Vertaling Anna Livestro
HarperCollins is een imprint van Uitgeverij HarperCollins Holland, Amsterdam Copyright © 2017 Wendy Walker Oorspronkelijke titel: Emma in the Night Copyright Nederlandse vertaling: © 2017 HarperCollins Holland Vertaling: Anne Livestro Omslagontwerp: Loudmouth Omslagbeeld: Shutterstock Zetwerk: Mat-Zet B.V., Soest Druk: CPI Books GmbH, Germany ISBN 978 94 027 0038 1 ISBN 978 94 027 53806 (e-book) NUR 305 Eerste druk oktober 2017 Originele uitgave verschenen bij St. Martin’s Press, New York HarperCollins Holland is een divisie van Harlequin Enterprises Limited ® en ™ zijn handelsmerken die eigendom zijn van en gebruikt worden door de eigenaar van het handelsmerk en/of de licentienemer. Handelsmerken met ® zijn geregistreerd bij het United States Patent & Trademark Office en/of in andere landen. www.harpercollins.nl Niets uit deze uitgave mag openbaar worden gemaakt door middel van druk, fotokopie, internet of op welke andere wijze dan ook zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de uitgever. Alle in dit verhaal voorkomende personen zijn ontleend aan de fantasie van de schrijver. Elke gelijkenis met bestaande personen berust op toeval.
e geloven wat we willen geloven. We geloven wat we moeten geloven. Misschien is er geen verschil tussen willen en moeten. Ik weet het niet. Wat ik wel weet is dat de waarheid ons kan ontsnappen, zich achter onze blinde vlekken kan verstoppen, achter onze vooringenomen ideeÍn, onze hongerige harten die zo naar rust verlangen. Toch is ze er altijd, als we onze ogen maar opendoen en ons best doen om haar te zien. Toen mijn zus en ik drie jaar geleden verdwenen was er een en al blindheid. Ze vonden Emma’s auto op het strand. In de auto vonden ze op de bestuurdersstoel haar tas. In haar tas vonden ze de sleutels. Haar schoenen vonden ze aan de kustlijn. Sommige mensen dachten dat ze daar op zoek was gegaan naar een feestje, of dat ze had afgesproken met een vriendin die nooit was komen opdagen. Ze dachten dat ze was gaan zwemmen. Ze dachten dat ze verdronken was. Misschien per ongeluk. Misschien was het zelfmoord. Iedereen dacht dat Emma dood was. Wat mezelf betrof, nou ja‌ dat lag allemaal iets minder eenvoudig. Ik was vijftien toen ik verdween. Emma zou me nooit meegenomen hebben naar het strand toen ik vijftien was. Ze zat op school al 9
in de bovenbouw en mij vond ze irritant. Mijn tas lag in de keuken. Er lagen geen spullen van mij op het strand. Er misten zelfs helemaal geen kleren van mij, thuis, volgens mijn moeder althans. En moeders weten dat soort dingen. Toch? Maar ze vonden mijn haar in Emma’s auto en daar beten sommige mensen zich in vast, ook al zat ik zo vaak bij haar in de auto. Ze beten zich daarin vast, want als ik niet met Emma meegegaan was naar het strand, als ik niet die nacht was verdronken in de oceaan, misschien omdat ik het water in gerend was om haar te redden, waar was ik dan wel? Sommige mensen moesten wel geloven dat ik dood was, omdat het te moeilijk voor hen was om zich vragen te blijven stellen. Anderen wisten het niet zo zeker. Zij stonden open voor de mogelijkheid van een bizar toeval. De ene zus die aan het strand verdrinkt. De andere die is weggelopen, of misschien ontvoerd. Maar ja… weglopers pakken meestal een tas. Dus het moet wel een ontvoering zijn. Aan de andere kant… zulke vreselijke dingen overkomen mensen zoals wij niet. Het was geen gewone avond geweest, wat de toevaltheorieën in de kaart speelde. Mijn moeder vertelde hun