Skip to main content

Veekijkernieuws rund juni 2026

Page 1


H5N1-infecties bij runderen in Nederland

In januari 2026 zijn op een melkveebedrijf in Noordoost-Friesland bij vijf koeien antistoffen tegen het Influenza A-virus subtype H5N1 vastgesteld. Dit was de eerste bevestigde HPAI-infectie bij runderen buiten de Verenigde Staten, waar sinds 2024 een grote uitbraak onder melkvee plaatsvindt. De ontdekking volgde op een melding van twee zieke katten op het bedrijf in december 2025. Eén kat testte positief op H5N1 en overleed kort daarna; de andere herstelde en testte negatief.

Naar aanleiding hiervan bezochten experts van de NVWA, GD en de bedrijfsdierenarts het bedrijf op 15 januari. Er werden twintig runderen en een tankmelkmonster onderzocht. Tijdens het bezoek vertoonde geen enkel rund symptomen die passen bij een H5N1-infectie. Bij één koe, die eerder behandeld was voor klinische mastitis, werden antistoffen tegen H5N1 gevonden. In geen van de melk- of bloedmonsters

In de sectiezaal werd een rund aangeboden waarbij uitgebreid trauma in het halsgebied werd vastgesteld. Jaarlijks worden ongeveer tien van deze gevallen gezien. De anamnese van deze dieren varieert sterk en omvat onder meer plotselinge sterfte, chronisch conditieverlies, respiratoire klachten en slikproblemen.

Bij uitwendig onderzoek wordt regelmatig een zwelling in het kop- of halsgebied waargenomen, soms in combinatie met een necrotiserende (flegmoneuze) ontsteking. Bij nader onderzoek worden in meerdere gevallen traumatische afwijkingen vastgesteld aan de mondholte, larynx of oesophagus, waaronder ulceraties en perforaties. In een deel van de gevallen breidt de weefselschade zich uit naar de

werd echter actief virus aangetoond. Later aanvullend onderzoek wees uit dat nog vier runderen antistoffen hadden. Op 22 januari volgde een tweede bedrijfsbezoek waarbij alle runderen werden bemonsterd. Ook toen werd geen virus gevonden. Andere dieren op het bedrijf, zoals honden, katten en paarden, vertoonden geen ziekteverschijnselen. Personen die in contact waren geweest met de koeien testten eveneens negatief.

Volgens de Nederlandse basismonitoring zijn er tot nu toe geen aanwijzingen voor verdere verspreiding van H5N1 onder runderen in Nederland. In de Verenigde Staten waren medio april 2026 inmiddels 1.093 besmettingen in negentien staten bevestigd. Het onderzoek naar deze Nederlandse casus loopt nog.

Zie ook onze dossierpagina Vogelgriep voor de meest actuele informatie: www.gddiergezondheid.nl/Vogelgriep

Trauma door bolussen

halsspieren, waar holtevorming met voederresten en incidenteel resten van bolussen worden aangetroffen. Trauma als gevolg van onjuist gebruik van een bolusof pillenschieter, of letsel veroorzaakt tijdens drenchen, staat in deze gevallen hoog in de differentiaaldiagnose. Het letsel kan ontstaan wanneer dieren onvoldoende worden gefixeerd tijdens de toediening of wanneer een onjuist formaat pillenschieter wordt gebruikt.

Hoewel er geen aanwijzingen zijn voor een toename van het aantal incidenten met bolustrauma, illustreren deze gevallen dat onjuist toegediende bolussen of een onjuiste manier van drenchen ernstige gevolgen kunnen hebben en in sommige gevallen tot sterfte leiden.

Via VeekijkerNieuws houden wij u elk kwartaal op de hoogte van nieuws uit de monitoring van diergezondheid bij rundvee. Mocht er tussendoor iets belangrijks spelen dan sturen wij u daarover een bericht.

