Skip to main content

Monitoringsrapportage KHK 2025

Page 1


KLEINE HERKAUWERS

Inhoud

Uitgave: Royal GD - Jaarrapportage Kleine Herkauwers 2025

Telefoon: 088 20 25 500 www.gddiergezondheid.nl

Ontwerp: Onis creatieve communicatie

Opmaak: Drukkerij Ovimex

Niets uit deze publicatie mag worden verveelvoudigd en/of openbaar gemaakt zonder toestemming van de redactie of de leden van de Begeleidingscommissie Monitoring Diergezondheid Kleine Herkauwers.

Voorwoord

Voor u ligt de ‘Jaarrapportage Monitoring Diergezondheid Kleine Herkauwers 2025’. Royal GD vervult in deze monitoring van gezondheid van schapen en geiten in Nederland een centrale rol. Het ministerie van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur (LVVN), directie Dierlijke Agroketens en Dierenwelzijn, en de sector ondersteunen deze monitoring financieel.

Deze monitoring is opgezet om overheid en bedrijfsleven periodiek te voorzien van informatie over diergezondheid, -welzijn en voedselveiligheid. Zij hebben dat nodig om tijdig te kunnen ingrijpen bij eventuele problemen en, waar nodig, het beleid bij te stellen. GD verzamelt alle relevante informatie, interpreteert deze en rapporteert hierover per kwartaal of, indien de aard van de bevinding hierom vraagt, direct. Zo nodig adviseert GD over eventuele vervolgactie.

De informatie waar deze jaarrapportage op is gebaseerd wordt gedeeltelijk actief verworven door GD, bijvoorbeeld in het kader van de gezondheidsprogramma’s voor scrapie, caseous lymfadenitis (CL), zwoegerziekte en caprine arthritis en encephalitis (CAE), of in het kader van de monitoring op Brucella melitensis, Coxiella burnetii of het blauwtongvirus. In andere monitoringsonderdelen komen specialisten van GD in actie nadat veehouders, hun dierenartsen of andere erfbetreders GD hebben benaderd. Daarnaast levert laboratoriumonderzoek en vooral het onderzoek van gestorven dieren een belangrijke bijdrage.

De indeling van deze rapportage is analoog aan de doelstellingen van de monitoring en zijn als volgt geformuleerd: 1. het opsporen van uitbraken van bekende aandoeningen die niet endemisch in Nederland voorkomen; 2. het opsporen van nog onbekende aandoeningen; 3. zicht houden op trends en ontwikkelingen die relevant zijn voor diergezondheid in Nederland.

Bij de bevindingen wordt steeds aangegeven of overheid en bedrijfsleven al voor het uitkomen van deze jaarrapportage zijn geïnformeerd, hoe de bevindingen worden geïnterpreteerd en op welke wijze wordt omgegaan met opvallende bevindingen. Gedetailleerde, cijfermatige (achtergrond-) informatie is terug te vinden in de bijlagen.

1. Cijfers 2025 en diergezondheidsbarometer

In 2025 hebben medewerkers van de afdeling Kleine Herkauwers van GD 43 bedrijfsbezoeken afgelegd. De afdeling werd 1575 maal via de GD-Veekijker geconsulteerd. In dezelfde periode werden de tweedelijns veterinaire activiteiten en het pathologisch onderzoek van gestorven dieren gecontinueerd. In totaal werden in 2025 746 dieren voor pathologisch onderzoek aangeboden. Dit aantal is een stuk lager vergeleken met het voorgaande jaar en vergelijkbaar met het aantal inzendingen voor de recente blauwtonguitbraak (2023-2024). Pathologisch onderzoek is een belangrijk instrument van de diergezondheidsmonitoring en om jaarlijks voldoende representatieve aantallen te ontvangen onderneemt GD jaarlijks verschillende inspanningen om de meerwaarde ervan bij veehouders en dierenartsen onder de aandacht te brengen. Dit geldt ook voor het aantal abortusinzendingen voor pathologisch onderzoek. Om zicht te behouden op het voorkomen van de belangrijkste bacteriële verwekkers van abortus bij kleine herkauwers in Nederland, is vanaf 2022 aanvullend op pathologisch onderzoek het abortuspakket, laagdrempelig onderzoek naar de belangrijkste bacteriële verwekkers van abortus, opgenomen in de monitoring. Hiermee krijgt een geselecteerde groep houders en dierenartsen de mogelijkheid om eenmalig nadere diagnostiek te laten verrichten wanneer zij worden geconfronteerd met abortus.

Hoewel blauwtong in 2025 niet in Nederland werd aangetoond bleef het ook in 2025 een veel besproken onderwerp. Echter, de variatie in besproken onderwerpen was breder ten opzichte van 2024. In 2025werden maagdarmproblemen, gerelateerd aan maagdarmwormen, haemonchose en clostridiumgerelateerde problematiek zoals enterotoxaemie, frequent gemeld bij de Veekijker. Q-koorts bleek in 2025 eveneens een frequent besproken onderwerp, naast zogenoemde ‘iceberg-diseases’ als caseous lymfadenitis (CL), zwoegerziekte en caprine arthritis encephalitis (CAE). De meeste Veekijkercontacten hingen samen met verhoogde uitval, abortus en vragen over medicijngebruik en behandelbeleid. Afgelegde bedrijfsbezoeken stonden in het teken van maagdarmstoornissen, verhoogde uitval en aandoeningen die gerelateerd waren aan managementfactoren.

Met ingang van april 2021 zijn wijzigingen doorgevoerd in de wet- en regelgeving op Europees en nationaal niveau met betrekking tot dierziekten en diergezondheid. Een opvallende wijziging betreft de categorisatie van dierziekten die in de Europese Diergezondheidsverordening zijn ingedeeld in de vijf categorieën A, B, C, D en E. Voor alle ziekten uit deze categorieën geldt een meldingsplicht, voor de ziekten uit categorieën A en B geldt daarnaast ook een bestrijdingsplicht. De betekenis van deze categorieën staat beschreven in bijlage V. Meer informatie is te vinden op de website van de NVWA (https://www.nvwa.nl/onderwerpen/dierziekten/lijst-aangifteplichtige-dierziekten).

Ziekte/aandoening/ gezondheidskenmerk Korte omschrijving Categorie Rustig1 Verhoogde attentie2 Nader onderzoek 3

Artikel 2.1.a en 2.1.b Aanwijzing dierziekten Regeling Diergezondheid / Uitvoeringsverordening (EU) 2018/1882 van Animal Health Law (EU) 2016 /429 (Categorie A­ ziekte)

Besmettelijke pleuropneumonie bij geiten (CCPP) (Mycoplasma capricolum subs. capripneumoniae) Nog nooit in NL. A+D+E *

Ziekte/aandoening/ gezondheidskenmerk

Korte omschrijving

Vervolg tabel

Categorie Rustig1 Verhoogde attentie2 Nader onderzoek 3

Artikel 2.1.a en 2.1.b Aanwijzing dierziekten Regeling Diergezondheid / Uitvoeringsverordening (EU) 2018/1882 van Animal Health Law (EU) 2016 /429 (Categorie A­ ziekte)

Mond-en-klauwzeer (MKZ)

Geen MKZ in Nederland sinds 2001. Meerdere uitbraken in Europa sinds januari 2025. In januari werd op een waterbuffelbedrijf in Duitsland een uitbraak bevestigd (serotype O).

Vervolgens werden in Hongarije en Slowakije (gerelateerde serotypen O, maar anders dan het in Duitsland gevonden serotype O) uitbraken vastgesteld. Risicovolle importen zijn onderzocht door de NVWA. Er lijkt geen sprake van verspreiding naar andere landen. Sinds april zijn geen nieuwe gevallen gemeld.

Infectie met het virus van de pest bij kleine herkauwers (peste des petits ruminants (PPR))

Infectie met Rift Valley koorts virus (RVF)

Schapen- en geitenpokken (SGP)

Nog nooit in NL.

Meerdere uitbraken in Europa sinds juli 2024. In Hongarije, Bulgarije, Griekenland en Roemenië zijn recent geen nieuwe uitbraken gemeld en lijkt de situatie momenteel stabiel. In juni 2025 meerdere uitbraken in Albanië. In juli is in Kosovo één uitbraak bevestigd, gevolgd door uitbraken in Kroatië in december.

Nog nooit in NL.

Nog nooit vastgesteld in NL.

Vanaf oktober 2023 meerdere uitbraken bevestigd in Griekenland. Recent zijn meerdere uitbraken gemeld in Bulgarije, Roemenië en Griekenland.

A+D+E *

A+D+E *

Artikel 2.1.a en 2.1.b Aanwijzing dierziekten Regeling Diergezondheid / Uitvoeringsverordening (EU) 2018/1882 van Animal Health Law (EU) 2016/429 (Categorie B t/m E)

Infectie met Brucella abortus, B. melitensis

De aantallen voor de steekproef van 2024 zijn behaald. Alle uitslagen zijn negatief bevonden. Nederland behoudt daarmee haar vrije-status. GD besteedt veel extra aandacht aan het verkrijgen van de benodigde aantallen monsters voor deze monitoring.

B+D+E *

Ziekte/aandoening/ gezondheidskenmerk

Korte omschrijving

Vervolg tabel

Categorie Rustig1 Verhoogde attentie2 Nader onderzoek 3

Artikel 2.1.a en 2.1.b Aanwijzing dierziekten Regeling Diergezondheid / Uitvoeringsverordening (EU) 2018/1882 van Animal Health Law (EU) 2016/429 (Categorie B t/m E)

Infectie met het rabiësvirus Zeer zelden vastgesteld bij vleermuizen.

Infectie met het bluetonguevirus (serotypen 1-24)

Epididymitis bij schapen (Brucella ovis)

Infectie met Mycobacterium tuberculosis- complex (M. bovis, M. caprae, M. tuberculosis)

Sinds september 2023 vindt een uitbraak plaats van BTV-3. Het virus leidt tot problemen op schapenbedrijven en op rundvee- en geitenbedrijven. Sinds 2023 heeft BTV-3 zich wijdverspreid over Europa. In 2024 werd op een beperkt aantal bedrijven in NL BTV-12 vastgesteld. In 2025 ook in het VK een positieve bevinding van BTV-12.

In juli en augustus 2025 zijn in meerdere Europese landen infecties met verschillende BTV-serotypen vastgesteld. In Nederland in 2025 geen klinische verdenkingen waarbij BTV is aangetoond.

Onderzoek van rammen in kader van export. Niet eerder bevestigd in NL.

Sinds 1999 is Nederland officieel tuberculose vrij.

Miltvuur (Bacillus anthracis) Laatst gemelde uitbraak in 1993 bij runderen. Sindsdien geen besmettingen vastgesteld.

Paratuberculose (Mycobacterium avium subs. paratuberculosis)

Regelmatig gevallen vooral bij (melk) geiten en een enkele keer bij schapen.

Ziekte/aandoening/ gezondheidskenmerk

Korte omschrijving

Vervolg tabel

Categorie Rustig1 Verhoogde attentie2 Nader onderzoek 3

Artikel 2.1.a en 2.1.b Aanwijzing dierziekten Regeling Diergezondheid / Uitvoeringsverordening (EU) 2018/1882 van Animal Health Law (EU) 2016/429 (Categorie B t/m E) Q-koorts (Coxiella burnetii )

In 2016 is het laatste melkgeitenbedrijf vrij verklaard van een infectie met C. burnetii. In 2024 werd Q-koorts vastgesteld op een melkschapenbedrijf in Bakel. In het voorjaar van 2025 werd C. burnetii aangetoond in de placenta van een geïmporteerd schaap op een hobbybedrijf. In 2025 werd bij een koppel bosrendieren in een dierentuin abortus als gevolg van Coxiella burnetii vastgesteld. Naar aanleiding van deze casus is een meldingsplicht voor Q-koorts bij kamelen en hertachtigen ingevoerd.

Echinococcose Sinds 2023 niet meer aangetoond in de sectiezaal.

Trichinellose Geen gevallen van trichinellose bij schapen of geiten bekend.

Artikel 2.1.c Aanwijzing dierziekten ‘Regeling Diergezondheid’ van Wet Dieren

Overdraagbare TSE’s (scrapie, BSE)

In de afgelopen jaren geen gevallen meer bij schapen. Bij geiten eerste geval van scrapie in 2000 en het laatste geval in 2001. Recent is in het Verenigd Koninkrijk op een schapenbedrijf klassieke scrapie vastgesteld. Het betrof een enkel dier.

Artikel 3a.1 Melding zoönosen ‘Regeling Houders van Dieren’ van Wet Dieren

Campylobacteriose (Campylobacter spp.)

Leptospirose (Leptospia Hardjo)

Listeriose (Listeria spp.)

Enkele gevallen per jaar. Met name bekend als oorzaak van abortus bij met name schapen.

Al jaren geen gevallen bij schapen en geiten.

Encefalitis door Listeria monocytogenes komt regelmatig voor bij schapen maar vooral bij melkgeiten. Jaarlijks worden op enkele melkgeitenbedrijven problemen met listeriose gemeld. Onbekend is hoe lang uitscheiding van listeria-bacteriën in melk plaatsvindt.

Zowel L. monocytogenes als L. ivanovii kunnen abortus veroorzaken bij schapen en geiten.

* * Nader onderzoek naar de bij mens en dier gevonden types is gewenst.

Ziekte/aandoening/ gezondheidskenmerk

Korte omschrijving

Vervolg tabel

Categorie Rustig1 Verhoogde attentie2 Nader onderzoek 3

Artikel 3a.1 Melding zoönosen ‘Regeling Houders van Dieren’ van Wet Dieren Salmonellose Salmonella spp.)

Sinds 2016 op meerdere bedrijven recidiverende en massale sterfte bij lammeren op melkgeitenbedrijven veroorzaakt door een multiresistente S. Typhimurium. In 2025 is Salmonella Typhimurium op twee gerelateerde bedrijven aangetoond bij melkgeitenlammeren. Ook werd Salmonella serotype C aangetoond bij lammeren op een melkgeitenbedrijf.

Yersiniose (Yersinia spp.)

Toxoplamose (Toxoplasma gondii )

Enkele gevallen per jaar. Aangetoond als oorzaak van diarree, sterfte en abortus.

Enkele bevestigde gevallen per jaar maar waarschijnlijk een van de meest voorkomende oorzaken van abortus. Seroprevalentie is eerder hoog gebleken bij schapen en geiten.

Overige OIE lijst ziekten

Enzoötische abortus (Chlamydia abortus) Bij geiten en schapen al jaren één van de belangrijkste oorzaken van abortus. Verspreiding tussen bedrijven via besmet vrouwelijk fokmateriaal. Zeer lastig te bestrijden wanneer eenmaal geïntroduceerd in een koppel. Enzoötische abortus is een zoönose en daarmee één van de belangrijkste redenen waarom zwangere vrouwen en aflammerende kleine herkauwers niet samengaan.

Caprine arthritis encephalitis (CAE)

Zwoegerziekte (maedi/visna-virus (MVV))

Tularemie (Francisella tularensis)

Veel voorkomende aandoening waarvan het veroorzakende virus zich op grote en kleine bedrijven soms anders gedraagt. Bron introductie niet altijd duidelijk.

Belangrijk(st)e infectieuze aandoening op (grote) schapenbedrijven.

Sinds 2011 regelmatig besmette hazen en enkele humane tularemie patiënten in Nederland.

Mycoplasma agalactiae Nog nooit in NL.

*pilotonderzoek 2025 naar Chlamydia spp. bij kleine herkauwers in het kader van abortus

Vervolg tabel

Ziekte/aandoening/ gezondheidskenmerk

Korte omschrijving

Nairobi sheep disease Nog nooit in NL.

Heartwater (Ehrlichia ruminantium)

Infecties met schmallenbergvirus (SBV)

Uit monitoring

Oogafwijkingen door intoxicatie met anthelminthicum

Verdenking van eikelintoxicatie

Pithomycotoxicose verdenking in koppel schapen

Nog nooit in NL.

Sinds 2011 jaarlijks besmettingen met het SBV, met aangeboren afwijkingen van lammeren tot gevolg. Uitsluiten van andere mogelijke oorzaken blijft belangrijk om introductie van andere virussen uit de groep van Bunyaviridae vroegtijdig op te sporen.

Ontwormingsproduct met werkzame stof closantel zorgt bij overdosering voor blindheid bij lammeren. Voorkom onder- en overdosering van ontwormingspreparaten.

Toename aantal verdenkingen van eikelintoxicaties met en zonder ulceratie in de mondholte en maagdarmkanaal.

Koppel schapen met fotosensibiliteit. Op basis van anamnese, kliniek en leverwaarden hoogstwaarschijnlijk veroorzaakt door mycotoxine sporidesmin gevormd door schimmel Pithomyces chartarum

In 2019 werden de eerste schapen en lammeren in Nederland gediagnosticeerd met deze aandoening.

Plotselinge sterfte door Bibersteinia trehalosi

Hoestende lammeren in zomermaanden

Uitbraak Salmonella serotype C bij jonge melkgeitenlammeren

Meerdere koppels met beeld van sepsis door Bibersteinia trehalosi.

Meerdere koppels met hoestende lammeren zonder aanwijsbare infectieuze oorzaak.

Op een jongveelocatie is een uitbraak met Salmonella enterica suspecies enterica Bovismorbificans (type C) vastgesteld. Niet eerder, voor zover bekend, werd deze variant aangetoond in Nederland bij geiten.

Categorie Rustig1 Verhoogde attentie2 Nader onderzoek 3

Ziekte/aandoening/ gezondheidskenmerk

Uit monitoring

Haemonchose bij schapen en geiten

Grote variatie in leverkoperwaarden bij geitenlammeren

Korte omschrijving

Vanaf half juli werden meerdere gevallen van haemonchose gemeld.

Aanvullend onderzoek naar koperleverwaarden bij ingestuurde lammeren voor pathologisch onderzoek duidt geregeld op een tekort of overmaat aan gestapeld koper. Te lage of te hoge leverkoperwaarden kunnen de immuniteit comprimeren.

Categorie Rustig1 Verhoogde attentie2 Nader onderzoek 3

Chronische leverbotziekte

Afwijkende lymfeknopen op slachthuis

Aviaire influenza aangetoond bij een schaap in het Verenigd Koninkrijk

Cutaan lymfoom bij schaap

Adenocarcinomen bij begrazingsschapen

Seleniumintoxicatie door onjuiste dosering

Meerdere signalen uit Veekijker en pathologisch onderzoek met betrekking tot chronische leverbotziekte bij schapen.

Twee lammeren van hetzelfde bedrijf vertoonde multiple vergrootte inwendige lymfeknopen. Oorzaak onbekend.

In het Verenigd Koninkrijk is bij één schaap op een bedrijf waar ook besmet pluimvee aanwezig was hoogpathogene aviaire influenza aangetoond.

