




Vertaling Henske Marsman
Voor het papieren boek is papier gebruikt dat onafhankelijk is gecertificeerd door FSC® om verantwoord bosbeheer te waarborgen.
Kijk voor meer informatie op www.harpercollins.co.uk/green.
HarperCollins is een imprint van Uitgeverij HarperCollins Holland, Amsterdam.
Copyright © 2025 Louisa Scarr
Oorspronkelijke titel: Memorial Park
Copyright Nederlandse vertaling: © 2026 HarperCollins Holland
Vertaling: Ingrid Zweedijk
Omslagontwerp: Villa Grafica
Omslagbeeld: © Silas Manhood / Trevillion Images
Foto auteur: © James Robinson
Zetwerk: Crius Group, Hulshout
Druk: ScandBook UAB, Lithuania, met gebruik van 100% groene stroom
isbn 978 94 027 1942 0
isbn 978 94 027 7685 0 (e-book)
nur 330
Eerste druk maart 2026
Originele uitgave verschenen bij Canelo, London.
Het motto (pagina 7) komt uit de vertaling van De Storm van Shakespeare van Frank Albers (2013, voor uitvoering door Het Nationale Toneel).
The moral right of Louisa Scarr to be identified as the creator of this work has been asserted in accordance with the Copyright, Designs and Patents Act, 1988.
HarperCollins Holland is een divisie van Harlequin Enterprises ULC. ® en ™ zijn handelsmerken die eigendom zijn van en gebruikt worden door de eigenaar van het handelsmerk en/of de licentienemer. Handelsmerken met ® zijn geregistreerd bij het United States Patent & Trademark Office en/of in andere landen. www.harpercollins.nl
Elk ongeoorloofd gebruik van deze publicatie om generatieve kunstmatige-intelligentietechnologieën (AI-technologieën) te trainen is uitdrukkelijk verboden. De exclusieve rechten van de auteur en de uitgever worden hierbij niet beperkt. HarperCollins maakt tevens gebruik van de rechten onder Artikel 4(3) van de Digital Single Market Directive 2019/79 en het uitvoeren van tekst- en datamining op deze publicatie is niet toegestaan.
Niets uit deze uitgave mag openbaar worden gemaakt door middel van druk, fotokopie, internet of op welke andere wijze dan ook zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de uitgever. Het e-book is beveiligd met zichtbare en onzichtbare watermerken en mag niet worden gekopieerd en/of verspreid.
Alle in dit verhaal voorkomende personen zijn ontleend aan de fantasie van de schrijver. Elke gelijkenis met bestaande personen berust op toeval.
Proloog
Ze vinden het lichaam ’s avonds om 19.58 uur. De regen komt met bakken uit de hemel, waardoor iedereen in een mum van tijd doorweekt is. Maar cockerspaniëls malen niet om regen; hun pluizige ondervacht is ervoor gemaakt om in modderige beken te springen, om wind en ijzige kou te trotseren.
Moss kent geen aarzeling. Met zijn neus vlak boven de grond negeert hij de open voordeur, de gebroken flessen en peuken op de gebarsten bestrating, en hij leidt Lucy regelrecht naar de achterkant van het huis. Braamstruiken en brandnetels storten zich op Lucy’s benen in de overwoekerde tuin, terwijl Moss van links naar rechts trekt, het geurspoor oppikkend waarvoor hij is opgeleid, een geur die er al veel en veel te lang ongestoord heeft gehangen.
De hond blijft stilstaan en op dat moment weet Lucy het.
Het is voorbij.
Dag een – woensdag
Hoofdstuk een
Voordat de politie arriveert, voordat het allemaal begint, snakt Maria naar een verzetje. Dat is wat ze zich later zal herinneren, wanneer ze in bed ligt en niet kan slapen: zij wilde dit. Het was allemaal haar schuld.
De woensdag begint zoals elke andere. Maria wordt om halfzes wakker van het getrippel van kleine voetstapjes, de deur van hun slaapkamer die opengaat, een bolle toet naast haar. Tony draait zich kreunend en steunend om; Maria loenst naar haar dochter, haar ogen halfopen.
Rosies blonde krullen staan rechtovereind door een elektrische schok aan de ene kant van haar hoofd, waardoor haar haar aan de andere kant platgedrukt is tegen haar schedel. Ze staat te duimen. Rupert, haar lievelingsknuffel, is in haar andere hand geklemd, zijn vacht is verworden tot een smoezelig grijs.
‘Het is nog vroeg, lieverd. Ga terug naar je bedje.’
Maar Maria weet dat het zinloos is. Ze kan de weeë lucht van een volle luier ruiken en ze staat op, rillend in de ijskoude kamer. Ze schiet een joggingbroek, pantoffels en hoodie aan, waarna ze Rosie optilt en naar haar eigen kamer draagt.
Eenmaal schoon en aangekleed begint hun dag. In de keuken is het koffiezetapparaat Maria’s prioriteit. Zodra dat loopt, zet ze Rosie voor de tv voor een aflevering van Bluey, ruimt de vaatwasser uit, ruimt de rommel op van Eddies snack van de vorige avond en draait een wasje.
De rest van het huis komt om zeven uur tot leven. Stromend water boven van Tony die onder de douche staat; harde muziek uit Eddies kamer van de eerste van vele wekkers die afgaan. Hij zal ze stuk voor stuk negeren. Haar inmiddels volwassen zoon is onverantwoordelijk en onhandelbaar – lui,
met niets omhanden nu de universiteit van de baan is. Elke suggestie om werk te zoeken wordt ontvangen met gegrom en rollende ogen.
