Skip to main content

De porseleinmaker van Dachau - Sarah Freethy Inkijkexemplaar

Page 1

Sarah Freethy DE PORSELEINMAKER VAN DACHAU roma n

Vertaling Caspar Wijers


FSC English C021394 New MIX Paper Landscape BlackOnWhite

Voor het papieren boek is papier gebruikt dat onafhankelijk is gecertificeerd door FSC® om verantwoord bosbeheer te waarborgen. Kijk voor meer informatie op www.harpercollins.co.uk/green. HarperCollins is een imprint van Uitgeverij HarperCollins Holland, Amsterdam. Copyright © 2023 The Writers’ Room Publishing Limited Oorspronkelijke titel: The Porcelain Maker Copyright Nederlandse vertaling: © 2023 HarperCollins Holland Vertaling: Caspar Wijers Omslagontwerp: Pip Watkins / S&S Art Dept. Omslagbewerking: HarperCollins Holland Omslagbeeld: © ArcAngel / Shutterstock Zetwerk: Mat-Zet B.V. Druk: ScandBook UAB, Lithuania, met gebruik van 100% groene stroom isbn 978 94 027 1979 6 isbn 978 94 027 6885 5 (e-book) nur 302 Eerste druk oktober 2023 Derde druk februari 2026 Originele uitgave verschenen bij Simon & Schuster UK Ltd, 1st Floor, 222 Gray’s Inn Road, London, WC1X 8HB, A Paramount Company. HarperCollins Holland is een divisie van Harlequin Enterprises ULC. ® en ™ zijn handelsmerken die eigendom zijn van en gebruikt worden door de eigenaar van het handelsmerk en/of de licentienemer. Handelsmerken met ® zijn geregistreerd bij het United States Patent & Trademark Office en/of in andere landen. www.harpercollins.nl Elk ongeoorloofd gebruik van deze publicatie om generatieve kunstmatige-intelligentietechnologieën (AI-technologieën) te trainen is uitdrukkelijk verboden. De exclusieve rechten van de auteur en de uitgever worden hierbij niet beperkt. HarperCollins maakt tevens gebruik van de rechten onder Artikel 4(3) van de Digital Single Market Directive 2019/79 en het uitvoeren van tekst- en datamining op deze publicatie is niet toegestaan. Niets uit deze uitgave mag openbaar worden gemaakt door middel van druk, fotokopie, internet of op welke andere wijze dan ook zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de uitgever. Het e-book is beveiligd met zichtbare en onzichtbare watermerken en mag niet worden gekopieerd en/of verspreid. Alle in dit verhaal voorkomende personen zijn ontleend aan de fantasie van de schrijver. Elke gelijkenis met bestaande personen berust op toeval.


BOEK EEN

Op een glazen plank in een hoge kast ligt een wit porseleinen konijn. Fluorescerend licht weerkaatst tegen zijn glanzende vacht. Je kunt je bijna voorstellen dat je het op je schoot trekt om te aaien – levens­ echt, mollig en mooi – maar er zit nogal wat spanning in. De fijn gebeeldhouwde oren liggen plat en zijn uitdrukkingsloze melkwitte ogen rollen angstig naar achteren. Een opgejaagd huisdier. De onderkant, waar de zachte vacht van zijn buik zou moeten zitten, is helemaal glad en verbergt het merk van de maker. Het woord is gestempeld in een hoekig lettertype, dat doet denken aan bierkelders, dennenbossen en alpenhutten. Daarboven, geschilderd met platte zwarte penseelstreken, twee bliksemschichten: .