Zeldzame diagnose bij een schaap met gegeneraliseerde huidaandoening ten gevolge van een cutaan lymfoom. Het beeld toonde een sterke overeenkomst met SGP.

Meerdere gevallen van adenocarcinomen in het zeefbeen. Het beeld is suggestief voor ENTV. Materiaal is doorgestuurd voor uitsluitingsdiagnostiek.

Meerdere gevallen van seleniumintoxicatie bij geiten na onjuiste toepassing van injectiepreparaat.

1 Rustig: geen actie vereist of actie leidt naar verwachting niet tot een duidelijke verbetering

2 Verhoogde attentie: attendering op een bijzonderheid.

3 Nader onderzoek: nader onderzoek is lopend of gewenst.

Vervolg tabel

2. Monitoringssystematiek

2.1 Opzet

Het monitoringssysteem voor diergezondheid in de sector Kleine Herkauwers bestaat uit een aantal complementaire instrumenten waarmee informatie wordt verzameld over de gezondheidssituatie van kleine herkauwers. Deze instrumenten zijn deels reactief en deels proactief. In het eerste geval ligt het initiatief bij veehouders, dierenartsen of andere erfbetreders en in het tweede geval ligt het initiatief bij GD. Door informatie uit de diverse instrumenten integraal te interpreteren wordt de kans op het bereiken van de doelstellingen van monitoring, namelijk het snel signaleren van specifieke problemen enerzijds en het volgen van meer algemene trends en ontwikkelingen anderzijds, geoptimaliseerd. Als een signaal onvoldoende sterk is, maar wel relevant lijkt, wordt eventueel door onderzoek op beperkte schaal actief en gericht meer informatie verzameld. Bevindingen worden elk kwartaal gerapporteerd; daarnaast wordt een jaarrapportage gemaakt. Als bevindingen urgent worden geacht, bijvoorbeeld bij risico’s voor voedselveiligheid, volksgezondheid of ernstige dierziekte-uitbraken, wordt tussentijds gerapporteerd aan de Begeleidingscommissie Monitoring Diergezondheid Kleine Herkauwers.

2.2 GD ­Veekijker

Dit betreft een reactieve component: het initiatief voor het contact met GD ligt bij veehouder, dierenarts of andere erfbetreder. Informatie komt bij GD binnen via telefonisch en elektronisch contact of via bedrijfsbezoeken die daaruit voortvloeien. GD-Veekijker is zeer geschikt voor het opsporen van nieuwe aandoeningen en niet-endemisch in Nederland voorkomende aandoeningen. Dierenartsen en - in tweede instantie - veehouders worden met enige regelmaat gewezen op de mogelijkheid om GD-Veekijker in te schakelen. Bovendien worden bevindingen regelmatig via verschillende media teruggekoppeld naar dierenartsen en veehouders. GD-Veekijker wordt bezet door vier dierenartsen van GD, waarvan de werkzaamheden volledig zijn gericht op de gezondheidszorg van kleine herkauwers. Drie dierenartsen zijn erkend als Europees specialist gezondheidszorg kleine herkauwers. Daarnaast wordt de GD Veekijker bemand door een Europees specialist gezondheidszorg kleine herkauwers werkzaam bij de Universitaire Landbouwhuisdierenpraktijk (ULP), wat bijdraagt aan de introductie van de Veekijker en het monitoringssysteem in het onderwijs. Informatie die bij GD-Veekijker binnenkomt, wordt in combinatie met informatie uit andere monitoringsmiddelen geïnterpreteerd in een wekelijks overleg, waarbij minimaal elke maand ook andere disciplines aanschuiven zoals pathologie, bacteriologie, immunologie, toxicologie, parasitologie en epidemiologie. Als een signaal dat uit de informatie wordt opgevangen, getoetst of uitgewerkt dient te worden, wordt in een beperkt aantal gevallen kleinschalig onderzoek opgezet in de vorm van pilots.

2.3 Pathologisch onderzoek en laboratoriumonderzoek

Dit betreft eveneens een reactief instrument. De informatie bereikt GD via ingezonden materiaal voor pathologisch onderzoek, meest kadavers, en nader onderzoek daarop. Pathologisch onderzoek is zeer geschikt voor het opsporen van nieuwe aandoeningen en niet-endemisch in Nederland voorkomende aandoeningen. Behalve informatie over de doodsoorzaak, wordt informatie verkregen over resistentie van bacteriën voor antibiotica, en van maagdarmwormen en leverbot voor anthelmintica. Pathologisch onderzoek wordt uitgevoerd door gespecialiseerde pathologen.

Pathologisch onderzoek is een wezenlijk onderdeel van een betrouwbare monitoring, zeker bij kleine herkauwers, en in dat kader is een voldoende groot aantal inzendingen van groot belang om ontwikkelingen binnen de sector goed te kunnen volgen. Daarom besteedt GD in de communicatie naar veehouders en dierenartsen veel aandacht aan het nut van pathologisch onderzoek. Na een duidelijke dip in het aantal inzendingen na de Q-koortsuitbraak in de jaren 2005 tot 2010 is het aantal inzendingen voor pathologisch onderzoek in de jaren daarna geleidelijk weer gestegen, mede door een actieve opvolging van inzendingen en communicatie over het belang van pathologisch onderzoek voor het inzichtelijk maken van de achtergronden van gezondheidsproblemen op schapen- en geitenbedrijven.

Om de oorzaak van sterfte of abortus op een bedrijf te achterhalen is pathologisch onderzoek van belang. Daarom sturen veehouders een dier in voor pathologisch onderzoek. Volgt er een diagnose, dan kan het (koppel)probleem worden aangepakt. Het belang van een diagnose kan verder reiken dan de individuele veehouder. Er kunnen aandoeningen voorkomen die overdraagbaar zijn van dier op mens, maar ook die gevolgen hebben voor contact- of buurtbedrijven, en die soms zelfs de hele sector raken. Vanwege het bredere belang wordt pathologisch onderzoek op schapen, geiten en verworpen vruchten en nageboorten bij GD vanuit de diergezondheidsmonitoring financieel ondersteund.

Om de zoektocht naar de doodsoorzaak zo goed mogelijk te kunnen uitvoeren is het van belang dat een goede omschrijving van ziektegeschiedenis (anamnese) op het inzendformulier wordt ingevuld. Informatie over onder andere ras, leeftijd, ziekteverloop, verschijnselen, problemen bij koppelgenoten, voeding en alles dat relevant kan zijn voor het achterhalen van de doodsoorzaak kan de kans op een diagnose vergroten. Voor een goede diagnose is daarnaast ook de versheid van het kadaver van belang. Bij een dier dat al enkele dagen dood is, wordt de kans op het stellen van een diagnose kleiner. Tot slot is het van belang dat het dier dat wordt ingestuurd een representant is van het probleem waarop de vraagstelling van toepassing is. De inzender kan dus op verschillende manieren de kans op het stellen van een diagnose vergroten.

2.4 Data­analyse

Een belangrijk doel van monitoring is het zicht houden op trends en ontwikkelingen op het gebied van diergezondheid. Daarbij vormt de analyse van al opgeslagen data een goed aanvullend instrument. In de sector kleine herkauwers zijn de volgende gegevensbestanden voor analyse beschikbaar: 1) aan- en afvoergegevens uit de centrale I&R-database van RVO (Rijksdienst voor Ondernemend Nederland); 2) locatiegegevens uit CRM van GD; 3) pathologiegegevens van GD; 4) sterftegegevens van Rendac; 5) importgegevens uit de TRACES-database van de NVWA en 6) informatie van GD over het wel of niet melkleverend zijn van UBN’s.

2.5 Kennisnetwerk Dierenartspraktijken

Sinds 2011 bestaat een Kennisnetwerk Dierenartspraktijken waarbinnen GD en enthousiaste dierenartsen met bovengemiddelde interesse voor kleine herkauwers verspreid over heel Nederland informatie uitwisselen over gezondheidszorg van kleine herkauwers. In 2016 is het kennisnetwerk uitgebreid naar zestien praktijken. Participanten weten elkaar makkelijk te vinden en bevindingen vanuit het veld worden laagdrempelig gedeeld. De participerende dierenartsen laten weten de huidige wijze van kennisuitwisseling te waarderen. Vanaf 2016 is gestart met onderzoek of en hoe praktijkdata kunnen worden gebruikt ten behoeve van de monitoring. Ook is toen een start gemaakt met peilbedrijven om informatie van die bedrijven uit het veld op proactieve wijze te verkrijgen. Deze samenwerking tussen GD en de betreffende praktijken zal zich de komende jaren in onderling overleg geleidelijk verder ontwikkelen.

3. Aangifteplichtige ziekten conform de Regeling

Diergezondheid

3.1 Brucellose veroorzaakt door Brucella melitensis

Brucellose veroorzaakt door Brucella melitensis is een bacteriële aandoening die nooit in Nederland is vastgesteld.

Deze bacterie veroorzaakt abortus, vroeggeboorte, doodgeboorte en geboorte van slappe lammeren bij kleine herkauwers en komt een enkele keer ook voor bij rundvee. In Europa komt deze vorm van brucellose met name voor in landen rond de Middellandse Zee. De aandoening kan ook bij mensen voor ziekte zorgen en heet dan Maltakoorts. Nederland heeft sinds 1992 officieel de vrij-status voor Brucella melitensis. Brucellose veroorzaakt door B. melitensis is gecategoriseerd als B-ziekte en is daarmee aangifteplichtig.

GD voert jaarlijks de monitoring op Brucella melitensis uit. Ten behoeve van deze monitoring dienen jaarlijks 1475 bedrijven te worden onderzocht op antistoffen tegen B. melitensis. Gedurende het jaar communiceert GD regelmatig met de geselecteerde dierhouders en hun dierenarts. Deze herinneringen resulteren vaak in een toename van het aantal inzendingen, zoals blijkt uit de pieken in ingezonden monsters in onderstaande grafiek volgend op een herinneringsbericht. Ook worden gedurende het jaar verschillende media gebruikt om over het belang van deze monitoring te communiceren.

Begin januari is de aansturing voor de monitoring in 2025 verstuurd naar houders en dierenartsen. Half april is er een digitale herinnering verstuurd naar houders waarvan een e-mailadres bekend is. Eind april is een schriftelijke herinnering verstuurd naar houders waarbij het e-mailbericht niet is aangekomen of waarvan geen e-mailadres bekend was. In juli is een digitale herinnering gestuurd naar de dierenartspraktijken. Ook nemen relatiebeheerders van GD gedurende het jaar bij een bezoek aan een dierenartspraktijk een overzicht van de openstaande UBN’s mee. In september is er een (digitale) herinnering verstuurd naar houders van alle openstaande UBN’s. In oktober is een brief gestuurd naar houders die niet hadden gereageerd op de herinnering van september. Eind november waren van voldoende bedrijven bloedmonsters onderzocht om aan de benodigde aantallen voor de monitoring in 2025 te voldoen.

Figuur 3.1 Het aantal ingestuurde monsters per maand in 2023 (blauw), 2024 (rood) en 2025 (groen) voor de monitoring op Brucella melitensis.

3.2 Blauwtong

Blauwtong (BT) wordt veroorzaakt door een orbivirus uit de familie Reoviridae. Er zijn 24 serotypen van dit virus meldingsplichtig; daarnaast zijn er de laatste jaren verschillende nieuwe BT-virussen geïsoleerd die niet typeerbaar zijn met het traditionele serumneutralisatiesysteem. De ziekte komt voor in grote delen van de wereld. Blauwtong wordt met name gekenmerkt door koorts, ontsteking van mond- en neusslijmvlies, oedemen en verhoogde doorbloeding en overvulling van de kroonranden en spierbeschadiging.

Het blauwtongvirus (BTV) wordt verspreid door vectoren van de soort Culicoides. Op basis van de AHR is BT gecategoriseerd als een C-ziekte en is op basis daarvan aangifteplichtig. In geval van een verdenking van blauwtong dienen houders en dierenartsen hiervan melding te maken bij de NVWA.

BTV wordt geclassificeerd op basis van serotypes, die niet of nauwelijks kruisbescherming opwekken met elkaar. In Europa circuleren meerdere serotypen, waarbij de dominantie per land en seizoen kan verschillen. Op basis van Europese meldingen sinds juli 2024 zijn veelal BTV-3 en BTV-8 gerapporteerd, naast meldingen van BTV-1, BTV-4, BTV-5 en BTV-12. Het vaststellen van het serotype is van belang om de herkomst van het virus te onderzoeken en om passende maatregelen te kunnen nemen, zoals gerichte vaccinatie.

Voor het eerst sinds 2008 werd begin september 2023 in het midden van Nederland BT vastgesteld bij schapen op vier bedrijven. Een aantal dagen nadien werd bekend dat het om BTV serotype 3 (BTV-3) ging. In de daaropvolgende weken heeft BTV-3 zich over grote delen van Nederland verspreid. Ook werden vervolgens in omliggende landen infecties met BTV-3 aangetoond. In het voorjaar van 2024 werden drie BTV-3-vaccins toegestaan voor gebruik in Nederland op basis van een noodverordening. In 2024 zorgde opnieuw BTV-3 voor verhoogde morbiditeit en mortaliteit bij schapen, runderen en geiten. Ondanks de impact die BTV-3 in 2024 heeft gehad, bleek dat vaccinatie morbiditeit en mortaliteit heeft beperkt, maar niet heeft kunnen voorkomen. In 2024 werd naast BTV-3 ook BTV-12 in Nederland aangetoond, wat het belang benadrukt van alertheid op (nieuwe) serotypen.

Van alle herkauwers zijn schapen zijn het meest gevoelig voor het BTV. De variatie in klinische verschijnselen en het ziekteverloop is in het algemeen groot en varieert van mild tot zeer ernstig. Veel geziene verschijnselen in geval van BTV-3-zijn apathie, afzonderen, kreupel- en stijfheid, en overmatig speekselen. Bij inspectie van de kop worden oedeem; soms beperkt tot de lippen en zwelling, roodheid, erosie en/of ulceratie van het mond-, oog- en neusslijmvlies waargenomen. Wanneer schapen de acute fase overleven wordt (peri)artritis en ontschoening waargenomen. Ook vertoont een deel van de schapen verschijnselen passend bij spiernecrose, zoals stramheid. Het pathologisch beeld toont in meer of mindere mate ernstige musculaire en/of orgaanschade als gevolg van vasculitis.

Blauwtong is ook aangetoond bij (melk)geiten. Waargenomen verschijnselen zijn koorts, oedeem van de lippen of in ergere mate van de kop, oog- en neusuitvloeiing, bloedingen op en roodheid van de uierhuid en kling, melkproductiedaling, stijf- en kreupelheid, neurologische verschijnselen en abortus. Het aantal zieke dieren op BTV-3 geïnfecteerde bedrijven is in de regel beperkt. Desondanks is incidentele sterfte gemeld. BTV-3 is ook aangetoond bij alpaca’s en lama’s. Ook bij deze diersoorten is algehele ziekte en (acute) sterfte door BTV-3 aangetoond.

In september 2024 werd in Nederland serotype BTV-12 aangetoond. Retrospectief en aanvullend onderzoek liet zien dat BTV-12 op een beperkt aantal bedrijven (12) werd aangetoond. Ook was de binnenbedrijfsprevalentie op deze bedrijven relatief beperkt (0,3-9,3%). Hoewel BTV-12 een nieuw serotype is met nog onbekende kenmerken, bleef het aantal bevestigde besmettingen beperkt en zijn er vooralsnog geen aanwijzingen die leiden naar de bron van BTV-12 in Nederland.

In 2025 is de monitoringsstrategie aangepast om een vinger aan de pols te houden voor (her)introductie, verspreiding en het voorkomen van serotypen. In de maanden juli, september en november werden in twintig regio’s via 21 geselecteerde dierenartspraktijken dieren met klinische verschijnselen bemonsterd (maximaal drie dieren per bedrijf, op maximaal veertien bedrijven per regio). De monsters werden via GD naar WBVR gestuurd voor diagnostiek en indien nodig typering. In Nederland is in 2025 geen van de gemelde klinische verdenkingen het blauwtongvirus aangetoond.

Vanaf juli 2025 is door meerdere Europese lidstaten melding gemaakt van BT. In de EU ligt onder de Animal Health Law (Verordening (EU) 2016/429) de nadruk op risicobeheer rond verplaatsingen en vaccinatiestrategieën; in Europees verband is in 2025 gewerkt aan vereenvoudiging van bepalingen rond blauwtong in uitvoerings- en gedelegeerde regelgeving, onder meer voor dierverplaatsingen en kiemproducten.

Frankrijk meldde in 2025 de meeste BT-gevallen in Europa. Tussen 1 juni en 7 augustus werden 2.096 BTV-3uitbraken en 1.377 BTV-8-uitbraken gemeld, met de meeste meldingen in Bretagne, Pays de la Loire en delen van het zuidwesten. Frankrijk intensiveerde de vaccinatiecampagne door vaccins voor BTV-8 en BTV-3 te verstrekken en kocht vaccins tegen BTV-1 om in te zetten in de grensregio’s met Spanje.

In Groot-Brittannië is sinds 1 juli 2025 een restrictiezone voor blauwtong ingesteld voor heel Engeland. Binnen deze zone kunnen dieren worden verplaatst zonder specifieke vergunning of ‘pre-movement tests’. Voor het invriezen van kiemproducten blijft een speciale vergunning vereist. Nieuwe BTV-3-gevallen werden in juli en augustus bevestigd en bleven doorgaans beperkt per bedrijf. Daarnaast is in 2025 in het Verenigd Koninkrijk ook een BTV-12-geval gemeld bij rundvee nabij Ashford (Kent).

In Duitsland is in 2025 tot en met half augustus uitsluitend BTV-3 vastgesteld, ondanks circulatie van andere serotypen in buurlanden. Ook in andere Europese landen werden in 2025 uitbraken gemeld, vaak met serotype BTV-8 (o.a. Bulgarije, Slovenië, Kroatië, Griekenland, Oostenrijk), en in meerdere landen BTV-3 (o.a. Noorwegen, Duitsland, Polen). Italië rapporteerde een sterke toename van BTV-8 naast meldingen van BTV-1, BTV-3 en BTV-4. Spanje meldde meerdere serotypen (BTV-1, BTV-3, BTV-8 en combinaties daarvan) en zette een nationaal monitoringsprogramma op met serologische en klinische bewaking. Italie meldde in 2025 het voorkomen van BTV-5, een serotype dat niet eerder in Europa is aangetoond.

3.3 Listeriose

Listeriose is een bacteriële aandoening die wordt veroorzaakt door Listeria spp. In Nederland zijn met name Listeria monocytogenes en Listeria ivanovii van belang, waarbij de laatstgenoemde uitsluitend wordt aangetroffen in het kader van abortus bij kleine herkauwers. De belangrijkste besmettingsbron is vaak slecht geconserveerd ruwvoer, maar ook water, strooisel en andere voedingsmiddelen kunnen deze bacterie bevatten. Daarnaast kunnen grazende dieren de bacterie in mindere mate opnemen uit de omgeving.

