Lumpy Skin Disease (LSD) uitbraken in Europa
Servicios Veterinarios Oficiales (SVO) de la Generalitat de Catalunya han confirmado nuevo foco de la Dermatosis Nodular Contagiosa (DNC) en la provincia de Gerona, en proximidades de la frontera con Francia. Con éste, son 18 el total de focos notificados hasta el momento, el último de los cuales se había comunicado el pasado 24 de octubre. nuevo foco no supone un aumento de la zona de restricción establecida desde los primeros focos notificados en Gerona.
foco se localiza en una explotación en régimen extensivo, con pastos de uso individual y censo de 106 bovinos en la comarca Alt Empordà, en la provincia de Gerona. La vacunación de la granja tuvo lugar el pasado mes de octubre, si bien, debido a la dificultad manejo de este tipo de animales no se consiguió vacunar a la totalidad del censo, resultando 4 de los animales no vacunados positivos a la cepa de campo del virus de la mediante PCR realizado en el Laboratorio Nacional de Referencia en Algete.
Op 21 juni 2025 werd in Italië een eerste geval van LSD vastgesteld, waarna op 29 juni ook de eerste besmetting met LSD in Frankrijk werd gediagnosticeerd. In beide landen zijn zowel in het derde als het vierde kwartaal van 2025 nieuwe besmettingen vastgesteld. Aan het einde van het vierde kwartaal zijn in Frankrijk in totaal 115 besmettingen in elf departementen vastgesteld. In Italië zijn in totaal tachtig besmettingen vastgesteld, waarvan slechts één op het vasteland in Lombardije. De overige besmettingen betreffen Sardinië. Op 1 oktober 2025 werd een eerste
geval van LSD gedetecteerd in Spanje, vlak bij de grens met Frankrijk in de kuststreek (Gérone). Gedurende het vierde kwartaal werden in Spanje besmettingen bij zeventien bedrijven vastgesteld, de laatste vaststelling dateert van 22 oktober 2025. Zowel Frankrijk als Italië hebben de Europees verplichte maatregelen genomen: dieren zijn geruimd en er zijn verschillende reguleringszones ingesteld (bron: WAHIS, BSHVI-SA). In figuur 1 is het aantal LSD-besmettingen in Europa en de ziektestatus van verschillende Europese landen weergegeven op een kaart.
los 18 focos de DNC en Cataluña a fecha 07/01/2025 y ZR que se adoptará en España a partir del 09/01/2025
Figuur 1. Links: LSD-besmettingen in Spanje en Frankrijk, met de verschillende ingestelde zones tot en met 30-12-2025. Rechts: LSD-besmettingen in Europa van tot en met 04-01-2025, met in oranje de besmettingen ouder dan 4 weken, en donkerrood de besmettingen in de meest recente 4 weken (bronnen: Ministerio De Agricultura, Peca y Alimentación, geconsulteerd op 07-01-2026, BHVSI-SA du 06/01/2026)
C/ Almagro 33 28010 MADRID TEL: 913478295 FAX: 913478299
Meer informatie over Lumpy Skin Disease: www.gddiergezondheid.nl/Lumpy-skin-disease
Via VeekijkerNieuws houden wij u elk kwartaal op de hoogte van nieuws uit de monitoring van diergezondheid bij rundvee. Mocht er tussendoor iets belangrijks spelen dan sturen wij u daarover een bericht.
Aanmelden
sectiemateriaal
U kunt dieren 24 uur per dag, 7 dagen per week aanmelden voor pathologisch onderzoek via www.gddiergezondheid.nl/ophaaldienst of 088 20 25 500. Wij halen dieren die ’s avonds voor 22.00 uur zijn aangemeld de eerstvolgende werkdag op. Voor een optimaal onderzoek is het belangrijk om een volledige anamnese toe te voegen. Ook is het van belang vers materiaal in te sturen (koelen in warme tijden en bij strenge vorst op een droge afgeschermde plek binnen plaatsen) en een dier te selecteren dat representant is van het probleem.