Hoofdstuk een

Donar, Cincinnati Augustus 1993 Het asfalt van de parkeerplaats voor Forsythe’s Bargain Auctions was plakkerig aan je voeten en gescheurd, zodat bitterkruidklauwen zich er een weg doorheen hadden gebaand. De vale zon wierp een sluier over de laagbouw. Donderwolken verzamelden zich en de lucht voelde statisch aan. Tussen een bar en een baptistenkapel lag het onopvallende veilinghuis zelf, dat was bekleed met goedkope aluminium platen. De kapel en de bar vertoonden weinig tekenen van leven, maar buiten F ­ orsythe’s stonden een stuk of vijf auto’s en pick-­uptrucks geparkeerd. Binnen het metalen omhulsel van het gebouw was het constante gebrom van de airconditioner hoorbaar, maar het deed niets af aan de hitte die dag. De grote zaal was rommelig: aan één muur hing een reeks door de zon gebleekte prenten en schilderijen en er stond een rek met vuurwapens naast een hoge, spaarzaam gevulde glazen vitrine­kast. Voor een kleine lessenaar stonden rijen klapstoelen opgesteld, al waren er maar weinig bezet. Een schimmelgeur steeg op 9


uit de verbleekte blauwe linoleumvloer en was blijven hangen in de kamer. Om tien uur kwam een gedrongen vrouw binnen met een stevige draf, een stapel papieren en een kleine houten voorzittershamer tegen haar borst gedrukt. Haar gezicht werd omlijnd door stug tinkleurig haar, en door de brede schouders van haar jasje kreeg ze het silhouet van een rugbyspeler. Ze legde haar spullen neer op de lessenaar en keek op naar de aanwezigen, stralend van plezier. ‘Goedemorgen! Hoe gaat het met jullie?’ Een stuk of tien verveelde lichamen zaten ineengezakt te wachten, maar de veilingmeester leek desondanks te genieten van haar taak. ‘Oké, mensen, ik laat jullie even naar het verkoopformulier kijken zodat we kunnen beginnen.’ Sommigen raapten theatraal de geniete pagina’s op die op hun stoelen waren neergelegd, hoewel bijna niemand van plan was zijn geld af te staan. De veilingmeester werkte zich methodisch door de kavels van de ochtendveiling heen: een combinatie van cateringapparatuur en landbouwmachines, hightechkantoorartikelen en versleten meubilair. Soms was er geen touw vast te knopen aan haar hoogdravende, zangerige gepraat, maar iedereen in de zaal leek haar min of meer te begrijpen. Onder de tl-­buizen cirkelden bromvliegen langzaam door de kamer en in de verte was het dreigende, lage gegrom van onweer hoorbaar. Het werd beklemmend stil. De betovering werd verbroken door het plotselinge kabaal van de deur van het veilinghuis. Een vrouw kwam binnen met een golf van grimmige hitte in haar kielzog. Ze was begin vijftig, lang en slank, met een bijna buitenaardse elegantie. Overduidelijk schuldbewust liep ze snel naar een rij lege stoelen achter in de zaal. Ze nam plaats en pakte het verkoopformulier op van de stoel naast haar en leek het te bestuderen, hoewel haar ogen 10


werden verborgen door een ovale zonnebril met een dik zwart montuur. De veilingmeester begon het bieden op een luchtbuks. Na een korte vlaag van activiteit ging die naar een man die hevig zweette en zijn zwarte t-­shirt van zijn buikrollen plukte. Daarna haalden een jetski en een motorboot – kort na elkaar – hun beginprijs niet, te kostbaar voor de dunne portemonnees van de toeschouwers. Ze begonnen te schuiven in hun stoelen toen ze het einde van de veiling aan voelden komen. ‘Okidoki, we zijn aanbeland bij onze laatste kavel.’ Ze zwaaide met de korrelige zwart-­witafbeelding van een nogal kitscherig porseleinen konijn, zittend op zijn hurken. ‘Wie biedt er twintig dollar op dit schattige konijntje?’ De zaal was stil; bijna niemand hier had geld voor dit soort snuisterijen. Toen pakte de donkerharige vrouw op de achterste rij het verkoopformulier en hield het in de lucht. De veilingmeester accepteerde haar bod met een licht knikje. ‘Dank u, mevrouw.’ Alle hoofden in de zaal keerden zich naar de vrouw, verbaasd dat deze vreemdelinge belangstelling had voor zo’n eigenaardig ding. ‘Hoor ik vijfentwintig dollar? Nee? Eenmaal twintig… andermaal…’ Met een klap liet ze de veilinghamer neerkomen. ‘Hij is voor u.’ De veilingmeester ging verder. ‘Zo, en dan nu naar dit schattige lammetje. Ik vind dit echt iets voor jou, Roger!’ Ze knipoogde speels naar een boer met een vuurrood gezicht op de eerste rij, die gniffelde en haar wegwuifde. ‘Ik begin met vijftien dollar voor dit enige dingetje.’ Weer hield de vreemdelinge op de achterste rij haar papier omhoog. De veilingmeester knikte. 11