Rosie wordt aan tafel gelokt door Cheerios, gevolgd door geroosterd brood met jam. Een hoog suikergehalte, maar dan eet ze tenminste. Is dat niet het belangrijkste? Maria neemt zich voor om gezonde ontbijtjes voor driejarigen te googelen, maar ze weet nu al dat elke poging die ze doet driftbuien zal veroorzaken en dat ze na een dag zal opgeven.
Tony komt beneden in een Hugo Boss-pak en een wolk aftershave, neemt de laatste mok koffie uit het apparaat en slaat die achterover terwijl hij zijn schoenveters strikt. Hij ontwijkt zijn dochtertjes kleverige vingers wanneer hij haar een zoen op haar kruin geeft. Een vluchtig kusje op Maria’s wang en weg is hij, de bmw 8-serie scheurt met brullende motor de oprit af.
‘Jij ook een heel fijne Valentijnsdag,’ foetert Maria sarcastisch. Een blijk van waardering zou fijn geweest zijn. Misschien komt hij vanavond thuis met een kaart en bloemen, op zijn onachtzaamheid gewezen door iemand op kantoor. Waarschijnlijk niet. Ze pakt haar telefoon en verzendt een berichtje. Ze kan haar eigen cadeautjes kopen.
Ze zit bekaf aan tafel naast haar dochter, ook al is de zon nauwelijks op. De uren strekken zich voor haar uit. Ze houdt het nog geen dag langer uit, opgesloten tussen deze vier muren, met haar dochter die blèrt om televisie, om eten, om weer een ander speeltje dat ze Joost mag weten waar in een reclame heeft gezien. Haar telefoon zoemt, het is het antwoord op haar berichtje. Het is kort, maar ze was niet uit op een gesprek. Hij heeft wat ze nodig heeft en het destilleert het plan in haar hoofd. Na het ontbijt besluit ze: we gaan een frisse neus halen.
We gaan naar het park.
De mededeling wordt enthousiast ontvangen door Rosie, dus ze trekken hun winterjassen aan en zetten hun mutsen op. Maria poot haar dochter in de buggy en ze gaan op pad.
Maria kikkert op van de zon terwijl ze snel door de stad wandelt naar de speeltuin met de felgekleurde schommels en glijbanen. Ze gaan door de grote smeedijzeren poort, waarvan de stenen pilaren gegraveerd zijn met de namen van de gesneuvelden en omringd zijn door achtergebleven klaprozenkransen. Rosie roept om uit de buggy te worden gehaald zodra
ze de weg achter zich hebben gelaten. Maria tilt haar er voorzichtig uit en lacht wanneer haar dochter naar de schommels dribbelt met Rupert in haar hand geklemd.
Maria gaat op de houten bank zitten. Ze kijkt rond, in afwachting van zijn komst. Misschien wordt het niet zo’n slechte dag, denkt ze. Straks krijgt ze wat ze nodig heeft, overhandigt een paar briefjes van twintig en dan, als de transactie is afgerond, wacht ze tot het café opengaat. Dan haalt ze een koffie voor zichzelf en een babyccino voor Rosie. Misschien trakteert ze haar zelfs wel op een chocoladeboomstammetje. Vertederd kijkt ze naar haar dochter, die Rupert op de schommel heeft gezet en hem nu zachtjes staat te duwen, onverstaanbare woorden brabbelend tegen het konijn. Haar wangen zijn roze van de kou, haar haren wild.
Maria draait zich om, speurend naar Rosies muts – ze kunnen er niet wéér een kwijtraken – en ziet hem vlak bij de poort liggen. Terwijl ze opstaat om hem op te halen, begint haar telefoon te rinkelen.
Onbekend nummer, zegt het scherm. Ze overweegt het telefoontje te negeren, maar het kan belangrijk zijn: het kan Tony zijn, die vanaf zijn werk belt. Ze tikt op het groene icoontje.
‘Hallo? Met Maria Logan.’
Eerst is er alleen maar ruis. Ze werpt een blik op het scherm om te zien of er verbinding is en herhaalt dan haar groet: ‘Hallo?’
En dan spreekt de vrouw. Haar stem is afgemeten en kalm, en ze vertelt haar een verhaal zo oud als de wereld.
In eerste instantie gelooft Maria het niet. Ze vertrekt haar gezicht van ergernis. ‘Met wie spreek ik?’ snauwt ze. ‘Hoe heet je?’
‘Je weet hoe ik heet,’ antwoordt de vrouw. ‘Hou je niet van de domme. Je weet heel goed wat er aan de hand is.’
‘Hoe durf je… Hoe kom je aan mijn nummer?’
‘Dit is voor je eigen bestwil, Maria. Je moet dit onder ogen zien. Dit kan zo niet langer.’
Maria begint door het park te benen, vragen afvurend, dan scheldend wanneer de vrouw geen verdere informatie wil geven. Ze herhaalt alleen dezelfde zin, de beschuldiging die Maria met geen mogelijkheid kan geloven, die ze zichzelf niet toestaat te geloven. Niet weer.
En dan is de vrouw weg. Drie piepjes en de verbinding is verbroken.
Maria staart een ogenblik naar haar telefoon, met open mond. Haar eerste reactie is om Tony te bellen. Hem te confronteren met deze bespottelijke beschuldiging. Die door hem te laten weglachen, uit haar hoofd te laten praten. Maar wat als de vrouw de waarheid spreekt? Wat dan?
Ze blijft een moment roerloos staan om te verwerken wat haar zojuist is verteld, wanneer haar onderbewuste opspeelt. Een angstig voorgevoel. Een rilling, die van haar hoofd langs haar rug naar haar onderbuik loopt. Het is stil in het park. Te stil. Ze kijkt op van haar telefoon.
