Skip to main content

Het juweel van Caïro - Muna Shehadi Inkijkexemplaar

Page 1

Vertaling Selma Soester


FSC English C021394 New MIX Paper Landscape BlackOnWhite

Voor het papieren boek is papier gebruikt dat onafhankelijk is gecertificeerd door FSC® om verantwoord bosbeheer te waarborgen. Kijk voor meer informatie op www.harpercollins.co.uk/green. HarperCollins is een imprint van Uitgeverij HarperCollins Holland, Amsterdam. Copyright © 2025 Muna Shehadi Sill Oorspronkelijke titel: The Jewel of Cairo Copyright Nederlandse vertaling: © 2025 HarperCollins Holland Vertaling: Selma Soester Omslagontwerp: Villa Grafica Omslagbeeld: © Shutterstock Zetwerk: Mat-Zet B.V. Druk: ScandBook UAB, Lithuania, met gebruik van 100% groene stroom isbn 978 94 027 1873 7 isbn 978 94 027 7591 4 (e-book) nur 302 Eerste druk januari 2026 Originele uitgave verschenen bij Headline Review, een imprint van Headline Publishing Group. The right of Muna Shehadi to be identified as the Author of the Work has been asserted by her in accordance with the Copyright, Designs and Patents Act 1988. HarperCollins Holland is een divisie van Harlequin Enterprises ULC. ® en ™ zijn handelsmerken die eigendom zijn van en gebruikt worden door de eigenaar van het handelsmerk en/of de licentienemer. Handelsmerken met ® zijn geregistreerd bij het United States Patent & Trademark Office en/of in andere landen. www.harpercollins.nl Elk ongeoorloofd gebruik van deze publicatie om generatieve kunstmatige-intelligentietechnologieën (AI-technologieën) te trainen is uitdrukkelijk verboden. De exclusieve rechten van de auteur en de uitgever worden hierbij niet beperkt. HarperCollins maakt tevens gebruik van de rechten onder Artikel 4(3) van de Digital Single Market Directive 2019/79 en het uitvoeren van tekst- en datamining op deze publicatie is niet toegestaan. Niets uit deze uitgave mag openbaar worden gemaakt door middel van druk, fotokopie, internet of op welke andere wijze dan ook zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de uitgever. Alle in dit verhaal voorkomende personen zijn ontleend aan de fantasie van de schrijver. Elke gelijkenis met bestaande personen berust op toeval.


Proloog

In juli 1915 neemt Ibrahim Sayed, een schatrijke juwelier uit Caïro, contact op met het juweliershuis Fabergé in Sint-Petersburg in Rusland om een met edelstenen bezet ei te laten vervaardigen, zoals de beroemde eieren die met tsaar Alexander iii en tsaar Nicolaas ii worden geassocieerd. Het moet een cadeau worden voor zijn Griekse vrouw Cora voor hun tiende trouwdag. Hij geeft opdracht om het ei te laten ontwerpen door Alma Pihl, de enige vrouw die ooit een van de keizerlijke eieren heeft gemaakt. Ibrahim wil dat het ei in een kunstvoorwerp past dat hij al in zijn bezit heeft, een koets in de stijl van Apollo’s triomfwagen, dat hij heeft laten maken door een jonge juwelier op het Griekse eiland Kreta. In de voet van de koets bevindt zich een geheim vakje waarin hij de verlovingsring van zijn vrouw had verstopt toen hij haar ten huwelijk vroeg. Hij wil dat de sleutel van dit geheime compartiment verstopt wordt in het binnenste van het ei. Fabergé neemt de opdracht aan en Alma ontwerpt een ei waarin ze Egyptische elementen verwerkt, met een vorm en versieringen die passen bij die van de koets. Wanneer je aan de met edelstenen bezette geëmailleerde valk op de bovenkant draait, vouwt het ei open als de blaadjes van een lotusbloem en onthult het een piepkleine koning en koningin in geëmailleerde gewaden met de traditionele kronen van de farao’s. De koningin heeft een boeket van robijnrode rozen in haar handen, de koning een rijkelijk versierde scepter die op vernuftige wijze is vervaardigd van de sleutel van het verborgen laatje in de koets. Wanneer het ei in 1916 door een afgevaardigde van het Huis van Fabergé naar Caïro wordt gebracht, is Ibrahim verrukt. Op hun trouwdag neemt hij zijn vrouw mee, weg uit de hitte van Caïro, naar El Alamein aan de Middellandse Zeekust voor een feestmaaltijd die hij heeft geregeld in een privétent, met de flappen opengeslagen om de zilte bries binnen te laten. Wanneer de maaltijd 9


