Skip to main content

De val van de koning - Jeroen Windmeijer inkijkexemplaar

Page 1


DE VAL VAN DE KONING

Voor het papieren boek is papier gebruikt dat onafhankelijk is gecertificeerd door FSC® om verantwoord bosbeheer te waarborgen.

Kijk voor meer informatie op www.harpercollins.co.uk/green.

HarperCollins is een imprint van Uitgeverij HarperCollins Holland, Amsterdam.

Copyright © 2026 Jeroen Windmeijer

Omslagontwerp: Villa Grafica

Omslagbeeld: © Shutterstock

Auteursfoto: © Eefje Colmjon

Zetwerk: Mat-Zet B.V.

Druk: ScandBook UAB, Lithuania, met gebruik van 100 groene stroom

isbn 978 94 027 1968 0 isbn 978 94 027 7698 0 (e-book) nur 305

Eerste druk maart 2026

HarperCollins Holland is een divisie van Harlequin Enterprises ULC. ® en ™ zijn handelsmerken die eigendom zijn van en gebruikt worden door de eigenaar van het handelsmerk en/of de licentienemer. Handelsmerken met ® zijn geregistreerd bij het United States Patent & Trademark Office en/of in andere landen.

www.harpercollins.nl

Elk ongeoorloofd gebruik van deze publicatie om generatieve kunstmatige-intelligentietechnologieën (AI-technologieën) te trainen is uitdrukkelijk verboden. De exclusieve rechten van de auteur en de uitgever worden hierbij niet beperkt. HarperCollins maakt tevens gebruik van de rechten onder Artikel 4(3) van de Digital Single Market Directive 2019/79 en het uitvoeren van tekst- en datamining op deze publicatie is niet toegestaan.

Niets uit deze uitgave mag openbaar worden gemaakt door middel van druk, fotokopie, internet of op welke andere wijze dan ook zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de uitgever. Het e-book is beveiligd met zichtbare en onzichtbare watermerken en mag niet worden gekopieerd en/of verspreid.

Alle in dit verhaal voorkomende personen zijn ontleend aan de fantasie van de schrijver. Elke gelijkenis met bestaande personen berust op toeval.

‘Hakuna matata,’ galmde het door de bioscoop.

Maak je geen zorgen…

De bezoekers op de eerste rijen van het kleine zaaltje baadden in het licht van het scherm, waarop de kleine leeuw Simba samen met zijn vriendjes, het wrattenzwijn Pumbaa en het stokstaartje Timon, de Disney-klassieker uit The Lion King ten gehore bracht. Een paar mensen bewogen met hun hoofd mee op het ritme van de muziek. Bobbi hoorde vlakbij iemand zachtjes meezingen. Ze glimlachte om al die volwassen mensen die als kleine kinderen zaten te genieten van deze tekenfilm. Zelf had ze hem al minstens tien keer gezien, maar hij verveelde nooit. De liedjes kende ze uit haar hoofd – en de meeste dialogen ook. Ze hoopte ooit op safari te gaan en dan eindelijk het filmlandschap met al die prachtige dieren in het echt te zien.

‘You know, kid,’ zei Pumbaa tegen Simba, ‘these two words will solve all your problems…’

Hakuna matata.

Bobbi legde haar linkerhand losjes op het bovenbeen van haar vriend Victor, die naast haar zat. Hij omvatte haar hand met de zijne en streelde met zijn duim zachtjes haar huid.

Ze zaten op de achterste rij. Bobbi ging graag naar de bioscoop, maar wilde altijd de muur in haar rug hebben en aan het einde van een rij zitten om direct weg te kunnen, mocht dat nodig zijn. In de paar seconden voordat een film begon, als het even helemaal donker was, spanden haar spieren zich onwillekeurig aan, alsof haar lichaam zich klaarmaakte om te vluchten. Of te vechten? Het was ‘een dingetje’ uit haar tijd in het leger, had ze Victor uitgelegd. Tijdens de trainingen voor haar missies naar Afghanistan was hun dat voortdurend ingepeperd: zorg dat je

altijd overzicht hebt, zodat je niet verrast kunt worden. Zelfs als zij en Victor uit eten gingen of ergens wat gingen drinken, wilde ze met haar rug ergens tegenaan zitten en de ingang in het vizier hebben. Aanvankelijk had Victor er nog weleens een grapje over gemaakt, maar daar was hij mee opgehouden toen hij had gemerkt dat het meer dan zomaar ‘een dingetje’ was.