‘We hebben vijftien dollar, gaan we naar de twintig? Nee?’ Ze bracht de hamer nogmaals naar beneden. ‘U hebt nu een setje.’ Een donderslag bulderde boven het gebouw, gevolgd door het plotselinge getrommel van zware regen op het dak. De veilingmeester ging verder en moest boven het lawaai uit spreken. In het volgende kwartier haalde de donkerharige vrouw nog eens acht porseleinen beeldjes binnen: een Viking, een lachend herderinnetje, een sierlijke kandelaar, een beer die hoog op zijn achterpoten stond, een zwaluw, een hazewindhond met natte tong, een melkmeisje en een steigerende hengst. Ze hadden verschillende verhoudingen, maar waren allemaal levensecht gebeeldhouwd. Toen ze voor het laatst de hamer liet neerdalen, bleef de veilingmeester de vreemdelinge in hun midden nieuwsgierig aanstaren. De donkerharige vrouw verzamelde haar spullen en stopte haar zonnebril in haar handtas. Ze leek op de een of andere manier de blik van de veilingmeester te voelen en keek terug, met een strakke en vluchtige glimlach. Er zat geen vreugde of triomf in, alleen maar vastberadenheid. Een kwartier later nam Clara Vogel plaats buiten het betaalkantoortje en wachtte totdat ze kon afrekenen voor de porseleinen beeldjes, die ze nu op haar schoot hield. Ze worstelde met het lege gevoel dat haar altijd overviel na een langeafstandsvlucht. Ze zag zichzelf al tussen de schone, koele lakens in het vliegveldhotel kruipen, maar dat zou nog even duren. Ze moest hier nu een betaling doen en een belofte aan zichzelf nakomen. In het kantoortje betaalde de man in het zwarte t-­shirt zijn luchtbuks. De veilingmeester borg zijn dollarbiljetten op in een geldkistje en overhandigde het geweer. ‘Alsjeblieft, Nathan. Wees wel voorzichtig en doe de groeten aan je moeder.’ 12


Hij nam het geweer van haar aan en passeerde Clara op haar stoel terwijl hij even aan de rand van zijn verweerde pet trok. De veilingmeester wenkte haar. ‘Kom binnen en neem plaats. Ik ben zo klaar, ik moet alleen even uw rekening optellen.’ Het kantoor was volgestouwd met dossiers, torens van papier die overal vanaf dreigden te vallen, en een verzameling souvenirs. Clara ging voorzichtig zitten en observeerde de oude vrouw die op haar rekenmachine tikte. ‘U hebt… tien stukken, dat wordt samen tweehonderdachtenvijftig dollar.’ Ze keek op naar Clara. ‘Ik wist eerlijk gezegd niet zeker of ­iemand ze zou kopen. Vanwege hun… historische betekenis, als u begrijpt wat ik bedoel.’ ‘Het meesterteken.’ Het gezicht van de vrouw verraadde haar afschuw. ‘Ik wil natuurlijk niets insinueren.’ ‘Het geeft niet, ik weet waar ze vandaan komen. Het komt waarschijnlijk nogal macaber over.’ Clara’s Engelse intonatie was onmiskenbaar; de veilingmeester hield een hand tegen haar borst. ‘Ik ben echt dol op uw accent. Waar komt u vandaan?’ ‘Ik ben in Duitsland geboren, maar we verhuisden naar Engeland toen ik heel jong was. Bent u er ooit geweest?’ ‘Mijn hemel, nee zeg!’ De veilingmeester schudde haar hoofd bij het idee alleen al. Clara deed haar handtas open en trok er een envelop met reischeques uit. Ze ondertekende ze en gaf ze aan de veilingmees­ ter. ‘Dank u!’ De veilingmeester propte ze in een geldkistje en stak haar hand uit. ‘Ik ben trouwens Peggy Forsythe. Vertel eens, bent u een verzamelaar? Want er komen over een paar weken een paar prachtige porseleinen vazen binnen, die ik graag –’ 13


