Skip to main content

Game, set, perfecte match - Gillian King inkijkexemplaar

Page 1


Gillian King

Voor het papieren boek is papier gebruikt dat onafhankelijk is gecertificeerd door FSC® om verantwoord bosbeheer te waarborgen.

Kijk voor meer informatie op www.harpercollins.co.uk/green.

HarperCollins is een imprint van Uitgeverij HarperCollins Holland, Amsterdam.

Copyright © 2026 Gillian King

Omslagontwerp: Villa Grafica

Omslagbeeld: © Adobe Stock

Foto auteur: © Martine van der Moolen Photography

Zetwerk: Mat-Zet B.V.

Druk: ScandBook UAB, Lithuania, met gebruik van 100% groene stroom

isbn 978 94 027 1976 5 isbn 978 94 027 7670 6 (e-book) nur 301

Eerste druk maart 2026

HarperCollins Holland is een divisie van Harlequin Enterprises ULC. ® en ™ zijn handelsmerken die eigendom zijn van en gebruikt worden door de eigenaar van het handelsmerk en/of de licentienemer. Handelsmerken met ® zijn geregistreerd bij het United States Patent & Trademark Office en/of in andere landen.

www.harpercollins.nl

Elk ongeoorloofd gebruik van deze publicatie om generatieve kunstmatige-intelligentietechnologieën (AI-technologieën) te trainen is uitdrukkelijk verboden. De exclusieve rechten van de auteur en de uitgever worden hierbij niet beperkt. HarperCollins maakt tevens gebruik van de rechten onder Artikel 4(3) van de Digital Single Market Directive 2019/79 en het uitvoeren van tekst- en datamining op deze publicatie is niet toegestaan.

Niets uit deze uitgave mag openbaar worden gemaakt door middel van druk, fotokopie, internet of op welke andere wijze dan ook zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de uitgever. Het e-book is beveiligd met zichtbare en onzichtbare watermerken en mag niet worden gekopieerd en/of verspreid.

Alle in dit verhaal voorkomende personen zijn ontleend aan de fantasie van de schrijver. Elke gelijkenis met bestaande personen berust op toeval.

Mette

Björn de Graaf.

Ik voel een doffe pijn bij het horen van die naam. Mijn hoofd voelt mistig, gevangen tussen toen en nu. Zeg iets. Reageer. Mijn mond weigert te bewegen.

Zijn naam is onlosmakelijk verbonden met de ergste nacht van mijn leven.

Rutger leunt naar voren, zijn ogen glimmend van enthousiasme.

‘Dit is dé kans, Mette,’ zegt hij nogmaals, alsof ik niet heb gehoord wat hij net zei. ‘Een documentaire over een van de grootste tennissers die Nederland ooit heeft gekend. Zijn comeback. Zijn strijd. Dit kun je niet weigeren.’

Ik ga wat rechter zitten. Professioneel blijven. Rutger heeft gelijk. Dit is een kans die ik niet kan laten schieten. Mijn eerste grote, internationale opdracht. Dit is waar ik al jaren op hoop.

Maar ik weet ook wat er gebeurt als ik mijn ouders over deze opdracht vertel. Mijn moeder zal haar lippen op elkaar persen zoals ze altijd doet als het over Björn gaat. Mijn vader zal zich terugtrekken in de tuin en zich richten op onkruid dat alleen in zijn hoofd woekert.

‘Waarom ik?’ Mijn stem klinkt vlakker dan ik me voel.

‘Waarom niet? Je hebt talent.’

‘Dit soort opdrachten gaan toch eigenlijk altijd naar Winston?’ zeg ik vertwijfeld.

‘Winston is goed, maar jij…’

Hij wacht even en kiest zijn woorden zorgvuldig.

‘Jij hebt iets wat dit project nodig heeft. Een frisse wind. Bovendien,’ gaat Rutger verder, terwijl hij met een vinger langs de rand van zijn koffiekopje glijdt, ‘heeft Winston het vast te druk. Jij bent de perfecte kandidaat.’

