Skip to main content

De laatste eilanders - Stefan Popa Inkijkexemplaar

Page 1


STEFAN POPA DE LAATSTE EILANDERS

ROMAN

Voor het papieren boek is papier gebruikt dat onafhankelijk is gecertificeerd door FSC® om verantwoord bosbeheer te waarborgen.

Kijk voor meer informatie op www.harpercollins.co.uk/green.

HarperCollins is een imprint van Uitgeverij HarperCollins Holland, Amsterdam.

Copyright © 2026 Stefan Popa

Omslagontwerp: Margo Togni

Omslagbeeld: © RawPixel

Foto auteur: © Gaby Jongenelen

Zetwerk: Mat-Zet B.V.

Druk: ScandBook UAB, Lithuania, met gebruik van 100% groene stroom

isbn 978 94 027 1975 8 isbn 978 94 027 7686 7 (e-book) nur 301

Eerste druk maart 2026

Deze uitgave kwam mede tot stand door bemiddeling van De Literair Agent, Remco Volkers.

De auteur ontving voor het schrijven van dit boek een projectsubsidie van het Nederlands Letterenfonds.

HarperCollins Holland is een divisie van Harlequin Enterprises ULC. ® en ™ zijn handelsmerken die eigendom zijn van en gebruikt worden door de eigenaar van het handelsmerk en/of de licentienemer. Handelsmerken met ® zijn geregistreerd bij het United States Patent & Trademark Office en/of in andere landen. www.harpercollins.nl

Elk ongeoorloofd gebruik van deze publicatie om generatieve kunstmatige-intelligentietechnologieën (AI-technologieën) te trainen is uitdrukkelijk verboden. De exclusieve rechten van de auteur en de uitgever worden hierbij niet beperkt. HarperCollins maakt tevens gebruik van de rechten onder Artikel 4(3) van de Digital Single Market Directive 2019/79 en het uitvoeren van tekst- en datamining op deze publicatie is niet toegestaan.

Niets uit deze uitgave mag openbaar worden gemaakt door middel van druk, fotokopie, internet of op welke andere wijze dan ook zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de uitgever. Het e-book is beveiligd met zichtbare en onzichtbare watermerken en mag niet worden gekopieerd en/of verspreid.

Alle in dit verhaal voorkomende personen zijn ontleend aan de fantasie van de schrijver. Elke gelijkenis met bestaande personen berust op toeval.

Tussen stad en water en water en woud lag ons eiland. Twee kilometer lang, een halve kilometer breed – stroomafwaarts van Wenen, Boedapest en Belgrado stak ons geheim uit de Donau. Precies tussen wijlen Joegoslavië en moederland Roemenië in de IJzeren Poort, het kloofdal met zijn gevaarlijke stromingen en verraderlijke rotsen. Aan de overzijden zongen de cicaden. Aan onze oevers zongen wij.

De drijvende bloemenmand op de Donau, zo noemden ze ons heilige eiland. Door de ligging tussen de beschermende bergkammen van de Karpaten heerste er een mediterraan klimaat. In de tuinen groeiden amandel-, pruimen- en vijgenbomen, en zelfs olijf- en zoete sinaasappelbomen. Van de rozenbladeren maakten de vrouwen jam. Er floreerde veel, zoveel meer. Italiaanse cipressen, populieren, platanen en kastanjes rezen boven het fort uit dat de Oostenrijkers hadden achtergelaten. Het fort gaf ons niet alleen een thuis, maar ook onze naam: adakale, ‘vestingeiland’ in het Turks dat wij spraken.

