Skip to main content

De jacht op El Chapo Inkijkexemplaar

Page 1

Vertaling Tasio Ferrand


HarperCollins is een imprint van Uitgeverij HarperCollins Holland, Amsterdam Copyright © 2018 by QQQ, LLC. Oorspronkelijke titel: Hunting El Chapo Copyright Nederlandse vertaling: © 2018 HarperCollins Holland Vertaling: Tasio Ferrand Omslagontwerp: James Iacobelli Bewerking: DPS Design & Prepress Studio Omslagbeeld: © Alfredo Estrella/AFP/Getty Images Zetwerk: Mat-Zet B.V., Soest Druk: CPI Books GmbH, Germany ISBN 978 94 027 0048 0 ISBN 978 94 027 5388 2 (e-book) NUR 339 Eerste druk april 2018 Originele uitgave verschenen bij HarperCollins Publishers LLC, New York, U.S.A. Deze uitgave is uitgegeven in samenwerking met HarperCollins Publishers LLC HarperCollins Holland is een divisie van Harlequin Enterprises Limited ® en ™ zijn handelsmerken die eigendom zijn van en gebruikt worden door de eigenaar van het handelsmerk en/of de licentienemer. Handelsmerken met ® zijn geregistreerd bij het United States Patent & Trademark Office en/of in andere landen. www.harpercollins.nl Niets uit deze uitgave mag openbaar worden gemaakt door middel van druk, fotokopie, internet of op welke andere wijze dan ook zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de uitgever.


INHOUD

PROLOOG El Niño de la Tuna

13

DEEL I Uitbraak

21

De nieuwe generatie

38

El Canal

46

Team America

56

DEEL II La Frontera

73

DF

83

Penningen terzijde

96

Toplaag

110

Abra la puerta

128

Duckstad

143

Los Hoyos

153

DEEL III La Paz

173

Volg het geluid

194

Het hol van de leeuw

208

Het vrachtje

217


Su casa es mi casa

230

El 19

238

Miramar

252

De man met de zwarte pet

260

QuĂŠ Sigue?

273

EPILOOG Schaduwen

285

Landkaart

301

Dankwoord

303

Opmerking over bronnen

309

Woordenlijst

311

Register

315


UITBRAAK

Guadalajara, Mexico 24 mei 1993

Het plotseling losbarstende vuursalvo uit ak-47’s verbrak de vredige lentemiddagstilte en ontketende paniek op het parkeerterrein van Guadalajara Airport. Kardinaal Juan Jesús Posadas Ocampo, de aartsbisschop van Guadalajara, die op de bijrijdersstoel van zijn witte Grand Marquis zat en net was aangekomen om de arriverende pauselijke nuntius te begroeten, werd veertien keer geraakt. De zesenzestigjarige kardinaal zakte ineen en helde over naar het midden van het voertuig, terwijl het bloed over zijn voorhoofd liep. Hij was op slag dood. De Grand Marquis was doorzeefd met meer dan dertig kogels, en de chauffeur was een van zes andere dodelijke slachtoffers. Wie kon er reden hebben om de aartsbisschop, een van de meest geliefde katholieke leiders van Mexico, het doelwit te maken van een hondsbrutale liquidatie op klaarlichte dag? De waarheid leek een stuk prozaïscher in elkaar te zitten: er werd gerapporteerd dat kardinaal Posadas verzeild was geraakt in een oorlog tussen het Sinaloa-kartel en het Tijuana-kartel, die al maanden verwikkeld waren in een vete over de lucratieve plaza – drugssmokkelroute – naar het zuiden van Californië. Posadas was per abuis aangezien voor de leider van het Sinaloa-kartel, Joaquín Archivaldo Guzmán Loera, alias ‘El Chapo’, die rond dezelfde tijd in eenzelfde soort witte sedan op het parkeerterrein van het vliegveld zou arriveren. De beelden van de wildwestschietpartij gingen direct de hele we21


