




![]()









Voorwoord 3
1 Monitoring: zo doen we dat Interview met Dr. Emmanuel Garin – DVM, MSc, veterinair epidemioloog bij GDS France 4
2 Tijdlijn: een jaaroverzicht van belangrijke bevindingen uit en ontwikkelingen in de monitoring 12
3 Samenwerking: in gesprek met Maria Catania, senior inspecteur zoönosen bij de NVWA 22
4 Verdiepingen: interessante casussen uit de monitoring rundvee, varken, pluimvee, kleine herkauwers en paard 28
5 De mensen van GD achter de monitoring 50
Het Jaarverslag Monitoring Diergezondheid geeft een overzicht van de diergezondheid over 2025. Het is een productie van Royal GD, team monitoring en marketingsupport & communicatie. Het copyright ligt volledig bij Royal GD. De resultaten in deze publicatie mogen niet zonder schriftelijke toestemming van de auteurs of de leden van de Begeleidingscommissie Monitoring Diergezondheid verwerkt of gebruikt worden (bijvoorbeeld in wetenschappelijk onderzoek) tenzij sprake is van citatie. Op citaties is auteursrecht van toepassing.



Puzzelen. Dat is de rode draad in dit Jaarverslag Monitoring. Met elkaar waren er flink wat puzzels te leggen dit jaar.
In Nederland worden (nieuwe) dierziekten vaak snel opgespoord. Dat is mede te danken aan onze veterinaire infrastructuur, een samenspel van partijen waarbij waar nodig elke schakel een stukje van de puzzel aanlevert. GD is uitvoerder van de diergezondheidsmonitoring en werkt nauw samen met dierhouders, dierenartsen, sectoren, overheid en kennis- en onderzoekspartijen. Zo kunnen we signalen snel oppikken en samenbrengen. Dit valt ook onze buurlanden op.
In een veranderend klimaat en een wereld waarin grenzen steeds verder vervagen, liggen infectieziekten altijd op de loer. Samenwerking - binnen Nederland, Europees én mondiaal - geeft ons de kennis om nog sneller verbanden te ontdekken en met elkaar de puzzels te leggen. Zo vertelt Maria Catiana, senior inspecteur zoönosen bij de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (NVWA), hoe zij namens Nederland de European Food Safety Authority (EFSA) ondersteunt bij het in kaart brengen van de zoönosesituatie in Nederland.
Niet alle puzzels zijn even makkelijk. Dat heeft Emmanuel Garin, veterinair epidemioloog bij GDS France ook ervaren. Rondom een casus van Lumpy Skin Disease was sprake van misinformatie met heftige reacties richting sector en medewerkers tot gevolg. Ook werd de casus gebruikt voor politieke doeleinden. Een hele uitdaging voor betrokkenen én een groot risico voor de monitoring. Het is dan van belang om feitelijk te blijven en de juiste informatie onder de aandacht te brengen. Om de laagdrempeligheid van het monitoringssysteem te behouden en draagvlak voor het delen van signalen te ondersteunen, is een goede interpretatie van signalen en een proportionele reactie van cruciaal belang. Dit vraagt blijvend aandacht, ook in Nederland.
Gelukkig hebben we het afgelopen jaar, samen met het veld, diverse puzzels op kunnen lossen. Zo konden signalen uit de varkenshouderij in 2025 gelinkt worden aan een nieuw type parvovirus. Daarnaast bleek atypische sterfte onder jong rundvee een toxicologische oorzaak te hebben. Een nieuwe opzet van de monitoring op vogelgriep en onderzoek in uitbraakgebieden resulteerden in 2025 voor de pluimveehouderij in veel minder ruimingen. De paardensector werd voor het eerst geconfronteerd met het westnijlvirus. Dankzij een alerte practicus, ondersteuning van de Helpdesk Paard en de westnijlvirus-monitoring kon dit geval snel gedetecteerd worden en was ook deze puzzel gelegd.
Een groot dankwoord aan iedereen die in 2025 heeft geholpen met puzzelen.
Lotte Roos Coördinator Diergezondheidsmonitoring Landbouwhuisdieren & Paard

Diergezondheidsmonitoring is belangrijk voor diergezondheid en dierenwelzijn, het beschermen van de volksgezondheid en de exportpositie van Nederland.
In Nederland leven veel mensen en dieren samen op een klein oppervlak. Daarom is het belangrijk dat we een systeem hebben dat de gezondheid van dieren in Nederland constant en nauwkeurig in de gaten houdt. De overheid en veehouderijsector hebben samen met Royal GD de diergezondheidsmonitoring opgezet. GD voert deze monitoring uit.
De diergezondheidsmonitoring biedt een breed vangnet voor het zo vroeg mogelijk opvangen van signalen over diergezondheid. Het systeem is laagdrempelig en vrijwillig. De signalen zijn afkomstig uit de sectoren rund, varken, pluimvee, schaap, geit en paard. Ze komen van dierhouders, dierenartsen, de verwerkende industrie, onderzoeksinstituten en instanties die zich inzetten voor de volksgezondheid. De monitoring onderzoekt, bundelt en analyseert deze signalen. De uitkomsten van de monitoring worden gedeeld met dierhouders, dierenartsen en betrokken partijen, zoals de overheid, veehouderijsector, humane gezondheidszorg en (mits relevant) omringende landen. Zo kunnen zij, indien nodig, actie ondernemen.
Drie doelen
Diergezondheidsmonitoring is essentieel voor de gezondheid en het welzijn van dieren, mensen en de Nederlandse economie. Daaruit volgen de volgende monitoringsdoelstellingen:
• Opsporen van uitbraken van bekende ziekteverwekkers die, voor zover bekend, niet in Nederland voorkomen;
• Opsporen van onbekende aandoeningen of ziekteverwekkers;
• Zicht houden op trends en ontwikkelingen in de veehouderij.
Animal Health Regulation (AHR)
De Europese regels om dierziekten te voorkomen en te bestrijden zijn vastgelegd in de Europese diergezondheidsverordening, de Animal Health Regulation (AHR). Deze verordening bepaalt dat elke lidstaat een systeem moet inrichten om aangewezen en opkomende (nieuwe) dierziekten bij landbouwhuisdieren en paarden te monitoren. De AHR is sinds 2021 van kracht. Sindsdien zijn de monitoringsprogramma’s voor het bewaken en opsporen van aangewezen dierziekten en relevante nieuwe ziekten een wettelijke taak van de Nederlandse overheid. Het ministerie van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur (LVVN) heeft GD, als uitvoerder van deze monitoringsprogramma’s, aangewezen als rechtspersoon met een wettelijke taak.
Hoe werkt het?
Stap 1 – Verzamelen
De diergezondheidsmonitoring verzamelt signalen uit het veld, zowel reactief als proactief. Deze informatie geeft inzicht in trends en ontwikkelingen in diergezondheid.
Reactieve monitoringsinstrumenten
Bij de reactieve instrumenten ligt het initiatief bij veehouders, dierenartsen en andere erfbetreders. Doel is het breed opvangen van zoveel mogelijk signalen uit het veld.
Reactieve instrumenten zijn:
• Veekijker en Helpdesk Paard
De telefonische helpdesken voor dierenartsen en dierhouders waar ervaren en gespecialiseerde GDdierenartsen kosteloos deskundige hulp en advies op maat bieden.
• Pathologie

Dierhouders en dierenartsen kunnen dieren inzenden voor pathologisch onderzoek. Hiermee kunnen ze inzicht krijgen in doodsoorzaken en/of bedrijfsproblemen, of juist bepaalde zaken uitsluiten.
• Veterinaire Monitoring Pluimvee (VMP)
Een samenwerkingsverband tussen een aantal pluimveepraktijken en GD. Dierenartsen leveren op vrijwillige basis digitaal informatie aan over pluimveegezondheid, zoals toegediende vaccinaties en bevindingen van bedrijfsbezoeken.
• Online Monitor
In opdracht van de varkenshouder leggen dierenartsen na elk bedrijfsbezoek de klinische signalen (en eventuele diagnose) vast in de Online Monitor. Zo houden we zicht op trends in de varkensgezondheid in Nederland.
• Veterinaire Milieutoxicologie
Ondersteuning voor dierhouders en dierenartsen bij de vraag of diergezondheidsproblemen te maken hebben met milieuverontreiniging. Het vroeg signaleren van dit soort problemen kan voorkomen dat ze uitgroeien tot volksgezondheidsrisico’s en economische schade.
Proactieve monitoringsinstrumenten
Bij de proactieve instrumenten ligt het initiatief voor informatieverzameling bij GD. Proactieve instrumenten zijn:
• Data-analyse
Analyse van geanonimiseerde data brengt trends en ontwikkelingen van algemene gezondheidskenmerken en aandoeningen in beeld. Hiervoor worden gegevens gebruikt vanuit het labonderzoek en van diverse dataleveranciers. Denk aan gegevens over onder andere melkproductie, melkkwaliteit, vruchtbaarheid, antibioticumgebruik, dierverplaatsingen en sterfte.

• Prevalentieonderzoek
Regelmatig wordt onderzoek uitgevoerd naar de mate van voorkomen van (endemische) dierziekten. Deze dierziekten worden gekozen op basis van criteria als economische schade, belang voor de volksgezondheid en de mogelijkheid tot het nemen van maatregelen.
• Bewakingsprogramma’s
Voor een aantal dierziekten schrijft Europese regelgeving onderzoek bij een deel van de Nederlandse veestapel voor, om de aanwezigheid van de betreffende ziekten uit te sluiten. GD voert bewakingsprogramma’s uit voor onder andere brucellose en aviaire influenza.













Het vertalen van informatie uit de monitoring naar de praktijk is dé grote meerwaarde van dit unieke systeem
Stap 2 – Analyseren
Regelmatig bespreken en analyseren de Veekijkerdierenartsen samen met andere GD-experts alle signalen en uitkomsten in het Veekijkeroverleg.
Stap 3 – Concluderen
GD schrijft voor elke sector rapportages met de conclusies en eventuele aanbevelingen voor vervolgacties.

Stap 4 – Informeren
De uitkomsten van de monitoring delen we periodiek met de overheid, veehouderijsector, veehouders en dierenartsen, humane gezondheidszorg en omringende landen. Als er mogelijk (acuut) risico voor dier en/of mens is, neemt GD direct contact met de betreffende partijen op. De overheid en sectorpartijen besluiten of vervolgacties voor de veehouderij nodig zijn zoals extra onderzoek, communicatie of aanpassingen van beleid.
We delen informatie uit de monitoring via monitoringsrapportages, het Veekijkernieuws, onze website, nieuwsbrieven, podcasts en vakbladen zoals GD Veterinair en het Tijdschrift voor Diergeneeskunde. Via onze WhatsApp-service kunnen we dierenartsen snel informeren over belangrijk monitoringsnieuws. We verspreiden de uitkomsten via (kennis)netwerken, monitoringsbijeenkomsten en congressen. Jaarlijks bundelen we onze communicatie in de Week van de Monitoring en een symposium voor dierenartsen met actuele casussen en trends.
Op de hoogte blijven?
In het Veekijkernieuws geven we, per diersoort, een terugkoppeling van opvallende zaken uit de monitoring. Wilt u het meest actuele monitoringsnieuws ook in uw postvak ontvangen? Meld u dan aan via: www.gddiergezondheid.nl/email

In de podcast ‘Trends uit de monitoring’ bespreken onze experts opvallende signalen uit de diergezondheidsmonitoring. De podcast is te beluisteren via de website van GD en Spotify. Abonneren op de podcast kan via: www.gddiergezondheid.nl/podcasts.
















GDS Frankrijk is de nationale koepelorganisatie van diergezondheidsdiensten voor veehouders en is verantwoordelijk voor collectieve maatregelen op het gebied van diergezondheid, preventie, surveillance en het beperken van infectieziekten. Het bestuur bestaat uit professionele veehouders, lidmaatschap is niet verplicht. Onder de leden zijn individuele veehouders van runderen, varkens, pluimvee, schapen, geiten, paarden, bijen en aquacultuur.
Dr. Emmanuel Garin – DVM, MSc, veterinair epidemioloog bij GDS France
“Frankrijk is veel sterker gedecentraliseerd dan Nederland. De negentig departementen hebben elk aanzienlijke administratieve verantwoordelijkheden en dat zie je terug in onze organisatie. GDS Frankrijk is de federatie van de departementale en regionale veehoudersverenigingen, die op hun beurt weer bestaan uit lokale verenigingen. We ondersteunen dierenartsen en specialisten die binnen deze regionale en lokale organisaties samenwerken, om hun leden, de veehouders, te helpen. Wij benaderen diergezondheid en dierenwelzijn vanuit een epidemiologisch en wetenschappelijk perspectief, los van politieke of economische belangen. Ook geografisch verschilt Frankrijk van Nederland. Het zuiden staat in contact met Afrika, ons klimaat is warmer en dagelijks passeren grote aantallen Europese landbouwhuisdieren ons land, bijvoorbeeld naar Spanje of Italië.
Familie
GD is onze ‘Nederlandse familie’. In een ideale wereld hadden wij ook alle specialisten en laboratoria binnen één organisatie. In Frankrijk is dat echter onmogelijk doordat dierenartsen en laboratoriumspecialisten hier in aparte organisaties zijn ondergebracht. Bovendien heeft elk departement zijn eigen laboratoria. Die verschillende lagen, van lokaal tot nationaal, werken ook nog eens onafhankelijk. Dat maakt het verzamelen van data ook lastiger.
“Kennisuitwisseling en samenwerking zijn essentieel, van lokaal tot mondiaal niveau”
Nederlands-Franse samenwerking
GDS en GD werken op drie manieren samen. Ten eerste binnen ‘La Fédération Européenne pour la Santé Animale et la Sécurité Sanitaire’ (FESASS), waarin tien Europese nationale diergezondheidsorganisaties samenkomen om onze gezamenlijke Europese belangen te vertegenwoordigen. Daarnaast werken we samen in het European Veterinary Surveillance Network (EVSN), een fantastische organisatie. Binnen dit netwerk komen specialisten op het gebied van surveillance van dierziekten samen om heel open en vertrouwelijk de ontwikkelingen in onze landen te bespreken. We zoeken samen naar oplossingen, verbeteren onze gezamenlijke kennis en delen ervaringen. Deze open uitwisseling van ideeën helpt ons enorm in tijden van crisis. Dat werd bijvoorbeeld duidelijk toen het blauwtongvirus (BTV) zowel Frankrijk als Nederland trof in 2023 en 2024. We weten dat GD betrouwbare informatie levert en we kennen elkaar. Dankzij die uitwisselingen konden we in beide landen sneller begrijpen wat er aan de hand was en onze veehouders en dierenartsen beter informeren. Ook bij andere opkomende ziektes is deze internationale samenwerking heel nuttig. We kunnen echt beter anticiperen. Naast de FESASS en EVSN spreken we elkaar ook tussendoor een-op-een, al is daar helaas niet altijd voldoende tijd voor.
Dierziektebestrijding in Frankrijk
Voor een aantal dierziektes voert GDS wettelijke taken uit namens de nationale overheid, op basis van de Europese diergezondheidswetgeving. Een voorbeeld daarvan is Infectieuze Bovine Rhinotracheïtis (IBR). Voor andere dierziektes, zoals bijvoorbeeld PRRS bij varkens, neemt de nationale overheid alleen transportmaatregelen. Sommige departementen doen wel aan actieve bestrijding. Als de varkenssector PRRS zou willen uitroeien, dan kunnen wij dat coördineren. Zo’n besluit moeten alle stakeholders dan wel gezamenlijk nemen. Niet alleen de veehouders, maar ook bijvoorbeeld de organisaties van dierenartsen en de vakbonden. Pas als iedereen het eens is, volgt de nationale regering met regelgeving.
Praktijk meenemen in surveillance
Een bijzondere organisatie in Frankrijk, is het nationale dierziekte-surveillanceplatform NAHSP. Dit platform werd in 2011 opgericht, onder meer door GDS met als doel de surveillance van infectieziekten bij dieren en zoönoses te verbeteren. Binnen NAHSP zijn alle relevante partijen, van de veehouderijorganisaties tot lokale laboratoria en van dierenartsenopleidingen tot nationale organisaties voor de volksgezondheid, vertegenwoordigd. Lokale praktijkkennis is binnen dit platform net zo belangrijk als de inzichten van wetenschappers. De praktijk wordt betrokken bij de besluitvorming, die altijd op basis van consensus plaatsvindt, zonder politieke of economische overwegingen. Deze manier van werken biedt een krachtig raamwerk voor een effectieve en onafhankelijke One Health-benadering. Het NAHSP-model is later ook overgenomen in Franse platforms voor voedselveiligheid en voor plantgezondheid.
Situatie in Frankrijk
De afgelopen jaren volgden crises elkaar in hoog tempo op. In Frankrijk kregen we te maken met Epizootic Hemorrhagic Disease (EHD), lumpy skin disease (LSD), Afrikaanse varkenspest (AVP), mond-en-klauwzeer (MKZ) en schapen- en geitenpokken (SGP). Idealiter hadden we meer gelegenheid om deze samen met onze Europese partners te bespreken. Het is soms lastig om aan de buitenwereld uit te leggen dat dit soort internationale uitwisseling nodig is, terwijl die ons echt veel tijd en geld besparen bij volgende uitbraken.
Belang van bedrijfshygiëne voor iedereen
De EHD-uitbraak die ons in 2023 en 2024 trof, is inmiddels vrijwel gestopt. In 2025 waren we wel druk met LSD. Die uitbraak bevestigde opnieuw hoe belangrijk aandacht voor bedrijfshygiëne en preventie is. Veel mensen zijn sterk individualistisch ingesteld. Maar het collectief betaalt de prijs als ook maar één veehouder zich niet aan de regels houdt. Juist daarom blijft een gezamenlijke, wereldwijde aanpak enorm belangrijk. Tijdens de LSD-uitbraak zagen we bovendien polarisatie en misinformatie ontstaan. Sommigen partijen gebruikten de uitbraak voor politieke doeleinden. Dat ging zo ver dat enkele collega’s zelfs beveiligd moesten worden om hun werk te kunnen doen!
Intensief samenwerken
Wat mij betreft mogen we binnen de Europese kaders nog intensiever samenwerken. Nationale wetgeving zit snelle actie soms in de weg. Zo kan een vaccin dat in Nederland al wordt gebruikt, in Frankrijk nog verboden zijn. Terwijl je bij een uitbraak zo’n vaccin zo snel mogelijk wilt kunnen inzetten. Het is dan eigenlijk moeilijk uit te leggen dat het niet mag. Tegelijkertijd moeten we erkennen dat de manier waarop we in Europa op dit gebied samenwerken, echt heel vooruitstrevend is.”



