Skip to main content

Het beste bod - Marisa Kashino Inkijkexemplaar

Page 1

Vertaling Maaike van der Rijst


FSC English C021394 New MIX Paper Landscape BlackOnWhite

Voor het papieren boek is papier gebruikt dat onafhankelijk is gecertificeerd door FSC® om verantwoord bosbeheer te waarborgen. Kijk voor meer informatie op www.harpercollins.co.uk/green. HarperCollins is een imprint van Uitgeverij HarperCollins Holland, Amsterdam. Copyright © 2025 Marisa Kashino Oorspronkelijke titel: Best Offer Wins Copyright Nederlandse vertaling: © 2026 HarperCollins Holland Vertaling: Maaike van der Rijst Omslagontwerp: Chloé Dorgan / Celadon Books Omslagbewerking: Pinta Grafische Producties Omslagbeeld: © Chloé Dorgan Zetwerk: Mat-Zet B.V. Druk: ScandBook UAB, Lithuania, met gebruik van 100% groene stroom isbn 978 94 027 1941 3 isbn 978 94 027 7673 7 (e-book) nur 330 Eerste druk februari 2026 Originele uitgave verschenen bij Celadon Books, een onderdeel van Macmillan Publishers, New York. HarperCollins Holland is een divisie van Harlequin Enterprises ULC. ® en ™ zijn handelsmerken die eigendom zijn van en gebruikt worden door de eigenaar van het handelsmerk en/of de licentienemer. Handelsmerken met ® zijn geregistreerd bij het United States Patent & Trademark Office en/of in andere landen. www.harpercollins.nl Elk ongeoorloofd gebruik van deze publicatie om generatieve kunstmatige-intelligentietechnologieën (AI-technologieën) te trainen is uitdrukkelijk verboden. De exclusieve rechten van de auteur en de uitgever worden hierbij niet beperkt. HarperCollins maakt tevens gebruik van de rechten onder Artikel 4(3) van de Digital Single Market Directive 2019/79 en het uitvoeren van tekst- en datamining op deze publicatie is niet toegestaan. Niets uit deze uitgave mag openbaar worden gemaakt door middel van druk, fotokopie, internet of op welke andere wijze dan ook zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de uitgever. Het e-book is beveiligd met zichtbare en onzichtbare watermerken en mag niet worden gekopieerd en/of verspreid. Alle in dit verhaal voorkomende personen zijn ontleend aan de fantasie van de schrijver. Elke gelijkenis met bestaande personen berust op toeval.


1

G

inny belt om een uur of tien, net als ik ophang met een cliënt. Het klinkt dringend. ‘Margo, dit kon het wel eens zijn.’ Dit heb ik eerder gehoord. ‘Vier slaapkamers, gerenoveerde keuken, geweldige tuin. Net over de grens met Washington – en voor je het vraagt, ja, in de buurt van waar je het liefst zou willen wonen. En raad eens? Niemand weet ervan! Het staat nog niet in de verkoop.’ Dat gedeelte – ‘Het staat nog niet in de verkoop’ – verrast me zo dat ik me bijna in mijn koffie verslik. Het doet me opstaan vanachter mijn bureautje voor het raam van mijn appartement, dat van vloer tot plafond reikt. Dit is een lokaas dat precies sappig genoeg is om me te laten vergeten dat het misschien wel om een scherpe, pijnlijke haak gewikkeld zit. Ian, die in de keuken is, blijft staan en richt zijn hazelnootbruine ogen op mij. ‘Mijn schoonzus zit met een van de verkopers op yoga,’ ratelt Ginny in haar gebruikelijke mitrailleurtempo verder. ‘Hij zei tegen haar dat ze het eind van de maand te koop zetten. Blijkbaar heeft zijn man een dikke nieuwe baan elders, dus het moet allemaal snel-snel. Maar misschien – en ik beloof niks – misschien betekent dat wel dat ze nu al een bod willen accepteren, voordat ze het echt op de markt zetten.’

