Skip to main content

Cleopatra - Saara El-Arifi Inkijkexemplaar

Page 1

Saara El-Arifi

Cleopatra Vertaling Roos Griffioen


FSC English C021394 New MIX Paper Landscape BlackOnWhite

Voor het papieren boek is papier gebruikt dat onafhankelijk is gecertificeerd door FSC® om verantwoord bosbeheer te waarborgen. Kijk voor meer informatie op www.harpercollins.co.uk/green. HarperCollins is een imprint van Uitgeverij HarperCollins Holland, Amsterdam. Copyright © 2026 Saara El-Arifi Oorspronkelijke titel: Cleopatra Copyright Nederlandse vertaling: © 2026 HarperCollins Holland Vertaling: Roos Griffioen Omslagontwerp: HarperCollinsPublishers Omslagbewerking: Pinta Grafische Producties Omslagbeeld: © Shutterstock; © Getty Illustraties binnenwerk: © Sophie Dunster Zetwerk: Mat-Zet B.V. Druk: ScandBook UAB, Lithuania, met gebruik van 100% groene stroom isbn 978 94 027 1967 3 isbn 978 94 027 7694 2 (e-book) nur 302, 334 Eerste druk februari 2026 Originele uitgave verschenen bij The Borough Press, een imprint van HarperCollinsPublishers Ltd, London. Saara El-Arifi asserts the moral right to be identified as the author of this work. HarperCollins Holland is een divisie van Harlequin Enterprises ULC. ® en ™ zijn handelsmerken die eigendom zijn van en gebruikt worden door de eigenaar van het handelsmerk en/of de licentienemer. Handelsmerken met ® zijn geregistreerd bij het United States Patent & Trademark Office en/of in andere landen. www.harpercollins.nl Elk ongeoorloofd gebruik van deze publicatie om generatieve kunstmatige-intelligentietechnologieën (AI-technologieën) te trainen is uitdrukkelijk verboden. De exclusieve rechten van de auteur en de uitgever worden hierbij niet beperkt. HarperCollins maakt tevens gebruik van de rechten onder [Artikel 4(3)] van de Digital Single Market Directive 2019/79 en het uitvoeren van tekst- en datamining op deze publicatie is niet toegestaan. Niets uit deze uitgave mag openbaar worden gemaakt door middel van druk, fotokopie, internet of op welke andere wijze dan ook zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de uitgever. Het e-book is beveiligd met zichtbare en onzichtbare watermerken en mag niet worden gekopieerd en/of verspreid. Alle in dit verhaal voorkomende personen zijn ontleend aan de fantasie van de schrijver. Elke gelijkenis met bestaande personen berust op toeval.


PROLOOG

Je kent mijn naam, maar je kent mij niet. Jullie dichters hebben gesproken over de schande van mijn kroon, jullie verhalenvertellers hebben mij in oneindige gedaanten afgeschilderd. Duizenden jaren lang hebben jullie geprobeerd om de draden van mijn leven recht te trekken om het complete wandtapijt te zien. Maar die draden zijn weerbarstig en krullen op om de waarheid te maskeren. En trouwens, ik heb altijd de voorkeur gehad voor vloerkleden in plaats van wandtapijten, zoals jullie goed weten. Jullie hebben pogingen gedaan om de tinten van mijn huid te ontleden en de karmozijnrode robijnen van mijn bloed te zeven, waarop je mijn waarde schatte. Sommigen van jullie zijn op zoek naar mijn botten. Maar mijn wortels liggen ver onder het zand en het stof van iedere vrouw die ooit adem heeft gehaald. Zoals de blauwe aders die onder de doorschijnende huid van je pols pulseren, ben ik de Nijl van je lichaam en het kolkende water in je hart. Eén keer was ik een farao, twee keer een echtgenote en drie keer een moeder. Ik ben altijd dat geweest waar mensen naar op zoek waren. Ze 9


noemden me koningin, minnares, mama. Anderen noemden me heks, verrader, hoer. Iedere naam is een steen die mij verder omhoog heeft getild zoals de grote piramides, steeds verder weg van de mensheid, waardoor ik niets anders meer ben dan een mythe. Het valt niet mee om mij te leren kennen vanaf zo’n hoogte. Mijn gedaante glinstert achter de zanderige gloed van de Egyptische zonsondergang. Ben ik een luchtspiegeling? Of het water waar je naar op zoek bent? Je kent mijn naam, maar je kent mij niet.