het verhaal op een meeslepende manier, en ze oogstte er genoeg medeleven mee om haar honger naar aandacht mee te stillen. Ik zag het in haar ogen toen ik haar zag op het nieuws en in talkshows. Ze omschreef de ruzie tussen Emma en mij, het gekrijs en gehuil van pubermeisjes. Toen de stilte. Toen de auto die wegreed van het huis, na bedtijd. Ze had de koplampen vanuit haar slaapkamerraam gezien. Er werden tranen geplengd toen ze het verhaal vertelde, een collectieve zucht weerklonk in de studio. Onze levens werden uitgeplozen op zoek naar antwoorden. Social media, vriendinnen, appjes en dagboeken. Alles werd onder de loep genomen. Ze vertelde aan hen dat we ruzie hadden gemaakt over een ketting. ‘Die had ik aan begin van het schooljaar voor Emma gekocht. 10
Haar laatste schooljaar! Dat is zo’n bijzondere tijd. Cass was jaloers. Ze was altijd zo vreselijk jaloers op haar zus.’ Dit werd gevolgd door nog meer tranen. Het strand ligt aan de Long Island Sound, de monding van de Connecticut. Bij eb moet je een flink eind lopen voor het water tot je knieën komt. Bij vloed klotst het water er zo zachtjes dat je het nauwelijks aan je enkels voelt, en je voeten zakken niet bij elke golf in het zand zoals aan de stranden verder naar het noorden, die aan de Atlantische Oceaan liggen. Aan ons strand verdrink je niet zo gemakkelijk. Ik weet nog dat ik zat te kijken naar mijn moeder op de televisie, de woorden die uit haar mond kwamen, de tranen die uit haar ogen rolden. Ze had nieuwe kleren gekocht voor de gelegenheid, een net broekpak, donkergrijs, en schoenen van een Italiaanse designer die volgens haar, zo had ze weleens tegen ons gezegd, ‘de allerbeste’ was; een ‘statement om aan te geven wat onze status is’. Ik zag het aan de vorm van de neuzen. Ze had ons heel veel geleerd over schoenen. Ik geloof niet dat het door die schoenen kwam dat iedereen haar wilde geloven. Maar ze deden het wel. Ik voelde het dwars door de televisie heen. Misschien waren we bezweken onder de druk op onze privéschool. Misschien was het een soort zelfmoordpact. Misschien hadden we onze zakken volgestopt met stenen en waren we langzaam ons natte graf tegemoet gelopen, net als Virginia Woolf. Maar als dat zo was, waar waren onze lichamen dan? Het duurde zes weken en vier dagen voor het verhaal niet meer zo prominent in het nieuws was. Mijn beroemde moeder werd weer de doodgewone Judy Martin – de vrouw van Jonathan Martin – voorheen de vrouw van Owen Tanner, voorheen Judith Luanne York. Het is niet zo ingewikkeld als het klinkt. York was haar meisjesnaam voor ze achtereenvolgens de achternaam van haar twee echtgenoten 11
aannam. Twee echtgenoten is tegenwoordig helemaal niet meer zoveel. Emma en ik zijn van de eerste man – Owen Tanner. Emma is vernoemd naar mijn vaders moeder, die aan een slecht hart overleed toen hij zeventien was. Mijn naam, Cassandra (ze noemen me Cass), kwam uit een babynamenboek dat mijn moeder had. Ze vond het een voorname naam. De naam van iemand die bewonderd wordt door anderen. Iemand waar anderen jaloers op zijn. Dat weet ik nog net zo niet. Maar ik herinner me dat ze mijn lange haar borstelde voor de spiegel in haar badkamer, en dat zij me met een tevreden glimlach bewonderde. ‘Kijk nou toch, Cassandra. Je moet goed in de spiegel blijven kijken, zo mooi als jij bent.’ Tegen Emma zei onze moeder nooit dat ze mooi was. Ze leken te veel op elkaar, dus konden ze elkaar geen genegenheid tonen. Iemand prijzen die er precies zo uitziet als jij, of die zich precies zo gedraagt of dezelfde kleding draagt is alsof je jezelf prijst, en toch voelt het niet zo. Het voelt juist alsof die ander complimenten van jou steelt, alsof je er zelf minder toe doet. Onze moeder zou zich door Emma nooit zoiets kostbaars laten ontnemen als een compliment. Maar tegen mij zei ze dat soort dingen wel. Ze zei dat ik het beste van beide ouders had geërfd. En zij had er verstand van – ze wist hoe kinderen aan hun blauwe of bruine ogen kwamen, of aan hun wiskundeknobbel of muzikaliteit. ‘Tegen de tijd dat je zelf kinderen hebt, Cassandra, kun je dat soort kenmerken misschien al zelf uitkiezen! Moet je je indenken! Jemig, wat zou mijn leven er anders uitgezien hebben als die wetenschappers dat eerder uitgevonden hadden!’ Ik had geen idee waar ze het over had. Ik was pas zeven. Maar als ze zo mijn haar zat te borstelen, als ze haar geheime gedachten met me deelde, luisterde ik geïnteresseerd, want het gaf me een blij gevoel, van mijn tenen tot mijn kruin, en ik wilde dat er nooit een eind aan kwam. 12
Maar dat kwam er toch altijd. Onze moeder wist hoe ze ons moest laten snakken. Toen we zo jong waren, vroeg ze ons of zij mooi was, het mooiste meisje dat we ooit hadden gezien, en of ze slim was, de slimste vrouw die we kenden, en vervolgens, uiteraard… ‘Ben ik een goede moeder? De beste moeder die je je had kunnen wensen?’ Ze had altijd een brede glimlach en grote ogen als ze dat vroeg. En toen we jong waren, Emma en ik, zeiden we altijd ja, met onze oprechtste stemmetjes. Dan nam ze een teug lucht, schudde haar hoofd en drukte ze ons vervolgens heel stevig tegen zich aan, alsof ze de opwinding over het feit dat ze zo geweldig was nauwelijks aankon, alsof ze die lichamelijke inspanning nodig had om het haar lijf uit te persen. En na dat drukken volgde een eindeloze zucht om van de vreugde in haar botten af te komen. De opwinding verliet haar lichaam op haar warme adem, vulde de hele kamer en liet haar stilletjes tevreden achter. Als ze verdrietig was, of boos op de wereld omdat die haar zo wreed behandelde, omdat die niet zag hoe bijzonder ze was, dan zeiden wij het spontaan, omdat we wisten dat we haar daarmee van haar zwarte gedachten konden bevrijden. ‘Je bent de beste mama van de hele wereld!’ En we geloofden het ook, Emma en ik, toen we nog zo jong waren. Ik herinner me die momenten in stukjes en brokjes die niet meer in elkaar passen, als glassplinters die glad geslepen zijn in de zee. Sterke armen die heel hard drukten. De geur van haar huid. Ze droeg Chanel No. 5, wat, zo vertelde ze ons, heel erg duur was. We mochten niet aan het flesje komen, maar soms hield ze het voor ons op zodat wij de geur aan de bovenkant van het flesje konden opsnuiven. Andere flarden bestaan uit het geluid van haar stem als ze op haar bed lag te gillen en te tieren, en de lakens nat werden van haar tranen. 13
Ik die me achter Emma verstopte. Emma die geluidloos stond te staren, haar bestudeerde, de boel probeerde in te schatten. Wakker worden en onze moeder dan uitgelaten aantreffen. Wakker worden en haar wanhopig aantreffen. Ik herinner me ook nog een gevoel. Het is niet verbonden aan een bepaald moment. Het is gewoon een herinnering aan een gevoel. Dat ik elke ochtend mijn ogen opende, bang, omdat ik geen idee had wat ons die dag te wachten stond. Of ze ons zou knuffelen. Of ze mijn haar zou borstelen. Of dat ze op bed zou blijven liggen, huilend. Het was alsof je je kleren moest uitkiezen zonder dat je wist wat voor seizoen het was, winter of zomer. Toen Emma tien was en ik acht, begon de betovering van onze moeder aan kracht in te boeten in het felle licht van de buitenwereld – de echte wereld, waar zij helemaal niet zo knap was, en ook niet zo slim, en ook niet zo’n goede moeder. Emma was dingen gaan zien, en die deelde ze met mij als ze daar zin in had. ‘Wat ze zei klopt helemaal niet, hoor.’ Het deed er niet toe wat er volgde, of het ging om een of andere mening die onze moeder had geuit over een andere moeder van school, of een feitje over George Washington, of het ras van de hond die net de straat overgestoken was. Waar het om ging was dat wat ze had gezegd niet klopte, en hoe vaker ze ernaast zat, hoe onoprechter onze stemmen klonken als we haar vragen beantwoordden. ‘Ben ik geen goede moeder? De beste moeder die je je kunt wensen?’ Het woord bleven we altijd zeggen: ‘Ja.’ Maar toen ik acht was en Emma tien wist ze dat we logen. ‘Hij heeft geen idee hoe gelukkig hij zich mag prijzen! Ik kon elke man krijgen die ik wilde. Dat weten jullie ook best, meisjes. Mijn meisjes weten dat best.’ Ze stortte zich op de afwas. Kraan aan. Kraan uit. De theedoek viel op de grond. Ze raapte hem op. Emma stond aan de andere kant van 14
een gigantisch kookeiland. Ik stond naast haar, met mijn schouder tegen de hare aangedrukt, klaar om achter haar te verdwijnen, mocht dat nodig zijn. Emma voelde altijd zo sterk op zulke momenten, als we stonden te wachten welk seizoen het zou worden. Of het zomer of winter werd. Onze moeder begon te huilen. Ze draaide zich om en keek ons aan. ‘Wat zei je daar?’ ‘Ja.’ We gaven het antwoord dat we altijd gaven als ze ons vroeg of zij de beste moeder was. We liepen naar haar toe, in afwachting van onze knuffel en de glimlach en de zucht. Maar dat kwam allemaal niet. In plaats daarvan duwde ze ons allebei weg, een hand tegen mijn borst en de andere tegen die van Emma. Ze bekeek ons vol ongeloof. Toen haalde ze scherp adem, in plaats van die uitademing. ‘Naar je kamer, jullie. Schiet op!’ We deden wat ze ons opdroeg. We gingen naar onze kamers. Ik wilde er met Emma over praten. Ik weet nog dat ik haar vroeg, toen de we trap op liepen, Emma stormend en ik haastig erachteraan: ‘Wat deden we dan?’ Maar Emma praatte alleen over onze moeder als ze daar zelf zin in had – als ze iets te zeggen had. Het verhaal van onze moeder zou door haar worden geschreven, en door niemand anders. Ze duwde mijn hand van haar arm en zei dat ik mijn mond moest houden. We kregen geen eten. En ook geen knuffel. En ook geen nachtzoen. De prijs van deze dingen, van mijn moeders affectie, ging die avond en de daaropvolgende jaren omhoog. De dingen die we moesten zeggen en doen om haar van onze bewondering te overtuigen verloren hun waarde hoe vaker we ze zeiden en deden – verloren hun waarde en veranderden steeds, zodat haar liefde schaars werd. Een paar jaren later, ik was toen elf, zocht ik mijn naam op, 15
Cassandra, en vond het in een mythologieboek. Hij komt uit de Griekse mythologie. Cassandra was de dochter van koning Priamus en koningin Hecuba van Troje: ‘Cassandra had voorspellende gaven maar er rustte een vloek op haar waardoor niemand haar voorspellingen ooit zou geloven.’ Ik bleef heel lang naar mijn computerscherm staren. Mijn gedachten schoten alle kanten op. Ineens klopte het hele universum, en bleek alles om mij te draaien. Om het feit dat het weliswaar mijn moeder was die me deze naam had gegeven, maar dat het eigenlijk door het lot moest zijn beschikt. Het lot, of God, of wat dan ook – het was mijn moeders hoofd in geslopen en had die naam daar geplant. Hij wist dat ik de toekomst zou kunnen voorspellen en dat niemand me zou geloven. Kinderen geloven in dat soort fantasie. Ik weet inmiddels dat het feit dat mijn moeder me Cassandra heeft genoemd niet meer dan een toevallige samenloop van omstandigheden was. Maar toen ik elf was, voelde ik me verantwoordelijk voor alles wat er zou gebeuren. Het was het jaar van mijn ouders’ scheiding. Het was het jaar dat ik hun vertelde wat ik wist – dat ik kon zien wat er te gebeuren stond. Ik vertelde hun dat Emma en ik niet bij mijn moeder en haar vriend moesten gaan wonen, meneer Martin, en zijn enige kind – een zoon genaamd Hunter. De scheiding van mijn ouders was voor mij geen verrassing. Emma zei dat het haar ook niet verbaasde, maar ik geloofde haar niet want ze huilde te veel. Iedereen dacht altijd dat Emma zo sterk was, dat zij nooit ergens mee zat. Emma zette mensen altijd op het verkeerde been omdat ze altijd met een vreemd soort kilheid kon reageren op heel erge dingen. Ze had donker haar, net als mijn moeder, en haar huid was heel zacht en bleek. Als puber ontdekte ze felrode lipgloss en pikzwarte oogschaduw en dat ze zich daarachter kon verschuilen zoals een muur onder verf schuil kan gaan. Ze droeg korte rokjes en 16
strakke truien, voornamelijk zwarte coltruitjes. Ik zou niet in één woord kunnen uitdrukken hoe ik haar toen zag. Ze was mooi, streng, gekweld, kwetsbaar, wanhopig, genadeloos. En ik bewonderde haar en benijdde haar en klampte me vast aan elk moment dat ze me iets van zichzelf gunde. Dat waren meestal maar heel kleine stukjes. Veel ervan waren bedoeld om mij te kwetsen of buiten te sluiten of om punten mee te scoren bij onze moeder. Maar soms, als onze moeder lag te slapen en het stil was in huis, kwam Emma naar mijn kamer en klom ze bij me in bed. Dan kroop ze onder de dekens en lag heel dicht tegen me aan, en heel soms sloeg ze zelfs haar armen om me heen en drukte haar wang tegen mijn schouder. Op zulke momenten vertelde ze me de dingen die mij voedden en me warm hielden en die me een veilig gevoel gaven, zelfs als ik wakker werd en mijn moeder in haar winterstemming was. ‘Er komt een dag en dan zijn we gewoon met z’n tweetjes, Cass. Jij en ik en verder niemand.’ Ik weet nog hoe ze rook, de warmte van haar adem, de kracht van haar armen. ‘Dan gaan we naar waar we ook maar naartoe willen en dan laten we haar er nooit meer in.’ Ik kan haar stem nog horen, mijn zus die me ’s nachts influisterde: ‘Ik hou van je, Cass.’ Als ze dat soort dingen tegen me zei, had ik het gevoel dat we onaantastbaar waren. Ik liet me door Emma overhalen om onze moeder te verraden tijdens de scheiding. Zij zag de zetten van alle spelers op het bord. Ze kon de volgende zet beïnvloeden door haar eigen stuk anders te plaatsen. Ze was reactief, flexibel. En ze was nooit gebrand op een bepaalde uitkomst. Het ging haar alleen om haar zelfbehoud. ‘Cass, we moeten bij papa gaan wonen. Snap je dat dan niet? Hij zou zo verdrietig zijn zonder ons. Mama heeft meneer Martin. Papa heeft alleen ons maar. Dat snap je toch wel? We moeten iets doen, en wel nu! Anders is het te laat!’ Emma hoefde dat helemaal niet te zeggen. Ik snapte het allemaal 17