bijna voorbij is, haalt hij het ei tevoorschijn. Voor mijn koningin, zegt hij, barstend van opwinding. En met een buiging overhandigt hij haar het doosje. Cora lacht koket en woelt liefdevol door zijn haar, waarna ze hem beschuldigt van vleierij. Wanneer ze het geschenk uitpakt, is ze verbluft en diep geraakt door de schoonheid van het ei. Dan zegt ze plagend dat ze zoiets extravagants niet verdient en ze doet alsof ze boos op hem is. Hij ziet dat ze betoverd is door het geschenk, en die nacht bedrijven ze de liefde met meer passie dan gewoonlijk. Tot oneindig verdriet van zijn toegewijde vrouw overlijdt Ibrahim in 1934 op drieënvijftigjarige leeftijd. Tientallen jaren later geeft Cora het ei en de koets op haar eigen sterfbed aan hun zoon Fadil, die samen met zijn vrouw Leila het juweliersbedrijf van de familie Sayed heeft overgenomen. Ze vertrouwt hem ook het geheim van het geheime vakje in de koets en het unieke sleuteltje toe. Tot hun grote verdriet kunnen Fadil en Leila maar één kind verwekken, Sami, het licht van zijn moeders leven, de wanhoop van dat van zijn vader. Sami is charmant, knap, lui, opportunistisch, en hij deinst er niet voor terug om als een kameleon tussen verschillende geloofsovertuigingen en waarden te laveren om te krijgen wat hij wil. Fadil is vaak vertwijfeld bij het vooruitzicht de zaak te moeten nalaten aan een Sayed die het familiebedrijf niet waardeert. Maar in 1951, wanneer Sami een tiener is, betreedt de beeldschone prinses Fawzia, lid van de Egyptische koninklijke familie, de winkel om opdracht te geven tot het maken van een halsketting. Sami is onmiddellijk smoorverliefd, en Fadil geeft zijn zoon schoorvoetend de kans om de ketting voor haar te ontwerpen. Sami maakt een tekening die zoveel elegantie en schoonheid bezit dat de trotse Fadil hem de opdracht geeft, opgelucht dat zijn zoon eindelijk een echte Sayed is geworden. In januari 1952, tijdens de opstand tegen de Britse overheersing en iedereen die daarvan profiteert, worden Fadil en Leila op tragische wijze gedood wanneer ze hun winkel tegen plunderaars en brandstichters proberen te beschermen. De schitterende halsketting, die klaarligt om bij prinses Fawzia te worden afgeleverd, verdwijnt, waarschijnlijk gestolen. Op zijn zeventiende is Sami gedwongen zijn onbezorgde leventje vaarwel te zeggen en het bedrijf over te nemen. Hij komt nooit achter het geheim van de koets. 10


Hoofdstuk 1

Vrijdag 9 april 1976 Lilianne Maxwell baande zich met doelbewuste stappen een weg door de menigte op Tahrir Square in Caïro. Gedurende de maand dat ze in Egypte was, werd ze constant begeleid door collega’s die volhielden dat buitenlandse vrouwen niet in hun eentje op pad mochten gaan. Ontbijt, lunch en diner, ochtenden, middagen, avonden. Geen moment was heilig voor de binnenstromende uitnodigingen, van haar vaders vrienden in diplomatieke of bedrijfsmatige kringen, van hooggeplaatste medewerkers van de nationale bank van Caïro, van functionarissen van de Egyptische overheid die aasden op de betrokkenheid van Amerikaanse bedrijven, zelfs van het gezin aan de andere kant van de gang in de flat waar ze verbleef. De Egyptische gastvrijheid was legendarisch. Maar vandaag, een heerlijke vrijdagmiddag waarop de stad haar net zo luid toeriep als haar zwerflust, had Lilianne alle uitnodigingen afgeslagen en was het haar gelukt naar buiten te glippen, euforisch omdat ze eindelijk alleen was. Maar die euforie duurde niet lang. Liliannes genen hadden haar moeders Egyptische bloed hardnekkig genegeerd ten gunste van haar vaders Angelsaksische huid – en haarkleur. Ergens in haar moeders bloedlijn moest een Abdallah met een Viking zijn getrouwd. Overal waar ze liep trok ze mannelijke aandacht met haar lange blonde verschijning, zelfs wanneer ze conservatief gekleed ging in het beige linnen broekpak dat ze naar het werk droeg en een donkere zonnebril op haar neus om oogcontact te vermijden. Haar overduidelijk uitheemse uiterlijk maakte haar tot een makkelijk doelwit voor mensen die fervent sieraden en souvenirs probeerden te verkopen. Ze liep door de vertrouwde chaos van Caïro en tussen de zwartstenen leeuwen door die de toegang naar de Qasr el Nil Bridge bewaakten. Auto’s toeter11