10


DEEL EEN

DE HEKS ‘Ze had de macht om de harten van iedereen die ze ontmoette te onderwerpen.’ Cassius Dio, Romeinse Geschiedenis ‘De nobele ondergang van haar magie.’* William Shakespeare, Antonius en Cleopatra ‘Het contact van haar aanwezigheid… en het karakter waarmee ze alles zei en deed, waren iets betoverends.’ Plutarchus, Het leven van Antonius

* Om zowel verwoestend als nobel te zijn! Soms, als ik heel stil blijf staan, hoor ik het gefluister van iedere vertolking in de wind. Van kinderen die regels voordragen op een wankel podium, tot ineengekrompen ouderen die de woorden van de dichter koesteren als gerijpte wijn. Maar wat hun leeftijd of ervaring ook is, geen enkele speler weet waarover – of over wie – hij praat.


HOOFDSTUK EEN 51 v.Chr. k beet in het vruchtvlees van de vijg, waarvan de schil nog warm was door de hitte van de zon. Charmion keek met geloken ogen naar me terwijl ik kauwde. De wind speelde met haar linnen jurk, trok aan de kraag en onthulde de zongebruinde gloed van haar huid. Mijn hele leven was Charmion al mijn metgezel en dienares. Haar moeder was mijn min geweest. En zo waren we voor altijd met elkaar verbonden door de melk die ons als baby’s sterker had gemaakt. Op de leeftijd van achttien jaar fonkelden onze ogen nog altijd van onbegrensde mogelijkheden, maar onze wangen waren nu niet meer zo mollig als toen we jonger waren. Hoewel er in voorgaande jaren wel degelijk enkele opmerkelijke momenten hadden plaatsgevonden, begint hier mijn verhaal voor jou. De dag dat ik farao werd. Alleen het geluid van het knappen van de vijgenzaadjes in mijn mond vulde de stilte tussen ons. Toen zei Charmion op ernstige toon: ‘Je kunt het onvermijdelijke niet ontkennen.’ Ik legde de half opgegeten vrucht op de grond tussen ons in. Met mijn andere hand pakte ik de stokjes en hield ze stevig in mijn vuist. 13


‘Ik denk niet dat jouw overwinning onvermijdelijk is.’ We praatten in het Arabisch met elkaar, een van de negen talen waarin we geschoold waren. Hoewel we aan het hof Egyptisch en Grieks spraken, was het Arabisch alleen voor ons tweeën. Het was allemaal begonnen toen een reizende verhalenverteller, een hakawati, vanuit de grote stad Gaza door Alexandrië was getrokken. Ik was elf jaar oud en was toen al gek op verhalen. Ik smeekte mijn vader om de verhalenverteller in het paleis uit te nodigen. Drie dagen lang verbleef hij in de tempel. En gedurende die drie dagen zaten Charmion en ik bij hem. Zijn verhalen vervulden ons met verwondering, zo hevig dat ik vroeg of ik hem mocht houden. ‘Ik ben niet iets wat je op een schap kunt zetten als een ornament of een prul,’ zei de hakawati. De wachters bij de ingang van de tempel richtten zich dreigend op, maar ik besteedde er geen aandacht aan. ‘Waarom niet?’ vroeg ik met oprechte nieuwsgierigheid. Ik was nog nooit iets tegengekomen wat ik niet tot mijn eigendom kon maken. Ik was een Ptolemaeus. Mijn bloed werd aangestoken door de vonk van goddelijkheid. De verteller glimlachte beleefd, zich veel bewuster van de wachters achter zijn rug dan ik. ‘Zou je een vis vragen te stoppen met zwemmen?’ Ik dacht erover na. De waarheid was: ja, dat zou ik doen als ik de vis wilde eten, maar dat was waarschijnlijk niet het antwoord dat hij zocht. ‘Nee.’ ‘Zou je een nijlpaard vragen te stoppen met glimlachen?’ ‘Nooit.’ ‘Dan kun je ook niet aan een hakawati vragen of hij wil stoppen met reizen. Het zit in onze natuur. Als we niet reizen, raken onze verhalen op. En zonder verhalen zou ik niks te vertellen hebben.’ De tranen sprongen in mijn ogen. Dat klonk inderdaad heel verschrikkelijk. 14