‘It’s our problem-free philosophy,’ playbackte Victor terwijl hij haar aankeek.

Bobbi probeerde te knipogen, maar daar was ze nooit heel goed in geweest. Het zag er bij haar altijd uit alsof ze een vuiltje in haar oog had.

Toen het lied was afgelopen, liet ze Victors hand los en veegde met de muis van haar hand haar vochtige ogen droog.

‘Gaat het?’ vroeg Victor, met een geamuseerde glimlach om zijn lippen.

‘Hakuna matata,’ antwoordde ze op fluistertoon. ‘Maak je geen zorgen.’

De openzwaaiende toegangsdeur naast hen wierp een rechthoek van licht op de vloer. Een paar mensen keken verstoord achterom, maar Bobbi zag onmiddellijk dat de man die naar binnen liep geen verlate bezoeker was die de voorstelling verstoorde. In zijn rechterhand had hij een kleine zaklamp, die een felle straal voortbracht, en zijn gezicht had een uitdrukking die Bobbi niet anders dan als paniekerig kon omschrijven. Met grote passen beende hij naar voren, waar hij zich schuin voor het scherm opstelde, terwijl de film gewoon verderging.

‘Is rechercheur Meijer aanwezig?’ riep hij met luide stem. ‘Rechercheur Bobbi Meijer? Ik ben op zoek naar rechercheur Meijer.’

Bobbi voelde dat de haren op haar onderarmen overeind gingen staan. Ze stond op en stak ten overvloede haar hand op. ‘Dat ben ik,’ zei ze met enige stemverheffing.

De hele zaal had zich nu naar haar omgedraaid.

‘Kunt u met mij meekomen?’ vroeg hij. De opluchting dat hij haar had gevonden, was duidelijk hoorbaar in zijn stem. Met dezelfde grote stappen als hij binnen was gekomen liep hij weer terug naar de deur.

Bobbi haalde haar telefoon uit haar jas, die onder haar stoel lag, en zag dat ze drie gemiste oproepen had van Jeffrey Mekern, haar korps-

chef. Omdat ze op dat moment geen dienst had, had ze haar telefoon niet binnen handbereik gehouden.

‘Blijf jij maar hier,’ zei ze tegen Victor. ‘Er moet iets gebeurd zijn.’

‘Goed,’ antwoordde hij. ‘Ik zal het einde van de film niet verklappen.’

‘Ja, dat zou zonde zijn.’ Ze lachte kort, pakte Victors hand en kneep er zachtjes in. ‘Ik zie je.’

De man hield de deur voor haar open. ‘Uw komst is dringend gewenst,’ sprak hij op gewichtige toon.

Ze liepen de brede gang op in de richting van de hal, die uitzicht bood op het Doelenplein, in het historische stadscentrum van Delft. Het was een zwoele zomeravond, dus de terrasjes zaten vol.

‘Wat is er aan de hand?’

‘Het is vlakbij, op de Paardenmarkt.’

‘Wat dan?’

‘Er is een… situatie,’ zei de man. ‘Ik weet ook niet precies wat er…’

Op dat moment lichtte het schermpje van Bobbi’s telefoon op. Mekern.

Bobbi hief haar hand op bij wijze van afscheidsgroet en liep naar buiten, haar dunne jas over haar arm. Haar oog viel nog net op een oude poster van de film Sommersby, met Richard Gere en Jodie Foster in de hoofdrol. Ze vroeg zich af of ze die al gezien had of niet.