33 Veekijkerdierenartsen • 9 Pathologen
Helpdesk Paard • 112 Bedrijfsbezoeken
5.933 Pathologische onderzoeken • 16 Pilots
Veekijkernieuws • One Health • Early Warning
Bewakingsonderzoek • Signaleringsoverleg
• Volksgezondheid • Diergezondheid
• Voedselveiligheid • Veehouderijsector •
Data-analyse • Prevalentieonderzoek
Zeldzame huidtumor bij schaap •
In Nederland is voor het eerst een B-cellymfoom in de huid vastgesteld bij een zesjarige Welsh Hill Speckled Face-ooi uit een begrazingskudde van zeshonderd dieren. De ooi had huidknobbels verspreid over het hele lichaam. De betrokken dierenarts was alert op schapen- en geitenpokken (SGP) door recente uitbraken in Zuid-Europa en meldde de casus bij de NVWA. Laboratoriumonderzoek van WBVR sloot SGP uit. Ondanks behandeling verergerde de aandoening en werd het dier geëuthanaseerd.

Foto: Cutaan lymfoom bij schaap.
Seleniumintoxicatie bij geiten door onjuiste dosering • In 2025 was de Veekijker twee keer betrokken bij seleniumvergiftiging bij geiten. In beide gevallen waarschijnlijk door toediening van een spoorelementensupplement dat is geregistreerd voor runderen. Door een doseringsfout kregen de geiten onbedoeld te veel selenium. Analyse van leverweefsel bevestigde dit. Acute vergiftigingsverschijnselen zijn onder meer vocht in de longen (longoedeem) door hartfalen, een verslechterde bloedsomloop, een ernstige hoefontsteking en verlamming door het afsterven van het ruggenmerg. Chronische seleniumintoxicatie geeft slechte vachtkwaliteit en afwijkende hoorngroei.
Hemorragische enteritis en sterfte bij kalveren • Op een melkveebedrijf stierven in korte tijd plotseling drie kalveren. Pathologisch onderzoek toonde een bloederige lebmaag- en darmontsteking aan door Clostridium spp. met ijzerpigmenten in de lebmaag. De kalveren werden gevoerd met koemelk, dat over het algemeen minder ijzer bevat dan poedermelk. De veehouder gaf sinds zes weken ijzerbolussen zonder voorafgaande diagnostiek, nadat zijn kalvermester meldde dat het Hb-gehalte van de kalveren te laag was. Mogelijk bevorderde extra ijzer de groei van Clostridium. Na het stoppen met de ijzerbolussen stierven geen kalveren meer.
Genetische afwijkingen bij kalveren •
Na de melding van afwijkende kalveren van de stier American Expeditie, zijn in het eerste kwartaal van 2025 op een nieuw bedrijf afwijkende kalveren geboren. De gebruikte pinkenstier bleek een nakomeling te zijn van American Expeditie. De kalveren hadden zeer specifieke afwijkingen zoals grote oren, huiddefecten onder de gehoorgang met open verbinding naar de keelholte en monddelen (tandelementen en een lip) onder de gehoorgang.
Mond-en-klauwzeer in Duitsland • In januari 2025 brak mond-en-klauwzeer (MKZ) uit bij waterbuffels in Brandenburg, Duitsland. Dit leidde tot beperkingsgebieden en een standstill. De gevolgen voor de Nederlandse veehouderij waren beperkt. Monsters van geïmporteerde kalveren testten negatief. Later in 2025 werden ook vijf uitbraken vastgesteld in Hongarije en zes in Slowakije. Na ruiming en desinfectie kwamen er geen nieuwe verdenkingen bij, waardoor de landen weer de MKZ-vrijstatus kregen.
Influenza A-virus (IAV) veroorzaakte een kwart van de luchtwegklachten bij varkens in de eerste helft van 2025 en was de op twee na meest gemelde diagnose in de Online Monitor. Symptomen zijn hoesten, longontsteking en conjunctivitis. Het virus verhoogt de kans op secundaire infecties. In 2,3 procent van de secties in 2025 werd IAV aangetoond, vaak samen met andere pathogenen.
Porcine circovirus type 2 en type 3 • Porcine circovirus type 2 (PCV2) is wereldwijd bekend als veroorzaker van postweaning multisystemic wasting syndrome bij varkens, met variërende klinische verschijnselen. Bij de Veekijkertelefoon komen vaak vragen over PCV2 en reproductieproblemen. PCV3, waarvan minder bekend is, wordt ook onderzocht vanwege een mogelijke link met vruchtbaarheidsproblemen. In een pilotstudie werd PCV3 vooral in hartweefsel van doodgeboren biggen gevonden. De ernst varieerde per bedrijf. PCV3 is mogelijk betrokken bij reproductieproblemen. Verder onderzoek is nodig.

Foto: PCV3-DNA (donkere kleuring) in de kleine bloedvaten van de hartspier.
Nieuw Marekvirus-serotype 1 moeilijk te onderscheiden • In januari toonde pathologisch onderzoek op vleeskuikens met gezwollen milten een Rispens-vaccinstam aan. Hiervoor is de MDV-1DIVA-PCR gebruikt, die tot nu toe de vvMDV-1-stam (very virulent Marek’s disease virus) kan onderscheiden van de Rispens-vaccinstam. Aanvullend onderzoek liet echter zien dat het een vvMDV-1-stam betrof die niet van de Rispensvaccinstam te onderscheiden is met de DIVA-PCR. Verder onderzoek wordt uitgevoerd om meer inzicht te krijgen in het voorkomen en de moleculaire kenmerken van deze nieuwe vvMDV-1-stam in Nederland.
REV in Nederland • In 2024 ontdekte GD bij leghennen met tumoren het reticuloendotheliosisvirus (REV), een nog niet eerder in Nederland aangetoond retrovirus. Verschillende REV-stammen kunnen uiteenlopende ziektebeelden geven, waaronder ook tumoren. In 2025 vond nader onderzoek plaats, waarbij serologisch onderzoek liet zien dat veel Nederlandse pluimveekoppels REV-antistoffen hebben, met een hogere prevalentie bij leghennen dan bij vleesvermeerderings-koppels. Ook werd aangetoond dat het genoom van REV aanwezig is in recente Nederlandse isolaten van het kippenpokkenvirus. Verder onderzoek wordt uitgevoerd om de besmettingsroute en impact te begrijpen.
Abortus door leptospirose • In februari werd een leptospirose-infectie vastgesteld bij een abortus bij een vierjarige merrie in de tiende maand van de dracht. Voorafgaand aan de abortus zijn geen symptomen opgemerkt bij de merrie. De placenta was sterk afwijkend met bloedingen en duidelijke ontstekingen. De uitslag van het PCR-onderzoek was positief op Leptospira interrogans. In de urine van de merrie werd de bacterie niet aangetroffen, mogelijk doordat deze intermitterend wordt uitgescheiden. Serologisch onderzoek (MAT-test), uitgevoerd bij WBVR, was duidelijk positief voor Leptospira interrogans serovar Pomona.
Sterfte door ijzerintoxicatie • Op een privéstalling in Zuid-Nederland werden binnen enkele maanden meerdere paarden ziek. Bloedonderzoek toonde bij zes dieren sterk verhoogde leverwaarden aan. De belangrijkste oorzaak bleek een sterk verhoogd ijzergehalte in het drinkwater uit de eigen bronnen (52,85 mg/L en 38,07 mg/L, terwijl de streefwaarde kleiner dan 0,2 mg/L is). Bij een ijzergehalte boven de 10 milligram per liter bestaat een grote kans op leverschade door ijzerstapeling. Vijf paarden overleden, bij twee hiervan bevestigde pathologisch onderzoek dat ijzerintoxicatie de oorzaak was. Omdat de Nederlandse grond van nature veel ijzer bevat, is het monitoren en testen van drinkwater voor paarden zeer belangrijk.

Foto: Bleekbruin verkleurde lever van een van de paarden waarin met histologisch onderzoek cirrhose en ijzerstapeling zijn aangetoond.
Klauwproblemen na blauwtong • In het voorjaar van 2025 ontving de Veekijker meerdere signalen over aanhoudende kreupelheid bij schapen na doorgemaakte blauwtongvirus (BTV)-infecties. De klachten waren het gevolg van een verminderde kwaliteit van het klauwhoorn door verstoorde hoornvorming. Vermoedelijk speelde vaatschade door het BTV een rol. Lokaal vocht en druk in de klauwschoen belemmert de aan- en afvoer van zuurstof, voedingsstoffen en afvalstoffen met een afwijkende hoornstructuur en ongelijke belasting als gevolg. Een tijdige klauwcorrectie geeft vaak herstel.
Stand van zaken abortus bij kleine herkauwers • Tot en met eind april 2025 ontving GD 71 verworpen of doodgeboren lammeren voor pathologisch onderzoek. Bij 49 procent werd een besmettelijke oorzaak gevonden, voornamelijk Listeria spp., Toxoplasma gondii en Campylobacter spp. Aangeboren afwijkingen kwamen ook voor. Afwijkingen passend bij blauwtong werden niet gezien. De aanvullende monitoring met abortuspakketten toonde vooral E. coli en Listeria spp. aan. Op 24 maart werd bovendien Coxiella burnetii in een placenta van een schaap vastgesteld. Melding bij de NVWA volgde. De GGD informeerde de houdster en adviseerde vaccinatie.
Salmonella-infecties op melkgeitenbedrijven • Twee geitenbedrijven hadden problemen bij lammeren rond 2 weken leeftijd. Een melkgeitenbedrijf had verhoogde uitval met pusachtige neusuitvloeiing, niet willen drinken en verschijnselen passend bij (hersen)vliesontsteking en buikpijn. Pathologisch onderzoek toonde een niet eerder bij lammeren in Nederland vastgestelde maagdarmstoornis door Salmonella groep C. Op een opfoklocatie werd Salmonella Typhimurium aangetoond; de ‘schoentjesmonsters’ waren in alle afdelingen positief. Salmonella is in veel gevallen zoönotisch; insleep via dieraanvoer of mest blijft een aandachtspunt.

Verdiepend onderzoek blauwtong • Uit verdiepend onderzoek naar de impact van het blauwtongvirus-serotype 3 (BTV-3) op de rundergezondheid bleek dat het melkvee op bedrijven met een BTV-3besmetting in 2023, in 2024 een verminderde vruchtbaarheid had. Door BTV-3 waren de sterftecijfers in vrijwel alle leeftijdsgroepen hoger dan verwacht. Daarnaast zijn begin 2025 kalveren gemeld met ernstige zenuwverschijnselen en congenitale hersenafwijkingen. Deze opvallende stijging leidde tot een pilotonderzoek. Dit onderzoek toonde bij meerdere dieren blauwtongvirus en/ of antistoffen tegen blauwtongvirus aan.
Rundersterfte >1 jaar op melkveebedrijven per jaar
kwartaal
Figuur: Sterfte van runderen ouder dan 1 jaar op melkveebedrijven per rollend jaar (2020-4 t/m 2024-4).
Salmonella Choleraesuis • In het voorjaar van 2025 werden bij drie varkensbedrijven gevallen gerapporteerd van blauwverkleuring en plotselinge sterfte door Salmonella Choleraesuis var. Kunzendorf. Pathologisch onderzoek toonde ernstige vergroting van de milt en vergrote lymfeklieren aan. Genoomanalyse wees op twee genetische clusters, overeenkomend met Duitse isolaten. Risicofactoren zijn besmette varkens, vectoren zoals dieren, mensen en mogelijk besmet voer. Strikte hygiëne en bioveiligheid zijn, net als professionele ongediertebestrijding en specifieke voeding, belangrijk om problemen met salmonella te voorkomen.
PUDS • In maart 2025 werden bij een zeug uitgebreide en duidelijk afgebakende, rode plekken geconstateerd, waarbij de tepels gespaard bleven. Ondanks aanhoudende huidproblemen na het werpen was de melkgift normaal. Pathologisch onderzoek toonde bevindingen passend bij Porcine Ulceratieve Dermatitis Syndroom (PUDS). PUDS is het resultaat van een auto-immuunreactie door verhoogde hoeveelheden T- en B-lymfocyten. De primaire oorzaak wordt echter vaak niet achterhaald.