De verteller zag mijn bezorgde blik en knielde naast me op de grond. ‘Maak je geen zorgen, er is een andere manier om een deel van mij hier te bewaren. Vertel mijn verhalen, steeds opnieuw.’ Mijn glimlach keerde terug. Dat kon ik wel. Jarenlang hadden Charmion en ik de verhalen van de hakawati herhaald en ieder verhaal bloeide telkens op tot iets nieuws. Het was in die tijd dat Arabisch onze taal werd. Nu keek ik naar Charmion. Haar ernstige uitdrukking was vervangen door een speelse. ‘Kijk naar de pionnen. Je kunt het net zo goed opgeven,’ zei ze. Ik stond op alsof ik een beter zicht op het senetbord wilde hebben. Zo gewiekst was ik wel, altijd toneel aan het spelen. Manipulatief, zouden de onwelwillenden beweren, maar zo zag ik het niet. Vanaf het moment dat mijn eerste gehuil uit mijn borst ratelde, was mij geleerd dat ik meer moest zijn dan ik was. Ik wilde een baby zijn, maar ik was geboren als de dochter van een farao. Dus poetsten ze het slijm van de geboorte van mijn huid en wikkelden ze me in met goud afgezette doeken. Mijn kreten werden gesmoord door een gepolijste ambersteen, een armzalige vervanging voor mijn moeders tepel. Hoewel ik te jong was om me het gewicht van de steen te herinneren, beeldde ik me soms in dat die zwaar tegen mijn tong lag. Hij verstomde mijn woorden en bolde mijn wangen op, zeker als ik het waagde brutaal te zijn. ‘O-Opgeven? Dat zal ik niet doen.’ We zaten op het balkon van de vuurtoren, de plek waar ik rust en troost vond. Dicht genoeg bij de god Re om zijn blik op mijn voorhoofd te voelen branden en ver genoeg van mijn taken in het paleis. Zelfs met de verzengende zon boven ons gaf ik de voorkeur aan deze plek boven de brandende blikken van vele ogen die me overal volgden. Soms, als de wind vanuit het oosten kwam, vond de rook zijn weg naar mijn slaapkamer15


raam en besprenkelde die mijn slaap met sintels en as. Het bordspel lag op de grond tussen ons in. Charmion was de betere speler, maar ik was te trots om dat toe te geven. Dus ik begon ieder spel met de naïeve hoop dat ik haar op een dag zou verslaan. Ik rolde de stokjes gefrustreerd in mijn hand. ‘Amuns toorn!’ vloekte ik toen er een splinter in mijn palm stak. ‘Heb je je bezeerd?’ vroeg Charmion bezorgd. Er glom een lichte gloed van zweet op haar bovenlip. Ik stak mijn hand naar haar uit. Maar in plaats van mijn wond te laten zien, schoot ik naar voren en gooide ik de stokjes over het balkon. Charmion keek me aan, één donkere wenkbrauw gebogen. ‘En, geef je je over?’ ‘Nooit,’ zei ik met een grijns. Charmion lachte en samen tuurden we over de rand van het balkon. Alexandrië lag voor me. De stad had noch de schoonheid van Rome, noch de grandeur van Babylon. Nee. Alexandrië was geen stad om te bewonderen, ze was veel meer dan dat. Ze leefde en ademde als een beest. Schippers riepen naar elkaar in de haven, de kakofonie van vele talen weerkaatste door de stad als een roedel wolven die blaften en huilden bij de jacht. Hoewel we ons hoog boven de haven bevonden, rook ik de zilte, rokerige geur van paling die boven het vuur werd geroosterd. Boten wiegden zachtjes op de golven langs de kust, waardoor hun gekleurde zeilen glinsterden als schubben op een zeeslang. In het zuiden verbond de dam van het Heptastadion het eiland met de vuurtoren aan het vasteland. Daarachter omzoomden de luifels van de marktkramen de straten en hoewel ik ze niet kon zien, beeldde ik me in dat de koopmannen fanatiek met hun klanten onderhandelden. Je kon de inwoners niet onderscheiden van de hartslag van de 16