Aanmelden

sectiemateriaal

U kunt dieren 24 uur per dag, 7 dagen per week aanmelden voor pathologisch onderzoek via www.gddiergezondheid.nl/ophaaldienst of 088 20 25 500. Wij halen dieren die ’s avonds voor 22.00 uur zijn aangemeld de eerstvolgende werkdag op. Voor een optimaal onderzoek is het belangrijk om een volledige anamnese toe te voegen. Ook is het van belang vers materiaal in te sturen (koelen in warme tijden en bij strenge vorst op een droge afgeschermde plek binnen plaatsen) en een dier te selecteren dat representant is van het probleem.

Rode neuzen bij kalveren

In februari werd de Veekijker geraadpleegd over een melkveebedrijf waar meerdere kalveren kort na een normale geboorte een rode, soms gezwollen neus ontwikkelden. De dieren wilden niet drinken, hadden geen zuigreflex en konden niet staan. Eén kalf was al geëuthanaseerd. Aanvankelijk werd gedacht aan ‘domme kalveren’ zoals eerder gezien bij blauwtongvirusinfecties (BTV). Deze diagnose was echter onwaarschijnlijk omdat de dieren tegen BTV waren gevaccineerd en er tijdens de drachtperiode geen aanwijzingen waren voor circulatie van BTV in Nederland.

Omdat eerder een vergelijkbaar geval was gemeld, werd geadviseerd een kalf voor sectie in te sturen.

Onderzoek toonde erosies en oppervlakkige necrose van de neusspiegel aan, evenals een ernstige Escherichia coli-infectie met polyserositis. Hierbij waren onder andere de hersenvliezen, gewrichten en het hartzakje aangetast. Deze infectie verklaarde de neurologische verschijnselen, het niet willen drinken en de rode neus. Hoewel bij een dergelijke infectie normaal gesproken koorts optreedt, bleef dit symptoom

waarschijnlijk uit door het snelle verloop van de ziekte. Verder onderzoek op het bedrijf liet zien dat de droge koeien onvoldoende energie en eiwit kregen en dat de kwaliteit van de biest onvoldoende was. Hierdoor waren de kalveren waarschijnlijk extra gevoelig voor neonatale E. coli-infecties. Adviezen richtten zich op het verbeteren van biestkwaliteit via optimalisatie van de voeding van hoogdrachtige koeien en het aanscherpen van de hygiëne rondom het pasgeboren kalf.

Figuur 1. Trauma door bolus (Bron: GD-Pathologie)

Demodex-infectie bij rund

Bij de Veekijker werd een koe gemeld met jeuk en kale plekken op kop en hals, gecombineerd met een sterke daling van de melkproductie. De dierenarts vermoedde aanvankelijk schurft veroorzaakt door Sarcoptes-mijten en nam een huidafkrabsel. Onderzoek toonde echter een infectie met Demodex bovis aan. De dierenarts vroeg vervolgens

advies over behandeling en mogelijke besmettingsroutes. Demodicose wordt veroorzaakt door Demodex-mijten. Deze mijt leeft bij vrijwel alle zoogdieren in de talgklieren en is zeer gastheer-specifiek. Besmetting via andere diersoorten is daarom onwaarschijnlijk. Alleen dieren met een verminderde weerstand ontwikkelen

doorgaans klinische klachten. In deze melkveekoppel was slechts één koe aangedaan. Op advies van de Veekijker werd het dier behandeld en tijdelijk apart gehouden van de rest van de koppel. Uiteindelijk herstelde de koe volledig.

Figuur 2. Rund met Demodex
Figuur 3. Rund met Demodex, hersteld na behandeling

Aantal IBR-besmettingen blijft hoog

Het aantal ingestuurde monsters voor bevestiging van een IBR-verdenking ligt in het eerste kwartaal van dit jaar duidelijk hoger dan in dezelfde periode vorig jaar en is ook toegenomen ten opzichte van het najaar van 2025. Ook zien we een stijging in het percentage bedrijven waar het IBR-virus daadwerkelijk wordt

aangetoond. Opvallend is dat ongeveer de helft van deze bedrijven een IBRvrijstatus had. Dit bevestigt dat IBR nog steeds actief circuleert in Nederland en dat alertheid en tijdige diagnostiek belangrijk blijven. Voor de meest actuele informatie zie onze website: www. gddiergezondheid.nl/update-IBR-juni2026

Data-analyse uitgelicht

Impact van BTV-3 op vruchtbaarheid van melkkoeien in 2024 en effect van vaccinatie

De uitbraak van het blauwtongvirus (BTV-3) in 2023 en 2024 leidde tot veel zieke dieren en ook tot duidelijke vruchtbaarheidsproblemen bij melkkoeien. In het huidige verdiepingsonderzoek is deze impact gekwantificeerd en is het effect

van vaccinatie onderzocht. Hiervoor zijn gegevens gebruikt vanuit de diergezondheidsmonitoring aangevuld met de resultaten van de BTV-3-tankmelkantistof van het voorjaar van 2024.

