DE KREEFTEN
VROUWEN
Vertaling Sylvia Wevers
Voor het papieren boek is papier gebruikt dat onafhankelijk is gecertificeerd door FSC® om verantwoord bosbeheer te waarborgen.
Kijk voor meer informatie op www.harpercollins.co.uk/green.
HarperCollins is een imprint van Uitgeverij HarperCollins Holland, Amsterdam.
Copyright © 2025 dtv Verlagsgesellschaft mbH & Co. KG, München, Germany
Oorspronkelijke titel: Die Hummerfrauen
Copyright Nederlandse vertaling: © 2026 HarperCollins Holland
Vertaling: Sylvia Wevers
Omslagontwerp: Cornelia Niere, Büro für Gestaltung, München
Omslagbewerking: Villa Grafica
Omslagbeeld: © whistlefish.com
Foto auteur: © Beatrix Gerstberger
Zetwerk: Mat-Zet B.V.
Druk: ScandBook UAB, Lithuania, met gebruik van 100% groene stroom
isbn 978 94 027 1972 7
isbn 978 94 027 7688 1 (e-book)
nur 302
Eerste druk april 2026
HarperCollins Holland is een divisie van Harlequin Enterprises ULC. ® en ™ zijn handelsmerken die eigendom zijn van en gebruikt worden door de eigenaar van het handelsmerk en/of de licentienemer. Handelsmerken met ® zijn geregistreerd bij het United States Patent & Trademark Office en/of in andere landen.
www.harpercollins.nl
Elk ongeoorloofd gebruik van deze publicatie om generatieve kunstmatige-intelligentietechnologieën (AI-technologieën) te trainen is uitdrukkelijk verboden. De exclusieve rechten van de auteur en de uitgever worden hierbij niet beperkt. HarperCollins maakt tevens gebruik van de rechten onder Artikel 4(3) van de Digital Single Market Directive 2019/79 en het uitvoeren van tekst- en datamining op deze publicatie is niet toegestaan.
Niets uit deze uitgave mag openbaar worden gemaakt door middel van druk, fotokopie, internet of op welke andere wijze dan ook zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de uitgever. Het e-book is beveiligd met zichtbare en onzichtbare watermerken en mag niet worden gekopieerd en/of verspreid.
Alle in dit verhaal voorkomende personen zijn ontleend aan de fantasie van de schrijver. Elke gelijkenis met bestaande personen berust op toeval.
PROLOOG
De kreeft zal me overleven, had Ann ooit gezegd. Toen ze stierf, zat hij naast haar op het hoofdkussen.
‘En ik zweer je, ze ademde nog één keer uit en het was net alsof iemand het dopje uit een luchtbed had getrokken. En toen veranderde hij even van kleur en was hij in plaats van blauw ineens helemaal oranje.’ Julie lachte die keelachtige lach die zelfs na al die jaren nog zo vertrouwd klonk voor Mina. ‘En op hetzelfde moment was er een harde knal, en ik dacht al, verdomd, nu springt haar ziel uit haar borst en zweeft-ie door het raam naar zee. Maar het was alleen maar een uitlaatpijp die er vlak voor het huis af viel.’
Het was zes uur ’s ochtends. Door de telefoon hoorde Mina de misthoorn van Stone Harbor, vierduizend kilometer verderop. Het dorp dat ’s morgens vaak werd opgeslokt door de mist, net zoals het zelf de verdrietige, geheime of verdrongen verhalen van zijn inwoners leek op te slokken, om ze vervolgens toch ooit weer voor hun voeten uit te spugen. Dan moesten ze maar zien hoe ze ermee omgingen. Er was hier niemand die niet naar iets verlangde. Naar een kreeftenboot met meer pk’s, naar een mildere winter waarin je vingers niet bevroren tijdens het werk aan boord, naar een verloren liefde, naar een hand die je vasthield, af en toe naar
een leven in de grote stad. Maar er was ook niemand die echt weg wilde uit dit blauw en van de glinstering van de zee op de goede dagen, uit de vochtige, zoute lucht die als een pleister op hun wonden en waarheden lag, die sommigen van hen het liefst voor altijd hadden verstopt. Het zou wel weer goed komen.