7


Wild oplaaiende hoop, dat vertrouwde gif, doet mijn hart haperen. Dit is waar je van droomt. Het broodje-aapverhaal waar iedereen die op deze dolgedraaide markt op huizenjacht is zich op een gegeven moment aan vastklampt. Je hoort via via dat iemand (in mijn geval was het de nicht van een collega) wist dat er een huis te koop kwam en meteen heeft toegeslagen, voordat de rest van de wereld nog maar opgekeken had. Je hoopt en wenst en bidt dat dit jou ook zal overkomen. Je maakt ommetjes door de buurt waar je wilt wonen, op zoek naar een verhuiswagen of een bord van een makelaar, alles wat je maar een voorsprong kan geven voor een huis officieel te koop wordt aangeboden. Je weet dat de kans daarop klein is. Maar er moet toch iemand zijn die geluk heeft? Toch? ‘Weet je zeker dat het in Grovemont is?’ vraag ik fluisterend aan Ginny, alsof ik bang ben dat het geheim zal uitlekken. Drie verdiepingen lager drukt iemand keihard op zijn claxon, een goed getimede herinnering waarom ik zo de pest aan deze flat heb. ‘Jawel, kiddo,’ zegt ze. ‘Mijn schoonzus is er binnen geweest. Ze zegt dat het beeldschoon is. Ik zit in de auto, maar ik zal Travis vragen om je het adres te sturen zodat jij en Ian het vast van buiten kunnen bekijken. Laat me maar zo snel mogelijk weten wat je ervan vindt.’ Nog voordat de mail van Ginny’s assistent in mijn inbox ploft, heb ik het al: dat gevoel waarvan ik mezelf beloofd had dat ik het niet meer zou krijgen: een voorgevoel dat dit huis weleens Het Huis zou kunnen zijn. Waarom zou mijn makelaar – van alle nietsontziende makelaars met messcherpe ellebogen in Washington – anders degene zijn die deze bijzondere tip heeft gescoord? Of misschien komt het omdat ik wel móét geloven dat dit het is. Uit een soort zelfbehoud. Want zo niet, dan ben ik doodsbang dat we nu echt, definitief en voor altijd door onze opties heen zijn.

8


Ian en ik zitten nu al anderhalf jaar opgehokt in een appartement dat zo klein is dat je het bijna helemaal kunt stofzuigen vanaf één stopcontact, en het wordt steeds erger. De eerste zes of zeven maanden gingen voorbij in een soort rustige ontkenning. We neukten nog steeds alsof het ideaal zou zijn dat ik meteen zwanger werd, want natuurlijk zouden we hier al weg zijn en lang en breed in het nieuwe huis zitten wanneer de baby kwam. Dat was tenslotte altijd het plan toen we onze starterswoning verkochten. Als we ons ons droomhuis in de buitenwijken wilden kunnen veroorloven, moesten we ons geld eruit trekken, dus het was onvermijdelijk dat we een tijdje zouden moeten huren. En het is niet zo dat we erin gingen met oogkleppen op. Ons vorige huis – een bouwvallig rijtjeshuis dat zo ver naar het westen lag dat het bijna onder de wijk Logan Circle viel – hebben we in de herfst van 2020 verkocht, op het punt in de pandemie dat iedereen besefte dat als corona hun dood niet zou worden, nog één minuut binnen dezelfde vier muren dat waarschijnlijk wel zou zijn. In Washington was, net als elders, al een huizentekort, en nu maakten hordes nieuwe kopers die wanhopig op zoek waren naar meer ruimte het nog eens oneindig veel erger. Maar wanneer je een gentrifier bent, is dit het moment waarop je toeslaat. Ian en ik woonden al bijna tien jaar in dat rijtjeshuis. We hadden bijna net zo vaak over de vraag ‘pistoolschoten of vuurwerk?’ gediscussieerd als over ‘Thais of Mexicaans?’ Wanneer je investeert in een buurt die aan het ‘veranderen’ is, weet je dat dat erbij hoort. Aan de andere kant is de opbrengst aan het eind van de rit, zodra de meest populaire restaurants van de stad een paar straten verderop zitten, zodra je op loopafstand van niet een, maar twee biologische supermarkten woont, de reden dat je het volhoudt. Dus ja, ik wist dat we ons forever home niet een-twee-drie zouden

