Skip to main content

Veterinair mei 2026

Page 1


Veterinair

Drs. Christiaan ter Veen MAHM , dierenarts NIEUWSBRIEF

Reovirus: subtype 4.7 vanaf 2026 ingedeeld in nieuwe genogroep

Reovirus kan onder andere peesschedeontsteking veroorzaken bij pluimvee. De infectie wordt zeer regelmatig vastgesteld. Om in de gaten te houden welke reovirussen in het veld rondgaan en of gevallen met elkaar te maken hebben, wordt van de gevonden reovirussen het genotype bepaald. De klassieke groepsindeling die GD hanteert, is gebaseerd op internationale afspraken en maakt momenteel onderscheid in vijf genogroepen, genogroep 1 tot en met 5. Omdat deze groepsindeling op basis van nieuwe inzichten recent is aangepast, zal GD de classificatie ook in de uitslagen veranderen.

In de nieuwe groepsindeling wordt een deel van genogroep 3 ingedeeld als genogroep 7. De afgelopen jaren zijn enkele virussen uit deze genogroep in Nederland aangetoond. Daarnaast wordt een deel van genogroep 4 ingedeeld als genogroep 6 (zie figuur). Virussen behorend tot subtype 4.7, die de afgelopen jaren veel problemen veroorzaakten, worden hierbij ingedeeld in genogroep 6. Ook voor enkele virussen die in genogroep 3 vielen, verandert de genogroep. Na aanvullende communicatie voeren we deze veranderingen in de loop van 2026 door in de uitslagen van GD. Binnen zowel subtype 4.7 als genogroep 1 valt een aantal clusters op. Bij vier van deze clusters is sprake van kuikens van hetzelfde diertype die in een korte periode zijn uitgekomen, hetgeen wijst op verticale overdracht. Het vijfde cluster bevat inzendingen van verschillende diertypen en rassen waarbij verticale overdracht uitgesloten is.

De Veekijker: voor alle veterinaire vragen

Voor veterinaire vragen is de Veekijker rechtstreeks te bereiken op 088 20 25 555. Via een keuzemenu kiest u de diersoort waar u informatie over wilt hebben.

Voor de verschillende dier soorten gelden andere openingstijden:

Rund

08.30 – 17.00 uur

Rund uiergezondheid 15.00 – 17.00 uur

Kleine Herkauwers 15.00 – 17.00 uur

Varken 08.30 – 17.00 uur

Pluimvee 08.30 – 17.00 uur

Helpdesk Paard (alleen voor infectieuze aan doeningen) 15.00 – 17.00 uur

Reovirusisolaten in combinatie met peesschedeontsteking, afkomstig van Nederlandse pluimveekoppels.

Week van de Monitoring: samen scherp blijven

Wie bij monitoring alleen denkt aan ‘data’ of ‘dashboards’, mist de kern. Monitoring is meer: het gaat om wat je ziet in de stal, hoort aan de telefoon en voelt bij die ene casus die niet in het boekje past. Daarom staat de ‘Week van de Monitoring’ in het teken van wat we samen signaleren in het veld. Via de Veekijker, pathologie, Dataanalyse en diagnostiek ontstaat een actueel beeld van de diergezondheid in Nederland, en daarin speelt de dierenarts een sleutelrol.

Om de ‘Week van de Monitoring’ af te trappen, organiseert GD op dinsdag 16 juni een symposium. Tijdens deze middag staan we stil bij wat er nú speelt en kijken we vooruit: welke dierziekten staan aan de lands- en erfgrenzen? Wat betekenen trends in de monitoring voor de dagelijkse praktijk?

We starten het symposium met een inspirerende sessie door GD-patholoog Klaas Peperkamp over pathologie door de jaren heen. Daarna zijn er sectorspecifieke sessies en kunt u een kijkje nemen in ons laboratorium. Uiteraard is er ruimte om in gesprek te gaan met onze experts en collega’s uit het veld, want vroeg signaleren lukt alleen als we kennis blijven delen. Doe mee, laat je bijpraten en blijf samen scherp voor een goede diergezondheid in Nederland.

MEER INFORMATIE EN AANMELDEN

Mastitis Tankmelk: trends in 2025

Binnen Mastitis Tankmelk krijgen veehouders zes of tien keer per jaar inzicht in de mastitisverwekkers die in de tankmelk aanwezig zijn. Hierbij worden aantallen Staphylococcus aureus , coliformen en omgevingsstreptokokken gerapporteerd. Ook gerapporteerd worden grote of geen grote aantallen Streptococcus uberis en Streptococcus dysgalactiae en daarnaast de aan- of afwezigheid van Streptococcus agalactiae en Klebsiella. De uitslag geeft handvatten om de uiergezondheid en de melkhygiëne te optimaliseren.