den onophoudelijk in het drukke verkeer terwijl de chauffeurs zich in allerlei bochten wrongen en manoeuvreerden om ruimte te krijgen terwijl ze rijstroken, verkeersborden en stoplichten negeerden in een aaneengeregen reeks bijna-ongelukken waar zelfs een New Yorkse taxichauffeur van zou verschieten. Een bus reed langzaam voorbij, zo volgestouwd dat een stuk of tien mannen op het achterbordes half uit het rijtuig moesten hangen om erin te passen. Terwijl de bus voorbijreed kwamen er nog twee mannen aanrennen om de uitgestoken handen vast te grijpen die hen omhooghesen en ergens steun te zoeken voor hun voeten. Lilianne negeerde de gebruikelijke opmerkingen en avances van de voornamelijk mannelijke buspassagiers en liep verder over de brug. Halverwege bleef ze stilstaan om naar de rivier te staren, de levensader van het land. Toen ze in Caïro aankwam, had ze de vruchtbare vallei van de Nijl door haar vliegtuigraampje gezien. Hij leek op een smalle groene stengel die door de bruine woestijn slingerde en uiteindelijk als een bloem uitwaaierde tot de delta die uitkwam in de Middellandse Zee. Hier op de grond was de rivier breed en prachtig, met zeilboten en binnenvaartschepen die langs de vele appartementen, paleizen en hotels voeren die op de oevers stonden. De helft van Lilianne hoorde hier thuis. Haar moeder, die in Caïro was geboren, was op haar achttiende uit de wurgende greep van de stad ontsnapt en had deze verruild voor de relatieve vrijheid en tolerantie van de Verenigde Staten, een beslissing die een volledige breuk met haar afkeurende familie veroorzaakte. Ergens in deze overvolle, buitengewone miljoenenstad woonden vreemden met wie ze nauw verwant was. Grootouders, ooms, neven en nichten… Een man bleef naast haar stilstaan en complimenteerde haar in gebroken Engels met haar lichte huidskleur. Een groepje grijnzende tieners blokkeerde haar ontsnappingsroute om haar kralen aan te bieden met het bijbehorende: ‘Speciale prijs voor u, mooie dame.’ Lilianne wimpelde hen in vloeiend Arabisch af, drong zich langs hen en liep verder. Harteloos, maar er waren zoveel mensen die iets nodig hadden, en er was er maar één versie van haar. Aan de andere kant van de brug lag de wijk Zamalek, gelegen op een eiland dat de Nijl in tweeën splitste en waar ambassades, winkels, restaurants, tui12


nen, sportvelden en de toren van Caïro gevestigd waren. Die laatste was een hoge, fallische toren, versierd met een opengewerkt stenen traliewerk in de vorm van een lotusbloem, in de jaren vijftig gebouwd door de toenmalige president Gamal Abdel Nasser als een symbool van Egyptische trots. Boven in de toren werd Lilianne niet alleen beloond met een moment van rust na voortdurend te zijn lastiggevallen, maar ook met een adembenemend uitzicht op de wijk, die doormidden werd gesneden door de glinsterende rivier en zich uitstrekte tot aan de piramides in de verte. Aan de horizon was de gekartelde rand van minaretten zichtbaar die vijf keer per dag de adhan uitzonden, de oproep tot het gebed. Een fascinerende combinatie van oeroud, middeleeuws en modern, die zich uitstrekte tot in de wazige eeuwigheid. Haar blik gleed in de richting van Shubra, waar haar moeder, Dina Abdallah, was opgegroeid. Lilianne had de Abdallahs nog niet laten weten dat ze in de stad was. Haar moeder had het doen klinken alsof Lilianne geen moment meer voor zichzelf zou hebben zodra ze contact met hen had opgenomen. En dat niet alleen; ze zouden alles wat ze was geworden en alles wat ze had gedaan afkeuren en proberen haar te veranderen. Oké, haar moeder had een bepaalde zienswijze, maar sinds haar afstuderen was Lilianne fel onafhankelijk geweest, en het vooruitzicht om verstrikt te raken in het kleverige web van een familie die ze nauwelijks kende trok haar niet aan. Maar nu ze uitkeek op de wijk waar ze woonden, kon ze zichzelf er niet van weerhouden om na te denken over haar grootouders, Zahra en Braheem, over mama’s broers, Khaled en Ramy, die Lilianne allemaal alleen maar op schoorvoetend gedeelde zwart-witfoto’s uit haar moeders fotoalbum had gezien. De afgelopen maand waren er momenten geweest waarop Lilianne het gevoel had dat ze haar bloedverwanten kon voelen, als fantoomledematen die haar herinnerden aan wat ze zou moeten hebben, maar wat er niet was. Ze zou moeten bellen. Had ze het maar niet zo druk… Weer op straatniveau aanbeland liep Lilianne met grote passen door de Al Zohriya Garden. Ze verlangde ernaar om rustig aan te doen en te genieten van de groene oase waar Egyptische families tijd doorbrachten om te ontsnappen aan beton en lawaai. Maar net als een haai moest ze blijven bewegen om te 13