‘Meijer hier,’ zei ze toen ze opnam. ‘Ik ben onderweg. Naar de Paardenmarkt?’

Ze liet het Filmhuis Lumen achter zich en liep langs restaurant hanno naar de Vaandelstraat. Het geroezemoes dat opsteeg vanaf het terras leek niet op het gemoedelijke gekeuvel dat normaal gesproken klonk, alsof het ook hier was doorgedrongen dat er iets aan de hand was.

‘Paardenmarkt, ja.’

‘Wat is er aan de hand?’

‘Het is bizar, Meijer,’ zei Mekern. Daarna was hij even stil, alsof hij woorden moest zoeken om te beschrijven wat er dan zo bizar was.

‘Wát?’ drong Bobbi aan.

‘Er zit… Er zit een man met een bomkraag om zijn nek op de Paardenmarkt.’

‘Een wát?’

‘Er zit een man met een bomkraag om zijn nek,’ herhaalde Mekern. ‘En die kan elk moment afgaan.’

Bobbi zette het op een rennen. Nog geen twee minuten later was ze bij de Paardenmarkt, een groot parkeerterrein in de binnenstad, vlak bij de Singel die langs het oosten van het centrum liep. Op luchtfoto’s leek het plein een groen parkje, zoveel bomen stonden er, maar op straatniveau zag je hoofdzakelijk geparkeerde auto’s.

Daar waar het Raam met de Doelenstraat kruiste en in de Paardenmarkt overging, stonden twee politiewagens en twee ambulances geparkeerd. Hun zwaailichten hulden de gevels van de huizen afwisselend in een fel en minder fel blauw licht. Een aantal agenten probeerde nieuwsgierige omstanders op afstand te houden, voortdurend vragend om niet te filmen.

‘Ah, Meijer,’ begroette een jonge agent haar. ‘Ze zoeken je.’

‘Mekern belde me, ja.’

‘Hij staat verderop.’

‘Bedankt.’

‘Alle toegangen tot het plein zijn afgesloten,’ vertelde de agent ongevraagd. ‘Het publiek is weggestuurd. Mensen mogen hun huis niet uit en de bezoekers van het bowlingcentrum en het restaurant moeten binnenblijven.’

‘En die man?’

‘Die is natuurlijk helemaal the bomb vandaag.’ Hij en een paar collega’s om hem heen lachten.

Politiehumor.

‘Niet grappig, jongens.’

‘Oké, sorry,’ verontschuldigde hij zich. ‘Die zit midden op de markt.’

Bobbi liep van hem vandaan, maar draaide zich na een paar meter alweer om. ‘En doe dat licht uit,’ zei ze. ‘Geef dat ook door aan de andere wagens. Het is nergens voor nodig.’

En het werkt op mijn zenuwen, had ze eraan toe willen voegen, maar dat hield ze voor zich.

Ze verdacht sommige van haar collega’s ervan te veel Amerikaanse series te kijken, waar op de plaats delict ook altijd politiewagens met felle zwaailichten in beeld kwamen. Het verhoogde het drama van de scène, maar de situatie ter plekke leek op dat moment al heftig genoeg.

‘Veeg alle straten die toegang geven tot het plein ook leeg,’ beval ze.

‘Doen we.’

Ze liep verder.

Nog voor ze bij haar korpschef was, waren de zwaailichten van alle wagens gedoofd. Mekern was druk in gesprek met rechercheur Jan-Peter Broekhuizen, in de wandelgangen ‘JP’ genoemd, met wie ze een haat-liefdeverhouding had. In het verleden hadden ze intensief samengewerkt, maar inmiddels zaten ze niet meer in hetzelfde team.