9


vinden, maar dit was duidelijk het moment om ons huis te gelde te maken. En wie kon iets tegen die logica inbrengen toen ons rijtjeshuis, zelfs met een kelder die regelmatig blank stond en een slecht zelf opgeknapte keuken, binnen een weekend van de hand ging voor het dubbele van wat wij ervoor betaald hadden? In eerste instantie leek mijn plan te werken. Binnen een maand nadat we in het appartement getrokken waren, kwam er een huis op de markt dat aan al onze eisen voldeed. Het was een volledig verbouwd jarenveertighuis in koloniale stijl (mijn favoriete stijl), in Grovemont (mijn favoriete buurt), flink onder ons budget. Ik dacht zelfs dat we misschien onze opslagruimte niet nog een tweede maand aan hoefden te houden. Toen kwamen er tweeëntwintig biedingen. Twee-en-twintig, godbetert. ‘Dan hebben jullie nu je eerste biedoorlog achter de rug,’ had Ginny schouderophalend gezegd nadat ze ons verteld had dat het huis voor 25.000 dollar meer was weggegaan dan wij hadden geboden. ‘Het is een soort overgangsritueel, en nu weten we dat we de volgende keer ietsje agressiever moeten zijn.’ Maar dat was tien ‘volgende keren’ geleden. De volgende biedoorlogen verliepen ongeveer hetzelfde, alleen werden de bedragen steeds hoger. We gingen tot 1,1 miljoen dollar en visten dan nog net achter het net. Dus voor het volgende huis krikten we ons budget op tot $1.150.000. Degene die het huis kreeg had hetzelfde geboden, maar kon het in één keer met eigen geld betalen. Nadat we voor de vijfde keer de strijd verloren hadden, liet ik mijn eitjes invriezen. Gewoon voor het geval dat. Op dat moment woonden we acht maanden in het appartement en waren we bijna een jaar bezig zwanger te worden. Dokter Warner

10


had ons ervan overtuigd dat het nog geen zin had met ivf te beginnen; ze denkt nog steeds dat ik op de ouderwetse manier zwanger kan worden zodra de stress van de huizenjacht weg is. En het is waar dat we misschien moeilijker een hypotheek krijgen als we een lening afsluiten voor een aantal ivf-pogingen. Maar wanneer je bijna achtendertig kaarsjes uit mag blazen, kun je geen risico’s meer nemen. Terwijl wij zitten weg te rotten in het vagevuur van de huizenmarkt, weet ik tenminste dat ik een levensvatbaar setje in de vriezer heb liggen. Al moet ik toegeven dat dat niet zo’n geruststellende gedachte is als ik had gedacht. Soms, wanneer ik niet kan slapen, kan ik aan niets anders denken dan: geen huis, geen kind; geen huis, geen kind, en dat in een eindeloze, tergende herhaling. Achteraf gezien waren nummer zes (een splitlevel met een keuken die er helemaal uit moest) en nummer zeven (een best geinig pand in Craftsmanstijl, maar aan een heel drukke straat) losse flodders waar we alleen maar voor leken te gaan omdat we in paniek begonnen te raken. Acht, negen en tien kwamen in zo’n slakkengang op de markt, met tussenpozen van weken, dat ik begon te denken dat het huizenaanbod volledig aan het opdrogen was. Daarom besloot ik, toen nummer elf zich aandiende, dat we extra gas moesten geven. Het was weer een huis in koloniale stijl, een kilometer of vijf verder van het centrum dan we zouden willen, maar nog steeds in het juiste postcodegebied voor de goede scholen. Ze hadden de grootste slaapkamer uitgebouwd zodat er een badkuip in de aangrenzende badkamer paste. De kinderkamer was er pal naast. Ik haalde Ian over ons pensioenpotje aan te spreken zodat we ons budget konden verhogen naar 1,3 miljoen dollar; maar liefst 250.000 dollar boven de vraagprijs. Hoe kon dat nu niet goed genoeg zijn?