Listeriose is een meldingsplichtige zoönose voor zelfzuivelende bedrijven en bedrijven met een publieksfunctie, conform artikel 3a.1. Melding zoönosen van de Regeling Houders van Dieren.

Geiten worden doorgaans gevoeliger geacht voor listeriose dan schapen. De aandoening kan zich bij kleine herkauwers op diverse manieren manifesteren, waaronder encefalitis (neurologische verschijnselen), sepsis, abortus, ooginfecties en gastro-enteritis. Op melkgeitenbedrijven betreft listeriose vaak een jaarrond probleem, terwijl het bij schapen met name in de wintermaanden wordt gezien wanneer dieren op stal staan en kuilvoer krijgen.

Ook in 2025 is listeriose binnen de monitoring met regelmaat vastgesteld. In het kader van abortusdiagnostiek bij kleine herkauwers behoorde Listeria spp. tot de meest frequent aangetoonde infectieuze oorzaken van abortus in de ingezonden lammeren. Daarnaast ontving GD via de Veekijker en middels pathologisch onderzoek casuïstiek die het belang van listeriose als differentiaaldiagnose bij neurologische problemen benadrukt.

De kans op problemen door Listeria spp. op een bedrijf is afhankelijk van meerdere factoren. Allereerst speelt de aanwezigheid van Listeria spp. in ruwvoeder een rol, waarbij besmetting kan optreden tijdens de winning en productie ervan. Preventieve maatregelen om opname van besmette grond te voorkomen zijn essentieel, waaronder het bestrijden van mollen en het vermijden van te kort maaien van het gewas. Daarnaast kan de bacterie zich onder gunstige omstandigheden vermenigvuldigen. Factoren zoals pH, temperatuur en vochtigheid spelen hierin een cruciale rol. Listeria spp. groeit bij temperaturen tussen -0,4°C en 45°C, maar de groei wordt beperkt bij een combinatie van lage temperatuur en lage pH (<4,5). In droog en goed geconserveerd voer kan de bacterie zich nauwelijks vermenigvuldigen.

Het met zekerheid identificeren van de besmettingsbron na een uitbraak van listeriose is in de praktijk vaak complex, mede door de variabele incubatietijd, die kan variëren van enkele uren tot enkele weken.

3.4 Meldplicht abortus en infectie veroorzaakt door Coxiella burnetii

Abortus

Bij kleine herkauwers in Nederland zijn Chlamydia abortus, Toxoplasma gondii, Listeria spp. en Campylobacter spp. de meest voorkomende infectieuze oorzaken van abortus. In de periode 2006-2010 was Coxiella burnetii de belangrijkste abortusverwekker bij geiten in Nederland. Buiten Nederland worden bijvoorbeeld ook het Rift Valley fever virus, Salmonella Abortusovis en Brucella melitensis in verband gebracht met abortus bij kleine herkauwers. Q-koorts is binnen de AHR-regeling geclassificeerd als een categorie E-ziekte en is in Nederland meldingsplichtig volgens de geldende wetgeving.

Ieder voorjaar is abortus en doodgeboorte een belangrijk aandachtspunt binnen de Veekijker. Ook in 2025 zijn vragen en signalen rondom abortus door infectieuze oorzaken op schapen- en geitenbedrijven besproken. Het stellen van een diagnose op basis van het klinisch beeld alleen is niet mogelijk. Jaarlijks voert GD pathologisch onderzoek uit op ingezonden geaborteerde of doodgeboren lammeren. Abortus, vroeggeboorte, doodgeboorte en de geboorte van zwakke lammeren kunnen zowel infectieuze als niet-infectieuze oorzaken hebben. Het aantal inzendingen voor abortusdiagnostiek is echter niet representatief voor de gehele Nederlandse populatie kleine herkauwers.

In 2025 werden 71 geaborteerde of doodgeboren lammeren van zowel schapen als geiten ingestuurd voor pathologisch onderzoek. In deze secties werd bij 49% van de ingezonden lammeren een besmettelijke oorzaak aangetoond; de meest voorkomende kiemen waren Listeria spp., Toxoplasma gondii en Campylobacter spp. Daarnaast zijn dit voorjaar ook lammeren ingestuurd met een verdenking van een infectie met het blauwtongvirus, maar bij geen van deze lammeren werden afwijkingen gevonden die te relateren waren aan de blauwtonguitbraak.

Sinds 2022 is de monitoring van abortus bij kleine herkauwers uitgebreid. Bedrijven die zijn geselecteerd voor de monitoring van Brucella melitensis kunnen in geval van abortus laagdrempelig eenmalig abortusdiagnostiek laten uitvoeren in het belang van de diergezondheidsmonitoring. In 2025 is deze laagdrempelige diagnostiek verder ondersteund met een “abortuspakket” (diepe keelswab bij verworpen of doodgeboren lammeren) dat op geselecteerde bedrijven en via een beperkt aantal dierenartspraktijken kan worden ingezet. Tot en met april 2025 hebben 56 houders gebruikgemaakt van dit abortuspakket; hierbij werden vooral infecties met E. coli en Listeria spp. aangetoond.

In 2025 heeft GD een risk-based pilotstudie om meer inzicht te krijgen in het voorkomen van Chlamydia abortus. Bedrijven die in de voorafgaande jaren abortusdiagnostiek hebben aangevraagd, zijn aangestuurd voor gepoold onderzoek op C. abortus bij recent afgelamde dieren. Tot en met april 2025 hebben 55 houders monsters ingestuurd, waarvan drie bedrijven positief testten in de Chlamydia PCR.

Veel van de besmettelijke oorzaken van abortus zijn zoönotisch en kunnen ziekte veroorzaken bij de mens. Hoewel het algemene risico voor de mens klein is, lopen specifieke groepen een verhoogd risico, waaronder jonge kinderen, ouderen, immuungecompromitteerden en zwangere vrouwen. Jaarlijks heeft GD contact met vrouwen die zich niet bewust waren van het risico van contact met aflammerende schapen of geiten. Vanuit het voorzorgsprincipe is het van belang dat zwangere vrouwen contact met aflammerende kleine herkauwers zoveel mogelijk vermijden. Zij dienen zeker geen assistentie te verlenen bij het aflammeren en moeten contact met mogelijk besmette materialen voorkomen. Ook in 2025 is hierover gecommuniceerd. Ter ondersteuning zijn onder meer een instructievideo en podcast ingezet om het belang van abortusdiagnostiek en zoönosebewustzijn te benadrukken. Voor abortus bij schapen en geiten is specifieke regelgeving van toepassing. Een verhoogd aantal abortussen dient gemeld te worden bij de NVWA.

Q ­ koorts

Q-koorts is een zoönose die wordt veroorzaakt door de bacterie Coxiella burnetii. Hoewel verschillende diersoorten deze bacterie kunnen uitscheiden, vormen herkauwers de belangrijkste bron van infectie voor de mens. Bij schapen en geiten verloopt een infectie meestal asymptomatisch, maar kan leiden tot abortus, doodgeboorte en de geboorte van zwakke lammeren. De uitscheiding van C. burnetii vindt met name plaats via geboorteproducten.

Q-koorts is een aangifteplichtige zoönose. Met abortus als kenmerkende klinische uiting in geval van infectie met C. burnetii, dienen verhoogde abortuspercentages bij kleine herkauwers te worden gemeld bij de NVWA. Daarnaast geldt dat een PCR-positief resultaat in de tankmelkmonitoring meldingsplichtig is.

In 2025 zijn zes gevallen van humane Q-koorts gemeld. Dit aantal is vergelijkbaar met het aantal meldingen sinds 2020, waarin jaarlijks minder dan tien humane gevallen worden gerapporteerd (bron: RIVM).

In 2025 is een praktijkcasus gemeld waarbij C. burnetii werd aangetoond in de placenta van een hobbymatig gehouden schaap. Het betrof een hobbymatig bedrijf waar enkele schapen uit Ierland waren geïmporteerd en waarbij bij één dier eerder serologisch antistoffen tegen C. burnetii waren aangetoond. Het schaap wierp vervolgens twee lammeren. Een van de twee lammeren was doodgeboren, terwijl het andere lam gezond was. Het doodgeboren lam is in overleg met de Veekijker met bijbehorende nageboorte is ingestuurd voor pathologisch onderzoek. Middels histologisch onderzoek en vervolgens ook met PCR werd C. burnetii aangetoond. De bevinding is gemeld bij de NVWA en in afstemming is de houdster via de GGD geïnformeerd en geadviseerd om aanvullend bloedonderzoek te laten verrichten; tevens is geadviseerd de schapen tegen Q-koorts te vaccineren.

In 2025 is daarnaast Q-koorts vastgesteld bij bosrendieren in een dierentuin, nadat meerdere bosrendieren hadden geaborteerd. Onderzoeksmateriaal ingestuurd voor abortusdiagnostiek bleek positief voor C. burnetii. Verdere analyse door Wageningen Bioveterinary Research (WBVR) wees uit dat het niet om de Nederlandse uitbraakstam (2005-2012) ging, maar om een variant die eerder in Oost-Europa bij runderen is gevonden. Deze variant wordt in het algemeen minder vaak in verband gebracht met besmettingen bij mensen dan stammen die afkomstig zijn van schapen en geiten.

Naar aanleiding van deze bevinding is de meldplicht voor Q-koorts uitgebreid. Waar deze voorheen vooral op schapen en geiten was gericht, moeten houders en dierenartsen een (vermoeden) van een besmetting bij rendieren en cameliden melden bij de NVWA.

Regelgeving en vaccinatieplicht

Met de invoering van de Animal Health Regulation in april 2021 is de regelgeving over Q-koorts voor schapen- en geitenhouders gewijzigd. Net als in voorgaande jaren zijn alle melkgeiten- en melkschapenhouders met meer dan vijftig dieren verplicht hun dieren jaarlijks te laten vaccineren en deze vaccinatie tijdig te registreren. Sinds 21 april 2021 hoeft de vaccinatie niet langer vóór 1 augustus te worden toegediend, maar moet deze plaatsvinden ten minste drie weken voor de dekking of inseminatie en binnen 12 maanden na de vorige vaccinatie.

De vaccinatieplicht geldt ook voor kleine herkauwers op locaties met een publieksfunctie en voor schapen en geiten die deelnemen aan evenementen, tentoonstellingen of keuringen. Daarnaast zijn alle houders verplicht maatregelen te treffen om bezoekerscontact met het koppel tijdens de aflammerperiode te voorkomen.

Vaccinatie bij schapen

Sinds 2023 is Coxevac®, het geïnactiveerde Q-koortsvaccin, geregistreerd voor gebruik bij schapen, waar het voorheen enkel was goedgekeurd voor geiten en runderen. Voor deze registratie werd het vaccin bij schapen toegepast via de cascaderegeling, waarbij een dosering van 1 ml per dier werd gehanteerd. Met ingang van 2024 dienen schapen conform bijsluiter met een dosering van 2 ml te worden gevaccineerd en verder conform artikel 1.46 van het Besluit houders van dieren. Voor de herhalingsvaccinatie geldt dat deze plaats dient te vinden conform lid 3 van artikel 1.46 van voornoemd besluit, zijnde binnen 12 maanden.

Bijwerkingen en meldingsplicht

In het verleden hebben dierenartsen en veehouders aan GD gemeld dat het gebruik van Coxevac® bij schapen en geiten, met name bij oudere dieren die vaker gevaccineerd zijn, bijwerkingen kan veroorzaken. Het is van groot belang dat vermoedelijke bijwerkingen van diergeneesmiddelen worden gemeld aan de handelsvergunninghouder, leverancier of het Bureau Diergeneesmiddelen (BD). Het systematisch rapporteren van ongewenste effecten is een essentieel onderdeel van de bewaking van de veiligheid en effectiviteit van diergeneesmiddelen.

Q ­ koorts tankmelkmonitoring in 2025

Alle melkschapen- en melkgeitenbedrijven met meer dan vijftig dieren worden vierwekelijks onderzocht in de Q-koorts tankmelkmonitoring middels een PCR-test. Twee gewetensbezwaarde bedrijven die niet vaccineren worden iedere twee weken onderzocht. Daarnaast worden op verzoek van de NVWA af en toe bedrijven (tijdelijk) iedere twee weken onderzocht. De achterliggende reden voor deze intensievere monitoring is meestal een overschrijding van de termijn van het uitvoeren van de herhalingsvaccinatie. In 2025 zijn 5.385 monsters van 410 verschillende UBN’s onderzocht. De monitoring in 2025 heeft niet geleid tot besmetverklaringen op melkschapen- en melkgeitenbedrijven.

3.5 Salmonellose

Salmonellose komt af en toe voor bij kleine herkauwers en wordt meestal geassocieerd met abortus, sepsis en maagdarmstoornissen. Jaarlijks worden enkele infecties bij GD vastgesteld, waarbij doorgaans een Salmonella Dublin, Salmonella Typhimurium, Salmonella enterica subsp. diarizonae of een niet nader getypeerde Salmonella spp. wordt gekweekt. Salmonellose is een zoönose die meldingsplichtig is op basis van artikel 3a.1. Melding zoönosen van de Regeling Houders van Dieren.

Salmonellose bij schapen

Salmonella-infecties leiden bij schapen zelden tot klinische verschijnselen. Incidenteel is salmonellose de oorzaak van abortus, waarbij in de meeste gevallen Salmonella Typhimurium, Salmonella Dublin of een Salmonella spp. uit de serogroep F-67 wordt gevonden als oorzaak. In de meeste gevallen van abortus betreft het één of enkele dieren in het koppel, waarbij geen duidelijke ziekteverschijnselen zijn opgemerkt. Naar alle waarschijnlijkheid betreft het in deze gevallen S. diarizonae. Het lijkt erop dat dit type salmonella niet primair pathogeen is. Op basis van literatuuronderzoek is vastgesteld dat deze bacterie soms voor klinische klachten bij schapen kan zorgen. Dit type salmonella is zelden beschreven als oorzaak van ziekte bij de mens.

In Europa wordt daarnaast Salmonella abortusovis beschreven als een relevante verwekker van abortus bij schapen. Tot op heden is deze variant nog nooit in Nederland aangetoond.

Salmonellose op melkgeitenbedrijven

Sinds 2016 wordt salmonellose met regelmaat vastgesteld in de melkgeitenhouderij. In de meeste gevallen betreft het Salmonella enterica subsp. enterica serotype Typhimurium, een zoönotische bacterie die op enkele melkgeitenbedrijven heeft geleid tot humane infecties. Hoewel salmonella-infecties in andere diersectoren beter bekend is, bestaat er binnen de melkgeitenhouderij nog veel onduidelijkheid over infecties met Salmonella spp.

De Publiek Private Samenwerking (PPS) Kleine Herkauwers, die in 2024 is afgerond, heeft meer informatie gegeven over het voorkomen van salmonella-infecties in de melkgeitenhouderij. Uit het prevalentieonderzoek kwam naar voren dat salmonella-bacteriën op circa 3% van de deelnemende bedrijven konden worden aangetoond, maar dat dit waarschijnlijk een onderschatting betreft. Ook werden besmettingen gevonden bij jonge bokjes in slachthuizen. Een belangrijke conclusie was dat slechts een minderheid van de salmonella-positieve bedrijven duidelijke klinische problemen rapporteert, waardoor klinische uitbraken mogelijk slechts het ‘topje van de ijsberg’ vormen. Bovendien bleek detectie in de praktijk complex en vaak afhankelijk van herhaald onderzoek. Op basis hiervan is gewerkt aan een concept-monitoringsaanpak met laagdrempelige diagnostische tools, waaronder tankmelkonderzoek als screeningsinstrument, aangevuld met mest-, stof- en omgevingsonderzoek en typering van stammen. Uit het onderzoek bleek dat succesvolle beheersing in de praktijk meestal berust op een combinatie van strikte bioveiligheids- en hygiënemaatregelen, gerichte aandacht voor dierbewegingen en, waar van toepassing, inzet van een autovaccin.

Ook in 2025 bleek salmonellose een relevant aandachtspunt binnen de diergezondheidsmonitoring van kleine herkauwers. Op enkele bedrijven leidden infecties bij melkgeitenlammeren tot klinische problemen en verhoogde uitval. De verschillende uitbraken lieten zien dat het ziektebeeld divers is door aanwezigheid van verschillende serotypen, wisselende kliniek en soms lastig te behandelen infecties als gevolg van multiresistentie.

Op een opfokbedrijf waar aanhoudende (luchtweg)problemen bij lammeren speelden, werd bij pathologisch onderzoek van een twee weken oud lam een darmaandoening door Salmonella Typhimurium vastgesteld. Opvallend was dat het bedrijf een verhoogde uitval rapporteerde zonder diarree. Vermoedelijk heeft de darmaandoening geleid tot een verstoring van de metabole zuurtegraad, met een afwijkende ademfrequentie als gevolg. Omgevingsbemonstering met de ‘schoentjesmethode’ toonde S . Typhimurium in alle afdelingen aan. Ook op het herkomstbedrijf van de lammeren werd S . Typhimurium aangetoond, wat introductie via dieraanvoer aannemelijk maakt.

Op een ander melkgeitenbedrijf werd bij lammeren in de tweede levensweek eveneens verhoogde uitval gezien, met onder meer purulente neusuitvloeiing, verschijnselen passend bij meningo-encefalitis, verminderde drinklust en koliek werden beschreven. Pathologisch onderzoek bevestigde een salmonella-infectie. Nadere typering wees op een infectie met serotype C (Salmonella enterica serovar Bovismorbificans). Dit serotype wordt in Nederland vooral bij rundvee aangetroffen en lijkt daar de laatste jaren vaker te worden gevonden. Er was op dit bedrijf geen sprake van contact met runderen. Deze casus benadrukt dat introductieroutes niet altijd direct herleidbaar zijn en dat bioveiligheidsmaatregelen van van belang zijn.

De ervaringen uit 2025 bevestigen daarnaast dat salmonellose niet altijd gepaard gaat met het klassieke beeld van diarree, waardoor in deze gevallen een infectie met salmonella-bacteriën niet altijd direct als eerste in de differentiaaldiagnose werd overwogen. Om die reden is omgevingsgericht en zo nodig herhaald onderzoek waardevol om besmettingen aan te tonen.

