Maggie Leffler DE VROUW DIE IN DE WOLKEN LEEFDE Vertaling Marjet Schumacher
Voor het papieren boek is papier gebruikt dat onafhankelijk is gecertificeerd door FSC® om verantwoord bosbeheer te waarborgen. Kijk voor meer informatie op www.harpercollins.co.uk/green. HarperCollins is een imprint van Uitgeverij HarperCollins Holland, Amsterdam. Copyright © Oorspronkelijke titel: The Secrets of Flight Copyright Nederlandse vertaling: © HarperCollins Holland Vertaling: Marjet Schumacher Omslagontwerp: HarperCollins Holland Omslagbeeld: © Collaboration JS / Trevillion Images; © Jason W / GettyImages Zetwerk: Mat-Zet B.V., H % groene stroom Druk: Scandbook UAB, Lithuania, met gebruik van (e-book) Eerste druk april Derde druk februari Originele uitgave verschenen bij HarperCollins Publishers LLC, New York, U.S.A. Deze uitgave is uitgegeven in samenwerking met HarperCollins Publishers LLC. HarperCollins Holland is een divisie van Harlequin Enterprises ULC. ® en ™ zijn handelsmerken die eigendom zijn van en gebruikt worden door de eigenaar van het handelsmerk en/of de licentienemer. Handelsmerken met ® zijn geregistreerd bij het United States Patent & Trademark Office en/of in andere landen. www.harpercollins.nl Elk ongeoorloofd gebruik van deze publicatie om generatieve kunstmatige-intelligentietechnologieën ( -technologieën) te trainen is uitdrukkelijk verboden. De exclusieve rechten van de auteur en de uitgever worden hierbij niet beperkt. HarperCollins maakt tevens gebruik van de rechten onder Artikel ( ) van de Digital Single Market Directive / en het uitvoeren van tekst- en datamining op deze publicatie is niet toegestaan. Niets uit deze uitgave mag openbaar worden gemaakt door middel van druk, fotokopie, internet of op welke andere wijze dan ook zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de uitgever. Het e-book is beveiligd met zichtbare en onzichtbare watermerken en mag niet worden gekopieerd en/of verspreid. Alle in dit verhaal voorkomende personen zijn ontleend aan de fantasie van de schrijver. Elke gelijkenis met bestaande personen berust op toeval.
Hoofdstuk 1
Sarah zien Het was op mijn zevenentachtigste verjaardag dat mijn zus Sarah de vergaderruimte van de Carnegie Library binnenstapte. Op de een of andere manier was ze nog steeds een jong meisje van een jaar of vijftien met lichtblond haar dat in een enkele vlecht langs haar rug hing, net als toen ze in de klimboom in de achtertuin was geklauterd en appels had gegooid naar mij, beneden op de grond. Ik wist uiteraard dat het mijn zus niet kon zijn. Misschien was het feit dat ik Sarah meende te zien het zoveelste symptoom van ouderdom. Hoe ouder ik word, hoe meer iedereen die mijn pad kruist me immers doet denken aan iemand van wie ik ooit heb gehouden. Ik had niet het minste vermoeden dat door toedoen van het meisje met de vlecht alles wel eens anders zou kunnen worden. De dag was begonnen als elke andere dag, ook al was het mijn verjaardag. Toen de dokter belde in verband met de uitslagen van mijn recente botdichtheidsmeting, was ik desalniettemin dankbaar voor het minimale vleugje menselijk contact. ‘Dus het is officieel,’ zei ik toen ik het nieuws hoorde. ‘Je zegt dat ik een oud dametje ben.’ De 7
