Veterinair
Unieke veldproef bevestigt effectiviteit vaccinatie tegen vogelgriep
Vaccinatie van leghennen tegen hoogpathogene aviaire influenza (HPAI) vermindert virusverspreiding, sterfte en het risico op uitbraken significant. Dat blijkt uit een meerjarige praktijkstudie van Wageningen Bioveterinary Research, GD, Wageningen University & Research en de faculteit Diergeneeskunde van de Universiteit Utrecht. De resultaten ondersteunen de plannen van het kabinet en de pluimveesector voor verplichte vaccinatie van leghennen.
In de studie werden vaccinaties met Vectormune® AI of met VAXXITEK HVT+IBD+H5 alleen, of VAXXITEK gevolgd door een boost met Volvac® B.E.S.T. AI + ND gedurende de volledige productiecyclus van leghennen onder praktijkomstandigheden geëvalueerd. Uniek aan het onderzoek is dat koppels op bedrijfsniveau langdurig zijn gevolgd en dat transmissieproeven werden uitgevoerd tot op 84 weken leeftijd.
De resultaten laten een zeer hoge bescherming tegen klinische verschijnselen en een duidelijke afname van virusoverdracht zien bij gevaccineerde koppels, met name wanneer hoge en uniforme antistofniveaus aanwezig waren. De kans op een uitbraak na introductie van HPAI daalde van circa 96 procent bij niet-gevaccineerde koppels naar circa 10 tot 30 procent bij gevaccineerde koppels, afhankelijk van de vaccinatiestrategie en toepassing van een boostervaccinatie. Het gebruik van een boostervaccinatie resulteerde in stabielere antistofniveaus gedurende de productieperiode. Daarnaast bleek vaccinatie veilig: er werden geen negatieve effecten vastgesteld op diergezondheid, welzijn, productieprestaties of voedselveiligheid.
De conclusie van het onderzoek is dat vaccinatie, in combinatie met structurele monitoring en strikte bioveiligheidsmaatregelen zoals die nu ook al gelden, een effectieve aanvullende strategie vormt voor duurzame beheersing van vogelgriep binnen de pluimveesector.
Mirthe de Wit MSc , dierenarts



De Veekijker: voor alle veterinaire vragen
Voor veterinaire vragen is de Veekijker rechtstreeks te bereiken op 088 20 25 555. Via een keuzemenu kiest u de diersoort waar u informatie over wilt hebben.
Voor de verschillende dier soorten gelden andere openingstijden:
Rund 08.30 – 17.00 uur
Rund uiergezondheid 15.00 – 17.00 uur
Kleine Herkauwers 15.00 – 17.00 uur
Varken 08.30 – 17.00 uur
Pluimvee 08.30 – 17.00 uur
Helpdesk Paard (alleen voor infectieuze aan doeningen) 15.00 – 17.00 uur
Mirthe de Wit MSc, dierenarts

Unieke veldproef, unieke ervaring
Op mijn eerste werkdag bij GD, in 2023, viel ik met mijn neus in de boter. Ik had de taak om het dossier vogelgriep op mij te gaan nemen. Onderdeel daarvan was de AI-vaccinatieveldproef. Het veldwerk was enkele dagen daarvoor van start gegaan. Een heel bijzondere en unieke proef. Door de praktijksetting en de duur, maar ook door de actualiteit.
Tijdens mijn studententijd zag ik voor het eerst vogelgriep. Dat weet ik nog als de dag van gisteren. Later maakte ik, als practicus en pluimveedierenarts bij GD, nog vele uitbraken van dichtbij mee. Je voelt en ziet wat het virus doet met dieren, de veehouder, de sector en de maatschappij. Dat motiveerde me enorm om aan deze veldproef mee te werken.
De positieve uitkomsten van de proef maakten dat we achter de schermen wel even een rondedansje hebben gemaakt om dat te vieren! Het is fijn dat de resultaten nu openbaar zijn. Want iedereen, ook internationaal, wilde weten wat er uit die veldproef van die Nederlanders zou komen.
Hopelijk gaan deze resultaten nu (inter)nationaal een handvat bieden in de strijd tegen het virus.
Brachygnathia inferior
Eind februari kreeg GD via de Veekijker het signaal binnen dat in twee begrazingskuddes een aantal afwijkende lammeren werd geboren.
Het klinisch beeld was gekenmerkt door craniofaciale afwijkingen, met name het beeld van brachygnathia inferior (verkorte onderkaak). Daarnaast werden incidenteel lammeren met centraal neurologische afwijkingen opgemerkt en een verhoogd percentage guste ooien of vroegembryonale sterfte gemeld. De meeste aangedane lammeren waren vitaal en levensvatbaar; bijkomende skeletale of neurologische afwijkingen werden beperkt gezien. Het beeld trad op bij meerdere rassen, bloedlijnen en bij zowel eigen gefokte als aangekochte dieren.