Boven de smalle straatjes klauterden de druiventakken. We noemden de trossen geitentepels, vossenpoten of vrouwenvingers. Niemand wist waarom, het werd ons ingegeven door ons oude dialect. Geiten hadden we, zwarte kippen ook, vossen niet. In de zomer hapten de kinderen naar de vruchten, of misschien buitelden de druiven in een goedgeefse bui over elkaar heen om zich uit te strekken naar de open kindermonden. In de witte huisjes links en rechts woonden Turken van de sterkste soort, of beter gezegd: Ottomanen die zelfs de val van hun rijk overwonnen en stug doorleefden in een

zangerige echo van het oude sultanaat. Of nog beter gezegd: Osmanen, Osmans zonen. Aangemeerde Turken, Kirgiezen, Arabieren, islamitische Roma, Perzen, een paar verdwaalde Turkmenen, Kazakken en Dagestanen. Honderden moslimvluchtelingen uit het uiteenvallende Ottomaanse rijk vonden hun toevlucht in de ruïnes van het fort. Wij waren de duizenden eilanders die decennialang een eigen wij vormden, verenigd in het geloof. Piratenkinderen, de kinderen van Ada Kaleh. Atatürk besloot in het moderne Turkije van de twintigste eeuw dat mannen westerse hoeden moesten dragen, maar niemand trok ons eilanders de pruimkleurige fez van het hoofd. Dichters en schrijvers lurkten aan de waterpijp en verloren hun metaforen in de wolken Turkse tabak die ze zelf uitbliezen over de bazaar.

Het eiland leefde zijn stille, gewone leven. Kinderen speelden langs het blauwgroene water, vissers staarden over de rivier en de handelslui bereidden hun openingsbiedingen voor, terwijl op de vastelanden met zogenaamde hoofdsteden nieuwe grenzen werden getrokken.

We hebben niets te zeggen en te veel te vertellen. Waar te beginnen? Er zijn oneindig veel manieren om een verhaal te openen. Bij de start, de eerste eeuw om en nabij, bij het einde of ergens daartussenin. Maar dit is niet zomaar een verhaal. Dit is een verhaal met aftakkingen die, uiteindelijk, terugkeren naar de hoofdrivier. Alles is even belangrijk als onbelangrijk. Sommige pseudowetenschappers zeggen dat water een geheugen heeft, dat elke druppel een wirwar van herinneringen is. Volslagen onzin. Water wil niets weten, het wil wegspoelen. Elk molecuul danst enkele picoseconden in dezelfde samenstelling, waterstofbruggen vormen en breken alsof het water voortdurend probeert te vergeten, en wel dit.

Dit alles.

Het einde is tenminste zonneklaar. De Partij vertelde dat we op de beste plek in de beste tijd leefden. In naam van de vooruitgang stuurden de communisten de zondvloed op ons af door een waterkrachtcentrale te bouwen. Zelfs het fort kon ons niet langer beschermen. We verweerden ons nauwelijks tegen de afloop. Zo

zijn we, zo waren we. De piraten en soldaten hadden hun wapens allang neergelegd en verkochten of ruilden notenhalva, gekonfijte vijgen, Turks fruit en gekruide sucuk die ze met een schoenerbrik naar de overzijde voeren. Vastelandkinderen kregen onze zoetigheden zonder ervoor te hoeven betalen. Hun guitige lach was afdoende. Aan de buitentafeltjes van het havencafé zuchtte de Roemeense politiechef van verveling en tekende met zijn pinknagel de vooruitzichten van een diefstal of een handgemeen in het dikke koffiedik op de bodem van zijn kopje. Zijn pet rustte op zijn knie.

Niemand kan ons eiland beter tot leven wekken dan Ada Kaleh zelf. Zelfs de dichters lukte het niet of nauwelijks. Zij zijn geen eenvoudige vissers of verkopers, koperslagers, schoenenlappers, koffiebranders of tabakswerkers, zij vergunnen het leven aan woorden. Aan zo’n Turkendonau, waar op een groen tabaksveld goed en kwaad samenvallen, moet de vesting bloeien: wit, warm Hisarlık, dichtte de Roemeense poëet Ion Barbu. Kennelijk zijn wij een soort Troje: warm, verdwenen en nog dieper vergeten.

