Skip to main content

De kamergenoot - Chris Carter Inkijkexemplaar

Page 1


CH RIS CARTER DE KAMER GENOOT

Vertaling Erik de Vries

Voor het papieren boek is papier gebruikt dat onafhankelijk is gecertificeerd door FSC® om verantwoord bosbeheer te waarborgen.

Kijk voor meer informatie op www.harpercollins.co.uk/green.

HarperCollins is een imprint van Uitgeverij HarperCollins Holland, Amsterdam.

Copyright © 2019 Chris Carter

Oorspronkelijke titel: Hunting Evil

Copyright Nederlandse vertaling: © 2026 HarperCollins Holland

Vertaling: Erik de Vries

Omslagontwerp: Pinta Grafische Producties

Omslagbeeld: © Shutterstock

Foto auteur: © Neil Spence Photography

Zetwerk: Mat-Zet B.V.

Druk: ScandBook UAB, Lithuania, met gebruik van 100% groene stroom

isbn 978 94 027 1939 0

isbn 978 94 027 7699 7 (e-book)

nur 330

Eerste druk april 2026

Originele uitgave verschenen bij Simon & Schuster UK Ltd, Londen.

The right of Chris Carter to be identified as author of this work has been asserted in accordance with sections 77 and 78 of the Copyright, Designs and Patents Act, 1988.

HarperCollins Holland is een divisie van Harlequin Enterprises ULC.

® en ™ zijn handelsmerken die eigendom zijn van en gebruikt worden door de eigenaar van het handelsmerk en/of de licentienemer. Handelsmerken met ® zijn geregistreerd bij het United States Patent & Trademark Office en/of in andere landen.

www.harpercollins.nl

Elk ongeoorloofd gebruik van deze publicatie om generatieve kunstmatige-intelligentietechnologieen (AI-technologieën) te trainen is uitdrukkelijk verboden. De exclusieve rechten van de auteur en de uitgever worden hierbij niet beperkt. HarperCollins maakt tevens gebruik van de rechten onder Artikel 4(3) van de Digital Single Market Directive 2019/79 en het uitvoeren van tekst- en datamining op deze publicatie is niet toegestaan.

Niets uit deze uitgave mag openbaar worden gemaakt door middel van druk, fotokopie, internet of op welke andere wijze dan ook zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de uitgever. Het e-book is beveiligd met zichtbare en onzichtbare watermerken en mag niet worden gekopieerd en/of verspreid.

Alle in dit verhaal voorkomende personen zijn ontleend aan de fantasie van de schrijver. Elke gelijkenis met bestaande personen berust op toeval.

Met dank aan een gestrande vrachtwagen die een van de opritten van us Route 58 deels blokkeerde, deed Jordan Weaver er die ochtend exact achtentwintig minuten en eenendertig seconden over om de vijftien kilometer tussen zijn huis en zijn werk te overbruggen; ongeveer twaalf minuten langer dan gebruikelijk. Het parkeren en de wandeling van zijn auto naar de personeelsingang kostten hem nog eens één minuut en tweeentwintig seconden. Hij was nog eens acht minuten en negenenveertig seconden kwijt aan de veiligheidscontrole, het inklokken, zijn tas in zijn kluisje leggen en een haastig toiletbezoek. Snel even koffie halen in de personeelskantine en een laatste wandeling door de lange l-vormige gang van de westvleugel naar zijn post kostten hem nog eens één minuut en zevenentwintig seconden, wat betekende dat het Jordan Weaver, bewaker bij de bewakingspost van de ziekenboeg van de zwaarbewaakte Lee Federal Prison in Virginia, vanaf zijn voordeur in totaal exact veertig minuten en negen seconden had gekost om aan de ergste dag van zijn leven te beginnen. Toen hij de hoek van de gang om sloeg en de vierkante bewakingspost voor hem zag, voelde Weaver zijn keel samenknijpen en zijn hartslag in zijn borst versnellen. De met grote kogelwerende ramen uitgeruste bewakingspost was nooit, maar dan ook nooit onbemand, maar vanaf de plek waar hij stond kon Weaver zien dat er niemand binnen was, wat het eerste zorgwekkende feit was. Het tweede zorgwekkende feit was dat de verstevigde veiligheidsdeur van de kamer wagenwijd openstond, wat tegen alle voorschriften indruiste, maar wat Weaver pas echt deed huiveren van angst, waardoor hij zijn kop koffie liet vallen en tot God bad dat dit slechts een verschrikkelijke droom was, waren de bloedspatten en -vegen die hij aan de binnenkant van de ramen zag lopen.

‘Nee, nee, nee…’

Weavers stem werd luider terwijl hij zijn looppas versnelde tot het snelste sprintje dat hij ooit had getrokken. Bij elke stap kwam de grote sleutel-

bos aan zijn riem luid rinkelend tegen zijn rechterheup. Toen hij in exact vier seconden de deur van de bewakingspost had bereikt, werd zijn nachtmerrie werkelijkheid.