Het beeld van brachygnathia inferior is veel beschreven, maar de oorzaak blijkt in veel gevallen onbekend. Differentiaaldiagnostisch worden genetische factoren, intra-uteriene infecties (waaronder pestivirus/Border disease virus, Schmallenbergvirus en blauwtongvirus) en teratogene of nutritionele invloeden overwogen. In enkele gevallen waren aanwijzingen voor Toxoplasma gondii aanwezig, passend bij vruchtverlies, maar minder specifiek voor het beschreven craniofaciale patroon. Van beide bedrijven is uitgebreid onderzoek verricht op afwijkende lammeren, echter ontbreekt tot op heden een eenduidige etiologische verklaring en lijkt een multifactoriële achtergrond het meest waarschijnlijk. Een besmettelijke oorzaak lijkt op basis van onderzoek niet waarschijnlijk.
Communicatie over dit signaal heeft enkele nieuwe signalen opgeleverd van particuliere koppels en van een groter vermeerderingsbedrijf. Afgezien van de klinische verschijnselen komen de omstandigheden van bedrijfsvoering niet altijd overeen. Verdere onderzoeken van vergelijkbare casuïstiek blijven van belang om het beeld beter in kaart te brengen.
Nienke Snijders MSc , dierenarts
WNV-surveillance in paarden
Westnijlvirus (WNV) is een door muggen overgebracht virus. Bij de meeste besmette paarden is alleen sprake van lichte koorts, lusteloosheid en gebrek aan eetlust. Globaal 10 procent van de besmette paarden zal echter zenuwverschijnselen laten zien.
Na een decennialange opmars van WNV door Europa zijn in 2020 de eerste gevallen in muggen, vogels en mensen in Nederland vastgesteld. In 2025 zijn vervolgens de eerste autochtone infecties bij paarden in Nederland gediagnostiseerd. Daarom is besloten om ook dit jaar weer te proberen om eventuele WNV-circulatie zo vroeg mogelijk op te sporen. Hierbij kunnen paarden een belangrijke rol spelen, door middel van syndroomsurveillance bij paarden met neurologische verschijnselen.
U kunt hieraan bijdragen door gedurende het transmissieseizoen, tot en met november, van paarden met kliniek passend bij een infectieuze aandoening van het centrale zenuwstelsel een serum- en EDTA-bloedmonster in te sturen voor gratis onderzoek op antistoffen tegen WNV in het kader van uitsluitingsdiagnostiek. Deze diagnostiek wordt middels een ministeriele regeling gefinancierd. Dit onderzoek zal met instemming van de paardeneigenaar moeten gebeuren, aangezien WNV aangifteplichtig is en derhalve positieve resultaten aan de NVWA moeten worden doorgegeven. Positieve resultaten worden geconfirmeerd door WBVR of het RIVM. Het paard is echter een zogenaamde ‘dead-end host’, dus positieve bevindingen zullen géén gevolgen hebben voor de desbetreffende paarden en locaties waar de paarden gehouden worden.
Carlijn ter Bogt-Kappert MSc , projectleider
Overzicht antibioticumgevoeligheid 2025
GD ontvangt jaarlijks duizenden monsters van klinisch zieke of overleden dieren waaruit bacteriën worden gekweekt. Met gevoeligheidsbepalingen (MIC) bepalen we welke antibiotica effectief zijn, zodat u als practicus een onderbouwde therapiekeuze kunt maken voor bacteriële infecties.
Door langjarige monitoring worden trends in antimicrobiële resistentie inzichtelijk. Deze gegevens vormen belangrijke input voor de KNMvD-formularia (richtlijnen voor veelvoorkomende aandoeningen).
NAAR HET OVERZICHT VAN DE MEEST GEKWEEKTE BACTERIESOORTEN
Schijnlegsyndroom
Enkele keren per jaar wordt bij monitoringssecties schijnleg gediagnosticeerd. We beschrijven hier een casus van 27 weken oude leghennen waarbij de piekproductie bleef steken op 80 procent.
Hoewel de productie flink achterbleef op de norm, zag het koppel er volgens de begeleidend practicus gezond uit en hadden alle dieren goed ontwikkelde kammen. Op basis van uiterlijke kenmerken was het dus niet mogelijk om klinische representanten te selecteren voor pathologisch onderzoek. Voor het selecteren van geschikte dieren werden de dieren daarom twee dagen na elkaar via de cloaca opgevoeld op de aanwezigheid van een ei. Negen levende kippen waarbij twee dagen achter elkaar geen ei werd gevoeld, werden vervolgens ingestuurd naar GD voor pathologisch onderzoek.