Elk jaar analyseren we de trends die we zien bij de deelnemende bedrijven van Mastitis Tankmelk. Bij de koegebonden kiemen bleef een dalende trend zichtbaar in het percentage monsters waar S. aureus werd aangetoond. Daarentegen nam het percentage monsters met S. agalactiae weer licht toe, naar 2,7 procent. Omgevingsstreptokokken werden in nagenoeg alle monsters gevonden. Het gemiddelde kiemgetal van omgevingsstreptokokken is de afgelopen vijf jaar met 33 procent gestegen. In 9 procent van de tankmelkmonsters werden grote aantallen S. uberis gevonden, een lichte toename ten opzichte van 2024. Bij de individuele melkmonsters bleef S. uberis één van de meest voorkomende mastitisverwekkers, haar rol mag daarmee zeker niet worden onderschat. In 2,2 procent van de tankmelkmonsters werden grote aantallen S. dysgalactiae gevonden ten opzichte van 1,6 procent in 2024. Opvallend is dat het percentage tankmelkmonsters waar coliformen worden aangetoond al sinds 2022 een duidelijke daling liet zien, van 57 procent in 2022 naar 41 procent in 2025. Het aantal coliformen in de tankmelk zegt iets over de melkhygiëne en in mindere mate iets over de uiergezondheid, aangezien koeien met veelal ernstige klinische mastitis door coliformen meestal worden gesepareerd. E. coli werd in 2025 het meest gekweekt uit individuele monsters. Het percentage monsters waarin Klebsiella werd aangetoond in de tankmelk nam ook af en betrof in 2025 nog 8 procent.

Heleen Kellij-Klunder Msc , dierenarts en ing. Hans Miltenburg , zoötechnisch specialist

Lentivirussen bij hobbymatig gehouden kleine herkauwers

Recent werd de neurologische vorm van zwoegerziekte aangetoond in een koppel hoogdrachtige schapen. Op basis van de beschrijving van de dierenarts bleek dat de houder afgelopen jaar al meerdere dieren met vergelijkbaar klinisch verloop had verloren.

Zwoegerziekte (maedi-visna) bij schapen en caprine arthritis encephalitis (CAE) bij geiten zijn chronische infecties veroorzaakt door small ruminant lentiviruses (SRLV). SRLV-stammen kunnen tussen schapen en geiten worden overgedragen, waardoor gemengde huisvesting of nauw contact het risico op introductie en verspreiding van SRLV onderling vergroot. Typerend voor het virus is dat geïnfecteerde dieren vaak langdurig subklinisch blijven. Bij het zwoegerziektevirus staat vooral een langzaam progressieve aantasting van de longen centraal. Daarnaast kunnen chronische ontsteking van het uierweefsel (met dalende melkproductie) en, in mindere mate, aantasting van het centrale zenuwstelsel voorkomen. CAE kan zich bij geiten uiten als chronische artritis met gewrichtszwelling, pijn en kreupelheid. Maar ook als neurologische verschijnselen of afwijkingen aan de uier.

De diagnostiek is complex. Het kan maanden tot een jaar duren voordat bij dieren na besmetting antistoffen kunnen worden aangetoond. De aanpak verschilt per koppel en blijft maatwerk. Het verwijderen van positief geteste dieren kan de infectiedruk verlagen, maar leidt door de eigenschappen van het virus lang niet altijd tot het eradiceren van het virus uit een koppel. Voor risicobeperking wordt daarom aanbevolen uitsluitend dieren aan te voeren van SRLV-vrije bedrijven.

Nienke Snijders MSc , dierenarts

Aangepaste dienstregeling ophaaldiensten

Dierenartsen kunnen gebruikmaken van onze ophaaldiensten om monsters of dode dieren op te halen en af te leveren bij GD voor nader onderzoek. Tijdens de feestdagen geldt een aangepast schema.

De ophaaldienst voor monstermateriaal rijdt niet op Tweede Pinksterdag, maandag 25 mei. U kunt monsters voor de eerstvolgende werkdag in het webportaal of via de app aanmelden en tot 18.00 uur wijzigingen doorgeven. PS Nachtdistributie haalt de monsters de eerstvolgende nacht waarin wordt gereden weer op.