In de controlekamer binnen de kogelwerende omheining lagen de lichamen van bewakers Vargas en Bates in een enorme plas bloed op de grond, beiden met hun hoofden onnatuurlijk achterovergekanteld, waardoor de ernstige wonden op hun kelen zichtbaar waren – dikke, grove sneden over de volledige breedte van hun nek die de binnenste halsader, de gemeenschappelijke halsslagader en zelfs de adamsappel hadden doorklieft.

‘Fuck!’

Aan de andere kant van de kamer lag verpleger Frank Wilson – een vierentwintigjarige Amerikaans-Aziatische man die onlangs was afgestudeerd aan Old Dominion University in Norfolk. Zijn lichaam hing misvormd in een bureaustoel. Zijn keel was met zoveel geweld doorgesneden dat het een wonder was dat zijn hoofd niet van zijn romp gescheiden was, maar in tegenstelling tot Vargas en Bates waren Wilsons ogen nog wijd open en vol angst. Vreemd genoeg leek Wilson door de hoek waarin zijn hoofd gekanteld was Weaver rechtstreeks aan te kijken, alsof hij zelfs na zijn dood nog altijd om hulp smeekte. Alle drie de lichamen waren tot op hun ondergoed ontkleed. De wapens van de bewakers waren ook verdwenen.

‘Jezus christus! Wat is hier in godsnaam gebeurd?’

Weaver, verward en geschokt, moest over Vargas’ lichaam heen stappen om bij de alarmknop op het schakelpaneel te kunnen. Toen hij er met zijn rechterhand op sloeg, werd het hele complex onmiddellijk overspoeld door oorverdovende sirenes.

De ziekenboeg in de westelijke vleugel van het complex beschikte over acht medische cellen en volgens het logboek had slechts één gevangene daar de nacht doorgebracht – de gevangene in cel nummer één. Weavers ogen gingen direct naar de met bloed besmeurde monitoren boven het centrale paneel, specifieker naar die uiterst links – cel één.

De cel was leeg, de deur stond wagenwijd open.

‘Shit! Shit! Shit!’

Weaver voelde zijn benen onder hem verslappen. Hij was al negen lange jaren bewaker van de ziekenboeg in Lee Federal Prison en in al die jaren was er nog nooit een gevangene ontsnapt.

‘Shit!’ schreeuwde Weaver zo hard hij kon. ‘Hoe heeft dit in godsnaam kunnen gebeuren?’

Hij keek de bewakingspost nog een keer rond. Weaver had nog nooit zoveel bloed gezien en ondanks de gevaren die kleefden aan het werk van een gevangenisbewaarder in een zwaarbeveiligde gevangenis, had hij tijdens zijn werk nog nooit een collega verloren.

‘Shiiiiiiiiiit!’

Toen zijn hersenen eindelijk iets registreerden wat ze tot dan toe vreemd genoeg gemist hadden, stokten Weavers bewegingen abrupt.

Een zwak knipperend wit licht, afkomstig uit een halfgeopende lade.

‘Wat krijgen we nou…’

Om erbij te kunnen moest Weaver weer over Vargas’ lichaam stappen. Toen zijn rechtervoet de grond raakte, gleed hij uit over de dikke laag bloed tussen zijn zool en de linoleumvloer. Instinctief schoten Weavers handen naar voren, wanhopig op zoek naar iets om zich aan vast te houden. Zijn linkerhand greep in het luchtledige, maar met zijn rechter wist hij de halfopen lade te grijpen, waar het knipperende licht vandaan kwam. Terwijl hij zichzelf in evenwicht probeerde te houden, gleed zijn voet opnieuw weg. Daardoor verstevigde hij zijn greep op de lade en trok hem volledig open.

Zelfs door het luide gegil van de sirenes heen hoorde Weaver het vreemde klikkende geluid toen de lade openging.

Dat was het laatste geluid dat hij hoorde voordat zijn hoofd explodeerde in een warboel van bloed, bot en grijze massa.

HetNationaal Centrum voor de Analyse van Gewelddadige Misdrijven (ncavc) was een gespecialiseerde afdeling van de fbi die in 1981 was bedacht, maar pas in juni 1984 officieel was opgericht. De voornaamste missie was het bieden van ondersteuning bij onderzoeken naar ongebruikelijke of recidivistische gewelddadige misdrijven tegen wetshandhavingsinstanties, niet alleen binnen de vs, maar wereldwijd.

De directeur van het ncavc, Adrian Kennedy, coördineerde het merendeel van de onderzoeken van de afdeling vanuit het hoofdkwartier, gevestigd op de fbi-opleidingsacademie in de buurt van Quantico in Virginia, of vanuit zijn ruime kantoor op de bovenste verdieping van het beroemde J. Edgar Hoover Building in het noordwesten van Washington dc. Toen zijn mobiele telefoon die ochtend in zijn borstzak ging, wilde het toeval echter dat Kennedy zich op geen van beide locaties bevond. Hij was naar Los Angeles gevlogen om een gezamenlijk onderzoek van de fbi en de politie van Los Angeles naar een reeks moorden af te ronden.