Foto: Zeug met PUDS (bron: K. Visscher, Coöperatie Varkensartsen).
Verkeerde injectietechniek • In het voorjaar werden biggen ingezonden wegens verhoogde uitval en sloomheid. De biggen, alle jonger dan 2 weken, vertoonden ontstekingen in de longen, fibrinedraden in de buikholte, bonte levers, necrosehaarden en orgaanoedeem. Met histologie werden diverse bacteriën gevonden in milt en buikvlies, waaronder E. coli, Streptococcus dysgalactiae spp. equisimilis en Proteus spp. Proteus spp. is een gramnegatieve bacterie en opportunistisch pathogeen. Deze bacterie werd vermoedelijk door een verkeerde injectietechniek overgedragen en leidde tot sterfte.
Onderzoek pokkendifterie en REV •
Sinds september 2024 is er een stijging van pokkendifterie (PD) bij leghennen in Nederland, met bevestigde gevallen op 22 bedrijven binnen vier maanden. GD voerde, binnen een project in opdracht van AVINED, genetische karakterisering van het PD-virus uit. Vijftien PD-stammen werden geïsoleerd en acht volledig gesequencet. De recente isolaten wijken genetisch af van eerdere Nederlandse isolaten en andere oudere GenBankisolaten. Alle recente isolaten bevatten een volledig geïntegreerd REV-genoom, wat mogelijk bijdraagt aan virulentie en immuunsuppressie. De exacte impact vereist verder onderzoek.


Foto: Kippenpokken in droge vorm (links) en natte vorm (rechts).
Vesiculaire stomatitis-virus bij sportpaard • In een monster voor exportscreening van een paard zijn in 2025 april bij WBVR antistoffen aangetoond tegen het vesiculaire stomatitisvirus (VSV). Dit werd bevestigd door het Europese referentielaboratorium. Het betrof een internationaal topsportpaard dat twee weken eerder vanuit Mexico via Nederland vloog voor internationale concoursen elders. In Mexico komt VSV endemisch voor. Na de positieve uitslag stond het paard in Nederland drie weken in isolatie en is dagelijks getemperatuurd. Er werden geen koorts of klinische symptomen passend bij VSV waargenomen. Omdat het paard geen verschijnselen vertoonde, was het waarschijnlijk niet besmettelijk.
Ziekte van Gumboro bij opfokleghennen • Vanaf april 2025 ontving GD meerdere meldingen en positieve monsters van opfokleghennen met de ziekte van Gumboro (infectious bursal disease; IBD). Deze virale infectie, veroorzaakt door het IBD-virus, komt jaarlijks frequent voor bij vleeskuikens en een enkele keer bij opfok-leghennen. Vanaf april 2025 zagen we echter tien gevallen van Gumboro bij opfok-leghennen. Dit vraagt om hernieuwde aandacht voor preventie. Cruciaal hierbij is een correcte vaccinatiestrategie, zowel in de broederij als op het bedrijf. Daarnaast blijven goede reiniging, desinfectie en strikte biosecurity van groot belang om jonge dieren te beschermen tegen infectie.
warning system: meldingen van Gumboro in Nederland Vleeskuikensongedefinieerd Vleeskuikenstrager groeiend ras Vleeskuikensregulier concept Opfokvleesvermeerdering Opfokleghennen
Figuur: Aantal bij GD gemelde bedrijven met klachten als gevolg van Gumboro. Vrijwillige meldingen, geen overzicht van alle uitbraken.
aMPV-type A aangetoond bij pluimvee • Turkey rhinotracheïtis (TRT) wordt veroorzaakt door een aviair metapneumovirus (aMPV) en leidt tot luchtwegverschijnselen, verminderde eiproductie en verhoogde uitval, zeker in combinatie met secundaire (bacteriële) infecties. In Nederland wordt vooral aMPV-type B aangetoond bij commercieel pluimvee, maar vanaf april toonde GD ook aMPV-type A aan bij verschillende pluimveetypen. Vóór 2025 werd type A voor het laatst in 2021 bij vleeskuikens aangetroffen. De PCR maakt geen onderscheid tussen veld- of vaccinvirus. De meeste levende vaccins beschikbaar in Nederland bevatten een aMPV-type B.
Meer rotavirus bij veulens • In de maanden maart, april en mei bleek 19 procent van alle inzendingen van het ‘PCR-diarreepakket veulen’ positief op rotavirus. Dit is meer dan in dezelfde maanden in 2024, toen testte 14 procent van de op rotavirus geteste monsters positief. Rotavirus is de meest voorkomende oorzaak van waterige diarree bij veulens tot 6 maanden oud. Veulens scheiden veel virus uit, waardoor uitbraken mogelijk zijn. Preventie bestaat uit een schone omgeving en goede hygiëne rondom het veulen.
Gewrichtsontsteking door vlekziektebacterie bij geitenlammeren • Pathologisch onderzoek bij een geitenlam toonde Erysipelothrix rhusiopathiae aan in meerdere gewrichten. Op het betrokken melkgeitenbedrijf vertoonde circa 10 procent van de lammeren, verspreid over afdelingen, verschijnselen van (poly)artritis. Drie representatieve lammeren werden ingestuurd en de diagnose vlekziekte werd bevestigd. E. rhusiopathiae is een veelvoorkomende, omgevingsresistente en zoönotische bacterie. De bron bleef onduidelijk, mede omdat geen ander vee werd gehouden. Strikte hygiëne en persoonlijke bescherming blijven essentieel.
Varkenspokken, een oude bekende? • Varkenspokken, veroorzaakt door Suipoxvirus 1, is zeldzaam en werd tussen 2019 en 2024 slechts drie keer gemeld. Sinds mei 2025 zijn zes nieuwe gevallen bij varkensbedrijven gemeld, vooral bij pasgeboren biggen. De beschadigingen op de huid variëren van bultjes tot pukkels, voornamelijk op de buik, flanken en rug. Het exacte overdrachtsmechanisme is onbekend en Suipoxvirus-DNA-testen zijn alleen in het buitenland beschikbaar. Er zijn geen commerciële vaccins, en preventie richt zich op hygiëne, desinfectie en bestrijding van ectoparasieten zoals de varkensluis.



Q-koorts vastgesteld bij bosrendieren: meldplicht uitgebreid • Bij een kudde bosrendieren werd Q-koorts vastgesteld na zwakte en meerdere doodgeboren kalveren. Abortusdiagnostiek bleek positief voor Coxiella burnetii. Typering door WBVR wees op een variant die eerder bij runderen is gevonden en niet op de Nederlandse uitbraakstam bij geiten van 2005-2012. Q-koorts is zoönotisch en kan via aerosolen worden overgedragen. Vanwege deze casus is de meldplicht uitgebreid naar hert- en kameelachtigen.
Haemonchose bij schapen • Vanaf half juli werd bij pathologisch onderzoek bij meerdere schapenlammeren sterfte door rode lebmaagwormziekte (haemonchose) vastgesteld door Haemonchus contortus. Daarnaast ontving de Veekijker meerdere signalen van besmettingen. Beheersing blijft uitdagend: de risicoperiode strekt zich de laatste jaren vaak uit van juni tot ver in de herfst. Wisselende weersomstandigheden en toenemende anthelminticaresistentie maken een geïntegreerde aanpak noodzakelijk. GD adviseert structurele monitoring met mestonderzoek, passend bij beweidings- en quarantainebeleid. Bij een behandeling is het advies om het mestonderzoek 10 tot 14 dagen na ontwormen te herhalen.

Uitbraak Lumpy Skin Disease • Op 21 juni 2025 werd op Sardinië het eerste geval van Lumpy Skin Disease (LSD) in Italië vastgesteld op een rundveebedrijf met 131 dieren. Kort daarna volgde een tweede besmetting op het vasteland van Italië (Lombardije). Deze uitbraak was gelinkt aan de aanvoer van dieren van het eerste bedrijf. Op 29 juni 2025 werd ook in Frankrijk een eerste geval bevestigd. Er zijn verplichte EU-maatregelen ingesteld, waaronder ruiming, vaccinatie en reguleringszones. In totaal zijn in 2025 in Italië 80 besmettingen aangetoond, in Frankrijk 117 en in Spanje 18.
Syndroomsurveillance rundvee • Voor de diergezondheidsmonitoring worden via de tankmelk-syndroomsurveillance wekelijks de gegevens van de tankmelkleveranties geanalyseerd. Begin mei werd in meerdere regio’s een aanhoudende daling van de melkgift vastgesteld. Veekijkerdierenartsen namen contact op met dierenartsenpraktijken. Er werden geen ziekte-uitbraken gemeld. Mogelijke verklaringen waren veel oudmelkte koeien na de BTV-3-uitbraak in 2024 en een slechter grasaanbod door droogte. De clusters van melkgiftdaling bleven zichtbaar tot eind tweede kwartaal en verdwenen daarna. Deze casus onderstreept het belang van laagdrempelig overleg tussen Veekijker- en praktijkdierenartsen om signalen snel op te vangen en te duiden.

Figuur: Overzicht van de tankmelk-syndroomsurveillance in het tweede kwartaal van 2025. In rood de waargenomen clusters van verminderde melkproductie ten opzichte van de verwachte melkproductie in de afgelopen vier jaar.

Foto: Big met huidbeschadigingen en crusta door Suipox-1infectie (bron T. Verbrugge, De Oosthof).
Plotse uitval zeugen • In de zomer meldde een varkenshouder een probleem op een vermeerderingsbedrijf: twee zeugen vielen na het spenen uit met slappe achterhand, vermagering en kreupelheid. Bij sectie zijn abcessen gevonden in het bekkengebied aan de binnenkant van het darmbeen. Eén dier had een abces van 10 centimeter met botbeschadiging, het andere een abces van 8 centimeter met botbeschadiging en een bekkenbeenbreuk. De oorzaak was vermoedelijk een gecontamineerde oxytocineflacon. Sinds er kleinere flacons gebruikt worden is het probleem niet teruggekomen.
Toename ILT-uitbraken • In de tweede helft van 2025 was het erg onrustig met infectieuze laryngotracheïtis (ILT). Vanaf september werden meerdere uitbraken vastgesteld, vooral in de Gelderse Vallei. Later volgden ook besmettingen in aangrenzende regio’s en in Overijssel. Ondanks maatregelen vanuit de sector bleven nieuwe uitbraken zich voordoen in de laatste maanden van het jaar. In combinatie met de uitbraken in 2024 laat dit zien dat het wildtype ILT-virus een blijvend risico vormt voor commercieel pluimvee.
Early warning system: meldingen
Niet-commercieel
gevogelte
Vleeskuikens
Reproductiesector - vlees
Leghennen
Opfok-leghennen
Reproductiesector - leg
Figuur: Aantal bij GD gemelde ILT-besmettingen in combinatie met kliniek dan wel detectie van wildtype-virus bij Nederlands pluimvee en niet-commercieel gehouden gevogelte. Vrijwillige meldingen, geen overzicht van alle uitbraken.
Listeria-infectie op opfokstal • Een opfokbedrijf had problemen in een koppel van 24 jonge paarden. Symptomen waren koorts, vermageren en neurologische verschijnselen. Eén dier werd na overlijden aangeboden voor sectie. Naast een rode bloedworminfectie en een dikkedarmontsteking werd een sepsisbeeld door Listeria monocytogenes als doodsoorzaak vastgesteld. Listeria is een opportunistische bacterie die vooral infecties veroorzaakt bij dieren die verzwakt zijn of een onderliggende aandoening hebben. Deze bacteriën kunnen in grond en mest zitten. Slecht geconserveerde kuil vormt een bekend risico. Hier was de kuil echter van goede kwaliteit. Een listeria-isolaat werd gekweekt uit het strooisel van de potstal. Clusteranalyse liet zien dat dit isolaat verwant was aan de listeriabacterie die uit de milt van het overleden dier was gekweekt.

Foto: Het koppel jonge dieren in de stal waar in de bodembedekking listeria werd aangetoond.
Opvallend veel anaplasmose onder paarden • In het voorjaar en de zomer zijn opvallend veel positieve Anaplasma phagocytophilumgevallen bij paarden gemeld, waaronder vijf in één praktijkgebied. De diagnoses zijn gesteld via qPCR op bloedmonsters. Klinische verschijnselen waren: hoge koorts (boven 40 °C), anemie, icterus, oedeem, ataxie, sloomheid en gewichtsverlies. Opvallend genoeg zijn er voor het eerst in dertig jaar ook twee humane autochtone anaplasmosegevallen gemeld in dezelfde periode; sequencing toonde bij mens en paard hetzelfde zoönotische ecotype.


Figuur: SEIN-meldingen van Anaplasma phagocytophilum (april t/m september 2025). Hoe donkerder het postcodegebied des te meer meldingen per gebied.
Oogafwijkingen door anthelmintica vergiftiging • In augustus werd de Veekijker geraadpleegd over lammeren met beiderzijdse blindheid, lichtschuwheid en mydriasis na ontwormen met een closantel-preparaat. Bij pathologisch onderzoek werden beschadigingen aan het netvlies gezien passend bij closantelintoxicatie. Closantel kan bij overdosering (vanaf circa tweemaal adviesdosering) schade aan het netvlies en de oogzenuw veroorzaken en veroorzaakt vaak blijvend ernstige schade. Verschijnselen treden op binnen 3 tot 17 dagen na toediening en vooral bij dieren in slechte conditie. Voorkom overdosering door het dier vóór behandeling te wegen.

Foto: Schaap met verschijnselen van closantelintoxicatie.
Vermoeden van eikelintoxicatie • In september en oktober zagen we bij schapen van meerdere bedrijven een beeld passend bij eikelvergiftiging. Bij pathologisch onderzoek werden puntbloedingen, vocht in de longen, bleke gezwollen nieren en dunne tot soms bloederige darminhoud gezien. Histologisch onderzoek toonde schade aan de nierbuisjes, de lever en bloedingen in het maagdarmkanaal. Verschijnselen treden vaak pas na enkele dagen op, waardoor bij pathologisch onderzoek niet altijd eikels in de pens worden aangetroffen. 2025 was een (regionaal) mastjaar met een hoge eikelproductie en veel vroeg vallend blad. Tannines in eikels en blad veroorzaken vaat-, darm- en nierschade. Het is dus belangrijk om risicopercelen en (sloot)water met eikels te vermijden.