De ophaaldienst voor sectiemateriaal rijdt op deze dag ook niet. Indien gewenst kunnen tegen het vaste spoedtarief dieren worden opgehaald om gekoeld te bewaren tot de eerstvolgende werkdag.

Hoe ziet shock eruit in de sectiezaal?

In een pathologisch verslag kan de zinsnede ‘aanwijzingen voor shock’ voorkomen. Er zijn verschillende vormen van shock, met verschillende oorzaken.

Distributieve shock wordt gekenmerkt door systemische vasodilatatie en kan bijvoorbeeld optreden door sepsis. Bacteriën of bacteriële toxinen in het bloed leiden tot een immuunrespons met cytokinenrelease, vasodilatatie en verhoogde vaatpermeabiliteit. Ook hypovolemische shock (door bijvoorbeeld verbloeding uit een lebmaagulcus) zien we met enige regelmaat in de sectiezaal.

Alle vormen van shock monden uit in circulatoir falen, waardoor ischemische weefselschade ontstaat. Ook kan compensatoire vasoconstrictie optreden, met de keerzijde dat het een verhoogd risico op trombosering met zich meebrengt en daardoor nog meer (lokale) ischemie. Weefselschade neemt verder toe met het vrijkomen van pro-inflammatoire en pro-trombotische cytokinen. De gevolgen hiervan zijn in wisselende mate zichtbaar in karkassen, afhankelijk van hoe lang het proces speelt. Stuwing wordt herkend als rode verkleuring (hyperemie) van weefsel en gaat vaak gepaard met oedeem, waardoor organen een glanzend of nat aspect krijgen. De combinatie van bloeddrukverstoring en schade aan bloedvaten leidt tot een toegenomen hoeveelheid helder, sereus vocht in lichaamsholtes. Dit valt het meeste op in de borst- en buikholte. Het is belangrijk om dit vocht te onderscheiden van een ontstekingsvocht zoals wordt gezien bij een pleuritis of peritonitis (dit wordt gekenmerkt door troebel vocht, fibrineus of purulent exsudaat). Ook komen petechiën of ecchymosen voor; deze treffen we vaak aan bij de larynx en op het hart en in de longen.

Bij koeien worden de darmen als ‘shockorgaan’ beschouwd. Dit houdt in dat er door stuwing, ischemische schade en vaatpermeabiliteit bloed in het lumen terechtkomt, waardoor de darminhoud rood en waterig is. Onderscheid met hemorragische enteritis kan waar nodig worden onderbouwd via aanvullend histologisch en bacteriologisch onderzoek. Bepaalde celtypes zoals hartspier, nierepitheel en hippocampale neuronen zijn gevoelig voor hypoxie en vertonen soms microscopische kenmerken van degeneratie. Terwijl deze veranderingen niet pathognomonisch zijn, kunnen ze in combinatie met de kliniek en macroscopische bevindingen, deel uitmaken van de ‘aanwijzingen voor shock’.

Congenitale afwijkingen

Op een zeugenbedrijf werden in toenemende mate afwijkingen geconstateerd bij pasgeboren biggen. Meerdere tomen waren aangedaan en enkele dieren werden ingestuurd voor pathologisch onderzoek.

Klinisch vielen twee typen afwijkingen op: een zachte zwelling ter hoogte van het voorhoofd en een afgeplat voorhoofd. Deze biggen werden ingestuurd voor pathologisch onderzoek, waaruit bleek dat sprake was van twee craniale afwijkingen: cranioschisis en meningocele. Bij cranioschisis sluiten de schedelbeenderen niet compleet, waardoor vruchtwater de hersenen kan bereiken, met als gevolg hersendegeneratie en anencefalie. Bij meningocele is sprake van onvoldoende sluiting van de wervelkolom, waarbij hersenvliezen en hersenweefsel door een defect in de schedel uitstulpen. Bij de overige organen werden geen afwijkingen geconstateerd. De oorzaak van deze congenitale afwijkingen kan zowel infectieus als niet-infectieus zijn. Hoewel infectieuze agentia bekend staan als veroorzakers van congenitale afwijkingen, zijn deze niet specifiek geassocieerd met de beschreven letsels. Erfelijke factoren moeten daarom worden overwogen, aangezien cranioschisis bij varkens als erfelijk beschreven is, hetzij via de zeug en/of de beer. Naast genetische factoren zijn ook voedingsdeficiënties in verband gebracht met congenitale afwijkingen. Hoewel zeldzaam in de conventionele varkenshouderij, kunnen fouten bij het formuleren of mengen van het dieet leiden tot tekorten. Bij het constateren van congenitale afwijkingen bij biggen, dienen dierenartsen zowel genetische als nutritionele factoren te evalueren. Samenwerking met voerleverancier en fokkerij-organisaties zijn cruciaal om herhaling van mogelijke aangeboren afwijkingen te beperken.