‘Rosie?’ roept ze, aanvankelijk gedempt. ‘Rosie?’
De glijbaan, de draaimolen. De schommel wiegt zachtjes op de wind. Leeg. Haar blik schiet in de rondte en ze blijft knipperen, op zoek naar haar dochter. Naar een blonde krullenbos. Naar het felle rood van haar jas. Het blauw van haar kaplaarsjes.
‘Rosie?’ Ze roept harder nu. ‘Rosie, liefje?’
Ze begint te lopen en kijkt onder de glijbaan, overal waar Rosie zou kunnen zijn. Haar passen worden sneller en haar bewegingen gejaagder.
‘Rosie, verstop je niet voor mama. Kom je nu tevoorschijn? Alsjeblieft?’
Het laatste woord is een wanhopige smeekbede, een kreet over het lege grasveld. Ze loopt verder, nog steeds geen teken van leven. Elke spier staat strak van paniek, de koffie van vanochtend is zuur in haar maag. Ze haalt haar handen door haar haar, paniekerig in de rondte draaiend. Niets.
Níéts.
‘Rosie!’ gilt ze.
Naast haar duikt een vrouw op. Ouder. Grijs haar. Mager, bijna vel over been. Ze is gehuld in een marineblauwe jas met bijpassende wollen sjaal.
Maria herkent haar, maar kan er niet op komen waarvan.
‘Gaat het?’ vraagt ze.
‘Mijn dochter, Rosie. Ze is zoek. Ze was hier net nog… en… ze is zoek. Ze is verdwenen. Ze is drie. Ze is nog maar klein.’
De knagende ongerustheid is omgeslagen in blinde paniek. Bloed kolkt door haar aderen. Ze is duizelig en kan niet denken, niet praten. Ze wil alleen haar dochter. Alsjeblieft. Laat haar haar dochter vinden.
‘Waar was ze?’ vraagt de vrouw kalm.
‘Hier!’ schreeuwt ze.
De vrouw aarzelt, maar begint dan over het gras te lopen en elke plek te
controleren waar Maria al is geweest. Het overbodige gebaar maakt Maria woedend. Ze heeft hulp nodig. Echte hulp. Niet deze nutteloze vrouw.
Inmiddels is Maria aan het rennen, het hele park door, hopend, wensend dat Rosie lachend zal opduiken. Giechelend van de pret die ze heeft gehad door zich te verstoppen voor mama. ‘Alsjeblieft. Alsjeblieft. Alsjeblieft,’ fluistert Maria. ‘Alsjeblieft.’
Maar het park is verlaten. Niemand te bekennen. Niets, behalve de drukke weg aan de andere kant. De snelstromende rivier naast hen.
Gevaren waar ze niet bij had stilgestaan. Wat naïef van haar. Wat dom.
Haar benen begeven het en ze stort in de modder. Tranen nu – ze huilt uit pure angst en wanhoop. Alsjeblieft.
De vrouw raakt zachtjes haar schouder aan. Door haar nachtmerrie heen hoort Maria de vrouw praten.
‘Politie,’ zegt ze. ‘Er wordt een kind vermist.’
Hoofdstuk twee
Tegen de tijd dat agent Lucy Halliday aankomt in het Memorial Park wemelt het er van de politie. Politieauto’s staan langs de weg, een wit-rood-blauwe massa met hier en daar een ongemarkeerd voertuig zoals dat van haar. Ze wordt doorgestuurd naar het parkeerterrein van de rugbyclub, de verzamelplaats voor de zoektocht – de vzp genoemd – en haar eerste meldpunt.
Ze parkeert haar Ford Mondeo-stationwagen op de dichtstbijzijnde plek. Ze heeft geen sirenes, dus de honden achterin zijn kalm, en ze laat ze zitten, ritst haar jack dicht en loopt naar het witte gebouw waar de adviseur specialistische opsporing wacht.
Ze heeft eerder met agent Brian Miller gewerkt, een ervaren adviseur, ex-militair, ex-hondengeleider. Hij verstaat zijn vak. Hij heeft een zwarte pet op en is deze ochtend gehuld in een dikke Arktis-jas. Hij belde haar om iets over halftien.
‘Vermist kind,’ had hij gezegd. ‘Rosie Logan genaamd. Drie jaar oud. Neem beide honden mee.’
Zijn instructie deed onheilspellend aan. Voor een zoektocht naar een vermiste wordt meestal alleen Iggy ingezet – haar tweejarige Duitse herder – maar het feit dat ze Moss ook moet meenemen, werpt een donkere schaduw over het gebeuren. Moss is officieel een ‘slachtofferbergingshond’, maar de benaming is misleidend. De enige slachtoffers die Moss opspoort zijn dood; de kleine zwarte spaniël is gespecialiseerd in het speuren naar bloed en lijken. Ze doet een schietgebedje dat ze Moss vandaag niet nodig zullen hebben.
Brian Miller knikt ter begroeting wanneer ze op hem afloopt. Hij staat voor het gebouw, met een dampende mok koffie in de hand, en is druk in gesprek met een agent in uniform. De twee sterren op zijn schouder maken
Lucy duidelijk dat hij inspecteur is, de man die deze ochtend de leiding heeft.
Miller stelt haar voor.
‘Inspecteur Greaves, dit is agent Lucy Halliday. Hondengeleider.’
De inspecteur neemt niet de moeite om hallo te zeggen en werpt slechts een snelle blik op haar smoezelige uniform en bemodderde laarzen, waarna hij zich meteen weer tot Miller richt. ‘Je zei dat we een volledig hondenteam hadden,’ snauwt hij.