Onmiddellijk zag ze de man, die in kleermakerszit en met zijn handen op zijn rug midden op straat zat. Hij droeg inderdaad een brede kraag, van metaal zo leek het, die strak om zijn nek zat. Om de paar seconden knipperden twee kleine rode lichtjes aan de zijkanten. Op zijn hoofd zat een frame, waar een GoPro-camera aan bevestigd was die in een rustig tempo rondjes draaide. Hij keek strak voor zich uit, zijn blik op oneindig zo leek het, en kneep af en toe zijn ogen dicht.

‘Je had Horsten gisteren verteld dat je vanavond naar The Lion King in het Lumen ging,’ zei Mekern toen hij haar zag. ‘Daarom wist ik waar je was.’

‘Heb jij het geluid van je telefoon dan niet aanstaan?’ zei Broekhuizen. Het klonk niet echt als een vraag, meer als een verwijt.

‘Niet als ik vrij ben en in de bioscoop zit,’ reageerde ze vinnig.

‘Goed,’ zei Mekern, die kort met beide handen wapperde alsof hij een insect verjoeg. ‘Ter zake… Iemand heeft 112 gebeld, een vrouw die haar auto hier parkeerde. Daar verderop…’ Hij knikte met zijn hoofd in de richting van de man. ‘…zit de heer Walter Veldman, achtenvijftig jaar oud, archivaris van Stadsarchief Delft. Hij woont hier om de hoek, aan het Oostplantsoen. Er werd aangebeld en toen hij opendeed, werd hij onmiddellijk naar binnen geduwd door een man met een bivakmuts op.’

‘Heeft hij dat verteld?’ vroeg Bobbi.

‘Met horten en stoten,’ zei Mekern. ‘Hij is bang om te veel te zeggen, begrijpelijk natuurlijk. Op zijn hoofd zit een GoPro-camera, die zijn standaard uitgerust met een microfoonfunctie. We kunnen ervan uitgaan dat er meegeluisterd wordt – door wie dan ook.’

‘Heeft deze meneer verder nog iets gezegd?’

‘Ja.’ Mekern trok een ernstig gezicht. ‘Dat hij onder bedreiging van een vuurwapen gedwongen werd de bomkraag om te doen. Daarna werden zijn handen achter zijn rug vastgebonden. De overvaller heeft hem duidelijk gemaakt dat het openmaken van de kraag een onmiddellijke ontploffing tot gevolg zou hebben. Daarna heeft hij die camera op Veldmans hoofd gezet, zodat hij van een afstand kon zien of hij deed wat hem was opgedragen.’

‘Mijn hemel…’ wist Bobbi nog uit te brengen. ‘Wat bizar.’ Ze legde haar handen in haar nek.

‘Dat kun je wel zeggen,’ bemoeide Broekhuizen zich ermee. ‘En toen moest hij dus hier op de Paardenmarkt gaan zitten en wachten op verdere instructies.’

‘Het is vooralsnog onduidelijk wat de overvaller hiermee wil bereiken,’ zei Mekern. ‘Die archivaris heeft zelf ook geen idee wie of wat hierachter kan zitten. Er is bij ons ook niets binnengekomen: geen eisen, geen voorwaarden voor wat dan ook. We tasten volledig in het duister.’

‘En nu?’

‘We wachten op een team van de Explosieven Opruimingsdienst,’ antwoordde Broekhuizen. ‘Iets anders konden we ook niet bedenken, hoewel hun komst me tamelijk zinloos lijkt.’

‘Want?’

‘Veldman heeft gezegd dat het niet alleen zo is dat de bom direct afgaat als iemand eraan gaat zitten prutsen,’ zei Mekern, ‘maar ook…’

‘Maar ook wat?’ drong Bobbi aan.

‘…maar ook dat die van een afstand tot ontploffing kan worden gebracht.’

Victor twijfelde wat hij moest doen. Blijven zitten had niet zo heel veel zin, vond hij. Hij had The Lion King al een paar keer samen met Bobbi gekeken, omdat het haar lievelingsfilm was. Toen ze hoorde dat de film weer draaide in de week voordat de prequel uitkwam, had ze direct kaartjes gereserveerd – al had dat van hem niet direct gehoeven.