dokter grinnikte, om vervolgens weer een nieuwe pil aan te prijzen – eentje voor osteoporose deze keer, die mogelijk een heupfractuur kan voorkomen én plotselinge, onomkeerbare blindheid kan veroorzaken bij bepaalde mensen die daar gevoelig voor zijn. ‘Eerlijk gezegd zou ik op dit punt in mijn leven dolblij zijn met een heupfractuur – als-ie maar fataal is,’ antwoordde ik. ‘Mrs. Browning, bent u depressief?’ vroeg de dokter bloedserieus, de goede ziel. Dus ik jokte een beetje en zei tegen deze vriendelijke jonge dame, die waarschijnlijk ongeveer half zo oud was als mijn zoon David: ‘Lieve schat, net zoals een jong iemand uitkijkt naar een verjaardag, ben ik onwillekeurig een tikje nieuwsgierig naar wat precies mijn einde zal zijn. Jij mag dan misschien de luxe hebben die afleiding heet, maar voor mij is de dood mijn eerstvolgende grote evenement.’ Toen de dokter stilviel, wachtte ik tot ze zou ophouden met het documenteren van ons gesprek in die godvergeten computer, tot de blijdschap zou doorklinken in haar stem zodra het misschien tot haar doordrong dat mijn geboortedatum overeenkwam met de datum waarop ze belde. ‘Mrs. Browning,’ zei ze ten slotte. ‘Bent u suïcidaal?’ Dit was zoiets totaal anders dan de felicitaties waarop ik had gehoopt dat ik begon te lachen. Mijn grap pakte totaal verkeerd uit. Ik verzekerde haar dat ik absoluut niet van plan was om de verrassing te bederven. Hoewel het idee van het eeuwige leven zijn aantrekkingskracht op mij allang had verloren, was het niet zo dat ik mijn bestaan niet op waarde schatte. Ik had dingen om naar uit te kijken… Nou ja, één ding, en dat was mijn schrijfclubje, een wekelijkse bijeenkomst van senioren die worstelden met het schrijven van hun memoires. Herb 8
Shepherd schreef over opgroeien in Pittsburgh, in de tijd dat we nog blikkietrap speelden op straat en al ons wasgoed voor het middaguur binnen moesten halen, voordat onze shirts zwart werden van het roet van de staalfabrieken. Victor Chenkovitch schreef hartverscheurende persoonlijke essays over zijn tijd in een concentratiekamp. Jean Fester schreef afschuwelijk proza over haar talloze gezondheidsproblemen die haar nog niet – tot op heden – fataal waren geworden. En dan was er natuurlijk nog de andere Gene, Gene Rosskamp, die vooral leek te komen opdagen vanwege de vrouwen, of ‘jongedames’, zoals hij ons met een knipoog noemde. Niemand koesterde enige hoop op publicatie – althans, niemand behalve Selena Markmann, die novellen schreef over huiselijk geweld met een ‘goede afloop’, waarbij de agressor altijd berouw toonde en met diamanten kwam aanzetten. Ze vroegen me niet om voorzitter van het clubje te worden omdat ik essayist was met een publicatie op mijn naam – ze hadden geen van allen mijn boek gelezen, en ze konden het ook nergens vinden, aangezien de uitgever het Juffrouw Bixby neemt een vrouw had gedoopt, naar mijn essay-met-een-knipoog over het feit dat mannen niet de enigen waren die een liefhebbende partner nodig hadden die de rommel achter hun kont opruimt. Zelfs voordat het in 1958 uitverkocht raakte, had de verzameling essays nooit veel media-aandacht gekregen, afgezien van een handjevol neerbuigende recensies waarin werd beweerd dat het een ‘lesbisch manifest’ was dat ‘de engel in huis pal onder Virginia Woolf vandaan stal’. Ze vroegen me niet om voorzitter van het clubje te worden omdat ze wat ik schreef fantastisch vonden – sterker nog: in de elf jaar dat ik deel uitmaakte van het clubje, had ik maar één kort verhaal ingeleverd. Elke keer dat ik een pen oppakte om te beginnen, krabbelde die 9