3.6 Scrapie

Scrapie is een zeer langzaam verlopende aandoening van het zenuwstelsel bij schapen en geiten. Schapen met scrapie kunnen verschillende combinaties van klinische verschijnselen vertonen maar meestal komen één of meer van de volgende verschijnselen voor: jeuk, onrust, schrikachtigheid, trillen over het hele lichaam maar vooral een fijne trilling aan de kop, veranderd gedrag en een afwijkende gang. Uiteindelijk sterven de dieren. Scrapie is aangifteplichtig op basis van artikel 2.1.c. Aanwijzing dierziekten van de Regeling Diergezondheid. Daarnaast stelt artikel 3a.4. in de Regeling houders van dieren dat houders van schapen en geiten melding dienen te maken van ‘verschijnselen van scrapie’ bij schapen en geiten ouder dan twaalf maanden indien die schapen gedragsstoornissen of neurologische symptomen vertonen en waarbij de ziekte op grond van een reactie op een behandeling of op grond van een laboratoriumonderzoek niet kan worden uitgesloten.

De gevoeligheid voor scrapie bij schapen wordt bepaald door de samenstelling van het zogenaamde PrP-gen (PrP = prion protein = prion eiwit). Genotype VRQ/VRQ is het gevoeligst voor scrapie en genotype ARR/ARR is het meest resistente genotype. Door selectie op dit resistente genotype is de prevalentie van scrapie bij schapen in Nederland gedaald van bijna twee per duizend geteste gestorven en geslachte dieren in 2002 naar minder dan één geval gemiddeld per jaar in de laatste tien jaar. In 2009, 2010, 2011, 2012 en 2013 waren dat er respectievelijk drie, twee, één, nul en twee. Vanaf 2014 is scrapie niet meer aangetoond in Nederland.

Geitenhouders die dieren binnen de EU willen exporteren moeten deelnemen aan het scrapiebewakingsprogramma. Daarnaast mogen ze sinds 2015 zelf ook alleen maar dieren aanvoeren van bedrijven die aan vergelijkbare eisen voldoen. In juli 2020 zijn enkele wijzigingen doorgevoerd in de Europese regelgeving waardoor scrapie-resistente geiten kunnen deelnemen aan het intraverkeer. Als scrapie-resistent worden beschouwd geiten die 222K drager zijn, met andere woorden geiten die op codon 222 coderen voor het aminozuur lysine. Hetzelfde geldt voor geiten die 146D (asparaginezuur) en 146S (serine) drager zijn. GD biedt geitenhouders de mogelijkheid om geiten te genotyperen. Waarschijnlijk is slechts een heel laag percentage van de Nederlandse geitenpopulatie scrapieresistent en onder de Witte Melkgeiten is dat rond de 1%. De verwachting is dat de sector zich de komende jaren meer gaat richten op het fokken van een scrapieresistente geitenpopulatie omdat de vraag naar Nederlandse geiten groot is. Daarbij is het van belang om versmalling van genetische lijnen en daarmee inteelt te voorkomen. Binnen de EU is scrapie nog steeds een behoorlijk probleem en in verreweg de meeste EU-lidstaten is dit probleem de afgelopen jaren ook niet kleiner geworden. Ondanks een afname van het aantal gevallen van klassieke scrapie in een aantal lidstaten is duidelijk dat er op Europees niveau geen duidelijke trend in de afname van het aantal gevallen van scrapie bij kleine herkauwers is (bron: www.promed.eu). Nederland vormt met de hele lage aantallen scrapiegevallen per jaar een gunstige uitzondering. Fokken op het resistente genotype ARR/ARR heeft klaarblijkelijk zijn vruchten afgeworpen.

Sinds 1 juli 1998 bestrijdt GD scrapie in de Nederlandse schapenhouderij met een programma gebaseerd op selectie van fokdieren op erfelijke ongevoeligheid voor deze ziekte. Net als in voorgaande jaren heeft GD in 2025 een steekproef uitgevoerd op dieren met een zogenaamd ‘papieren genotype ARR/ARR’ in het kader van de borging van dit certificeringsprogramma voor scrapiegenotypering bij schapen. In totaal zijn 70 rammen van 15 verschillende rassen via bloedonderzoek onderzocht. De onderzochte rammen zijn geboren op 55 verschillende bedrijven. Alle onderzochte rammen bleken te beschikken over het gewenste genotype ARR/ARR. Ook in 2026 zal GD een vrijwillige steekproef als onderdeel van de borging van het scrapiebestrijdingsprogramma van GD organiseren.

Ook buiten Nederland blijft klassieke scrapie relevant. In het Verenigd Koninkrijk werd op 28 mei 2025 bij een Welsh Mountain Badger Face-ooi klassieke scrapie vastgesteld. Het betrof een dier uit een koppel van 139 schapen. De laatste keer dat klassieke scrapie in het VK werd aangetoond was in 2020. Deze melding benadrukt dat klassieke scrapie, ondanks intensieve bestrijding, in sommige landen incidenteel kan blijven optreden en dat blijvende alertheid en monitoring van belang zijn, ook in landen waar de incidentie laag is.

4. Trends

Specifieke aandoeningen

Chlamydia abortus

Chlamydiose, ook bekend als enzoötische abortus, wordt veroorzaakt door Chlamydia abortus en is in NoordwestEuropa een van de belangrijkste infectieuze oorzaken van abortus bij kleine herkauwers. Deze bacterie veroorzaakt een ontsteking van de placenta, wat meestal leidt tot abortus in de laatste weken van de dracht. Ook in Nederland is C. abortus een veelvoorkomende oorzaak van abortus op zowel kleinschalige als professionele schapen- en geitenbedrijven.

Abortus en doodgeboorte blijven ieder voorjaar een belangrijk aandachtspunt binnen de diergezondheidsmonitoring. In 2025 zijn opnieuw geaborteerde of doodgeboren lammeren ingestuurd voor pathologisch onderzoek, waarbij ook aandacht blijft bestaan voor het beter in beeld krijgen van C. abortus binnen de schapen- en geitensector. Sinds 2022 is de monitoring van abortus bij kleine herkauwers uitgebreid door geselecteerde bedrijven de mogelijkheid te bieden om laagdrempelig aanvullende abortusdiagnostiek te laten uitvoeren. Dit draagt bij aan bewustwording en een hoger aantal inzendingen en daarmee zicht op het voorkomen van de verschillende abortusverwekkers, mede doordat veehouders vaker contact opnemen met de Veekijker om uitslagen en zoönotische risico’s te bespreken.

Omdat in de praktijk beperkt zicht is op de mate van voorkomen van C. abortus bij schapen en geiten, is in 2025 daarnaast een risk-based pilotstudie uitgevoerd bij ruim 200 bedrijven die in de voorafgaande jaren abortusdiagnostiek hadden verricht. Bedrijven werden aangestuurd voor gepoold onderzoek op C. abortus bij recent afgelammerde dieren. In de eerste maanden van 2025 zijn hieruit een beperkt aantal positieve bedrijven naar voren gekomen. Van de 263 aangeschreven bedrijven stuurden 72 bedrijven materiaal voor nader onderzoek in. In 7% van de gepoolde bedrijfsmonsters werd C. abortus aangetoond. Deze bevinding ondersteunt dat C. abortus aanwezig blijft in de Nederlandse populatie, terwijl de incidentie van abortus door C. abortus naar verwachting lager ligt dan in enkele omliggende landen. Daarnaast werd een eerste inventarisatie uitgevoerd van de genetische achtergrond van C. abortus in Nederland. Genetische typering bleek in deze pilot uitsluitend succesvol op PCR-positieve placentamonsters. Kweek en typering vanuit vaginale swabs was niet mogelijk, vermoedelijk ten gevolge van de bewaarmethode. In de beperkte set succesvol onderzochte isolaten (n=9) was de genetische variatie relatief klein. Indien dit beeld standhoudt, kan dit de toepasbaarheid van genomische data voor brontracering beperken. Op basis hiervan wordt geadviseerd om in komende aflammerperioden geschikte monsters (placentameteriaal) structureel te blijven verzamelen en onderzoeken, en tevens te verkennen of ook alternatieve, praktischer te verzamelen monstertypen geschikt gemaakt kunnen worden voor typering.

De Veekijker ontvangt regelmatig vragen over de rol van mannelijke dieren bij introductie van de infectie; in de praktijk is aanvoer van besmet vrouwelijk fokmateriaal echter de meest waarschijnlijke route van introductie op een bedrijf. De incubatietijd tussen insleep en klinische problemen kan variëren van maanden tot jaren, wat bronopsporing bemoeilijkt. Zodra C. abortus zich in een koppel heeft gevestigd, is uitroeiing complex en zijn beheersmaatregelen zoals hygiëne rond aflammeren, scheiden van risicogroepen en een vaccinatie vaak langdurig noodzakelijk. Preventie blijft daarom gericht op het voorkomen van insleep. GD adviseert bij aankoop nadrukkelijk te informeren naar de gezondheidsstatus van het herkomstbedrijf, quarantaine toe te passen en in geval van abortus altijd diagnostiek te verrichten.

Chlamydiose is een zoönose en vormt vooral een risico voor zwangere vrouwen, maar kan incidenteel tot pneumonie bij mensen leiden. Het blijft belangrijk dat zwangere vrouwen direct en indirect contact met aflammerende kleine herkauwers vermijden en dat verworpen vruchten en nageboorten zorgvuldig worden afgevoerd of ingestuurd voor onderzoek.

Caseous lymfadenitis

Caseous lymfadenitis (CL) is een bacteriële infectie veroorzaakt door Corynebacterium pseudotuberculosis. Na infectie kan abcesvorming ontstaan in oppervlakkige en inwendige lymfeklieren, die bij doorbraak kan leiden tot verdere verspreiding van de infectie. Behandeling van aangetaste dieren wordt afgeraden. CL is een zoönose, waarbij intensief contact met besmette dieren en consumptie van rauwmelkse producten als risicofactoren worden beschouwd.

Sinds de jaren negentig bestaat er een certificeringsprogramma voor CL. Dit omvat jaarlijks bloedonderzoek op melkgeitenbedrijven, evenals een verplichte dierenarts- en eigenaarsverklaring. Tijdens de jaarlijkse controle voeren de melkgeitenhouder en de dierenarts een klinische inspectie van het koppel uit, waarbij verdachte dieren nader worden onderzocht.

Bij schapen komt CL in Nederland minder vaak voor, maar import heeft enkele jaren geleden geleid tot introductie in de melkschapensector.

In 2025 kwam CL vooral in beeld via signalen en casuïstiek waarbij differentiaaldiagnostisch aan CL werd gedacht, maar waarbij de uitkomst niet altijd bevestigend was. Dit illustreert dat de klinische presentatie van CL onvoldoende specifiek is en dat nadere diagnostiek noodzakelijk blijft om de diagnose te stellen.

Enkele malen per jaar ontvangt de Veekijker meldingen van verdenkingen en besmettingen van CL bij nieuwewereldcameliden. Ook voor deze diersoorten geldt dat CL niet alleen een dierenwelzijnsprobleem is, maar ook een zoönotisch aandachtspunt. In dat kader is gerichte diagnostiek bij verdenking belangrijk. Deze diagnostiek is gericht op het aantonen van het agens, aangezien voor deze diersoort momenteel een geschikte antistoffentest ontbreekt.

De relatief lange incubatietijd van CL bemoeilijkt het traceren van de infectiebron. In veel gevallen heeft de infectie maanden tot mogelijk jaren eerder plaatsgevonden voordat klinische symptomen zichtbaar worden. In 2023 heeft GD de mogelijkheid onderzocht om CL-stammen te typeren en een databank op te zetten. Dit kan in de toekomst bijdragen aan brononderzoek en een beter inzicht in de epidemiologie van CL binnen Nederland.

Aanvoer van besmette dieren blijft de belangrijkste risicofactor voor insleep. Preventie en vroege detectie middels klinische inspectie, gerichte diagnostiek en quarantainemaatregelen bij aankoop zijn essentieel om het risico op insleep te verkleinen.

Enterotoxaemie

Enterotoxaemie, ook bekend als bloed- of weeldeziekte, wordt veroorzaakt door toxinen van Clostridium perfringens. Van deze bacterie zijn vijf typen bekend: A, B, C, D en E. De aandoening verloopt vaak zeer snel, waarbij acute sterfte het meest voorkomende verschijnsel is. Daarnaast kunnen neurologische symptomen en diarree optreden.

Enterotoxaemie is een van de meest gestelde diagnoses op schapenbedrijven. Hoewel het klassieke beeld vooral wordt gezien bij lammeren vanaf vier weken leeftijd, kan een overgroei van Clostridium spp. op alle leeftijden voorkomen. Clostridium perfringens behoort tot de normale darmflora van, maar kan onder invloed van bepaalde interne of externe factoren explosief vermenigvuldigen en toxines produceren.

Op geitenbedrijven worden problemen door C. perfringens in alle leeftijdsgroepen voor. Uitbraken hangen vaak samen met voerveranderingen, een onevenwichtig rantsoen of afwijkende voeropname.

Ook in 2025 kwamen via de Veekijker opnieuw melding binnen van diarreeproblematiek bij melkgeiten. Casuïstiek betrof onder andere koppels met waterdunne diarree, soms langdurig aanhoudend en met nieuwe gevallen gedurende weken tot maanden. Pathologisch onderzoek liet ind dergelijke casussen regelmatig bevindingen zien die passen bij dysbacteriose met overgroei van C. perfringens, al dan niet in combinatie met afnwijkingen aan de voormagen. Diagnostiek blijft essentieel om enterotoxaemie te onderscheiden van andere oorzaken van diarree en uitval. In de praktijk is vaak een combinatie nodig van een goede voedingsanamnese, klinische bevindingen en pathologisch onderzoek om tot een diagnose te komen en gerichte maatregelen te kunnen nemen. In veel situaties kan het risico op problemen door Clostrididum spp. worden verkleind door rantsoenaanpassingen, in combinatie met vaccinatie.

Haemonchose

Haemonchose is een parasitaire aandoening bij kleine herkauwers, veroorzaakt door rode lebmaagworm Haemonchus contortus. Deze worm nestelt zich in de lebmaag van schapen en geiten, voedt zich met bloed en kan daardoor ernstige bloedarmoede, gewichtsverlies en sterfte veroorzaken. Ook in 2025 ontving GD al vanaf het begin van het jaar meldingen van klinische haemonchose bij schapen. In het vroege voorjaar betrof het ooien met problemen rondom het aflammen, waar het in de zomermaanden hoofdzakelijk lammeren betrof met bleke slijmvliezen, verminderde weerstand en uitval.

De signalen uit 2025 bevestigen dat haemonchose zich in het weideseizoen plotseling en met een hoge impact kan manifesteren, met name wanneer de infectiedruk op percelen hoog is. Tijdige detectie blijft daarom essentieel om problemen door haemonchose te beperken c.q. voorkomen. Regelmatig mestonderzoek helpt om de wormbelasting in te schatten en om gerichte bestrijdingsmaatregelen te nemen.

Resistentie tegen ontwormmiddelen blijft een belangrijk aandachtspunt. In aansluiting op de preventieve maatregelen wordt daarom nadrukkelijk geadviseerd om de effectiviteit van een ingezette behandeling te controleren. Aanbevolen wordt om 10 tot 14 dagen na toediening van een ontwormmiddel mestonderzoek uit te voeren om de reductie in eiuitscheiding te bepalen. Dit ondersteunt een verantwoord en effectief wormmanagement en helpt onnodige of onvoldoende werkzame behandelingen te voorkomen.

Leverbot

Leverbotziekte, in Nederland veroorzaakt door Fasciola hepatica, blijft een relevante aandoening bij grazende herkauwers in Nederland. De parasiet kan zich alleen handhaven in gebieden waar de tussengastheer, de leverbotslak (Galba truncatula), voorkomt. Leverbotinfecties veroorzaken leverschade, waarvan de ernst afhangt van de mate en het moment van infectie. Dit kan variëren van milde schade met weinig klinische symptomen tot ernstige aantastingen die leiden tot gewichtsverlies, verminderde melkproductie en sterfte.

In het voorjaar van 2025 ontving GD meerdere schapen voor pathologisch onderzoek waarbij chronische leverbotziekte werd vastgesteld. In veel gevallen waren dieren in een slechte conditie en was bij enkele dieren sprake van plotselinge sterfte. Daarnaast ontving GD vanuit slachthuizen signalen over afgekeurde levers. Het jaar 2024 kenmerkte zich door lange natte perioden, wat mogelijk heeft bijgedragen aan een verhoogde infectiedruk.

De leverbotcyclus wordt sterk beïnvloed door weersomstandigheden. Ontwikkeling van eieren en larvale stadia op het land vindt met name plaats bij voldoende vocht en temperaturen boven de 10°C. Wanneer eieren in de leefomgeving van de slak terechtkomen, kunnen deze zich ontwikkelen tot besmettelijke stadia, met het grootste risico op infectie vaak vanaf de (na)zomer tot in het najaar. Bij gunstige omstandigheden kunnen infectieuze stadia bovendien langer overleven, waardoor ook buiten de piekperiode infectie kan optreden.

In geval van een verdenking van leverbotziekte is het van belang de diagnose te bevestigen voordat een behandeling wordt ingesteld. Dit kan middels pathologisch onderzoek, bloedonderzoek of mestonderzoek. Kartering van (risicovolle) percelen geeft inzicht in het voorkomen van de leverbotslak op basis waarvan maatregelen kunnen worden genomen om besmettingen te voorkomen. Tot enkele jaren geleden publiceerde de Werkgroep Leverbotprognose jaarlijks een risicovoorspelling en werd resistentie voor leverbotmiddelen gemonitord. Deze activiteiten zijn gestopt, waardoor een landelijk onderbouwd overzicht van de verwachte leverbotproblematiek ontbreekt. Dit vergroot de noodzaak voor bedrijven om zelf risico’s te monitoren en tijdig diagnostiek en perceelmanagement toe te passen.

Afgelopen jaar bleek opnieuw dat closantel een middel is met een smalle therapeutische breedte. Onjuiste dosering of toepassing bij dieren met een verminderde conditie of hypoalbuminemie kan leiden tot intoxicatie met onomkeerbare oogschade. In een beschreven casus ontwikkelden lammeren na behandeling met een closantelpreparaat bilaterale blindheid met mydriase en lichtschuwheid. Pathologisch onderzoek toonde retinale laesies passend bij closantelintoxicatie. Dit onderstreept dat bij inzet van closantel nauwkeurig wegen en correct doseren essentieel is, zeker bij dieren die verzwakt zijn.

Paratuberculose bij schapen en geiten

Paratuberculose wordt veroorzaakt door de bacterie Mycobacterium avium subspecies paratuberculosis (MAP). MAP besmetting leidt tot een chronische ontsteking van het laatste deel van de dunne darm waardoor eiwitverlies optreedt. Ziekteverschijnselen zijn: vermageren, (melk)productiedaling, schilferige huid en slechte vacht, oedemen en in uitzonderlijke gevallen diarree. Met ingang van de Animal Health Regulations is paratuberculose per 21 april 2021 opgenomen als lijst E-ziekte. Dit houdt in dat voor deze aandoening een monitoringsplicht geldt.