Hij stond op, pakte zijn jasje en ging naar buiten. In de hal haalde hij zijn telefoon uit zijn jaszak. Er was een hele rij appjes binnengekomen. Als eerste viel zijn oog op dat van zijn collega Fabian de Ligt, net als hij docent geschiedenis op het Stanislascollege aan het Westplantsoen.

Vic! Weet jij wat er aan de hand is? Via Bobbi misschien? Van de politie mogen we ons huis niet uit. Er is heel veel politie op de been. Ik kan zo ongeveer lezen bij het licht van de zwaailichten.

Victor appte terug dat hij het ook niet wist, maar dat Bobbi zojuist uit de bioscoop was gehaald, waar ze samen een film aan het kijken waren. Hij liep door de centrale hal en ging naar buiten. Op het volle terras stonden veel mensen naast hun tafeltje, druk in gesprek, de meesten met een telefoon in de hand.

‘Weet jij wat er aan de hand is?’ vroeg hij aan de eerste de beste persoon die hij tegenkwam.

‘Iets op de Paardenmarkt, heb ik begrepen,’ zei hij. ‘Ik weet niet wat. Een minuut of tien, vijftien geleden reden er politiewagens voorbij, op hoge snelheid, met sirenes en zwaailichten aan.’

‘Bedankt.’

Victor liep door de Vaandelstraat, maar werd op de hoek van het Raam al tegengehouden door twee agenten. Hun wagen hadden ze dwars over de straat geparkeerd.

‘U kunt er niet langs,’ zei een van hen. De spanning was hoorbaar in zijn stem. ‘Het spijt me zeer.’

‘Maar ik ben de partner van rechercheur Bobbi Meijer,’ probeerde Victor hen te overtuigen. ‘Ze is op de Paardenmarkt en ik –’

‘We mogen niemand doorlaten,’ zei hij gedecideerd.

‘Wat is er aan de hand dan?’

‘Daar kunnen we geen mededelingen over doen, meneer. Loopt u alstublieft om, hier kunt u niet langs.’

Victor besefte dat het zinloos was nog verder aan te dringen. Er was duidelijk sprake van een noodsituatie, dus was het logisch dat de politie omstanders op afstand hield. Bobbi klaagde zelf altijd over de ramptoeristen die haar in de weg liepen en het werk van de hulpverleners hinderden.

Hij appte haar.

Ik heb begrepen dat er iets aan de hand is op de Paardenmarkt. Doe je voorzichtig, lieverd? Laat je me zodra het kan even weten of het goed gaat? x

Victor keerde om en schoot de Verwersdijk op in de richting van de Markt, waar hij en Bobbi hun fietsen hadden neergezet. Het was part of the deal dat Bobbi altijd en overal op elk moment weggeroepen kon worden. Vaak was het namelijk letterlijk een kwestie van leven of dood. Toch baalde hij ervan dat ze vanavond zomaar midden in de film was weggelopen.

Onderwijl checkte hij de andere appjes die waren binnengekomen, af en toe een snelle blik vooruit werpend om te voorkomen dat hij niet tegen een fietser of andere voetganger op zou botsen.

Hé.

Hij bleef stilstaan.

Er was een appje binnengekomen van Hester Baak, zijn ex-vriendin

uit zijn studententijd in Utrecht, inmiddels meer dan tien jaar geleden. Ze hadden samen Geschiedenis gestudeerd. Hij had al in geen jaren meer van haar gehoord.

Hoi hoi Victor, Hester hier. Long time no see! Lang in het buitenland gezeten, nu weer terug in ons koude kikkerlandje. Heb een baan gevonden in… Delft! Via via hoorde ik dat je nogal altijd in Delft woont en werkt. Gelukkig heb ik je nummer nooit gewist. �� Gaat het goed met je? Ik wil graag nieuwe mensen leren kennen, maar ik dacht: ik begin maar bij de oude mensen die ik al ken, haha. Snel eens een drankje doen? Hester x

Victor appte haar terug.