hortend over het papier heen en weer in mijn bevende hand, zonder ook maar iets van betekenis achter te laten. De ware reden waarom ik elke dinsdagavond van zes tot acht de leiding had in de bibliotheek in Squirrel Hill? Ik had hun verteld dat ik in mijn vorige leven hoofdredacteur was geweest bij een inmiddels ter ziele gegane uitgeverij in New York. Het was een terloopse opmerking die ik ooit had gemaakt tegen Gene Rosskamp nadat hij zich aan me had voorgesteld in de postkamer van onze appartementenflat. ‘Waar kom je vandaan?’ had hij gevraagd, mijn hand op en neer pompend terwijl ik mijn catalogi en rekeningen omklemde, van mijn stuk gebracht door de aanwezigheid van deze opdringerige, dikbuikige, witharige wildvreemde in zo’n kleine ruimte. Maar toch waardeerde ik de vraag. Het was voor het eerst sinds ik weer in Pittsburgh was komen wonen dat ik iemand tegenkwam die aannam dat ik ooit ergens anders was geweest. ‘New York,’ zei ik, terwijl hij achter me aan liep, de lobby in, en hij zei: ‘Wauw!’, alsof hij had verwacht dat ik zou zeggen: ‘De andere kant van de wijk.’ Gelukkig vroeg hij me niet hoe ik hier was beland – de vraag die ik mezelf stelde sinds mijn man Sol vorig jaar was overleden en ik het besluit had genomen om terug te verhuizen naar de stad die ik al zestig jaar niet meer mijn thuis noemde. ‘Wat deed je in New York?’ vroeg Gene in plaats daarvan, en toen ik zei dat ik redacteur was geweest – hemeltjelief, toen werden zijn blauwe ogen groot. ‘Bij een tijdschrift?’ Ik schudde mijn hoofd. ‘Boekenredacteur. Voornamelijk romans. En wat memoires.’ Toen hij uitriep: ‘Mary Browning, je bent precies het meisje op wie ik heb gewacht!’, voelde ik me weer net een jonge piloot in opleiding, vrilles en overtrekken oefenend in de lucht. ‘We hebben een 10
clubje – van schrijvers! En onder ons gezegd en gezwegen: Millie doet het niet bepaald flitsend.’ ‘Millie?’ vroeg ik, en ik probeerde mijn glimlach om te buigen naar een bezorgde blik, maar dat lukte niet. ‘Millie Wisnicki, “eindredacteur” – van de Wisnicki Cousin Camp Chronicles. Ik zal je de waarheid vertellen,’ voegde Gene eraan toe, terwijl hij zich dichter naar me toe boog en praatte achter de rug van zijn hand – het gebaar van iemand die fluistert, alleen stond hij te schreeuwen. ‘Als het aan haar lag, zou de club veranderen in een naaikransje!’ Toen lachte hij en sloeg zich op zijn knie, en ik wist niet wat ik moest denken van deze vreemde, luidruchtige man, afgezien van het feit dat hij me zowaar aan het lachen had gemaakt. Ik ging met Gene mee naar de eerstvolgende bijeenkomst, en naar die daarna, en toen elke dinsdag in de tien jaar die daarop volgden. Na de onverwachte dood van Millie Wisnicki tijdens haar koolmonoxideslaap in het afgelopen voorjaar, stelde Gene voor om het stokje aan mij door te geven. Ik nam mijn taak heel serieus, of liever gezegd: ik nam hen heel serieus. Die flauwekul van de sandwichformule – twee sneetjes complimenten waar je elk leverworstplakje kritiek tussen klemt – kwam op mijn menukaart niet voor. Als ik van hun proza de neiging kreeg om mezelf van kant te maken, dan voelde ik me genoodzaakt om hun dat te vertellen. Aan de andere kant: als ze iets in me losmaakten, een of andere vergeten vibrerende emotie – verrassing, bijvoorbeeld, of zelfs hoop –, dan biechtte ik dat ook op. Ik wilde dat deze mensen goed schreven. Het was immers voor het nageslacht. Mijn dokter zou nooit hebben kunnen dromen dat ik een vrouw met een passie was. Hetzelfde gold voor mijn kruidenier Gary, een tamelijk jonge vent, halverwege de vijftig en kaal, die elke week weer 11