stad: zij waren één. Aziatisch, Parthisch, Grieks, Egyptisch: waar ze ook vandaan kwamen, de klei van de Nijl verdikte hun bloed. Het gaf de stad iets wilds, wat alleen getemd kon worden door de farao’s die aan het hoofd ervan stonden – mijn familie. En binnenkort zou ik aan het hoofd staan. Maar ik betwijfelde of ik de volharding bezat om de mensen van Egypte in toom te houden. Deze twijfels had ik al langer, maar ze waren wel sterker geworden vanaf het moment dat mijn vader ziek was geworden. Het zou niet lang meer duren voor hij deze wereld zou verlaten voor de volgende. Terwijl zijn ziekte hem steeds meer verzwakte, werd ik geteisterd door dromen van mijn eigen spiegelbeeld, als de geslepen zijdes van een juweel, iedere kant een andere versie van de farao die ik zou worden. Eén zijde was gemeen en roekeloos, een andere gracieus en zachtaardig. Iedere echo van mijn zijn was een vreemde voor mij en dan werd ik badend in het zweet wakker, achtervolgd door de indringers in mijn gedachten. Ik was er niet klaar voor om farao te zijn. Hoewel ik me afvroeg of ik er ooit echt klaar voor zou zijn geweest. Zonder de kunst van het voorspellen zou ik sowieso slecht voorbereid zijn op de jaren die volgden. Niemand had zich erop kunnen voorbereiden het leven te leven zoals ik zou doen. Ik moet mijn jongere zelf in ieder geval deze tekortkoming vergeven. Charmion leunde over het balkon met gefronste wenkbrauwen, zich niet bewust van mijn donkere gedachten. ‘Ik geloof niet dat we vanaf hier kunnen zien wat je gegooid hebt met de stokjes, dus we nemen maar aan dat ik heb gewonnen.’ Door een plotselinge bries raakte een vlecht uit de knot op mijn hoofd los. Charmion kwam met­een in beweging om de lok weer onder mijn diadeem te stoppen. Haar vingers raakten het teken in mijn nek. Zwart, alsof het met kohlpotlood was getekend. Het symbool, in de vorm van de drie treden van de troon, begon bij mijn haarlijn en liep door tot 17