voorkomen dat ze zou verdrinken in de zuigende turbulentie van mannen en straatventers. Met haar beste laat-me-met-rust-uitdrukking op haar gezicht passeerde ze het terrein van de sportclub van Zamalek en liep in de richting van het elegante Omar Khayyam Hotel, een van de oudste in de stad, een paleis dat in 1869 was gebouwd door kedive Isma’il Pasha van Egypte, die als leider weinig zou hebben voorgesteld. Het gebouw lonkte als een toevluchtsoord na de overstimulatie van de stad, een plek waar Lilianne van een drankje kon nippen en zich lekker kon laten negeren. Het Omar Khayyam was een fata morgana van steen aan de rand van de Nijl, een schitterende combinatie van Arabische en Europese invloeden. Gebeeldhouwd marmer en traliewerken van hout, hangende metalen lantaarns en kristallen kroonluchters, oosterse tapijten en decoratieve plafonds, meubilair en schilderijen in Franse empirestijl, een stijl die symptomatisch is voor een land dat een eigen identiteit probeert te creëren na tientallen jaren gekoloniseerd te zijn geweest. In de elegante bar liet Lilianne zich op een stoel zakken. Ze ademde de stilte in en bestelde een Schotse whisky en een exemplaar van de International Herald Tribune. Naast het drankje en de krant bracht de ober nog een schoteltje olijven, een schaaltje labneh en het onvermijdelijke baladi-brood, een dikkere versie van pitabrood, dat elke dag in elke wijk van de stad vers vanaf ezelskarren werd verkocht voor door de overheid gesubsidieerde prijzen. Terwijl ze van haar whisky nipte en stukjes baladi afscheurde om de verslavende combinatie van zilte olijven en romige, friszure labneh op te scheppen, gleed haar blik over de krantenkoppen. Brand in een winkelcentrum in Maleisië, de start van de nfl-selectie in de Verenigde Staten, een gezonken vrachtschip voor de kust van Griekenland. Ze keek op toen iemand zijn keel schraapte. Twee tafeltjes verderop zat een man, in een duur bruin linnen pak met een wit overhemd en een zijden stropdas met paisleymotief, verdiept in net zo’n krant als die zij aan het lezen was. Zijn dikke haar was keurig gekamd, zijn huid diepgoud met permanente middagstoppeltjes die te donker waren om onzichtbaar te zijn. Heel aantrekkelijk. Net toen Lilianne haar ogen wilde afwenden, ving hij haar blik op. Ze verstijf14


de, maar hij glimlachte alleen maar. Toen knikte hij haar groetend toe en richtte hij zijn aandacht weer op zijn krant. Opgelucht las Lilianne haar krant uit terwijl ze haar hapjes opat, waarna ze haar rekening betaalde en de door palmen geflankeerde binnentuin van het hotel in liep. Ze woog de ergernis van lastiggevallen worden als ze weer naar buiten zou gaan af tegen het aangename vooruitzicht om een nieuwe buurt te verkennen. Terwijl ze besluiteloos in de tuin stond, vulde de oproep tot het avondgebed – de maghrib – de lucht, gedomineerd door een nabijgelegen moskee waarvan het geluid de tientallen oproepen tot het gebed van moskeeën in de hele stad overstemde. Het was een betoverende kakofonie die zoals altijd een emotionele reactie bij Lilianne opriep. Ze leunde tegen een marmeren pilaar, sloot haar ogen en liet de hypnotiserende exotische klanken door zich heen spoelen. Allah is de grootste. Allah is de grootste. Ik getuig dat er geen andere god is dan Allah. Ik getuig dat Mohammed Zijn gezant is. Komt tot het gebed, komt tot voorspoed. Allah is de grootste, Allah is de grootste. Er is geen god behalve Allah. Toen de laatste echo wegstierf, ontwaakte Lilianne uit haar roes en bestudeerde ze haar kaart van de stad. Ze voelde zich een beetje licht in haar hoofd, alsof de oproep een boodschap voor haar uitdroeg, net als voor de gelovigen. Ze zou gaan lopen, al liep ze het risico dat ze van zich af zou moeten bijten. ‘Kan ik u misschien ergens mee van dienst zijn?’ De woorden werden uitgesproken in het perfect gearticuleerde Engels dat kenmerkend was voor buitenlandse sprekers. Lilianne keek in de donkere ogen van de man die vlak bij haar in de bar had gezeten. Was hij haar gevolgd of was dit toeval? ‘Dank u.’ Ze glimlachte gespannen. ‘Ik wil Zamalek graag verkennen, maar ik weet niet precies wat de beste route is.’ ‘Met uw toestemming zou ik met alle genoegen uw gids en begeleider willen zijn. Zamalek is veiliger dan sommige delen van de stad, maar het kan voor vrouwen lastig zijn om in hun eentje door Caïro te lopen.’ ‘Dat heb ik gemerkt.’ ‘Toch loopt u hier alleen rond.’ Er verschenen rimpeltjes rond zijn ogen toen 15