verbaasd leek dat mijn hart nog steeds klopte. Mijn verjaardag vormde uiteraard geen uitzondering, toen hij met pijn en moeite specerijen voor me van de bovenste plank viste. Hij deed alsof ik puur om hem te treiteren nog niet had ingetekend op Tafeltje Dekje. In werkelijkheid had ik weliswaar een tremor in mijn handen, maar ik kreeg het desondanks nog steeds voor elkaar om zelf te koken – kippensoep en appelmoes zonder pakjes of zakjes, en als ik zin had in iets zoets mijn eigen rugelach. Ik mocht de afgelopen achttien jaar dan geen auto meer hebben gereden, maar ik had mijn rijbewijs wel steeds laten vernieuwen, want je wist maar nooit. Ik droeg nog altijd, elke week, mijn lakleren pumps met wreefbandje en laagjeshak voor een korte wandeling naar de bibliotheek. Ik was geen moment bang voor de dood of voor spleten in de stoep. Ik was wel bang – in gelijke mate – voor langdurig lijden en achteruit inparkeren, praktisch alle medicijnen en voor verpleegtehuizen. Maar mijn grootste angst was dat ik geen eigen stem zou hebben. Wanneer ik betaalde voor mijn kop koffie met een broodje en de paar potjes specerijen voor mijn provisiekast, ging dat volgens een vast ritueel waarbij Gary toekeek terwijl ik zorgvuldig het bedrag uittelde voordat hij de tijd nam om het na te tellen – tot op de laatste cent, alsof ik in het voorgaande decennium ooit ook maar één keer verkeerd had geteld. ‘U bent werkelijk een fantastische vrouw, Mrs. B,’ zei hij, zoals hij altijd deed, terwijl hij de kwartjes en dubbeltjes in de kassa liet vallen. Ik voelde me nooit gevleid. Het was ronduit beledigend dat het feit dat ik kon tellen werd beschouwd als mijn grootste prestatie. Niettemin bracht de status van oud dametje kleine voordelen met zich mee, besloot ik. Zoals in de Carnegie Library, waar ik de verga12
derzaal binnen kon glippen met mijn smokkelwaar van een kop koffie en een papieren zak met brood, zonder dat de beveiligingsagent een kik gaf. In de donkere gelambriseerde ruimte was ons clubje zich al aan het verzamelen en werd er druk gekletst over hun schattige kleinkinderen, hun fascinerende reizen en hun ophanden zijnde operaties. ‘Hoe is het met de meisjes?’ vroeg Herb Shepherd aan mij nadat hij me een foto had laten zien van zijn achterkleinzoon in een honkbaltenue. ‘Josie en Hazel, toch?’ ‘Fantastisch. Al heel volwassen,’ zei ik, kloppend op mijn lege zakken alsof ik naar eigen beeldmateriaal zocht. Ik boog me naar hem toe en fluisterde: ‘En Tyler heeft de baan bij Microsoft gekregen!’ Herbs ogen werden groot van blijdschap, terwijl Selena Markmann de aandacht opeiste met een tikje van haar potlood op de tafel. ‘Goed nieuws, mensen. Mijn achternichtje – degene die bezig is met haar master filosofie – is bereid om verhalen voor ons uit te typen tegen een heel redelijk uurtarief. Dus als jullie iets hebben wat met de hand geschreven is of als jullie een transcriptor nodig hebben –, zij zou het werk goed kunnen gebruiken om haar boeken te helpen bekostigen. Gene? Mary?’ voegde ze eraan toe, kopietjes met de informatie uitdelend. Uit beleefdheid vouwde ik het mijne op en stopte het in mijn tas. Het was niet zo dat ik geen verhalen te vertellen had, zoals de anderen, maar ik wilde beslist niet het risico lopen om geanalyseerd te worden. Elke keer dat ik speelde met het idee om mijn eigen memoires te schrijven, liet ik dat snel weer varen bij de verontrustende gedachte dat ik dan mijn geheimen zou moeten prijsgeven. Jaren geleden, na het lezen van mijn eerste en enige bijdrage, hadden ze als een stel psychiaters de tekortkomingen van mijn fictieve heldin ont13