de bovenkant van mijn rug. Het teken dat mij kenmerkte als de uitverkorene van de godin Isis. Ik huiverde door haar aanraking en Charmion wendde zich af. ‘Als we de stokjes niet kunnen zien, zullen we het nooit weten. Dus het moet gelijkspel zijn,’ plaagde ik haar. Charmion lachte en hield haar hoofd achterover tot haar krullen haar schouderbladen raakten. ‘Iedere keer als je verliest, zeg je dat het gelijkspel is.’ ‘Ik ben een Ptolemaeus. We zijn niet geboren om te verliezen.’ Hoewel ik glimlachte, smaakten mijn woorden een beet­je bitter. De herinnering aan mijn toekomstige plichten verpestte het zoete van deze dag als de schil van een granaatappel. Charmion hoorde de voetstappen als eerste. ‘Er komt iemand aan.’ ‘Wie wist dat we hier waren?’ vroeg ik geïrriteerd. ‘Ik weet het niet. Maar ik vermoed dat Pothinus je al in de gaten houdt sinds je vader aan zijn bed is gekluisterd.’ Ik trok een gezicht bij het horen van de naam van onze hofmeester. Hij volgde mijn vader als een schaduw, als een krokodil in het riet van de oever. De afgelopen tien jaar was hij de leraar van mijn jongere broer geweest. Maar sinds het begin van mijn vaders ziekte nam zijn interesse in het onderwijzen af. In plaats daarvan richtte hij zich op politiek en was hij altijd bij mijn vader in de buurt, in de donkere hoekjes van de troonzaal. Ik trok mijn gouden riem, die ik wat losser had gedaan toen we op de grond zaten, weer strak. Charmion klakte achter me met haar tong en hielp me. Ze trok aan de metalen gespen tot de riem als een harnas om mijn ribben zat. Ik veegde het zand dat aan mijn rokken was blijven plakken weg en wachtte tot de nieuwkomer zich zou melden. Het klappen van de sandalen op de stenen vloer vertraagde, waarna er een bediende verscheen. Hij liep met zijn ogen afgewend het balkon op en wierp zich 18


aan mijn voeten op de grond. ‘Cleopatra, uitverkorene van godin Isis, tweede dochter van Ptolemaeus, twaalfde in zijn naam,’ zei hij, buiten adem door de lange trap. De naam van de godin prikte in een rauwe wond in mijn gedachten. Uitverkoren door Isis, maar nog zonder haar macht. Ik drukte het bekende gevoel van teleurstelling weg en antwoordde: ‘Ja?’ ‘U bent nodig in het paleis.’ De schouders van de boodschapper zakten alsof zijn levensdoel nu vervuld was. Misschien was het dat ook. ‘De dood flirt met de naam Ptolemaeus,’ had mijn moeder ooit gezegd. Ik was iets ouder dan acht jaar toen ze die woorden tegen me zei. Er lag een stervende man bij mijn voeten, zijn bloed vloeide tussen mijn kleine tenen. Toen ik ze wiebelde, zag ik een rimpeling in het bloed. Ik weet nog dat ik het mes op zijn keel zo saai vond, er zaten niet eens gouden of zilveren versieringen op. Ik dacht als een achtjarige. Als ik mezelf zou moeten vermoorden, zou ik het in ieder geval met iets chiquers doen dan koper. Maar zoals je weet werd het uiteindelijk vergif. ‘Waarom heeft hij zichzelf vermoord, mama?’ vroeg ik toen de wachters het lichaam van de bediende wegdroegen uit de troonzaal. Mijn moeder, wier zoom van haar priesterlijke gewaad bevuild was met bloed, stond naast me. Er lag een bezorgde blik in haar ogen, zoals die van de kalveren die door godin Hathor gezegend waren. ‘Hij kon zich geen grotere eer voorstellen dan de dochter van een farao te dienen. Er was niets in dit leven wat dat kon overtreffen.’ Hij was de eerste bediende die zijn leven beëindigde nadat hij met mij had gesproken. En over een paar decennia zou Charmion de laatste zijn. Ik richtte me tot de boodschapper en schudde de gedachten 19