Eeuwenlang waren we wisselgeld voor Romeinen, Mongolen, Oostenrijkers, Hongaren, Turken en Bulgaren. Verovering, herovering, verovering, herovering op verovering op herovering. Niemand hield de tel nog bij. Met potlood en bloed tekenden de Habsburgers en de Ottomanen nieuwe grenzen op hun landkaarten. Het eerste fort werd opgericht tegen de oprukkende Turken door de Hongaarse generaal János Hunyadi, de Witte Ridder van Walachije. De raven vlogen op en af. Eeuwen later bouwde Eugenius van Savoye, gouverneur-generaal van de Oostenrijkse Nederlanden, voor de Habsburgers een van de sterkste vestingen van de achttiende eeuw, uitgerust met vier bastions. Toch keerden de Turken keer op keer terug, totdat er geen strategisch doel overbleef voor een eiland in de Donau, behalve toeristen rozenjam aansmeren. Ach, verzonnen feiten en feitelijke verzinsels. De generaals dropen af wanneer de pasja’s kwamen en andersom. Namen en bijnamen die er niet langer toe doen. Wij eilanders waren in zekere zin als de barokke welfpoorten van het fort. Kom, ga, kom, ga, kom, maar laat ons, laat ons toch zijn.

Maar mannen met namen nemen.

Op zo’n dag, geladen met schaduwen van eeuwenoude conflicten, was keizer Frans Jozef i van Oostenrijk op Ada Kaleh, hoewel we niet meer weten waarom, behalve dat het vestingeiland toen staatsrechtelijk onder zijn bestuur viel of in elk geval bijna. Belangrijker nog: hij moest daar wegkomen en wel meteen. De Ottomanen meerden aan. Zie de keizer rennen met het vuil op zijn knieën. De zoom van zijn mantel draagt de kleur van aarde en slootwater. De modder zuigt aan zijn laarzen. Zijn mannen roepen dat hij haast moet maken, Zijne Keizerlijke en Koninklijke Majesteit. Ren, ren! Zijn hoofd buigt, niet alleen om de overvliegende kogels en verwensingen te vermijden, maar vooral door het gewicht van massief goud op zijn schedeldak. Zijn bakkebaarden plakken aan zijn wangen, nat van het zweet. De gouden tressen van zijn dolman hangen vol modder. Hij ruikt zichzelf, zijn sterfelijkheid. Het is alsof ook hij maar mens is. Hij springt over de volgelopen sloten en drukt bij elke sprong zijn kroon tegen zijn kruin.

‘Godverlaten Turken,’ moppert hij. Hij wil zeker niet vallen op de grens met de Balkan, zo ver van zijn Sisi en hun lome zomervilla in Bad Ischl. Nog meer namen, nog meer aftakkingen. Het fort brokkelt af. De snor van de keizer, doorgaans zo majestueus, hangt nu in lijn met zijn treurende mondhoeken. Hij struikelt over een vers afgeschoten brok ruïne. Onhandig en een keizer onwaardig landt hij in de modder. Zijn handen glijden onder zijn lijf vandaan, waardoor hij met zijn neus in het slijk belandt. Geen slijk van het paleiselijke soort, maar oorlogsblubber, zand vermengd met bloed, angstpis en afgedwaald rivierwater. De kroon rolt over het eiland. De keizer sluit zijn oogleden om de dood af te tasten. Het is niets voor hem, oordeelt hij, en hij opent zijn ogen in diezelfde seconde.

Naast hem ligt een soldaat zonder naam, zonder leven. Zijn schedelpan is van zijn kop geschoten door een kogel uit het buskruitrijk der Osmanen. De arme ziel, denkt hij, die stelselmatig in derde persoon dacht. Met zijn worstenvingers graaft Frans Jozef een kuil in Ada Kaleh. Zijn overgebleven mannen proberen hem overeind te hijsen, maar hij blaft dat ze van hem af moeten blij-