In de melkgeitenhouderij is paratuberculose een bekende aandoening waar op grote schaal tegen gevaccineerd wordt om klinische klachten te beperken. Onder hobbymatig gehouden dieren blijft paratuberculose een onderschatte aandoening. Ook in 2025 ontving de Veekijker met regelmaat vragen over volwassen vermagerende geiten of schapen, waarbij paratuberculose een mogelijke oorzaak is, waarvoor nadere diagnostiek geadviseerd wordt. Paratuberculose wordt vaker gezien bij geiten dan bij schapen, maar wordt ook incidenteel vastgesteld bij schapen op kinderboerderijen of in begrazingskuddes.

Jonge dieren zijn het meest gevoelig voor besmetting, met name in de eerste weken na geboorte. Besmette dieren kunnen MAP met de mest uitscheiden, met besmetting van stal en weide tot gevolg. Besmetting kan plaatsvinden door direct contact, bijvoorbeeld tijdens het zogen, of indirect via besmette materialen. Klinische verschijnselen worden bij kleine herkauwers zelden gezien vóór de leeftijd van één jaar. Vaak ontstaan klachten pas op latere leeftijd, regelmatig na een stressmoment zoals aflammeren of dierbewegingen. Diagnostiek berust op bloedonderzoek, het aantonen van het agens in mest of pathologisch onderzoek van de darm.

Schmallenbergvirus

Het schmallenbergvirus (SBV) is een in 2011 voor het eerst beschreven teratogeen orthobunyavirus uit de Simbuserogroep van de familie Peribunyaviridae. Virussen uit deze groep staan er bekend om dat zij aangeboren afwijkingen aan de vrucht kunnen veroorzaken wanneer het moederdier tijdens de gevoelige periode van de dracht (dag 25-60) een infectie doormaakt. In 2011 werden in Nederland vanaf begin december plotseling meer lammeren met aangeboren afwijkingen gemeld en daarna kwamen in zeer korte tijd meldingen vanuit een groot deel van West-Europa. In de jaren daarna werd met enige regelmaat viruscirculatie aangetoond. Bij niet eerder geïnfecteerde herkauwers die tijdens het gevoelige stadium van de dracht een besmetting doormaken kunnen aangeboren afwijkingen bij de foetus ontstaan.

Ook in 2025 is SBV aangetoond bij meldingen van aangeboren afwijkingen bij lammeren. Het klinisch beeld van SBV komt overeen met afwijkingen die door andere (soms exotische) verwekkers kunnen worden veroorzaakt en om deze reden is pathologisch onderzoek van belang om onderscheid in oorzaak te kunnen maken. Daarbij speelt sinds het najaar van 2023 in de praktijk ook de vraag naar de relatie tussen aangeboren afwijkingen en blauwtong. Van BTV is bekend dat het aangeboren afwijkingen kan veroorzaken, maar daarbij worden vooral afwijkingen aan het centraalzenuwstelsel beschreven en geen typische skeletmisvormingen zoals bij SBV. Het blijft daarom belangrijk om afwijkend geboren lammeren en geitenlammeren in te sturen voor onderzoek, zodat (nieuwe) infectieuze oorzaken tijdig worden herkend en passende maatregelen en communicatie kunnen volgen.

Zwoegerziekte en CAE

Zwoegerziekte of maedi-visna en caprine arthritis encefalitis (CAE) zijn zeer nauw verwante, persisterende virusinfecties bij respectievelijk schapen en geiten veroorzaakt door small ruminant lentivirussen. Het is tevens bekend dat zwoegerziektevirusstammen geiten kunnen besmetten en CAE-stammen schapen. Beide aandoeningen kenmerken zich door een langzaam voortschrijdend ziekteproces dat veel economische schade veroorzaakt door verhoogde uitval, verminderde lammerproductie, verminderde groei en verlaagde melkproductie. Meestal spelen directe diercontacten een rol bij introductie van een lentivirus. Echter, houders dienen ook alert te zijn op insleep door indirecte diercontacten als bijvoorbeeld via laarzen, kleding, materialen en gemeenschappelijk gebruik van (vervoer)middelen.

Sinds 1981 bestaat in ons land een georganiseerde bestrijding van deze aandoeningen op basis van serologisch onderzoek en bijna alle stamboekbedrijven zijn vrij van zwoegerziekte en CAE. Daarnaast is ook een beperkt aantal grote niet-stamboek schapenbedrijven en een groot deel van de melkgeitenbedrijven vrij van deze aandoeningen. Om gecertificeerd te blijven moeten bedrijven met regelmaat onderzoek uitvoeren. Op grote bedrijven gebeurt dit aan de hand van een steekproef van de dieren op het bedrijf.

Ook in 2025 bleven zwoegerziekte en CAE onderwerpen die aanleiding geven tot vragen aan de Veekijker, onder meer over statusbepaling van het koppel en het opstellen van een aanpak bij (vermoedelijke) introductie. Diagnostiek gebeurt hoofdzakelijk op het gebied van serologie. Pathologisch onderzoek wordt incidenteel ingezet om deze infecties uit te sluiten of te bevestigen bij dieren met passende verschijnselen.

5. Rapportage data-analyse schapen- en geitenhouderij 2024

In het kader van de Monitoring Diergezondheid Kleine Herkauwers worden jaarlijks een aantal monitoringskengetallen op schapen- en geitenbedrijven in beeld gebracht, waaronder dieraantallen, sterfte, diercontacten en importstromen. Het doel hiervan is naar trends en ontwikkelingen in diergezondheid van kleine herkauwers te kijken, en factoren die de diergezondheid kunnen beïnvloeden. In deze rapportage zijn de monitoringskengetallen uitgewerkt over de jaren 2020-2024.

In zowel 2023 als 2024 had Nederland te maken met een epidemie van blauwtongvirus serotype 3, een serotype dat niet eerder in Nederland voorkwam. Uit eerder uitgevoerde analyses op basis van I&R-data bleek de impact op schapensterfte groot. Net als in de rapportage van vorig jaarkunnen ook in de huidige rapportage verschillen in aantallen dieren en sterftepercentages op schapenbedrijven gedeeltelijk worden toegeschreven aan deze epidemie.

Materiaal en Methoden

Voor de uitwerking van de monitoringskengetallen zijn gegevens van zes verschillende databronnen gecombineerd: 1) aan- en afvoergegevens uit de centrale I&R-database van de RVO, 2) locatiegegevens uit CRM van GD, 3) pathologiegegevens van GD, 4) sterftegegevens van Rendac, 5) importgegevens uit de TRACES-database van de NVWA en 6) informatie van GD over melkleverende UBN’s met kleine herkauwers.

Na het combineren van alle beschikbare gegevens op bedrijfs- en kwartaalniveau zijn de volgende kengetallen voor de gehele schapen- en geitensector en per bedrijfstype uitgewerkt:

1. dier- en bedrijfsdichtheden;

2. schapen- en geitensterfte;

3. dierbewegingen van andere UBN’s; 4. importstromen van kleine herkauwers.

Resultaten

Dier­ en bedrijfsdichtheden

In 2024 waren er gemiddeld 923.847 schapen en 633.518 geiten geregistreerd in de centrale I&R-database op in totaal 41.269 UBN’s. Het gemiddeld aantal schapen is aanzienlijk gedaald in 2024 zowel ten opzichte van 2023 (12%) als 2022 (15%). Specifiek in het vierde kwartaal van 2024 ten opzichte van het vierde kwartaal van 2023 was er sprake van nog een nog grotere daling. Ook het aantal geiten was in 2024 licht gedaald ten opzichte van 2023. In 2023 was er ook al sprake van een daling van 1%.

Het aantal beroepsmatige schapenbedrijven daalde in 2024 met 11% ten opzichte van 2023. Het aantal kleinschalige schapenbedrijven vertoonde een kleinere daling, al nam dit aantal in 2023 nog toe. Het aantal melkleverende geitenbedrijven daalde in 2024 opnieuw, net als in 2023. Het aantal kleinschalige geitenbedrijven steeg nog wel in 2024 en was daarmee de enige categorie bedrijven die een (minimale) stijging vertoonde in het aantal bedrijven.

Het gemiddelde en mediane aantal schapen (volwassen en lammeren) per beroepsmatig schapenbedrijf daalde in 2024 ten opzichte van de gehele voorgaande periode (respectievelijk 190 en 98 in 2024 ten opzichte van minimaal 191 en 102 in de periode 2021 tot 2024). Het gemiddelde en mediane aantal schapen op kleinschalige schapenbedrijven was redelijk vergelijkbaar. Tot 2023 steeg het gemiddelde aantal aanwezige geiten op beroepsmatige geitenbedrijven. In 2023 daalde het gemiddelde en mediane aantal geiten en in 2024 daalde het gemiddelde aantal geiten per bedrijf wel, maar de mediaan niet. Wanneer specifiek gekeken wordt naar melkleverende geitenbedrijven steeg zowel het gemiddelde als mediane aantal geiten per bedrijf in 2024, van respectievelijk 1.394 en 1.195 in 2023 naar 1.408 en 1.232 in 2024. Op de kleinschalige geitenbedrijven bleef het gemiddeld aantal aanwezige geiten stabiel in de tijd.

Schapen ­ en geitensterfte

Op kleinschalige bedrijven was in 2024 zowel de schapen- als geitensterfte hoger dan in 2023. De gemiddelde geitensterfte op kleinschalige bedrijven was in 2024 licht verhoogd ten opzichte van de periode 2020 tot en met 2023 (3,3% ten opzichte van maximaal 3,1%). De schapensterfte op kleinschalige bedrijven nam opnieuw toe in 2024 (4,9% ten opzichte van 4,5% in 2023), na een eerdere toename in 2023 en was geassocieerd met de blauwtongepidemie.

De gemiddelde lammersterfte op niet-melkleverende beroepsmatige geitenbedrijven steeg in 2024 van 4,3% in 2023 naar 6,2% in 2024, hoewel de mediane sterfte 0% bleef. Ook de sterfte onder dieren ouder dan één jaar steeg in 2024 op deze groep bedrijven (5,7% ten opzichte van 5,3% in 2023).

Op beroepsmatige schapenbedrijven was zowel de lammersterfte (4,7% ten opzichte van 3,4% in 2023) als de sterfte onder volwassen dieren (7,4% ten opzichte van 7,2% in 2023) verhoogd, net als in 2023. De sterfte onder volwassen dieren piekte in het derde kwartaal van 2024. Uit eerder onderzoek is gebleken dat de toename in sterfte geassocieerd is met de blauwtong epidemie en sterfte van lammeren tevens met het hoge aantal haemonchose gevallen die in 2024 zijn waargenomen.

Bedrijfsvoering

Het aandeel beroepsmatige schapenbedrijven zonder aanvoer daalde in 2024 terwijl het aandeel kleinschalige schapenbedrijven zonder aanvoer juist steeg (respectievelijk twee en één procentpunt). Op beroepsmatige en kleinschalige geitenbedrijven steeg het aandeel bedrijven zonder aanvoer (drie en één procentpunt, respectievelijk). In de overige aanvoer categorieën zijn geen duidelijke veranderingen zichtbaar.

Importstromen

In totaal werden in 2023 100.751 en 2.334 kleine herkauwers geïmporteerd door respectievelijk 97 schapen- en drie geitenbedrijven in Nederland (TRACES). Op schapenbedrijven werden in 2024, net als in 2023, de meeste kleine herkauwers geïmporteerd vanuit Duitsland, België en Noord-Ierland. Het totaal aantal geïmporteerde kleine herkauwers door schapenbedrijven was in 2024 aanzienlijk hoger dan in de periode 2020-2023, nadat ook in 2023 al een toename van schapenimporten werd gerapporteerd. In 2024 is de schapenpopulatie fors gedaald in omvang, waarschijnlijk grotendeels door blauwtong. Daarnaast waren de schapenprijzen hoog in Nederland, wat aanleiding geweest kan zijn om een groter aantal dieren te importeren. Importen die niet direct voor de slacht plaatsvinden vormen hierbij het grootste risico op insleep van dierziekten. Op geitenbedrijven was het aantal geïmporteerde kleine herkauwers in 2024 licht hoger dan in 2023.

6. Gevoeligheid voor anthelmintica en antibiotica

Ontwikkeling in de gevoeligheidspatronen van ziekteverwekkers voor diergeneesmiddelen

Als bij bacteriologisch onderzoek ziekteverwekkende bacteriën worden gekweekt dan wordt in veel gevallen een gevoeligheidsbepaling uitgevoerd om na te gaan voor welke antibiotica deze bacterie onder laboratoriumomstandigheden gevoelig is. Aan de hand hiervan kan de dierenarts een onderbouwde keuze maken voor een bepaald antibioticum ter behandeling van de betreffende bacteriële infectie. Met de resultaten van alle uitgevoerde gevoeligheidsbepalingen kan over langere perioden de ontwikkeling van de gevoeligheidspatronen van bacteriën worden gevolgd. Deze (overzichten van) gevoeligheidspatronen worden onder andere gebruikt bij het opstellen van de KNMvD-formularia.

In bijlage III (tabel III.1en III.2) staan de tabellen (inclusief achtergrondinformatie) met betrekking tot de gevoeligheidspatronen van de meest gekweekte bacteriën in 2025 uit materiaal afkomstig van respectievelijk schapen en geiten. Ter vergelijking zijn, waar mogelijk, ook de resistentiepercentages van de voorgaande jaren (2008-2023) weergegeven. Wanneer de aantallen isolaten van een bepaalde ziekteverwekker in een jaar lager zijn dan twintig dienen de resultaten met terughoudendheid te worden geïnterpreteerd. Een daling of stijging in het percentage resistente isolaten is significant genoemd bij een P-waarde van <0,05 en is een trend bij een P-waarde tussen 0,05 en 0,10. In dit hoofdstuk worden alleen significante en relevante veranderingen in antibioticumgevoeligheid besproken.

Om nog beter aan te sluiten bij de KNMvD-formularia en in verband met nieuwe interpretatiecriteria voor bepaalde bacterie-, antibioticum- en diersoortcombinaties (en soms ook type materiaal) zijn in 2021 nieuwe antibioticumtestpanels in gebruik genomen; er zijn antibiotica verwijderd, toegevoegd en voor sommige antibiotica zijn de testconcentraties aangepast. Wanneer een hoger percentage resistentie het gevolg is van een gewijzigd interpretatiecriterium en niet van een daadwerkelijke toename van de resistentie tegen het betreffende antibioticum, zal dat in onderstaande tekst worden aangegeven.

Of een werkzame stof die is opgenomen in de tabellen in bijlage III mag worden ingezet en onder welke voorwaarden het mag worden ingezet, is opgenomen in de betreffende formularia en de CBG-MEB diergeneesmiddeleninformatiebank.

Voor zowel schapen als geiten is het gevoeligheidspatroon van Escherichia coli en Mannheimia haemolytica isolaten in 2025 vergeleken met dat voorgaande jaren. Hierbij werden geen opvallende verschuivingen in ongevoeligheid waargenomen.

Bij de overige bacteriesoorten waren de aantallen geteste isolaten te laag om vergelijkingen mee uit te voeren.

7. Overige bevindingen vanuit de monitoring

De hieronder beschreven bijzonderheden zijn in 2025 gedeeld met de leden van de Begeleidingscommissie Monitoring Diergezondheid Kleine Herkauwers.

7.1 Binnenlandse signalen

Zeldzame huidtumor ontdekt bij schaap in Nederland

In Nederland is voor het eerst een geval van cutaan lymfoom bij een schaap vastgesteld. Een zesjarige Welsh Hill Speckled Face-ooi, onderdeel van een kudde van 600 schapen voor begrazing, vertoonde in oktober 2024 verspreide knobbels in de huid. Aanvankelijk werd door de dierenarts gevreesd voor schapen- en geitenpokken (SGP), gezien de recente uitbraken in Zuid-Europa en de klinische overeenkomst. De casus werd gemeld aan de NVWA. Op basis van aanvullend laboratoriumonderzoek door Wageningen Bioveterinary Research werd SGP uitgesloten. Ondanks behandelingen verslechterde de huidaandoening en werd het dier uiteindelijk geëuthanaseerd. Pathologisch onderzoek door Royal GD toonde aan dat de huidknobbels een vorm van B-cellymfoom betroffen. Dit type tumor is extreem zeldzaam bij schapen en werd niet eerder in Nederland beschreven.

Deze casus benadrukt het belang van vroege herkenning van atypische ziektebeelden door dierenartsen en veehouders. Snel handelen en diagnostisch onderzoek kunnen bijdragen aan het identificeren van nieuwe of zeldzame dierziekten.

Plaveiselcelcarcinoom bij melkschapen

In augustus werd de Veekijker geconsulteerd over een melkschapenbedrijf met enkele dieren die aan neus en uierhuid laesies vertoonden. Op basis van pathologisch onderzoek werd een plaveiselcelcarcinoom (PCC) aangetoond. In de afgelopen jaren hebben we via de Diergezondheidsmonitoring meerdere gevallen van PCC bij schapen en geiten aangetoond. In 2024 was er een opvallend geval bij een kudde melkgeiten, waar meerdere dieren huidlaesies vertoonden die later werden gediagnosticeerd als PCC. Eerder in 2025 werd een hobbymatig gehouden schaap met een progressieve laesie aan het oog gediagnosticeerd met PCC.

PCC is een type huidtumor dat ontstaat in de plaveiselcellen, die deel uitmaken van de bovenste laag van de huid. Hoewel dit type tumor vaker wordt gezien bij grotere dieren en mensen, zijn meerdere meldingen van PCC bij kleine herkauwers gemaakt in afgelopen jaren. PCC kan zich manifesteren op verschillende delen van het lichaam, waaronder de kop, de nek en de oren, de uierhuid en kan leiden tot aanzienlijke gezondheidsproblemen bij getroffen dieren.

De belangrijkste risicofactoren voor de ontwikkeling van plaveiselcelcarcinomen bij schapen en geiten zijn langdurige blootstelling aan ultraviolet (UV) licht en onvoldoende bescherming tegen de zon. Dieren met een lichte huid of dunne vacht zijn bijzonder kwetsbaar. Daarnaast kunnen chronische irritatie en huidbeschadiging bijdragen aan de ontwikkeling van PCC. Ook wordt vermoed dat bepaalde virussen een rol spelen bij het ontstaan van PCC. Andere factoren zoals genetische predispositie, leeftijd, en immunosuppressie kunnen ook een rol spelen. De prognose voor dieren met plaveiselcelcarcinomen varieert sterk en hangt af van de ernst en het stadium van de tumor bij diagnose. Vroege detectie en behandeling, zoals chirurgische verwijdering van de tumor, kunnen leiden tot een gunstige uitkomst. Echter, in gevallen waar de tumor zich heeft verspreid naar onderliggende weefsels of andere delen van het lichaam, kan de prognose slecht zijn. Terugkeren van de tumor na chirurgische interventie wordt beschreven.