heus wel. De vriend van onze moeder, meneer Martin, trok in het huis van onze vader zodra die weg was. Zijn zoon, Hunter, zat op kostschool, maar hij woonde bij ons in de weekenden en tijdens de vakanties, dus hij was er heel vaak. De ex van meneer Martin was naar Californië verhuisd, al heel lang voor wij hem leerden kennen. Meneer Martin was ‘half gepensioneerd’, wat inhield dat hij heel veel geld verdiende en heel vaak golfde. Ik zag wel dat onze moeder nooit van onze vader, Owen Tanner, had gehouden. Ze negeerde hem zo overduidelijk en met zo’n onverschilligheid dat het moeilijk was om hem aan te kijken, en de pijn te zien die zijn hele lichaam uitstraalde. Dus ja, onze vader was inderdaad verdrietig. Ik zei tegen Emma dat ik wel zag hoe verdrietig onze vader was. Wat ik niet aan Emma vertelde, was dat ik ook andere dingen zag. Ik zag hoe de zoon van meneer Martin naar Emma keek als hij thuiskwam van school, en hoe meneer Martin naar zijn zoon keek als die naar Emma keek, en hoe mijn moeder naar meneer Martin keek als hij naar zijn zoon en Emma keek. En ik zag dat dit zou uitlopen op een slechte toekomst. Maar in de toekomst kunnen kijken is een waardeloze gave als je niet ook de macht hebt om er iets aan te doen. Dus toen de mevrouw van de rechtbank het aan me vroeg, zei ik dat ik bij mijn vader wilde wonen. Ik zei dat ik dacht dat het bij ons thuis heel naar zou zijn met meneer Martin en zijn zoon erbij. Ik denk dat Emma verbaasd was door mijn moed, of dat ze misschien schrok dat ze zoveel invloed op me had. Hoe dan ook, toen ik deze zet deed op het bord, veranderde zij haar tactiek en koos partij voor onze moeder, waarmee ze zich voor eeuwig verzekerde van de positie van lievelingskind. Ik had het totaal niet zien aankomen. Iedereen geloofde haar en niemand geloofde mij, want ik was pas elf en Emma was dertien. En Emma was Emma, en ik was ik. 18
Onze moeder was woest, want de mensen tegen wie ik dit had gezegd bepaalden dat we niet bij haar hoefden te wonen. Hoe kon zij de beste moeder van de hele wereld zijn als ze geen kinderen meer over had? Toen ze uiteindelijk won, kwam ik erachter hoe kwaad ze precies was. ‘Na alles wat ik voor je heb gedaan! Ik wist wel dat je nooit echt van me hebt gehouden!’ Dat zag ze verkeerd. Ooit hield ik wel degelijk van haar. Maar zij was gestopt met het borstelen van mijn haar. ‘Je hoeft me nooit meer moeder te noemen! Voor jou heet ik voortaan mevrouw Martin!’ Toen het stof van de scheiding was gaan liggen, dansten mijn moeder en Emma samen door de keuken terwijl ze een chocoladetaart aan het bakken waren. Ze lachten hysterisch om YouTube-video’s van katten die piano speelden of peuters die per ongeluk tegen een muur op liepen. Op zaterdag gingen ze samen schoenen kopen, en op zondag keken ze naar Real Housewives. En ze hadden bijna elke dag ruzie, en dan schreeuwden en tierden en vloekten ze keihard – het was het soort ruzie waar ik, ondanks al die jaren ervaring, van dacht dat het weleens fataal zou kunnen zijn. Maar de volgende dag, en soms zelfs diezelfde dag nog, zaten ze weer te lachen alsof er niets was gebeurd. Er werden nooit excuses aangeboden. Het werd nooit uitgepraat. Er werden geen grenzen gesteld voor de toekomst. Ze gingen gewoon door. Het duurde heel lang voor ik hun relatie begreep. Ik was altijd bereid om de prijs voor haar liefde te betalen, wat ze er ook maar voor vroeg. Maar Emma wist iets wat ik niet wist. Ze wist dat onze moeder onze liefde even hard nodig had als wij de hare, en misschien zelfs nog wel harder. En ze wist dat als ze dreigde om haar die liefde af te pakken, als ze de prijs van haar affectie verhoogde, onze moeder altijd bereid was te onderhandelen. Over en weer sloten ze zo hun dealtjes, waarbij de prijs bijna dagelijks werd aangepast. En altijd waren 19