Mapa 1. Localización de
Eikelintoxicaties
In oktober 2025 werd de Veekijker meermalen gebeld met vragen over eikelintoxicatie of casussen waarbij de waargenomen klinische verschijnselen aanleiding gaven tot een verdenking van eikelvergiftiging. Vaak ging het om ouder jongvee wat in natuurgebied of in percelen met eikenbomen werd geweid. De getroffen pinken waren sloom, zonderden zich af van de koppel en hadden onvoldoende pensvulling. Andere waargenomen symptomen waren: neusuitvloei ïng (soms wat bloederig), koliek, diarree (eventueel met bloedbijmenging), versnelde ademhaling, oedeem en een lage lichaamstemperatuur. In sommige gevallen werden de dieren dood aangetroffen zonder eerst tekenen van ziekte te hebben getoond.
Vanaf eind augustus is bij zes runderen die voor pathologisch onderzoek zijn ingestuurd
Luizen bij melkvee
In november werd bij de Veekijker melding gemaakt van een melkveebedrijf dat al jarenlang last had van luizen bij de melkkoeien. Het probleem keerde elk jaar terug na het opstallen voor de winterperiode. Vrijwel alle dieren in het koppel hadden luizen, en enkele dieren waren zeer ernstig besmet. Dit leidde tot onrustig gedrag en een melkproductiedaling. Individuele behandelingen hadden tot nu toe onvoldoende resultaat. Luizen zijn kleine, diersoortspecifieke ectoparasieten die op het huidoppervlak leven. Ze bevinden zich bij voorkeur op de plaatsen van het lichaam die het warmste zijn, zoals aan de basis van de oren en tussen de schouderbladen. Er zijn bijtende en bloedzuigende luizen (zie figuur 2).

de diagnose ‘verdacht van intoxicatie door eikels’ gesteld. Er is wel sprake van overlap tussen de Veekijkercontactmomenten over mogelijke eikelintoxicatie en de casuïstiek van intoxicaties door andere, niet nader bepaalde planten (zie hieronder). De diagnose is gesteld op basis van het aantreffen van eikels in het maagdarmkanaal, in combinatie met tubulonefrose en bloedingen en/of ulcera in het spijsverteringskanaal. Deze verschijnselen worden veroorzaakt door de stof tannine, met name aanwezig in groene en in mindere mate ook in bruine eikels en bruin eikenblad. Tanninen zijn looistoffen, die na opname een irriterende werking kunnen hebben in het maagdarmkanaal, met schade aan de mucosa van het spijsverteringsstelsel tot gevolg. De nierschade wordt veroorzaakt door binding van de gifstoffen aan eiwitten, die neerslaan en de nieren ‘verstoppen’. Deze schade is grotendeels
blijvend en er is geen specifieke behandeling mogelijk. Het najaar van 2025 werd een ‘mastjaar’ voor eikenbomen genoemd, dat is een jaar met specifieke weersomstandigheden waarbij eikenbomen veel eikels produceren en vroeg laten vallen. Stormachtig weer kan bovendien leiden tot extra val van onrijpe groene eikels en blad, die kunnen worden opgegeten.
De Veekijker heeft geadviseerd zieke dieren ondersteunend te behandelen met onder andere infusen, en te zorgen dat de andere dieren niet bij de eikels kunnen (opstallen) en beschikken over goed en smakelijk ruwvoer. Bovendien heeft de Veekijker, via onder andere de Whatsapp-groep voor dierenartsen en over de verschillende sectoren heen, opgeroepen tot extra alertheid op vergiftingsverschijnselen ten gevolge van eikels of eikenblad.