‘De begrafenis van agent Larry Williams is over twee dagen,’ zei Kennedy tegen rechercheurs Robert Hunter en Carlos Garcia van de lapd. Zijn van nature schorre stem, die door decennia roken nog verder was aangetast, klonk vermoeid. ‘Die vindt plaats in Washington dc. Ik dacht dat jullie dat graag wilden weten, voor het geval jullie die willen bijwonen.’

‘We regelen wel wat zodat we erbij kunnen zijn,’ antwoordde Hunter. Hij klonk ook vermoeid; de zware wallen onder zijn ogen verraadden hoe weinig hij de afgelopen dagen had geslapen.

Garcia knikte instemmend. ‘We zullen er zeker zijn. Hij was een geweldige agent.’

‘Een van mijn besten,’ zei Kennedy met een van verdriet doordrenkte stem. ‘Hij was ook een goede vriend.’

‘Het was een eer om met hem te werken,’ voegde Hunter daaraan toe.

Kennedy zweeg met zijn blik op oneindig, alsof hij ergens over nadacht.

Op dat moment voelde hij zijn werktelefoon in zijn zak trillen. Hij hief zijn linkerwijsvinger ten teken aan beide rechercheurs hem te verontschuldigen en bracht de telefoon naar zijn oor.

‘Adrian Kennedy,’ zei de ncavc-directeur in de microfoon en hij bleef even luisteren. Binnen een paar tellen verscheen er een verwarde uitdrukking op zijn gezicht. Twee seconden later maakte de verwarring plaats voor ongeloof. Twee seconden daarna sloeg het ongeloof om in shock. ‘Hoe bedoel je, “hij is weg”?’

Die woorden brachten Hunter en Garcia ertoe Kennedy opnieuw verwachtingsvol aan te kijken.

‘Wanneer is dit gebeurd?’ In Kennedy’s stem klonk een zweem van nervositeit door.

‘Wat is er aan de hand?’ vroeg Garcia, terwijl hij de directeur vragend aankeek.

Kennedy maande beide rechercheurs met een handgebaar te wachten.

‘Hoe is dat in hemelsnaam mogelijk?’ Kennedy trok zijn schouders op, de nervositeit in zijn stem sloeg snel om in boosheid. ‘Want zeg het gerust als ik het mis heb, maar moest hij niet in een extra beveiligde afdeling zitten?’

Kennedy zweeg.

‘Dus hoe kan een gevangene, die vastzit in een zwaarbeveiligde federale gevangenis, zomaar ontsnappen uit een zwaarbewaakt gebouw om rechtstreeks de vrijheid tegemoet te lopen zonder dat iemand hem een strobreed in de weg legt? Wat voor amateuristische beveiliging hebben we daar rondlopen?’

Stilte.

‘Sorry, waar is hij naartoe overgeplaatst?’ Kennedy’s furieuze blik ontmoette heel even Hunters bezorgde oogopslag.

Opnieuw stilte.

‘Toch had de beveiliging…’ Kennedy stopte midden in zijn zin. ‘Hij heeft hoeveel bewakers gedood?’

Toen Kennedy het antwoord hoorde, schoot zijn hand naar zijn voorhoofd en begon hij met duim en wijsvinger zijn slapen te masseren.

‘Een boobytrap in de bewakingspost?’ Kennedy’s ogen werden groot. ‘Hoe kan hij een boobytrap in de bewakingspost hebben gemaakt? Waarmee?’

Stilte.

‘Hoe is hij in hemelsnaam aan een…’ Kennedy stopte opnieuw, zich realiserend dat het hoe op dit moment niets meer uitmaakte. ‘Oké. Ik wil dat er direct een nationaal opsporingsbevel uitgaat,’ beval de ncavc-directeur. ‘En daarmee bedoel ik diréct, begrepen? Naar elke afdeling van elke wetshandhavingsinstantie en naar elk politiebureau in het land, hoe klein ook. Ik wil iedereen hiervoor mobiliseren… iedereen. Informeer ook het ministerie van Justitie dat dit een gezamenlijke klopjacht zal worden tussen de United States Marshals Service en de fbi, begrepen? Ze gaan niet alleen achter hem aan.’ Kennedy haalde boos adem. ‘En ik wil de naam van de gevangenisdirecteur. Iemand moet opdraaien voor deze nalatigheid. Reken maar… Dat is niet alles? Wat nog meer dan?’

Hij luisterde nog tien tot vijftien seconden.

‘Wacht, wacht,’ onderbrak hij de beller. ‘Zeg dat nog een keer. Haal adem, blijf rustig en herhaal wat je net zei, maar langzamer dit keer.’ Kennedy wierp Hunter een blik toe en trok een gepijnigde gelaatsuitdrukking. ‘Ik moet dat op beeld bevestigd hebben en wel nu meteen, begrepen?’

Hij zweeg.

‘Ja, nu meteen.’

Kennedy verbrak de verbinding en haalde diep adem om de neiging te onderdrukken zijn telefoon tegen de muur te gooien en hield de lucht zo lang als hij kon vast.