‘Agent Nash is onderweg,’ reageert Miller.
Lucy kan niet voorkomen dat er een lachje op haar gezicht verschijnt. Agent Pete Nash is ook lid van het hondenteam en – als ze eerlijk is – haar bijna-vriend. Misschien, soort van, niet helemaal – een paar dates en hondentrainingen met een drankje na afloop staan niet gelijk aan een vaste relatie, maar tot meer is ze momenteel niet in staat.
De inspecteur beent weg naar de groep agenten in uniform die een eindje verderop staan.
Miller wendt zich tot Lucy. ‘De locatie is een teringzooi. Dat heb je al gezien?’
Lucy knikt. Het park is vergeven van de mensen: politie en hulpverlening, zelfs een paar nieuwsgierige omstanders. Zware schoenen zullen over elke vierkante centimeter hebben gebanjerd en zodoende op elke grasspriet verwarrende, tegenstrijdige geursporen hebben achtergelaten. De honden hebben een niet-vervuilde locatie nodig om gericht te speuren, idealiter koel, bedauwd terrein, onbetreden door andere mensen. Hier is een te groot geurenpalet voor de gevoelige hondenneus.
‘Geef me een situatieschets,’ zegt Lucy, naar binnen gebarend. ‘En koffie.’
Miller gaat haar voor door de dubbele deuren naar de kantine van de sportclub. Het is een populaire plek, met een versleten houten vloer, een bar achterin en bakstenen muren versierd met prijzenkasten en foto’s van voetbal- en rugbyteams van vroeger tot nu. Zwarte, goudkleurige en witte ballonnen bungelen aan gordijnrails, slingers hangen door.
‘Gisteravond vierde iemand zijn zestigste verjaardag,’ legt Miller uit. ‘De beheerder was hier om op te ruimen toen wij de boel overnamen.’ Hij gebaart naar een lange schragentafel waarop een enorme kaart is uitgespreid.
Miller haalt een bril met metalen montuur uit zijn zak, zet die op en plant dan een vinger met afgekloven nagel op het midden van de kaart. Al pratend wijst hij relevante plekken aan. ‘Park, hier. Rosie werd voor het
laatst gezien bij de schommels, rechts, in een rode jas en blauwe kaplaarzen, mogelijk met een grijs knuffelkonijn in haar handen. Dit gebied bestaat uit de speeltuin, een herdenkingstuin omzoomd door heggen, een paar bijgebouwen, dan het sportveld en clubgebouw hier. Er loopt een pad langs de rivier, populair bij vissers en hondenuitlaters, maar we hebben geen getuigen, voor zover we nu weten. De speeltuin is omheind door een laag groen hek, behalve waar hij uitkomt bij de rivier, hier.’
Lucy kijkt op, waarbij ze Millers grimmige uitdrukking beantwoordt met die van haar. Op weg hierheen had ze de rivier gezien: snelstromend, breed, diep – en ijskoud in deze tijd van het jaar.
‘Is het duikteam opgeroepen?’ vraagt ze.
‘Is onderweg. Ringwood Road in het oosten, parkeerterrein omgeven door bosgebied, dan de A338 er vlak boven. Geen idee van de laatste looprichting. Het is een godvergeten nachtmerrie.’ Miller kijkt door de hoge ramen naar de inmiddels ijsberende inspecteur. ‘Ken je Greaves?’
Ze schudt haar hoofd.
‘Net bevorderd, volgens de geruchten. Staat stijf van de stress en het is nog vroeg. Ik moet er niet aan denken hoe hij zich gaat gedragen zodra het gouden uur verstrijkt.’
Ze knikt begrijpend. Het gouden uur: het korte tijdsbestek nadat een misdaad is gepleegd of iemand vermist is geraakt, wanneer forensische sporen vers zijn en getuigen op hun behulpzaamst. Daarna neemt het risico exponentieel toe. Zeker voor een klein kind.
‘Doe wat je kunt,’ besluit Miller. Hij wijst naar de grote zilverkleurige koffieketel en de witte mokken ernaast. ‘Koffie en koekjes staan daar. Loop een rondje met Iggy, aan de andere kant van het park, langs de rivier en het struikgewas ernaast. Ik zal Nash de andere kant van de weg laten afspeuren zodra hij en Dax er zijn. Meld het via de portofoon als je iets vindt.’
‘Doe ik.’
‘En Lucy? Succes. Dat zullen we nodig hebben.’
Ze beantwoordt zijn frons en verlaat de warmte van de rugbyclub, haar jack om zich heen trekkend op weg naar de auto. Ze opent de achterklep en haar twee honden kijken haar geestdriftig aan.
‘Sorry, Moss,’ zegt ze. ‘Iggy, jouw beurt.’
Ze opent de bench en grijpt de halsband van de Duitse herder wanneer
hij uit de auto springt. Ze doet hem zijn tuigje om, klikt de riem eraan vast en hurkt dan voor hem, haar vingers in zijn dikke vacht begravend. Onder het bruin en zwart is hij lekker warm; hij is geknipt voor deze taak.
‘Je weet wat je te doen staat, maatje,’ zegt ze tegen hem. Zijn oren zijn gespitst en zijn tong hangt uit zijn bek; hij popelt om te gaan.
Ze staat op, maar net wanneer ze haar handschoenen aantrekt, ziet ze een oude zwarte Mercedes aankomen. Ze kent die auto. Wat doet hij hier?
Ze wacht tot hij heeft geparkeerd.