hij glimlachte. Hij had de houding van iemand die wist dat hij aantrekkelijk was, hoewel hij op respectvolle afstand bleef staan en het oogcontact geen spoortje bevatte van het taxerende ‘hoe vind ik een ingang’ van een roofdier. Lilianne schatte dat hij zo’n tien jaar ouder was dan zij en dus een jaar of veertig moest zijn. ‘Heel dapper.’ ‘Dapper en dwaas komen vaak op hetzelfde neer.’ ‘Vergeef me dat ik me nog niet heb voorgesteld. Ik ben Sami Sayed, derde generatie eigenaar van de juwelierszaak aan Brazil Street, hier in Zamalek. De Sayeds zijn een oude en zeer gerespecteerde familie uit Caïro. Mijn moeder heeft me goede manieren en respect voor vrouwen bijgebracht. Beide staan tot uw beschikking.’ Hij klikte met zijn hakken en maakte een lichte buiging, een ouderwets gebaar waarvan ze gecharmeerd was. Lilianne had gehoord – en ervaren – dat Egyptenaren uitzonderlijk vriendelijk, gastvrij en grootmoedig tegen zowel vrienden als vreemden waren. In New York zou een voorstel van een man om een vrouw te begeleiden vol argwaan worden afgewezen. Hier was het gebaar meer routinematige hoffelijkheid. Ze vouwde haar stadskaart op en besefte de ironie van het feit dat ze met iemand samen moest zijn om zich onafhankelijk te voelen. ‘Dank u, Mr Sayed. Dat is vriendelijk aangeboden.’ ‘Het is me een genoegen.’ Hij stak zijn hand uit. ‘Noem me alsjeblieft Sami.’ ‘Lilianne Maxwell.’ Zijn handdruk, kort en stevig, beviel haar. ‘Noem me alsjeblieft Lilianne.’ ‘Prettig je te ontmoeten, Lilianne.’ Hij maakte een sierlijk gebaar met zijn arm naar de straat. ‘Et fadaleh.’ ‘Dank je.’ ‘Spreek je Arabisch?’ ‘Een beetje.’ De leugen rolde makkelijk van haar lippen toen haar ingebakken zelfbescherming in werking trad. Hoe minder hij van haar wist, hoe beter. Ze had al sinds de middelbare school Arabische les gevolgd, om het erfgoed te eren dat haar moeder zo verwoed probeerde te ontkennen, en ze vond zelf dat ze de taal redelijk goed beheerste. ‘Wat brengt je naar Caïro, Lilianne?’ 16


‘Ik ben hier voor mijn werk.’ ‘Wat doe je voor werk?’ ‘Ik ben senior analist bij een Amerikaanse investeringsmaatschappij.’ Haar vaders bedrijf, Maxwell Investments. Sami’s wenkbrauwen stegen bijna boven zijn voorhoofd uit. ‘Senior analist. Indrukwekkend.’ Als ze een man was geweest zou hij geen spier hebben vertrokken. ‘En jij hebt een juwelierszaak.’ ‘Ja, ik bezit de winkel, en de winkel bezit mij. Ik ben in een appartement erboven opgegroeid, net als mijn ouders en hun ouders. Onze familie moet altijd in de buurt van de edelstenen zijn.’ Een verbitterde ondertoon in zijn stem maakte haar duidelijk dat er dingen waren die hij niet vertelde, maar ze zei er niets over terwijl ze via de 26 July Corridor in de richting van de Nijl liepen en uitkwamen bij een indrukwekkend stenen gebouw. Sami vertelde haar dat het ooit de residentie was van Aisha Fahmy, de zus van Ali Fahmy, die het paleis had gebouwd en er woonde tot hij in 1923 werd vermoord door zijn vrouw, een voormalige courtisane uit Parijs. Een schandaal! Ernaast stond een schitterend neogotisch landhuis dat in het begin van de eeuw was gebouwd door een Fransman en waar tegenwoordig de Venezolaanse ambassade was gevestigd. ‘Veel van de oude paleizen langs de Nijl zijn nu ambassades. Ze bezorgen ons eilandje heel wat flair.’ Hij pakte haar bij de elleboog om de straat over te steken, want dat was hier een kwestie van de rijweg op stappen en hopen dat je niet werd doodgereden door de onophoudelijke stroom auto’s. Lilianne liet zijn aanraking toe, maar ze was blij dat hij haar weer losliet zodra ze veilig aan de overkant op de stoep stonden. ‘Heb je Caïro nooit verlaten? Voor school, of misschien om sieraden te kopen?’ ‘Ik ben wel op zoek geweest naar mooie edelstenen en goede deals, maar om te wonen? Als je het mijn ouders zou vragen, dan zouden ze zeggen dat je net zo goed aan Adam en Eva zou kunnen vragen of ze het paradijs wilden verlaten.’ Hij knipoogde. ‘Ik heb grote plannen voor later, inshallah – bij Gods gratie. Ik zou graag meer willen reizen en minder aan de winkel gebonden willen zijn. 17