De dieren verkeerden allemaal in normale conditie en hadden een actief ovarium. Drie van deze dieren vertoonden een cysteuze dilatatie van het oviduct, waarbij het buikvet zeer geel van kleur was. Dit past bij het schijnlegsyndroom waarbij de follikels het oviduct niet kunnen passeren en daardoor in het coeloom terechtkomen en geresorbeerd worden. De kleurstoffen uit de follikels hopen dan op in het buikvet dat daardoor geel verkleurt. De overige zes dieren hadden allemaal een normaal oviduct met een ei en met normaal gekleurd buikvet. Diagnose: drie van de negen geselecteerde hennen hebben schijnlegsyndroom.
Schijnlegsyndroom wordt veroorzaakt door een zeer vroege infectie met het infectieuze bronchitisvirus (IBV) tijdens de eerste twee levensweken. Ten gevolge van deze infectie wordt de aanleg van het oviduct beschadigd, zodat het zich op latere leeftijd niet goed zal ontwikkelen. De verdere ontwikkeling van de hennen zal gewoon blijven verlopen, inclusief ontwikkeling van het ovarium. Tijdens sectie kan schijnleg soms duidelijk zichtbaar zijn met uitgebreide cysteuze dilatatie van het oviduct, maar bij sommige dieren zal het nauwelijks zichtbaar zijn met enkel wat kleine onderbrekingen in het klierweefsel. Niet elk IB-virus is goed in staat schijnleg te veroorzaken. In Nederland voorkomende risicovolle IBV-varianten zijn onder andere D181 en D388, waarbij de laatste onder laboratoriumomstandigheden hogere percentages schijnleg veroorzaakt dan D181.
Ter preventie van schijnleg is het belangrijk dat jonge kuikens voldoende hoeveelheden maternale antistoffen meekrijgen vanuit de moederdieren. Voor D388 zijn commerciële vaccins beschikbaar, voor D181 niet. Vanuit bestaande commerciële vaccins is daarnaast geen hoge kruisbescherming op te wekken tegen deze variant.
Mirthe de Wit MSc , dierenarts
Strooiselonderzoek uitgebreid
De laatste jaren lijkt de rol van de omgevingsstreptokokken, waaronder Streptococcus uberis , toe te nemen. We zien dat bij de deelnemers van Mastitis Tankmelk het gemiddelde aantal omgevingsstreptokokken dat in de tankmelk gevonden wordt in de afgelopen vijf jaar is toegenomen. S. uberis wordt in tankmelk ook vaker in grote aantallen aangetroffen en daarnaast is het één van de meest voorkomende bacteriën die we kweken uit individuele melkmonsters.
Een infectie met S. uberis wordt meestal opgelopen vanuit de omgeving van de koe, bijvoorbeeld vanuit de ligboxen of de afkalfstal. Dit geldt ook voor andere omgevingsbacteriën als Klebsiella en Escherichia coli. In de jaren ‘70 en ‘80 werd in onderzoeken al een duidelijke relatie gevonden tussen het kiemgetal van coliformen in strooisel en incidentie van mastitis door E. coli. Recenter is ook de relatie met het aantal omgevingsstreptokokken in strooisel en verminderde uiergezondheid onderzocht. Canadees onderzoek laat zien dat meer omgevingsstreptokokken in strooisel leiden tot meer omgevingsstreptokokken op de speenpunt. Uit een onderzoek in Amerika en Australië bleek dat een hoog aantal omgevingsstreptokokken in strooisel een sterke relatie heeft met uierinfecties in het algemeen en uierinfecties met omgevingsstreptokokken in het bijzonder. Dankzij deze onderzoeken zijn er nu referentiewaarden beschikbaar voor lage tot hoge verontreiniging met omgevingsstreptokokken voor nieuw en gebruikt strooisel.
Sinds 1 mei is ons strooiselonderzoek uitgebreid met omgevingsstreptokokken (naast E. coli en Klebsiella). Het is mogelijk om zowel monsters vanuit de voorraad als vanuit de ligboxen in te sturen. Geef op het inzendformulier aan om welk type strooisel het gaat en of het vanuit de ligboxen of opslag afkomstig is. Meten is weten!
Heleen Kellij-Klunder MSc , dierenarts
Terugblik ESPHM 2026
Van 13 tot 15 mei werd in het Italiaanse Florence voor de zeventiende keer het European Symposium of Porcine Health Management (ESPHM) gehouden. Vanuit GD werden drie presentaties verzorgd.