Pensbot bij schapen • In de zomer werd bij pathologisch onderzoek bij schapen enkele keren een infectie met volwassen pensbotten vastgesteld. Ook bij mestonderzoek vindt GD incidenteel pensbot-eieren. Pensen leverbot delen een vergelijkbare levenscyclus met dezelfde slak (Galba truncatula). Pensbot ontwikkelt echter vooral in de pens en leverbot in de lever. Pensbot-eieren duiden op aanwezigheid van volwassen botten. Ziekte door larvale stadia met darmontsteking is zeldzaam en lastig specifiek aan te tonen. Meestal is behandeling niet nodig. Bij leverbot is wél altijd behandeling en preventie nodig.
Pilot Salmonella Enteritidis • Sinds september 2024 is een duidelijke toename van Salmonella Enteritidis (SEN) op melkveebedrijven vastgesteld. Sinds 2023 zien we ook meer SEN-infecties bij mensen en pluimvee. De oorzaak is onbekend. Er is een pilotstudie gestart met daarin een enquête, whole genome sequencing (WGS) van SEN-stammen en vergelijking hiervan met pluimveevaccinstammen. Risicofactoren kunnen zijn: aankoop van vee en gebruik van oppervlaktewater. WGS wees op genetische verwantschap tussen runder- en humane isolaten. Mogelijk is er een verband tussen de besmettingen bij runderen en mensen.
Gezondheid importkalveren in relatie tot leeftijd bij opzet • GD onderzocht of de gezondheid van geïmporteerde kalveren verschilt van in Nederland geboren kalveren en of dit samenhangt met de aankomstleeftijd. Analyse van 2020 tot en met 2024 toont duidelijke verschillen tussen herkomstlanden. Ierse kalveren presteren beter, met lagere uitval en minder antibioticumgebruik. Duitse kalveren presteerden op blankvleesbedrijven minder goed en hadden vaker longaandoeningen. Duitsland hanteert sinds 2023 een minimale afvoerleeftijd van 28 dagen. Vanaf dat moment was zichtbaar dat de vroege uitval van Duitse kalveren (eerste twee maanden) in Nederland daalde. Echter, over de gehele mestperiode werd geen lagere uitval gezien ten opzichte van vroeg opgezette Nederlandse kalveren. Ook qua antibioticumgebruik werd geen duidelijke verbetering gemeten bij later aangevoerde Duitse kalveren.
Zwarte mest na afkalven • De Veekijker ontving meerdere meldingen over koeien met zwarte mest zonder duidelijke oorzaak. De voornaamste oorzaak is een lebmaagulcus. Ook bloedingen in de dunne darm, Jejunal Hemorrhagic Syndrome, pica of medicatie kunnen een rol spelen. Risicofactoren zijn hitte, stress en rantsoenproblemen. Bij sectie werd een lebmaagulcus bevestigd. Dankzij bedrijfsbezoeken werden verschillende risicofactoren voor het ontstaan van lebmaagulcera gevonden, zoals voer- en huisvestingsfactoren, gecombineerd met afkalven en hoge temperaturen.
Stijging meldingen longworm • In het derde kwartaal kreeg de Veekijker veel meldingen over dieren met longworm. Ook werd bij sectie de diagnose longworm vaker gesteld. De leeftijd van de getroffen dieren lag tussen de 13 en 24 maanden, terwijl longworm meestal bij jongere dieren in het eerste weideseizoen voorkomt. De infecties waren ernstig met veel volwassen wormen in longen en luchtpijp. We zien de laatste jaren meer en ernstigere problemen door longworm bij oudere dieren en melkkoeien.


Maagzweer: onregelmatige koppelaandoening op jonge leeftijd • In het najaar werden gespeende biggen vanaf 5 weken gemeld die slechter presteerden, hoestten en niesden. Pathologisch onderzoek toonde meerdere longabcessen. Vervolgdiagnostiek op 7 weken oude biggen liet ontstekingen zien en abcessen, pleuraverklevingen en maagvernauwingen. Mycoplasma, influenza en PCV2 werden niet aangetoond, maar PRRS, Actinobacillus pleuropneumoniae, Bordetella bronchiseptica en Pasteurella multocida wel. De maagvernauwing werd secundair aan een maagzweer geacht. Mogelijke oorzaken zijn voeding, stress, pH, zuren, maalfijnheid, antioxidanten, mycotoxinen of erfelijkheid. Dit gaf de bedrijfsdierenarts nieuwe aanknopingspunten voor verdere analyse.
Er geen bal van snappen… • Op een vleesvarkensbedrijf hadden zware varkens vergrote testes, zonder dat de dieren ziek waren. De transporteur weigerde deze varkens mee te nemen en de Veekijker werd gebeld. Punctie toonde helder vocht, wat op vochtophoping wees. Trauma en draaiing waren onwaarschijnlijk. Brucella suis werd genoemd als mogelijke infectieuze oorzaak, ondanks dat dit meestal eenzijdig voorkomt. De dierenarts overweegt bacteriologisch onderzoek bij volgende gevallen. Alertheid op brucellose blijft belangrijk.
Vogelgriep in Nederland • Sinds oktober 2025 zijn meerdere uitbraken van vogelgriep geconstateerd bij commercieel en hobbypluimvee in Nederland en omliggende landen. In totaal werd in de periode oktober-december bij 27 Nederlandse pluimveebedrijven hoogpathogene aviaire influenzavirus aangetoond. Het virus wordt ook aangetroffen bij wilde vogels, waaronder eenden, ganzen en roofvogels. Vroege herkenning en snelle melding aan de NVWA zijn belangrijk. Lees meer over de vogelgriepsituatie in hoofdstuk 4 of bekijk het volledige dossier Vogelgriep op onze website.
Toename Salmonella Enteritidisbesmettingen (SE) bij legpluimvee • Sinds de zomer van 2023 neemt het aantal SEbesmettingen in de Nederlandse legpluimveesector sterk toe en worden de EU-doelstellingen overschreden. Besmettingen komen voor in alle regio’s en houderijsystemen, vooral bij oudere koppels. DNA-onderzoek wijst uit dat er verschillende SE-stammen circuleren. Ook zijn er meer humane SE-besmettingen, waarbij rauwe of onvoldoende verhitte eieren een besmettingsbron zijn. De pluimveesector heeft extra maatregelen genomen, zoals striktere hygiëneregels en een verhoogde monsternamefrequentie. Onderzoek naar besmettingsbronnen loopt. Meer informatie is beschikbaar via ons webinar op de dossierpagina salmonella.
Aantal leghennenkoppels SE-besmet-verklaard
Figuur: Aantal leghennenkoppels besmet-verklaard voor Salmonella Enteritidis (2022-2025) (bron: NVWA).
Onverklaarde huidlaesies op neus en lippen bij paarden • In het najaar werden veel paarden gemeld met zweren en korstjes op neus en lippen. De dieren hadden geen koorts of andere klachten en herstelden binnen een week vanzelf. Tijdens twee bedrijfsbezoeken zijn de paarden klinisch onderzocht en werden uitgebreide gesprekken gevoerd over de omstandigheden. Daarnaast werd monstermateriaal van verschillende dieren getest. Tot nu toe kon helaas nog geen specifieke ziekteverwekker of andere factor als oorzaak worden aangewezen.
november december
Huidafwijkingen bij hobbygeit door herpesvirus • Een driejarige bok van een kinderboerderij had onverklaarde neurologische verschijnselen en chronische huidklachten. Pathologisch onderzoek liet zien dat de neurologische afwijkingen werden veroorzaakt door listeriose; Listeria monocytogenes werd uit de hersenen gekweekt. Histologisch onderzoek van de huid liet een bloedvatontsteking met plaatselijke zweervorming zien. Aanvullend onderzoek toonde Ovine herpesvirus type 2 (OvHV-2) aan in de milt. Dit past bij boosaardige catarraal koorts (BCK). OvHV-2 verloopt bij geiten vaak subklinisch en kan incidenteel een ernstig ziektebeeld veroorzaken waarbij de bloedvaten ontstoken raken.
Pilot koperintoxicatie rundvee • In een pilotonderzoek naar koperintoxicatie bij rundvee werden hoge kopergehalten in levermonsters onderzocht. De koperconcentraties waarbij leverschade optreedt lopen namelijk nogal uiteen. In de praktijk worden drie categorieën leverkoperconcentraties gebruikt: 100 tot 400 (optimaal), 400 tot 1.000 en meer dan 1.000 (kopervergiftiging) milligram per kilogram droge stof (DS). In deze pilot zijn koperconcentraties gerelateerd aan histologische leverafwijkingen. Leverschade blijkt soms al te ontstaan tussen 600 en 1.000 milligram per kilogram DS. De huidige afkapwaarden blijven van kracht. Ze moeten echter zorgvuldig worden geïnterpreteerd en altijd in combinatie met klinische gegevens en histologie. Scan de QR-code en luister naar de podcast.
Vaker eikelintoxicatie door mastjaar •
In het najaar ontving de Veekijker meerdere meldingen over eikelintoxicatie bij jongvee, meestal geweid in natuurgebieden met eikenbomen. De getroffen pinken vertoonden symptomen zoals sloomheid, lege pens, bloederige neusuitvloeiing, koliek, bloederige diarree, versnelde ademhaling, oedemen en lage lichaamstemperatuur. Soms werden dieren dood aangetroffen. Bij minstens zes runderen werd eikelintoxicatie pathologisch bevestigd, met eikels in het maagdarmkanaal en nierschade door tubulonefrose, bloedingen en ulcera. Tannine, vooral in groene eikels en eikenblad, veroorzaakt de vergiftiging. Dit najaar was een zogenaamd ‘mastjaar’, waarbij de bomen veel eikels produceren.
Luizen bij melkvee • Bij de Veekijker werd melding gemaakt van een melkveebedrijf met jaarlijks terugkerende luizen onder het melkvee. Vrijwel alle dieren waren getroffen, wat leidde tot onrust en productieverlies. Individuele behandelingen hadden onvoldoende effect. Luizenbesmettingen komen meestal voor bij jonge dieren en zelden als koppelprobleem bij melkvee. Het advies was om de soort luizen te identificeren en een passende koppelbehandeling uit te voeren, de weerstand van de kudde te optimaliseren, borstels te vervangen en nieuwe dieren in quarantaine te plaatsen. De koppelbehandeling had een positief effect.


Foto: Microscopische beelden van een bijtende luis (links) en een stekende luis (rechts) bij het rund (bron: phthiraptera. myspecies.info).
Trueperella abortisuis • Trueperella abortisuis is een grampositieve bacterie die bij weinig of geen zuurstof groeit. Het is een opkomende ziekteverwekker bij varkens. De bacterie wordt gelinkt aan reproductieproblemen en abortussen bij zeugen. In de afgelopen tien jaar is T. abortisuis geïsoleerd uit tien inzendingen, voornamelijk uit de baarmoeder, urineblaas en nieren van zeugen en maaginhoud van geaborteerde foetussen. Hoewel de klinische relevantie en epidemiologie nog onduidelijk zijn, kan dit een opportunistische ziekteverwekker zijn. Diagnostiek vereist bacteriologische kweek en histologische analyse.
Kreupelheid • Locomotieklachten bij varkens beïnvloeden het dierenwelzijn en de economische resultaten van varkensbedrijven. In de Online Monitor is 10 procent van de gemelde gezondheidsklachten gerelateerd aan het locomotieapparaat. Locomotieklachten komen voor op alle leeftijden. Bij gespeende biggen komen de meeste gezondheidsklachten voor, terwijl zuigende biggen procentueel meer locomotieklachten hebben. Bij vleesvarkens is 6 procent van de gezondheidsklachten locomotiegerelateerd, vaak veroorzaakt door streptokokkeninfecties. Veelvoorkomende symptomen zijn artritis, kreupelheid en dikke gewrichten.
Ziekte van Aujeszky in Hongarije • Eind 2025 is de ziekte van Aujeszky (ZvA) vastgesteld op een groot zeugenbedrijf in Hongarije. Dit is een wakeup call voor Nederland, dat sinds 2007 vrij is van ZvA zonder vaccinatie. ZvA veroorzaakt bij biggen neurologische verschijnselen, koorts en hoge sterfte, bij gespeende biggen mildere respiratoire verschijnselen, en bij oudere dieren respiratoire problemen en soms abortus. ZvA is besmettelijk voor herkauwers, paarden, honden en katten, maar zij verspreiden de ziekte niet.
Ontschoening bij gelten • Eind 2025 kreeg de Veekijker een bijzondere casus op een bedrijf dat opnieuw dieren aanvoerde na een depopulatie. De aangevoerde gelten van 2 tot 6 maanden oud vertoonden kreupelheid; ongeveer een kwart liep stram of ‘vierkant’ kreupel. Bij twee voor pathologisch onderzoek ingestuurde dieren werd ontschoening van de klauwen vastgesteld, een zeldzame bevinding bij varkens. Aandoeningen zoals MKZ en blaasjesziekte (Swine Vesicular Disease, SVD) werden op basis van stal- en sectiebevindingen uitgesloten. Het zwaarste dier had daarnaast door Pasteurella multocida een ernstige longontsteking waarbij het longweefsel afsterft. De klauwafwijkingen houden mogelijk verband met contact met een desinfectiemiddel in de stal na depopulatie. Andere huidbeschadigingen werden niet gevonden.
Reovirus bij vleeskuikens • In 2025 stelde GD bij 259 secties op vleeskuikens de diagnose peesschedeontsteking door reovirus: 41 keer bij reguliere vleeskuikens en 218 keer bij van vleeskuikens van een trager groeiend ras. Reovirus genogroep 4, en met name subtype 4.7, bleef het belangrijkste, gevolgd door genogroep 1 en een beperkt aantal gevallen met genogroep 2 en 3. Binnen de genogroepen werden dit jaar diverse clusters gevonden, bij sommige van deze clusters wees brononderzoek op verticale transmissie.
Westnijlvirus vastgesteld bij
Nederlandse paarden • In 2025 voerde GD, in samenwerking met WBVR en ondersteund door ministeriële subsidie, opnieuw de syndroomsurveillance uit naar westnijlvirusinfecties (WNV) bij paarden. Dierenartsen konden kosteloos serummonsters insturen van paarden met neurologische verschijnselen. Paarden, net als mensen eindgastheer voor WNV, vertonen vaker neurologische symptomen dan mensen (10% vs. 1%). Hierdoor vervullen ze een waardevolle waarschuwingsfunctie voor de humane gezondheidszorg. Veel aandacht ging naar bewustwording bij paardendierenartsen, wat leidde tot meer ingezonden monsters. Voor het eerst in Nederland werden drie lokaal opgelopen WNV-infecties bij paarden vastgesteld.
Toename influenzagevallen • In het laatste kwartaal van 2025 werden in SEIN meer positieve influenzagevallen gemeld dan gebruikelijk, met vier uitbraken in drie postcodegebieden. Het betrof paarden met respiratoire klachten zoals koorts, neusuitvloeiing en hoesten, die via PCR-diagnostiek positief testten op influenza. Het Irish Equine Centre doet verdere typering op deze monsters. Aanvankelijk werden niet-gevaccineerde paarden getroffen, maar ook gevaccineerde dieren kunnen ziek worden bij hoge blootstelling, vooral als de laatste vaccinatie langer dan zes tot acht maanden geleden is. Deze dieren kunnen het virus zonder duidelijke symptomen uitscheiden, wat verdere verspreiding vergemakkelijkt. Het advies aan bedrijven is daarom om gesloten te blijven tot minimaal twee weken na het laatste klinische geval.

Salmonella-pilot paard • De afgelopen jaren zien we een toename van het percentage salmonella-positieve monsters die worden ingestuurd voor het PCR-diarreepakket bij GD. In 2021 was dit nog 4 procent, inmiddels is het gestegen naar 10 procent. Er loopt bij GD een salmonella-pilot, waarin wordt onderzocht of e-swabs die voor dit PCR-onderzoek worden ingestuurd, ook geschikt zijn voor bacteriële kweek. De resultaten zijn tot nu toe veelbelovend: in 2025 kon in 94 procent van de monsters succesvol een bacterie worden gekweekt. Dit biedt belangrijke meerwaarde, omdat hiermee ook antibioticumgevoeligheidsbepalingen en typering mogelijk zijn.