De resultaten lieten zien dat de BTV3epidemie van 2024 een negatieve impact had op de vruchtbaarheid van melkkoeien. Dat bleek uit hogere

Percentage vroeggeboorten

2022m5 2022m9 2023m1 2023m5 2023m9 2024m1 2024m5 2024m9 2025m1 2025m5 2025m9 2026m1 maand

Niet aangetoond, niet gevaccineerd Niet aangetoond, tijdig gevaccineerd Laag positief, niet gevaccineerd Laag positief, tijdig gevaccineerd Hoog positief, niet gevaccineerd Hoog positief, tijdig gevaccineerd

Figuur 4. Gemiddelde percentage vroeggeboorten in de periode januari 2022 tot en met december 2025 op melkveebedrijven, uitgesplitst naar BTV-3 tankmelk antistoffen niveau in het voorjaar van 2024 en naar BTV-3 vaccinatiestatus in 2024.

Volledige vaccinatie van de melkveekoppel in 2024 kon een deel van deze negatieve effecten beperken en was geassocieerd met een verminderde impact op het percentage verwerpers, vroeggeboorten en sterfte van niet-geoormerkte kalveren. Ook een natuurlijk hoge BTV3-antistofprevalentie bleek een beschermend effect te hebben op deze kengetallen, waarbij de combinatie van natuurlijke immuniteit en volledige vaccinatie de hoogste bescherming bood.

De impact van BTV-3 op de andere vruchtbaarheidskengetallen bleef beperkt. Zo nam het aantal inseminaties per geïnsemineerde koe slechts beperkt toe. Op melkveebedrijven waar de BTV-3infectie in 2023 beperkt bleef, werd een licht hogere ALVA (tot maximaal +7 dagen) en langere tussenkalftijd (tot maximaal +8 dagen) in 2025 waargenomen. Het effect van vaccinatie op deze kengetallen was dan ook beperkt. Wel ondervonden bedrijven met een natuurlijk hoge

of scan de QR-code voor een verdiepende podcast over de IBR-uitbraken met aandachtspunten voor in de praktijk.

afkalfleeftijden bij vaarzen (ALVA), langere tussenkalftijden, meer inseminaties, een lager non-return percentage binnen 56 dagen (NR56) en een toename van verwerpers, vroeggeboorten en niet-geoormerkte kalversterfte. Zo was bijvoorbeeld te zien dat het percentage vroeggeboorten bijna verdrievoudigde in de periode dat BTV-3 spreidde (figuur 4).

BTV3-antistofprevalentie in het voorjaar van 2024 duidelijk minder nadelige effecten van een BTV3-infectie op deze kengetallen.

Geconcludeerd kan worden dat de BTV-3epidemie in 2024 geassocieerd was met een tijdelijk verminderde vruchtbaarheid. Zowel natuurlijke afweer als vaccinatie beperkten de impact van een BTV3infectie op de vruchtbaarheid.

Rundveegezondheid in Nederland, eerste kwartaal 2026

DIERZIEKTEN

SITUATIE NEDERLAND

Categorie (AHR)

Resultaat monitoring eerste kwartaal 2026

Uitvoeringsverordening (EU) 2018/1882 van Animal Health Regulation (AHR) 2016/429 (Categorie A-ziekte)

Lumpy Skin Disease (LSD) Virusinfectie. Nederland officieel vrij.

A, D, E Nog nooit infecties vastgesteld in Nederland. Uitbraken in Frankrijk en Spanje. Mond-en-klauwzeer (MKZ) Virusinfectie. Nederland officieel vrij sinds 2001.