aan mijn moeder en de dood van me af. ‘Wat is er aan de hand, dat ik zo dringend nodig ben in het paleis?’ Hij beefde en gaf niet met­een antwoord. Toen hij uiteindelijk de moed vond om te spreken, was zijn stem schor. ‘Uw vader. Hij heeft dit leven verlaten voor het volgende.’ Charmions hap naar adem klonk als het gesis van een slang. Daarna hoorde ik niks meer. Mijn ogen prikten door de sintels van verdriet. Iedere ademhaling was traag en moeizaam, alsof mijn keel werd dichtgeknepen door rook. Vader is dood. Hoewel ik had geweten dat dit zou gebeuren, kon niets je voorbereiden op het verlies van al die ongeleefde momenten die nog hadden kunnen komen. Ik keek op naar de top van de vuurtoren, waar een standbeeld van mijn voorvader op de cilindervormige toren prijkte, net onder de zon. De levenloze ogen van Ptolemaeus i, de stichter van mijn dynastie, staarden terug naar mij. Soter werd hij genoemd – verlosser. Er lagen honderden jaren tussen ons en ik zag niet veel van mezelf terug in zijn Macedonische gelaatstrekken. Zijn gebeeldhouwde albasten kin was naar het vasteland gericht en hij keek uit over zijn koninkrijk. ‘Soter, verwelkom mijn vader in de rietvelden,’ mompelde ik zachtjes in mezelf. Door mijn dikke tranen heen vertroebelde het standbeeld en veranderde het in mijn vader. Zijn wenkbrauwen werden breder en zijn kaak werd ronder. Zelfs zijn buik werd ronder en trotser. Mijn vader was gevoelig voor overdaad. Zijn liefde voor feestelijkheden was een van de dingen waarin we van elkaar verschilden. Ik zag de frivoliteiten van mijn status als een last, hij zag ze als een plezier. ‘We moeten als goden leven om de goden te eren, dochter,’ zei hij dan met een donderende stem. ‘Het herinnert onze mensen 20


eraan dat we boven hen staan. Je zult het beter begrijpen als je farao bent.’ Farao. Toen was het nog iets wat ik nauwelijks kon bevatten. Nu zorgde de titel ervoor dat mijn hart achter mijn ribben haperde. Soters gezicht vervaagde opnieuw door mijn onvergoten tranen. Het albast vervormde tot ik in de ogen keek van een van de vele gezichten uit mijn dromen. Is dit een voorspelling? Ik probeerde het visioen dat ik zag te ontleden: was ze wijs? Was ze genadeloos? Ik bezat de toneelstukken, sonnetten en boeken die me over mijn toekomstige ondergang zouden vertellen niet. Maar wees niet bang: een ondergang zul je hoe dan ook nog krijgen. Ik had het enige geschenk dat we allemaal hebben: tijd. En alleen de tijd zou leren wat voor farao ik zou worden. Toen we via de trappen van de vuurtoren naar beneden liepen, was de zon ondergegaan. De reis door de wolken van de god Re had de gouden hemel veranderd in dieporanje. Ik klom via de verweerde kustlijn naar beneden, waar de golven tegen de rotsen sloegen. ‘Wat doe je?’ vroeg Charmion. ‘Het is sneller om vanaf hier naar het paleis te zwemmen. Het kost me te veel tijd om per draagstoel het hele Heptastadion over te steken.’ ‘Cleo.’ Het was de koosnaam die Charmion alleen tussen onze zachte lakens zei. ‘Cleopatra,’ corrigeerde ik haar geïrriteerd. De glorie van uw vader. Terwijl ik me begon uit te kleden, vroeg ik me af of ik op dit moment wel recht deed aan de betekenis van mijn naam. Charmion zuchtte, maar hielp me de knoop van mijn jurk los te maken. Ze liet haar hand daar even rusten en zei: ‘Alles komt 21