Luizen bij hobbygeiten

Afgelopen voorjaar is meerdere malen bij de Veekijker melding gemaakt van hobbygeiten met luizen. Het betrof soms een enkel dier waarbij bleke slijmvliezen, vermagering, schuren en likken en soms kaalheid werden waargenomen. Andere veel voorkomende oorzaken voor de verschijnselen zijn uitgesloten. In sommige gevallen werden de problemen bij meerdere dieren in het koppel waargenomen.

Zowel bloedzuigende als bijtende luizen komen voor in Nederland. Bij geiten komt de bloedzuigende luis Linoguates stenopsis en bijtende luizen Damalinea caprae en Damalinea ovis voor. Bloedzuigende luizen leven van bloed en weefselvocht. Naast onrust en jeuk kan bij grotere aantallen aanwezige luizen ook conditieverlies, groeivertraging en bloedarmoede optreden. Vooral bij lammeren kan bloedarmoede worden waargenomen. De bijtende leven vooral van huidschilfers en haarresten. De luizen en de neten zijn met het blote oog waarneembaar. Topicale behandeling met pyrethroïden is doorgaans effectief. Geadviseerd wordt om alle dieren in het koppel te behandelen. Houd ook rekening met mogelijke aanwezigheid in de omgeving, ook al is dit meestal beperkt. Raadpleeg de bijsluiter voorafgaande aan de toepassing van het middel.

De levensduur buiten de gastheer van luizen met dagen tot enkele weken kort. Direct contact met besmette dieren vormt dan ook het grootste risico. Bij aanvoer van schapen en geiten wordt geadviseerd om dieren klinische te onderzoeken en quarantaine toe te passen.

Pootschurft bij schapen

In een koppel schapen is bij enkele dieren ernstige pootschurft geconstateerd. De houder merkte op dat schapen die afgelopen jaar een blauwtongvirusinfectie hadden opgelopen, ernstiger getroffen waren door pootschurft. Door middel van afkrabselonderzoek is Chorioptes sp. aangetoond.

De chorioptes-mijt heeft een voorkeur voor onbewolde delen, vooral de onderste delen van de achterpoten en het scrotum, en kan de vruchtbaarheid verminderen door ontsteking van de huid van het scrotum te veroorzaken. De mijt dringt niet door de huid, maar voedt zich met huidresten, wat leidt tot geelbruine laesies met bloedende scheuren als gevolg van allergische reacties op de mijten of mijtproducten. De jeuk zorgt ervoor dat dieren stampen met de poten en bijten. De volledige levenscyclus duurt ongeveer drie weken. Buiten de gastheer overleeft de mijt naar schatting drie weken.

Injectiepreparaten hebben niet het gewenste effect omdat de mijt geen bloed consumeert en daarmee hoogstwaarschijnlijk onvoldoende effectieve concentraties worden bereikt. In ernstige gevallen is een topicale behandeling is te adviseren. In hoeverre een eerdere opgedane blauwtongvirusinfectie invloed heeft gehad op de ernst van de aandoening is onbekend.

Verdenking van Pithomycotoxicose in koppel schapen

De Veekijker Kleine Herkauwers werd recent geraadpleegd naar aanleiding van een koppel schapen met verschijnselen van fotosensibiliteit, gepaard gaande met sterfte en verhoogde leverwaarden. Op basis van de klinische bevindingen en laboratoriumresultaten werd pithomycotoxicose als meest waarschijnlijke oorzaak beschouwd. De slootkanten waarin de dieren weidden waren recentelijk gemaaid, en de schapen hadden van dit afgemaaide gras gegeten.

De aandoening pithomycotoxicose wordt veroorzaakt door sporen van de schimmel Pithomyces chartarum, die het mycotoxine sporidesmin kan bevatten. De schimmel groeit op dood plantmateriaal. Op moment dat veel bladverlies plaatsvindt of gemaaid is in combinatie met vochtige en warme periode is de kans op deze schimmel groter. Om die redenen wordt deze aandoening in Nederland vooral in nazomer en herfst gezien. Het toxine wordt na opname geconcentreerd uitgescheiden met de gal en is sterk toxisch voor het galgangweefsel. Uit bladgroen (chlorofyl) wordt in de pens van herkauwers de stof fytoporfyrine (voorheen phylloërythrine) gevormd. Normaal gesproken wordt deze stof in de lever omgezet en met de gal uitgescheiden. Bij een leverfunctiestoornis, zoals veroorzaakt door sporidesmin, vindt deze uitscheiding verminderd plaats en treedt fotosensibilisatie van de huid op.

Bij schapen is bekend dat een deel van de dieren na het acute stadium chronisch vermagert of onvoldoende groeit, waardoor afvoer noodzakelijk kan worden. Dieren met blijvende leverschade kunnen recidiverende klachten vertonen. Het herstel van de leverschade is niet voorspelbaar op basis van het klinisch beeld of de hoogte van de leverenzymwaarden. Daarnaast komt subklinische pithomycotoxicose regelmatig voor, waarbij geen duidelijke uiterlijke verschijnselen worden gezien, terwijl wel leverbeschadiging aanwezig is, wat alleen via bloedonderzoek kan worden vastgesteld. Let op, ook andere aandoeningen kunnen verhoogde leverenzymen veroorzaken.

Er bestaat geen specifieke therapie voor pithomycotoxicose. De behandeling is symptomatisch en ondersteunend, en bestaat uit pijnstilling, opstallen en het verstrekken van een energierijk rantsoen. Op percelen kan gemonitord worden door middel van grasmonsters te onderzoeken op sporen per microscopisch onderzoek.

Huidafwijkingen bij hobbygeit door boosachtige catarraal koorts

Een driejarige bok afkomstig van een kinderboerderij werd voor pathologisch onderzoek aangeboden in verband met voorafgaande onbegrepen neurologische problemen. Daarnaast werd vermeld dat het dier chronische huidklachten had. Uit pathologisch onderzoek bleek dat de neurologische klachten konden worden verklaard door listeriose, waarbij de bacterie Listeria monocytogenes uit de hersenen werd gekweekt. De huidafwijking werd histologisch onderzocht waarbij een beeld van neurotiserende vasculitis met lokale ulceratie in de huid werd gesignaleerd. Naar aanleiding van dit beeld is de milt onderzocht op de Ovine herpesvirus type 2 (OvHV-2), deze bleek positief op het virus.

Een infectie met OvHV-2 bij geiten verloopt meestal subklinisch. Dit betekent dat de meeste geïnfecteerde geiten geen duidelijke klinische symptomen vertonen en de infectie ongemerkt kan blijven. Echter, in sommige gevallen kan de infectie leiden tot de ziekte boosaardige catarraal koorts (BCK), waarbij (ernstige) klinische verschijnselen optreden. Deze klinische vorm omvat symptomen zoals hoge koorts, oog- en neusuitvloeiing, orale laesies, huidlaesies, neurologische afwijkingen en sterfte. BCK kenmerkt zich door vorming van vasculitis die leidt tot necrose van het weefsel. Het virus staat bekend om vooral BCK bij runderen te veroorzaken na contact met OvHV-2 uitscheidende schapen. De aandoening verloopt bij het rund vrijwel altijd, binnen enkele maanden na infectie, fataal.

De prevalentie van OvHV-2 onder schapen is onbekend maar vermoedelijk hoog. Gezien de virusuitscheiding rondom aflammerperiode het grootst wordt geacht is wordt geadviseerd om minimaal in deze periode schapen gescheiden te houden van andere herkauwers om overdracht te voorkomen.

Bulten bij schapen

In september is door een dierenarts contact opgenomen in verband met een verdenking op caseous lymfadenitis (CL) op een zorgboerderij. CL wordt veroorzaakt door de bacterie Corynebacterium pseudotuberculosis en is een niet meldingsplichtige zoönose. Het van CL-verdachte schaap had meerdere bulten op de kop en direct onder het oor (zie onderstaande foto). Op basis van serologisch onderzoek werden geen antistoffen tegen CL aangetoond. In verband met potentieel zoönotisch risico is besloten het dier te euthanaseren en monstermateriaal van één van de bulten op te sturen voor bacteriologisch onderzoek. Hierbij werd Corynebacterium sp. niet gekweekt.

Corynebacterium pseudotuberculosis kan bij meerdere diersoorten CL veroorzaken waaronder schapen, geiten en nieuwe wereld cameliden. Ook mensen kunnen CL krijgen. In de literatuur zijn humane patiënten beschreven die vooral direct contact met besmette schaapskoppels hadden, zoals dierhouders, slachthuispersoneel en schaapsscheerders. De pathogenese is vergelijkbaar met een infectie bij schapen en geiten. Via beschadigingen aan de huid of via slijmvliezen treedt de bacterie binnen, wat leidt tot besmetting van lymfevaten en lymfeknopen. Uiteindelijk kan abcesvorming van lokale lymfeknopen optreden.

Een aandoening die soms wordt verward met CL is actinobacillose. Actinobacillose wordt veroorzaakt door Actinobacillus lignieresii, een gram negatieve aerobe bacterie die behoort tot de normale darmflora van herkauwers. Actinobacillose veroorzaakt doorgaans chronische granulomateuze ontstekingen van de huid, onderliggende weefsels en regionale lymfeknopen, met name in het kop- en halsgebied. Infecties ontstaan door kleine wondjes in de huid of het mondslijmvlies. Ondanks deze bacterie zoönotisch potentieel heeft zijn infecties bij mensen zelden beschreven.

Klinisch kan vaak geen onderscheid worden gemaakt tussen actinobacillose of CL. Voor CL is een serologische test beschikbaar. Door middel van bacteriologisch onderzoek kan de verwekker worden aangetoond. In deze casus werd geen causaal agens aangetoond.

Opnieuw adenocarcinomen gevonden bij begrazingsschapen

In januari en februari zijn bij pathologisch onderzoek adenocarcinomen in de neusgang van schapen van twee verschillende bedrijven vastgesteld. In beide gevallen betrof het dieren uit begrazingskoppels. Tumormateriaal is doorgestuurd naar het Moredun Research Institute om een virale oorsprong te onderzoeken.

Een belangrijke verwekker die in dit kader in beeld komt is het Enzootic Nasal Tumor Virus (ENTV), een bètaretrovirus dat bij schapen (ENTV-1) en geiten (ENTV-2) enzootische neustumoren kan veroorzaken. De infectie leidt tot tumorvorming in de neusholte, uitgaand van het zeefbeen, waardoor ademhalingsproblemen ontstaan door obstructie van de neusgang. Overdracht vindt voornamelijk plaats via direct contact, met name door neusuitvloeiing van geïnfecteerde dieren. ENTV kent een lange incubatietijd; klinische symptomen worden zelden gezien bij jonge dieren. Wanneer kliniek optreedt, bestaat deze vaak uit chronische neusuitvloeiing, dyspneu, soms misvorming van het aangezicht door tumorontwikkeling, vermagering en uiteindelijk sterfte. Het stellen van de diagnose bij het levende dier is niet mogelijk.

In Nederland werd ENTV voor het eerst vastgesteld in 2018. Sindsdien zijn meerdere gevallen gerapporteerd, vooralsnog vooral binnen begrazingskuddes. Dit patroon kan erop wijzen dat ENTV binnen bepaalde schapenpopulaties mogelijk endemisch aan het worden is. Internationaal is ENTV wijdverspreid en komt het voor in veel landen wereldwijd, met uitzondering van Nieuw-Zeeland en Australië. Genetische analyses van bètaretrovirussen zijn complex door de grote diversiteit tussen stammen en doordat pathogene stammen lastig te onderscheiden zijn van endogene (lichaamseigen) bètaretrovirussen. Dit onderstreept de complexe epidemiologie en de uitdagingen voor diagnostiek en beheersing.

Naar aanleiding van deze bevindingen is één van de begrazingskuddes bezocht waarin bij pathologisch onderzoek een adenocarcinoom (zeefbeentumor) in de neus van een tweejarige ooi was vastgesteld. De ooi was dood aangetroffen; voorafgaand waren door houder en medewerkers geen duidelijke ziekteverschijnselen waargenomen. Bij het aantreffen van het kadaver was wel neusuitvloeiing zichtbaar. Een aanvullende reden voor inzending en bedrijfsbezoek was onverklaarbare vermagering en sterfte van enkele ooien. In de geïnspecteerde koppel werd één zevenjarige ooi gezien met diepe ademhaling, waterige (sereuze) neusuitvloeiing, neusvleugelen en hoorbare ademgeluiden. Geadviseerd is om dit dier voor pathologisch onderzoek aan te bieden indien het dier zou sterven.

Beide onderzochte schapen maakten deel uit van een in 2024 aangekocht cohort ooien, afkomstig van een Nederlandse schaapskudde. Er zijn in het verleden geen schapen uit het buitenland aangekocht. Op het herkomstbedrijf, waar de ooi geboren is, zouden geen verschijnselen passend bij ENTV zijn waargenomen. Dit benadrukt dat introductieroutes niet altijd eenvoudig te herleiden zijn en dat alertheid op symptomen passend bij ENTV belangrijk blijft. Verdere verspreiding in de schapenpopulatie dient zoveel mogelijk te worden voorkomen; bedrijven waar ENTV is aangetoond zouden geen fokmateriaal meer moeten verkopen en dienen strikte biosecuritymaatregelen toe te passen om transmissie te beperken.

Besmettelijke keratoconjunctivitis

De Veekijker Kleine Herkauwers werd in oktober geraadpleegd naar aanleiding van een koppel schapen met oogproblemen. Verschillende dieren vertoonden een witte waas over het hoornvlies, knipperden frequent en hadden een duidelijke traanstreep aan zijde van het aangetaste oog. Bij enkele dieren was sprake van blindheid. Op basis van het klinisch beeld werd infectieuze keratoconjunctivitis (IKC), ook wel zere oogjes of houw genoemd, als meest waarschijnlijke diagnose gesteld. In deze casus viel op dat de respons op antibioticabehandeling beperkt bleef en dat bij meerdere dieren recidiverende oogontstekingen optraden. In dezelfde periode ontving de Veekijker meerdere meldingen van vergelijkbare klachten bij zowel schapen- als geitenkoppels.

De aandoening kent een brede bacteriële etiologie. Onder meer Mycoplasma conjunctivae, Chlamydia spp., Moraxella ovis, Escherichia coli, Listeria monocytogenes en Staphylococcus aureus kunnen een vergelijkbaar ziektebeeld veroorzaken. Vaak gaat een mechanische irritatie van het hoornvlies (bijvoorbeeld door stof, grasaren, stro, haartjes of entropion) vooraf aan de infectie. Eenmaal geïntroduceerd in de koppel kan de infectie zich geleidelijk verspreiden, waarbij binnen vier tot zes weken een morbiditeit tot 100% kan optreden. De ontsteking veroorzaakt oedeem en zwelling van het hoornvlies, wat leidt tot pijn, lichtschuwheid en tijdelijk verlies van zicht. Antibioticum toepassing wordt ontraden, aangezien dit mogelijk bijdraagt aan het ontstaan van dragerschap en een beperkte immuniteitsopbouw, waardoor de aandoening sluimerend in een koppel aanwezig kan blijven. In de acute fase wordt toepassing van pijnstilling aanbevolen. Bij een ongecompliceerd verloop treedt herstel doorgaans binnen enkele weken op.

Het verdient aanbeveling om aangetaste dieren uit weides met sloten te halen om verdrinking te voorkomen en om de toegang tot voer en water te vergemakkelijken. Vliegenbestrijding vormt daarnaast een belangrijk onderdeel van de beheersmaatregelen om transmissie te beperken.

Kopergebrek en ­intoxicatie bij kleine herkauwers

Koper is een essentieel spoorelement voor kleine herkauwers en speelt een belangrijke rol in groei, vacht- en wolkwaliteit, botontwikkeling en zenuwfunctie. Vanuit de monitoring komen zowel signalen van kopertekort als van koperstapeling naar voren, waarbij met name bij hobbygeiten kopergebrek een onderschat probleem blijkt. Tekorten ontstaan doorgaans door een onvoldoende koperaanbod in het rantsoen of door een verminderde opname als gevolg van antagonisten zoals molybdeen, zwavel en ijzer. Vooral geiten die grazen op koperarme gronden of gevoerd worden met voer dat feitelijk is samengesteld voor schapen lopen risico. Schapen hebben een lagere koperbehoefte,

waardoor geiten ongemerkt te weinig koper kunnen binnenkrijgen. Een langdurig tekort kan leiden tot doffe vacht, groeivertraging en bloedarmoede; bij (jonge) dieren kunnen ook neurologische verschijnselen optreden. Bij geiten met een donkere vacht kan verkleuring van de vacht zichtbaar worden. Subtielere gevolgen, zoals verminderde vruchtbaarheid, worden eveneens beschreven.

Ook bij schapen komt koperdeficiëntie voor. In april werd de Veekijker geconsulteerd vanwege een verminderde conditie bij volwassen schapen; leveronderzoek naar zware metalen en mineralen toonde een koperdeficiëntie aan. Kopertekort bij volwassen schapen kan zich uiten in vermagering, verminderde eetlust, bloedarmoede, diarree en een verminderde wolkwaliteit met droge of dorre wol en kleurverlies. Tegelijkertijd is bij schapen de marge tussen een tekort en een overmaat smal. Een koperovermaat is meestal het gevolg van chronische stapeling in de lever. Wanneer dit koper plotseling vrijkomt, bijvoorbeel na een moment van stress, dan kan dit leiden tot acute hemolyse met klinische verschijnselen zoals sloomheid, anorexie, versnelde ademhaling, icterus, donkere urine en sterfte.

In 2025 was GD bij meerdere casussen betrokken waarbij koperintoxicatie bij schapen een rol speelde. De Veekijker werd geraadpleegd over drie recent aangekochte lammeren; één dier zonderde zich af, had een wankele gang, lag veel en vertoonde anorexie. Klinisch werden icterische slijmvliezen gezien. Na sterfte bevestigde pathologisch onderzoek een beeld passend bij koperstapeling. Leveronderzoek liet sterk verhoogde koperwaarden zien, met daarnaast een verhoogd seleniumgehalte. De lammeren hadden langere tijd likemmers met hoge koperwaarden ter beschikking gehad. Ook bij twee melkschapenbedrijven werd koperintoxicatie vastgesteld. Op één bedrijf werd al jaren rundveebrok gevoerd; in een koppel hoogdrachtige ooien was sprake van verhoogde uitval. Leveronderzoek bevestigde een koperstapeling en daarnaast verhoogd selenium. Op een ander bedrijf was een natuurkruidenproduct verstrekt dat bedoeld was voor runderen. Analyse van dit product toonde een koperwaarde van 900 ppm. Als richtwaarde geldt dat de bovengrens voor koper in het totale rantsoen bij schapen rond 15 ppm ligt. Of koperstapeling optreedt hangt echter van meerdere factoren af, waaronder ras, melkproductie, de aanwezigheid van antagonisten zoals molybdeen en de duur van blootstelling aan verhoogde kopergehalten.