A, D, E Geen infecties vastgesteld in Nederland. Uitbraak in Turkije breidt zich uit naar Cyprus en Griekenland.

Uitvoeringsverordening (EU) 2018/1882 van Animal Health Regulation (AHR) 2016/429 (Categorie B tot en met E)

Blauwtong (BT) Virusinfectie. Blauwtongserotype 3 uitbraak Nederland sinds september 2023. Ook enkele gevallen BTV-12.

Bovine genitale campylobacteriose Bacterie. Nederland vrij sinds 2009. Bewaking van KI- en embryostations en bij dieren voor export.

Bovine Virus Diarree (BVD) Virusinfectie. Bestrijding op melkveebedrijven verplicht vanuit zuivelonderneming, op vleesveebedrijven vrijwillig.

D, E Geen nieuwe besmettingen vastgesteld in Nederland.

D, E Campylobacter fetus spp. veneralis niet aangetoond.

C, D, E 91,8 procent van de melkveebedrijven heeft BVD-vrijstatus of BVD-onverdachtstatus.*

24,5 procent van alle niet-melkleverende bedrijven heeft een gunstige status (vrij of onverdacht).

*BVD-status bepaald aan de hand van GD-programma Brucellose Bacterie. Zoönose.

Nederland officieel vrij sinds 1999. Bewaking via antistoffenonderzoek in bloedmonsters van verwerpers.

Enzoötische bovine leucose Virusinfectie.

Nederland officieel vrij sinds 1999. Bewaking via antistoffenonderzoek in bloedmonsters van slachtrunderen en in tankmelk.

Epizootic Hemorrhagic Disease (EHD)

Virusinfectie.

Sinds 2022 vastgesteld bij rundvee in Europa (Spanje, Italië, Portugal en Frankrijk).

Infectieuze Bovine Rhinotracheïtis (IBR) Virusinfectie.

Bestrijding op melkveebedrijven verplicht vanuit zuivelonderneming, op vleesveebedrijven vrijwillig.

B, D, E Geen infecties vastgesteld.

C, D, E Geen infecties vastgesteld.

D, E Geen infecties vastgesteld.

C, D, E 84,7 procent van de melkveebedrijven heeft IBR-vrijstatus of IBR-onverdachtstatus.*

22,3 procent van alle niet-melkleverende bedrijven had een gunstige status (vrij of onverdacht).

*BVD-status bepaald aan de hand van GD-programma Miltvuur (zoönose, infectie via diercontact)

Paratuberculose

Bacterie. Zoönose.

In Nederland niet aangetoond sinds 1994. Bewaking via bloed-uitstrijkjes van plotseling gestorven runderen.

Bacterie.

In Nederland bestrijding op melkveebedrijven verplicht vanuit zuivelonderneming, op vleesveebedrijven vrijwillig.

D, E Geen infecties vastgesteld.

E 84,2 procent van de melkveebedrijven heeft een gunstige PPN/IPP-status (A/6 of hoger).*

14,0 procent van alle niet-melkleverende bedrijven heeft een gunstige PPN/ IPP-status (A/6 of hoger).

*Paratuberculose-status bepaald aan de hand van GD-programma.

DIERZIEKTEN SITUATIE NEDERLAND

Categorie (AHR)

Resultaat monitoring eerste kwartaal 2026

Uitvoeringsverordening (EU) 2018/1882 van Animal Health Regulation (AHR) 2016/429 (Categorie B tot en met E) Rabiës (hondsdolheid) Virusinfectie. Zoönose.

Nederland officieel vrij sinds 2012.

Rundertuberculose (TBC) Bacterie. Zoönose.

Nederland officieel vrij sinds 1999. Bewaking via slachtrunderen.

Trichomonas Protozoa.

Nederland vrij sinds 2009. Bewaking van KI- en embryostations en bij dieren voor export.

Q-koorts Bacterie. Zoönose.

In Nederland bij rund andere stam dan op geitenbedrijven en relatie met ziektegevallen bij mens niet vastgesteld. Vanaf eerste kwartaal 2023 weer standaard onderdeel van verwerpers sectieprotocol.