goed. Osiris zal hem toegang verlenen tot het volgende rijk.’ Ik voelde de spanning in mijn lichaam een beet­je wegzakken toen de lagen van mijn kleding als bloemblaadjes op de grond vielen. Charmion troostte me zoals niemand anders kon. Ik draaide me om en legde mijn hand op haar wang. ‘Dat weet ik, want ik heb jou aan mijn zijde.’ Charmion leunde tegen mijn hand en legde drie vingers op haar lippen. ‘Een voor het verleden en de gelukkige jaren die we hebben gehad, een voor het heden en het geduld dat we verlenen, een voor de toekomst en de liefde die nooit zal eindigen.’ Ze herhaalde het gebed dat we als kinderen hadden bedacht. Ik voelde dat de woorden me kracht gaven. We waren elkaars eerste minnares geweest en jarenlang was dat alles wat we waren. Maar onze liefde veranderde, ze reikte om ons heen, verder dan onze lichamen, in iets krachtigers dan de extase van genot. Onze vriendschap was hemels, groter dan de som van ons beiden. Ik wendde me van haar af. Ik droeg nu alleen mijn diadeem, een gouden cirkel die op mijn voorhoofd samenkwam, in de vorm van een opgerichte cobra. Charmion wilde hem van mijn hoofd halen en ik schudde mijn hoofd. ‘Zet hem vast met mijn vlechten. Als ik aankom, moeten ze me als koningin zien.’ Toen Charmion mijn vlechten om de diadeem had gedraaid, zei ik haar dat ze naar het paleis moest gaan. Hoewel zij ook kon zwemmen – we waren er vaak genoeg vandoor gegaan naar de Nijl zodat ik het haar kon leren – wist ik dat ze er niet van hield. ‘Ik laat je niet in de steek –’ ‘Ga,’ beval ik haar. Toen zei ik, zachter: ‘Dit is mijn favoriete jurk, ik wil niet dat het zeewater de stof aantast.’ Charmion knipperde. Ze hoorde de leugen en begreep dat het een excuus was. ‘Ik zal ervoor zorgen dat de jurk gewassen wordt en dat die vanavond voor je klaarligt.’ Haar schaduw strekte zich uit over de kustlijn toen ze wegliep. Hoe verder weg ze was, hoe warmer de adem in mijn mond 22


voelde, tot ik riep: ‘Ik… Ik kan het niet! Ik kan geen koningin zijn!’ ‘Dat kun je wel!’ riep ze terug. Ik voelde de angst kolken in mijn buik. ‘Weet je nog dat vader me vroeg om de koninklijke stoet van de Ptolemaeën te leiden?’ zei ik. Het was het eerste festival nadat ik veertien was geworden en vader wilde mij presenteren als de toekomstige farao van Egypte. ‘Dat weet ik nog.’ ‘Weet je het echt? Weet je nog dat ik struikelde en voor heel Alexandrië op de grond viel? Het enige wat ik hoefde te doen was de dansers voorleiden. En zelfs dat lukte me niet.’ ‘Lopen schijnt inderdaad moeilijk te zijn voor sommige mensen.’ ‘Dit is niet grappig, Charmion. Ik ben nooit een goede dochter van een farao geweest – hoe kan ik dan een goede farao worden?’ Charmion wees naar de grond. ‘Kijk.’ Ik volgde haar blik. Daar, verspreid tussen de rotsen en het zand, lagen de stokjes van het senetspel. ‘Je hebt toch gewonnen,’ zei ze glimlachend. De kansen waren zo klein geweest. Maar door de manier waarop de stokjes waren geland, wist ik dat ze gelijk had. De goden hadden mijn hand geleid. De angst in mijn buik kalmeerde. ‘Een Ptolemaeus verliest nooit,’ herhaalde ik zachtjes. Deze keer gaven de woorden hoop. ‘Ik zie je in het paleis,’ zei Charmion. Ik keerde me weer tot de zee, met een gevoel van overwinning in mijn hart. Het water voelde warm en verfrissend toen ik mezelf in de kolkende golven liet zakken. Het was laat in het oogstseizoen en de lucht voelde heet en droog aan. Hoewel ik liever de regen en 23


