VOOROP IN DIERGEZONDHEID NIEUWSBRIEF VOOR PRACTICI • JAARGANG 32 • NUMMER 7 • OKTOBER 2026
Veterinair Westnijlvirus: eerste grote uitbraak bij paarden in Nederland Sinds begin augustus zijn bij meerdere paarden in Nederland recente infecties met het westnijlvirus (WNV) vastgesteld. Deze besmettingen kwamen aan het licht via de syndroomsurveillance, waarin GD en Wageningen Bioveterinary Research (WBVR) samenwerken om de introductie en verspreiding van het virus onder paarden in Nederland te monitoren. In 2025 werd via deze monitoring voor het eerst een WNV-infectie bij een paard in Nederland vastgesteld. Die uitbraak bleef beperkt tot drie paarden. In 2026 werden opnieuw besmettingen opgespoord, waarbij het aantal gevallen sneller opliep dan in 2025. Door het grote aantal inzendingen is het beschikbare budget voor deze monitoring voortijdig uitgeput. Omdat geen aanvullende financiering beschikbaar is, heeft GD deze monitoringsactiviteiten moeten beëindigen. Het blijft wel mogelijk om monsters voor WNV-diagnostiek in te sturen tegen de geldende tarieven. Monsters met de uitslag ‘Dubieus’ of ‘Aangetoond’ worden door GD doorgestuurd naar WBVR voor aanvullend onderzoek naar WNV-specifieke IgMantistoffen. Hiermee kan een recente of acute infectie worden bevestigd. Carlijn ter Bogt-Kappert MSc, projectleider ACTUELE INFORMATIE OVER HET WESTNIJLVIRUS
Update reovirus bij vleeskuikens Reovirus blijft helaas actueel. In het eerste halfjaar van 2026 stelde GD het virus 143 keer vast in de sectiezaal, tegenover 110 keer in dezelfde periode van 2025. Het virus werd vooral aangetroffen bij trager groeiende vleeskuikens (129 inzendingen). Daarnaast werd reovirus vastgesteld bij tien inzendingen van reguliere vleeskuikens en vier inzendingen van opfokdieren (3 keer opfok vermeerdering en 1 keer opfok leg). De gevonden reovirussen worden inmiddels gerapporteerd volgens een nieuwe indeling in genotypen 1 tot en met 7. Het bekende genotype 4.7 valt daarbij onder genotype 6. In de afgelopen jaren was genotype 4.7 dominant en betrokken bij ongeveer de helft van de inzendingen. In het eerste halfjaar van 2026 werd dit genotype nog maar bij 8 procent van de getypeerde reovirussen aangetroffen. Daarentegen behoorde 72 procent van de getypeerde reovirussen tot genotype 1. Opvallend is dat veel van deze genotype 1-stammen genetisch sterk op elkaar lijken. Dit wijst mogelijk op één of enkele gemeenschappelijke bronnen. Hoewel meerdere bronnen van verticale transmissie worden genoemd, houdt de verspreiding langer aan dan bij vergelijkbare situaties. Om mogelijke verbanden tussen uitbraken beter in kaart te brengen, bespreekt GD deze bevindingen met verschillende dierenarts praktijken. Omdat dierenartsen de herkomst van de ingestuurde isolaten kennen, kan dit waardevolle aanvullende epidemiologische informatie opleveren.