leed: ‘pathologische leugenaar’ en ‘zwaar depressief ’, verkondigden ze. Ik kon me al helemaal voorstellen wat ze van me zouden denken als ik de waarheid zou vertellen over mijn verleden. Op dat moment besloot ik om mijn verjaardag niet ter sprake te brengen. Gene zou dan naar buiten hebben willen rennen om cupcakes te kopen, en dat zou dan weer een reden tot stress zijn voor de andere Jean, die labiele diabetes had. Als iemand het nog wist, want het eerste jaar had ik het me laten ontvallen en was Millie komen aanzetten met een deken die ze had gebreid voor een van mijn achterkleindochters, zou ik mijn best doen om ze bij de les te houden. Alleen bleek de les die dinsdagavond helemaal niet het schrijfwerk te zijn, maar het meisje met de vlecht dat de vergaderzaal binnen kwam wandelen en om zich heen keek, precies op het moment dat ik mijn keel schraapte om te beginnen. Haar neus was beslist niet Sarahs neus, en haar ogen waren meer groen-bruin dan bruin, maar ze waren net zo aandachtig als die van Sarah, en het meisje had dezelfde aarzelende nieuwsgierigheid over zich. Na een poosje, toen niemand haar leek op te eisen, schraapte ik opnieuw mijn keel en duwde mijn bril op mijn neus omhoog, wachtend tot ze zou zeggen dat ze haar studiegroepje kwijt was en zich haastig uit de voeten zou maken. ‘Is dit… de schrijfclub?’ vroeg het meisje. ‘Wélke schrijfclub?’ vroeg ik, mijn wenkbrauw optrekkend. ‘De advertentie, uit de krant.’ Ze hield een kreukelig krantenknipsel uit de Pittsburgh Post Gazette op en las: ‘Nieuwe schrijvers gezocht! Talent en ervaring geen vereiste, maar interesse voor het ambacht een pre! Vrije toegang voor iedereen!’ ‘Ik vrees dat je in de verkeerde –’ ‘Dat zijn wij, liefje,’ onderbrak Selena me, haar gouden armban14
den rinkelend tegen haar paarse mouwen. ‘Ik heb die advertentie een paar weken geleden geplaatst. We moesten íémand hebben om Millie te vervangen,’ voegde Selena eraan toe, zonder zelfs maar mijn kant op te kijken. ‘Je bent aan het juiste adres!’ zei de andere Gene, en het meisje glimlachte onzeker en ging toen zitten. Vervolgens was het mijn beurt om van slag te zijn. Ik trok me helemaal niets aan van Selena, die blijkbaar gepikeerd was omdat ik het oneens was met haar standpunt dat een vrouwenmishandelaar in haar ‘Hollywoodeinde’ thuishoorde. Nee, het kwam door het meisje dat ik van slag was, want ze haalde een schrijfblok uit haar rugzak, pakte een potlood en kauwde erop terwijl ze luisterde. Ik voelde me gedesoriënteerd in haar bijzijn. Kon dit een reïncarnatie van Sarah zijn? Kende ze mijn oudere zus, uit een ander leven? Wist ze dat we altijd alles hadden gedeeld, van kleren tot poppen tot een lits-jumeaux in het propvolle appartement boven de dameskledingwinkel van mijn stiefvader? We hadden zelfs pianoles gedeeld: Sarah kreeg les terwijl ik in de buurt van de deur bleef rondhangen en me haar vingerzetting op de toetsen inprentte. Of was het gewoon toeval dat Sarah en zij hun haar op precies dezelfde manier droegen en allebei op hun potlood kauwden met dezelfde weerzinwekkende aandacht voor het gummetje? ‘Nou, wie wil er beginnen?’ vroeg Selena Markmann opgewekt. Ik schrok wakker uit mijn overpeinzingen en voelde me een beetje onnozel. Selena had zojuist mijn vaste zinnetje gebruikt. Helaas was het de avond van Jean Fester, een gênant uithangbord voor de groep. We zouden haar bypassoperatie bespreken. ‘Ik vond het een beetje moeilijk om door te komen,’ merkte Gene voorzichtig op. 15
‘Precies, dat was het ook!’ snauwde Jean. Ik bleef naar het meisje kijken. Ze had goede manieren; we waren immers niet wat ze had verwacht, maar toch bleef ze. Ze luisterde zelfs beleefd naar de discussie over de vraag of het wel of niet een goede zaak was dat we aan het eind van het verhaal allemaal het gevoel hadden dat we waren opengesneden. En met haar witte blouse en kakikleurige broek – een ‘generaalsbroek’ noemden we die bij defensie – had ze ook een keurig voorkomen, alsof ze zat te wachten op een beoordeling van generaal Hap Arnold in eigen persoon, en de kans om door te stromen van de theorieopleiding naar het vliegtraject. Het was echter niet haar keurigheid die ik schokkend vond, het was het feit dat ze er wás, als een verjaarscadeau waar ik onbewust op had gewacht. ‘Mary?’ vroeg Herb Shepherd ten slotte toen het stil was geworden in de zaal, en ik realiseerde me te laat dat ik Mary was – nog steeds, na al die jaren. ‘Ik moet bekennen, Jean, dat het niet echt iets was waar ik van hou,’ begon ik. ‘Mijn borst open laten breken was ook niet bepaald iets waar ík van hou!’ ‘Vergeet niet: we zijn hier om kritiek te leveren op het schrijfwerk, niet op jou.’ Ik glimlachte in de richting van haar wijd opengesperde neusvleugels en stelde voor dat ze misschien beter mijn suggesties kon lezen. ‘Ik ga bijvoorbeeld “niet reanimeren” in mijn codicil laten zetten,’ voegde ik eraan toe, en de andere Gene lachte, terwijl Jean Fester met een gezicht als een oorwurm al haar boekbesprekingen verzamelde en op een stapel legde. ‘Dus jij wilt schrijfster worden?’ vroeg ik na afloop aan het meisje. Ze sloeg haar ogen neer. ‘Ja, maar… mijn oma zegt dat je al een schrijver bent zodra je schrijft. Ik ben bezig aan een roman.’ 16
Ik glimlachte, genietend van haar schuchtere zelfvertrouwen. Het meisje sloeg haar ogen weer op en keek het vertrek rond. ‘Is dit een club alleen voor…’ Ouden van dagen, dacht ik bij mezelf. ‘… non-fictieschrijvers?’ besloot ze. ‘Alle schrijvers zijn welkom, ook die van fictie. Hoe heet je, lieve kind?’ ‘Elyse,’ zei ze, en ze propte de opdracht voor volgende week in haar rugzak en ritste het ding toen dicht. Er stokte iets in mijn borst, en haar blik zocht de mijne, alsof ze het had gemerkt. ‘Dat doet me denken aan de man die het hart van mijn zus heeft gestolen. Elias. Elyse.’ Ik glimlachte opnieuw – zij glimlachte. ‘Ik ben Mrs. Browning,’ voegde ik eraan toe. ‘Aangenaam kennis te maken, Mrs. Browning. En jullie allemaal,’ zei ze tegen de rest van de groep. De mannen stonden haar met een wat onnozele glimlach aan te kijken, maar Selena keek zelfingenomen, alsof zij het meisje persoonlijk had uitgekozen. ‘Ik hoop wel dat je nog een keer komt,’ zei ik. ‘Ja hoor, ik kom nog wel een keer,’ zei ze, en ze klonk vaag zelfverzekerd. Toen ik die avond thuiskwam en me installeerde in mijn relaxfauteuil, dacht ik nog steeds aan het meisje met de vlecht. De tv stond aan, en er kwam net een reclame voorbij voor de medicijnen die me die middag nog waren aangeboden. Dit medicijn kan blindheid, coma of zelfs overlijden tot gevolg hebben. Indien deze bijwerkingen optreden, dient u onmiddellijk contact op te nemen met uw arts. Ik mikte met mijn afstandsbediening om het scherm weer op zwart te laten gaan. 17
Toen ik een tijdje later in bed kroop, was mijn hartslag onregelmatig. Ik dacht opnieuw aan Elyse. Misschien zou ze volgende week weer komen. Misschien zou ze iets schrijven wat de moeite van het lezen waard was. Misschien zou ze van mij weer een schrijfster maken. Misschien zou ik haar de waarheid kunnen vertellen over mezelf. Ik deed het licht uit en wachtte. Opnieuw was er iets wat mijn borstkas vulde, een onbekend trillen, en ik had spijt dat ik eerder op de dag zo onverschillig over Mijn Einde had gesproken. Met één hand op mijn hart ademde ik in en uit. Ik stelde me voor dat Sarah over me waakte en me aanspoorde om adem te halen. Het fladderen hield op. Ik voelde mijn schouders ontspannen. Misschien zou mijn hart er niet mee ophouden, misschien klopte het vol verwachting – zoals toen ik baby Dave in mijn armen had gehouden en had geweten dat hij degene was die mee zou gaan naar huis. Misschien was dit gewoon mijn leven dat opnieuw begon.
18