En te midden van deze glinstering en de mist van de ochtend stond aan de rand van het water een groot geel huis. In de tuin daarvan zat elke middag een blauwe kreeft, met daarnaast een oude vrouw met kort grijs haar en blote voeten in het gras waarmee ze zijn voelsprieten kietelde. Het was een van de beelden die Mina zag als ze haar ogen sloot en aan Stone Harbor dacht. Ze zag ook Julies kleine, mollige gestalte, met haar altijd wat ruwe handen, die vaak als twee schelpen haar gezicht omsloten en naar een mengsel van bootdiesel, lavendelparfum en zoutvochtige huid roken. Ze zag de kreeftenvissers en ze zag hun fuiken op het laadvlak van de vrachtwagens op en neer stuiteren als ze over de kuilen van Main Street reden. En ze zag Sam. De blik van een jongeman die door iets werd gekweld en toch probeerde door te gaan. Die er altijd al was geweest en aan wiens liefde ze zich als een drenkeling had vastgeklampt. Die haar vasthield en hun beiden hoop op een toekomst gaf. Toen de hoop in haar met elke maand groeide en al snel niet meer over het hoofd kon worden gezien, toen hun gezamenlijke toekomst na negen uur weeën de wereld in gleed, zat hij naast haar in dit grote gele huis en hield hij haar hand heel stevig vast alsof ze anders weg kon waaien. Bij elke weeëngolf die over haar heen rolde, had ze zich geconcentreerd op het geluid van de misthoorn. En toen was ze er eindelijk, Luca, met haar doorschijnende, gerimpelde huid en de roodbruine donshaartjes op haar hoofd. Zijn kind.
Dit tere meisje met de groene ogen dat zo tenger en zo taai was, sinds het moment dat ze was geboren.
‘Heeft Ann een goede dood gehad?’ vroeg Mina.
‘Het ging van een leien dakje,’ zei Julie. ‘Maar ze wenste daarvoor telkens weer dat je je leven eindelijk op orde krijgt.’
‘Ordelijker dan dit is niet mogelijk,’ zei Mina.
‘En ze wilde dat je Luca meeneemt naar de begrafenis,’ vervolgde Julie.
‘Ik weet niet of dat zo’n goed idee is,’ zei Mina aarzelend.
Ze stelde zich Luca’s chagrijnige gezicht voor en hoorde haar al vragen: ‘Moet dat echt, naar Stone Harbor? Wat moet ik aan de andere kant van het land?’
‘Het is het dorp waar je bent geboren en de eerste jaren van je leven hebt doorgebracht.’
‘En het is het dorp waar mijn vader je zeventien jaar geleden in de steek heeft gelaten.’ Ze zou zich tot Carlos wenden, zoals ze altijd deed als ze ruzie hadden. ‘Zeg jij nou eens wat, papa.’ Carlos, op wiens schouders ze naar de kleuterschool was gedragen. Die haar ’s avonds had voorgelezen en haar had leren zwemmen. Die haar tranen had gedept en haar met ijs had omgekocht. Carlos, die altijd had geprobeerd het juiste te doen voor Mina en Luca sinds hij in hun leven was gekomen en die daarom uiteindelijk de snelste vlucht van Seattle naar Maine voor hen zou uitzoeken.
‘Mina?’ vroeg Julie. ‘Jullie komen dus? Luca ook? Ann zou niet zo hebben aangedrongen als het niet belangrijk voor haar was geweest.’
‘Ik weet het,’ zei Mina. ‘Natuurlijk komen we, dat beloof ik.’