De eerste categorie voedt zich met onder andere huidschilfers, de tweede categorie met bloed. Een besmetting met luizen wordt regelmatig gezien, voornamelijk bij jonge dieren en dieren met een verminderde weerstand. Over het algemeen zorgt een milde luizeninfestatie voor weinig problemen. Het veroorzaakt zelden een koppelprobleem bij volwassen melkvee, wat deze casus uitzonderlijk maakt.
De Veekijker heeft geadviseerd om allereerst aanvullende diagnostiek uit te voeren, om vast te kunnen stellen of de dieren bijtende of zuigende luizen hebben. Afhankelijk van de categorie, kan vervolgens met een passend
middel een koppelbehandeling worden uitgevoerd. Daarnaast is het verstandig om de weerstand van het melkveekoppel te controleren en te optimaliseren. De aanwezige borstels dienen vervangen te worden. Bij aanvoer van dieren dienen deze eerst in quarantaine geplaatst en behandeld te worden, voor de dieren in het koppel te introduceren. Aangezien luizen slechts kortdurend in de omgeving kunnen overleven, is een behandeling van de stalomgeving niet noodzakelijk. De dierenarts voerde een koppelbehandeling uit en deze is na veertien dagen herhaald. Dit had een positief effect en het probleem lijkt voor nu onder controle.
Figuur 2. Microscopische beelden van een bijtende luis (links) en een stekende luis (rechts) bij het rund (bron:
Erosies slokdarm en nierschade met
Vanaf begin oktober kwamen bij GD meerdere dieren (jonger dan 2 jaar) binnen voor pathologisch onderzoek, waarbij erosies van de mond en slokdarm werden waargenomen in combinatie met nierschade met de aanwezigheid van oxalaatkristallen. Gezien het hogere aantal inzendingen met deze bevindingen is besloten nader onderzoek te doen en is de Begeleidingscommissie Rund geïnformeerd. Ook voerde de Veekijker Rund, in het kader van de dierziektemonitoring, bedrijfsbezoeken uit en zette aanvullende onderzoeken in.
De dieren waren afkomstig uit verschillende regio’s in het land en werden, op een enkele casus na, volledig geweid bij de start van de symptomen. De eerste verschijnselen die werden waargenomen waren waterige tot zwarte diarree, vermagering, slome dieren en/of acute sterfte waarbij jongvee dood aangetroffen werd in de weide. Het aantal zieke of gestorven dieren varieerde per bedrijf, gaande van enkele tot een tiental dieren. De meeste veehouders hebben naar aanleiding van de eerste zieke of gestorven dieren alle dieren opgestald, waarna er geen nieuwe dieren ziek zijn geworden. Er zijn na opstallen nog wel dieren die al ziek waren,
oxalaatkristallen
gestorven of geëuthanaseerd wegens onvoldoende of geen reactie op de ingestelde (symptomatische) therapie.
De waargenomen verschijnselen zijn aspecifiek en kunnen zowel door infectieuze (bijvoorbeeld virale aandoeningen) als niet-infectieuze oorzaken (bijvoorbeeld vergiftigingen) ontstaan. Door de grote schaal en de verspreiding door heel Nederland is besloten om eerst bekende en eventuele onbekende mogelijke infectieuze oorzaken te onderzoeken. Bekende infectieuze aandoeningen (BVD, BTV, BCK) zijn bij alle geïncludeerde dieren uitgesloten. Bij een deel van de ingezonden dieren zijn bovendien pathogen discovery-technieken ingezet om eventuele onbekende pathogenen te kunnen vaststellen. Er zijn hierbij geen pathogenen vastgesteld die een oorzaak zouden kunnen zijn voor de waargenomen kliniek en laesies. Een infectieuze oorzaak is hierdoor bij deze overkoepelende casuïstiek zeer onwaarschijnlijk. Een andere gemeenschappelijke bron is ook niet vastgesteld, de meeste dieren werden niet bijgevoerd en waren niet of al maanden geleden (preventief) behandeld. Op basis van alle bovenstaande bevindingen
en de informatie op de inzendformulieren van de ingestuurde dieren, werd gedacht aan een intoxicatie met planten of plantendelen op of rond het perceel waar de dieren werden gehouden. Alhoewel op meerdere locaties eikels of eikenbomen aanwezig waren, sloten de bevindingen bij pathologisch onderzoek niet volledig aan bij een intoxicatie door eikels. Opvallend was de aanwezigheid van oxalaatkristallen in de nieren van de onderzochte dieren. Er zijn in Nederland verschillende plantensoorten aanwezig die aanleiding kunnen geven tot oxalaatkristallen in de nieren. Aangezien deze planten niet nieuw zijn in Nederland, is de stijging in de waargenomen verschijnselen opvallend en ligt hier mogelijk een andere factor aan ten grondslag. In 2022 zijn ook verschillende jonge dieren gestorven op de weide, met schade van de slokdarm en nieren, waarna een pilot is uitgevoerd. In het licht van de recente casuïstiek zijn de secties van deze dieren opnieuw bekeken. Hieruit blijken de casussen erg vergelijkbaar. Er wordt om die reden een pilot opgestart om meer inzicht te krijgen in mogelijk oorzaken met betrekking tot planten en een eventuele variatie in giftigheid.