‘Wat is er aan de hand, Adrian?’ vroeg Hunter bezorgd.

Geen antwoord.

‘Adrian,’ vroeg Hunter opnieuw. ‘Wat is er in godsnaam aan de hand?’

Toen Kennedy Hunter uiteindelijk weer aankeek, stond zijn blik hol en uitdrukkingsloos, maar Hunter zag ook iets anders in zijn oogopslag – iets wat hij niet direct kon plaatsen.

‘Hij is weg, Robert,’ zei Kennedy eindelijk. ‘Hij is ontsnapt. Gewoon een zwaarbeveiligde federale gevangenis uit gewandeld alsof er niemand was. Heeft in het voorbijgaan drie bewakers en twee verplegers van de ziekenboeg gedood.’

‘Wie is er ontsnapt?’ vroeg Garcia, bij wie de verwarring als een masker van zijn gezicht af te lezen viel. ‘Het kan niet de moordenaar zijn die we net gepakt hebben.’ Hij keek Hunter hoofdschuddend aan. ‘Hij is nog niet veroordeeld, wat betekent dat hij niet in een extra beveiligde gevangenis kan hebben gezeten, al weet ik zeker dat hij daar terecht zal komen.’

‘Nee, het is niet de moordenaar die jullie net hebben gepakt,’ zei Kennedy.

‘Dus over wie hebben we het?’ drong Garcia aan. Opnieuw keek Kennedy naar Hunter. Het ondefinieerbare element dat de rechercheur van de lapd een paar tellen geleden niet had kunnen identificeren was nog steeds in Kennedy’s blik aanwezig. Deze keer was het Hunter glashelder. Het was een verontschuldigende blik.

Hunter voelde een holte in zijn maag ontstaan omdat hij niet verder hoefde te vragen. Hij wist welke naam Kennedy zou gaan uitspreken.

Garcia daarentegen had nog steeds geen idee over wie de ncavc-directeur het had, maar zag duidelijk de stilzwijgende uitwisseling tussen Kennedy en zijn partner.

‘Wie is er ontsnapt?’ drong hij opnieuw aan.

‘Lucien,’ zei Kennedy uiteindelijk.

Hunter sloot zijn ogen en ademde pijn in.

‘Lucien?’ vroeg Garcia, wiens blik tussen Hunter en Kennedy heen en weer schoot. ‘Wie is Lucien?’

Hunter opende zijn ogen weer, maar antwoordde niet. Directeur Kennedy sprak uiteindelijk het verlossende woord.

‘Lucien Folter is ontsnapt.’

Toen hij de naam uitsprak, veranderde zijn hele houding, zwaar van verdriet.

Garcia had zijn partner nog nooit zo gezien. Als hij niet beter wist, zou hij zweren dat Hunter bijna bang leek.

‘Wie is Lucien Folter in godsnaam?’

Rechercheur

Robert Hunter was als enig kind van twee werkende ouders opgegroeid in Compton, een achterstandswijk in het zuiden van Los Angeles. Toen hij nog maar zeven was, had zijn moeder haar strijd tegen kanker verloren. Zijn vader was nooit hertrouwd en had twee banen gehad om aan alle eisen te kunnen voldoen waar hij als alleenstaande ouder bij de opvoeding van een kind mee te maken kreeg – een kind wiens brein op een veel hogere snelheid leek te werken dan dat van anderen.

Vanaf jonge leeftijd was het voor iedereen duidelijk dat Hunter geen gewone jongen was. School was voor hem geen uitdaging, integendeel, de jonge Robert Hunter raakte er dermate verveeld en gefrustreerd dat hij, nadat hij alle stof van de brugklas binnen twee maanden had doorgewerkt, zich in sneltreinvaart de stof van de tweede, derde en zelfs vierde klas had eigen gemaakt, gewoon om iets te doen te hebben. Het was niet verrassend dat die prestatie de aandacht trok van de schooldirecteur die, na overleg met Hunters vader, contact opnam met Mirman, een speciale school voor hoogbegaafde leerlingen, aan Mulholland Drive in het noordwesten van Los Angeles. Na een reeks testen, zowel academisch als psychologisch, werd Hunter als tweedeklasser op Mirman geplaatst. Hij was pas twaalf jaar oud.

Op zijn veertiende had hij Mirmans curriculum Engels, geschiedenis, wiskunde, biologie en scheikunde doorlopen. Vier jaar middelbare school waren samengebald in twee jaar en op vijftienjarige leeftijd was hij cum laude geslaagd. Met aanbevelingen van al zijn leraren op zak werd Hunter bij wijze van hoge uitzondering toegelaten tot Stanford University, destijds de universiteit met de beste psychologiefaculteit van Amerika.

Hoewel hij een aantrekkelijke jongeman was, was Hunter dankzij een combinatie van een schriel postuur, zijn jeugdigheid en zijn vreemde kledingstijl niet populair bij meisjes en een makkelijk doelwit voor pestkoppen. Hij had niet het lichaam of de aanleg voor sport en bracht zijn vrije tijd liever door in de bibliotheek, waar hij in een razend tempo boeken over

allerlei onderwerpen verslond. In die periode ontstond zijn fascinatie voor de wereld van criminologie en het denkproces van individuen die bestempeld werden als ‘kwaadaardig’.