Ze trok een vest aan over haar slaapshirt, liep door de gang en opende de deur van Luca’s kamer om haar wakker te maken. Luca had voor het laatst naar Sam gevraagd toen ze een klein meisje was. Ze kende alleen een foto van haar vader op een boot, zijn gezicht naar de zon gedraaid, zijn haar nat van het zwemmen. Maar op een gegeven moment was deze foto niet meer belangrijk. Er was geen lichaam om tegenaan te kruipen. Geen armen bij deze vreemde man die haar zouden hebben beschermd. Carlos was degene die haar bescherming, troost en steun bood. Luca snurkte zachtjes. Mina streek zacht de bezwete haren van haar voorhoofd. Ze dacht aan hoe Sam een paar weken na haar geboorte haar kleine sneeuwwitte gezichtje had gefotografeerd. De gesloten ogen met de als twee veertjes trillende oogleden. De perfecte kersenmond, het kuiltje in de kin waar hij voorzichtig een vingertop in had gelegd. Het was de laatste foto die hij van Luca had gemaakt voordat hij verdween.
Pas veel later had ze begrepen dat een gebeurtenis in een zomer bijna veertig jaar geleden het mislukken van hun liefde onvermijdelijk had gemaakt.
VOORJAAR 2000
Op de dag in die eerste lente na de millenniumwisseling waarop Mina in haar huis was gekomen, was het stormachtig. Ann kon het zich later nog precies herinneren, want die middag zat Mr Darcy, zoals altijd als de wind opstak, naast haar op het gazon met wild trillende voelsprieten te kijken terwijl zij na haar werk een sigaret rookte. Mr Darcy hield van een goed briesje dat de golven in de haven deed donderen en de zilveren kreeft op de torenspits van Stone Harbor liet draaien.
Het was liefde op het eerste gezicht geweest toen Ann hem twee jaar eerder in een van haar fuiken had ontdekt. Eerst had ze hem weer in zee willen gooien. Hij had niet de minimummaat die door de visserij-autoriteit was voorgeschreven om hem te kunnen verkopen. Zijn pantser was glanzend blauw. Ann wist meteen dat er tussen hem en zijn twee miljoen soortgenoten maar één kreeft met zo’n extravagante kleur was. Ze zette hem in een emmer, die ze in een hoek van de kajuit plaatste. Later nam ze hem mee naar huis. Op zolder zocht ze het aquarium op dat Carolyn bijna twintig jaar eerder voor haar goudvissen had gekocht, die algauw waren overleden nadat ze Ann kort daarna had verlaten. Dat kwam niet doordat Ann de goudvissen niet had gevoerd. Nee, het leek gewoon alsof ze een leven zonder Carolyn niet de moeite waard hadden gevonden. Dat had Ann goed kunnen begrijpen.
Met een jerrycan had ze zeewater uit het havenbekken gehaald. Ze stak Main Street over, droeg de jerrycan de steile treden op naar haar huis op de heuvel aan zee en vulde het aquarium. Ze haalde de blauwe kreeft voorzichtig uit de emmer en zette hem erin, vlak naast een eenzame ficus. Hij stak zijn voelsprieten omhoog, draaide ze in alle richtingen, kroop langzaam over de bodem, stopte en staarde Ann aan. ‘Ik zal morgen wat stenen, schelpen en zand voor je halen. En de ficus gaat weg, dat beloof ik,’ zei Ann. ‘En voorlopig heet je Mr Darcy. Ik denk dat jij er zo een bent die eerst een pantser draagt, maar zodra hij vervelt toch niet zo'n grote idioot blijkt te zijn.’