De Veekijker: voor alle veterinaire vragen Voor veterinaire vragen is de Veekijker rechtstreeks te bereiken op 088 20 25 555. Via een keuzemenu kiest u de diersoort waar u informatie over wilt hebben. Voor de verschillende diersoorten gelden andere openingstijden: Rund 08.30 – 17.00 uur Rund uiergezondheid 15.00 – 17.00 uur Kleine Herkauwers 15.00 – 17.00 uur Varken 08.30 – 17.00 uur Pluimvee 08.30 – 17.00 uur Helpdesk Paard (alleen voor infectieuze aandoeningen) 15.00 – 17.00 uur
drs. Christiaan ter Veen MAHM, dierenarts Veterinair, oktober 2026 - 1
Gerhard de Ruiter, algemeen directeur van Royal GD
Samen maken we monitoring mogelijk De recente aanwijzing van het ministerie van LVVN bevestigt dat GD ook de komende tien jaar verantwoordelijk blijft voor de uitvoering van de wettelijke basismonitoring diergezondheid en de monitoring van specifieke dierziekten. Daar zijn we trots op. Niet alleen als organisatie, maar vooral omdat het een erkenning is van de kracht van de samenwerking waarop dit systeem al jaren draait. Diergezondheidsmonitoring begint namelijk niet in een laboratorium of achter een computer. Die begint in het veld: bij dierenartsen en veehouders die bijzonderheden signaleren, vragen stellen en hun bevindingen delen. Die signalen vormen de basis van de monitoring en maken het mogelijk om nieuwe ontwikkelingen en gezondheidsrisico’s vroegtijdig te herkennen. Dankzij de dagelijkse betrokkenheid van dierenartsen beschikken we over een uniek netwerk van ogen en oren in de praktijk. In combinatie met diagnostiek, data-analyse en kennisuitwisseling ontstaat zo een actueel beeld van de diergezondheid in Nederland. Namens GD wil ik alle dierenartsen bedanken voor hun bijdrage. Juist door samen te werken, kunnen we ook de komende jaren blijven zorgen voor een sterke basis voor diergezondheid, dierenwelzijn en volksgezondheid.
Leptospirose: ook voor vleesveebedrijven loont preventie Steeds vaker voeren vleesveebedrijven dieren aan vanuit binnen- en buitenland. Daarmee neemt ook het risico op insleep van infectieziekten toe. Aanvoer is de belangrijkste risicofactor voor insleep van leptospirose bij runderen. Juist bij leptospirose verdient dit extra aandacht. Deze infectie is van belang voor de diergezondheid én de volksgezondheid, omdat de ziekte van dier op mens kan worden overgedragen. Besmette runderen vertonen vaak geen duidelijke klinische verschijnselen, maar kunnen de bacterie wel langdurig uitscheiden en verspreiden binnen een koppel. Vruchtbaarheidsproblemen en verwerpen kunnen de eerste signalen van een besmetting zijn. Hoewel leptospirose vaak wordt geassocieerd met melkveebedrijven, zagen we ook het afgelopen jaar opnieuw meerdere infecties op vleesveebedrijven. Dat onderstreept dat het risico niet beperkt is tot de melkveesector en dat alertheid ook bij vleesvee belangrijk blijft. Als dierenarts speelt u een belangrijke rol door vleesveehouders actief te wijzen op de voordelen van deelname aan het leptospiroseprogramma. Een bekende status geeft meer zekerheid bij aan- en verkoop, ondersteunt het gezondheidsmanagement voor mens en dier en helpt introductie van infecties vroegtijdig te signaleren. Bespreek daarom bij elke aanvoer de gezondheidsstatus van het herkomstbedrijf en besteed expliciet aandacht aan de risico’s van leptospirose. Ook op melkveebedrijven blijft het belangrijk alert te zijn op de gezondheidsrisico’s van aanvoer, zeker wanneer dieren afkomstig zijn uit het buitenland of van bedrijven met een niet-vrije status. Samen kunnen we de gunstige Nederlandse situatie behouden en de kans op nieuwe uitbraken verder verkleinen. Tapt u komend stalseizoen bloed voor IBR-onderzoek, neem dan op hetzelfde bloedmonster direct ook leptospiroseonderzoek mee. drs. Katrien van den Brink, dierenarts