Landsgrenzen vervagen, mensen reizen vaker en verder. Dit vergroot de kans op insleep van ziekten. Het is daarom belangrijk zicht te houden op diergezondheid in binnen- én buitenland.
Samen sta je sterker en weet je meer. Daarom is het belangrijk dat verschillende organisaties samen werken voor de monitoring van diergezondheid. Binnen Nederland én daarbuiten. Door de jaren heen is een uitgebreid netwerk ontstaan, dat nog steeds groeit.
Diergezondheid in Nederland
De diergezondheidsmonitoring is een initiatief van de overheid en de veehouderijsector. De betrokken partijen geven mede vorm aan de wijze waarop de monitoring plaatsvindt en laten zich adviseren door GD. Deze samenwerking tussen private en publieke partijen is één van de succesfactoren van de monitoring. De overheid en brancheorganisaties werken onder andere samen in de Begeleidingscommissies Monitoring. Vier keer per jaar worden daarin resultaten uit de monitoring besproken, en wordt besloten of vervolgstappen nodig zijn, zoals het uitvoeren van extra onderzoek, communicatie richting dierenartsen of beleidsaanpassingen.
Ook samenwerking met andere partijen is een groot onderdeel, omdat zij aanvullende kennis en informatie hebben of andere laboratoriumtechnieken gebruiken. Zoals bij verdenkingen of uitbraken van meldings- en bestrijdingsplichtige ziekten. Ontstaat er vanuit de diergezondheidsmonitoring de verdenking dat sprake is van zo’n ziekte, dan stuurt GD het onderzoeksmateriaal in overleg met de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit door naar Wageningen Bioveterinary Research, waar het laboratoriumonderzoek wordt gedaan en een definitieve diagnose wordt gesteld. Ook wisselen we kennis uit met het Dutch Wildlife Health Centre en het Centrum Monitoring Vectoren.
De gezondheid van mens en dier hangt nauw met elkaar samen. Voor de monitoring van de volksgezondheid is het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu de centrale speler. Humane en veterinaire gezondheidspartijen werken samen onder het principe ‘One Health’, om tijdig maatregelen te kunnen nemen bij zoönosen. Dit zijn ziekteverwekkers die van dieren op mensen kunnen worden overgedragen. Het beschermen van de gezondheid van mens en dier staat daarbij altijd voorop. GD neemt deel aan het landelijke Signaleringsoverleg Zoönosen, waarin maandelijks bevindingen uit zowel volksgezondheid als diergezondheid worden doorgenomen door deskundigen uit zowel de humane als de veterinaire sector.
Internationale samenwerking
Dierziekten stoppen niet bij de landsgrens. Door het veranderende klimaat en toenemende internationale handel neemt de kans op verspreiding van dierziekten toe. GD werkt op het gebied van onderzoek en kennisuitwisseling samen met een breed internationaal netwerk van onderzoekers en laboratoria. Dit netwerk, binnen en buiten Europa, groeit gestaag. Door de uitwisseling van monitoringsbevindingen worden deze in een breder internationaal kader geplaatst. Dit vergroot de kans op vroegtijdige opsporing van nieuwe aandoeningen en meer inzicht in de best mogelijke respons daarop.

De European Food Safety Authority (EFSA) is belast met de onafhankelijke wetenschappelijke advisering over risico’s in de Europese voedselketen, inclusief diergezondheid en zoönosen. De organisatie legt de wetenschappelijke basis voor de wetten en regels die alle EU-burgers beschermen tegen voedselgerelateerde risico’s over de hele keten: van boerderij tot bord. De EFSA adviseert de Europese Commissie, het Europees Parlement en de lidstaten gevraagd en ongevraagd over deze onderwerpen. Jaarlijks krijgt de EFSA van elke lidstaat een zoönoserapport, dat als basis dient voor de eigen verslaglegging en het daaruit voortkomende beleid. Veel van de data voor het Nederlandse zoönoserapport komen van Royal GD en worden samengebracht door de officiële zoönoseverslaglegger bij de NVWA, Maria Catania.
Maria Catania, senior inspecteur zoönosen bij de NVWA
“Alle lidstaten zijn onder de Europese Zoönose Richtlijn 2003/99/EG verplicht om jaarlijks een zoönoserapport in te leveren. De NVWA is in Nederland aangewezen om deze data voor de EFSA te verzamelen. Ik ben de verantwoordelijke ‘Reporting Officer (RO)’ en mijn rol is om alle mogelijke data die beschikbaar zijn over zoönosen, zoönotische agentia, antimicrobiële resistentie en voedselgerelateerde uitbraken in Nederland bij elkaar te brengen.
Onderdeel van grote Europese analyse Het doel van het Nederlandse zoönoserapport is om zo veel mogelijk goede data bij de EFSA te krijgen. De lidstaten moeten ieder jaar - vóór eind mei - hun data aanleveren. De EFSA heeft vervolgens de taak om al deze gegevens op Europees niveau te analyseren en samen te brengen in één Europees rapport, het European Union One Health Zoonoses Report (EUOHZR). In het kader van One Health werkt de organisatie daarbij voor de humane component samen met de European Center for Disease Prevention and Control (ECDC). De resulterende analyse geeft uiteindelijk een geïntegreerd beeld van zoönosen bij mensen, dieren en voedsel in Europa en dient als basis voor de risicobeoordeling en beleidsvorming binnen de EU en de lidstaten.
Dataverzameling bij GD
De informatie die voortkomt uit de wettelijke taken voor diergezondheidsmonitoring van GD heeft grote waarde voor het zoönoserapport van Nederland. Wij ontvangen deze data van GD. Het verzamelen van de data gaat op een geharmoniseerde manier, die de vertaling naar de werkwijze van EFSA gemakkelijker maakt. Elk jaar in februari stuur ik een formeel verzoek aan GD om de data te ontvangen. Hiervoor is een Excel beschikbaar, die wij bij de NVWA als een soort tussenstap inzetten om de gegevens overal op dezelfde manier te kunnen verzamelen, zonder dat het heel ingewikkeld is voor degenen die de data aanleveren. De dataset van GD wordt dus eerst omgezet naar onze NVWAEFSA-format en wij vertalen dat dan verder naar de rapportage die de EFSA verlangt. Naast de spreadsheets levert GD ook een tekstformulier aan, waarin de dataset wordt beschreven en toegelicht. Bijvoorbeeld over de prevalentie van bepaalde zoönosen, de waargenomen trends, de gebruikte laboratoriummethodieken en de wettelijke basis voor de uitgevoerde monitoring.
Data naar de EFSA
“Om op Europees niveau een complete en consistente dataset te krijgen is een grote uitdaging”
Naast GD leunen wij ook op interne dataleveranciers van de NVWA en externe dataleveranciers, bijvoorbeeld het Erasmus MC en het RIVM. Ook ben ik verantwoordelijk voor het uitzoeken van nieuwe datastromen die gerapporteerd kunnen worden. Als we alles verzameld hebben, een klus waarbij een data-analist ondersteunt, gaat de data op een gestandaardiseerde manier naar de EFSA. Daarna volgen een of meerdere validatie- en correctierondes bij EFSA zelf, waarna wij meestal wat vragen ontvangen over onduidelijkheden en mogelijke fouten. Dat gebeurt in de zomer en soms moeten we dan terug voor uitleg naar onze dataleveranciers, zoals GD. Na de validatierondes worden de data officieel door de ‘Reporting Officer’ gevalideerd en zijn deze klaar voor gebruik in de officiële rapportages. In oktober komen de reporters van alle lidstaten samen in het Italiaanse Parma, waar de EFSA gezeteld is. We praten dan over wat er gevonden is en wat de nieuwe uitdagingen zijn, zowel inhoudelijk als technisch. Het officiële eindrapport van de EFSA wordt in december openbaar online gepubliceerd en naar alle dataleveranciers gestuurd.
Soepele samenwerking
De samenwerking met GD bij het verzamelen van de zoönosedata verloopt ontzettend goed. We bespreken elk jaar in januari hoe het proces in het afgelopen jaar verlopen is, wat de ervaringen van de dataleveranciers zijn, of er iets aangepast moet worden en wat er nog meer speelt. Dankzij deze evaluatie kunnen we mogelijke knelpunten wegwerken en het proces steeds verder verbeteren. Binnen onze samenwerking vind ik het belangrijk om toegankelijk te zijn en de zaak transparant te houden. De EFSA probeert dat ook en wij willen met de door ons ontworpen tussenstappen het proces voor iedereen vergemakkelijken. Die transparantie en toegankelijkheid is bovendien heel belangrijk om een goede kwaliteit van de verzamelde data te garanderen en te zorgen voor zodanige harmonisatie van de data dat deze ook met elkaar te vergelijken zijn.
Uitdagingen in een veranderende wereld Het is een complexe rapportage en dat geeft uitdagingen, voor alle betrokkenen. Er is sprake van een veranderend zoönosepatroon in Europa door onder meer klimaatverandering, globalisering, import en export. Ook de complexiteit neemt steeds verder toe. De EFSA vraagt elk jaar net weer wat anders, afhankelijk van de epidemiologische situatie in de verschillende lidstaten. Dat kan het lastig maken, ook voor onze dataleveranciers. Het is een continu veranderend proces en dat vraagt ook om flexibiliteit in de monitoringsrapportage en veel afstemming met de EU en de andere lidstaten. We doen dit in een netwerk dus het is heel belangrijk dat we steeds blijven bespreken wat er beter kan en wat goede manieren zijn om het proces verder te ontwikkelen. Ook de datakwaliteit zelf vraagt om constante aandacht: om op Europees niveau een complete en consistente dataset te verkrijgen, is een grote uitdaging. Het uiteindelijke doel is echter duidelijk en belangrijk: het verminderen van zoönosen bij dieren en mensen.

De diergezondheidsmonitoring is een initiatief van de overheid en de veehouderijsector. Betrokken partijen geven mede vorm aan de wijze waarop de monitoring plaatsvindt en zijn betrokken bij het bespreken van bevindingen uit de monitoring.
Samenwerking is van belang omdat andere partijen aanvullende kennis en informatie hebben of bijvoorbeeld andere laboratoriumtechnieken gebruiken.
Centrum Monitoring Vectoren (CMV)


Signaleringsoverleg
Zoönosen
Volksgezondheid en diergezondheid hangen nauw met elkaar samen. Onder de noemer ‘One Health’ werken humane en veterinaire gezondheidspartijen samen om tijdig maatregelen te kunnen nemen bij zoönosen: ziekten die van dieren op mensen kunnen worden overgedragen. Het beschermen van de gezondheid van mens en dier staat daarbij altijd voorop.


European Veterinary Surveillance Network
Dierziekten stoppen niet bij de Nederlandse grens. Door het veranderende klimaat en de toenemende internationale handel neemt de kans op verspreiding van dierziekten over grenzen toe. GD werkt op onderzoeksgebied en kennisuitwisseling samen met een breed internationaal netwerk van onderzoekers en laboratoria. Dit netwerk, binnen en buiten Europa, groeit gestaag.







TOTAAL 28.654 BEDRIJVEN
12.710 melkveebedrijven
15.944 niet-melkleverende bedrijven
TOTAAL ±4,0 MILJOEN DIEREN
861.122
melkvee jonger dan 2 jaar
1.550.726
melkvee ouder dan 2 jaar
1.565.860 overig rundvee
3.540 VEEKIJKERCONTACTEN
TOTAAL 2.339 PATHOLOGIE-INZENDINGEN
Diagnoses per orgaansysteem
Maagdarmkanaal en lever
Luchtwegklachten
Hart en bloedvaten
Urineweg en geslachtsapparaat
BEDRIJFSDICHTHEID*
UBN’s
UBN’s
*Bedrijfsdichtheid van rundveebedrijven in Nederland per tweecijferige postcode. Hoe donkerder het gebied, hoe meer bedrijven er aanwezig zijn.
Sereuze vliezen
Overige infectieuze aandoeningen
Overig

Vanaf begin oktober ontving GD jonge runderen voor pathologisch onderzoek, met als klinische verschijnselen waterige tot zwarte diarree, vermagering, sloomheid en acute sterfte. De getroffen dieren stonden vrijwel allemaal volledig buiten. Het ging om meerdere bedrijven verspreid over Nederland, die binnen korte tijd te maken kregen met sterfte van een significant deel van hun jongvee. Bij sectie werden ulcera (zweren) in de bek of mondholte en slokdarm gevonden en oxalaatkristallen in de nieren.
De ernst van de aandoening en de snelheid waarmee in de eerste weken gestorven dieren binnenkwamen in de sectiezaal, vroegen om actie. Om snel grip te kunnen krijgen op de situatie, oorzaken en bestrijding, werden twee parallelle trajecten gevolgd. De oorzaak van de symptomen kon infectieus zijn, of het gevolg van blootstelling aan een toxische stof. We begonnen direct met het uitsluiten van bekende oorzaken zoals blauwtong (BT), Boosaardige Catarraal Koorts (BCK) en Bovine Virus Diarree (BVD). Tegelijkertijd is ook een zogenaamde ‘pathogen virus discovery’ opgestart, om te zoeken naar andere virale oorzaken. We moeten immers altijd rekening houden met de mogelijkheid dat het om een nieuwe ziekte gaat. De ’Leidraad Positieve Bevindingen’ is hierbij leidend. Deze leidraad geeft aan wat er moet gebeuren, wanneer de NVWA en andere instanties betrokken moeten worden en of de begeleidingscommissie of het Signaleringsoverleg Zoönosen (SO-Z) geïnformeerd moeten worden. Er werd geen gemeenschappelijke infectieuze oorzaak gevonden voor de verschijnselen bij de ingestuurde dieren. Uit gesprekken met veehouders en bedrijfsdierenartsen bleek bovendien dat er geen andere gemeenschappelijke bron was, zoals in voer, drinkwater of medicatie. De problemen speelden alleen bij runderen, niet bij andere diersoorten.

Linda van Duijn, dierenarts, sectormanager en hoofd monitoring Rund bij Royal GD
Na een maand was de toestroom van gevallen lager, in totaal ging het om dieren van elf bedrijven. De in de nieren gevonden oxalaatkristallen zijn zeer specifiek. Ondertussen startte ook het onderzoekspoor naar blootstelling aan een onbekende giftige stof. Er is lang gedacht aan eikelvergiftiging, maar dat klopte niet helemaal met het totaalbeeld. De hypothese is nu dat oxaalhoudend plantaardig materiaal de oorzaak is, ondanks dat deze planten niet massaal voorkwamen op de bezochte percelen. Mogelijk produceren bepaalde planten onder specifieke omstandigheden veel meer oxaalzuur. In 2026 gaat het onderzoek verder naar een plant die in dit plaatje past.
Dankzij de dierziektemonitoring worden signalen snel opgevangen. Zo kunnen we snel handelen, ook als er uiteindelijk geen sprake is van een infectieziekte. Door met de verschillende disciplines en partners te schakelen versmalt de zoektocht zich vlot en wordt verder dierenleed zoveel mogelijk beperkt.