ven. Zien ze niet dat hij bezig is? De hond geworden keizer. Hij hoort de kogels niet langer suizen. Wie hem zo ziet, zoals wij, denkt dat hij zijn verstand heeft verloren. Alsof hij naar de andere kant van de planeet boort om ergens in de wateren van de Stille Oceaan boven te komen. Hij veegt, schuift en wroet de aarde naar zijn kruis. Dan stopt hij. Hij meet de diepte door zijn arm in de kuil te steken. Zijn knokkels raken de bodem, zijn schouder steekt net uit boven het land. Met zijn arm nog in het gat reikt hij met zijn vrije hand naar de kroon. Er is niemand die hem helpt. Dit moet hij zelf doen. Met zijn vingertoppen pakt hij het goud en hij kijkt er een laatste keer naar; het is het mooiste noch het belangrijkste, maar toch, er is geen monarch die zijn kroon graag verklungelt, tenzij hij daarmee zijn eigen leven redt. Hij trekt een stuk af van het kapotgeschoten soldatenuniform dat naast hem ligt. De dode lijkt te kreunen, maar het zijn de hersenen die uit de schedelpan glippen en in de modder kwakken. De keizer kan er niets aan doen, hij moet aan de drillende vruchtenbavarois denken die zijn hofkok hem graag voorschotelt, hoewel de keizer al honderdmaal heeft gezegd dat hij de maaltijd liever eindigt met een warm bord kaiserschmarren. Hij drukt een laatste kus op de kroon, wikkelt het goud in het vod en begraaft het in het midden van het eiland. Want daar staat de keizer en ligt zijn kroon: in het hart van Ada Kaleh.

Tenminste, dat werd door iedereen bezworen. En wij kinderen maar zoeken en zoeken.

De keizer stampt de aarde aan en recht zijn rug. Dan briest hij naar zijn mannen: ‘Waarom staan jullie hier te lanterfanten? Opschieten, voordat de Osmanen ons spietsen!’

De soldaten juichen. Ze hadden, laten we eerlijk zijn, al overwogen om de keizer af te schieten en tegen Sisi te zeggen dat het een van de inheemsen was die haar echtgenoot het leven had ontnomen.

‘Kom, Uwe Keizerlijke en Koninklijke Majesteit, uw boot is niet ver meer, laten we vaart maken, Uwe Keizerlijke en Koninklijke Majesteit.’

Ook de soldaten van de andere kant barsten in gejuich uit, en

wij sluiten ons aan – zoals gewoonlijk kiezen we de kant van de overwinnaar, de ene keer wat luider dan de andere. Zo zijn wij. Door in de Donau te vallen, wordt de regendruppel de Donau. Er wordt niet langer geschoten. De keizer haast zich over de kade, rent over de loopplank en verdwijnt in het binnenste van het schip. De scheepsschroeven beginnen te draaien. Witte eenden zwemmen kwakend weg, kwaad over het plotse gerommel onder hun zwemvliezen.

Kroonloos vaart de keizer af. Eenmaal buiten schotafstand beklimt hij het dek en kijkt naar het eiland. De koude wind van de Karpaten waait over zijn hoofd. Hij krijgt een kop koffie aangereikt van een lakei. Die smaakt hem nauwelijks. Van deze afstand komt het eiland hem sereen en wonderschoon voor, een eiland vol leven. Hij betreurt alle verliezen en draait de opgedroogde modder uit zijn snor. De keizer voelt aan de stof om zijn billen en ruikt aan zijn hand. Voortaan laat ik de vruchtenbavarois staan, besluit hij.

Alle eilanders komen uit hun witte huisjes en volgen de stoomwolken van het schip tot keizer Frans Jozef i van Oostenrijk zijn Hongarije binnendrijft. Zonder kroon, maar met Ada Kaleh tussen huid en nagel.

Hij zou terugkomen, zoveel was zeker. Al kun je ook zeggen dat hij ons eiland nooit echt heeft verlaten. Zijn kroon zou een legende worden. Kinderen zouden ernaar zoeken tussen de ruïnes, overtuigd dat wie hem vond keizer zou worden. We leerden dat iedereen kan vertrekken, maar niemand echt wegkomt van Ada Kaleh. Het fort, niet langer modern en sterk, was beschadigd maar niet bezweken. Het zou onze geschiedenis bewaken. Ruïnes rijpen met de tijd.

2.

Toen mannen op de maan wandelden, verdween er een eiland. Maar in die jaren net na de oorlog durfden Azra, Ibrahim en Deniz niet verder te kijken dan de volgende dag. Overleven was voldoende toekomst. Duitse raketpioniers zochten hun heil in Amerika, en de eilanders, geboren verschoppelingen, staarden vanaf een fortmuur naar de sikkel aan de stille hemel.

Er wachtte een avontuur.