Huidafwijkingen in het slachthuis door vliegenbeten Recent werd de Veekijker gecontacteerd over huidafwijkingen die in het slachthuis waren aangetroffen. Op de huid van meerdere varkens waren kleine rode vlekjes zichtbaar. Hierdoor moest het slachthuis extra weefsel verwijderen, wat resulteerde in een lagere opbrengst voor de veehouder. Voor multifocale rode huidafwijkingen zonder verdere ziekteverschijnselen of karkasafwijkingen zijn verschillende oorzaken mogelijk, waaronder PDNS/PCV2infectie, schimmelinfecties, allergische reacties en ectoparasieten. In overleg met de begeleidende dierenarts en de veehouder werd op basis van foto’s geconcludeerd dat de afwijkingen waarschijnlijk waren veroorzaakt door beten van stekende of bijtende vliegen of knutten. Het bedrijf was relatief laat gestart met de vliegenbestrijding. Deze bestrijding kan zich richten op zowel de larven als de volwassen vliegen. De larven bevinden zich doorgaans in de buurt van mest, waar larviciden kunnen worden ingezet. Vooral korsten en randen van de mestput vragen aandacht om de levenscyclus van de insecten te doorbreken. Volwassen insecten kunnen op verschillende manieren worden bestreden, bijvoorbeeld met strijkmiddelen, lokmiddelen, korrels, roofvliegen of sluipwespen en fysieke oplossingen zoals UV-lampen en kleefstrips. Tijdige en effectieve bestrijding helpt niet alleen huidafwijkingen en afwaardering in het slachthuis te voorkomen, maar komt ook het welzijn van de varkens ten goede. drs. Bas Engel, dierenarts
2
Prevalentie leverbot fors gedaald, eerste landelijke meting mortellaro
Coli bij gespeende biggen: diarreepakket of typering na kweek
In de winter van 2025 is, in opdracht van ZuivelNL, via tankmelkonderzoek op melkveebedrijven de prevalentie van leverbot en mortellaro bepaald binnen de Specifieke Monitoring. Voor leverbot laat het onderzoek een duidelijke daling zien ten opzichte van eerdere metingen. Voor mortellaro was het de eerste keer dat de landelijke prevalentie in kaart is gebracht.
Bij het onderzoeken van ziekte bij gespeende biggen verdient een diarreepakket PCR op een E-swab van de darminhoud vaak de voorkeur boven een (suspensie)typering na kweek. Een diarreepakket PCR is een gevoelige test op een monster dat de complexe darmflora vertegenwoordigt. Daardoor is de kans groter dat een representatief beeld van de aanwezige darmpathogenen wordt verkregen.
Leverbot Voor het onderzoek naar leverbot zijn tankmelkmonsters van 381 melkveebedrijven onderzocht. De landelijke bedrijfsprevalentie bedroeg in 2025 6,2 procent. Dat is significant lager dan de prevalentie van 23,0 procent die bij de vorige meting in 2013 werd vastgesteld. De prevalentie was significant hoger op bedrijven met minder dan 72 runderen ten opzichte van het gemiddelde bedrijf. Ook werd in regio west leverbot vaker aangetoond dan gemiddeld. Dit regionale verschil werd ook gezien bij de meting in 2013. Mortellaro Het is de eerste keer dat de prevalentie van mortellaro is bepaald binnen de Specifieke Monitoring. Voor mortellaro werden tankmelkmonsters van 379 bedrijven onderzocht op de aanwezigheid van treponema-antistoffen. Er werden drie uitslagcategorieën onderscheiden: ‘weinig antistoffen’ (veel gezonde klauwen), ‘veel antistoffen’ (veel chronische mortellaro) en ‘zeer veel antistoffen’ (veel acute mortellaro). Bij 61,0 procent van de onderzochte monsters werden weinig antistoffen aangetoond, bij 29,5 procent veel antistoffen en bij 9,5 procent van de monsters zijn zeer veel antistoffen aangetoond. Bedrijven met minder dan 72 runderen kregen relatief vaker de uitslag ‘weinig antistoffen’, terwijl bedrijven met meer dan 145 runderen vaker in de categorieën ‘veel antistoffen’ of ‘zeer veel antistoffen’ vielen ten opzichte van het Nederlands gemiddelde. Ook bleek dat bedrijven met een open bedrijfsvoering vaker ‘zeer veel antistoffen’ hadden dan gesloten bedrijven. Specifieke monitoring Binnen de Specifieke Monitoring wordt elke twee jaar de prevalentie van verschillende endemische aandoeningen geschat. Bij een steekproef van bedrijven met een onbekende ziektestatus worden runderen, melk-, tankmelk- of serummonsters onderzocht op antistoffen of ziekteverwekkers.