De perfecte kandidaat. Het zou als een grote overwinning moeten voelen. In plaats daarvan knaagt er iets aan me. Als ik deze opdracht aanneem, open ik een deur die hermetisch gesloten zou moeten blijven.

‘Dus?’ Rutger kijkt me verwachtingsvol aan. ‘Ga je het doen?’

Zo’n mogelijkheid krijg ik maar één keer. Ik dwing mezelf te knikken. ‘Ja.’

Rutger glimlacht. ‘Goed. Ik stuur je straks alle details. Dit wordt groot, geloof me.’

Terwijl ik opsta en mijn vest van de stoel pak, schreeuwt alles in mij dat ik moet weigeren. Dat ik dit moet afkappen voordat het te laat is. Toch blijf ik stil.

Dit wordt groot. Ongetwijfeld. Maar tegen welke prijs?

Mette

Ze zeggen geen woord. Geen van beiden. Ik weet niet wat erger is: dat ze tegen me zouden schreeuwen, of deze beklemmende stilte.

‘Een documentaire? Over Björn?’ zegt mijn moeder uiteindelijk.

Ze werpt een snelle blik op mijn vader, die roerloos voor zich uit staart. Ik ben eerlijk gezegd verbaasd dat hij nog niet is opgestaan om de tuin in te vluchten.

Dan gebeurt dat alsnog. Zonder iets te zeggen schuift hij zijn stoel naar achteren. Het geluid schraapt door de kamer. Met grote passen beent hij naar de achterdeur. Mijn moeder volgt hem met haar ogen, maar zegt niets. Zij weet net zo goed als ik dat dit zijn manier is om niet te ontploffen.

De deur naar de tuin gaat open en slaat met een doffe klap weer dicht.

Even is het stil. Dan zie ik hem door het raam. Handen diep in zijn zakken, schouders strak omhooggetrokken. Zijn lichaam toont emoties die hij al jaren niet uitspreekt.

Ik slik.

Goed gedaan, Mette. Echt netjes. Alsof er nog niet genoeg kapot is hierbinnen.

Ik probeer mijn aandacht bij mijn moeder te houden, maar het lukt niet. Mijn ogen blijven terugschieten naar die gebogen rug in de tuin. Arme pap.

‘Waarom uitgerekend deze opdracht? Waarom hij?’ doorbreekt mijn moeder de stilte.

‘Het is mijn werk, mam. Het is een enorme kans.’

Ze wrijft met haar duim over haar slaap, een gebaar dat ze alleen maakt bij migraine of bij een telefoongesprek met tante Manja, wat eigenlijk min of meer hetzelfde is.

‘Je weet wat hij heeft gedaan.’

Haar blik glijdt langs me heen, naar de ingelijste foto van Kees aan de muur. Mijn broer. Hun enige zoon.

‘Ik weet het,’ fluister ik. ‘Maar…’

Mijn stem breekt halverwege. Maar wat? Is er eigenlijk wel een maar? Of ben ik gewoon een egoïst, blind voor wat dit hun kost?

Ik friemel aan het bandje van mijn horloge, op zoek naar een antwoord dat daar niet te vinden is.

Ik heb hier zó hard voor gewerkt. Dit is de kans waar ik al die jaren op heb gewacht. Mijn eerste grote, internationale project. Als ik nu weiger, wat zegt dat dan over mij? In een wereld waar mannen de regels bepalen, kan ik het me niet permitteren om me te laten leiden door emoties. Het voelt als nu of nooit.

‘Ik ga het doen, mam,’ zeg ik vastberaden. ‘Ik kan deze kans niet laten schieten.’

De temperatuur in de kamer lijkt een paar graden te dalen. Even opent ze haar mond, alsof ze nog iets wil zeggen. Dan drukt ze haar lippen strak op elkaar en richt zich weer op de foto van Kees. Alsof ze hoopt dat hij elk moment uit dat lijstje kan stappen om haar gelijk te geven.