B, D, E Geen infecties vastgesteld.

B, D, E Geen infecties aangetoond.

Vervolg tabel

C, D, E Tritrichomonas foetus niet aangetoond.

E Geen infectie aangetoond bij ingezonden verworpen vruchten.

Artikel 3a.1 Melding zoönosen en ziekteverschijnselen ‘Regeling Houders van Dieren’ van Wet Dieren Leptospirose Bacterie. Zoönose. Bestrijding op melkveebedrijven verplicht vanuit zuivelonderneming, op vleesveebedrijven vrijwillig.

- 98,3 procent van de melkveebedrijven heeft leptospirosestatus ‘vrij’.*

29,7 procent van alle niet-melkleverende bedrijven heeft leptospirosestatus ‘vrij’. Twee nieuwe besmettingen bij melkveebedrijven.

*Leptospirose-status bepaald aan de hand van GD-programma.

Listeriose Bacterie. Zoönose. Besmetting incidenteel bij rundvee aangetoond.

Salmonellose

Bacterie. Zoönose. Bestrijding op melkveebedrijven verplicht vanuit zuivelonderneming, op vleesveebedrijven vrijwillig.

Yersiniose Bacterie. Zoönose.

Besmetting incidenteel aangetoond bij rundvee.

Verordening (EG) nr. 999/2001

Bovine Spongiforme Encephalopathie (BSE) Prion-infectie.

WOAH-status Nederland: ‘verwaarloosbaar risico’. Sinds 2010 bij bewaking geen gevallen van klassieke BSE meer vastgesteld (tussen 1997–2009 totaal 88 gevallen).

- Twee infecties aangetoond bij ter sectie aangeboden runderen.

- 97,8 procent van de melkveebedrijven heeft een gunstige tankmelk uitslag (landelijk programma Qlip).

- Zes Yersinia spp.-infecties aangetoond.

- Geen infecties vastgesteld. >>

Royal GD

Arnsbergstraat 7

Postbus 9, 7400 AA Deventer

DIERZIEKTEN

T. 088 20 25 500

info@gddiergezondheid.nl www.gddiergezondheid.nl

SITUATIE NEDERLAND

Overige infectieuze aandoeningen bij rundvee

Boosaardige Catarraal Koorts (BCK) Virusinfectie.

In Nederland komen infecties incidenteel voor.

Leverbot Parasiet.

Leverbot komt algemeen voor in Nederland, vooral in waterrijke/natte gebieden.

Neosporose Parasiet.

In Nederland een belangrijke infectieuze oorzaak van verwerpen.

Categorie (AHR)

Tekenziekten: Anaplasma phagocytophilum

Teken besmet met Babesia divergens, Anaplasma phagocytophilum en Mycoplasma wenyonii komen voor in Nederland.

Enkel voor Anaplasma phagocytophilum PCR beschikbaar.

Resultaat monitoring eerste kwartaal 2026

- Eén infectie vastgesteld bij sectie.

- Op 34 bedrijven infecties vastgesteld en vier keer bij ter sectie aangeboden runderen.

- Niet aangetoond in ingezonden verworpen vruchten.

- Geen monsters ingestuurd voor onderzoek. Geen infecties vastgesteld.

Monitoring Diergezondheid

Sinds 2002 voert Royal GD de diergezondheidsmonitoring in Nederland uit in nauwe samenwerking met onder andere de diersectoren, het bedrijfsleven, het ministerie van LVVN, dierenartsen en veehouders. De informatie die in de monitoring wordt gebruikt, wordt op verschillende manieren verzameld waarbij het initiatief gedeeltelijk bij dierenartsen en veehouders en gedeeltelijk bij Royal GD ligt. De informatie wordt integraal geïnterpreteerd om de doelstellingen van de monitoring, het snel signaleren van diergezondheidsproblemen enerzijds en het volgen van trends en ontwikkelingen anderzijds, te bereiken. Samen werken we aan diergezondheid in belang van dier, dierhouder en samenleving.

Vervolg tabel

Turn static files into dynamic content formats.

Create a flipbook
Veekijkernieuws rund juni 2026 by Royal GD - Issuu