Het in stand houden van een zeer hoog cijfergemiddelde was kinderspel geweest, maar hij was alle pesterijen, de afranselingen en het feit dat hij werd uitgescholden voor ‘deegsliert’ al snel beu. Op advies van een vriend besloot hij zich in te schrijven bij een sportschool en begon hij met vechtsportlessen. Ondanks de fysieke uitputting die met de trainingen gepaard ging, bleef Hunter doorgaan met het enthousiasme van een professionele bodybuilder. Binnen een jaar waren de effecten van zijn zware training duidelijk zichtbaar. Zijn lichaamsvolume was indrukwekkend geworden.

‘Deegsliert’ werd ‘spierbundel’ en het duurde iets minder dan twee jaar voordat hij de zwarte band in karate had gehaald. Het pesten stopte en plotseling begonnen de meisjes oog voor hem te krijgen.

Op zijn negentiende studeerde Hunter af in de psychologie – summa cum laude – en op zijn drieëntwintigste promoveerde hij op de analyse van crimineel gedrag en psychobiologie. Dankzij een van zijn hoogleraren werd Hunters proefschrift, getiteld Een psychologische studie naar crimineel gedrag, dat verplichte literatuur werd op de fbi-academie in Quantico, Virginia, en dat is het nog steeds.

Slechts twee weken na zijn promotie werd Hunters wereld voor de tweede keer op zijn kop gezet.

Hunters vader had de voorgaande drieënhalf jaar als beveiliger in een filiaal van de Bank of America aan Avalon Boulevard gewerkt. Tijdens een mislukte overval was hij in zijn borst geschoten. De operatie om zijn leven te redden duurde meerdere uren, waarna Hunters vader in een coma belandde. Niemand kon iets doen behalve afwachten.

En dat deed Hunter, die aan het ziekbed van zijn vader toe moest kijken hoe hij elke dag beetje bij beetje verder achteruitging, totdat hij uiteindelijk twaalf weken later overleed. In die twaalf weken werd Hunter een ander mens. Hij kon aan niets anders denken dan wraak en toen de politie hem meedeelde dat ze geen verdachte in het vizier hadden, wist Hunter dat ze de moordenaar van zijn vader nooit zouden pakken. Hij voelde zich volkomen machteloos en dat gevoel maakte hem razend. Na de begrafenis besloot hij dat het bestuderen van de geest van criminelen niet genoeg was. Het zou nooit genoeg zijn. Hij moest ze zelf gaan opsporen.

Nadat hij zich bij de politie had aangesloten, doorliep Hunter razend-

snel de rangen en hij werd de jongste agent ooit die het bij de lapd tot rechercheur schopte. Als rechercheur werd hij onmiddellijk toegevoegd aan de afdeling Bijzondere Moordzaken – een gespecialiseerde afdeling binnen de divisie Roofovervallen en Moord van de lapd die zich uitsluitend bezighield met seriemoorden en spraakmakende moordzaken die uitgebreid onderzoek en veel expertise vereisten. Als het om moordzaken ging, was de stad Los Angeles met geen andere stad ter wereld te vergelijken. Om een of andere reden leek het een volstrekt eigen type psychopaat aan te trekken, of zelfs voort te brengen, wat de burgemeester van Los Angeles en de lapd ertoe bracht een elite-eenheid binnen de afdeling Bijzondere Moordzaken op te richten. Alle moorden die met overweldigend sadisme en geweld werden gepleegd, werden door de lapd bestempeld als extreem gewelddadige misdrijven. Hunter was het hoofd van deze speciale eenheid en als zodanig had hij meer gewelddadige plaatsen delict gezien dan wie dan ook binnen de gehele lapd. Er was niets wat hem nog echt raakte, beangstigde of schokte. En daarom was Garcia zo verbaasd geweest.

‘Wie is Lucien Folter in godsnaam?’ vroeg hij opnieuw, terwijl hij zijn blik nog steeds tussen Hunter en directeur Kennedy heen en weer liet gaan.

Zijn blik werd niet beantwoord.

‘Robert,’ zei Garcia. Deze keer klonk hij als een geïrriteerde ouder die een ongehoorzaam kind berispte. ‘Wie is Lucien Folter in godsnaam?’

‘Om het simpel te houden…’

Hoewel Hunter eindelijk oogcontact maakte met zijn partner, kwam het antwoord van directeur Kennedy, die nog onheilspellender klonk dan een moment geleden.

‘Lucien Folter is…’

Garcia draaide zich naar hem toe.

‘…het kwaad in menselijke gedaante.’