Voor nu is het een goed leven, een eerbaar leven op een goed moment voor ons land. O, dit moet je proeven.’ Hij bleef staan bij een kar waar op houtskool geroosterde zoete aardappelen werden verkocht en kocht er eentje, na plichtmatig met de man te hebben gesteggeld over de prijs, die Lilianne heel schappelijk in de oren klonk. Sami overhandigde haar de dampende aardappel, waar twee vorken in waren gestoken zodat ze konden delen. Het oranje vruchtvlees was rokerig, zacht en zoet. ‘Lekker?’ ‘Heerlijk.’ Ze nam een tweede hap om haar goedkeuring te tonen. ‘Waar zou je naartoe gaan als je hier weg zou gaan?’ ‘O, dat is makkelijk. Eerst naar Parijs. De stad van licht en liefde.’ Lilianne stopte met eten, overvallen door een vlaag van heimwee. Ze had net twee van de beste jaren van haar leven in Parijs doorgebracht, waar ze de laatste maanden was omringd door drie mensen die haar dierbaarder waren geworden dan ieder ander die ze ooit had gekend. Connie Pappas, kleurrijk bloemenkind, die nog steeds in Parijs was, wat gezien haar zwerflustige aard vast niet lang meer zou duren. Helen Kenyon, verlegen, beschermd opgevoed in het Midden-Westen, die zienderogen opbloeide tijdens haar veel te korte verblijf in Frankrijk. Lilianne en zij waren vol rancune uit elkaar gegaan vanwege de knappe, briljante fotojournalist Gilles Aubert, op wie Helen smoorverliefd was geworden, en hij op haar. Helens laffe besluit om terug te keren naar haar voormalige verloofde in Kansas maakte een ruw einde aan wat een happy end had moeten worden. Connie had filosofisch gereageerd. Lilianne was woedend geworden. Helen en Gilles samen zien, de vanzelfsprekende manier waarop ze elkaar aanvulden, het plezier dat ze samen hadden, had Lilianne eindelijk een idee gegeven van hoe romantische liefde kon zijn. Daarvoor had het concept rommelig, ingewikkeld en onnodig geleken. ‘Daar woonde ik voordat ik naar Caïro kwam.’ ‘Ik benijd je.’ Sami gaf een klopje op zijn hart. ‘Zo’n prachtige plek. Zo beschaafd. Alles wat Egypte zou moeten zijn, maar wat het net niet voor elkaar kan krijgen.’ ‘Waarom denk je dat dat zo is?’ Hij wierp haar een blik toe. ‘Egyptenaren.’ 18


Ze wandelden verder. Met Sami aan haar zijde kon Lilianne eindelijk rustig om zich heen kijken. Zamalek was, net als een groot deel van Caïro, een combinatie van oud en nieuw, van rijk en arm. Overal om zich heen zag ze herinneringen aan de oude stad, deuren met ingewikkeld houtsnijwerk waarvan er een aantal half openstond, zodat je de stenen binnentuinen erachter kon zien, sommige met gigantische decoratieve lampen die klaarhingen om de ingang te verlichten. Hier en daar kruiste een zwerfkat – de duiven van Caïro – hun pad. En overal was eten! Opgevoerde koffiehuizen waar diplomaten lunchten naast fruitkarren en kramen waar friet, falafel en in siroop gedrenkte gefrituurde deegballetjes werden verkocht. De straten werden gedomineerd door mannen, in groepjes of alleen, maar er waren ook vrouwen, in groepjes of samen met mannen, bijna allemaal in jeans of andere westerse kleding. Onder hen bevond zich een gezonde mix van buitenlanders, waarschijnlijk ambassademedewerkers en toeristen uit de hele wereld, die in dezelfde stad rondliepen waar Egyptenaren al sinds millennia voor het begin van de jaartelling hadden rondgelopen. Een gedachte die tot nederigheid stemde. Overal werden ze als oude vrienden begroet. Mannen maakten grapjes met Sami en heetten Lilianne welkom in Egypte, in Caïro. Winkeliers lieten haar uitgebreid proeven van hun waren en vroegen wat ze van hun land en stad vond. De straat voelde aan als een gemeenschap waar ze deel van was gaan uitmaken, alleen maar door er te zijn. Dit was precies wat ze in gedachten had toen ze die middag zo naïef het kantoor verliet – de stad voelen buiten de zorgvuldig geplande uitstapjes om die ze sinds haar komst had gemaakt. Sami’s lesjes over de geschiedenis van Zamalek, dat eerst bewoond werd door koninklijke paleismedewerkers en daarna geleidelijk was overgenomen en gerenoveerd door de rijken van de stad, werden regelmatig onderbroken door het eten van gerechten waarvan Sami absoluut vond dat Lilianne ze moest proeven bij wat volgens hem de beste eettentjes van de buurt waren. Koshary, het nationale gerecht van Egypte, bestond uit gekruide rijst, pasta en linzen, overgoten met tomatensaus en bestrooid met kikkererwten en krokant gebakken uitjes, met als finishing touch wat knoflookazijn voor een fantastische mix van smaken, temperaturen en structuren. Ta’ameya, Egyptische fala19