Azra was dertien toen ze de jongens haar plan toefluisterde. De eilandwind graaide naar haar woorden om ze weg te blazen over de Donau, waardoor alleen Ibrahim haar hoorde. Hij rookte al over zijn longen en blies tabaksdamp naar de steekmuggen om ze van zijn huid te weren. Hij kneep zijn riviergroene ogen samen, waarna hij zich van de muur liet vallen. ‘We gaan,’ zei hij. Hij drukte de peuk uit tegen een vijgenboom, schoot het stompje van zich af en klapte in zijn handen.

Deniz zat niet op te letten. Hij verstond alleen ‘vuurpijlen’ en dat was genoeg voor een tiener met zin in het leven. De toekomst strekte zich uit tot de grenzen van hun dagdromen. Hij sprong en klopte het zand van zijn pantalon. ‘Haydi, kom, we gaan,’ echode hij. Hij veegde de haarlokken uit zijn gezicht om Azra beter te zien en hoopte waarschijnlijk dat zij hem daarmee ook beter zag; dat grote voorhoofd van hem, vol ideeën. Ze lachte. Toen klapte hij in zijn handen, zoals Ibrahim dat deed, omdat Ibrahim dat deed.

Ibrahim plukte wat tabak van zijn tong en spuwde een fluim op hun geboortegrond.

Ik ben deze jongens, dacht Azra. En zij zijn mij.

Vanuit haar hoogte zag ze alles, ook hoe Deniz pas zijn arm uitstrekte om haar te vangen toen Ibrahim dat deed. Ze klom graag op de verdedigingsmuren naar het verdwaalde kanon, ondanks haar vaders verbod. Of in de cipressen, populieren, kastanjes en vooral in de oudste, sterke magnolia’s met hun oudroze bloemen die telkens opbloeiden. ‘Doe je voorzichtig,’ zeiden de jongens met de stem van haar vader, zonder vraagteken. Ze antwoordde alleen in haar hoofd, dus konden de jongens slechts gissen naar haar gedachten. Haar dikke ravenzwarte krullen waren ondoordringbaar.

Voor ze naar beneden kwam keek ze over de rivier die links en rechts langszij vloeide. Tussen twee vastelanden lag hun thuis. Een laatste visser staarde zijn dobber onder water. Azra probeerde niet aan haar moeder te denken. Pas later, alle drie op een heel ander moment in hun leven, zouden ze begrijpen dat Azra’s fluistering het moment was waarop hun eiland losraakte; niet van de Donau, maar van de tijd.

Azra ontknoopte haar benen en vouwde haar vingers om de handen die naar haar reikten. Ze sprong naar de diepte en voelde een jongenshand om haar middel en een jongenshand onder haar bil. De landing was zacht. Ze veegde de handen van haar lijf. ‘Laten we Volkan Omers vuurpijlen stelen,’ zei ze opnieuw, nu harder.

Haar stem was honingzoet. Het fort beschermde haar woorden tegen de wind.

Ibrahim duwde Deniz met zijn schouder opzij en rende over het zandpad.

‘Ik pak je terug!’ riep Deniz met wankelende stem, maar hij volgde zijn vriend niet. Hij draaide zich om naar Azra, wees in de richting van de stofwolk en liet haar voorgaan; misschien omdat hij galant wilde zijn of omdat hij zich nog altijd afvroeg of het wel verstandig was om af te dalen naar de schuur van zijn oom.

Azra sprintte achter Ibrahim aan en keek niet eenmaal om naar de boekhandelaarszoon. Op haar tong proefde ze zand en stof.

Ze renden langs de moskee en door de rijkversierde oosterpoort naar het huis van Volkan Omer, die aan de rivier woonde.