reld over, terwijl autoriteiten en journalisten haastig probeerden de slachting te begrijpen. ‘Terwijl de helikopters door de lucht cirkelden, confisqueerde de politie twintig met kogels doorzeefde voertuigen, waaronder een auto vol granaten en volautomatische vuurwapens,’ meldde de Los Angeles Times op de voorpagina. De liquidatie van kardinaal Posadas deed heel Mexico op zijn grondvesten schudden; president Carlos Salinas de Gortari was meteen ter plaatse om zijn condoleances over te brengen en de nerveuze natie te kalmeren. De schietpartij op de luchthaven zou leiden tot een omslag in de moderne Latijns-Amerikaanse geschiedenis: het Mexicaanse volk werd zich voor het eerst pas echt goed bewust van de meedogenloze wreedheid die de Mexicaanse drugskartels kenmerkt. De meeste Mexicanen wisten destijds niets van de kleine Sinaloa-capo met de eerder komische dan dodelijke bijnaam. Na de moord op Posadas verschenen er in heel Latijns-Amerika grove schetsen van Chapo’s gezicht op voorpagina’s van kranten en tijdschriften. Zijn naam werd elke avond op televisie genoemd, met de toevoeging dat hij gezocht werd wegens moord en drugshandel. Zich realiserend dat hij niet langer veilig was in zijn geboortestreek – de achterlanden van de Sierra Madre – noch in de naburige staat Durango, vluchtte Guzmán naar verluidt naar Jalisco, waar hij een ranch had, en daarna naar een hotel in Mexico-Stad. Daar hield hij besprekingen met een aantal luitenants van het Sinaloa-kartel, aan wie hij tientallen miljoenen Amerikaanse dollars overhandigde om voor zijn familie te zorgen terwijl hij op de vlucht was. Vermomd en met een paspoort op de valse naam Jorge Ramos Pérez, reisde Chapo naar het zuiden van Mexico en stak daar op 4 juni 1993 de grens met Guatemala over. Zijn plan was blijkbaar om zich samen met zijn vriendin en een aantal bodyguards heimelijk te verplaatsen en zich in El Salvador te vestigen tot de druk van de ketel was. Er werd later bericht dat Chapo flink had betaald voor zijn ontsnapping; hij had een Guatemalteekse legerofficier voor 1,2 miljoen omge22


kocht om zich te verzekeren van een veilige overtocht naar het buurland ten zuiden van Mexico. In mei 1993, rond het moment waarop Posadas werd vermoord, bevond ik me 2400 kilometer verderop in mijn geboorteplaats Pattonville, Kansas, waar ik via een uitgekiende combinatie van passes mijn jongere broer de football toewierp. We waren sterspelers Sweetness en The Punky qb – compleet met de officiële blauw-oranje shirts van de Bears – en speelden tegen een team bestaande uit onze neven en buurjongens. Mijn zus en haar vriendinnen hadden zich verkleed als cheerleaders en stonden met zelfgemaakte pompoms in de handen aan de zijlijn te juichen. Mijn broertje, Brandt, speelde altijd de rol van Walter Payton. Ik was Jim McMahon, en ik was bloedfanatiek – iedereen plaagde me ermee. Zelfs bij wedstrijdjes in de voortuin wilde ik per se dat alle details klopten, tot aan de witte hoofdband met de naam rozelle, die ik er met een zwarte stift op had geschreven, identiek aan de band die McMahon tijdens de aanloop naar de Super Bowl van 1985 om zijn hoofd had gedragen. We wogen geen van allen meer dan 45 kilo maar we namen die voortuinwedstrijden heel serieus, alsof we echt Payton, McMahon, Singletary, Dent en de rest van de ‘Monsters van de Midway’ waren. In Pattonville – een stadje met drieduizend inwoners, een kleine 84 kilometer ten oosten van Kansas City – was er naast jagen en het spelen van American football niet veel te doen. Mijn vader was brandweerman en een verstokt jager op watergevogelte. Hij had me toen ik acht was voor het eerst meegenomen op eendenjacht en toen ik tien was mijn eerste geweer voor me gekocht – een jeugdmodel Remington 870. Iedereen had verwacht dat ook ik brandweerman zou worden – mijn overgrootvader, mijn grootvader en drie van mijn ooms waren brandweerman geweest. Ik sjouwde op de brandweerkazerne urenlang achter mijn vader aan, paste zijn met roet besmeurde leren brandweerhelm en klom op de geparkeerde brandweerwagens. Toen 23


ik in de derde klas lagere school zat, liet ik mijn moeder eens een op school gemaakt opstel zien: ‘Later word ik… brandweerman, politieman of spiondetective.’ Er was echter zolang ik me kon herinneren maar één ding dat ik écht wilde worden: politieagent. En niet zomaar een politieagent, maar een Kansas State Trooper. Ik was gek op de hemelsblauwe uniformen en marineblauwe vilten hoeden van de State Troopers, en op de krachtige Chevrolets waar ze in mochten rondrijden. Jarenlang maakte ik obsessief tekeningen van politieauto’s. Zomaar een hobby was het niet; ik zat urenlang in mijn eentje op mijn kamer koortsachtig te werken. Ik legde altijd alle kleur- en viltstiften keurig op een rijtje en tekende en kleurde de patrouillewagens uiterst gedetailleerd na, met de juiste zwaailichten, insignes, markeringen, wielen – alles moest helemaal perfect zijn, tot de radioantennes aan toe. Als ook maar het minste detail niet helemaal gelijkend was, moest ik opnieuw beginnen. Ik tekende Ford Crown Vics en Explorers, maar mijn favoriet was de Chevy Caprice met de Corvette-lt1-motor en zwarte wieldoppen. Ik droomde tijdens het inkleuren vaak weg, zag mezelf al achter het stuur van een ronkende Caprice over us Route 36 razen, verwikkeld in de spannende achtervolging van een verdachte overvaller… De herfst was mijn favoriete tijd van het jaar. Op eendenjacht met mijn vader en broertje. En football. Toen ik wat ouder was, speelden die voortuindromen zich af onder de felle lampen van het stadion. Ons universiteitsteam trainde op donderdagavond in een schuur of bij een kampeerterrein in de bossen, waar we ’s avonds rond vuurtjes zaten, onze oranje helmen met zwarte tijgerpootafdrukken op de zijkanten glanzend in de schittering van de vlammen, luisterend naar het motiverende praatje van de gastspreker van de week. Het leven in Pattonville draaide om de vrijdagavondwedstrijden. Er hingen strengen oranje-zwarte vlaggetjes langs alle straten van de stad, en iedereen kwam om de Tigers te zien spelen. Ik had voor aanvang van de wedstrijden een eigen ritueel: een flinke dosis Metallica, keihard op mijn koptelefoon.