Hoofdinspecteur Jack Ellis stapt smetteloos gekleed uit de auto, een anomalie te midden van de chaos. Hij trekt een chique zwarte jas aan over zijn grijze pak, die hij tot boven aan toe dichtknoopt, waarna hij een hand door zijn donkerblonde haar haalt. Hij krijgt Lucy in het oog en loopt naar haar toe; bij ieder ander zou ze op haar hoede zijn voor Iggy’s reactie, maar wanneer Jack bij hen aankomt, stapt de hond relaxt en blij naar voren om hem te begroeten als een oude vriend, een spoor van natte neus op de wollen jas achterlatend.
‘Ik dacht wel dat je hier zou zijn,’ zegt Jack. Hij houdt een papieren zak omhoog. Ze herkent de merknaam en neemt hem gretig aan om de geur van de inhoud diep op te snuiven. Deeg, chocola, suiker en vet. Precies wat ze nodig heeft. ‘Ik wist dat je niet zou ontbijten.’
‘Je kent me te goed.’
‘Voor mijn zonden.’ Terwijl Lucy de zak in de auto legt, iets lekkers voor straks, aait Jack de oren van de herder. ‘Ja, hallo, Iggy. En bedankt,’ voegt hij er sarcastisch aan toe, de hondenharen wegvegend.
‘Wat doe je hier?’ vraagt Lucy. ‘Is er iets wat ik moet weten?’
Jacks aanwezigheid duidt op iets sinisters. Vooralsnog is dit een vermissing, geen moord; er is geen reden waarom Zware Misdaad hier moet zijn. Tenzij er een lichaam is gevonden.
‘Ik ben hier niet in een officiële hoedanigheid,’ antwoordt hij. ‘Ik zat koffie te drinken met inspecteur Greaves toen de melding binnenkwam. Ik wilde een kijkje nemen en zien of ik kon helpen.’
‘Professioneel of persoonlijk?’ vraagt ze door.
Hij werpt haar een blik toe. ‘Een beetje van allebei. Laat me je niet ophouden,’ vervolgt hij. ‘Het belangrijkste is dat we dit meisje vinden.’
Jacks opmerking vraagt om nadere uitleg, maar hij heeft gelijk: er zijn
belangrijker dingen. Lucy bedankt hem nogmaals en zegt gedag, waarna ze Iggy wegroept van Jack. Met de hond vlak achter haar steekt ze de weg over naar het park. Ze houdt Iggy aangelijnd terwijl ze hem om de grootste drukte heen leidt.
In de loop der jaren heeft ze genoeg zoekacties naar vermiste personen uitgevoerd om te weten hoe het in zijn werk gaat. Zodra het telefoontje bij de meldkamer binnenkwam, zouden er agenten naar het park zijn gestuurd. Een categorie-één-vermissing met verhoogd risico, zoals deze, vereist onmiddellijke actie: de coördinator stuurt zoveel mogelijk eenheden. Ondertussen voert de centralist de belangrijke gegevens in: naam, leeftijd, signalement, voor het laatst gezien, wat Rosie Logan aanhad.
De foto van het meisje zou naar alle eenheden zijn gestuurd en Greaves zou anderen op het bureau hebben opgedragen te zoeken naar beelden van het meisje op bewakings- en verkeerscamera’s. Er zou een zoektocht zijn uitgevoerd van driehonderd meter omtrek. Agenten zouden naar het huisadres en ziekenhuizen zijn gestuurd en er zou contact zijn opgenomen met elke vriend en elk familielid.
De meeste vermissingszaken worden binnen een uur gesloten. Een burger die belt: ‘Ik heb hier een klein meisje. Ze is haar moeder kwijt.’ Of een simpel misverstand tussen familieleden: ‘Sorry, ik dacht dat ik haar vandaag van school moest ophalen.’ Het feit dat ze niets hebben, voorspelt weinig goeds.
Brian Miller had haar niet voor niets succes gewenst. Lucy weet dat de rugbyclub al moet zijn uitgekamd, maar de klus voor de komende uren is om het hele park te doorzoeken. Het is een groot gebied. Een driejarige mag dan niet watervlug lijken, met de juiste prikkel kunnen ze verrassend ver dribbelen. Een hond in de verte, een verdwaalde ballon van het feest van gisteravond… talloze dingen kunnen een klein meisje lokken.
Het is steenkoud vandaag. Zelfs in haar dikke Arktis-jas en handschoenen bijt de winterkou in haar neus en oren. Ze hoopt dat Rosie Logan een warme jas aanheeft, want zo niet…
Ze moet focussen. Ze kijkt naar het midden van het park, speurend naar de moeder. Dat moet haar zijn: lang, krullend blond haar – net als haar dochter – dat onder een wollen muts uitsteekt, ski-jack, laarzen. Naast haar staat een oudere vrouw in een marineblauwe jas, die troost probeert te bie-
den, maar net zo overstuur lijkt als de moeder – de vrouw die alarm sloeg, neemt Lucy aan. Ze geeft de moeder een tissue aan, die deze tegen haar gezicht drukt terwijl een agent in uniform tegen hen praat. Lucy kan zich niet voorstellen wat deze vrouw nu doormaakt. Eén moment van onoplettendheid en haar hele leven staat op zijn kop.
Lucy loopt weg. Hoe harteloos het ook klinkt, de moeder is niet haar zorg. Ze heeft een taak uit te voeren, en Iggy is de beste hond om haar daarmee te helpen. Tweeënveertig kilo aan bruin-zwarte Duitse herder, met honderden jaren van fokken om ervoor te zorgen dat hij hier steengoed in is. Ze leidt hem weg van de drukte en het tumult en zet langzaam koers naar de voetbalvelden. Geen commando’s, alleen zij en haar hond aan de lijn, die ze laat snuffelen en zijn eigen weg laat zoeken. Ze is gespitst op een verandering in zijn gedrag, een subtiele wijziging die haar duidelijk maakt dat de hond iets ongewoons heeft gevonden.