Een paar uur later zit ik met een hoofd vol twijfels op mijn balkon. Ik adem de koele avondlucht in om rustig te worden, maar het helpt niet. Ik blijf maar malen.

Met samengeknepen ogen staar ik naar mijn laptop. Een afbeelding van Björn vult mijn scherm.

Oké, eerlijk is eerlijk, hij is bijzonder goed opgedroogd. Zijn kaaklijn is strakker dan een Instagramfilter. Nog steeds dat haar waar een shampoocommercial jaloers op zou zijn. Brede schouders, een rug die verraadt hoeveel uren hij op de baan heeft gestaan.

Ik kijk naar zijn ogen. Strak. Blauw. Gefocust. Niet zoals vroeger, toen zijn blik altijd iets afwezigs had. Alsof hij er wel was, maar nooit helemaal.

Opgeslokt door alles wat zich in zijn hoofd afspeelde.

Nu is dat weg. Nu kijkt hij recht door je heen. Vol zelfvertrouwen.

Dat is blijkbaar wat winnen met je doet.

Ik probeer mijn hoofd tot rust te dwingen. Hoe ga ik dit aanpakken?

Normaal gesproken zou ik meteen contact opnemen met de persoon die we gaan volgen. Een enthousiast mailtje sturen, voorstellen om eerst even een kop koffie te drinken, de eerste lijntjes van vertrouwen uitzetten.

Een goede documentaire valt of staat met een klik. En met heldere afspraken natuurlijk. Weten waar de grenzen liggen, waar de gevoeligheden zitten. Het is een proces van aftasten en opbouwen, van iemand het gevoel geven dat zijn verhaal in veilige handen is.

Maar dit is anders. Dit is Björn.

Ik ken hem.

Ik kénde hem.

De beste vriend van mijn broer. Ons huis was als een thuis voor hem. Hij was geen gast, maar voelde net zo vertrouwd als de vlekken op het tapijt.

Misschien moet ik Rutger mailen en zeggen dat ik dit toch niet kan doen. Mijn ouders hebben gelijk. Na alles wat er gebeurd is, ben ik de laatste die deze documentaire zou moeten maken.

Mijn gedachten draaien in cirkels, compleet vastgezogen in twijfel, tot mijn telefoon begint te trillen. Het is Paul. Natuurlijk is het Paul.

Met een diepe zucht neem ik op. ‘Ja?’

‘Holy shit, heb je die mail van Rutger al gezien? Dit is huge.’

Ik wrijf met mijn vrije hand over mijn voorhoofd. ‘Ja, ik weet het.’

‘Een documentaire over Björn de Graaf, in opdracht van Eurosport. Dit is de doorbraak waar we op hebben gewacht. Serieus, hoe heb je dit geflikt?’

Zijn stem trilt van opwinding.

‘Ik heb niks geflikt, Rutger kwam ermee,’ mompel ik.

‘Nou, dan moet je Rutger snel een bloemetje sturen, want dit is goud. We gaan met een van de grootste sporters van Nederland werken. Wij! Hoe mooi is dat?’

‘Ja, geweldig,’ zeg ik, maar ik klink allesbehalve opgewekt.

Paul is even stil. Ik ken hem langer dan vandaag, langer dan wie dan ook in dit vak. We hebben samen de eindeloze dagen op lowbudgetsets overleefd, de nachten vol montage en koud geworden fastfood, het kei-

harde werken zonder zekerheid of erkenning. Hij is niet alleen mijn vaste cameraman, hij is mijn maatje.

‘Vergis ik me of klink je helemaal niet blij? Wat is er?’

Ik zucht nog eens diep. Zo’n zucht die ik normaal bewaar voor de vochtproblemen in dit appartement. ‘Ik twijfel. Aan zo’n beetje alles.’

‘Hoezo? Vanwege Björn? Omdat hij…’ Hij kapt zijn eigen zin af. ‘Het is toch gewoon werk? Dit is je droom, Met. Hier heb je jarenlang naartoe gewerkt.’