Wat leuk van je te horen, Hester.

Zijn vinger bleef boven het toetsenbord van zijn telefoon zweven. Is het gek om haar te vragen om nu direct even een drankje te doen? Het voelde een klein beetje ongepast om binnen tien minuten na Bobbi’s vertrek al een nieuwe afspraak te maken, maar aan de andere kant… Het was al veel vaker voorgekomen dat ze werd weggeroepen: bij een etentje met vrienden, tijdens het sporten, bij een bezoek aan zijn ouders… Hij kon toch niet telkens zijn leven op pauze zetten totdat ze weer terug was? Zelf had ze ook vaak genoeg benadrukt dat hij gewoon zijn eigen ding moest doen.

Victor typte verder.

Ik ben nu in de stad, dus als je zin hebt om wat te drinken… Café Het Klooster is leuk, hoek Vlamingstraat en Vrouwjuttenland.

Direct werden de twee vinkjes blauw. Hij zag dat ze aan het typen was.

Top. Dan spring ik nu op mijn fiets. Ik ben er over vijf minuutjes. Tot zo!

Ik ga even wat drinken met Hester, uit Utrecht, je weet wel, begon hij aan Bobbi te typen. Ze woont weer in Delft en…

Alsof haar dit nu iets zou kunnen schelen… Hij wiste het berichtje.

Ik vertel het morgen wel.

Bobbi zette twee passen in de richting van de archivaris, die doodsangsten moest uitstaan. Hij hield zijn ogen nu gesloten, zijn hoofd helde lichtjes naar voren, en zijn lippen bewogen, alsof hij aan het bidden was.

Hoe is zo iemand als hij hierin betrokken geraakt? Heeft hij gewoon pech gehad? Of is hij bewust uitgekozen?

‘De dader kan via de camera dus precies zien wat hier gebeurt,’ hoorde ze JP achter zich zeggen. ‘Wie er rondloopt, wat we van plan zijn. Hij hoeft maar op het knopje van een afstandsbediening te drukken en dan…’

‘Misschien gaat het via een mobiele telefoon,’ opperde Bobbi.

‘…gaat de bom af,’ maakte Mekern JP’s zin af.

‘Als het echt een bom is natuurlijk,’ zei Bobbi, die zich half omdraaide. ‘Het kan ook een nepgeval zijn, toch?’

Mekern knikte langzaam, alsof die gedachte nog niet bij hem opgekomen was.

‘Het doet me denken aan Evil Genius, die documentaire op Netflix,’ zei Broekhuizen. ‘Daarin overvalt een pizzabezorger een bank, ook met een bomkraag om zijn nek. Hij blijkt een willekeurig slachtoffer te zijn van een of andere zieke vrouw die er een duivels genoegen in schept dit te doen.’

‘En hoe liep dat af?’

‘Voor die pizzabezorger?’ Broekhuizen vertrok zijn gezicht in een vreemde grimas. ‘Niet goed, kan ik je zeggen.’

‘Hm.’

‘Hoe dan ook…’ zei Mekern. ‘Vanaf dit moment heb jij de leiding hier, Meijer.’

‘Oké, prima.’

Opnieuw deed Bobbi enkele stappen in de richting van de man, die inmiddels zijn ogen weer open had, maar nu wezenloos voor zich uit staarde. Ze stak haar hand op in een poging contact te krijgen, maar hij reageerde niet. Het was alsof hij dwars door haar heen keek.

Ze knipperde een paar keer met haar ogen om een herinnering aan haar tijd als militair in Afghanistan weg te drukken, maar dat lukte niet helemaal. In gedachten zag ze zichzelf opnieuw op die stoffige bergflank liggen, de verrekijker strak tegen haar ogen gedrukt, terwijl enkele honderden meters verderop zich een bloederig tafereel afpeelde op een dorpsplein.