Naast deze schapencasuïstiek laat leveronderzoek bij geiten zien dat koperwaarden sterk kunnen variëren, met zowel te lage als extreem hoge gehaltes. Op twee melkgeitenbedrijven werd dit recent geïllustreerd. Op een opfokbedrijf werd bij gepoold leveronderzoek van twee zes weken oude lammeren een koperwaarde van 32 ppm gevonden. Op dit bedrijf speelde gelijktijdig een uitbraak van Escherichia coli in de opfok. Zowel kopergebrek als een koperovermaat kan het afweersysteem verzwakken en dieren gevoeliger maken voor andere infecties. Op een ander melkgeitenbedrijf werd bij een bok een extreem hoog kopergehalte in het leverweefsel vastgesteld. Waarden vanaf circa 600 ppm kunnen al toxisch zijn. In deze groep bokken werden luchtwegproblemen en verhoogde uitval gezien. Koperstapeling ontstaat doorgaans door langdurige overmatige opname via het rantsoen en kan in een chronisch verloop leiden tot lever- en nierschade en bloedarmoede, terwijl in een acuut verloop plotselinge sterfte kan optreden.

De diagnostiek en interpretatie van uitslagen zijn vaak maatwerk. Bloedonderzoek kan een indicatie geven van de koperstatus met name in geval van tekorten, maar leveronderzoek is het meest betrouwbaar om zowel tekorten als stapeling vast te stellen. Daarvoor kan gekozen worden voor een leverbiopt bij levende dieren of leverweefsel van gestorven of slachtdieren. Onderzoek van (gepoolde) levermonsters bij meerdere dieren helpt om te bepalen of er sprake is van een individueel probleem of een koppelprobleem. Voeranalyse is daarnaast essentieel om het koperaanbod en de aanwezigheid van antagonisten in kaart te brengen. Wanneer een tekort is bevestigd, kan koper worden aangevuld via aangepaste voeding of supplementen, mits zorgvuldig gemonitord. Het structureel voeren van schapenvoer aan geiten wordt afgeraden vanwege het risico op ondervoorziening. Bij verdenking of bevestiging van koperstapeling is het omgekeerd cruciaal om bronnen van koper in het rantsoen te identificeren en te reduceren, en

om stressmomenten zoveel mogelijk te vermijden: eenmaal opgebouwde koperstapelingen nemen slechts langzaam af en kunnen bij stress plotseling vrijkomen met ernstige gevolgen. Een gebalanceerde koperopname blijft daarmee een belangrijk aandachtspunt, omdat zowel tekort als overmaat risico’s oplevert voor gezondheid, weerstand en productiviteit.

Seleniumintoxicatie bij geiten door onjuiste dosering

Sinds begin dit jaar is de Veekijker tweemaal betrokken geweest bij gevallen van seleniumintoxicatie bij geiten. In beide situaties was de vergiftiging vermoedelijk het gevolg van het toedienen van een supplement voor spoorelementen dat geregistreerd is voor gebruik bij runderen. Door een doseringsfout kregen de geiten per ongeluk een te hoge hoeveelheid selenium toegediend. Dit werd bevestigd door de analyse van leverweefsel, waarin verhoogde seleniumwaarden werden aangetroffen.

Toxische effecten van selenium per injectie treden meestal acuut op, afhankelijk van de toegediende dosis. Verschijnselen als longoedeem door cardiovasculair falen, laminitis en verlamming als gevolg van necrose van het ruggenmerg kunnen optreden. Het chronisch verloop uit zich in een slechte vachtkwaliteit en afwijkende hoorngroei.

Oogafwijkingen door anthelmintica intoxicatie

In augustus werd de Veekijker geraadpleegd over een koppel lammeren die beiderzijdse blindheid vertoonden. De dieren waren lichtschuw en vertoond mydriasis aan beide ogen. Recentelijk was het koppel ontwormd met een closantelpreparaat. Sinds het ontstaan van de oogafwijkingen was geen herstel gezien. Besloten is om pathologisch onderzoek uit te voeren. Uit pathologisch onderzoek van het oog werden retina laesies waargenomen, passend bij intoxicatie met closantel.

Closantel is een antiparasitair middel dat wordt gebruikt bij de behandeling van infecties zoals leverbot bij schapen en runderen. Ook bevindt de werkzame stof zich in een antiparasitair combinatiepreparaat wat bij maagdarmworminfecties ingezet wordt. De werkzame stof zorgt bij dosering vanaf twee maal de aanbevolen dosering voor retinale toxiciteit en optische neuropathie. Veelal treden verschijnselen 3-17 dagen na toediening op. Dieren met een slechte conditie en/of hypoalbunemie hebben sneller te maken met een closantel intoxicatie.

Het onderdoseren van antiparasitaire middelen is niet te adviseren vanwege resistentieontwikkeling, evenals het overdoseren van middelen met een smalle therapeutische breedte, als closantel- en levamisolpreparaten, vanwege risico op intoxicatie. Geadviseerd wordt om dieren te wegen voorafgaande aan een behandeling. Bij koppels met beperkte gewichtsvariatie wordt vaak geadviseerd om te doseren op het zwaarst aanwezige dier om onderdosering te voorkomen. Controleer de effectiviteit van de behandeling door 10-14 dagen later een mestonderzoek te verrichten.

Bij een in een vroegtijdig gestelde diagnose kan ondersteunde therapie helpen om schade te beperken. Afhankelijk van de mate van schade is herstel (deels) mogelijk. Ernstige schade daarentegen is veelal onomkeerbaar, met permanente blindheid tot gevolg.

Verhoogde PFAS waarde in levers bij schapen

De Veekijker is recent geconsulteerd door een dierenarts vanwege verhoogde uitval onder schapen en lammeren in een begrazingsgebied. De houder heeft voorafgaand aan de uitval geen specifieke verschijnselen waargenomen. Twee schapen zijn naar GD gestuurd voor pathologisch onderzoek, waarbij cachexie en een parasitaire infectie werden vastgesteld. De houder heeft tevens verzocht om onderzoek naar Per- en polyfluoralkylstoffen (PFAS), gezien verhoogde waarden in het gebied. PFAS zijn door de mens gemaakte chemische stoffen die van nature niet in het milieu voorkomen. Ze zijn echter veel gebruikt en tegenwoordig vrijwel overal in de omgeving aanwezig, soms in relatief hoge

concentraties. Bij mensen kunnen deze stoffen mogelijk nadelige effecten hebben op het immuunsysteem, het voortplantingsorgaan en de ontwikkeling van het ongeboren kind. Studies naar PFAS-effecten bij laboratoriumknaagdieren hebben effecten op leverfunctie en kankervorming aangetoond, maar alleen bij blootstellingsniveaus die aanzienlijk hoger zijn dan de verwachte niveaus bij dieren in Nederland.

Levermateriaal van de ingestuurde schapen is onderzocht door een gespecialiseerd laboratorium. Uit dit onderzoek kwamen PFAS-waarden naar voren die boven de Europese norm voor humane consumptie liggen. De bron van de verhoogde PFAS-waarden is echter niet vastgesteld. Orgaanmateriaal dat de Europese norm overschrijdt, mag niet voor humane consumptie worden gebruikt.

De verhoogde PFAS-waarden worden ingeschat als niet schadelijk voor de gezondheid van de schapen. De uitval van de ingestuurde dieren wordt in verband gebracht met cachexie, mogelijk gerelateerd aan het rantsoen en verhoogde parasitaire infectiedruk.

Verdenking van eikelintoxicatie

In september en oktober werd in de sectiezaal eikelvergiftiging vastgesteld bij schapen die hiervan verdacht werden. De schapen waren afkomstig van verschillende bedrijven. Bij sectieonderzoek werden puntbloedingen op diverse organen, longoedeem, bleke en gezwollen nieren en dunne tot soms bloederige inhoud in maagdarmkanaal gezien. Op celniveau is acute nierschade aan nierbuisjes (tubelonefrose), leverschade en bloedingen in maagdarmkanaal aangetoond. Deze bevindingen passen bij een eikelvergiftiging. Hoewel niet altijd eikels in de pens werden aangetroffen, sluit dit eikels als de oorzaak niet uit. Het typische beeld kan namelijk ook ontstaan nadat de eikels volledig verteerd zijn.

In augustus waarschuwde GD al voor een verhoogd risico op eikelvergiftging bij grazend vee. Door de aanhoudend hoge temperaturen vielen veel eikels en eikenbladeren voortijdig van de bomen. Hierdoor liepen dieren die in de buurt van eiken weiden een groter risico op vergiftiging. Daarnaast waren de omstandigheden voor de eikenboom optimaal voor massale eikelproductie. Zowel onrijpe groene als rijpe bruine eikels, evenals eikenblad, bevatten de giftige stof tannine, die ernstige schade kan veroorzaken aan bloedvaten, darmen en nieren van onder andere schapen, geiten, runderen en paarden.

De eerste symptomen zijn vaak subtiel, met traagheid, afzondering van de koppel en verminderde voeropname. In ernstigere gevallen kan versnelde ademhaling, bloederige neusuitvloeiing, buikpijn, bloederige diarree en zelfs sterfte optreden. Incidenteel leidt de opname van tannines tot beschadiging van slijmvliezen van de mondholte en het maagdarmkanaal.

Omdat slechts ondersteunende behandeling mogelijk is, blijft preventie essentieel. Het vermijden van begrazing op (delen van) percelen met veel gevallen eikels of bladeren blijft de belangrijkste preventieve maatregel. Ook kan (sloot)water waarin zich veel eikels en eikenbladeren bevinden verhoogde tannine gehaltes bevatten.

Klauwproblemen na blauwtong

Sinds het najaar van 2024 ontvangt de Veekijker regelmatig vragen over aanhoudende kreupelheid bij schapen in de nasleep van een blauwtonginfectie. Dit probleem wordt veroorzaakt door een verminderde kwaliteit van het klauwhoorn. Wanneer de hoornvorming in de klauw verstoord raakt, ongeacht de onderliggende oorzaak, ontstaat er schade op celniveau. Hoewel verschillende oorzaken achterliggend kunnen zijn, vertonen de hoornvormende cellen (keratinocyten) vaak een vergelijkbare reactie, waardoor de afwijkingen in het klauwhoorn op elkaar lijken.

Een van de mogelijke oorzaken van een dergelijke verstoring is een eerdere besmetting met het blauwtongvirus. Dit virus tast de binnenbekleding van de bloedvaten aan, ook in het gebied waar de hoorngroei van de klauw plaatsvindt. Hierdoor treedt er vocht (oedeem) uit de bloedvaten op plekken waar weinig ruimte is, wat leidt tot verhoogde druk van weefsel in de klauwschoen. Tegelijkertijd wordt de aanvoer van zuurstof en voedingsstoffen en de afvoer van CO2 en afvalstoffen in het getroffen gebied verstoord. Dit heeft een negatieve invloed op de hoorngroei, wat resulteert in een afwijkende klauwstructuur.

Omdat klauwen continu doorgroeien, kan een afwijkend hoorndeel op een gegeven moment problemen geven onder het lichaamsgewicht. Dit leidt tot ongelijke belasting en uiteindelijk kreupelheid. Gelukkig geven schapenhouders aan dat een relatief eenvoudige correctie van de klauwgroei vaak voldoende is om de balans te herstellen en de kreupelheid te laten verdwijnen. Dit is goed nieuws voor zowel de schapen als hun houders, aangezien tijdig ingrijpen de dieren snel verlichting kan bieden.

Klauwproblemen bij schapen

In maart is een gemengd bedrijf bezocht in verband met ernstige kreupelheid in een koppel van zestig schapen. Bij enkele schapen werd verlies van klauwhoorn, teenpuntnecrose en ontschoening waargenomen. Het bekappen werd door de houder dusdanig invasief uitgevoerd dat bloedingen plaatsvonden en gezond zoolhoorn tot op het leven werd weggesneden. Uit aanvullend onderzoek middels PCR werd tevens aanwezigheid van de Dichelobacter nodosus, de rotkreupelbacterie, bevestigd.

Rotkreupel is een ontsteking van de tussenklauwhuid die wordt veroorzaakt door de bacterie D. nodosus. De besmettelijk aandoening zorgt voor kreupelheid, groeivertraging en aantasting van dierwelzijn. De aandoening vraagt om een gerichte en consequente aanpak om de bacterie te bestrijden binnen de koppel. De behandeling begint met het besnijden van de klauwtjes, waarbij het ontstaan van bloedingen moet worden vermeden. Bloedingen zijn een teken beschadiging van het hoornweefsel. Beschadiging of een afwijkende opbouw van het hoornweefsel maken dat de klauwen juist kwetsbaarder zijn voor het oplopen van infecties. Beschadigde hoornweefsel kan chronische irritatie van onderliggend weefsel veroorzaken met als gevolg wildgroei. Dit is zeer lastig te behandelen en vraagt doorgaans om maandenlang herstel.

Het bestrijden van rotkreupel vereist een volledige aanpak. De aanpak bestaat onder andere uit het splitsen van het koppel (aangetaste en niet-aangetaste dieren), behandeling van aangedane dieren, gebruik van voetbaden, afvoeren van dragerdieren (dieren die herhaaldelijk klinische symptomen van rotkreupel vertonen) en vaccinatie. Zodra een bedrijf vrij is van rotkreupel, is het voorkomen van herintroductie van belang. De meest waarschijnlijke manier waarop de bacterie opnieuw kan worden binnengebracht is via de aanvoer van geïnfecteerde dieren. Daarnaast kan de bacterie ook via indirect contact worden overgedragen. Het is belangrijk om aangekochte dieren in quarantaine te plaatsen en hun klauwen zorgvuldig te inspecteren en te behandelen.

Gewrichtsontsteking bij schapen en geiten door Erysipelothrix rhusiopathiae

Gewrichtsontsteking (artritis) veroorzaakt door Erysipelothrix rhusiopathiae is een aandoening (vlekziekte) die zo nu en dan bij schapen en geiten problemen veroorzaakt. Het betreft een omgevingskiem, die makkelijk via wondjes, injecties of het maagdarmkanaal het lichaam kan binnendringen om vervolgens via de bloedbaan te verspreiden naar onder andere de gewrichten. Slechte hygiëne en een verminderde immuniteit van de gastheer zijn predisponerend voor het ontwikkelen van een infectie.

Dieren kunnen plotselinge kreupelheid ontwikkelen, met gezwollen, warme en pijnlijke gewrichten, vaak in meerdere poten tegelijk. Koorts en lusteloosheid kunnen eveneens optreden. In chronische gevallen verdikken de gewrichten, wat leidt tot blijvende kreupelheid. Middels bacteriologisch onderzoek kan de bacterie in gewrichten worden aangetoond. Een snelle behandeling met antibiotica, zoals penicilline of tetracyclines, is cruciaal om de infectie te bestrijden. Ontstekingsremmers helpen om zwelling en pijn te verminderen. Het effect van de behandeling van schapen en geiten met vlekziekte valt in de praktijk nogal eens tegen. Chronische gevallen reageren vaak nog minder goed en geregeld ook niet op de ingestelde behandeling, waardoor dieren uit welzijnsoverwegingen geëuthanaseerd moeten worden.

Bij pathologisch onderzoek op een geitenlam werd Erysipelothrix rhusiopathiae gekweekt uit meerdere gewrichten. Op het melkgeitenbedrijf vertoonde 10% van de lammeren, verdeeld over verschillende afdelingen, verschijnselen van (poly)artritis. Het effect van de behandeling van deze lammeren met antibiotica werd als teleurstellend ervaren, waarna besloten is om aanvullend drie representanten in te sturen voor pathologisch onderzoek, waarbij vlekziekte is aangetoond.

Erysipelothrix rhusiopathiae veroorzaakt vlekziekte en is een ubiquitaire Gram-positieve staafvormige bacterie die zowel voorkomt als commensaal en als pathogeen in meerdere gewervelde diersoorten, waaronder vogels en zoogdieren zoals varkens, schapen en ook bij mensen, en is daarmee een zoönotisch agens. De bacterie komt wijdverbreid voor in de natuur en is in staat om tenminste enkele weken in de omgeving te overleven. Varkens zijn een belangrijk reservoir van de vlekziektebacterie. In de literatuur wordt incidenteel een infectie met de vlekziektebacterie bij geiten beschreven. In deze beschrijvingen wordt veelal ook ander vee gehouden, wat als mogelijke bron wordt beschouwd. Op het betreffende melkgeitenbedrijf wordt, naast honden, geen andere vee gehouden. Tevens zijn er geen aanwijzingen voor indirect contact met andere diersoorten. De bron voor de bacterie is in dit geval onbekend.

Bij schapen is bekend dat de vlekziekte-bacterie (poly)artritis geeft. Andere uitingsvormen zijn huidinfecties, endocarditis, longontsteking en bloedvergiftiging. Ondanks de bacterie doorgaans goed gevoelig is voor antibiotica is de prognose gereserveerd. Bij aantasting van gewrichtskraakbeen en subchondraal bot blijft kreupelheid en groeivertraging aanwezig ondanks behandeling.

Erysipelothrix rhusiopathiae is een zoönose en wordt door geïnfecteerde dieren via diverse excreten (urine, mest, speeksel en neusuitvloeiing) uitgescheiden. De bacterie treedt via huidbeschadigingen of slijmvlies binnen. Mensen ontwikkelen veelal huidlaesies maar een sepsis wordt tevens beschreven. Goede voorzorgs- en hygiënemaatregelen in de omgang met (dode) dieren zijn de belangrijkste preventieve maatregelen. Voorkom een infectie door handschoenen te dragen, bedek huidwonden en maak een opgelopen wond schoon.

Gewrichtsontsteking door vergoenende streptococcen

In maart werden meerdere geitenlammeren van drie weken leeftijd voor pathologisch onderzoek aangeboden waarbij een gewrichtsontsteking gevonden. De gewrichtsontstekingen traden vooral bij de bokjes, wat een terugkerend probleem op het melkgeitenbedrijf bleek te zijn. De lammeren reageerde onvoldoende op antimicrobiële behandeling. Uit pathologisch onderzoek kwam een fibrineuze purulente polyartritis veroorzaakt door vergroenende streptococcen.

Vergoenende streptoccoccen maken onderdeel uit van de huidflora en bevindt zich dus in de omgeving. Deze bacteriegroep is een bekende veroorzaker van gewrichtsontsteking bij lammeren. De bacterie treedt het lichaam binnen via huid- en slijmvliesbeschadigingen. Om deze reden is optimale hygiëne van de omgeving, voorkomen van overbezetting, adequate naveldesinfectie, en het zorgvuldig en hygiënisch inbrengen van oormerken van groot belang. Goed biestmanagement, waarbij voldoende antistoffen door het lam wordt opgenomen, is noodzakelijk voor de maternale immuniteit tegen omgevingskiemen.