Mr Darcy leek zijn leven bij Ann leuk te vinden. Als ze na een dag op de boot thuiskwam, kroop hij heel dicht tegen het glas en trilden zijn voelsprieten ritmisch. Ze raakte eraan gewend om met hem te praten. Ze vertelde hem over de dag op zee, over het walvisje dat een tijdje naast haar boot had gezwommen, over de vissers met het brein van een mier van wie de vanglijnen alweer verstrikt waren geraakt in de hare. Ze zong zeemansliederen voor hem of las hem haar boodschappenlijstjes voor. Tussen de oude platen in de kast koos ze een pianosonate van Schubert of een liedje van Dolly Parton. Ze keek naar zijn bewegingen, het heen en weer gaan van zijn voelsprieten, de manier waarop hij zijn kop optilde. Hij vond het geweldig als ze Dolly Partons ‘Love Is Like a Butterfly’ draaide. Ze voerde hem elke avond het overgebleven aas, gaf hem vissenkoppen en af en toe ook een stukje van haar broodje met jam. Eén keer per jaar vervelde hij. Dan trok hij zich een tijdje van haar terug en verdween hij in de stenen grot in zijn aquarium. Pas als zijn pantser weer stevig was, kroop hij naar buiten en
richtte hij zijn voelsprieten naar haar, alsof hij wilde zeggen: hup, we kunnen weer verder met ons leven.
Dat leven had zijn vaste patroon. Elke avond sneed ze drie sneetjes brood af, belegde die met kalkoenfilet, slablaadjes en kaas, legde ze in een metalen brooddoos met de zachte randen naar boven, deed er een paar wortels en plakjes komkommer bij en zette de doos in de koelkast. Ze deed precies een halve liter water in het reservoir van het koffiezetapparaat en vier lepels koffiepoeder in het filter. Daarna ging ze naar bed. Ze las drie pagina’s in een van de romans die ze bij Linda Stratford in de bibliotheek leende. Ze zette de wekker, deed het licht uit, viel meteen in slaap en sliep tot drie uur ’s nachts.
Het was nog donker als ze naar de badkamer ging. Ze doopte haar gezicht in koud water, borstelde met haar vingers haar korte haar naar achteren, smeerde wat zonnebrandcrème op haar huid, trok haar oude spijkerbroek en haar bruine fleecejack aan, liep de paar meter aan de overkant van de straat naar de steiger, begroette de andere vissers alleen als ze daar zin in had, maakte haar bootje los en roeide naar haar kreeftenboot, de Carolyn.
Als de zon langzaam aan de horizon opkwam, was ze allang op volle zee en waren de andere boten ver weg van haar. De wereld was alleen van haar en dat was goed zo. Ze geloofde niet in God, maar als Hij bestond, zou dit het moment zijn waarop ze Zijn gevoel voor schoonheid zou bewonderen. Aan de andere kant twijfelde ze niet aan Zijn vermogen om leed over de mensen uit te storten. Ze leegde haar fuiken, bevestigde de opnieuw gevulde aasnetten en liet ze weer in de diepte zinken. Ze had tweehonderd
fuiken, waarvan ze er elke dag afwisselend honderd aan boord trok. Haar wangen waren rood van de oostenwind en tintelden, ze proefde het zout in de vochtige lucht en op haar lippen, en als ze zich over de reling boog om met de haak de boeien van haar fuiken binnen te halen, zag ze even het donkergroen van de diepe zee onder zich glinsteren. Af en toe voelde ze een pijnlijke steek in haar rug, die ze negeerde. ’s Middags haalde ze de kleine koeltas onder het stuurrad vandaan, opende de metalen brooddoos en nam een hap van haar brood. De boot deinde op de golven, terwijl de meeuwen als popcorn op het water dreven.