Data-analyse uitgelicht: het verband tussen melkproductie en sterfte op melkveebedrijven
Binnen de Data-analyse van de Diergezondheidsmonitoring Rund, wordt elk kwartaal een groot aantal kengetallen geanalyseerd, die wat zeggen over de gezondheid van runderen. De trends en ontwikkelingen in het verloop van deze kengetallen worden elk kwartaal gepresenteerd. De samenhang tussen de kengetallen en onderliggende bedrijfskenmerken worden af en toe in meer detail toegelicht. Dit kwartaal lichten we de samenhang tussen specifieke bedrijfskenmerken en rundersterfte in verschillende leeftijdscategorieën uit. Bedrijfskenmerken die hierin zijn meegenomen zijn onder andere het aanvoerbeleid, melkproductieniveau, bedrijfsgrootte, locatie in het land (provincie), vervangingsgraad, melk- en vleesprijzen en ook de diergezondheidsstatus voor BVD, IBR, salmonella en paratuberculose. Daarnaast
worden ook factoren als het seizoen en de trend in de tijd meegenomen. De associatie tussen de bedrijfskenmerken en de sterftecijfers wordt weergegeven met behulp van incidentieratio’s. Een incidentieratio boven de één betekent dat een kenmerk geassocieerd is met een hoger risico op sterfte (dit wordt rood weergegeven in de tabel). Een incidentieratio onder de één betekent dat een kenmerk geassocieerd is met een lager risico op sterfte (dit wordt groen weergegeven in de tabel).
Uit de analyse blijkt dat bedrijven met gemiddeld een lagere melkproductie, een hogere sterfte hebben, terwijl bedrijven met een hogere melkproductie een lagere sterfte hebben. Dit patroon is zichtbaar bij alle leeftijdscategorieën. De sterkte van het verband verschilt per leeftijdsgroep. Bij de
oudere kalveren is deze het sterkst. Zo is de sterfte bij kalveren in de leeftijd van 56 dagen tot en met 1 jaar anderhalf keer zo hoog op de 10 procent laagst producerende bedrijven, in vergelijking met het Nederlandse gemiddelde. De sterfte van deze leeftijdsgroep kalveren is 1,3 keer lager (correspondeert met een ratio van 0,73) op de 10 procent hoogst producerende bedrijven. Bij runderen ouder dan 1 jaar is het verband tussen melkproductieniveau en sterfte nog steeds significant aanwezig, maar minder sterk dan bij kalveren. Dit verband kan worden verklaard doordat bedrijven met een relatief hoge melkproductie, dit alleen kunnen bereiken door een hoge gezondheidsstatus te hebben. Bij een goede gezondheid van de melkveestapel op een bedrijf verwacht je dan ook een lagere sterfte.