Tegen de tijd dat directeur Kennedy het telefoontje kreeg over de gevangenisuitbraak, was Lucien Folter de grens tussen Virginia en Tennessee al overgestoken en naderde in hoog tempo Knoxville. Zijn beoogde bestemming, althans voorlopig, was een kleine houten hut in een afgelegen moerasgebied in het zuiden van Louisiana, maar Lucien wist dat op de vlucht blijven het onverstandigste was wat hij op dat moment kon doen. Hij wist dat tegen die tijd het alarm in de zwaarbeveiligde Lee Federal Prison al zou zijn afgegaan, de fbi en het ministerie van Justitie al op de hoogte zouden zijn gebracht en de us Marshals waarschijnlijk al waren gemobiliseerd. Zijn gezicht zou het ochtendjournaal niet gehaald hebben – daar was niet genoeg tijd voor – maar urgente nieuwsbulletins over zijn ontsnapping zouden snel hun weg door de ether vinden en rond lunchtijd zou zijn politiefoto overal in het land te zien zijn. Voordat hij verder kon, moest hij zijn uiterlijk veranderen – drastisch – en daarvoor had hij een paar dingen nodig, waar in een stad zo groot als Knoxville niet moeilijk aan te komen zou zijn, maar alles op zijn tijd. Voordat hij Knoxville zou bereiken, moest Lucien eerst van de zilverkleurige Chevrolet Colorado zien af te komen die hij bestuurde.

De pick-uptruck was van gevangenisbewaarder Manuel Vargas geweest. Nadat hij iedereen in de bewakingspost van de medische afdeling had vermoord, had Lucien alle kleding, wapens, portemonnees en autosleutels meegenomen. Nu het alarm was afgegaan, zou het niet lang duren voordat ze zouden beseffen dat Lucien een van de voertuigen van de bewakers had gestolen. Inmiddels was Lucien er zeker van dat er al een opsporingsbericht voor de Chevrolet Colorado was uitgevaardigd. Iedere agent in het land zou naar die auto uitkijken. Hij moest ervanaf, en snel ook.

Terwijl Lucien zijn opties overwoog, lachte het geluk hem opeens toe. Aan zijn rechterkant doemde een parkeerplaats op en vanaf zo’n tweehon-

derd meter afstand kon hij zien dat er slechts één andere auto geparkeerd stond – een gitzwarte Audi A6, een van de nieuwere modellen.

‘Kijk eens aan, bingo,’ zei Lucien tegen zichzelf terwijl hij rechtop ging zitten, vaart minderde en naar de parkeerplaats afboog. Terwijl hij dichter bij het voertuig kwam, zag hij een vrouw die op de bestuurdersstoel zat te bellen. Er zat niemand naast haar. Er zaten geen kinderen op de achterbank. ‘Perfect.’

Lucien parkeerde vier plekken verder en scande een paar seconden de omgeving. Hij zag niemand in de struiken, geen passagier van de vrouw die een sanitaire noodstop moest maken. Hij glimlachte in zichzelf en richtte zijn aandacht weer op de bestuurder van de Audi. De vrouw, die haar raam volledig gesloten had, leek ongeveer veertig jaar oud. Te oordelen naar haar profiel was ze geen schoonheid – haar kin was iets te puntig, haar neus iets te rond. Haar zwarte haar was kort en netjes geknipt en ze droeg een dunne bruine leren jas.

Om geen argwaan te wekken stapte Lucien uit de auto en deed alsof hij zijn banden aan de bestuurderskant controleerde. De volgende twintig seconden bleef Lucien de vrouw van een afstand gadeslaan. De hand waarmee ze haar telefoon vasthield blokkeerde het zicht op haar mond, waardoor hij haar lippen niet kon lezen, maar de uitdrukking op haar gezicht, haar wenkbrauwbewegingen en de manier waarop ze af en toe een gebaar maakte, impliceerden dat ze met iemand ruziemaakte.

Lucien liep om de pick-uptruck heen om de banden aan de andere kant te controleren en keek ondertussen of hij andere voertuigen de parkeerplaats op zag komen. Hij zag geen enkel voertuig. Toen hij weer naar de Audi keek, zag hij dat de vrouw inmiddels klaar was met bellen en met gesloten ogen en voorovergezakt met haar hoofd tegen het stuur rustte. Het was duidelijk dat het meningsverschil aan de telefoon niet goed was afgelopen.

Dat was zijn kans.

Lucien klopte het zand van zijn handen, keek in een van de ramen van de pick-up naar zijn spiegelbeeld en liep voorzichtig naar haar auto.

Met zijn lengte van ruim één meter vijfentachtig boog hij zich net genoeg voorover dat de vrouw zijn gezicht kon zien.

‘Pardon, mevrouw.’

Lucien was een meesterimitator. In een fractie van een seconde kon hij elke stem, elk accent, elke intonatie oproepen die hij op dat moment pas-

send achtte. Zijn fluweelzachte en diepe stem had een bijna hypnotiserend effect. Zijn accent had die onberispelijke Tennessee-lijzigheid.

De vrouw hield haar ogen gesloten, haar handen en hoofd nog steeds tegen het stuur. Lucien zag een lege plek op haar ringvinger. Een licht ingedeukt en verkleurd strookje huid markeerde de plek waar haar ring had gezeten.