24


Hush little baby, don’t say a word And never mind that noise you heard Na de middelbare school was ik ervan overtuigd dat ik zou blijven wonen in de stad waar ook mijn ouders, grootouders, ooms, tantes en tientallen neven woonden. Ik had niet het verlangen ergens anders te zijn. Ik had me nooit kunnen voorstellen dat ik Pattonville zou verlaten. Ik had me nooit een leven kunnen voorstellen tussen 26 miljoen andere mensen in een van smog vergeven metropool, gebouwd op de eeuwenoude restanten van Tenochtitlán, de hoofdstad der Azteken… Mexico? Onder druk – gedwongen door de ongeduldige, bozige blik van mijn leraar Spaans in het derde jaar van de middelbare school – zou het me waarschijnlijk wel gelukt zijn het land op een landkaart aan te wijzen, maar het had net zo goed Madagaskar kunnen zijn. Ik was algauw het zwarte schaap: de enige smeris in een familie van brandweermannen. Nadat ik met een graad in strafrecht was afgestudeerd aan de Kansas State University, had ik het schriftelijk examen voor de Kansas Highway Patrol afgelegd, maar ik werd door een voor de hele staat geldende personeelsstop gedwongen een andere richting te kiezen. Een krasse oude hoofdagent van het plaatselijke bureau van de sheriff bood me een baan aan als hulpsheriff in Lincoln County, waarmee de eerste deur naar mijn carrière in de wetshandhaving geopend was. Het was dan niet mijn droombaan, maar ik kreeg wel mijn droomauto: een Chevrolet Caprice uit 1995, compleet met die krachtige Corvette-motor – dezelfde patrouillewagen die ik vanaf mijn tiende op mijn slaapkamer gedetailleerd had zitten tekenen en kleuren. Nu mocht ik hem aan het einde van mijn werkdag mee naar huis nemen en voor mijn ouderlijk huis op de oprit zetten. Bij elke dienst van twaalf uren kreeg ik een uitgestrekte zone van ongeveer dertig bij vijftig kilometer toegewezen. Ik had geen collega naast me in de patrouillewagen: ik, het groentje met de babyface, moest in mijn eentje patrouilleren door een enorm gebied met wat 25


boerderijen en enkele stadjes. De dichtstbijzijnde hulpsheriff was in zijn of haar eigen zone, net zo groot als die van mij. Als we allebei bij de uiterste grenzen van onze respectievelijke zones waren en assistentie nodig hadden, zou het minstens een halfuur kunnen duren voordat we elkaar bereikten. In de winter van mijn eerste jaar ontdekte ik wat dat echt betekende, toen ik op zoek ging naar een één meter drieënnegentig lange, 118 kilo zware verdachte met de naam Beck, die net de psychiatrische afdeling van het Osawatomie State Hospital had verlaten. Ik had die avond al eerder met Beck te maken gehad, toen hij in een naburige stad betrokken was bij een geval van huiselijk geweld. Net na 20.00 uur ontving de mobiele dataterminal in mijn auto met een elektronische pieptoon een boodschap van mijn brigadier: ‘Hogan, je hebt twee opties: of je zorgt ervoor dat hij de county verlaat, of je gooit hem de bak in.’ Ik wist dat ik er alleen voor stond – de brigadier en de andere hulpsheriffs waren allemaal bezig met een voertuig dat in een rivier was beland, en dat betekende dat mijn collega’s zeker twintig minuten zouden moeten rijden om mij te bereiken. Toen ik over een landelijke gravelweg reed, zag ik in het licht van mijn koplampen een donker figuur in de berm kuieren. Ik stootte een luide zucht uit en bracht de auto tot stilstand. Beck. Elke keer wanneer ik het gevoel had dat een situatie op een fysieke confrontatie zou kunnen uitlopen, liet ik mijn bruine vilten Stratton-hoed op de bijrijdersstoel liggen. Dit was een van die keren. ‘David vijfentwintig,’ gaf ik via de radio door aan de meldkamer. ‘Ik zal nog een wagen nodig hebben.’ Het was de kalmste manier waarop ik om onmiddellijke assistentie kon vragen. Maar ik wist hoe het ervoor stond: er was in een omtrek van veertig kilometer geen andere hulpsheriff te vinden. ‘De Lone fuckin’ Ranger,’ fluisterde ik binnensmonds, terwijl ik uit de Caprice stapte. Ik liep behoedzaam naar Beck toe, maar hij bleef doorlopen, waardoor ik gedwongen was de koplampen van mijn pa26