fel die in plaats van met kikkererwten met tuinbonen werd gemaakt, in baladi-brood met tomaat, augurk, komkommer, ui en peterselie, bedekt met een laagje romige tahinsaus. Toen Liliannes maag op ontploffen stond, stond Sami erop dat ze feteer meshaltet probeerde, een Egyptisch bladerdeeggebakje dat bekendstond om zijn verfijnde, schilferige textuur en volle, boterachtige smaak. Aangezien het in Egypte over een paar uur al tijd was voor het diner, was Lilianne blij dat ze deze avond voor zichzelf had gereserveerd. ‘Hoe voorkomen Egyptenaren dat ze te dik worden? Ik zie mensen de hele dag eten.’ ‘Dat is niet zo moeilijk. De rijken blijven dun om hun status te behouden, de middenklasse blijft dun om rijk te lijken, en de armen hebben niet genoeg te eten.’ Lilianne nam het laatste hapje van de zoete lekkernij dat haar maag kon verdragen. ‘Daar komt ongetwijfeld meer bij kijken.’ ‘We hebben een gezond voedingspatroon. Veel beter dan Amerikanen, die volgens mij alleen maar hotdogs en patat eten. Kijk daar maar, en daar, en daar.’ Hij wees naar twee kraampjes en een kar, elk afgeladen met meloenen en aardbeien. Strengen met bananen bungelden aan het plafond en Lilianne zag sinaasappelen, druiven, dadels en nog wat andere vruchten die ze niet herkende. ‘Wij eten groenten en vers fruit. En wát voor fruit! Wacht maar tot de zomer en het najaar, dan zijn er drie keer zoveel soorten.’ ‘Mijn moeder zegt altijd voor de grap dat als je in New York iemand eindeloos wilt laten doorpraten, je een Egyptische taxichauffeur moet vragen waar de beste druiven te koop zijn.’ ‘O ja?’ Sami knikte naar een man die hem vanaf de overkant groette. ‘En hoe weet je moeder dat?’ ‘Ze is Egyptisch.’ Hij bleef stilstaan en zijn ogen gingen nog wijder open dan toen Lilianne verkondigde dat ze bankier was. ‘Dat meen je niet.’ Hij wees naar haar haar. ‘Je vader moet een, hoe heet dat… als iemand helemaal wit is?’ ‘Een albino? Nee.’ 20


‘Waarom heb je me dat niet eerder verteld?’ ‘Omdat “Hoi, ik ben Lilianne, ik ben half Egyptisch” een rare manier is om mezelf voor te stellen?’ ‘Half Egyptisch!’ Hij gaf een klap op zijn dijbeen. ‘Dan zijn we broer en zus.’ Ze haalde haar schouders op en glimlachte, blij dat ze zich door hem had laten rondleiden. ‘Wie weet.’ Een zwarte auto met getinte ramen minderde snelheid en stopte vlak naast hen op de smalle weg. Het achterraampje ging naar beneden en onthulde een man van middelbare leeftijd die niet rechtop kon zitten vanwege zijn enorme buik. Zijn pafferige, met sproeten overdekte hand werd uit de auto gestoken, gevolgd door een zachte, schorre stem. ‘Sami Sayed.’ Een personage regelrecht uit een Egyptische maffiafilm. Sami greep de uitgestoken hand beet. ‘Abraam Al-Kalib, al salamu alaykum.’ ‘Wa alaykum al salam. Een vriendin van me heeft een halsketting die gerepareerd moet worden. Een oud familie-erfstuk.’ ‘Ik voel me vereerd. Laat haar alstublieft in mijn winkel langskomen wanneer het uitkomt. Ik ben altijd open voor u en uw vrienden.’ Sami maakte weer die lichte buiging en wilde zijn hand terugtrekken, maar de vlezige vingers van de man verstrakten blijkbaar, want hij gaf zijn poging op. De bestuurder van de auto achter hen toeterde geërgerd omdat hij niet verder kon. Al-Kalibs reusachtige chauffeur stapte uit, sloeg zijn brede armen over elkaar en keek dreigend naar de bestuurder. Het getoeter hield op. En cut! Dat staat erop! Goed gedaan, allemaal! ‘Hoe gaan de zaken, Sami?’ Al-Kalibs ogen stonden berekenend en kil. ‘Heel goed, Alhamdulillah.’ ‘Laten we dan maar hopen dat het zo blijft.’ Lilianne haalde scherp adem. Ze verbeeldde zich het dreigement in die zacht uitgesproken woorden niet. Fascinerend. Sami trok wit weg. ‘Ja, ja, inshallah.’ De vingers ontspanden zich. Het raampje werd weer dichtgedraaid. De chauffeur maakte zijn armen los van zijn mannelijke borst, stapte in de auto en reed verder. 21