De vrouw reageerde niet.

‘Mevrouw?’ riep Lucien opnieuw. Hij tikte dit keer met de knokkel van zijn rechterwijsvinger tegen het raam.

Hoewel de tik niet hard was, schrok de vrouw ervan. Haar schouders schoten omhoog, haar adem stokte in haar keel en haar lichaam vloog onbeholpen naar achteren. Haar hoofd draaide verschrikt naar links en haar betraande blauwe ogen ontmoetten Luciens donkerbruine ogen.

‘Gaat het wel goed met u, mevrouw?’ vroeg hij. De bezorgdheid in zijn stem werd weerspiegeld in de blik in zijn ogen.

‘Wat?’ vroeg de nu verwarde vrouw, zonder haar raam te openen. Ze leek geïrriteerd door de vreemdeling die haar stoorde.

‘Het spijt me zeer,’ zei Lucien op charmante maar verontschuldigende toon. ‘Het was niet mijn bedoeling me ergens mee te bemoeien, maar ik zag u met uw hoofd tegen het stuur leunen en ik zie nu dat u gehuild hebt. Ik vroeg me gewoon af of alles in orde is. Voelt u zich wel goed? Wilt u misschien wat water of zo?’

De vrouw staarde de vreemdeling aan haar autoraam een aantal seconden zwijgend aan. Het leed geen twijfel dat hij een aantrekkelijke man was – lang en gespierd met hoge jukbeenderen, volle lippen en een krachtige vierkante kaaklijn. Zijn ogen leken vriendelijk en straalden een intensiteit uit die ze onmiddellijk associeerde met kennis en ervaring. Zijn donkerbruine haar viel over zijn oren en zijn volle baard was goed verzorgd.

De ogen van de vrouw gleden van Luciens gezicht naar zijn kleding. Hij droeg een donkerblauw militair uniform. Er zat een of ander groot embleem op zijn rechterschouder, maar ze kon niet goed lezen wat erop stond. Net boven zijn borstzak zat een ander label gestikt. Daarop stond m. vargas. Om zijn middel zat een dikke zwarte leren riem.

‘Bent u een politieagent?’ De blik van de vrouw werd nog altijd vertroebeld door een waas van verwarring en twijfel.

Lucien zag dat dit zijn kans was haar zover te krijgen haar raam te laten zakken. Hij wees naar zijn oor en schudde licht zijn hoofd, alsof haar stem

achter het gesloten raam en door het lawaai van de snelweg voor hem onverstaanbaar was.

‘Sorry, wat zei u?’ zei hij.

Het werkte, gedeeltelijk, want de vrouw liet haar raam net niet tot halverwege zakken voordat ze haar vraag herhaalde.

Lucien glimlachte verlegen terug. ‘Nee, niet echt, mevrouw.’ Hij draaide zijn lichaam net genoeg zodat ze het officiële embleem op zijn rechterschouder kon lezen. ‘Ik ben bewaker in een federale gevangenis. Ik werk in Lee Federal Prison. Net klaar met mijn dienst.’ Hij gaf haar geen kans om te reageren. ‘Hoezo? Hebt u hulp van de politie nodig, mevrouw? Bent u daarom hier gestopt? Ik kan ze via mijn radio in mijn pick-up oproepen, als u wilt. Dan komen ze veel sneller dan wanneer u ze zelf belt.’

Lucien voorzag zijn stem en gezichtsuitdrukking van precies de juiste dosis bezorgdheid om het grootste deel van haar twijfels weg te nemen.

‘Nee,’ antwoordde ze. ‘Ik heb geen politie nodig, dank u.’ Haar stem werd dieper en verdrietiger. ‘Ik ben hier gestopt omdat ik een telefoontje kreeg.’ Ze haalde haar schouders op. ‘Een slecht telefoontje. Ik kon onmogelijk rijden, praten en… huilen tegelijk.’

Lucien schonk de vrouw een nieuwe, ingetogen glimlach, vooral als beloning voor het feit dat ze, ondanks iets wat haar duidelijk zeer aangreep, haar gevoel voor humor niet was verloren.

‘Het spijt me oprecht om dat te horen, mevrouw. Kan ik iets voor u doen? Wilt u wat water? Misschien een snoepreep? Suiker kan op zulke momenten wonderen doen. Ik heb er eentje in mijn pick-uptruck liggen.’

Hij gebaarde met zijn duim over zijn rechterschouder.

De vrouw liet haar raam helemaal zakken en bestudeerde Lucien opnieuw. Dat was het moment waarop hij wist dat hij haar verdediging voldoende had verzwakt om erdoorheen te breken. Hij kon zien dat ze hem niet langer als een directe bedreiging beschouwde. Waarom zou ze? Hij was knap, beleefd en welbespraakt. Hij had zich bekommerd om haar welzijn. Hij werkte als gevangenisbewaarder voor de federale overheid en had net aangeboden de politie voor haar te bellen als ze dat wilde.

De vrouw trok haar wenkbrauwen op. ‘Op dit moment kan ik wel wat sterkers gebruiken dan water.’