trouillewagen steeds verder achter me te laten en steeds dieper de duisternis in te lopen. ‘Sir, ik kan u een lift naar het volgende tankstation geven, of u kunt de gevangenis in,’ zei ik zo nonchalant als ik maar kon. ‘U mag vanavond zelf kiezen.’ Beck negeerde mijn opmerking volkomen en begon sneller te lopen. Half joggend overbrugde ik de afstand tussen ons en greep hem snel bij een van zijn dikke biceps om hem in een armklem te nemen. Alles volgens het boekje – precies zoals ik het op de academie had geleerd. Maar Beck was te sterk om vast te houden, en hij dook naar voren in een poging zijn arm los te krijgen. Ik voelde het ijzige gravel onder mijn voeten knarsen, terwijl we allebei probeerden ons schrap te zetten. Beck klemde snel zijn beide armen om mijn torso heen en tilde me op, onze blikken kruisten elkaar een fractie van een seconde, onze gezichten slechts centimeters van elkaar verwijderd. Ik had totaal geen overwicht – mijn voeten raakten de grond bijna niet meer. Het was duidelijk dat Beck van plan was me op de grond te gooien en te verpletteren onder zijn gewicht. Ik wist dat ik een worsteling met hem niet zou kunnen winnen, maar het lukte me mijn rechterarm vrij te krijgen en mijn vuist hard in zijn pokdalige gezicht te planten, en toen nog een keer, tot een derde strakke rechtse Becks hoofd naar achteren deed klappen en zijn greep eindelijk verslapte. Ik zette mijn voeten neer om op hem af te stormen, alsof ik een footballspeler ging tackelen, ramde mijn schouder in Becks maag en beukte hem tegen de grond. Boven op elkaar rolden we van de steile bevroren greppel in. Beck probeerde mijn .45 Smith & Wesson-pistool te pakken, wist de holster open te krijgen en het vuurwapen bijna te pakken. Toen ik er eindelijk in slaagde hem onder me te krijgen, reikte ik naar mijn riem, om direct daarop Becks mond en ogen te besproeien met een stevige dosis pepperspray. Hij brulde, greep naar zijn keel, en het lukte me hem in de boeien te slaan, omhoog te trekken en op de achterbank van de Caprice te hijsen. 27


We waren al halverwege de rit naar de gevangenis voordat de dichtstbijzijnde patrouillewagen kans zag te reageren op mijn oproep. Het was het angstigste moment van mijn leven – tot twaalf jaar later, toen ik voet zette in Culiacán, de beruchte hoofdstad van de Mexicaanse drugsonderwereld… Ondanks alle gevaren kreeg ik al snel de smaak van de jacht te pakken. Tijdens verkeerscontroles groef ik onder zittingen en rommelde ik door dashboardkastjes op zoek naar drugs, om doorgaans alleen maar halflege tiendollarzakjes wiet en crackpijpen te vinden. Op een avond hield ik op een stil deel van de snelweg een Jeep Cherokee staande wegens het overschrijden van de snelheidslimiet. Er zat een kleine Grateful Dead-sticker op de achterruit van het voertuig, en de bestuurder was een tweeënveertigjarige hippie met een smoezelig wit t-shirt. Ik wist precies hoe ik dit moest spelen: ik deed alsof ik een onnozele jonge boerenpummel van een smeris was, wist zijn toestemming te krijgen om de Jeep te doorzoeken en vond 85 gram pure cocaïne en een bundel cash ter waarde van dertienduizend dollar. De arrestatie haalde de plaatselijke kranten – het was een van de grootste vangsten van drugs en contanten in de geschiedenis van onze county. Ik kreeg algauw de reputatie van een slimme agent die de taal van de straat kende en een goede neus had voor het opsporen van drugs. Het was een natuurlijk opstapje. Ik was ervan overtuigd dat ik mijn doel om Kansas State Trooper te worden, zou bereiken. Toen ik echter op een avond na mijn dienst in de Caprice naar huis reed, lag er een dunne witte envelop op me te wachten. Het hoofdkwartier van de Kansas State Troopers, in Topeka, was tot een definitieve beslissing gekomen: ondanks het feit dat ik het examen had gehaald, was ik een van meer dan drieduizend gegadigden, en mijn nummer was simpelweg niet getrokken. Ik belde als eerste mijn moeder om haar te vertellen dat ik was afgewezen. Mijn hele familie had wekenlang zitten wachten op mijn examenresultaten. Toen ik de telefoon ophing, viel mijn blik op de ingelijste foto van het Kansas Highway Patrol-embleem dat ik al sinds 28