Ze zoekt naar sporen, een ongebruikelijk voetpad of zoiets, ergens waar een driejarige overheen zou kunnen dribbelen. De omstandigheden zijn gunstig: een lichte bries, nat gras, geen regen.
De hond is niet getraind om specifiek naar Rosie te speuren. Het is niet als op tv. Ze krijgen geen kledingstuk van het kind aangereikt om aan te snuffelen voordat de hond het dichtstbijzijnde pad af dendert. Die methode is te beperkt, te onbetrouwbaar. In plaats daarvan proberen ze voetstappen te traceren, in de hoop dat de hond een menselijke geur oppikt, iets nieuws, iets wat niet op het gras thuishoort op deze ijskoude ochtend. Het kan van alles zijn – mensen, spullen – wat een onderzoek verder kan helpen.
Rosie zou hier ergens in de ijzige kou kunnen zijn. Ze zou zich bezeerd kunnen hebben. Ze zou zich uit angst kunnen hebben verstopt, verborgen in het struikgewas, waar een menselijk oog haar niet kan ontdekken.
Maar een hondenneus wel.
Het enige wat ze nodig heeft, is een opgeheven neus. Het spannen van zijn spieren, een aanwijzing dat Iggy een geur heeft opgepikt. Dus laat ze de hond snuffelen en voor haar uit zigzaggen. Maar hij is ontspannen. Niets ongewoons hier.
‘Kom op,’ fluistert ze tegen het universum, vurig wensend dat er iets gebeurt. ‘Waar ben je, Rosie?’
Hoofdstuk drie
Inspecteur Greaves is niet blij om Jack te zien, en dat kan Jack hem niet kwalijk nemen. Greaves is begin dertig en wil zich bewijzen in zijn eerste zaak als inspecteur, dus zit hij niet te wachten op een hoofdinspecteur die over zijn schouder meekijkt.
‘Ik waardeer de raad en koffie van vanochtend, maar je hoeft hier niet bij te zijn. Ik hou je op de hoogte, sír.’ Greaves benadrukt sarcastisch het woordje ‘sir’.
‘Doe maar net alsof ik er niet ben. Ik kom alleen observeren,’ reageert Jack. Greaves blijft even stil, ongetwijfeld om een weerwoord in te slikken waar hij voor geschorst zou kunnen worden.
‘Heb je geen druk team Zware Misdaad om leiding aan te geven?’ zegt hij in plaats daarvan.
‘Die redden zich wel,’ zegt Jack, zijn vraag wegwimpelend. Hij is zich wel degelijk bewust van de onbeantwoorde berichten op zijn telefoon over de geweldpleging van gisteravond, die hij haastig overdroeg aan rechercheur Amrit Gill voordat hij vertrok. ‘Heb je het duikteam opgeroepen?’
‘Is onderweg.’
‘Opsporing en redding?’
‘Ze zijn een team aan het samenstellen.’
‘Hoe zit het met –’
Zijn vraag wordt afgekapt met een nijdige blik. ‘We hebben iedere beschikbare agent ter plaatse. Vanwege de locatie hier, op de graafschapsgrens, is Wiltshire stand-by, klaar om eenheden te sturen als we die nodig hebben. Over dertig minuten zullen er drones in de lucht vliegen en ze sturen zelfs vliegtuigen vanuit Herne als we die nodig hebben. Analisten zijn camerabeelden aan het afspeuren en checken elk voertuig dat ervoor en erna is langsgereden. Er zijn hondeneenheden ingezet. Wat zou ik volgens jou verder nog moeten doen?’
Jack negeert zijn toon. ‘Teams zijn het huis aan het doorzoeken?’
‘Op dit moment. Misschien wil je daarheen? Je professionele blik over de woning laten gaan?’
‘Doe ik,’ zegt Jack. ‘Geef me het adres. Dan ga ik er meteen naartoe.’ Hij gedraagt zich bloedirritant en hij weet het.
Greaves schrijft het adres op, geeft het aan hem en blijft dan zwijgend staan staren tot Jack wegloopt.
Een snelle check op Google leert hem dat het tien minuten lopen is, en Jack zet er stevig de pas in, want hij wil opwarmen in de kou. Dit is niet de eerste keer dat hij zijn neus in een zaak van een vermist kind steekt: op een van zijn vorige standplaatsen deden de teams er alles aan om lopende onderzoeken voor hem achter te houden, waarbij ze zijn bemoeienis actief belemmerden totdat zijn baas moest ingrijpen.
Al lopend geeft hij zichzelf op zijn kop omdat hij zich zo laat kennen. Geen sprake van verdrongen psychologische schade hier; alleen een diep litteken dat op zijn voorhoofd staat te lezen, zichtbaar voor de hele wereld. Vermissingsonderzoeken zijn zijn achilleshiel, en na de gebeurtenissen van afgelopen juni weet iedereen waarom.
Op zijn elfde raakte Jacks beste jeugdvriend Theo vermist en werd nooit gevonden. Jack was de laatste die Theo levend zag. Daardoor werd hij de hoofdverdachte, en hoewel hij uiteindelijk werd vrijgesproken, had het onderzoek een desastreuze nasleep voor Jack en zijn familie, waarbij zijn leven onbedoeld kapot werd gemaakt. Hij moest zijn naam veranderen en onderduiken, maar afgelopen juni diepte de pers de gegevens weer op. Zijn grootste angst werd werkelijkheid, en nu weet iedereen het: het hoofd van het Rechercheteam Zware Misdaad was ooit een moordverdachte.