‘Nee, ik ben geen verzamelaar.’ Clara ging verzitten. ‘Maar ik vraag me af… of ik u om hulp mag vragen?’ ‘Maar natuurlijk, liefje. Vertel.’ ‘Zou ik de gegevens kunnen krijgen van degene die de beeldjes verkocht?’ De teleurstelling droop van de mollige wangen van de vrouw. ‘Het spijt me, maar nee. Dat kan ik echt niet, naar eer en geweten. De mensen hier hechten veel waarde aan hun privacy.’ Clara was ervan uitgegaan dat dit deel van de transactie ongecompliceerd zou zijn. Ze had dit gesprek al gerepeteerd, maar verder geen plan getrokken. Ze voelde het warm worden op haar borst. ‘Natuurlijk, ik begrijp het. Ik ben alleen zo vreselijk lang onderweg geweest…’ Ze stopte toen ze ineens tranen in haar ogen voelde opwellen. Ze werd verrast door haar eigen plotselinge gevoel. ‘O. Het spijt me zo, neem me niet kwalijk.’ ‘Gaat het, liefje? Wilt u een glas water?’ De veilingmeester greep over de tafel naar haar hand. ‘U vindt me vast heel stom. Ik ben gewoon een beet­je oververmoeid. Ik ben gisteravond vanuit Londen hierheen gevlogen met het plan deze beeldjes te kopen.’ Een vaag argwanende frons flikkerde over het gezicht van de ­oudere vrouw. ‘U bent helemaal uit Engeland gekomen voor wat porseleinen hebbedingetjes?’ Clara onderbrak haar snel. ‘Ik ben gewoon al een hele tijd op zoek naar één stuk in het bijzonder. Daarom ben ik zelf gekomen, begrijpt u? Ik heb maanden gezocht naar De Viking. Ik heb er al een, maar dit is het enige andere exemplaar dat ik heb ontdekt. Daarom moet ik degene spreken die ze heeft verkocht.’ ‘Maar hoe bent u er überhaupt achter gekomen dat ik ze verkocht?’ 14


Clara zuchtte, te moe om haar nu iets anders te vertellen dan de ongezouten waarheid. ‘Ik betaal mensen in verschillende landen provisie. Ze hebben hun ogen opengehouden voor dit soort porselein in het algemeen, en dat ene stuk in het bijzonder. Een verzamelaar in New York nam contact met me op toen hij het te koop zag staan op uw mailinglijst.’ Clara zweeg en leunde toen aandachtig naar voren. ‘Peggy, kan ik je vertrouwen?’ ‘Natuurlijk,’ zei ze, haar ogen nu heel belangstellend. ‘Ik moet erachter komen van wie De Viking komt, want diegene kan me misschien als enige vertellen wie mijn vader is.’

15


Hoofdstuk twee

Weimar, Duitsland Zomer 1925 Er steeg nog steeds een warme gloed van de avondzon op uit de straatstenen toen Max Ehrlich naar huis terugkeerde. De straatlantaarns van de Asbachstrasse waren ontstoken en zijn slanke gestalte liet een lange, lome schaduw achter. Een groep medestudenten kwam hem tegemoet lopen over het uitgestrekte groene grasveld van het Park an der Ilm. Hun sprankelende kostuums doorkliefden het verduisterende avondcanvas – man­darijnkleurige tinten, maar ook oker en scharlaken. Max stak ter begroeting een hand naar hen op; hij was zich ervan bewust dat zijn formele smokingjasje misschien wel ontzettend conventioneel was en beter paste in een rustigere omgeving. Max had zijn geboorteplaats Wenen op negentienjarige leeftijd verlaten en vond zichzelf nu al een man van de wereld. Hij was geboren als zoon van een textielmagnaat en had makkelijk in Oostenrijk kunnen blijven om het familiebedrijf over te nemen, maar hij moest en zou zijn eigen weg gaan. Het bracht hem naar de geplaveide stra16