de universiteit had. Ik had het gevoel dat de muren van de kamer op me afkwamen – net zo benauwend als de gang van de gevangenis. De woede duwde zich in mijn keel omhoog. Ik draaide me om, sloeg de lijst tegen de muur, en het glas spatte op de vloer uiteen. Daarna sprong ik op mijn zilverkleurige Harley-Davidson Softail Deuce uit 2001, verloor me in vijf stille uren rijden over achterafwegen en hield halt bij elke zuipkeet die ik onderweg tegenkwam. Mijn vader had zijn baan bij de brandweer van Pattonville vaarwel gezegd, was met pensioen gegaan, had de oorspronkelijke brandweerkazerne van de stad gekocht – een gebouw met één verdieping uit 1929 op de hoek van East Main en Parks Street – en die omgebouwd tot pub. Pattonville’s Firehouse Pub was binnen de kortste keren de drukste pleisterplaats van de stad en stond bekend om zijn gekruide kip, livebands en onstuimige happy hours. De pub was stampvol die avond, er stond een kwartet muzikanten op het podium te spelen toen ik voor de bar aan kwam rijden en Fred Jenkins tegenkwam, mijn oude footballmaat van de middelbare school die in Kansas City brandweerman was geworden. Ik probeerde mijn frustraties van me af te schudden, maar de woede bleef in me sudderen – deze duistere stemming zou niet worden verdreven door nóg een flesje Budweiser. Ik boog naar Freddie toe en schreeuwde: ‘Kom mee.’ Ik bracht hem naar de achterkant van de pub. ‘Wat doe je nou allemaal, man?’ ‘Help me nou verdomme die motor naar binnen te krijgen.’ Freddie pakte de voorvorken vast en begon te duwen, terwijl ik op mijn Deuce stapte zodat ik hem via de achterdeur de bar in kon rijden. Ik sprong in het zadel en gaf gas, en een paar seconden later steeg er witte rook op rond de achterband, die hard over de onbewerkte betonnen vloer heen schuurde. Het oorverdovende gebrul – ik had de luidruchtigste uitlaten van de stad – overstemde algauw de band. De bar vulde zich met dikke zure rookwolken, terwijl ik de handvatten stevig vasthield en de achterkant van mijn benen strak tegen de achterste voetsteunen aan 29


drukte om het beest op zijn plek te houden. Toen kwam de ultieme vlam in de pijp, waarna ik wegscheurde met slechts een heel licht gevoel van opluchting. Ik parkeerde de Deuce en liep de bar weer in, verwachtte high fives – iets wat me uit mijn sombere stemming zou halen – maar iedereen was pissig, vooral mijn vader. Een oude gepensioneerde brandweerman sloeg me hard op de schouder. ‘Jongen, die shit was heel cool,’ zei hij, ‘maar mijn kip smaakt nu wel naar rubber.’ Ik haalde een prop bankbiljetten uit de zak van mijn spijkerbroek en betaalde een aantal maaltijden. Toen zag ik mijn vader achter de bar opdoemen. ‘We gaan rijden, kerel,’ schreeuwde ik door de menigte heen naar Freddie. ‘Kan maar beter maken dat ik wegkom voor mijn ouweheer me in elkaar beukt.’ Ik deed opnieuw een test bij de Highway Patrol, maar begon me ook te verdiepen in een carrière in de federale wetshandhaving. Een van mijn beste maten bij de politie had me goede dingen verteld over de Drug Enforcement Administration (dea), de overheidsinstantie belast met handhaving van de narcoticawetten. Tot die tijd had ik nooit een carriere als special agent overwogen, maar ik besloot de lange rit naar Chicago te maken en hun oriëntatiedag bij te wonen. De procedure verliep verrassend snel, en ik werd, met mijn ervaring als politieagent en mijn universiteitsgraad, direct in de categorie ‘Meest Geschikt’ geplaatst. Er gingen maanden voorbij zonder nieuws, maar ik wist dat het langer dan een jaar kon duren voordat ik de hele testprocedure had doorlopen. Op een herfstochtend zaten een stel smerissen en brandweermannen en ik op onze Harleys voor de jaarlijkse us Marine Corps Toys for Tots-rit – een actie om geld in te zamelen voor kerstcadeaus voor kinderen in achterstandswijken. Na een lange dag rijden over landwegen en hier en daar een biertje pakken, liet ik me tegen Tom, de neef van Freddie, ontvallen dat ik me bij de dea had aangemeld. ‘Ja, echt? Ken je Snake?’ vroeg Tom, waarna hij door de bar heen 30