Naomi de Bruijn, dierenarts en patholoog bij Royal GD
“We moesten hier direct iets mee”
“De eerste gevallen kwamen binnen in een week dat ik meerdere keren in de sectiezaal stond en bovendien histologiedienst had. Ik zat er meteen middenin. Er kwamen steeds dieren bij uit verschillende delen van Nederland. Pinken zijn niet zo vaak ziek, dus als er twee of drie achter elkaar binnenkomen, gaan we al met de Veekijker schakelen. Zweren in de mondholte en slokdarm zie je niet veel en het valt ook pas op bij sectie. Omdat zoiets ook op bijvoorbeeld blauwtong of monden-klauwzeer kan wijzen, zijn we altijd heel alert. Opmerkelijk was ook dat de pensinhoud veel te waterig was en dat de nieren en milten gezwollen waren.
Bij het histologisch onderzoek kwamen de specifieke nierafwijkingen snel in beeld. Op basis hiervan konden we vanuit de pathologie de Veekijkerdierenartsen informeren en hebben we gezamenlijk een lijst met mogelijke oorzaken opgesteld. De Veekijkerdierenartsen zijn ondertussen bij de bedrijven een aanvullende anamnese gaan uitvragen volgens een uniforme vragenlijst. Die interne samenwerking is heel mooi. In het begin waren er nog allerlei mogelijke oorzaken. Bij de secties verzamelen we daarom voor al die mogelijkheden materiaal. Bijvoorbeeld orgaanmateriaal, maar ook de pensvloeistof die later voor toxicologisch onderzoek is gebruikt. In de nieren vonden we bij microscopisch onderzoek
steeds hetzelfde beeld van ernstige schade in een specifiek deel van de nieren. Met een polarisatiefilter zagen we daarin een ophoping van kristallen met een specifieke vorm: oxalaatkristallen. Een heel zeldzaam en specifiek beeld. In de literatuur kwamen geen ziektes voor die dit konden veroorzaken, wel een aantal toxische oorzaken. Een mogelijkheid kan blootstelling aan oxalaatvormende planten zijn. Dieren eten vaker oxalaathoudende planten en breken het oxalaatzuur af in de pens. Hieraan kunnen runderen zich goed aanpassen. Bij een plotselinge hele hoge blootstelling lukt dat echter niet meer en worden oxalaatkristallen gevormd. Uiteraard kun je een nieuwe infectieziekte ook nooit uitsluiten en was er reden om dit verder te onderzoeken. We zagen steeds duidelijk een vergelijkbaar beeld in verschillende stadia, dat was een uitdagende puzzel. Je wilt zo graag verklaren wat er aan de hand is. Mijn drijfveer is om te zorgen dat mensen begrijpen wat er gebeurd is en de mogelijkheid krijgen om herhaling te voorkomen.
In 2026 gaan we in een aantal richtingen verder kijken met het bewaarde materiaal. Ook nieuwe theorieën kunnen we daarmee onderzoeken. We houden er bovendien rekening mee dat we dit beeld terugzien als de klimaat- en groeiomstandigheden vergelijkbaar worden als in de vochtige herfst van 2025.”

Deon
van der Merwe,
veterinair milieutoxicoloog bij Royal GD
“Dit kan je niet alleen oplossen“
“Als er een mogelijke vergiftiging speelt, is toxicologisch onderzoek nodig. Welke gifstoffen kunnen in de omgeving aanwezig zijn? Hoe kunnen die terechtkomen in het dier? Past dit bij het klinische beeld? We hanteren een logische progressie om tot een diagnose te komen.
In eerste instantie leek het om eikelintoxicatie te gaan, ook omdat 2025 een mastjaar was (bomen en planten dragen dan meer vrucht dan gemiddeld) en er eikenbomen bij de weilanden stonden. Eikelvergiftiging is echter vrij zeldzaam en zoveel sterfte was ongewoon. Bovendien is typisch voor eikelvergiftiging dat er veel eikels of eikenbladeren in de pens zitten. Dat zagen we nu niet, hooguit wat fragmenten. Het histologisch onderzoek liet zien dat er oxalaatkristallen in de nieren zaten. Dat past niet bij een typische eikelvergiftiging, wel bij de opname van grote hoeveelheden oxaalzuur of antivries. De vorming van oxaalzuur is deel van de normale fysiologie van planten, maar meestal alleen in kleine hoeveelheden. Het raadsel was: hoe is het mogelijk dat dieren in een weide zulke grote hoeveelheden oxaalzuur binnenkrijgen? Een zoektocht zoals deze is altijd een uitdaging. Je begint met een open vraag die je steeds verder specificeert. Het is een soort fuik; het aantal mogelijke oorzaken wordt steeds

kleiner. Hoe lang zo’n zoektocht duurt, hangt van veel factoren af. Soms kunnen er veel oorzaken zijn voor één specifiek toxisch beeld. De bedrijven zijn uitgebreid gebeld en deels bezocht, vaak al heel snel. We zochten een gemene deler, een factor die gelijk was tussen de verschillende locaties. Denk aan pesticides, zware metalen, giftige planten. Maar er was nergens een overeenkomst, behalve de grote hoeveelheden eikels. De betrokken bedrijfslocaties hadden niet opmerkelijk veel oxaalzuurhoudende planten en er stond voldoende gras voor de dieren.
Dit is niet iets wat één discipline kan oplossen, je hebt een toxicoloog nodig en ook pathologen, dierenartsen met kennis van infectieziekten en de veldobservaties doen. Bij GD hebben we al die expertise in huis. De samenwerking is snel en efficiënt. In dit geval werkten we bovendien samen met de faculteit Diergeneeskunde in Utrecht. Waar het oxaalzuur vandaan kwam, weten we nog niet zeker. De literatuur noemt meerdere factoren die de oxaalzuurproductie van planten verhoogt. Het kan bijvoorbeeld een gevolg zijn van een schimmelinfectie. Mogelijk speelde er afgelopen herfst een schimmelinfectie op de overvloedig aanwezige eikels. In 2026 gaan we dit verder onderzoeken.”

TOTAAL 10.182.000 VARKENS
4.283.000 gespeende biggen (tot 50 kg)
3.370.000 vleesvarkens (>50 kg)
TOTAAL ± 10,2 MILJOEN DIEREN
BEDRIJFSDICHTHEID*
1.622 VEEKIJKERCONTACTEN
87% van de bellers is
UBN’s
*Bedrijfsdichtheid van varkensbedrijven in Nederland per tweecijferige postcode. Hoe donkerder het gebied, hoe meer bedrijven er aanwezig zijn.
1.797 PATHOLOGIE-INZENDINGEN AFRIKAANSE VARKENSPEST
36% van de pathologie-inzendingen betrof gespeende biggen
944 meldingen bij gehouden varkens: 476 in Roemenië 233 in Servië
11.194 meldingen bij wilde zwijnen: 2.001 in Duitsland
ONLINE MONITOR VARKEN
2.688 verschillende bedrijven Meest gemeld: respiratieklachten. Meest gestelde waarschijnlijkheidsdiagnoses: streptokokken, App, influenza en PRRS.
160 verschillende dierenartsen en 63 verschillende dierenartspraktijken meldden gezondheidsstatussen in de Online Monitor.

Vanaf het najaar van 2024 kreeg de Veekijker meldingen over biggen met vergrote ogen, scheelzien en een rode huid. De meeste dieren herstelden weer en er was geen merkbaar verhoogde sterfte op de bedrijven. Onderzoek liet zien dat het om een tot dan toe in varkens onbekende variant van parvovirus ging.
In de loop van 2025 nam het aantal bedrijven met het nieuwe ziektebeeld toe, met name in Oost- en ZuidNederland. Aan het einde van de zomer stond de teller op tachtig bedrijven.
Verschijnselen nieuwe aandoening
De verschijnselen van deze nieuwe aandoening zijn bolle ogen met een afwijkende stand en soms een rode, kalende en rimpelige huid. De afwijkingen komen voor bij enkele biggen in een deel van de tomen, maar niet bij allemaal. Varkenshouders en dierenartsen geven aan dat de verschijnselen na verloop van tijd ook weer verdwijnen, al houden sommige dieren restverschijnselen waardoor ze niet als kwalitatief hoogwaardig vleesvarken verkocht kunnen worden. De impact is per bedrijf zeer wisselend, maar kan alsnog aanzienlijk zijn. Het is momenteel nog onduidelijk of er langetermijnschade ontstaat.
Parvovirussen bij varkens
Vrijwel iedere diersoort kent een of meerdere soorten parvovirus. Elk parvovirus heeft een eigen voorkeur voor bepaalde organen en daardoor leidt infectie tot andere klinische verschijnselen. Bij het varken zijn verschillende parvovirussen beschreven, waarvan Porcine Parvovirus type 1 (PPV1) de bekendste is en vruchtbaarheidsproblemen geeft.
Zoeken naar oorzaak
In samenwerking met diverse dierenartsenpraktijken, voerleveranciers en experts is intensief gezocht naar een mogelijke verklaring voor de nieuwe verschijnselen. Ook is uitvoerig pathologisch en aanvullend onderzoek uitgevoerd bij GD. Bij zieke biggen zijn grote hoeveelheden van gehele genetische sequenties van een nieuw parvovirus in de organen gevonden. De verschijnselen worden waarschijnlijk inderdaad veroorzaakt door een variant van parvovirus die we nog niet bij varkens kenden. Dit nieuwe virus is genetisch significant anders dan PPV1. De enting die zeugen tegen PPV1 krijgen, biedt daarom waarschijnlijk geen bescherming tegen de nieuwe variant.
Zoönotisch risico
Met de kennis van nu is het zeer onwaarschijnlijk dat het nieuwe parvovirus een risico vormt voor mensen. Parvovirussen zijn meestal diersoortspecifiek en springen maar zelden over tussen diersoorten. Het virus is heel resistent en waarschijnlijk een blijvertje. Vanaf begin 2026 is een PCR-test voor dit parvovirus beschikbaar en kunnen dierenartsen bevindingen doorgeven in de Online Monitor. Daarmee houdt GD zicht op de verspreiding van dit nieuwe virus.
Scan de QR-code voor de dossierpagina over parvovirus


Tijs
Tobias, Europees veterinair specialist varkensgezondheidszorg bij Royal GD
“Ook voor dit virus is bedrijfshygiëne essentieel”
“Het patroon van de eerste klachten was verwarrend. De verschijnselen werden waargenomen bij gangbare en biologische bedrijven en bij bedrijven met verschillende genetica, dierenartspraktijken en diervoederleveranciers. We tastten echt in het duister.
Al het onderzoek dat we gedaan hadden vanaf eind 2024 liep steeds op niets uit. Hoewel we met allerlei specialisten overlegden, konden we steeds niet alle verschijnselen in deze combinatie verklaren. Het kantelpunt kwam in het voorjaar van 2025, toen er meer meldingen kwamen. Er bekroop me iets ongemakkelijks. Het werd duidelijk dat we met iets nieuws te maken hadden. Uiteindelijk is in een intern overleg geopperd om een andere diagnostische techniek toe te passen. Gelukkig had dat wel resultaat.
We hebben een relatief nieuwe analysemethode gebruikt die onze collega’s van R&D aandroegen. Met deze ‘virus discovery’ hebben we DNA van dit virus kunnen vinden in monsters van zieke dieren. Bij monsters van gezonde biggen van gezonde bedrijven vonden we dit DNA-materiaal niet. Het virus dat we vonden was bovendien nog niet eerder gezien in monsters van varkens. Deze nieuwe parvovirusvariant lijkt genetisch het meest op een parvovirus dat in 2012 is aangetroffen in poepmonsters van vossen in
Nederland. Het nieuwe parvovirus heeft enkele mutaties ten opzichte van dat vossenvirus. Hoe het bij de varkens is gekomen, weten we niet. Het is onwaarschijnlijk dat het virus zich via de lucht verspreidt, andere parvovirussen worden uitgescheiden via bloed, mest en urine.
Bekend van parvovirussen is dat ze heel goed en lang aantoonbaar blijven op varkensbedrijven. Biosecurity en bedrijfshygiëne zijn daarom heel belangrijk om dit nieuwe parvovirus buiten de deur te houden. We hebben nog geen infectieproeven gedaan, maar parvovirussen worden meestal eenvoudig oraal opgenomen. Verspreiding kan ook via het uitvoeren van reguliere handelingen in de veehouderij plaatsvinden. We krijgen intern en ook van externe partijen complimenten dat we dit nieuwe virus gevonden hebben. Zelf ben ik kritisch of het wel snel genoeg ging, maar we zijn met redelijk beperkte middelen en capaciteit best vlot tot een verklaring gekomen. Mede dankzij alle partijen die hebben samengewerkt en het enthousiasme van al die mensen om beter te begrijpen wat er aan de hand was. Het zou fijn zijn als we nog wel infectieproeven kunnen doen met dit virus. Zowel voor de ultieme bewijsvoering dat het virus deze verschijnselen veroorzaakt, maar ook om het virus beter te begrijpen en daarna beter te kunnen bestrijden.”
Carmijn Meulenbroek, varkensdierenarts bij De Oosthof
“Veehouders waren niet in paniek, men was vooral heel nieuwsgierig“
“In december 2024 zag een van mijn collega’s voor het eerst biggen met bolle ogen en een roze, rimpelige en schilferige huid. We hebben toen de Veekijker gebeld met de vraag wat dat kon zijn. GD heeft een groot netwerk met specialisten en zij nemen ook de tijd om zaken uit te zoeken. Al snel zagen we ook op andere bedrijven deze ‘bijzondere biggen’. Uiteindelijk kreeg een aanzienlijk deel van onze varkenshouders ermee te maken.
Aan het begin van de uitbraak ontstond natuurlijk veel speculatie. Veehouders zagen bijvoorbeeld verschijnselen na wisseling van medicatie. Het was goed dat alle bedrijven met deze verschijnselen een uitgebreide vragenlijst hebben ingevuld, want daaruit bleek dat de bedrijven onderling heel verschillend waren. Dat hielp om de veehouders gerust te stellen. We wisten niet wat het wél was, maar het was in elk geval duidelijk dat het niet uit bijvoorbeeld medicatie of voer kwam.
Wij hebben zelf bloedtests gedaan en biggen ingestuurd naar GD voor pathologisch onderzoek. Ik was het aanspreekpunt voor onze praktijk en heb veel contact gehad met GD. Het was erg fijn om korte lijntjes te hebben en snel te kunnen schakelen. Ik ben blij dat GD met nieuwe methodes is gaan zoeken om toch iets

te vinden, nadat de eerste tests geen duidelijkheid gaven.
Veel veehouders waren minstens zo geïnteresseerd in wat het kon zijn als wij. Ze belden regelmatig om te horen of we al een uitslag hadden. De biggen zagen er weliswaar gek uit, maar leken er weinig last van te hebben. Ook de productie ging niet drastisch omlaag op de eerste bedrijven met verschijnselen. Dat heeft wel geholpen om paniek te voorkomen, men was vooral heel nieuwsgierig. Ook wij wilden natuurlijk zo snel mogelijk weten wat het was, maar je moet wel een goed onderbouwde uitspraak kunnen doen. Dat betekent: zelf rustig blijven en eerlijk zijn over wat je wel en niet weet. Veel mensen kunnen er gelukkig goed mee omgaan als je aangeeft dat je iets niet weet.
Eind 2025 hebben we nog een staartje gehad van deze uitbraak, verder is het rustig. Bij bedrijven die het gehad hebben, zien we heel af en toe nog een big of een toom met verschijnselen. We vermoeden dat daar voorlopig een vorm van bedrijfsimmuniteit is ontstaan. Mochten de verschijnselen weer opduiken, dan kunnen we de nieuwe PCR-test gebruiken.”
1.046 bedrijven met vleeskippen (inclusief opfok en fok)
1.010 bedrijven met legkippen (inclusief opfok en fok)
37 bedrijven met eenden
29 bedrijven met kalkoenen
BEDRIJFSDICHTHEID* >74 UBN’s 14-74 UBN’s 2-13 UBN’s 1 UBN