ten van Weimar en het Bauhaus, de avant-­gardistische kunstacademie waar alle studenten als beeldenstormers vandaan kwamen. Dat gold ook voor Max, die zijn eigen religieuze opvoeding vaarwel zei en een liberale en expressieve levensstijl verwelkomde. Het Bauhaus onderging zijn eigen metamorfose en verhuisde naar een nieuw pand in de stad Dessau. Max hoopte dat er snel een faculteit voor architectuur zou volgen waardoor hij zijn dromen kon verwezenlijken. Tot die tijd was hij vastbesloten het beste te maken van een laatste zomer in Weimar. Toen hij aankwam bij de brede trappen van zijn gepleisterde onderkomen werd Max overvallen door een spervuur van lawaai. Hij maakte zich even zorgen: was het feest begonnen zonder hem? Maar het was nog geen negen uur, veel te vroeg voor de start van een se­rieus feest. Hij duwde de zware voordeur open en stapte de koele hal binnen, waar twee jonge vrouwen in gesprek waren, hun korte bobkapsels samen dansend en hun donkergekleurde tuitlippen bijna kussend. Een lethargische jongeman leunde tegen een nabijgelegen pilaar, zijn gespierde gestalte gekleed in een donkerblauw ketelpak, dat bedrukt was met witgekopte golven. Hij keek aandachtig naar de vrouwen toen Max hem op de schouder klopte. ‘Goedenavond, Richard. Was je iets van plan?’ De jongeman sprong op, veegde zijn dikke blonde haar naar achteren en bekeek Max’ kleding afkeurend. ‘Trek je dat aan?’ ‘Rustig maar. Ik ga me nog omkleden. Hoe gaan de voorbereidingen?’ ‘Alles onder controle.’ Richards ogen glinsterden terwijl hij Max wenkte hem te volgen. ‘Kom mee, je moet de muurschildering zien.’ ‘Ik hoop dat je de ruimte respectvol hebt behandeld?’ 17


‘Niet meer dan noodzakelijk. Trouwens, je gaat binnenkort verhuizen, dus wees niet zo gevoelig. Dit feest komt veel te laat, dat weet je best.’ Hij keek zijn vriend aan, plotseling serieus: ‘Hoe ging het met je ouders?’ ‘Ze hebben besloten vanavond de trein terug naar Wenen te nemen, godzijdank.’ ‘En?’ ‘En… ze gingen akkoord.’ Hij grijnsde. ‘Ze blijven me onder­ houden, zodat ik mee naar Dessau kan met jullie onverlaten.’ Richard klopte hem op de schouder. ‘Waarom kijk je dan zo somber, ouwe reus? Kop op, dit is reden voor een feestje!’ Toen ze het appartement binnenkwamen werden ze met­een over­ spoeld door lawaai. De radio kraakte en schalde, en een zwierige klarinet vermengde zich met een koor van opgewonden jonge stemmen, die de hoge kamers vulden. Bijna al het meubilair was uit het huis verwijderd. Een groep jonge mannen rolde een zwaar wollen tapijt op, waardoor de gepolijste parketvloer eronder zichtbaar werd. Weer anderen spanden vanaf ladders stukken parachutezijde in parkietachtige tinten aan het plafond in elkaar overlappende lagen, waardoor kamers in kamers leken te ontstaan. Aan de ene kant was een smalle keuken waar volop werd gekletst en een zoetige geur van rook en alcohol hing. Een slanke blondine met een handspiegel maakte zich op met kohl, terwijl haar roodharige gezelschap de conversatie constant op gang hield en in een dampend vat wijn roerde, haar gezicht blozend en stralend. De blondine keek Max aan en trok een dunne wenkbrauw op vanwege het enthousiasme van haar vriendin. Richard overhandigde hem een flesje bier, erop gebrand de betovering te verbreken. ‘Kom, dit moet je even zien.’ Helemaal achter in de kamer boden een paar hoge, openslaande 18