riep: ‘Snake! Kom even – dit gastje heeft zich bij de dea aangemeld.’ Snake kwam nonchalant naar ons toe lopen. Met zijn verweerde leren jas, schouderlang, vettig blond haar, een stoppelbaard en een chagrijnige oogopslag leek hij meer op een volwaardig lid van een criminele motorbende dan op een dea-agent. Snake en ik konden het direct goed met elkaar vinden – we dronken een paar flesjes Bud en praatten over de trage slakkengang van het sollicitatieproces. ‘Nee echt, jongen, het is bloedirritant, ik weet het – hier is mijn telefoonnummer,’ zei Snake, terwijl hij mij zijn nummer gaf. ‘Bel me maandag.’ Voordat ik het wist gleed ik, dankzij Snake, razendsnel door de selectieprocedure heen en ontving ik een uitnodiging voor de dea Training Academy. Na nog een laatste feestavond in de Firehouse Pub brak ik los van mijn nauwkeurig geplande leven in Kansas en zette koers naar het oosten. Ik reed door het bosachtige terrein in Quantico – tjokvol witstaartherten die zo tam waren dat je ze bijna kon aaien – kwam bij de hekken van de dea-academie en ging als lid van een kersverse lichting agenten-in-basistraining naar binnen. Ik had me nog maar net in Quantico geïnstalleerd toen de Kansas Highway Patrol belde om me te vertellen dat ik was geselecteerd voor hun opleiding. Ik kon mijn oren bijna niet geloven toen ik mezelf tegen de brigadier aan de andere kant van de lijn hoorde zeggen: ‘Bedankt voor de uitnodiging, maar ik blijf bij de dea.’ Inmiddels had ik me volledig op de dea-training gestort. We brachten uren op het oefenterrein door, schoten duizenden kogels af met onze Glock 22-pistolen van .40 kaliber, of werkten ons uit de naad tijdens de krachttrainingen bij het meer – zware oefeningen in het ijzige, modderige water, gevolgd door knokkelpush-ups op de aangrenzende gravelweg. De praktijkscenario’s vormden het hart van de academische training. We noemden ze ‘praktijkjes’. Op een middag had ik tijdens een praktijkje een doelwit ‘op het oog’ – een staflid van de academie dat de rol van drugsdealer speelde en op een afgelegen parkeerterrein een 31


uitwisseling met een andere boef had gepland. Ik parkeerde mijn auto net uit het zicht, pakte mijn verrekijker en radio en kroop onder een groep naaldbomen naar voren. ‘Kofferbak is open,’ gaf ik via de radio door aan mijn teamgenoten. ‘Doelwit één heeft net een grote zwarte plunjezak achter in de auto van doelwit twee gelegd. Ze staan op het punt te vertrekken. Stand by.’ In mijn eentje volgde ik met mijn Ford Focus het tweede voertuig naar een ander decor. Tijd om de verdachte uit zijn auto te krijgen en te arresteren. Ik had doelwit twee nog steeds in zicht, maar geen van mijn teamgenoten was op het parkeerterrein aangekomen. De minuten tikten weg; ik tuurde naar mijn horloge, riep mijn team via de radio op; ik wist dat we de verdachte nú moesten arresteren, anders zouden we allemaal zakken voor het praktijkje. Ik trapte het gaspedaal in, kwam scheurend tot stilstand achter het voertuig van de verdachte en haastte me met getrokken pistool naar het portier van de bestuurder. ‘Politie! Laat je handen zien! Laat je handen zien!’ De rolspelspeler schrok zo erg dat hij niet eens reageerde. Ik stak mijn hand naar binnen, greep zijn hoofd vast, trok hem uit het voertuig, gooide hem op zijn buik op het asfalt en sloeg hem in de boeien. Mijn team slaagde voor het praktijkje, maar de instructeur gaf me bij de debriefing de wind van voren. ‘Denk je godverdomme dat je een of andere cowboy bent, Hogan? Waarom heb je niet op je team gewacht voordat je tot arrestatie overging?’ Wachten? Ik beet op mijn tong. De agressie, het straatinstinct dat ik had ontwikkeld toen ik jarenlang zonder partner of assistentie als hulpsheriff werkte, was niet makkelijk los te laten. Dat etiket – cowboy – bleef de laatste weken op de academie aan me kleven. Ik slaagde als beste van de groep en liep, gekleed in een geperst 32