ze op zoek naar manieren om hun macht aan de onderhandelingstafel te vergroten. Ik werd een outsider. Ik was dan wel mooi, volgens mijn moeder, maar ik was mooi zoals een pop mooi is, een levenloos ding waar mensen een keer naar kijken en daarna niet meer. Emma en onze moeder hadden iets anders, iets wat mensen aantrok. En dus waren ze elkaars felle concurrent in hun geheime clubje; ze beconcurreerden elkaar om elkaars liefde, om de liefde van iedereen om hen heen. En het enige wat ik kon doen was het van een afstandje bekijken, een afstand die kort genoeg was om te kunnen zien hoe het uit de hand liep. Twee natiestaten in een constant gevecht om macht en overheersing. Het was onhoudbaar. Maar hij ging door, die oorlog tussen mijn moeder en mijn zus, tot de nacht dat we verdwenen. Ik herinner me hoe ik me voelde op de dag dat ik terugkwam. Toen ik weer teruggekomen was naar het huis van de vrouw van meneer Martin – of mijn huis, denk ik (hoewel het na al die tijd niet meer voelde als mijn huis) – op een zondagochtend in juli, bleef ik als aan de grond genageld staan, buiten, in het bos. Ik had drie jaar lang onafgebroken gedacht aan mijn terugkeer. ’s Nachts stonden mijn dromen bol van de herinneringen. Lavendelzeep en verse munt in koele ijsthee. Chanel No. 5. De sigaren van meneer Martin. Gemaaid gras, gevallen bladeren. Het gevoel van mijn vaders armen om me heen. Overdag ging mijn angst aan de haal met mijn gedachten. Ze zouden allemaal willen weten waar ik uitgehangen had, en hoe het kwam dat ik vermist was geraakt. En ze zouden me vragen naar Emma. De nacht dat we verdwenen spookte voortdurend door mijn hoofd. Elk detail speelde zich steeds maar weer voor mijn ogen af. Mijn lichaam was in bezit genomen door spijt, die me levend verslond. Ik had bedacht hoe ik het hun zou vertellen, hoe ik het zou verklaren. Ik had de tijd gehad, te veel tijd, om het verhaal zo te bedenken dat zij 20
het zouden begrijpen. Ik had het doordacht, vervolgens ontrafeld, er nog eens over nagedacht, en het script door mijn zelftwijfels en weerzin over mezelf laten herschrijven. Een verhaal is meer dan het opdissen van de gebeurtenissen. De gebeurtenissen zijn het geraamte van het verhaal, maar het zijn de kleuren en het landschap en het medium en de hand van de kunstenaar die het verhaal maken tot wat het uiteindelijk wordt. Ik moest een heel goede kunstenaar zijn. Ik moest talent putten uit een niet-bestaande bron en ik moest het verhaal zo vertellen dat ze het zouden geloven. Ik moest mijn eigen gevoelens over het verleden opzijzetten. Over mijn moeder en Emma. Mevrouw Martin en meneer Martin. Emma en ik. Ik hield van mijn moeder en van Emma, ondanks mijn egocentrische, kinderachtige gevoelens. Maar dat zullen de mensen nooit begrijpen. Ik moest mijn best doen om niet egocentrisch en dom te zijn. Ik moest degene zijn die zij wilden dat ik was. Ik had niets anders bij me dan de kleren die ik droeg. Ik had geen bewijs. Geen enkele geloofwaardigheid behalve het feit dat ik nog bestond. Dus stond ik daar stokstijf in het bos, vervuld van de angst dat het me niet zou lukken. En er stond zo veel op het spel. Ze moesten mijn verhaal geloven. Ze moesten Emma vinden. En om Emma te kunnen vinden, moesten ze naar haar op zoek. Het kwam allemaal op mij aan, het vinden van mijn zus. Ze moesten me geloven als ik ze vertelde dat Emma nog leefde.
21