hijgend naar de stoffige grond. Toch kreeg hij langzaam maar zeker weer kleur op zijn gezicht. Zijn ademhaling begon regelmatiger te worden. Ze bleef maar naar hem staren, niet in staat zich te bewegen. Nu pas zag ze dat hij een klein gouden ringetje in een oor had. Verder had hij vrij lang, ongewassen blond haar. De mouwen van zijn zwarte T-shirt spanden om zijn biceps. Hoe had alles zo mis kunnen gaan vandaag? Nog maar heel kort geleden was ze enthousiast uit bed gesprongen, vol plannen voor de verbouwing van de haciënda tot de Bella Vista Kookschool. Nu zat ze midden in een veld met een halfnaakte man die eruitzag als een mislukt personage uit een Marvel Comics-film. Voorzichtig hees hij zichzelf overeind, waarna hij zonder blikken of blozen zijn broek omhoogtrok. ‘Ik voel me niet echt lekker,’ zei hij, net op het moment dat zij bedacht hoe lekker hij eruitzag. Ze zag drie angels in de rug van zijn hand zitten, die nu zo opgezwollen, was dat de knokkels verdwenen waren. ‘Heb je een pincet? Dan kan ik de angels eruit halen.’ ‘Geen pincet,’ mopperde hij. ‘Dan komt er meer gif vrij.’ ‘Stap in de auto,’ zei ze. ‘Ik rij wel.’ Ze was een paar minuten bezig om zijn spullen weer in de weekendtas te mikken. Er zaten een paar stevige hoezen tussen, waar waarschijnlijk een camera en laptop in zaten. Nog meer boeken zag ze, en verder scheerzeep en tandpasta in een tube met Arabische tekens op het etiket. En condooms – heel veel condooms. Een reiswekker met een fotolijstje aan een kant, waar een foto in zat van een donkerharige vrouw met een strak gezicht en grote sprekende ogen. 18