donkerblauw pak en met een das om, in aanwezigheid van mijn familie het podium op om van Karen Tandy, het hoofd van de dea, mijn gouden penning in ontvangst te nemen, waarna ik ook Michele Leonhart, het assistent-hoofd, de hand schudde. ‘Gefeliciteerd,’ zei Michelle. ‘En zorg ervoor dat u grote zaken binnenhaalt.’ De gevangenis was zijn speeltuin. In Jalisco, thuishaven van de miljarden dollars opleverende Mexicaanse tequila-industrie, leefde Chapo het leven van een kleine prins. Op 9 juni 1993, nadat hij erin was geslaagd Guatemala binnen te glippen, werd hij in een hotel net over de grens opgepakt door het Guatemalteekse leger. De politieke druk was te groot; hier kon hij zich niet door omkoping uit redden. Het was de eerste keer dat zijn handen in aanraking kwamen met het koude staal van een paar handboeien, en op zijn eerste politiefoto droeg hij een bolle beige gevangenisjas. Achtenveertig uur later zat Guzmán aan boord van een militair vliegtuig om afgeleverd te worden bij het Federal Social Readaptation Center No. 1, ook bekend als Altiplano, de streng beveiligde gevangenis op 96 kilometer van de Mexicaanse hoofdstad. Inmiddels wist de politie al wat meer over Chapo. De plattelandsjongen was al op jonge leeftijd van school gegaan en had op straat sinaasappels verkocht om zijn familie te helpen. Later was hij chauffeur geweest – en naar verluidt ook een erg productieve huurmoordenaar – voor Miguel Ángel Félix Gallardo, alias ‘El Padrino’ – de godfather van de moderne Mexicaanse drugssmokkel. De in een buitenwijk van Culiacán geboren Gallardo had als motoragent bij de Mexicaanse Policía Judicial Federal gewerkt. Hij was ook bodyguard geweest van de gouverneur van Sinaloa, met wiens politieke connecties het hem was gelukt zijn drugssmokkelorganisatie (dso) op te bouwen. Gallardo, die een universiteitsstudie bedrijfskunde had afgerond, had een crimineel visioen van de toekomst gezien: hij verenigde alle ruziënde koeriers – veelal uit Sinaloa – in de eerste gestroomlijnde Mexicaanse dso: het Guadalajara-kartel, dat de 33


blauwdruk voor alle toekomstige Mexicaanse drugssmokkelorganisaties zou worden. Net als Lucky Luciano bij de geboorte van de georganiseerde misdaad in de Verenigde Staten, in de jaren twintig, besefte Gallardo dat geschillen om territoria tot bloedvergieten leidden, dus deelde hij de natie op in ‘smokkel-plaza’s’ en vertrouwde zijn protegé, Chapo Guzmán, de controle over de lucratieve Sinaloa-drugshandel toe. Terwijl hij in de gevangenis zat na zijn arrestatie in Guatemala, bleef het drugsimperium van Guzmán goede zaken doen. Chapo’s broer, Arturo, was de plaatsvervangend baas, maar het was duidelijk dat Chapo zelf nog steeds de touwtjes in handen had – hij werd nu door de autoriteiten in zowel Mexico als de Verenigde Staten geclassificeerd als de machtigste drugssmokkelaar ter wereld. Chapo liet met betrouwbare regelmaat verbijsterende hoeveelheden cocaïne vervoeren van Zuid-Amerika via Midden-Amerika en Mexico naar de Verenigde Staten. En het waren zeker geen kleine pakezelritjes: Chapo’s mensen verplaatsten tonnen aan Colombiaanse drugs in schepen, in kleine vliegtuigen en zelfs in geïmproviseerde narco-subs, half verzinkbare onderzeeërs waarmee per keer zes ton pure cocaïne kon worden vervoerd. De transportmethoden van Chapo waren creatief en vooral constant aan het evolueren, en zodoende had hij de reputatie verworven van een leverancier die zijn zendingen altijd intact en op tijd afgeleverd kreeg. Chapo breidde zijn invloed uit naar havens aan de Mexicaanse kusten van de Atlantische en de Stille Oceaan en kreeg met geweld en intimidatie de controle over belangrijke grensoversteekplaatsen in handen – niet alleen aan de grens die Mexico met de Verenigde Staten deelde, maar ook aan de zuidelijke grens met Guatemala. Chapo installeerde luitenants van het Sinaloa-kartel in Colombia, Ecuador, Costa Rica, El Salvador, Guatemala en Venezuela, waarmee hij meer flexibiliteit had om rechtstreeks te onderhandelen met koeriers binnen de toeleveringsketen. Zijn vele criminele tentakels, zijn veelzijdigheid en zijn vindingrijkheid overtroffen zelfs die van zijn nog beruchtere voorgangers, zoals Pablo Escobar. De grote kranten34