Bobbi liep naar een plek recht tegenover hem waardoor ze precies in zijn gezichtsveld kwam. Op een meter of tien afstand ging ze op haar hurken zitten. De man keek ineens zo strak voor zich uit, dat ze eventjes dacht dat hij naar een specifiek iets of iemand achter haar keek. Ze draaide zich om, maar er was niets te zien. Opnieuw richtte ze haar aandacht op hem.

Ze zwaaide. Deze keer gaf hij een teken van leven. Hij richtte zijn hoofd een beetje op en keek Bobbi nu aan, waarbij er iets van oogcontact leek te ontstaan.

‘Ik ben rechercheur Bobbi Meijer,’ zei ze met luide stem. ‘Ik ben hier om u te helpen.’

Hij knikte, voor zover de kraag hem dat toeliet, een trieste glimlach op zijn lippen, alsof hij wist dat hij toch niets aan dit hulpaanbod zou gaan hebben.

‘We gaan u hieruit krijgen, maakt u zich geen zorgen.’

Hakuna matata…

Ze wist dat ze hoogstwaarschijnlijk een loze belofte deed, maar het was in de eerste plaats zaak om hem te kalmeren. ‘Ik heb begrepen dat u in uw huis overvallen bent. En dat u geen idee heeft wie het op u voorzien heeft. Heeft degene die u dit heeft aangedaan verder nog iets gezegd?’

Hij schudde zijn hoofd.

‘Niets over waarom u naar de Paardenmarkt moest? Niets over wat hij hiermee wil bereiken?’

‘Nee,’ antwoordde hij, net hard genoeg om verstaanbaar te zijn. ‘Ik

heb geen idee.’ Ineens rolden de tranen over zijn gezicht. ‘Ik wil gewoon naar huis…’

‘Dat begrijp ik,’ zei Bobbi, die zich nog iets naar voren verplaatste, waggelend als een eend. ‘Er is een team van de Explosieven Opruimingsdienst onderweg, dat zijn onze specialisten… Die gaan dit fiksen voor je. Dus, Walter… Mag ik je gewoon Walter noemen?’

Nu keek hij haar weer recht aan.

In zijn ogen dacht ze, zelfs van deze afstand, een flikkering van hoop en verwachting te zien.

Hij knikte weer moeizaam.

‘Je weet dus echt niet wie hierachter zit?’

Even leek Walter te aarzelen, toen schudde hij nauwelijks waarneembaar zijn hoofd.

Bobbi voelde de huid op haar onderarmen tintelen.

Hm.

Voor haar gevoel had hij nét een fractie van een seconde te lang gewacht met zijn reactie. ‘Weet je het zeker, Walter?’ drong ze aan. ‘Je kunt mij alles zeggen, hè? Ik sta aan jouw kant. Dus áls je iets weet…’

Opnieuw schudde hij zijn hoofd, kort en fel ditmaal.

Bobbi was niet overtuigd, maar besloot het voor nu even te laten rusten. Ze schuifelde een miniem stukje dichterbij, haar ogen gericht op de rode lampjes, die nog steeds regelmatig knipperden. ‘Kun je iets zeggen over de man met de bivakmuts? Herkende je zijn stem? Zijn postuur misschien? Schoenen, een jas?’

Geen antwoord.

‘Heb je problemen op je werk? Schulden? Heb je ruzie met een buurman? Een familielid?’ Bij elke vraag die ze hem stelde, lette ze scherp op zijn fysieke reactie. Een zenuwtrekje rond het oog, het samenpersen van de lippen, het fronsen van het voorhoofd… Maar niets van dit alles. ‘Heb je een geheime liefdesrelatie? Een jaloerse partner? Iemand die denkt dat jij hem of haar iets misdaan hebt?’

Nu verscheen er wel een frons op zijn voorhoofd, maar die verdween bijna net zo snel als die verschenen was, als een korte rimpeling in het water.

Turn static files into dynamic content formats.

Create a flipbook
De val van de koning - Jeroen Windmeijer inkijkexemplaar by HarperCollins Holland - Issuu