1.668 VEEKIJKERCONTACTEN
1.162 PATHOLOGIE-INZENDINGEN
Reguliere secties: 660
Secties peilpraktijken: 311
NVWA-slachtlijnonderzoek: 77
Secties monitoringspilots: 40
453.208 ONDERZOCHTE MONSTERS
AI EN NCD
*Bedrijfsdichtheid van pluimveebedrijven in Nederland per tweecijferige postcode. Hoe donkerder het gebied, hoe meer bedrijven er aanwezig zijn.
EARLY WARNING SYSTEM
Salmonella Gallinarum/Pullorum: 1 melding
Mycoplasma gallisepticum: 8 meldingen
Coryza/Avibacterium paragallinarum: 17 meldingen
Gumboro: 29 meldingen
ILT: 39 meldingen
AI-ELISA: 165.004
AI-AGP: 2.250
NCD-HAR: 269.824

Na een paar relatief rustige jaren werd de Nederlandse pluimveehouderij in 2025 opnieuw geconfronteerd met veel uitbraken van vogelgriep. Na enkele uitbraken in het eerste kwartaal, volgden vanaf begin oktober de uitbraken van vogelgriep elkaar in rap tempo op. Deze situatie duurde ook in het eerste kwartaal van 2026 nog voort.
Voorheen werden alle pluimveebedrijven binnen een straal van 1 kilometer rondom een besmet bedrijf preventief geruimd om verdere verspreiding tussen bedrijven te voorkomen. Uit genetisch onderzoek is echter gebleken dat er met de huidige werkwijze, waarbij veehouders en dierenartsen mogelijke verdenkingen al in een erg vroeg stadium melden en de NVWA snel alle vervolgstappen onderneemt, er nog zelden verspreiding van vogelgriepvirus plaatsvindt van besmette locaties naar buurbedrijven. Wanneer een buurbedrijf toch ook besmet raakt, is dit doorgaans het gevolg van een nieuwe virusintroductie vanuit besmette wilde vogels in de omgeving.
Als vervanging van het preventieve ruimen binnen de 1-kilometerzone wordt tegenwoordig gebruikgemaakt van de mogelijkheid tot intensieve screening van nabijgelegen pluimveebedrijven middels de telefonische screening en in sommige gevallen aangevuld met kadaverbemonstering. De NVWA besluit per uitbraak welke bedrijven binnen de 1- en 3-kilometerzone op welke manier intensief gemonitord moeten worden. De monitoring van de buurbedrijven bestaat, naast een eenmalige screening door de NVWA, uit een dagelijkse telefonische screening. Hierbij neemt GD gedurende veertien dagen dagelijks contact op met de betrokken pluimveehouders. Hierbij worden
de hoogte van de uitval, het koppelbeeld in de stal en de productiegegevens (zoals de voer- en wateropname en de eiproductie) geëvalueerd. Daarnaast worden van sommige, door de NVWA aangewezen bedrijven, gedurende tien dagen de kadavers opgehaald en bij GD bemonsterd en onderzocht op aanwezigheid van het vogelgriepvirus. Bij een positieve uitslag wordt een bedrijf ‘verdacht’ verklaard en volgt een bedrijfsbezoek door een NVWA-specialistenteam met daarin een dierenarts van de NVWA, een pluimveedierenarts van GD en de praktiserend dierenarts van het bedrijf. Nieuwe monsters worden op het bedrijf genomen en onderzocht op de aanwezigheid van het vogelgriepvirus bij Wageningen Bioveterinary Research (WBVR), het nationaal referentielaboratorium voor aviair influenzavirus. Pas als in die monsters vogelgriepvirus wordt vastgesteld, beschouwt de NVWA het bedrijf als ‘besmet’.
Het vogelgriepvirus is niet alleen een risico voor vogels. Ook bij allerlei zoogdiersoorten waaronder zeezoogdieren, vossen en katten, zijn wereldwijd besmettingen vastgesteld. In 2025 werden in Nederland bijvoorbeeld meerdere zieke kittens en vossen gevonden. Ook zijn er op een rundveebedrijf antistoffen tegen vogelgriepvirus aangetoond, waarbij het vogelgriepvirus overigens zelf niet aangetoond kon worden. In de Nederlandse pluimveehouderij is de monitoring van vogelgriep zeer gedegen en dekkend. Wel onderstrepen de vogelgriepuitbraken het belang van goede bioveiligheid, alertheid en snel handelen bij een verdenking. Scan de QR-code voor de dossierpagina over vogelgriep

Mirthe de Wit,
dierenarts
pluimvee bij Royal GD
“De telefonische screening en kadaverbemonstering zijn een hele goede vervanging voor de preventieve ruimingen in de 1-kilometerzone”
“De telefonische screening en kadaverbemonstering doet GD in opdracht van de NVWA. Een pluimveedierenarts van GD beoordeelt de geschetste situatie op het bedrijf na contact met de pluimveehouder en stuurt de NVWA daar dagelijks een rapport over. Wanneer er aanleiding is om te denken dat er mogelijk vogelgriep speelt op een bedrijf, kan de NVWA daar direct op handelen en besluiten een bedrijf fysiek te bezoeken en officiële monsters te nemen. Indien bedrijven intensief gemonitord worden middels de telefonische screening en de kadaverbemonstering, gaat dit zeven dagen in de week door, ook op feestdagen. Dat vergt van diverse kanten inspanningen die het meer dan dubbel en dwars waard zijn, wanneer blijkt dat hierdoor minder bedrijven preventief geruimd hoeven te worden en eventuele nieuwe besmettingen zeer snel worden opgespoord en aangepakt. Daar doen we het met zijn allen voor!
PCR-onderzoek is de gouden standaard voor het vaststellen van een vogelgriepinfectie bij pluimvee. De PCR-test is zeer gevoelig en is daardoor in staat om hele kleine hoeveelheden virus aan te tonen. Daarnaast kan met genetisch onderzoek van het virus ook worden gekeken om welke virusvariant het precies gaat en of het virus erg verwant is aan eerdere uitbraken. Tijdens de NVWA-specialistenteambezoeken

worden sinds eind 2024 naast monsters voor PCR-onderzoek bij WBVR ook sneltesten afgenomen bij vers gestorven dieren. Deze sneltest detecteert influenza A-virus, waar vogelgriepvirus onder valt, maar is wel vele malen minder gevoelig en minder betrouwbaar dan de PCR. Per verdenking worden tien sneltesten afgenomen bij vijf vers gestorven dieren, vijf van de luchtpijp en vijf van de cloaca. Het resultaat is ter plekke na een kwartier af te lezen. Een positieve sneltest is nooit een reden om een bedrijf ‘besmet’ te verklaren en te ruimen. De sneltesten kunnen nooit de PCR vervangen. Enkel de uitslag van het PCR-onderzoek bij WBVR is daarvoor leidend. Een positief sneltestresultaat kan wel helpen om een inschatting te maken over hoe sterk de verdenking op vogelgriep is op dat bedrijf, in combinatie met het stalbeeld en het sectiebeeld. Op deze manier kan de NVWA, nog voordat het PCR-resultaat bekend is, vast voorbereidende maatregelen treffen.”

Pieter Jacobs, senior dierenarts bij de NVWA
“We zitten nu heel dicht op de verdenkingen“
“Eind 2025 zagen we veel vogelgriepuitbraken bij pluimvee en een enkele besmetting bij huiskatten en andere zoogdieren. We moeten daarom breder kijken; de infectieroutes van vogelgriep kunnen bij andere diersoorten anders zijn dan bij pluimvee. Sinds 2025 geldt er ook een meldingsplicht voor vogelgriep bij andere diersoorten dan pluimvee.
Bij een verdenking van vogelgriep wordt het pluimveebedrijf bezocht door een specialistenteam bestaande uit een NVWA-dierenarts, de practicus en een pluimveespecialist van GD. Natuurlijk is het altijd spannend voor een veehouder als wij met zo’n team op het erf komen. Dankzij de sneltesten van GD weten ze gelukkig snel waar ze waarschijnlijk aan toe zijn. En de bedrijven in de 1-kilometerzone zijn eigenlijk altijd blij dat we onderzoek doen en dat ze niet preventief hoeven te ruimen. Dat bespaart bovendien veel belastinggeld. Ik ben nu bijna 38 jaar dierenarts en de ontwikkelingen zijn de laatste jaren hard gegaan, ten gunste van mens en dier. Dat er tegenwoordig ruimte is om niet direct radicaal te ruimen en we ook andere manieren van bestrijden inzetten, is absoluut een voordeel. Met vogelgriep blijft het echter wel zo dat een negatieve test vandaag, niets zegt over de situatie morgen. In pluimveedichte gebieden worden

alle bedrijven binnen de 3-kilometerzone gescreend. Dat gebeurt deels door een klinische inspectie waarbij de veehouder zelf door zijn stallen loopt en via beeldbellen zijn pluimvee laat beoordelen. Deels gaat het door monsternames in alle stallen. Het ministerie van LVVN wil dat de NVWA deze screening al op de eerste dag van een uitbraak doet. Na die eerste dag neemt GD de monitoring over via de telefonische screening en in pluimveedichte gebieden ook met kadaverbemonstering. Deze bemonstering kan al heel vroeg signalen geven: de dieren die als eerste omvallen, dragen meestal veel virus bij zich. Dankzij deze manier van werken, zitten we nu heel dicht op de verdenkingen.
De samenwerking met GD verloopt altijd goed en vlot, en wij ervaren deze als zeer waardevol. Soms zijn de reistijden voor onze mensen wat langer, maar dan beginnen de collega’s van GD alvast met de werkzaamheden. De eindconclusie wordt uiteraard pas getrokken als alle drie de partijen – bedrijfsdierenarts, GD en de NVWA – ter plaatse hun ervaringen en mening hebben kunnen delen. Vaccinatie tegen vogelgriep is de toekomst. Dat is mij de laatste jaren wel duidelijk geworden, zeker nu er ook zoogdieren besmet raken. Dat moet in Europa en verder afgesproken worden, maar ik vrees dat het nog wel even kan duren.”

AANTAL BEDRIJVEN
30.593 schapenbedrijven waarvan
3.523 beroepsmatig
16.275 geitenbedrijven waarvan
509 beroepsmatig
AANTAL
Schapen: 923.847
Geiten: 633.518
1.575 VEEKIJKERCONTACTEN
704 PATHOLOGIE-INZENDINGEN
DIERDICHTHEID**
SCHAPEN
BEDRIJFSDICHTHEID*
*Bedrijfsdichtheid van geiten- en schapenbedrijven in Nederland per tweecijferige postcode. Hoe donkerder het gebied, hoe meer bedrijven er aanwezig zijn.
GEITEN
**Dierdichtheid van schapen- en geitenbedrijven in Nederland per tweecijferige postcode. Hoe donkerder het gebied, hoe meer dieren er aanwezig zijn.

veelvoorkomende oorzaak abortus bij schapen en geiten
Meerdere abortussen op een schapen- of geitenbedrijf zijn meestal aanleiding voor vervolgonderzoek, mede omdat de oorzaak zoönotisch kan zijn. GD deed in 2025 weer regelmatig pathologisch onderzoek op verworpen lammeren en de bijbehorende placenta’s.
Bij het insturen is het belangrijk dat ook de placenta meekomt, omdat deze soms meer informatie geeft dan het verworpen lam zelf. In de placenta kunnen verschillende typen ontsteking zichtbaar zijn, maar er is meestal niet met het blote oog iets afwijkends te zien. Soms moet er microscopie aan te pas komen om de ontsteking aan te tonen. Bij abortusdiagnostiek bij GD kijken we vooral naar de belangrijkste infectieuze oorzaken van abortus bij schapen en geiten en doen we altijd bacterieel onderzoek. Als er ontstekingsverschijnselen zijn in de placenta, kan een immuunkleuring bovendien de diagnose bevestigen. In 2025 werd bij deze onderzoeken meerdere malen Chlamydia gevonden.
Wat is Chlamydia abortus? Chlamydia abortus is een van de meest voorkomende oorzaken van abortus bij kleine herkauwers. De bacterie vermeerdert zich in levende cellen bij schapen en geiten en zit bij voorkeur in de trofoblastcellen van de placenta. Deze placentacellen zijn betrokken bij het contact tussen moederdier en lam. Wanneer C. abortus op die plek in de placenta een ontstekingsreactie veroorzaakt, krijgt vrucht minder zuurstof en voedingsstoffen en raakt de verbinding tussen lam en moederdier verstoord. Het gevolg is meestal abortus,
maar een infectie kan ook resulteren in vroeggeboorte, doodgeboorte en geboorte van zwakke lammeren. De infectie leidt bij dieren die een keer geaborteerd hebben tot een zodanige immuniteit dat hetzelfde dier meestal niet opnieuw aborteert door C. abortus
Meestal via vrouwelijk fokmateriaal
Als deze bacterie eerder nog afwezig was in het koppel, dan is deze meestal ingesleept door aankoop van geïnfecteerde ooien. Het probleem hiermee is, dat de ooi zelf geen ziekteverschijnselen laat zien. Vaak constateert de veehouder de besmetting daarom pas bij de eerste abortus. Door de uitscheiding van de bacterie via geaborteerd materiaal en ontlasting kunnen ook de andere moederdieren in de stal dan al een besmetting met C. abortus hebben opgelopen. Uitscheiding van de bacterie door geïnfecteerde dieren vindt plaats in de weken na een abortus of geboorte. In het eerste jaar van infectie op een bedrijf kan abortus optreden bij dieren van alle leeftijden. Daarna stabiliseert de situatie zich, door weerstandsopbouw bij eerder blootgestelde dieren, en op termijn vindt bijna alleen abortus plaats bij dieren die voor de eerste keer aflammeren en bij aangekochte dieren.
Scan de QR-code voor meer informatie over Chlamydia abortus


René van den Brom, dierenarts, sectormanager en Europees specialist gezondheidszorg kleine herkauwers bij Royal GD
“Wees voorzichtig met handel in vrouwelijke fokdieren”
“Chlamydia abortus is één van de meest voorkomende oorzaken van abortus bij schapen en geiten en bovendien een groot risico voor zwangere vrouwen. In de sectiezaal is dit een van de meest vastgestelde oorzaken van abortus bij kleine herkauwers. Via de monitoring volgen we de trends en ontwikkelingen van abortus bij kleine herkauwers.
Als je Chlamydia abortus eenmaal op je bedrijf hebt, kom je er heel moeilijk vanaf. Daarom is het belangrijk om introductie van deze bacterie op een bedrijf, vaak via aanvoer van besmet vrouwelijk fokmateriaal, te voorkomen. Veehouders moeten zeer zorgvuldig zijn en navraag doen wanneer zij vrouwelijk fokmateriaal op hun bedrijf aanvoeren. Bij dieren die voor dag 90 van de dracht worden geïnfecteerd, treedt abortus op in diezelfde dracht, meestal einde dracht. Vindt de infectie later tijdens de dracht plaats, dan blijft deze vaak verborgen in het dier aanwezig en kan de infectie tijdens de volgende dracht leiden tot abortus. Besmette schapen scheiden de bacterie uit rondom de bevalling en tijdens de bronst. De bacterie kan zich niet in mannelijke dieren vermeerderen. Een dekram kan de kiem wél overbrengen als hij, na dekking van een uitscheidende ooi, kort daarna andere ooien dekt. Chlamydia abortus is een risico voor
mensen die direct, en mogelijk ook indirect contact hebben met de dieren. Zwangere vrouwen moeten verlossingen vermijden en niet in de stal werken rond de lammerperiode. Een infectie kan namelijk leiden tot verlies van de baby, ernstige ziekte en in enkele gevallen zelfs overlijden. Ook voor mensen met een gecompromitteerd immuunsysteem kan de bacterie gevaarlijk zijn. Zeker voor bedrijven met een publieksfunctie gelden daarom speciale regels rondom het aflammeren. In een Deskundigenberaad in 2012 is echter geconcludeerd dat de aandoening geen risico voor de volksgezondheid in het algemeen vormt. Het verspreidt zich bijvoorbeeld niet via de lucht. Door een goede bedrijfshygiëne, afzonderen van besmette dieren, behandeling in geval van een uitbraak en het opstellen van een vaccinatieplan voor de toekomst, kun je proberen om de impact zo laag mogelijk te houden.
Ook in 2025 stuurden meerdere veehouders dode vruchten en placenta’s in. Om te achterhalen of Chlamydia abortus tegenwoordig meer of minder voorkomt is, naast het volgen van de trends in de sectiezaal, ook andersoortig onderzoek nodig. Als dierenarts moet je weten wat er speelt. Dan kun je houders gericht helpen en in geval van Chlamydia abortus adviezen geven rondom de zoönotische risico’s en zo verdere verspreiding van de bacterie in de populatie voorkomen.”