Ik knijp mijn ogen dicht. ‘Ik weet het.’

‘Dus wat houdt je tegen?’

‘Mijn ouders. Ze haten alles wat met Björn te maken heeft.’

Paul snuift. ‘Met alle respect, dat is hun probleem, niet het jouwe.’

‘Het is mijn probleem als het betekent dat ik hun pijn doe.’

‘Het is jouw leven. Je hebt hier al zo lang voor geknokt. En eerlijk… voor mij is dit ook niet niks.’ Hij klinkt fel en bezorgd tegelijk. ‘Als je nu nee zegt, dan weet ik zeker dat je daar later spijt van krijgt.’

Ik knik zachtjes. Hij kent me door en door.

‘En… als jij dit niet doet, wie dan wel? Winston van Dam?’

Zijn naam alleen al roept de Hulk in mij naar boven. Winston? Dat mocht hij willen. Ik zie het al voor me. Zijn zelfingenomen grijns als hij míjn documentaire maakt, míjn kans grijpt. No way.

Ik adem diep in en ga op het puntje van mijn stoel zitten.

‘Oké,’ zeg ik vastberaden. ‘We doen het.’

Mette

Ik trommel met mijn vingers op het tafelblad terwijl ik naar de deur blijf staren. Hij kan hier elk moment zijn.

Björn de Graaf.

Een week geleden heb ik hem gemaild om af te spreken. Kort, zakelijk, zonder al te veel poespas. Hij antwoordde sneller dan verwacht met een voorstel voor deze ochtend. Ik koos bewust voor een koffietentje. Neutraal terrein, waar we allebei genoeg afstand kunnen bewaren.

Ik heb het gevoel dat ik naar de wc moet. Alwéér.

Mijn blik glijdt langs de mensen om me heen. Een oudere man verdiept in zijn krant, een stel dat zo in elkaar opgaat dat de rest van de wereld niet lijkt te bestaan, een jong meisje achter de toonbank.

Voor hen is dit een doodnormale ochtend. Voor mij voelt het alsof ik op het punt sta de grens naar een mijnenveld over te steken.

De deur zwaait open. Koude lucht waait naar binnen. Ik zie hem, maar ik richt me bewust op mijn koffie. Mijn vingers klemmen zich steviger om het kopje heen. Even weet ik me geen houding te geven, maar ik herpak me snel. Professioneel blijven. Je bent hier als documentairemaker, niet als het zusje van Kees.

Als ik opkijk, zie ik dat alle hoofden in het koffietentje zich naar hem omdraaien. Gesmoorde stemmen, blikken die langer blijven hangen dan beleefd is. Mensen herkennen hem. Natuurlijk doen ze dat. Hij is Björn de Graaf, sportheld van Nederland. Love him or hate him, je kunt niet om hem heen.

Hij draagt een donkere wollen jas. Zijn rechte houding maakt hem nog langer dan in mijn herinneringen. Zijn blonde haar zit net iets te nonchalant, waardoor je weet dat hij er juist veel zorg aan heeft besteed. Maar het zijn vooral zijn ogen die opvallen. Blauw, doordringend.

Hij strijkt met een hand door zijn haar en kijkt rond. Dan vindt hij me. Ik hef mijn kin een beetje op.

Zijn blik blijft rusten op mijn gezicht. Hij glimlacht wat ingehouden. Ik dwing mezelf om terug te lachen. Beleefd, maar gereserveerd.

We zijn vreemden geworden. Alsof er nooit een tijd is geweest waarin hij bij ons aan tafel zat en mijn moeder hem grappend haar ‘extra zoon’ noemde. Die zomeravonden waarop Kees en hij tot diep in de nacht in de tuin zaten te lachen, terwijl ik vanuit mijn raam stiekem toekeek. Toen was hij nog gewoon Björn, de jongen die mijn broer tot tranen toe aan het lachen kreeg. Die er gewoon bij hoorde, die onderdeel was van ons gezin.