Carolyn was nooit mee uitgevaren. Ze had het een idioot idee gevonden dat Ann, nadat hun gezamenlijk gerunde groentewinkel begin jaren tachtig failliet was gegaan, op haar leeftijd van ruim vijftig nog wilde beginnen met vissen. Als toeristen Ann op straat tegenkwamen – in de uitgedeukte rubberen broek waar nog restanten aas aankleefden, het oude herenoverhemd dat half uit haar broek hing, met haar warrige haar, de schrammen op haar handen en een sigaret tussen haar vingers – draaiden ze zich twee keer naar haar om. Voor hen was ze een van die heerlijk onbehouwen, authentieke vissers. Carolyn had nog een andere Ann leren kennen: rokken, schoenen met hoge hakken, handtas, dik zwart haar in een lage knot opgestoken. Maar lang haar was lastig aan boord. Ze had het afgeknipt en niet meer geverfd. ‘Mijn god, hoe kun je het verdragen om elke avond naar dode vissen te ruiken?’ had Carolyn gevraagd, waarbij ze het feit negeerde dat Ann degene was die met de kreeften het geld voor hen beiden verdiende. En ze verdiende goed. Toen Carolyn was vertrokken, had Ann gereageerd als een generaal op een militaire parade. Onbewogen gezicht,
rechte rug. Daarna had ze Carolyns kamer grondig schoongemaakt. Ze was de zee op gevaren en had in de wind geschreeuwd, maar het had niet geholpen. Na twee dagen begaven haar benen het en op de een of andere manier haar hart ook: ze lag een hele dag roerloos op de bank. Daarna ging ze gewoon verder. Ze was geen vrouw die zich liet gaan, wat er ook gebeurde. Van april tot oktober voer ze met de boot uit. Exact tot drie uur ’s middags. Elke dag behalve zondag. Ze ging niet meer op zoek naar een nieuwe liefde. En ze wilde ook niet meer door eentje gevonden worden.
Ann zat op het gazon, keek naar de eerste tulpen die hun kopje bogen voor de wind, nam een trek van haar sigaret en liet Mr Darcy aan haar rechterduim knabbelen. In de verte kon je Eagle Island zien, een dunne streep aan de horizon, het eiland waarachter niets meer kwam, alleen de open zee. Donkere wolken pakten zich samen in de lucht, maar het deerde haar niet. Er was geen boot meer op zee. Als er een storm opstak, voer je naar de haven, meerde je je boot vast, keerde je de wind de rug toe en ging je naar huis. Geen strandweer, zeiden de toeristen. De lokale bevolking ging sowieso zelden naar het strand.
Er knarsten banden op de kiezels op haar oprit. Ze doofde de sigaret in het gras, stopte hem in een oude jampot en stond op. Ellis Jones van Eagle Island hielp een jonge vrouw uit zijn pick-up. De vrouw was drijfnat, algen hingen in haar koperrode haren en plakten aan haar armen, en haar huid glansde roze, bijna paars. Ann liep de oprit af. ‘Vis je je vrouwen nu al uit de zee, Ellis? Weet je niet dat Fishermen’s News ook een rubriek heeft met plaatselijke vrouwen die graag contact willen?’
Ellis ging hier niet op in en schoof de vrouw naar haar toe. ‘Je moet haar opnemen, Ann,’ zei hij. ‘Ik heb haar op het strand gevonden toen ik er met de hond liep. Ik weet niet hoe ze daar is gekomen, maar ik heb geen tijd, ik moet mijn nieuwe motor bij Billings garage ophalen en daarna meteen weer terug.’
‘En toen bedacht je dat je haar hier wel kon droppen?’
‘Waar anders?’ antwoordde Ellis. ‘Ann Pretchett, het is algemeen bekend dat jij alle vreemde wezens bij je opneemt die in de zee te vinden zijn. Ik hoef maar één ding te zeggen: Mr Darcy.’
‘Gelukkig heeft ze geen vissenstaart en zilveren pailletten op haar borsten,’ zei Ann. ‘Maar ik neem aan dat je haar dan wel mee naar huis had genomen.’
Ellis grijnsde en keek naar de jonge vrouw. ‘Het allerbeste,’ zei hij tegen haar. Hij klom in zijn pick-up, keerde en drukte kort op de claxon.
Ann bekeek de jonge vrouw. Haar groene ogen waren helder, in haar wenkbrauwen hingen piepkleine splinters van schelpen en aan de rand van haar bovenlip zat een licht bloedende snee. ‘Goed,’ zei ze, terwijl ze haar voorzichtig bij de arm nam en haar de oprit op trok naar het halletje achter de voordeur. ‘Blijf hier, ik zal iets voor je halen om jezelf mee af te drogen.’