Tabel 1. Verband (uitgedrukt als Incidentie Ratio) tussen verschillende melkproductieniveaus en sterftekengetallen van verschillende leeftijdsgroepen op melkveebedrijven. Rood: IRR>1 = verhoogde sterfte; groen: IRR<1 = verlaagde sterfte; zwart: geen significante associatie.
Sterfte op melkveebedrijven ten opzichte van het Nederlands gemiddelde
Data-analyse: lagere kalversterfte in 2025: effect van schaarste en scherper management
In het tweede en derde kwartaal van 2025 daalde zowel de niet-geoormerkte als de geoormerkte kalversterfte (figuur 3). Een mogelijke verklaring hiervoor is de lagere beschikbaarheid van kalveren in het tweede kwartaal van 2025 ten opzichte van voorgaande jaren. Op basis van de afkalfdata (I&R) van dit kwartaal bleek het aantal afkalvingen op het laagste niveau te liggen van de hele vijfjarige analyseperiode (figuur 4). In het derde kwartaal ligt het aantal afkalvingen juist opvallend hoog. Een mogelijke verklaring voor het lagere aantal afkalvingen in het tweede kwartaal van 2025,
zijn de vruchtbaarheidsproblemen als gevolg van de uitbraak van blauwtong (BTV-3) in 2024. Onder andere een verminderde vruchtbaarheid en embryonale sterfte, hebben waarschijnlijk geresulteerd in een lager aantal geboortes in de daaropvolgende kwartalen.
De tijdelijke afname van geboren kalveren als indirect gevolg van BTV-3 leidde mogelijk tot een meer gerichte en zorgvuldige benadering van het kalvermanagement. Wanneer vervangend jongvee schaarser is, neemt het belang van elk individueel dier toe en is mogelijk meer tijd en ruimte voor kalverzorg.
Dit kan resulteren in extra aandacht voor essentiële managementaspecten, zoals tijdige en kwalitatief goede biestverstrekking, optimale huisvesting, verbeterde hygiëne en een nauwlettende monitoring van de kalvergezondheid. Hierdoor worden gezondheidsproblemen eerder gesignaleerd en behandeld, wat de overlevingskansen van kalveren vergroot. Hoewel BTV-3 primair een negatieve impact had op vruchtbaarheid van melkvee, lijkt deze situatie indirect te hebben bijgedragen aan een intensivering van het kalvermanagement, met een gunstig effect op de kalversterfte in 2025.
3. Percentage niet-geoormerkte kalversterfte (blauw), geoormerkte kalversterfte tussen 0 en 14 dagen (grijs) en geoormerkte kalversterfte tussen 15 en 56 dagen (groen) en de bijbehorende trendlijn op melkveebedrijven van 1
Aantal geboortes op melkveebedrijven
2021kw3 2022kw1 2022kw3 2023kw1 2023kw3 2024kw1 2024kw3 2025kw1 2025kw3
Figuur
Figuur 4. Aantallen geboren
Rundveegezondheid in Nederland, vierde kwartaal 2025
DIERZIEKTEN
SITUATIE NEDERLAND
Categorie (AHR)
Resultaat monitoring vierde kwartaal 2025
Uitvoeringsverordening (EU) 2018/1882 van Animal Health Regulation (AHR) 2016/429 (Categorie A-ziekte)
Lumpy Skin Disease (LSD) Virusinfectie. Nederland officieel vrij.
Mond-en-klauwzeer (MKZ) Virusinfectie. Nederland officieel vrij sinds 2001.
A, D, E Nog nooit infecties vastgesteld in Nederland. Uitbraken in Italië en Frankrijk.
A, D, E Geen infecties vastgesteld in Nederland, geen nieuwe uitbraken in Europa.
Uitvoeringsverordening (EU) 2018/1882 van Animal Health Regulation (AHR) 2016/429 (Categorie B tot en met E)
Blauwtong (BT)
Blauwtong serotype 3 uitbraak Nederland sinds september 2023. Ook enkele gevallen BTV-12.