11


Tegen de tijd dat Ginny belde, leek het wel of mijn hele zenuwstelsel om de paar seconden een stroomstoot kreeg. We waren uit eten met vrienden, dus ik verontschuldigde me en nam de telefoon op de stoep aan. Er waren verscheidene biedingen binnengekomen. Zeven daarvan, waaronder het winnende bod, konden met eigen geld te betalen. We hadden voor de elfde keer verloren. Ik appte Ian vanaf de stoep en liet het aan hem over om uit te leggen waarom ik niet meer terugkwam en onze helft van de rekening te betalen. Nadat ik het hele weekend mijn bed niet uit geweest was, waar ik lag te huilen en Below Deck lag te bingen, begon hij voorzichtig te hinten dat ik misschien weer in therapie moest. Ik wist hem ervan te overtuigen dat het prima met me ging (want dat was ook zo), maar dat is nu twee maanden geleden. Sinds die tijd is er niets fatsoenlijks beschikbaar gekomen. ‘Waar ging dat over?’ vraagt Ian terwijl hij om het aanrecht heen loopt. Hij lijkt niet te merken dat zijn koffiemok een grote kring op het witte kwartsblad heeft achtergelaten. Ik loop langs hem heen, al op weg om mijn gympen op te halen, die bij de voordeur staan. ‘Ginny zegt dat er een huis is dat misschien wel geknipt voor ons is, en dat we het nu moeten bekijken omdat, luister goed, niemand er nog weet van heeft.’ Hij trekt een wenkbrauw op. ‘Hoe kan dat?’ Net op dat moment pingt mijn laptop. Ik sjees terug naar mijn bureau. ‘Dat leg ik in de auto wel uit. Dat moet een bericht van Travis zijn.’ Ian komt achter me staan, bij het raam dat uitzicht biedt op het verkeer dat ongeduldig door U Street kruipt, terwijl ik intussen het adres in Google Maps intyp. Hij staat zo dicht bij me dat ik de weeïg zoete geur van zijn Old Spice-aftershave kan ruiken. Er is vast een

12


tijd geweest dat ik dat luchtje lekker vond; voor we vastzaten in deze glazen doos, voordat seks alleen maar een confrontatie met onze kinderloosheid was. Ik ga naar Street View en voel me leeglopen als een lekgeprikte ballon. Ian begint te lachen. ‘Hebben wij weer, hoor.’ Voor het huis staat de vrachtwagen van een hovenier geparkeerd. Een man in een hoogwerker is bezig de torenhoge esdoorn te snoeien, waardoor het huis grotendeels uit zicht ligt. ‘Dit is juist goed,’ zeg ik, mijn teleurstelling opzijschuivend. ‘Zulke hoge bomen zijn deels de reden waarom we van deze buurt houden, toch? En we zijn al eens in deze straat geweest, weet je nog? We weten al dat het een leuke straat is.’ Ik moet degene zijn die de moed erin houdt. Want hoeveel huizen we ook mislopen, Ian zal de urgentie van deze zoektocht nooit zo intens beleven als ik. Zelfs na al die biedoorlogen krimpt hij nog steeds in elkaar wanneer Ginny en ik hem eraan herinneren dat zes cijfers boven de vraagprijs bieden normaal is, dat we gewoon geen andere keus hebben. Voor een jurist die bij de overheid werkt is risicomijdend zijn zowat een functievereiste. Bovendien is hij net zo’n teer zieltje als je op grond van zijn één meter tachtig lange golden boy-verschijning zou denken. Hij is opgegroeid met een vader die zijn honkbalteam coachte toen hij klein was en een moeder die hem op zijn verjaardag naar school stuurde met zelfgebakken cupcakes. Twee liefhebbende ouders die ons nog steeds minstens een keer per week bellen om te vragen hoe het gaat. Maar mijn jeugd, hoe chaotisch die ook was, heeft me iets nog waardevollers meegegeven, iets wat Ian, besef ik inmiddels, nooit zal hebben: een onstilbare gedrevenheid. Daarom heb ik de journalistiek opgegeven om drie keer zo veel