deuren uitzicht op een stijltuin. De warme avondlucht bracht de zijden gordijnen in beweging waardoor ze even openvielen, zodat Max nog net de donkere randen kon zien van een muurschildering die aan weerszijden was aangebracht. Hij liep erheen voor nadere inspectie. Er waren twee reusachtige vrouwenfiguren op de muur geklad alsof ze de weg naar de tuin bewaakten. Ze vulden de ruimte van vloer tot plafond, hun dikke benen stevig in de grond geplant, met gespierde armen die boven hun hoofd uitstaken en het hele gewicht van het gebouw erboven leken te dragen. Het leek alsof ze uit ruwe klei waren opgetrokken: hun dijen en borsten net leigrijze plakken, hun geslachtsspleet donker en modderig, hun gezichten karakterloos en genadeloos. De dikke penseelstreken van de kunstenaar hadden hun bewegingsenergie vastgelegd, maar iets aan hun uiterlijk verontrustte Max. Ze leken niet op de klassieke vormen uit de Griekse architectuur, die vrij gracieus zware lasten tilden. Dit waren eerder amazones, oprijzend uit de aarde, met een brute en basale kracht. ‘Best indrukwekkend, nietwaar?’ Max herkende iets in Richards toon, een mengeling van opwinding en afkeer. Hij keek op naar de donkere, onbewogen gezichten van de vrouwenfiguren en lachte. ‘Ik weet niet of ik ze mooi of angstaanjagend vind.’ ‘Ik vind dat je hun maker moet ontmoeten.’ Richard stapte door de deuren naar buiten. De gemeenschappelijke tuin was een labyrint van bloemperken en gestileerde heggen, en was volledig omringd door een hoge muur. Een rij schitterende papieren lantaarns verlichtte een pad door de tuin en leidde naar het terras, waar stoelen en tafels waren neergezet. Ze hingen als buikige vruchten – zonlicht door gebrandschilderd glas – en waren versierd met naïeve gezichten. Hun doffe 19


ogen en gapende monden waren maskers van de elementaire vormen aarde, lucht, vuur en water. Deze lichtgevende parelsnoer kwam uit bij een jonge vrouw op een houten trapje. Ze kliederde een gezicht op de laatste lantaarn; halvemaanogen boven lachende appelwangen. Haar donkere haar – een kort, woelig bobkapsel – was achterovergekamd en werd op zijn plaats gehouden door een zijden zakdoek, en ze had een vormeloze tabaksbruine kiel aan. Richard stopte bij de voet van de ladder, stak twee sigaretten op en hield er een omhoog. De schilderes nam hem zonder commentaar aan en ging verder met haar werk. Max wachtte heel even tot ze zijn aanwezigheid erkende en besloot vervolgens de stilte te verbreken. ‘Richard zegt dat ik de muurschildering aan jou te danken heb.’ Ze reageerde niet, dus ging hij verder. ‘Ik weet niet zeker of mijn huisbaas de overweldigende vleestentoonstelling kan waarderen, maar…’ Hij gebaarde naar de stralende gezichten die wiegden in de hitte. ‘Deze zijn in ieder geval best mooi.’ De schilderes keek hem eindelijk aan, met grote, ernstige grijze ogen. ‘En nuttig, mag ik hopen? Tenzij je wilt dat je gasten hun enkeltjes breken.’ Ze begon van de ladder af te klimmen, haalde een lap uit haar zak en veegde onderweg de verf van haar kwast. ‘Wat de muurschildering betreft, die is inderdaad van mij. Persoonlijk ben ik dol op een overweldigend stuk vlees, maar… jij misschien niet.’ Er verscheen een kleine groef tussen haar wenkbrauwen. Ze keerde zich tot Richard. ‘Is hij altijd zo preuts?’ 20