het mildere weer van het Akhet-seizoen had, was ik nu blij met de warmte. Mijn vlechten dreven op het wateroppervlak toen ik me onder het schuim van de golven liet zakken. Ik opende mijn ogen. Het zeewater was helder, ondanks de hevige stromingen. Ik vroeg me af hoe het moest zijn om onder water te kunnen ademen, zoals mijn jongere broer. Gezegend door de god Sobek, Heer van het Water, had hij deze gave gekregen toen hij nog een baby was. Zijn min had gegild toen hij zich met zijn dikke kleine beentjes uit haar greep had losgeschopt en zich in de dieptes van het bad had laten vallen. Er werden wachters geroepen, wat mijn nieuwsgierigheid en daardoor ook die van Charmion wekte. Ik kan me nog steeds de jaloezie herinneren die door mijn aderen stroomde toen hij met een lachend gezicht weer boven water kwam, helemaal in orde. Mijn vader had een feest van drie dagen aangekondigd. Mijn gave moest nog altijd tot leven worden gebracht door de godin Isis. Sommigen dachten dat ze nooit zou komen. Anderen fluisterden dat mijn gave zo zwak was dat die niet te zien was. Dat ik onzuiver was, de troon niet waardig. Ik had geen grote gave nodig. De zegen van mijn eigen vader was bescheiden geweest. Als een volgeling van de god Ihy kon hij ieder instrument met ongekende schoonheid bespelen. Zijn voorkeur had altijd bij de fluit gelegen. Mijn longen begonnen te branden en ik schopte met mijn voeten om weer boven water te komen. Ik strekte mijn armen in snelle, gelijkmatige slagen en splitste de golven met mijn handen. Nu zal ik vaders mooie muziek nooit meer horen. De golven likten aan mijn tranen, maar ik zwom door tot ik de oever van het paleis bereikte. Toen ik zand onder mijn voeten voelde, stond ik op. Het strand veranderde al snel in de wit betegelde grond van 24


Antirhodos. Het kleine eiland keek uit over het centrum van Alexan­drië in het noorden en over de haven in het westen. Het eiland pochte met zijn eigen begraafplaats, exotische dierentuin, waterreservoir en siertuinen. Het was een stad die ik mijn thuis noemde, maar ik vond het niet groot. Ik had op iedere rots gestaan en was in iedere boom geklommen. Er was geen enkele plek op aarde waar ik meer van hield. In tegenstelling tot mijn eigen mythe was Antirhodos te prachtig om de tand des tijds te overleven, een ergerlijk feit. Ik had horen zeggen dat alle vogels op het eiland een dag voordat de aardbeving het paleis trof wegvlogen. Maar dat gebeurde pas honderden jaren later. Lang nadat ik was gestorven. Op het pad naast me hadden twee bedienden een stuk stof om de stam van een palmboom geslagen en ze wiegden de boom heen en weer. Een andere bediende verzamelde de vallende dadels in een geweven mand. Ze stopten toen ze me zagen, gekleed in niets anders dan mijn kroon. Alles komt goed. Charmions woorden schoten me te binnen en ik rechtte mijn rug. Er klonk een klap toen de mand op de grond plofte en de bedienden zichzelf naast de dadels op de grond lieten vallen. Ik schraapte mijn keel en zei vastberaden en zonder aarzeling: ‘Lager.’ De bedienden drukten zich verder in het zand. Ik pakte een dadel uit de mand en kauwde er langzaam op. Mijn hand was nog nat van het zeewater, waardoor de zoete dadel een zilte ondertoon kreeg. ‘Stuur een mand hiervan naar mijn kamers,’ zei ik op dezelfde autoritaire toon. ‘Ja, farao’s dochter,’ zeiden ze alle drie tegelijk. ‘Farao,’ corrigeerde ik ze. Ik veegde het plakkerige van de dadel af aan het stuk stof dat 25


nog steeds om de palmboom hing. Mijn hand beefde zoals ik dat ook had gezien bij mijn vader als hij zijn door de goden geschonken gave had gebruikt. Door mijn lichaam stroomde niet zulke goddelijkheid. Maar ik had mijn eigen kracht. En nu was het tijd om die in te zetten.

26


Turn static files into dynamic content formats.

Create a flipbook
Cleopatra - Saara El-Arifi Inkijkexemplaar by HarperCollins Holland - Issuu