13


geld te kunnen verdienen in de pr. En het is de enige reden waarom ik er überhaupt bij hem op heb aangedrongen om dat rijtjeshuis te kopen: zodat we het op een dag met genoeg winst zouden kunnen verkopen om het leven te leiden dat mijn ouders me nooit hebben kunnen geven. ‘Kom op, nou, Ian.’ Ik heb mijn gympen inmiddels aan. Ik doe mijn haar in een lage paardenstaart, waarbij ik tevergeefs de grijze haren probeer weg te stoppen die aan mijn slapen groeien, als zilverdraden tussen het gitzwart. ‘Lief, het spijt me echt, maar zou je het erg vinden om zonder mij te gaan en me te vertellen hoe het was? Ik moet zo naar kantoor,’ zegt hij. ‘Ik heb een lunchvergadering.’ Ik zie dat hij nette kleren aan heeft. Zijn dikke bos blond haar is gladgestreken met gel. ‘Meen je dat nou?’ Hij doet altijd of hij de wereld redt met zijn werk. ‘Ginny moet nú een antwoord hebben, Ian. Sta jij dan niet te springen? Al die maanden zoeken, en zo’n kans hebben we nog nooit gehad. Laten we er snel even heen gaan, dan zet ik je na afloop wel bij kantoor af.’ Hij gaat even verstaan terwijl hij overweegt hoeveel gedoe hij zo vroeg op de dag kan hebben. ‘Oké, dat moet kunnen,’ zegt hij uiteindelijk. ‘Zolang ik maar voor twaalf uur op kantoor ben.’ Ik veeg de koffiekring op het aanrecht af en we gaan de deur uit. We wonen maar een halfuurtje rijden bij het huis vandaan, maar we hadden net zo goed van een andere planeet kunnen komen. De trottoirs in Grovemont zijn smetteloos. Geen weggegooide pizzakorsten of ander afval achtergelaten door twintigers die na sluitingstijd dronken naar huis zwalken. Geen daklozen die je lastigvallen terwijl jij alleen maar je eigen huis binnen probeert te gaan.

14


(Of is het tegenwoordig thuislozen? Of personen zonder vaste woon- of verblijfplaats? Nou ja, wat het ook is, wat ik bedoel te zeggen is dat iedereen hier in Grovemont goddomme in het paradijs woont.) Met die enorme bomen moet het hier in de zomer minstens vijf graden koeler zijn. Dit is het soort oord waar mensen aan het vogelspotten en zelf tomaten kweken slaan. Waar je alleen maar sirenes hoort wanneer de brandweer de kerstoptocht een beetje op wil leuken. Vorige maand is één straat verder bij ons in Shaw een leerling voor zijn school doodgeschoten. Maar een dikke tien kilometer verderop, hier in de meest begeerde buurt in de meest begeerde voorstad van Washington, Bethesda, zal ons kind naar de beste scholen in heel Maryland gaan – misschien wel in heel het land. Uiteraard wist ik dat de buurt perfect zou zijn. Ik ben er al anderhalf jaar totaal door geobsedeerd. Maar wanneer we voor het huis in kwestie stoppen, kan ik bijna niet geloven dat het echt is. Alsof ik, als ik het van opzij zou bekijken, een platte decorset zou zien uit een film met de titel Margo’s Droomhuis of Margo Sterft en Gaat naar de Hemel. Het is een witgeschilderd bakstenen huis in koloniale stijl, met een glanzend zwarte voordeur met twee lantaarns ernaast. Het heeft een weelderige voortuin en bloembakken voor de ramen die ik zou vullen met wat voor bloemen je ook in die dingen zet. Ians moeder kan het me vertellen. Zij is dol op haar bloembakken. Sterker nog, dit huis lijkt verdacht veel op het huis van Ians ouders. En dat voelt als een teken. Ian ziet het ook. ‘Nou, in elk geval vind ik het van buiten fantastisch,’ zegt hij. ‘Het lijkt een beetje op het huis van mijn pa en ma, vind je ook niet?’