Bovine genitale campylobacteriose Bacterie.
Nederland vrij sinds 2009. Bewaking van KI- en embryostations en bij dieren voor export.
Bovine Virus Diarree (BVD) Virusinfectie.
Bestrijding op melkveebedrijven verplicht vanuit zuivelonderneming, op vleesveebedrijven vrijwillig.
C, D, E Geen nieuwe besmettingen vastgesteld in Nederland.
D, E Campylobacter fetus spp. veneralis niet aangetoond.
C, D, E 91,7 procent van de melkveebedrijven heeft BVD-vrijstatus of BVD-onverdachtstatus.*
21,3 procent van alle niet-melkleverende bedrijven heeft een gunstige status (vrij of onverdacht).
*BVD-status bepaald aan de hand van GD-programma Brucellose Bacterie. Zoönose.
B, D, E Geen infecties vastgesteld.
Nederland officieel vrij sinds 1999. Bewaking via antistoffenonderzoek in bloedmonsters van verwerpers.
Enzoötische bovine leucose Virusinfectie.
Nederland officieel vrij sinds 1999. Bewaking via antistoffenonderzoek in bloedmonsters van slachtrunderen en in tankmelk.
Epizootic Hemorrhagic Disease (EHD) Virusinfectie. Sinds 2022 vastgesteld bij rundvee in Europa (Spanje, Italië, Portugal en Frankrijk).
Infectieuze Bovine Rhinotracheïtis (IBR) Virusinfectie.
Bestrijding op melkveebedrijven verplicht vanuit zuivelonderneming, op vleesveebedrijven vrijwillig.
C, D, E Geen infecties vastgesteld.
D, E Geen infecties vastgesteld in Nederland. Weinig infecties gemeld in rest van Europa.
C, D, E 84,6 procent van de melkveebedrijven heeft IBR-vrijstatus of IBR-onverdachtstatus.*
22,3 procent van alle niet-melkleverende bedrijven had een gunstige status (vrij of onverdacht).
*BVD-status bepaald aan de hand van GD-programma Miltvuur (zoönose, infectie via diercontact)
Paratuberculose
Bacterie. Zoönose. In Nederland niet aangetoond sinds 1994. Bewaking via bloed-uitstrijkjes van plotseling gestorven runderen.
Bacterie.
In Nederland bestrijding op melkveebedrijven verplicht vanuit zuivelonderneming, op vleesveebedrijven vrijwillig.
D, E Geen infecties vastgesteld.
E 83,8 procent van de melkveebedrijven heeft PPN-status A of IPP-status 6.*
13,6 procent van alle niet-melkleverende bedrijven heeft PPN-status A of IPP-status 6.
*Paratuberculose status bepaald aan de hand van GD-programma
DIERZIEKTEN SITUATIE NEDERLAND
Categorie (AHR)
Resultaat monitoring vierde kwartaal 2025
Uitvoeringsverordening (EU) 2018/1882 van Animal Health Regulation (AHR) 2016/429 (Categorie B tot en met E) Rabiës (hondsdolheid) Virusinfectie. Zoönose.
Nederland officieel vrij sinds 2012.
Rundertuberculose (TBC) Bacterie. Zoönose.
Nederland officieel vrij sinds 1999. Bewaking via slachtrunderen.
Trichomonas Protozoa.
Nederland vrij sinds 2009. Bewaking van KI- en embryostations en bij dieren voor export.
Q-koorts Bacterie.
Zoönose.
In Nederland bij rund andere stam dan op geitenbedrijven en relatie met ziektegevallen bij mens niet vastgesteld.
Vanaf eerste kwartaal 2023 weer standaard onderdeel van verwerpers sectieprotocol.
Vervolg tabel
B, D, E Geen infecties vastgesteld in Nederland.
B, D, E Geen infecties aangetoond in Nederland. Eén besmetting in België.