Ann ging naar boven, kwam terug met een paar handdoeken en gaf ze aan de jonge vrouw. Toen liep ze naar de achterkant van het huis de tuin in, tilde Mr Darcy op en keek hem aan. ‘Mr Darcy, er staat een soort zeemeermin in de hal te druipen op het tapijt. Wat vind jij daarvan?’ Maar Mr Darcy bewoog alleen zijn rechtervoelspriet en staarde haar aan. Ze zette hem in het aquarium. De jonge vrouw stond nog steeds hulpeloos en bevend in het halletje. ‘Nou,
doe je kleren uit. Alles,’ beval Ann. ‘En dan hup naar de badkamer.’ De vrouw gehoorzaamde zonder een woord te zeggen, trok haar broek en witte blouse uit en liet ze op het tapijt vallen. Ze volgde Ann naar boven, naar een badkamer met een lichtgroene wastafel, oudroze tegels en een smalle douchebak met een plastic gordijn. Ann draaide aan de gebarsten porseleinen knoppen en de douche ging sputterend aan. Ze hield haar vingers in de waterstraal. ‘Warm genoeg,’ zei ze. Ze verliet de badkamer en kwam even later terug met een vervaagd t-shirt en met kant afgezet zijden ondergoed. ‘Dit kun je aantrekken.’ Ze zag de verbaasde blik op het gezicht van de jonge vrouw. ‘Het ziet er niet uit alsof het van mij is, ik weet het. En dat is het ook niet. Iemand is het hier vergeten.’ Ze trok de deur met een ruk dicht. ‘Hoe heet je trouwens?’ riep ze door de gesloten deur.
‘Mina,’ was het zachte antwoord.
Ann ging naar beneden, naar de telefoon, en draaide Julies nummer. Ze klemde de hoorn onder haar kin en haalde een sigaret uit het doosje. Bij wijze van uitzondering zou ze er vandaag nog een moeten roken. Na de vierde keer overgaan nam Julie op.
‘Je zult het niet geloven, maar ik heb een zeemeermin in huis.’
‘Tuurlijk. Wat heb jij gerookt?’
‘Nee, serieus. Ellis heeft haar op het strand opgepikt en bij mij gedropt.’
‘Van harte gefeliciteerd dan. Het is dus een meisje. Hoe gaat ze heten?’
‘Mina. En ter informatie voor jou: ze huilt niet, kan haar ogen al openhouden en ook een beetje praten. En ze ruikt naar algen en zeewater en oude schelpen.’
‘Pas uit het ei gekomen, zou ik zeggen.’
‘Nee, maar serieus, ze lijkt midden twintig en is nu boven aan het douchen. Ik heb haar wat oude kleren van mij gegeven.’ Ann aarzelde. ‘En ondergoed van Carolyn dat ik nog had.’
‘Heb je haar ondergoed bewaard?’
‘Dat heb ik niet sinds Carolyn vertrok bij me in bed gehouden, als je dat soms bedoelt.’
‘Niets menselijks is mij vreemd.’
‘Zou je morgenmiddag langs kunnen komen en met haar kunnen praten?’
‘Spreekt ze een taal die je niet kent?’
‘Ik verdiep me niet graag in andermans wereld, dat weet je toch? Maar jij wel.’
‘Waarom ben je hier en waar wil je naartoe… Dat kun je haar toch wel vragen?’
‘Bovendien moet ik morgenochtend uitvaren en ik ga eindelijk naar de dokter voor die levervlek op mijn arm. Hij wordt steeds groter. Ik denk dat ik morgen naar het ziekenhuis in Portland ga om hem te laten controleren.’
‘En met een beetje geluk is ze weer weg als je terugkomt en heeft ze alleen een slijmerig algenspoor van haar vissenstaart op de vloer achtergelaten, hoop je. Mond houden, omdraaien, wegrijden en het probleem lost zich vanzelf op. Dat werkt zelden, Ann. Maar ’t is goed, ik kom morgenmiddag langs.’