Na het spenen kunnen biggen ziek worden, waarbij Escherichia coli (E. coli) een rol kan spelen. PCR en/of bacteriekweek op darminhoud of feces zijn daarbij veelgebruikte diagnostische methoden. Toxinen Bij speendiarree veroorzaken verschillende door E. coli geproduceerde toxinen een verstoring van de vochthuishouding in de darm, met diarree en uitdroging als gevolg. Oedeemziekte of slingerziekte is een specifieke toxemie waarbij E. coli in de darm het Shiga-toxine 2e produceert. Het bijbehorende gen is Stx2e. Dit toxine verspreidt zich systemisch door het lichaam en leidt tot vaatlekkage en oedeem. Dit kan neurologische verschijnselen veroorzaken, zoals een slingerende gang. PCR-pakketten Onderzoek naar darmpathogenen kan complex zijn, omdat ziekteverwekkers segmentaal aanwezig kunnen zijn en intermitterend worden uitgescheiden. GD beschikt over meerdere PCR-pakketten waarmee de belangrijkste toxinegenen van E. coli op DNA-niveau kunnen worden aangetoond. Dit wordt vaak gecombineerd met bacteriologisch onderzoek, waarmee pathogene bacteriën in darminhoud of feces worden aangetoond. Een antibiogram kan vervolgens bijdragen aan een gerichte therapiekeuze. Inzendformulier Regelmatig wordt op het inzendformulier ‘Sectie varkens’ typering aangevraagd aansluitend op een kweek van E. coli. Het is belangrijk om te beseffen dat deze (suspensie) typering wordt uitgevoerd op slechts één kolonie van een kweekplaat. Daardoor bestaat het risico dat de getypeerde kolonie, en daarmee het resultaat van de typering, niet representatief is voor het ziektebeeld. drs. Karin Junker, specialist veterinaire pathologie
dr. Floor Biemans, epidemioloog en Myrna Bunte MSc, projectleider
Veterinair, oktober 2026 - 3
Nieuws en mededelingen Nieuw: PCR-pakket levervirussen paard
Monitorings bijeenkomsten rund
Verhoogde leverwaarden in bloed kunnen een indicatie zijn voor hepatitis. Vooral wanneer een paard klinische symptomen vertoont of bij meerdere paarden op een bedrijf verhoogde leverwaarden worden vastgesteld, is aanvullende diagnostiek waardevol.
Tijdens de monitoringsbijeenkomsten rund delen onze experts de nieuwste inzichten uit de diergezondheidsmonitoring met rundveedierenartsen. Op het programma staan actuele en praktijkgerichte onderwerpen, waaronder koper in melk en de interpretatie van laboratoriumuitslagen, dierziekterisico’s bij rundvee-importen, klinische diarree vanuit pathologisch perspectief en actuele ontwikkelingen rond het ‘Shamonda-like’ virus, blauwtong en HPAI. De bijeenkomsten vinden plaats op 5 november in Moergestel, 12 november in Drachten, 19 november in Kamerik en 26 november in Deventer. Accreditatie wordt aangevraagd.