Hij was niet alleen populair als scheepsbouwer, maar ook om allerlei goederen die spontaan zijn werkplaats binnen leken te drijven. Niet voor niets verzorgde hij het vuurwerk voor het feest, welk feest dan ook. Hij sliep met zijn voeten in de Donau, zei hij. Als het water brulde, schreeuwde hij terug dat het zich koest moest houden. De meeste eilanders woonden in huizen die in de vesting waren gebouwd, vaak met stenen van het fort zelf. In sommige huisden aangespoelde Hongaren, Duitsers, Serviërs en Roemenen – iedereen was welkom. Geen enkel huis was gelijk. Ibrahim en zijn grote familie hadden een smal en sierlijk huis. Deniz sliep boven de boekhandel met zijn ouders. Azra leefde met haar vader in een huisje dat tegen de vestingmuur aan zat geplakt. Het maakte haar niets uit dat ze in een krot woonde zonder selamlik voor de mannen en haremlik voor de vrouwen, zolang dat betekende dat ze vaker buiten kon zijn.

Met haar vingertoppen streek ze langs de vertrouwde stenen van de poort. Eindeloos vaak had ze als kind een janitsarensoldaat uit het elitekorps van de sultan gespeeld die de vesting moest innemen of juist verdedigen tegen Oostenrijkse ulanen met lange lansen. Met Ibrahim, Deniz en de andere eilandkinderen, en soms zelfs met echte indringers, het kroost van de vastelanders die over de bazaar liepen en met hun vreemdelingengeld suikergoed of belastingvrije tabak kochten en aanschoven in de kleine koffiehuizen. De vastelanders spraken een taal die Azra maar mondjesmaat begreep en pas later als een woest mengsel eigen maakte. Kinderen hebben geen taal nodig om de ander te begrijpen, alleen elkaar, een lach, een beweging, een knikje en een tik op de schouder. In de fantasie schuilt de wereld. Als Azra’s vrienden zeiden dat iets niet kon – paprika’s kunnen niet praten, vissen lopen niet, alle piraten zijn allang dood, mijn vader vermoordt me als we kussen – antwoordde ze: ‘Maar we kunnen doen alsof het kan. En dan kan het altijd.’

Ze had gelijk.

Op de kant lagen de houten vissersboten op een rij in de modder. De rivier likte aan hun boegen. Deniz’ stem achtervolgde haar. ‘Ik weet het niet,’ zei hij. ‘Oom Volkan verbergt een geweer onder

zijn tapijt. Misschien kunnen we gewoon spelen in de kazematten.’

Ibrahim ving Azra en Deniz in zijn gespreide armen. ‘Mijn oom had wel duizend geweren en pistolen,’ zei hij. ‘De sultan schonk hem eigenhandig een jatagan, zo sterk, zo licht, zo prachtig dat geen vijand het tegen hem op durfde te nemen. Iedereen was bang om de heilige inscripties op het staal te beschadigen.’ Hij liet zijn vrienden los en zwaaide met een denkbeeldig zwaard door de lucht. Alle drie zagen ze hoe de ondergaande zon verdween in de ingelegde edelstenen. Ibrahim gleed met de tip langs de kinnen van Azra en Deniz. Toen stak hij de kilij van zijn oom in een al net zo versierde schede aan zijn riem. ‘Een echte Kadri is voor niemand bang.’

‘Behalve voor communisten,’ zei Azra. ‘De grote Ali Kadri is naar Turkije gevlucht en liet jou achter, zijn geliefde achterneef.’

Deniz: ‘Hij was in elk geval niet bang… om Ibrahim bij ons achter te laten.’

Ibrahim wilde zijn kilij opnieuw trekken, maar de schede en het kromzwaard waren gesmolten in de kokende werkelijkheid. De meeuwen schreeuwden naar beneden. ‘Ibrahim Kadri vlucht niet,’ zei hij. Hij schopte een steen in de rivier die zijn oom wel had overgestoken. ‘Wij willen niet weg, Ada Kaleh is ons thuis.’

Ada Kaleh, Ada Kaleh.

Ach, kinderen.

Wat kleine kinderen bidden is een goede bede, zo zeiden ze dat op het eiland. Wat kinderen vragen, wordt door Allah gehoord.

Azra, Deniz en Ibrahim deden wat kinderen doen: fluisteren, beloven, dromen. Ze waren de laatste kinderen die nog geloofden dat hun eiland eeuwig zou blijven drijven. Alleen zij konden het een gezicht geven, een naam, een verhaal om te vertellen wanneer alles voorbij zou zijn. Het was natuurlijk niet hun schuld. Het was geen dag die levens omwentelde zoals in de verhalen van de boekhandelaarszoon, waarin de tijd wordt gespleten en er voortaan een voor en na bestaat.