koppen producerende inbeslagnames van Chapo’s cocaïne – dertienduizend kilogram op een vissersboot, duizend kilo op een narco-sub, negentienduizend kilo in een ander schip dat vanuit Mexico naar Colombia voer – waren slechts druppels op een gloeiende plaat. Die verliezen schreef zijn organisatie simpelweg af als onkosten die het zakendoen nu eenmaal met zich meebrengt. Zelfs in de gevangenis had Chapo het inzicht om de activiteiten van het Sinaloa-kartel diverser te maken. Waar het kartel zich voorheen uitsluitend bezighield met cocaïne, marihuana en heroïne, ging het zich nu ook storten op de productie en smokkel van kwalitatief hoogwaardige methamfetamine, waarvoor hij de benodigde chemicaliën uit Afrika, China en India importeerde. Op 22 november 1995 – en na veroordeeld te zijn tot een gevangenisstraf van twintig jaar voor vuurwapenbezit en drugshandel – regelde Chapo zijn eigen overplaatsing van Altiplano naar de zwaarbeveiligde Federal Social Readaptation Center No. 2, dat bekendstaat als Puente Grande, vlak bij Guadalajara. Eenmaal in Puente Grande bouwde Guzmán snel een vertrouwensband op met Dámaso López Núñez, alias El Licenciado – of simpelweg ‘El Lic’ – die ook uit Sinaloa kwam, uit het stadje El Dorado. El Lic had als politieagent op het kantoor van de procureur-generaal van Sinaloa gewerkt voordat hij een managementfunctie in de Puente Grande-gevangenis kreeg toegewezen. Onder toeziend oog van El Lic leidde Chapo naar verluidt een luxeleventje. Er was drank en er waren feestjes, hij mocht naar zijn geliefde fútbol-wedstrijden kijken, hij had een eigen menukaart waarvan hij speciale maaltijden kon bestellen, en wanneer dat saai werd, was er meer dan genoeg seks. Chapo kreeg regelmatig toestemming voor ‘echtelijke bezoeken’ van zijn vrouw, verschillende vriendinnen en een stoet prostituees. Hij wist het zelfs voor elkaar te krijgen dat een jonge vrouw die elders een gevangenisstraf uitzat voor een gewapende overval overgeplaatst werd naar Puente Grande, zodat ook zij zich aan zijn seksuele behoeften kon wijden. De vrouw onthulde later de vermeende romantische inslag van Chapo: ‘Na de eerste keer liet 35


Chapo een bos bloemen en een fles whisky in mijn cel bezorgen. Ik was zijn koningin.’ Maar de realiteit was smakelozer: er werd gezegd dat hij haar, op de avonden dat hij zelf geen zin in haar had, doorgaf aan andere kartelluitenants die gevangenzaten. Het was duidelijk dat Chapo de echte baas van die bajes was. Steeds banger voor uitlevering aan de Verenigde Staten, plande hij zijn ontsnapping uit Puente Grande. En zowaar: op 19 januari 2001, net na tien uur ’s morgens, ging de elektronisch vergrendelde celdeur van Guzmán open. Volgens de verhalen was hij naar buiten gesmokkeld in een jutezak die in een grote kar vol wasgoed verstopt zat, waarna een van de corrupte cipiers hem in een busje het gevangenisterrein af heeft gereden, een tactiek die doet denken aan de beroemde gevangenisuitbraken van John Dillinger in de jaren dertig. Voor de ontsnapping waren medeplichtigen, medewerking en steekpenningen voor verscheidene hoge gevangenisofficials, politieagenten en overheidsinstanties nodig; al met al heeft dat alles de drugsbaron een geschatte 2,5 miljoen dollar gekost. Toen de gevangenisdirecteur om 11.35 uur vernam dat de cel van Chapo leeg was, brak er chaos uit. Het nieuws van zijn uitbraak bereikte de pers en de Mexicaanse overheid lanceerde een tot dan toe ongehoorde zoektocht, de meest omvangrijke militaire klopjacht die het land sinds de tijd van Pancho Villa had opgezet. In Guadalajara vielen Mexicaanse politieagenten het huis van een van Guzmáns zakenpartners binnen en namen daar automatische vuurwapens, drugs, telefoons, computers en duizenden dollars contant geld in beslag. Binnen enkele dagen na de ontsnapping werd echter duidelijk dat Guzmán niet meer in Jalisco was. De klopjacht werd uitgebreid, honderden politieagenten en soldaten kamden de grootste steden en slaperigste plattelandsgemeenten uit. Guzmán organiseerde een bespreking met alle luitenants van het Sinaloa-kartel, gretig als hij was om te bewijzen dat hij nog steeds de grote baas was. Een nieuwe narcocorrido maakte furore in het land: ‘El Regreso del Chapo’ – De terugkeer van El Chapo. 36


No hay Chapo que no sea bravo Así lo dice el refrán* Chapo was niet alleen bravo, hij werd nu ook gezien als onaantastbaar – de narcoticabaas die door geen enkele gevangenis in bedwang kon worden gehouden. Er werd vanuit het hele land gemeld dat hij was gesignaleerd, maar zodra de autoriteiten op het punt stonden hem in te rekenen, verdween hij snel weer naar zijn veilige fort in de Sierra Madre – waar hij veel nachten doorbracht op de ranch waar hij was geboren – of hij vluchtte het dichte oerwoud en de marihuanavelden in. Hij was vrij, pronkte opzichtig met zijn macht en leidde nog altijd ongehinderd het Sinaloa-kartel. Het zou bijna dertien jaar duren voor hij weer oog in oog kwam te staan met een echt eerlijke wetsdienaar.

* Kleine kerels zijn altijd moedig / Zo luidt het gezegde.

37


Turn static files into dynamic content formats.

Create a flipbook
De jacht op El Chapo Inkijkexemplaar by HarperCollins Holland - Issuu