Het nieuwe PCR-pakket ‘Levervirussen Paard’ is een gevoelige en specifieke test voor twee virussen die (sub)klinische hepatitis bij paarden kunnen veroorzaken: Equine parvovirus-hepatitis (EqPV-H) en Equine hepacivirus (EqHV). Onderzoek kan worden uitgevoerd op serummonsters van paarden. EqPV-H wordt geassocieerd met uiteenlopende vormen van hepatitis, variërend van subklinische infecties tot ernstige leverontsteking. Mogelijke symptomen zijn anorexie, sloomheid, verminderde prestaties, icterus en koliek. Een infectie met EqHV verloopt meestal subklinisch en kan aan het licht komen door verhoogde leverenzymen, zoals GGT, AST en GLDH in bloedonderzoek. Sommige paarden ontwikkelen een zelflimiterende hepatitis en sporadisch zorgt een EqHV-infectie voor een ernstige chronische hepatitis.
Veterinair is een uitgave van Royal GD Redactie: Marian Aalberts, Tara de Haan, Daphne de Leeuw, Mirthe de Wit, Sjoerd Klarenbeek, Annemieke Medema, Carolien Warnar Eindredactie: Jessica Fiks Vormgeving: Dock35 Media Druk: Senefelder Misset Doetinchem B.V. Uitgever: GD Overname van artikelen is toegestaan na schriftelijke toestemming van GD. ISSN 1388-4042 Postbus 9, 7400 AA Deventer T. 088 20 25 500 www.gddiergezondheid.nl info@gddiergezondheid.nl Alle genoemde tarieven zijn exclusief btw en basiskosten.
4
BEKIJK DE AGENDA
Nieuwe dierenarts: Pleun Penterman Vol enthousiasme startte Pleun Penterman in september als rundveedierenarts bij GD. Haar zeven jaar praktijkervaring en elf jaar bij MSD Animal Health komen daarbij goed van pas. Pleun vindt de samenwerking tussen dierenarts, veehouder en andere betrokken partijen enorm belangrijk. Hoe mooi is het om diergezondheid te verbeteren en samen te werken aan vitale bedrijven waar veehouders met vertrouwen vooruit kunnen kijken. Ze kijkt ernaar uit veel dierenartsen en veehouders in het veld te ontmoeten, ervaringen uit te wisselen en samen te werken aan praktische oplossingen die écht bijdragen aan diergezondheid. Je komt haar vooral tegen bij de Veekijker en alles rondom het thema klauwgezondheid.
Melkinterval belangrijk bij melkmonstername voor CMT-test en bacteriologisch onderzoek Recent ontving GD meerdere vragen over de betrouwbaarheid van de CMT-test, omdat regelmatig alle vier kwartieren positief testten. Bij navraag bleek dat de monsters direct na het melken waren genomen. Dit geeft geen betrouwbaar resultaat, omdat kort na het melken alle kwartieren een verhoogd celgetal hebben. Voor een betrouwbare CMTtest moet de monstername vóór het melken plaatsvinden, na een melkinterval van minimaal 6 uur. Ook voor bacteriologisch onderzoek geldt een melkinterval van minimaal 6 uur. Monstername kort na het melken vergroot de kans op het kweken van (extramammaire) niet-aureus stafylokokken (NAS), menginfecties (polybacterieel) en contaminatie. Met name op bedrijven met een melkrobot wordt niet altijd rekening gehouden met het vereiste minimale melkinterval.
Recente wetenschappelijke publicaties GD-experts droegen recent bij aan diverse wetenschappelijke publicaties: • Antimicrobial practices for Mycoplasma infections in cattle • Disease-related costs in confinement and grazing dairy cow systems • Impact of Coxiella burnetii-associated abortions in Finnish forest reindeer within a zoo on public health appeared negligible succeeding mitigation strategies • Novel Parvovirus in Pigs Associated with Exophthalmos and Erythema, the Netherlands • Performance of the IR Biotyper, Nanopore, and Illumina sequencing to discriminate Escherichia coli strains originating from poultry • T he virulence of two recent Dutch Mycoplasma synoviae field isolates in different broiler types and the association with ascites and hydropericardium as a new finding