Maar dat was toen. Rosie Logan is nu. De berichtgeving nam af; de roddelaars op het bureau vonden iemand anders om over te konkelen. Hij heeft er geen behoefte aan dat allemaal weer op te rakelen, maar toch. Tien minuten. Hij zal toezicht houden op de huiszoeking, en dan gaat hij terug naar het bureau. Hij is ervan overtuigd dat het meisje tegen die tijd terecht zal zijn.
Het huis van de familie Logan is gigantisch: drie verdiepingen, een dubbele gevel, rode bakstenen en een lange oprit vol politieauto’s, die een
witte Land Rover en een blitse bmw blokkeren. Ernaast staat een roestige Renault Clio.
Wanneer hij dichterbij komt, hoort hij harde stemmen. De statige voordeur is open en een man in een zwart pak gaat tekeer tegen een van de agenten.
‘Ze is niet hier. Ze is niet op zolder. Ze is niet in de tuin. Waarom banjeren jullie door mijn huis?’
‘Maar sir, zoals we aangaven –’
‘Rosie raakte vermist in het park, jullie moeten –’
‘Kan ik helpen?’ zegt Jack, zich in zijn volle één meter achtentachtig oprichtend in de deuropening. De twee mannen vallen op slag stil. ‘Hoofdinspecteur Jack Ellis,’ zegt hij, zijn legitimatie ophoudend. ‘Wat is het probleem?’
‘Mr Logan hier weigert –’
‘Ik snap niet wat het voor zin heeft om jullie tijd te verspillen met het doorzoeken van mijn huis. Mijn dochter is ergens daarbuiten.’ Mr Logan wijst over Jacks schouder. ‘Ze is daarbuiten… En jullie horen… Jullie horen…’ De man zakt voorover, alle lucht is uit zijn longen gestroomd. ‘Waarom proberen jullie haar niet te vinden?’ zegt hij uiteindelijk, zijn stem niet meer dan een fluistering.
Jack stapt naar voren en dirigeert de man met zachte hand de dichtstbijzijnde kamer in: een woonkamer, ingericht in grijs-, crème- en wittinten. Hij ploft op de bank, met zijn hoofd in zijn handen.
Jack stuurt de agent naar de keuken en gaat dan naast Mr Logan zitten. ‘U bent Rosies vader?’ vraagt hij zachtjes.
‘Ja. Tony. Tony Logan. Ik ben… Ik was net op mijn werk toen Maria belde. Ze zei dat Rosie zoek was.’ Hij kijkt op met een aangeslagen gezicht. ‘Alsjeblieft. Ze willen me niks vertellen. Ik moest van de politie hierheen komen en wachten. Waar is mijn dochter?’
‘We zijn naar haar op zoek. Uw vrouw – Maria? – is in het park de politie aan het helpen met de zoektocht. We doen er alles aan om Rosie te vinden. We hebben alle agenten ingezet, hondenteams, agenten die camerabeelden analyseren op het bureau. We zijn ziekenhuizen aan het afbellen, doen buurtonderzoek. Rosie vinden heeft op dit moment onze hoogste prioriteit.’
‘Ze is pas drie. Wat was Maria aan het doen? Hoe kan ze haar zijn kwijt-
geraakt? En dan kom ik hier en krijg van die gast…’ Hij priemt met een vinger in de richting van de keuken. ‘…te horen dat ze het huis moeten doorzoeken. Waarom? Ze is niet hier!’
‘Het is standaardprocedure, Mr Logan. U moest eens weten hoeveel vermiste kinderen gezond en wel thuis opduiken. Teruggebracht door een goedbedoelende buur, opgehaald door een ander familielid. Is er iemand –’
Voordat Jack zijn zin af kan maken, springt Tony Logan schreeuwend op.
‘Eddie! Eddie, ben je thuis? Kom naar beneden, nu!’
Jack volgt de vader, die al brullend de trap op rent. Boven stormt hij een kamer in, waarvan de openvliegende deur zicht geeft op een verduisterde slaapkamer met dichte gordijnen. Een slaperig hoofd steekt onder het dekbed uit, waarvan de ogen half dichtgeknepen zijn zodra Logan het licht aandoet.
‘Tony, man, what the fuck –’
‘Waar is Rosie? Heb jij Rosie gezien?’
‘Rosie? Nee. Je maakt me net wakker…’
Eddie hijst zich overeind en haalt zijn handen door zijn warrige bos zwarte krullen. Een jaar of zeventien, gokt Jack. Zeker oud genoeg om iets productievers te doen dan op dit tijdstip in bed te liggen meuren.
Hij staart Jack aan. ‘Wie ben jij?’ zegt hij. ‘Wat is er aan de hand?’
Tony zakt tegen de muur, met zijn handen voor zijn gezicht.
Jack stelt zichzelf voor aan het verbijsterde joch. ‘We zijn hier omdat je zusje Rosie –’
‘Halfzus,’ komt Tony tussenbeide. ‘Rosie wordt vermist.’
‘Vermist? Wat? Hoe?’
‘Je moeder heeft het voor elkaar gekregen om haar vanochtend kwijt te raken,’ snauwt Tony. Hij draait zich om en gaat de trap weer af.
‘Eddie? Heet je zo?’
Eddie knikt.
‘Was je de hele ochtend hier?’
‘Ja.’ Eddie zwaait zijn blote benen uit bed, gehuld in een boxershort en t-shirt. ‘Ik slaap altijd als een blok. Ik lag er gisteravond helemaal af.’ Zijn blik schiet schuldbewust naar zijn bureau, waarop een grote groene glazen hasjpijp ligt.