Azra sluipt over het kronkelpad langs het water. De jongens volgen haar naar de werkplaats van Volkan Omer, waar hij boten herstelt die al eeuwen af en aan varen en snoeken, barbelen, snepen en steuren aan wal trekken. Deniz fluit een slaapmelodietje,

niemand weet waarom. De schuur balanceert op de kade, terwijl de wind met de kierende deur speelt. Azra geeft Deniz een por: koest, en buk. Ze wijst naar de oever. ‘Daar is hij,’ fluistert ze. Tussen de schuur en woning liggen mannen in het hoge gras met hun fez half over hun ogen. Ze klagen dat het leven te kort is, of te lang, of precies zo perfect dat de broze perfectie wel snel zal omslaan. Ze drinken van de boza die mevrouw Omer zelf fermenteert. Volkan Omer proost ergens op; zijn lach buldert over de rivier en ploft tegen de bergen aan de overzijde.

‘Welkom in luilekkerland,’ zegt Ibrahim.

‘Hij werkt hard,’ zegt Deniz over zijn oom, of oudoom, of oomachtige. Met zijn vingertop tekent hij een reuzenhand in het zand. ‘Volkan heeft klauwen als een beer. Hij kan ons alle drie in één houw doodslaan.’

‘Mooi zo,’ zegt Azra. ‘Sterke mannen zijn blind. Hij zal ons niet eens opmerken.’

Ibrahim kruipt naar voren. Met zijn knieën veegt hij de hand van het pad. ‘Ik ga wel eerst,’ zegt hij. ‘We hoeven niet allemaal ons leven te geven.’

Azra trekt hem terug aan zijn hak om hem duidelijk te maken dat dit háár idee is. Ibrahim rolt opzij en schuilt naast Deniz achter het riet. Ze voelt hun ogen in haar rug prikken als ze gekromd als een oud vrouwtje afdaalt naar de schuur. ‘Maar wij zijn jongens!’ fluistert Deniz hard naar haar vlecht.

Omer en zijn vrienden praten over politiek. Azra herkent de vader van Deniz en besluit dat vooral niet naar de zoon te gebaren. Niemand kijkt naar haar als ze met haar teen voelt of de loopplank kraakt. ‘Alles wordt anders nu de oorlog voorbij is,’ verzucht een van hen. ‘Dat beloof ik je.’ Een ander vervloekt de communisten die aan de macht zijn gekomen. Een derde, misschien Omer zelf, verzekert hun dat ze met rust worden gelaten als Allah het wil. Azra rent over het hout dat onder elke pas golft. Ze drukt haar rug tegen de schuurmuur. ‘Ik beloof je,’ zegt dezelfde man weer, ‘alles gaat veranderen.’

Ze komen overeen om het vooral ergens anders over te hebben. Met haar nagels tikt Azra tegen de houten schuur. Uit het riet-

veld steken de hoofden van de jongens met hun grote ogen, waar ze tussen de purperen pluimen wachten op haar signaal. Ibrahim knikt, Deniz knikt, maar Azra schudt haar hoofd. Ze drukt haar oor tegen het hout. Ze hoort slechts het bonzen van de rivier tegen de andere buitenmuur en haar eigen hart, dat steeds sneller antwoordt. ‘Word stil,’ zegt ze.

Het is stil. Ze schuifelt naar de deur met haar rug tegen de muur. Azra kijkt een laatste keer naar het riet, knikt naar de jongens, wipt de deur open en verdwijnt in de donkerte. Met haar billen vangt ze de terugverende deur op, zodat deze niet dichtbonst. De mannen lachen om iets apolitieks. Even ziet ze niets. Ze ruikt alleen vers zaagsel, terpentijn, rokerige koolteer, zoete olieverf en de dood van ontbindende muizen. Haar stappen knersen. Haar ogen wennen snel aan het donker dat steeds minder donker lijkt, misschien omdat haar vader en zij thuis nog wachten op elektriciteit en de donkerte buitendrijven met kaarsen en olielampen. Het laatste daglicht dringt door de talrijke kieren naar binnen. In het midden van de schuur bungelt een kaïk aan twee kettingen. Koolteer drupt van de onderzijde van de roeiboot. Aan het plafond hangen visnetten met spinnenwebben als dagvangst. Tegen de rechterwand plakken zagen, tangen, hamers en tientallen bakken met spijkers, tegen de linkerwand staan planken en balken in alle maten, roeispanen, een bezem en in de hoek een toren van kratten. Van buitenboordmotoren, startkoorden en benzine wil de scheepsbouwer niets weten; hij is van de oude stiel. Op een rek staan potten rozenblaadjesjam van zijn vrouw en flessen met fermenterende boza.