Multi-farm outbreak of exophthalmos, erythema and alopecia in piglets
Deze presentatie van dr. Tijs Tobias betrof de uitbraak van exophthalmus, erythema en alopecia bij jonge biggen veroorzaakt door een variant van parvovirus, waarover GD in 2025 heeft gerapporteerd. In deze presentatie werd ingegaan op de klinische verschijnselen om de aanwezigen te informeren en bewust te maken van dit nieuwe ziektebeeld.
PCV3 in aborted and stillborn piglets
Dr. Sjoerd Klarenbeek presenteerde de resultaten van onderzoek naar PCV3 op verworpen vruchten die zijn ingestuurd voor pathologisch onderzoek. PCV3 werd in 12 van de 13 geïncludeerde casussen als enige verwekker aangetoond, vooral in de hartspier en het centraal zenuwstelsel. Het onderzoek sug -
Nieuws en mededelingen
Veterinair is een uitgave van Royal GD
Redactie: Marian Aalberts, Tara de Haan, Daphne de Leeuw, Mirthe de Wit, Sjoerd Klarenbeek, Annemieke Medema, Carolien Warnar
Eindredactie: Jessica Fiks
Vormgeving: Dock35 Media
Druk: Senefelder Misset Doetinchem B.V.
Uitgever: GD
Overname van artikelen is toegestaan na schriftelijke toestemming van GD.
ISSN 1388-4042
Postbus 9, 7400 AA Deventer
T. 088 20 25 500 www.gddiergezondheid.nl info@gddiergezondheid.nl
Alle genoemde tarieven zijn exclusief btw en basiskosten.
gereert een significante rol van PCV3 bij het veroorzaken van reproductieklachten op zeugenbedrijven.
Evaluation of oral fluid swab sampling for influenza A virus surveillance in outdoor-farmed pigs
In deze presentatie, van dr. Lucía Dieste Pérez, werd de diagnostische prestatie en praktische toepassing van individueel genomen speekselswabs voor de monitoring van influenza in buitengehouden varkens geëvalueerd. Hoewel de gevoeligheid van orale swabs iets lager was dan die van neusswabs, waren zowel de specificiteit als de gevoeligheid boven de 90 procent, waardoor ze een goed alternatief vormen voor het bemonsteren en testen van influenza bij varkens die buiten worden gehouden of in systemen waar fixatie of invasieve handelingen niet goed worden geaccepteerd. Op basis van deze resultaten zijn tussen 2024 en 2025 192 individuele en groepsspeeksel monsters verzameld van 21 boerderijen met buitengehouden varkens en getest op het influenza A-virus met behulp van PCR. In geen van de monsters werd het influenza A-virus gedetecteerd.
Jaarverslag monitoring 2025
In de nieuwe editie van het Jaarverslag Monitoring blikken we terug op het afgelopen jaar. We spreken onder andere met veterinair epidemioloog Emmanuel Garin over verschillen en overeenkomsten in diergezondheidsmonitoring in Frankrijk en Nederland, en het belang van internationale kennisuitwisseling. Met Maria Catania (NVWA) bespreken we het belang van hoogwaardige, gestandaardiseerde data en Europese samenwerking. Daarnaast beschrijven we trends en bijzonderheden bij landbouwhuisdieren en paarden, aangevuld met praktijkcasussen.
LEES HET JAARVERSLAG
Podcasts ‘Trends uit de monitoring’
In de serie ‘Trends uit de monitoring’ delen we opvallende zaken uit de diergezondheidsmonitoring in Nederland. In de Week van de Monitoring kwamen verschillende actuele thema’s aan bod: Newcastle disease, IBR, Chlamydia abortus, influenza bij varkens en paarden en luchtwegproblemen bij lammeren.
BELUISTER DE PODCASTS
Worminfecties Tankmelk
In de maand juli besteden we extra aandacht aan worminfecties bij rundvee. We brengen in deze campagne Worminfecties Tankmelk onder de aandacht. Met dit tankmelkabonnement krijgen melkveehouders inzicht in de antistoffen en weerstand van hun melkvee tegen worminfecties. Op basis van de uitslagen kunnen ze zo nodig tijdens dit weideseizoen nog bijsturen, maar ook alvast vooruitkijken naar volgend seizoen. Zo kunnen ze gerichter (be)handelen, onnodige behandelingen voorkomen en waar nodig het weidemanagement aanpassen. Goed voor de veehouder, én voor de koe. Wijs veehouders voor wie dit relevant is op de tijdelijke zomeractie en de aanmelddeadline van 31 juli. Zo krijgen ze de kans om nog dit seizoen beter onderbouwde keuzes te maken voor een optimale diergezondheid.