Jack schenkt hem een toegeeflijke grijns. ‘Ik zal doen alsof ik dat niet heb gezien. Maar je moet je misschien maar eens aankleden. Je vader kan wel wat steun gebruiken.’
‘Tony is niet mijn vader,’ kaatst Eddie terug. ‘Hij ontmoette mijn moeder toen ik twaalf was.’
‘Maar hij is wel Rosies vader?’
‘Ja. Voor zover hij van nut is. Bankrekening, meer niet.’ Eddie staat op. ‘Ik zal me aankleden,’ zegt hij lusteloos.
Jack vat het op als zijn seintje om te vertrekken. ‘Welke kamer is van Rosie?’ vraagt hij voordat hij gaat.
‘Daarzo. Naast die van mijn moeder en Tony.’ Eddie wappert met zijn hand in de juiste richting en duwt dan met een behaarde voet de deur dicht.
Jack doet een paar stappen en duwt de klink van de deur van Rosies kamer naar beneden. Het heeft altijd iets treurigs en lugubers om rond te kijken in de kamer van iemand die vermist wordt. Onopgemaakte bedden, half uitgelezen boeken, rondslingerende kleren, in het ergste geval om nooit meer te worden gedragen. De kamer van Rosie is niet anders.
Jack heeft weinig ervaring op dit gebied, maar de kamer lijkt echt iets voor een driejarig meisje. Roze muren, bovenaan afgezet met een dierensierstrook. Roze gordijnen. Roze dekbed op een wit kinderbedje. Een bonte verzameling knuffels is uitgestald op een ladekast, waarvan sommige op de vloer zijn gevallen. Boeken staan schots en scheef in een boekenkast, waarvan Jack er sommige herkent – De Gruffalo, Rupsje Nooitgenoeg – en andere niet. De rommel staat in schril contrast met de smetteloze benedenverdieping en is meer in overeenstemming met de belevingswereld van een klein kind. Allerlei speelgoed ligt verspreid over het hoogpolige lichtgrijze tapijt, en Jack raapt een rood plastic kopje op – van een theeserviesje, neemt hij aan. Hij vraagt zich af wie er met Rosie speelde. Haar moeder? Hij ziet een van de mannen die hij tot dusver heeft ontmoet niet zo snel in kleermakerszit denkbeeldige thee en koekjes aan een teddybeer aanbieden.
Jack zet het kopje op de vensterbank en kijkt uit over de tuin. Tony Logan heeft toestemming gegeven om de huiszoeking te beginnen; buiten speuren zwarte figuren het gazon af, turen over de schutting en kammen de schuur uit.
Jack opent een paar lades, maar er valt hem niets vreemds op, dus loopt hij de kamer uit en neemt een omweg via de badkamer. Hij kijkt naar de twee tandenborstels die er staan, waarna hij de roze in de vorm van een dinosaurus oppakt en in een bewijszak stopt die hij uit zijn jaszak haalt.
Beneden werken agenten in uniform zich systematisch door het huis. Een loopt langs Jack naar boven, ongetwijfeld om de zolder te controleren. Jack gaat weer naar Tony in de woonkamer, waar een kop thee staat af te koelen op tafel.
Jack houdt de tandenborstel op. ‘Is deze van Rosie?’
Tony tuurt ernaar. ‘Ja. Hoezo…’ Hij kapt zichzelf af. ‘dna,’ beantwoordt hij zijn eigen vraag, waarbij zijn hoofd in zijn handen zakt.
‘Mr Logan, kunt u iemand bedenken bij wie Rosie kan zijn? Vrienden, familie?’
‘Nee, we zijn maar met z’n vieren,’ zegt hij tegen de vloer. ‘We zijn hier een paar jaar geleden naartoe verhuisd, vlak na Rosies geboorte. Voor mij, voor werk. Maria heeft niet veel vrienden.’ Hij kijkt op, zijn mondhoeken misprijzend naar beneden wijzend. ‘Als ze die al heeft.’
‘Rosies grootouders?’
‘Mijn ouders zijn allebei dood. Maria’s moeder overleed toen ze zeventien was, haar vader een paar jaar eerder.’
‘En Eddies vader? Waar is hij?’
‘Sean? Niksnut. Net als zijn zoon. Hij heeft Eddie al heel lang niet gezien, in ieder geval niet sinds ik in het plaatje ben. Hij weet waarschijnlijk niet eens dat Rosie geboren is.’
‘Volledige naam?’
‘Sean Madden.’
‘Spreekt Maria hem weleens?’
‘Nee. Beslist niet. Ze kan hem niet luchten of zien.’
‘En wat doe jij voor werk, Tony?’
‘Ik ben marketingdirecteur van een bedrijf in Winchester. Hammerton-Clyde. Ken je het?’
‘Nee, sorry. Daarvoor ben je zeker veel van huis?’
Voor Tony kan antwoorden, steekt een agent zijn hoofd om de deur. Hij werpt een blik op Tony en maakt dan een hoofdgebaar naar Jack ten teken dat hij mee moet komen.
Tony merkt het onuitgesproken bericht tussen de twee agenten op. ‘Wat is er aan de hand?’ zegt hij. ‘Vertel op.’
‘Ik ben zo terug,’ zegt Jack met een poging tot een geruststellende glimlach. ‘Wat is er?’ fluistert hij naar de agent zodra ze allebei in de hal staan.
‘U moet terug naar het park,’ antwoordt de agent. ‘En u moet de vader meenemen. De honden… ze hebben iets gevonden.’