Lilianne wierp een blik op Sami, die zijn manchet rechttrok en er lichtelijk ontdaan uitzag. Zat hij in de problemen? Maffiaproblemen? Een woekeraar? Allebei? ‘Wie was dat?’ Hij had zijn volle lippen op elkaar geknepen. ‘Een van de machtigste mannen in Caïro.’ ‘Hij lijkt me niet iemand met wie je ruzie wilt hebben.’ ‘Wie wel? We steken hier over.’ Sami stapte nonchalant de weg op, vlak voor een auto die zonder enig vertoon van ergernis van de bestuurder afremde. Ze volgde zijn voorbeeld, zowel wat betrof het oversteken van de straat als het verder zwijgen over de man in de zwarte auto. ‘Mensen worden hier vast regelmatig van hun sokken gereden.’ ‘Minder vaak dan je denkt.’ Sami liep op de goudglanzende gevel van een winkel af en deed de deur open waarin zijn familienaam met sierlijke letters in het glazen paneel was gegraveerd. ‘Ahlan wa sahlan, welkom bij Sayeds, de juwelier van de gewone man, de middenstand, rijken en lieden van koninklijken bloede. Kom binnen.’ Ze liep naar binnen en knikte naar een somber ogende jonge man met een donkere huid die verveeld achter de toonbank stond. Hij schoot geschrokken in de houding toen hij zag wie haar escorte was. ‘Bedankt dat je op de zaak hebt gepast terwijl ik weg was, Youssef,’ zei Sami in het Arabisch. ‘Je mag weer verder met je werk.’ Youssef knikte en verdween ergens achter in de winkel. ‘Je assistent?’ ‘Een talentvolle jonge man. Ik maak de ontwerpen nog steeds zelf, maar hij heeft veel van het daadwerkelijke vakmanschap overgenomen. Mijn ogen zijn niet meer wat ze waren toen ik twintig was. Hetzelfde geldt voor mijn geduld.’ ‘Je winkel is prachtig.’ Dat was geen vleierij. Dit was een wereld van verschil met het toeristenspul dat in het centrum werd verkocht en waar de planken volgepakt stonden met vergulde bustes van koning Toetanchamon en koningin Hatsjepsoet, en de hele winkel volhing met gouden armbanden en dikke rijen halskettingen. De sieraden in Sami’s winkel straalden een duidelijke loyaliteit aan Egypte uit, waarbij goud, de levendige kleuren van lapis lazuli, groene smaragden en glanzende parels de boventoon voerden in traditionele 22


symbolen zoals ankhs, scarabeeën, lotusbloemen, valken en slangen. Maar deze stukken waren vertaald naar modernere tijden, met sierlijke lijnen die nog slechts vaag op de oorspronkelijke vormen leken, of asymmetrische versies van het oude uiterlijk. Een set armbanden met ongebruikelijke gebogen lijnen die een serie overlappende cirkels op de arm van de drager vormden. Een ketting met daaraan een scarabee van lapis lazuli met uitgestrekte gouden pootjes, versmolten met een kronkelig gouden frame. Een broche van lotusbloemen in verschillende tinten turkoois, met elkaar verstrengeld tot een glinsterend boeket. ‘Dank je. Veel van de stukken zijn mijn eigen werk.’ ‘Ik ben onder de indruk.’ Sami boog zich samenzweerderig naar haar toe, hoewel ze alleen in de winkel waren. Lilianne werd weer getroffen door zijn schoonheid: diep gelegen, nagenoeg zwarte ogen met lange wimpers onder keurig getrimde wenkbrauwen, een hoog voorhoofd en delicate jukbeenderen, en een lange neus met een scherpe brug. Zijn aftershave was verfijnd en subtiel, zijn kleding zat als gegoten. Een bijzonder aantrekkelijke man. Trouw aan haar aard voelde ze niets. Geen interesse, geen chemie, geen seksuele nieuwsgierigheid. Niets. Een beschamende en tragische tekortkoming die ze nog maar aan één persoon had bekend, wat er een te veel bleek te zijn. ‘Ik heb ooit een ketting ontworpen voor een Egyptische prinses. Fawzia, de dochter van koning Fuad en koningin Nazli. Het mooiste stuk dat ik ooit heb ontworpen.’ Zijn ogen glansden van trots. ‘Ik was zestien en werd halsoverkop verliefd op haar zodra ze onze winkel binnenliep. Ik smeekte mijn vader mij een ontwerp te laten maken. Uit de goedheid van zijn hart gaf hij me de kans om het te proberen, hoewel hij niet van plan was mijn werk te kiezen. Ik werkte me wekenlang in het zweet. Een kantachtig patroon van diamanten in de vorm van de Egyptische halsketting die vroeger door leden van het koninklijk huis werd gedragen, in een kleinere uitvoering die bij haar prachtige hals paste. Mijn vader kon niet geloven wat ik had gemaakt, en ik kon niet geloven dat hij mijn ontwerp koos voor Fawzia. Ik ben nog nooit zo trots geweest als toen.’ ‘Ze vond hem vast schitterend.’ 23


Turn static files into dynamic content formats.

Create a flipbook
Het juweel van Caïro - Muna Shehadi Inkijkexemplaar by HarperCollins Holland - Issuu