Christiaan Sanderman MSc , projectleider en dr. Lucía Dieste Pérez , dierenarts

Salmonella bij het paard: pilotstudie baant weg

voor aanvullende diagnostiek

Sinds 2024 loopt binnen de monitoring een pilotstudie naar salmonella bij paarden. Daarbij wordt onderzocht of uit PCR-positieve monsters van het diarreepakket niet alleen detectie, maar ook kweek, typering en gevoeligheidsbepaling mogelijk is.

De eerste resultaten laten duidelijke trends zien. In 2025 werd een hoger percentage salmonella-positieve monsters gevonden dan in 2024 en eerdere jaren (zie figuur 1). Daarnaast is een verschuiving in serotypes zichtbaar van Salmonella Typhimurium naar serogroep C. Ook zijn (multi)resistente stammen geïsoleerd, met resistentie tegen onder andere ampicilline en penicilline, en tegen derdelijnsmiddelen zoals enro- en marbofloxacine (zie figuur 2). Dit onderstreept het belang van gerichte gevoeligheidsbepaling. Tegelijk blijft het gebruik van antibiotica bij salmonellose onderwerp van discussie. Er is namelijk geen bewezen positief effect op verkorting van de uitscheidingsduur of darmwandherstel en het verhoogt het risico op dysbacteriose. Bij veulens en systemisch zieke dieren is antibioticumtherapie wél geïndiceerd.

Een belangrijk praktisch resultaat van de pilot is dat salmonella succesvol kan worden gekweekt uit E-swabs of mestmonsters die ingezonden zijn voor het PCR-diarreepakket, waardoor aanvullende diagnostiek mogelijk wordt na een positieve PCR. Op basis hiervan is de diagnostiek van GD uitgebreid: bij het PCR-diarreepakket kan nu op het inzendformulier standaard gekozen worden voor aanvullende kweek en gevoeligheidsbepaling.

Indien in het PCR-onderzoek negatief blijkt op salmonella wordt de kweek geannuleerd en worden hiervoor geen kosten in rekening gebracht.

Eva Dieterman MSc , dierenarts

Veterinair is een uitgave van Royal GD

Redactie: Marian Aalberts, Tara de Haan, Daphne de Leeuw, Mirthe de Wit, Sjoerd Klarenbeek, Margreet Pasman, Annemieke Medema

Eindredactie: Jessica Fiks

Vormgeving: Dock35 Media

Druk: Senefelder Misset Doetinchem B.V. Uitgever: GD

Overname van artikelen is toegestaan na schriftelijke toestemming van GD.

ISSN 1388-4042

Postbus 9, 7400 AA Deventer T. 088 20 25 500 www.gddiergezondheid.nl info@gddiergezondheid.nl

Alle genoemde tarieven zijn exclusief btw en basiskosten.

Figuur 2: Resistentie patronen in aantallen van de uitgevoerde antibioticumgevoeligheidsbepalingen op de gekweekte salmonellastammen van 2025

Nieuws en mededelingen

PCR-pakket levervirussen paard

Bij paarden worden regelmatig verhoogde leverwaarden gevonden in bloedonderzoek. Dit is een indicatie voor (in ernst variërende) hepatitis die door verschillende oorzaken in gang kan zijn gezet. Vooral als een paard klinische symptomen vertoont of als meerdere paarden op een bedrijf verhoogde leverwaardes laten zien, is het nuttig om aanvullende diagnostiek uit te voeren. Hiervoor heeft GD nu onder andere het Pakket Levervirussen (PCR) beschikbaar. Dit pakket biedt gevoelig en specifiek onderzoek naar de twee virussen waarvan bewezen is dat ze (sub-)klinische hepatitis bij paarden kunnen veroorzaken: Equine parvovirus-hepatitis (EqPV-H) en Equine hepacivirus (EqHV). Het pakket is aan te vragen op serummonsters van paarden. Inschrijven kan digitaal via VeeOnline of via het inzendformulier ‘PCR’s paard’.

Figuur 1: Percentage monsters van paarden of veulens met diarree die positief testten op salmonella

Turn static files into dynamic content formats.

Create a flipbook
Veterinair mei 2026 by Royal GD - Issuu