Het steekt. Al die herinneringen lijken bij een leven te horen waar ik geen toegang meer toe heb.

‘Goedemorgen,’ klinkt het kalm.

‘Goedemorgen,’ antwoord ik. Ik gebaar naar de stoel tegenover me. ‘Superfijn dat je er bent.’

Hij trekt zijn jas uit, hangt hem over de rugleuning en neemt plaats. Even is er alleen stilte. Ik kijk toe hoe hij een espresso bestelt bij de serveerster die zichtbaar nerveus toesnelt. Het valt me nog mee dat ze geen selfie met hem wil maken.

Al moet ik toegeven, ook ik ben wel een beetje onder de indruk. Niet van zijn status, niet van de fluisteringen om ons heen, maar van… hem. Hoe hij daar zit. Kalm, vol zelfvertrouwen. Helemaal niets kan hem van zijn stuk brengen. Het overvalt me, want dat is niet hoe ik me hem herinner.

Toch, als ik langer kijk, zie ik hem weer. Die onrustige jongen van vroeger, die altijd zijn hand door zijn haar haalde wanneer hij onzeker was, op zoek naar een paar seconden respijt.

‘Jij een koffie?’ vraagt hij dan.

Ik tik met mijn wijsvinger tegen mijn kopje. ‘Nee, dank je, ik heb nog.’

Hij kijkt even naar het tafelblad, alsof hij zich moet herpakken. Ik heb hetzelfde gevoel. Het verleden staat nu al tussen ons in.

‘Hoe, eh… Hoe is het met je?’ vraagt hij uiteindelijk. ‘Ik heb je lang niet gezien.’

‘Goed, hoor,’ zeg ik. ‘Met jou?’

Hij knikt langzaam. ‘Ook goed.’

‘Mooi.’

Zijn hand rust op de rand van de tafel. Ineens weet ik weer hoe diezelfde hand ooit een arm om mijn schouder sloeg toen ik huilend thuiskwam van een mislukte toets. Beschermend. Bijna net zo beschermend als Kees.

Snel duw ik die herinnering weg. Ik wil niet terugdenken aan toen. Niet nu, niet hier.

‘En, eh… hoe gaat het met je ouders?’ vraagt hij zonder me echt goed aan te kijken.

‘Prima, hoor.’ Ik glimlach bijzonder onwennig. Mijn vingers tikken zachtjes tegen mijn dijbeen. Ik zoek naar woorden, maar er komt niets. Dit gesprek sterft nu al een stille dood.

Kom op, Mette. Normaal doen.

‘Nou,’ zeg ik uiteindelijk, met iets te veel nadruk. ‘Leuk dat we gaan samenwerken. Het lijkt me goed om…’ Ik aarzel en schraap mijn keel. ‘… om even door te nemen hoe we dit gaan aanpakken. Ik heb gisteren ter voorbereiding een videocall gehad met de mannen van Eurosport, maar ik wil natuurlijk ook weten hoe jij het voor je ziet. Welke afspraken we maken, wat je wel en niet wilt bespreken in de documentaire. Gewoon even alles doornemen samen.’

‘Dus je wilt… afspraken maken?’ Hij zegt het alsof ik net heb voorgesteld om samen belastingaangifte te doen.

‘Niet per se afspraken, meer richtlijnen. Dan weten we allebei waar we aan toe zijn.’

Björn kijkt me net iets te lang aan. ‘Ik ga niet vooraf een lijstje maken van wat je wel of niet mag vragen. Het is jouw documentaire.’

‘Dat begrijp ik, maar ik wil geen tijd verspillen aan vragen die je toch niet gaat beantwoorden. Ik wil een persoonlijk portret, maar ik neem aan dat je niet wilt dat bepaalde onderwerpen aan bod komen.’

‘Zoals?’

‘Zoals…’ Ik maak een snuivend geluid. ‘Ik denk dat we allebei wel weten waar ik op doel.’

Er hangt een voelbare spanning tussen ons in, als onweer dat maar niet losbarst. De hele ochtend worstel ik al met het schurende gevoel onder mijn huid, maar dit voelt als het breekpunt.