Max beweerde dat ze het verkeerd begrepen had, tot hij Richards grijns in de gaten kreeg. De ogen van het meisje fonkelden stiekem van vreugde vanwege zijn overduidelijke ongemak. Ze kon de schijn niet langer ophouden en barstte in lachen uit waarna Max’ ernstige gezicht veranderde in een opgeluchte glimlach. Richard viel in. ‘Bettina Vogel, dit is Max Ehrlich, onze gastheer. Toekomstig Bauhaus-­architect extraordinaire.’ Max maakte op een theatrale, formele manier een lichte buiging. ‘Aangenaam kennis te maken.’ ‘Dus Herr Ehrlich, u keurt mijn golem niet goed?’ Ze trok spottend een wenkbrauw op. ‘Wat is in godsnaam een golem?’ vroeg Richard. ‘Altijd weer zo vulgair.’ Ze rolde met haar ogen. ‘Golems zijn uit klei opgetrokken figuren. Volgens de legende maakte een rabbijn er een en bracht hem tot leven, zodat hij de Joden in het getto tegen vervolging kon beschermen.’ Ze betrapte Max erop dat hij naar haar glimlachte. ‘Wacht, heb ik iets verkeerd begrepen?’ vroeg ze. ‘Helemaal niet. Ik denk alleen dat ik nog nooit een Duitse niet-­ Jood heb ontmoet die de legende van de golem kende.’ Bettina haalde haar schouders op. ‘Professor Adler had het over ze in een lezing over folklore en ze zijn me echt bijgebleven. Toen Richard zei dat het thema van je feest de elementen was, leek zoiets aards me wel toepasselijk.’ ‘Helemaal waar. Maar volgens mij heb je één ding verkeerd begrepen: golems zijn altijd mannelijk.’ ‘Wie bepaalt dat?’ brieste Bettina. ‘Nou, het lijkt me nogal vanzelfsprekend. Ze zijn geschapen vanwege hun brute kracht.’ ‘Kariatiden zijn vrouwelijk en zij houden hele gebouwen overeind. Waarom kunnen golems dan niet hetzelfde zijn?’ 21


Max glimlachte droogjes. ‘Ik ben geen autoriteit op het gebied van golems. Of vrouwen, bedenk ik me nu.’ Hij wendde zich tot Richard, die tegen de ladder stond geleund en hen zag bekvechten. ‘Steun me nou even, Richard.’ ‘Je staat er alleen voor, oude reus.’ Hij lachte. ‘Succes.’ Bettina’s wangen werden rood. ‘Kom voor jezelf op. De vrouwelijke vorm wordt altijd afgebeeld als dienstbaar – kleine meisjes die marmeren plakken dragen alsof het dienbladen zijn. Waarom vinden mannen het eigenlijk zo opwindend om vrouwen eronder te houden?’ Max grinnikte om haar plotselinge woede-­uitbarsting en hield zijn handen ter verdediging pesterig omhoog. ‘Je moet het niet persoonlijk opvatten.’ ‘Waarom zou ik dat niet doen? Je bekritiseert mijn werk en dus ook mij als kunstenaar. Is niet alle kunst in zekere zin een vorm van zelfportrettering?’ Ze zoog hard aan de sigaret en stak hem in de met verf besmeurde lap, waardoor een handvol brandende snippers op de grond terechtkwam. ‘Je gaat ervan uit dat mannen het monopolie hebben op kracht, maar kracht neemt vele vormen aan. Die van een vrouw is veranderlijk; het vermogen te transformeren en te buigen, als klei. Ik heb niets aan een koppige man, hoe sterk hij ook is.’ Ze spuwde de woorden uit, haar ogen flitsend van onverwachte woede. ‘Zullen we dit bewaren voor een werkgroep?’ onderbrak Richard haar. ‘Ik weiger met jullie dronken te worden totdat jullie zijn omgekleed.’ Hij keerde zich van hen af en begon terug te lopen naar het feest. ‘Ga je mee, Max?’ 22


Turn static files into dynamic content formats.

Create a flipbook
De porseleinmaker van Dachau - Sarah Freethy Inkijkexemplaar by HarperCollins Holland - Issuu