15


‘Ik moet de achtertuin zien,’ zeg ik. ‘Wacht, wat? Je kunt niet zomaar de achtertuin inlopen.’ ‘Dat dacht ik wel. Zie je dat hek?’ Ik wijs ernaar door het openstaande raampje van de Prius. ‘Nee, ik bedoel dat je dat niet zomaar mág doen, Margo.’ Hij noemt me alleen maar bij mijn naam als hij echt een punt wil maken, maar ik ben de auto al uit. ‘Kom nou toch, onze auto is de enige in deze straat. Er is niemand thuis. En ik ben in een wip terug.’ ‘Margo, doe dit nou niet.’ ‘Alleen even snel kijken. Zo terug.’ Ja, ja, ik weet het. Dit noemen ze nu privilege. Niemand zal de politie bellen omdat ze een van top tot teen in Lululemon gehuld Aziatisch meisje zien lopen, althans niet in een buurt met zo’n hoog wokegehalte. In bijna elke tuin staat een bord met black lives matter, al durf ik te wedden dat niemand van de bewoners hier zelf zwart is. Als een buurtgenoot me ziet, zeg ik gewoon dat mijn hond ontsnapt is en hierheen gerend is of zoiets. Ik walg er zelf ook van, maar hé, ik maak de regels niet. Ik maak het hek open en loop het natuurstenen tuinpad af dat naar een patio achter het huis leidt. Wanneer ik hem zie, hangend aan een stevige tak van een eikenboom, rechts achter in de tuin, stokt mijn adem. Een schommel van een autoband. Hoeveel huizen hebben we bekeken? Vijfenveertig? Vijftig? En dit is de eerste keer dat ik er eentje gezien heb. Dit voelt niet alleen als een teken, het ís er eentje. Even overweeg ik het gazon over te steken om het ruwe, donkere rubber aan te raken. Maar dan sta ik op open terrein, nog zichtbaarder voor een nieuwsgierige buur die door het slaapkamerraam naar beneden kijkt. Een zacht briesje verkoelt mijn hals; de autoband

16


zwaait een beetje heen en weer. Ik wil er heel graag naartoe, maar voorlopig moet dit maar voldoende zijn. Het is een prachtige dag, maar gisteravond heeft het geregend, dus de loungeset en koffietafel op de patio zijn afgedekt. Het terras heeft een trappetje, en er staat een teakhouten achtpersoonstafel en een ingebouwde buitenkeuken met een gasbarbecue en minikoelkast. Zo te zien hebben ze de achterkant van het huis uitgebouwd, waarschijnlijk om de keuken groter te maken. Na het bezichtigen van tig huizen weet ik dat dit soort verbouwing zo’n beetje standaard is voor een huis als dit. In de lucht trekt een vliegtuig ter grootte van een stipje een wit spoor in de wolkeloze lucht, en het is zo doodstil dat ik heel in de verte het geronk van de motor kan horen. Het gras is nat en smetteloos groen, want het is nog maar april. Het gazon is zo groot dat het als een echte achtertuin voelt, maar ook weer niet zo groot dat het de hele tuin overheerst. We zullen hier voor het eerst in ons leven een grasmaaier hebben; een essentieel bedeltje aan de armband van Succesvolle Volwassenheid. Tijdens de korte, zorgelijke periode dat mijn ouders een eigen huis hadden, veranderde mijn vader in een complete psychopaat waar het de tuin betrof. Dat gazon was te groot, vergde te veel onderhoud. Hij trakteerde zichzelf op een duur ingebouwd irrigatiesysteem, maar toch was er op de een of andere manier altijd wel een bruin plekje, wat hem woedend maakte. Nu besef ik dat het niet echt om het gazon ging. Mijn telefoon trilt in mijn hand. Appje van Ian: Al klaar? Ik weet dat ik met vuur speel, maar ik moet gewoon de keuken zien. Die moet in die aanbouw zitten. Ik sprint het trappetje naar het terras op en zet mijn handen naast mijn ogen zodat ik door de openslaande deuren naar binnen kan