Een nieuwe glimlach van Lucien. ‘Dat snap ik. Helaas is water het enige wat ik u nu kan aanbieden…’ Hij pauzeerde en krabde aan zijn kin. ‘Of een sigaret.’

Lucien rookte niet, niet meer, maar hij had in het dashboardkastje van de pick-uptruck een paar pakjes sigaretten zien liggen.

‘Ik ben twee jaar geleden gestopt,’ zei de vrouw, terwijl ze haar hoofd kantelde. Tegelijkertijd verscheen er een nadenkende uitdrukking op haar gezicht. ‘Maar weet je wat?’ ging ze verder. ‘Fuck it. Ik ben gestopt om die ontrouwe, waardeloze klootzak een plezier te doen.’ Ze haalde haar schouders op. ‘Nou, hij kan de tyfus krijgen.’ Haar blik keerde terug naar Lucien. ‘Ja, ik wil graag een sigaret.’

‘Natuurlijk. Even geduld.’

Lucien draaide zich op de bal van zijn voet om en overbrugde het korte stukje tussen de Audi en de Colorado. Toen hij in het dashboardkastje tastte, hoorde hij het portier van de Audi achter hem opengaan en weer dichtvallen. Hij smoorde de glimlach voordat die zijn lippen kon bereiken. Toen hij zich omdraaide, stond ze tegen het portier aan de bestuurderskant geleund en staarde weg van de snelweg in het niets. Terwijl Lucien naar haar toe liep, maakte hij het sigarettenpakje open, tikte er een uit en bood die de vrouw aan.

‘Dank u,’ zei ze, terwijl ze de sigaret tussen haar lippen plaatste.

Lucien nam er zelf ook een voordat hij ze allebei aanstak. Die van haar als eerste natuurlijk.

Toen de vrouw haar eerste lange, melancholische hijs nam, sloot ze haar ogen en legde bijna sensueel haar hoofd in haar nek. Haar gelaatsuitdrukking ontspande en veranderde in een uitdrukking waar duidelijk genot uit sprak, een genot dat ze onvrijwillig had opgegeven.

‘O, mijn god!’ zei ze, starend naar de sigaret tussen haar vingers. ‘Dit voelt zó goed.’

Lucien nam ook een trek van zijn sigaret, maar zei niets. In plaats daarvan bestudeerde hij de vrouw zonder het te laten merken nog aandachtiger.

Ze was ongeveer één meter zeventig en voluptueus. Haar handen waren professioneel gemanicuurd. Haar kleding en schoenen kwamen duidelijk uit designerwinkels en aan haar rechterpols droeg ze een Omega Constellation-horloge van drieduizend dollar.

Lucien wierp een blik op de snelweg. Zo te zien leek er nog steeds geen enkele auto de parkeerplaats op te komen, maar Lucien wist heel goed dat het riskant was zijn geluk op de proef te stellen, een risico dat hij niet van plan was te nemen.

‘Ja, ik weet het,’ zei hij, terwijl hij naar de voorkant van de Audi liep. ‘Ik

ben meerdere keren gestopt, maar ik hou het nooit vol. We gaan allemaal dood, toch? Kunnen we net zo goed een beetje genieten.’

‘Daar rook ik op,’ zei de vrouw, terwijl ze nog een trekje nam en naast Lucien ging staan.

Dat was precies wat hij wilde. Nu stond haar Audi tussen hen en de snelweg in.

Ze leunde tegen de motorkap van haar auto.

‘Ik ben Alicia trouwens,’ zei ze, terwijl ze haar hand uitstak. ‘Alicia Campbell.’

‘Aangenaam kennis te maken, Alicia Campbell,’ antwoordde Lucien terwijl hij haar hand schudde. ‘Mijn naam is Lucien. Lucien Folter.’

Alicia keek de man voor haar vragend aan.

‘Lucien Folter?’ vroeg ze sceptisch, terwijl ze naar het op zijn shirt genaaide naamplaatje knikte. ‘Dus wie is M. Vargas?’

Lucien sloot heel even zijn ogen, alsof hij diep in zichzelf ergens naar zocht. Toen hij ze weer opendeed, was zijn hele houding veranderd. Toen hij opnieuw sprak, klonk zijn stem zo sereen als die van een religieuze geleerde, maar het Tennessee-accent waar hij zich eerder van had bediend was volledig verdwenen. Zijn ogen concentreerden zich weer op de hare en wat ze daarin zag, vervulde haar met angst.

‘O, hij?’ antwoordde Lucien. ‘Maak je over hem geen zorgen. Hij heeft dit uniform niet meer nodig. Nooit meer.’ Hij knipoogde naar Alicia terwijl zijn greep om haar hand zo sterk werd dat ze hem niet meer kon losrukken. ‘Net zoals jij je auto niet meer nodig hebt, Alicia… Nooit meer.’

Turn static files into dynamic content formats.

Create a flipbook
De kamergenoot - Chris Carter Inkijkexemplaar by HarperCollins Holland - Issuu