Björn leunt iets achterover in zijn stoel, zijn blik ondoorgrondelijk.

Zijn vingers tikken traag op de armleuning. ‘Nou? Zeg het maar,’ klinkt het kalm, maar zijn ogen fonkelen fel.

Ongemak vult mijn maag. Dit is dus precies wat ik níét wilde. Dit is werk. Een documentaire. Geen emotionele shitshow.

‘Ik heb het uiteraard over Kees en alles wat er is gebeurd,’ zeg ik zo neutraal mogelijk.

Zijn kaak spant zich aan. Eén seconde. Twee. Het is bijna onzichtbaar, maar ik zie het.

‘Kees… is er niet meer,’ zegt hij vlak.

Ik klem mijn vingers om mijn pen. ‘Dat weet ik. Maar hij is ook de reden dat jij hier nu zit. Dat jij… bent geworden wie je bent.’

‘Is dat zo?’

Het ongemak in zijn stem ontgaat me niet, maar ik dwing mezelf om hem recht aan te kijken. Ik weiger te laten merken hoe moeilijk dit is. Voor mij, voor hem. Voor iedereen eigenlijk. ‘Ik weet het zeker.’

Hij ademt langzaam uit, alsof hij zichzelf onder controle moet houden. Dan buigt hij zich iets naar me toe. ‘Zullen we de aannames gewoon achterwege laten?’ zegt hij koeltjes. ‘Dat lijkt me beter voor ons allebei.’

‘Goed,’ zeg ik met een flauw glimlachje. Niet nu al het gevecht aangaan. We moeten tenslotte een team vormen. ‘Dan hou ik het bij feiten.’ Maar nog voor ik de volgende zin kan formuleren, hoor ik mezelf iets totaal anders zeggen. ‘Al vraag ik me serieus af of dit wel gaat werken.’

Het floept eruit voor ik mezelf kan tegenhouden. Mijn mond heeft wel vaker een eigen wil. ‘Ik bedoel… dit hele project. Jij. Ik. Mijn ouders. Het voelt gewoon… niet goed.’

Hij buigt zich iets naar voren, zijn ogen scherp op me gericht. ‘Als dat zo is, waarom ben je hier dan?’

‘Omdat dit een kans is die ik niet kan laten schieten. Ik zou gek zijn om het niet te doen.’ Ik plant mijn voeten steviger op de grond. ‘Dáárom ben ik hier.’

Hij kijkt me aan. Ik kan hem lastig peilen. Dan knikt hij langzaam. ‘Eerlijk antwoord,’ klinkt het goedkeurend.

‘Ik snap dat jij natuurlijk liever had gezien dat Winston van Dam dit op zich zou nemen.’

‘Winston is ervaren, hij weet hoe dit soort producties werken,’ antwoordt hij.

Ik grimas. ‘Precies. Dat bedoel ik.’

‘Maar goed, we moeten het ermee doen, toch? Of wil je de handdoek nu al in de ring gooien?’

Mijn lijf spant zich aan. We moeten het ermee doen. Fijn, niets motiveert zo goed als weten dat je eigenlijk plan B was.

Ik dwing mezelf om mijn gezicht in de plooi te houden. Natuurlijk zou hij liever een gelikte, ervaren documentairemaker willen. Iemand met status. Niet iemand zoals ik, die feitelijk nog aan het begin van haar carrière staat. Maar dat betekent niet dat ik niet goed ben.

Ik bestudeer hem terwijl hij naar buiten staart. Hij lijkt het verkeer interessanter te vinden dan dit gesprek. De stilte tussen ons is net te stroef om comfortabel te zijn.

Ik weet niet of ik hem vertrouw. Maar hij vertrouwt mij duidelijk ook niet.

Dit wordt nog wat.

Turn static files into dynamic content formats.

Create a flipbook
Game, set, perfecte match - Gillian King inkijkexemplaar by HarperCollins Holland - Issuu