17


kijken. Marmeren bladen op alle aanrechten, en ook op het enorme kookeiland – zo eentje dat vanzelf het bruisende hart van een vrolijk, chaotisch gezinsleven wordt. De vloeren zijn van brede, eiken planken. De kastjes in Shakerstijl, in een warme kleur grijs, met koperen handgrepen. Nu had ik niet gedacht dat er ooit een mooier huis in Grovemont langs zou komen dan dat eerste in koloniale stijl, het huis waar we onze allereerste biedoorlog verloren, maar dit huis is stukken mooier. Het is of ze in mijn hoofd gekeken hebben en daar het perfecte decor voor een perfecte toekomst uit hebben gehaald. Mijn telefoon gaat weer, maar Ian moet maar even wachten, want ik zie mezelf net op een van die rotanbarkrukken aan de koffie zitten. Ik vraag me af of het zou helpen als we ook aanbieden een gedeelte van de meubels over te nemen. Misschien is dat gemakkelijker voor die mensen dan ze mee te verhuizen. Het gasfornuis staat links tegen de muur. Zo te zien is het een Thermador, waarschijnlijk meer waard dan onze Prius. Net achter het raam is een ontbijthoekje. Daar zullen we meestal eten, maar ik zie aan de rechterkant, achter een boogvormige doorgang, ook nog een heuse eetkamer. Dat was een van mijn grootste bezwaren tegen het rijtjeshuis. Met iets meer dan negentig vierkante meter was er geen ruimte voor een echte tafel waar we bijvoorbeeld de eerste verjaardag van ons kindje aan zouden kunnen vieren. Maar hier kunnen we naar hartenlust gasten ontvangen voor de feestdagen en heuse grotemensenetentjes geven. En dan kopen we zo’n wijnkoeler op een standaard. Ugh. Weer getril. Het doet bijna pijn om mijn blik af te wenden, maar ik kijk eindelijk op mijn schermpje. ER STOPT EEN AUTO VOOR HET HUIS.

Gevolgd door: !!!!!!!!!!!!!!!

18


Shit. Ik kijk weer op. Een slanke, goedgeklede man loopt vanaf de voordeur de gang in, zijn gezicht op zijn telefoon gericht. Ik laat me op mijn hurken zakken en kruip naar het trappetje. De nattigheid op het terras dringt door mijn legging heen. De laatste keer dat zoiets gebeurde, was het januari en vroor het buiten. Ian dacht dat ik boodschappen aan het doen was, maar eigenlijk was ik hier in Grovemont, op zoek naar aanwijzingen, maakte niet uit wat, dat iemand zijn huis ging verkopen, toen een wijd openstaande garagedeur van een huis in Cape Codstijl me keihard op de rem deed trappen. Er stonden hoge stapels dozen in de garage. Misschien wel ingepakt met het oog op een aanstaande verhuizing. Vanuit de auto was het onmogelijk om het met zekerheid te zeggen, dus ik parkeerde om de hoek en liep onopgemerkt regelrecht naar binnen. Net toen ik zag dat die dozen gewoon als opslag dienden, hoorde ik ergens de deurknop vanuit huis naar de garage omgedraaid worden. Ik dook weg achter een van de stapels en keek er net ver genoeg omheen om een hand de knop van de garagedeur in te zien drukken. De betonnen vloer onder me trilde tot alles aardedonker was. Ik bleef zitten waar ik zat tot ik mijn tenen niet meer voelde. Uiteindelijk rende ik naar voren en drukte zelf weer op de knop. Ik liet die rotdeur zover opengaan dat ik er net onderdoor kon. Kennelijk had niemand me gehoord, want ik ben heelhuids terug naar de auto gekomen. Daarmee vergeleken is het parket waar ik nu in verkeer zo slecht nog niet. Zodra ik het trappetje van het terras afgekropen ben, kan ik weer opstaan en langs de witte muur wegsluipen tot ik bij het hek ben. Nadat ik snel even om me heen heb gekeken, sjees ik naar de stoep.

19


Er staat een olijfgroene Audi suv voor de deur. Geen spoor van onze aftandse zilverkleurige Prius. Waar is Ian, verdomme? ‘Hé!’ Met een ruk draai ik me om. De man, die nu op de veranda aan de voorkant staat, knijpt zijn mooie ogen tot spleetjes en komt met grote passen op me af.

20


Turn static files into dynamic content formats.

Create a flipbook
Het beste bod - Marisa Kashino Inkijkexemplaar by HarperCollins Holland - Issuu