Twee ogen staren streng naar de indringer. Azra gilt, drukt haar hand tegen haar mond en springt opzij. Ze stoot tegen de boot, waardoor de kettingen een alarm rinkelen. Een opgezette ooievaar naast de flessen boza kijkt dromerig toe hoe Azra de boot probeert stil te houden, haar handen plakkend aan de koolteer. De ooievaar lijkt een beetje te grijnzen vanaf zijn plank. ‘Stom beest,’ zegt Azra. De kettingen vallen stil. Ze tilt de vogel van de plank en kijkt hem diep in zijn knikkers. ‘Waar blijven de jongens?’ vraagt ze. De ooievaar, brenger van goed nieuws, zwijgt in alle talen.

De mannen lachen niet langer.

Azra hoort zware voetstappen op de loopplank, dan een krakende klink. Ze laat de ooievaar vallen.

De luide stem van Ibrahim vindt zijn weg naar de werkplaats. ‘Mijn oom had honderd geweren en pistolen.’

‘Wat bedoel je, jongen?’ vraagt Volkan Omer bruusk. De deurklink kermt opnieuw, maar de deur blijft dicht. Voorlopig. Azra klimt in de boot en wurmt zich onder de roeibanken, waar ze zachtjes wordt gewiegd.

‘Let niet op hem,’ antwoordt Deniz. Azra hoort dat hij nerveus is, want zijn stem slaat over. ‘Mijn vader heeft ons gestuurd.’

‘Dat verbaast me,’ zegt Volkan Omer. De klink kraakt weer.

‘Hij wil gewoon weten hoe het met zijn favoriete broeder is. Jullie hebben elkaar al zo lang niet meer gezien. Dat spijt hem ontzettend. Hij vertelt elke avond over jullie jeugd, over hoe jullie, net als Ibrahim en ik, heersten over ons eiland. En over hoe jullie eens een vlot bouwden en zoveel vis vingen dat jullie met vangst en al zonken. De rivier bracht jullie terug. Dat is een van mijn lievelingsverhalen.’

Volkan Omer moet lachen. ‘Daar heb ik het net nog met je vader over gehad,’ zegt hij. Azra voelt dat ze bloost. ‘Hij zit daarbuiten.’

Deniz zegt niets meer. Ibrahim: ‘Mijn oom had het allermooiste kromzwaard van de Balkan.’

De deur zwaait open. ‘Ga met een lach!’ Volkan Omer trekt de scharnieren haast uit de lijst. Azra knijpt haar ogen stijf dicht, als een dreumes die zich verstopt waant achter gesloten oogleden. Ik ben onzichtbaar, denkt ze, ik ben verdwenen, hoewel ze de superkracht om te verdwijnen met de jaren is kwijtgeraakt. De timmerman sukkelt rakelings langs de boot. Hoewel ze hem niet kan zien, hoort ze hoe hij door zijn werkplaats schuifelt en in elke hoek zoekt naar een indringer. Naar haar. Misschien heeft hij geruisloos een bijl van de grond geraapt. Ineens is hij dichtbij, want ze hoort zijn ademhaling raspen in zijn keel. Hij geeft de boot een duw. Azra bijt op haar lip en drukt haar buik stevig tegen de bodem. De kettingen zingen haar in slaap. Ze ademt op rantsoen.

Turn static files into dynamic content formats.

Create a flipbook
De laatste eilanders - Stefan Popa Inkijkexemplaar by HarperCollins Holland - Issuu