Jan Borra, dierenarts bij Dierenartsen Borra-Trappeniers in Biggekerke
“Hoe vaker de informatie gedeeld wordt, hoe beter het landt”
“Een schapenhouder uit onze praktijk stuurde in november twee verworpen vruchtjes en een placenta van één schaap naar GD. Via de mail kwam de uitslag dat er sprake was van Chlamydia abortus. Ik heb de veehouder toen direct gebeld en geïnformeerd over de uitslag, de aanpak, de preventie en de zoönotische risico’s. Dat was niet zo lastig, want de informatie is overzichtelijk te vinden op de website van GD. Er komt op zo’n moment veel op de veehouder af, dus na het telefoongesprek heb ik ook een mailtje gestuurd met alle informatie op een rijtje.
Bij zo’n uitslag gaan meteen alarmbellen af, maar al in dat eerste telefoongesprek proefde ik dat hij niet meer verwerpingen had. Dat was al een geruststelling. Er is later ook geen abortusstorm geweest op dat bedrijf. Zo’n eerste melding is wel aanleiding om even diep in de materie te duiken. Dan komen af en toe nog extra vragen naar boven en daarbij was het erg prettig dat er via de Veekijkertelefoon snel contact was met een specialist.
Ik ben al wat langer dierenarts maar ik had dit nog niet eerder zo meegemaakt. De samenwerking met GD was goed en de veehouder vond het ook heel nuttig.

Ongeveer een maand na de diagnose heb ik samen met René van den Brom nog een bedrijfsbezoek gedaan. Daarbij spraken we met de veehouder over de mogelijkheden en vervolgstappen zoals vaccinatie. Tijdens het bedrijfsbezoek zijn er geen monsters meer genomen, want er waren verder geen verwerpers. Wel maakten we een rondje op het bedrijf om alle diergroepen en lammeren te bekijken en kwamen meerdere tips naar voren. Op dit bedrijf is een groepje dieren inmiddels al gevaccineerd; dat moet voor het dekken gebeuren. De rest van de schapen wordt in de loop van het jaar nog gevaccineerd.
Het contact met GD heeft geholpen om bij de veehouder nog duidelijker te krijgen hoe belangrijk en serieus het was. Chlamydia abortus kan best een ingewikkeld verhaal zijn, vaccinatie moet bijvoorbeeld op een specifiek moment. Ook hygiëne is natuurlijk heel erg belangrijk. Hoe vaker veehouders dit horen, van verschillende mensen, hoe beter het landt. De meeste veehouders weten wel van het zoönotisch risico, maar ik hoor soms toch van boerinnen die zwanger zijn dat ze schapen gaan verlossen. Dat is onbegrijpelijk.”
BEDRIJFSDICHTHEID

Dierdichtheid van paardenbedrijven in Nederland per tweecijferige postcode. Hoe donkerder het gebied, hoe meer dieren er aanwezig zijn.
Bedrijfsdichtheid van paardenbedrijven in Nederland per tweecijferige postcode. Hoe donkerder het gebied, hoe meer bedrijven er aanwezig zijn.
635 CONTACTEN HELPDESK PAARD
CONTACTMOMENTEN SPECIFIEKE ZIEKTE
Droes
Overige infectieuze aandoeningen*
Teekgebonden aandoeningen (borreliose, anaplasmose, piroplasmose)
Salmonellose
Toxicologische aandoeningen (giftige planten, zware metalen)
Maagdarmwormen
Rhinopneumonie
Virale encephalomyelitiden (o.a. westnijlvirus)
* Overige bevat o.a. equine influenza, Lawsonia intercellularis, leptospirose, Streptococcus zooepidemicus-infecties, equine coronavirus-infecties, rhodococcose, Clostridium-infecties
CONTACTMOMENTEN PROBLEEMGERICHT
Vermageren
Verwerpen
Ademhalingsproblemen/hoesten
Bevangenheid/kreupelheid
Diarree
Huidaandoeningen/jeuk
Koorts
Neurologische verschijnselen
Plotseling dood

In de monitoring van infectieziektes vormt de noordwaartse verspreiding van het westnijlvirus (WNV) al jaren een aandachtspunt. Dit flavivirus, dat circuleert tussen vogels en muggen, werd in 2025 voor het eerst ook in Nederlandse paarden aangetroffen. Paarden ontwikkelen na infectie vaker dan mensen neurologische verschijnselen. Daardoor heeft een besmetting bij een paard ook een waarschuwingsfunctie voor de humane gezondheidszorg.
Kort na de ontdekking van een positieve muggenpool in Zuid-Holland, werd in oktober 2025 een infectie met WNV bevestigd bij een paard in dezelfde regio. Dit is de eerste keer dat deze ziekte bij een paard dat in Nederland geïnfecteerd is geraakt. Uiteindelijk is in 2025 bij drie paarden in Nederland bewezen dat zij een infectie met WNV lokaal hebben opgelopen. Naast geïnfecteerde muggen en paarden zijn ook geïnfecteerde vogels gevonden. Er waren in 2025 geen meldingen van een infectie met dit virus bij mensen in Nederland.
Sinds 2018 monitort een multidisciplinaire WNVwerkgroep de situatie. Dierenartsen kunnen tijdens het vectorseizoen kosteloos serummonsters insturen van paarden met neurologische symptomen. Deze diagnostiek wordt met een ministeriële subsidie gefinancierd. Het doel is vroege opsporing en zoveel mogelijk preventie van verdere verspreiding. De besmettingen in 2025 zijn ook via deze monitoring aan het licht gekomen.

In 2026 gaat deze monitoring door. De praktiserend dierenarts werd geconfronteerd met een paard met ataxie, die in eerste instantie door een trauma veroorzaakt leek. Toch wilde zij WNV uitsluiten en belde de Helpdesk Paard voor overleg. De Helpdesk vroeg, naast een serummonster, ook om de geschiedenis van het betreffende paard. Is het dier ooit gevaccineerd of in het buitenland geweest? Na vaccinatie of infectie kunnen antistoffen namelijk nog lang in het bloed worden aangetoond. In dit geval was het paard niet gevaccineerd, en nooit in het buitenland geweest. Het bloedmonster is volgens de standaardprocedure eerst bij GD getest en daarna bij WBVR en het Europees referentie-laboratorium. Zo werd duidelijk dat het inderdaad om een in Nederland opgelopen geval van een WNV-infectie ging.
Uit het buitenland weten we dat als WNV eenmaal opduikt, het in volgende jaren vaak terugkeert. Voor dierenartsen is het daarom belangrijk om westnijlkoorts mee te nemen in de differentiële diagnose, zeker bij neurologische klachten zoals ataxie. Door vaccinatie kan de kans op symptomen na infectie zeer effectief worden verminderd. Daarnaast kunnen voorzorgsmaatregelen tegen muggen worden genomen. Dit soort maatregelen worden belangrijker als het westnijlvirus, net als in Zuid-Europese landen, ook in Nederland vaker gaat voorkomen. Scan de QR-code voor meer informatie over westnijlvirus.


Susan Westerterp, paardendierenarts bij Oude Rijn Paardenartsen
“We dachten eerst helemaal niet aan westnijlvirus”
“De eigenaresse van het paard, zelf landbouwhuisdierenarts, nam contact op. Tijdens haar vakantie was het paard onderuitgegaan en op haar linkerzijde gevallen. Het leek erop dat het paard hiervan restklachten had, met als opvallend verschijnsel vooral overkruist aangalopperen. De neurologische klachten werden steeds erger, in plaats van minder. Het dier had nooit tekenen van koorts getoond en er werden geen spiertrillingen op de flanken gezien. Het paard had wel met het hoofd geschud, maar het ging met name om de progressieve ataxie aan de achterhand, waar we ons veel zorgen om maakten.
Omdat die klachten bij het vallen konden passen, dachten we eerst helemaal niet aan het westnijlvirus. We wisten toen ook niet dat er een ander geval was in deze regio. Het paard was heel atactisch, had een normale staartonus en reageerde heel erg pijnlijk bij passieve bewegingen lumbaal en verder naar achteren. Bij een paard dat zó neurologisch is door trauma en niet verbetert maar verslechtert met rust, zou het waarschijnlijk ‘einde oefening’ geweest zijn.
We hebben toch het paard als uitsluitingsdiagnostiek getest op westnijlvirus en op rhinopneumonie (equine herpesvirus 1). Voorafgaand aan de uitslag waren we al all-in
gegaan met medicatie en dat leek wat verlichting te geven. Toen de eerste test van GD liet zien dat het mogelijk westnijlkoorts was, werd duidelijk dat die lichte verbetering vooral kwam door het natuurlijke verloop van deze virusziekte. De diagnose was eigenlijk een opluchting, want dit kon in elk geval overgaan.
De symptomen waren eerst zo heftig dat het paard op een klein afgezet stukje stond, met water en voer binnen bereik, omdat ze nauwelijks meer kon lopen. Inmiddels gaat het veel beter, al is de merrie nog wel herstellende.
Ze lijkt nu op een jong slap paard. Het moet nog beter, maar het paard is weer veilig en goed te rijden.
Het contact met de Helpdesk Paard verliep heel fijn. Ik gun iedereen dergelijke ondersteuning. Zeker als het je eerste casus van een bepaalde aandoening is, ben je blij dat er mensen meedenken die er veel verstand van hebben.
De Helpdesk was voor mij als praktiserend dierenarts een grote steun en toeverlaat, vooral bij zo’n rare potentieel infectieuze casus. Omdat je bij WNV met een aangifteplichtige ziekte te maken hebt, moet je weten wat je mogelijkheden en verplichtingen zijn.
Aan de Helpdesk heb je een professionele backup, die ook met het proces helpt.”

Westnijlvirus is meldingsplichtig, maar stallen gaan niet op slot’
“Samen met een collega en de dierenarts van GD was ik bij het eerste Nederlandse paard dat met autochtoon opgelopen westnijlkoorts gediagnostiseerd werd. GD krijgt de monsters meestal binnen, maar we waarschuwen elkaar ook onderling over signalen. Wanneer GD met de uitsluitingstest een flavivirus vindt in een monster van een praktijkdierenarts, gaat het monster daarna naar WBVR. Stellen zij westnijlvirus (WNV) vast, dan moet dat altijd bij ons gemeld worden. De samenwerking in deze driehoek verloopt heel goed. Voor WNV moet een officiële melding gemaakt worden bij de World Organisation for Animal Health (WOAH). Zo’n melding kan alleen gedaan worden vanuit een officieel monster, dat genomen is met een dierenarts van de bevoegde autoriteit; in Nederland is dat de NVWA. Daarvoor bezoeken wij dan het paard en het monster gaat vervolgens direct met een speciale koerier naar WBVR voor de test. Zij sturen het ter bevestiging door naar het Europese referentielaboratorium voor WNV, in Frankrijk. Bij drie Nederlandse paarden werd in 2025 een besmetting bevestigd. In het internationale systeem WAHIS kunnen andere landen de officieel bevestigde gevallen ook terugvinden. Dit is vooral belangrijk om het verspreidingsgebied van een infectieziekte te monitoren en voor de handel in paarden met
landen buiten Europa, die vanuit Nederland aanzienlijk is. WNV is meldingsplichtig, maar niet bestrijdingsplichtig. Een melding doe je als dierenarts heel gemakkelijk telefonisch. Het paard is een soort verklikker: als een paard positief test, dan weet je dat er besmettelijke muggen en vogels in de buurt zijn. En dus ook dat mensen besmet kunnen worden. Dat is de reden voor die meldplicht. Paarden hebben een hele duidelijke waarschuwingsfunctie, maar dragen zelf niet voldoende virus bij zich om zelfs maar een mug te kunnen besmetten. Er komen dan ook geen beperkingen op de stal of bord in de tuin bij een WNV-geval. Aan de locatie kan wel gevraagd worden om extra muggenvallen neer te laten zetten voor onderzoek. Dit is op vrijwillige basis. Sowieso voeren we in heel Nederland monitoring uit op muggen, en levende en dode vogels. Als je weet dat er WNV is in een regio, kunnen mensen zichzelf beter beschermen tegen muggen. Paarden kun je vaccineren, mensen niet. Vanuit meerdere ministeries is een WNV-werkgroep samengesteld waarin de humane en veterinaire sectoren samenwerken. Van daaruit kan ook de humane geneeskunde een signaal krijgen, bijvoorbeeld ziekenhuizen zodat zij alert zijn op klachten passend bij WNV en bloedbanken om overdracht te voorkomen.”











































Heleen Kellij-Klunder









Annet Heuvelink








Nienke

Sjoerd Klarenbeek






P Patholoog E Team Epidemiologie M Team Monitoring R Team R&D V Veekijker H Helpdesk Paard*
* De Helpdesk Paard is een initiatief van de Sectorraad Paarden, de Groep Geneeskunde Paard en het ministerie van LVVN. Specialisten van GD en de faculteit Diergeneeskunde beantwoorden de telefoon.



Royal GD
Arnsbergstraat 7
Postbus 9
7400 AA Deventer
Belangrijke telefoonnummers
Veekijker
088 20 25 555
Helpdesk Paard 088 20 25 555
Ophaaldienst voor sectie- en monstermateriaal 088 20 25 500
Diergezondheidsadministratie, laboratorium, facturering 088 20 25 500
NVWA meldpunt besmettelijke dierziekten
045 546 31 88
Colofon
Royal GD
Arnsbergstraat 7
7418 EZ Deventer
Monitoring wordt uitgevoerd door Royal GD met financiering van de veehouderijsector en de overheid.
Opdrachtgever: Lotte Roos
Eindredactie: Daphne de Leeuw, Mirjam Hommes
Ontwerp: Ineke Oerlemans
Opmaak en drukwerk: Ovimex b.v.