C, D, E Tritrichomonas foetus niet aangetoond.
E Eén infectie aangetoond bij ingezonden verworpen vruchten.
Artikel 3a.1 Melding zoönosen en ziekteverschijnselen ‘Regeling Houders van Dieren’ van Wet Dieren Leptospirose Bacterie.
Zoönose.
Bestrijding op melkveebedrijven verplicht vanuit zuivelonderneming, op vleesveebedrijven vrijwillig.
Listeriose
Salmonellose
Bacterie.
Zoönose.
Besmetting incidenteel bij rundvee aangetoond.
Bacterie. Zoönose.
Bestrijding op melkveebedrijven verplicht vanuit zuivelonderneming, op vleesveebedrijven vrijwillig.
Yersiniose Bacterie. Zoönose.
Verordening (EG) nr. 999/2001
Bovine Spongiforme Encephalopathie (BSE)
- 98,3 procent van de melkveebedrijven heeft leptospirosestatus ‘vrij’.*
29,7 procent van alle niet-melkleverende bedrijven heeft leptospirosestatus ‘vrij’. Twee nieuwe besmettingen bij melkveebedrijven.
*Leptospirosestatus bepaald aan de hand van GDprogramma
- Vier infecties aangetoond bij ter sectie aangeboden runderen of verworpen vruchten.
- 94,8 procent van de melkveebedrijven heeft een gunstige tankmelk uitslag (landelijk programma Qlip).
Besmetting incidenteel aangetoond bij rundvee. - Geen infecties aangetoond.
Prion-infectie. WOAH-status Nederland: ‘verwaarloosbaar risico’. Sinds 2010 bij bewaking geen gevallen van klassieke BSE meer vastgesteld (tussen 1997–2009 totaal 88 gevallen).
- Geen infecties vastgesteld.
Royal GD
Arnsbergstraat 7
Postbus 9, 7400 AA Deventer
DIERZIEKTEN
T. 088 20 25 500
info@gddiergezondheid.nl www.gddiergezondheid.nl
SITUATIE NEDERLAND
Overige infectieuze aandoeningen bij rundvee
Boosaardige Catarraal Koorts (BCK) Virusinfectie.
In Nederland komen infecties incidenteel voor.
Leverbot Parasiet.
Leverbot komt algemeen voor in Nederland, vooral in waterrijke/natte gebieden.
Neosporose Parasiet.
In Nederland een belangrijke infectieuze oorzaak van verwerpen.
Categorie (AHR)
Tekenziekten: Anaplasma phagocytophilum
Teken besmet met Babesia divergens, Anaplasma phagocytophilum en Mycoplasma wenyonii komen voor in Nederland.
Enkel voor Anaplasma phagocytophilum PCR beschikbaar.
Resultaat monitoring vierde kwartaal 2025
- Twee infecties vastgesteld bij sectie.
- Op 35 bedrijven infecties vastgesteld en twee keer bij ter sectie aangeboden runderen.
- Twee infecties aangetoond bij ingezonden verworpen vruchten.
- Vier infecties met Anaplasma phagocytophilum aangetoond.
Monitoring Diergezondheid
Sinds 2002 voert Royal GD de diergezondheidsmonitoring in Nederland uit in nauwe samenwerking met onder andere de diersectoren, het bedrijfsleven, het ministerie van LVVN, dierenartsen en veehouders. De informatie die in de monitoring wordt gebruikt, wordt op verschillende manieren verzameld waarbij het initiatief gedeeltelijk bij dierenartsen en veehouders en gedeeltelijk bij Royal GD ligt. De informatie wordt integraal geïnterpreteerd om de doelstellingen van de monitoring, het snel signaleren van diergezondheidsproblemen enerzijds en het volgen van trends en ontwikkelingen anderzijds, te bereiken. Samen werken we aan diergezondheid in belang van dier, dierhouder en samenleving.
Vervolg tabel