Op het betreffende bedrijf bleken biestmanagement en adequate desinfectiebeleid rondom het inbrengen van de oormerken punten van aandacht. Om de effectiviteit van biestmanagement te controleren kan de concentratie immuunglobulinen in het bloed van lammeren in de eerste levensweek (2-5 dagen) worden bepaald.

Plotselinge sterfte door Bibersteinia trehalosi

In 2025 ontving de Veekijker op meerdere momenten signalen over acute uitval en luchtwegklachten bij lammeren, waarbij zowel bacteriële infecties als niet-infectieuze oorzaken een rol konden spelen. In januari en februari werden meerdere vragen gesteld naar aanleiding van plotselinge sterfte in koppels (ram)lammeren. In het najaar en de winter is Bibersteinia trehalosi een regelmatig vastgestelde bacteriële oorzaak van acute sterfte. Deze opportunistische kiem komt van nature voor in de neus- en keelholte van gezonde dieren, maar kan onder omstandigheden leiden tot ernstige sepsis en plotselinge sterfte, met name bij lammeren van circa vier tot tien maanden oud.

De kans op ziekte neemt toe wanneer dieren worden blootgesteld aan stressfactoren. Genoemd worden onder andere spenen, verplaatsingen, mengen van koppels, rantsoenwisselingen, scheren, vaccinaties, ontworming en ongunstige of wisselende weersomstandigheden. Door een verzwakt immuunsysteem kan B. trehalosi via de bloedbaan naar verschillende organen verspreiden. Vaak worden lammeren zonder voorafgaande verschijnselen dood aangetroffen, waar soms kortdurend aspecifieke symptomen zoals sloomheid, verminderde eetlust, koorts, speekselen of benauwdheid kunnen worden waargenomen. Dit beeld werd later in het jaar opnieuw gezien. In oktober werd bij pathologisch onderzoek bij verschillende lammeren sepsis door B. trehalosi vastgesteld, vooral bij dieren van vijf tot zes maanden oud. De meeste dieren verkeerden tot kort voor sterfte in normale tot goede conditie en incidenteel werd een lam vlak voor overlijden benauwd met schuim op de bek aangetroffen.

Voor bevestiging van B. trehalosi als oorzaak is nadere diagnostiek essentieel. Pathologisch en bacteriologisch onderzoek van geschikte organen, zoals long en milt, is daarbij van belang; de bacterie is doorgaans goed te isoleren uit recent gestorven dieren. Tegelijkertijd is het noodzakelijk om andere oorzaken van acute sterfte uit te sluiten. Behandeling met antibiotica komt in de praktijk vaak te laat voor reeds getroffen dieren, maar snelle behandeling van risicodieren kan soms verdere sterfte beperken. Preventie blijft daarom belangrijk in de vorm van stressreductie, goede hygiëne, geleidelijke voerovergangen en waar passend een vaccinatiebeleid.

Naast deze sepsis-casuïstiek worden in de zomermaanden jaarlijks meldingen ontvangen van hoestende schapen, meestal lammeren, vaak zonder verdere ziekteverschijnselen. Het betreft doorgaans een droge, schrale hoest die na inspanning kan optreden, terwijl de dieren verder in goede conditie zijn en geen koorts hebben. Behandelingen gericht op een bacteriële oorzaak geven in deze gevallen zelden verbetering. Veelal past dit beter bij irritatie van de voorste luchtwegen, bijvoorbeeld door stof, andere irriterende factoren of mechanische schade door hijgen. Hoewel de term soms wordt gebruikt, is hierbij doorgaans geen sprake van zomerlongontsteking. Zomerlongontsteking betreft juist een bacteriële infectie van de diepere luchtwegen, waaronder Mannheimia haemolytica en Pasteurellasoorten en gaat meestal gepaard met een productieve hoest, sloomheid, koorts, afwijkende longgeluiden en verminderde eetlust. Bij luchtwegproblemen blijft een zorgvuldig klinisch onderzoek leidend, waarbij aanvullende diagnostiek bij het levende dier niet altijd eenvoudig is door het commensale voorkomen van sommige verwekkers. Op basis van het totaalbeeld kan de dierenarts de noodzaak van antimicrobiële therapie overwegen.

Coccidiose bij schapenlammeren

Uit gesprekken met dierenartsen en houders in de Veekijker komt geregeld naar voren dat coccidiose op bedrijven een hardnekkig terugkerend probleem kan zijn.

Coccidiose is een darmaandoening bij lammeren veroorzaakt door de protozoa Eimeria spp. De meeste Eimeriasoorten die bij schapen worden gevonden, zijn onschadelijk. Vooral Eimeria ovinoidalis en Eimeria crandallis worden geassocieerd met klinische symptomen. Ziekte treedt op bij zware besmetting van de omgeving en verminderde immuniteit. Immuniteit wordt bij blootstelling snel opgebouwd, waardoor alleen lammeren van drie tot vier maanden oud risico lopen op coccidiose. Coccidiose uit zich in donkere diarree, persen op de mest en sterfte.

Bedrijven die terugkerende problemen met coccidiose ondervinden, kunnen preventieve maatregelen toepassen. Preventie is gericht op het verlagen van de infectiedruk in de omgeving en het verhogen van de immuniteit van jonge lammeren. Dit kan worden bereikt door te zorgen voor goede biestopname, regelmatig opstrooien van bedding in de stal, droog houden van de bedding, voorkomen dat drink- en voerbakken gecontamineerd raken met mest, voorkomen van overbezetting en het gescheiden houden van oudere en jonge lammeren. Bij weidegang wordt geadviseerd om lammeren op schone weides te brengen waar in het voorgaande weideseizoen geen jonge lammeren of kalveren hebben geweid.

Naast coccidiose zijn er andere aandoeningen die voor vergelijkbare verschijnselen zorgen, zoals de maagdarmworm Nematodirus battus. Behandelen voor coccidiose is enkel geïndiceerd wanneer klinische verschijnselen worden gesignaleerd in combinatie met een positief mestonderzoek waarbij pathogene Eimeria spp. zijn aangetoond.

Sterfte door pensacidose bij schapenlammeren

In augustus werd bij pathologisch onderzoek van een ingestuurd lam een ernstige maagdarmstoornis vastgesteld, met een sterke verdenking op pensacidose. Het dier maakte deel uit van een koppel schapenlammeren dat al enkele weken werd gevoerd met aardappelsnippers. Een dag na het voeren van een nieuwe levering aardappelsnippers stierven 25 dieren in korte tijd. Enkele overlevende lammeren vertoonden duidelijke ziekteverschijnselen zoals lusteloosheid en opgezette buik.

Pensacidose treedt op wanneer de pH-waarde in de pens gevaarlijk laag wordt door overmatige melkzuurproductie.

Dit gebeurt meestal na het eten van grote hoeveelheden snel fermenteerbare koolhydraten, zoals graan, maïs, aardappelproducten of andere krachtvoeders. Het snelle afbraakproces in de pens verstoort het evenwicht van het microbioom, wat kan leiden tot ernstige gezondheidsproblemen en in korte tijd zelfs tot sterfte. Het voorkomen van pensacidose is cruciaal. Een uitgebalanceerd rantsoen met voldoende ruwvoer en geleidelijke voerovergangen helpt het microbioom in balans te houden en zo pensacidose te voorkomen. Voor schapen en geiten is ruwvoer een belangrijke component van het rantsoen. Aanvulling van het rantsoen middels krachtvoeders dient geleidelijk en in beperkte mate te gebeuren.

Pensbot bij schapen

Recent is enkele malen bij pathologisch onderzoek een infectie met volwassen pensbotten bij schapen aangetoond. Door middel van mestonderzoek worden door GD af en toe pensboteieren aangetoond. In de Veekijker worden naar aanleiding van deze bevindingen vragen gesteld over de klinische relevantie van deze parasiet bij kleine herkauwers.

Pens- en leverbot hebben een zeer vergelijkbare levenscyclus waarbij dezelfde slak (Galba truncatula) betrokken is. Het belangrijkste verschil is het verloop van de levenscyclus in de gastheer waarbij bij pensbot uiteindelijk de pens het voorkeursorgaan is en bij leverbot de lever. Wanneer pensboteieren worden gevonden wordt daarmee de aanwezigheid van volwassen pensbotten in de pens aangetoond. In zeldzame gevallen kan ziekte ontstaan bij een

infectie met grote aantallen larvale stadia van de pensbot die een ontsteking van de dunne darm veroorzaken. Er zijn geen specifieke diagnostische tests beschikbaar voor het aantonen van een infectie met larvale stadia van de pensbot. In de regel behoeft een infectie met pensbotten geen behandeling. Co-infecties van leverbot en pensbot worden af en toe aangetoond. Anders dan de pensbot dient een infectie met leverbot altijd behandeld te worden. Daarnaast dienen preventieve maatregelen genomen te worden om infecties te voorkomen.

Pseudolactatie bij hobbygeiten

Jaarlijks ontvangt de Veekijker enkele vragen over de behandeling van pseudolactatie bij hobbygeiten. In het geval van pseudolactatie produceert een geit melk zonder dat ze drachtig is geweest of recent heeft gelamd. Hoewel de oorzaak voor dit probleem niet duidelijk is, wordt gespeculeerd dat een hormonale disbalans of fysiologische reacties op omgevingsfactoren het fenomeen mogelijk verklaren. Voorbeelden van een hormonale disbalans zijn een verhoogde afgifte van het hormoon prolactine door de hypofyse of een langdurige blootstelling aan progesteron in het geval van een persisterend corpus luteum. Daarnaast zouden onderliggende gezondheidsproblemen, zoals cysten op de eierstokken of andere reproductieve aandoeningen eveneens kunnen bijdragen aan deze aandoening. Overmatige stimulatie of manipulatie van de spenen kunnen ook leiden tot melkproductie. Hoogproductieve rassen zijn doorgaans gevoeliger voor het ontwikkelen van pseudolactatie. Pseudolactatie gaat soms gepaard met pseudograviditeit, schijndracht bij geiten. In de praktijk blijkt het vaak lastig om de oorzaak van pseudolactatie vast te stellen.

De behandeling van pseudolactatie is complex omdat de oorzaak vaak niet bekend is. Helaas blijken medicinale interventies vaak teleurstellend. In een enkel geval droogt het uier spontaan weer op. Indien sprake is van ernstige aantasting van het welzijn, zeker in geval van bijkomende ontstekingsprocessen, is het te overwegen om het uier chirurgisch weg te nemen.

Sterfte lammeren na verstrekken runderbiest Afgelopen voorjaar ontving de Veekijker meerdere telefoontjes over lammeren die na het drinken van runderbiest plotseling stierven. Vermoed wordt dat hier sprake is geweest van sterfte door hemolytische anemie. Hemolytische anemie is een aandoening waarbij eigen rode bloedcellen worden afgebroken. Bij lammeren ontstaat dit fenomeen een enkele keer doordat antistoffen uit runderbiest de rode bloedcellen van lammeren afbreken. De rode bloedcellen worden afgebroken, waardoor het transport van zuurstof in het gedrang komt. Lammeren die door antistoffen via de runderbiest hemolytische anemie ontwikkelen, worden na 5-10 dagen sloom, krijgen bleke tot gele slijmvliezen en sterven. Runderbiest wordt regelmatig verstrekt als alternatief voor schapen-en kunstbiest bij lammeren. Om hemolytische anemie door het verstrekken van runderbiest bij lammeren te voorkomen is het van belang om biest van minimaal twee verschillende runderen in de eerste 24u na de geboorte te verstrekken.

Afwijkende inwendige lymfeknopen op slachthuis

Eind maart werd door een slachthuismedewerker contact gelegd met de Veekijker Kleine Herkauwers in verband met afwijkende inwendige lymfeknopen bij twee schapen aan de slachtlijn. Meerdere vergrote lymfeknopen lagen ter hoogte van het bekken, de knie, de schouder en de darmen. De twee schapen waren afkomstig van hetzelfde bedrijf. Een vergrote lymfeknoop kan duiden op lymfadenitis of reactiviteit door een infectie in het drainagegebied. Een bekende oorzaak van lymfadenitis is caseous lymfadenitis (CL), veroorzaakt door de bacterie Corynebacterium pseudotuberculosis. De bacterie treedt via huid- en slijmvliesdefecten het lichaam binnen en veroorzaakt na infectie kenmerkende abcessen in lokale drainerende lymfeknopen. Ook andere bacteriën, zoals Actinobacillus spp., kunnen lymfadenitis veroorzaken. Reactiviteit van de lymfeknoop kan ook optreden door lokale of systemische infecties zonder dat de lymfeknoop zelf ontstoken is.

De karkassen noch de lymfeknopen zijn aangeboden voor nader bacteriologisch en histologisch onderzoek, waardoor niet met zekerheid gesteld kan worden wat de oorzaak van de vergrote lymfeknopen is geweest. In verband met mogelijk volksgezondheidsrisico’s zijn de karkassen ongeschikt voor humane consumptie verklaard en aangeboden voor destructie.

Ongewone buikvliesafwijkingen bij geit in slachthuis

Tijdens de keuring van organen en karkassen in een slachthuis heeft een keuringsdierenarts bij een geit opvallende afwijkingen aan het buikvlies (peritoneum) vastgesteld en gedeeld met de Veekijker. Het beeld week af van klassieke parasitaire infecties zoals cysticercose. Op basis van de macroscopische bevindingen werden onder meer peritoneale carcinomatose, mesothelioom en chronische (granulomateuze) peritonitis in de differentiaaldiagnose opgenomen.

Peritoneale carcinomatose en mesotheliomen zijn tumoren die zich in het buikvlies kunnen ontwikkelen. Chronische granulomateuze peritonitis is een chronische ontsteking waarbij zich knobbeltjes (granulomen) vormen, opgebouwd uit ontstekingscellen zoals macrofagen, reuscellen en lymfocyten. Deze aandoening ontstaat vaak als reactie op hardnekkige prikkels, zoals bepaalde bacteriën, schimmels, vreemde materialen of parasitaire infecties. Omdat de aandoeningen macroscopisch sterk op elkaar lijken, is histologisch onderzoek noodzakelijk voor een definitieve diagnose. Vanwege de afwijkingen werd het kadaver afgekeurd. Voor zover bekend is geen aanvullend onderzoek uitgevoerd.

7.2 Buitenlandse signalen

Uitbraak van Mond ­ en Klauwzeer in Europa Mond- en klauwzeer (MKZ) is een zeer besmettelijke virusziekte bij evenhoevige dieren zoals runderen, varkens, schapen en geiten; ook wilde evenhoevigen (zoals wilde zwijnen, herten en reeën) kunnen besmet raken. Het MKZ-virus behoort tot de familie Picornaviridae en het genus Aphthovirus. Er zijn zeven serotypen bekend (A, O, C, Asia1, SAT1, SAT2, SAT3), waarbij serotype C al lange tijd niet meer is aangetoond. Overdracht vindt plaats via direct contact tussen dieren en indirect via besmette materialen; alle secreties en excreties kunnen besmettelijk virus bevatten, soms al vóórdat klinische verschijnselen zichtbaar zijn. Bij kleine herkauwers is het klinische beeld vaak minder uitgesproken dan bij andere herkauwers; kreupelheid is geregeld het meest opvallende verschijnsel. Daarnaast kan MKZ bij lammeren leiden tot acute sterfte door hartfalen.

Uitbraak in Duitsland en maatregelen in Nederland

Op 10 januari 2025 meldde Duitsland een MKZ-uitbraak bij de Wereldorganisatie voor Diergezondheid (WOAH). Het virus werd vastgesteld bij waterbuffels in Märkisch-Oderland (Brandenburg) en betrof serotype O. Dit was de eerste MKZuitbraak in Duitsland sinds 1988 en de eerste binnen de EU sinds 2011 (Bulgarije). Duitse autoriteiten namen direct ingrijpende maatregelen, waaronder vervoersbeperkingen voor gevoelige dieren in Brandenburg en Berlijn, een preventieve ruiming in een straal van 1 km rond de besmette locatie en het opschorten van exportcertificaten. Uitgebreid testen van evenhoevigen in de regio en preventieve ruiming van runderen, schapen en geiten die mogelijk met besmet materiaal in contact waren geweest, wezen erop dat zeer waarschijnlijk geen verdere verspreiding van het MKZ-virus heeft plaatsgevonden. Ook in Duitsland werden na het eerste bedrijf geen andere gevallen vastgesteld. Dat een MKZ-uitbraak zich tot één bedrijf beperkt is opmerkelijk.

Naar aanleiding van de uitbraak in Duitsland nam Nederland voorzorgsmaatregelen en werden bedrijven onderzocht die mogelijk risico liepen door import van evenhoevigen uit Brandenburg. Op 17 januari 2025 informeerde de Minister van LVVN de Tweede Kamer over de onderzoeksresultaten: alle bedrijven die sinds 1 december 2024 evenhoevigen uit Brandenburg hadden ontvangen, zijn bemonsterd. In totaal zijn 3.754 dieren getest, waarvan 888 met PCR en de overige dieren met ELISA op antilichamen. Er zijn geen aanwijzingen gevonden voor aanwezigheid van het MKZ-virus in Nederland.

Een uitbraak van een aandoening als MKZ vraagt alertheid van dierenartsen en veehouders. Zeker wanneer het lang geleden is dat een uitbraak zich heeft voorgedaan is vroegtijdige detectie van een ziektebeeld een groot aandachtspunt. Op 15 januari heeft GD een webinar georganiseerd in samenwerking met WBVR om de rundvee-, schapen- en varkenssector te informeren over de bevindingen in Duitsland en het klinische beeld van MKZ. Het webinar is terug te kijken op https://www.gddiergezondheid.nl/Actueel/Nieuws/2025/02/Bekijk-webinar-blauwtong-terug.

Situatie in Europa: Hongarije en Slowakije Naast de Duitse uitbraak deden zich in maart en april 2025 MKZ-uitbraken voor op commerciële melkveebedrijven in Hongarije en Slowakije. In Hongarije werd op 7 maart een uitbraak bevestigd op twee melkveebedrijven in het district Gy őr-Moson-Sopron, nabij de Slowaakse grens. In de weken daarna werden meerdere bedrijven getroffen; uiteindelijk werden in Hongarije in totaal vijf uitbraken vastgesteld. In Slowakije werd op 21 maart 2025 een uitbraak bevestigd op een rundveebedrijf nabij de Hongaarse grens, waarna tot 4 april op nog vijf rundveebedrijven MKZ werd aangetoond (totaal zes uitbraken). In Slowakije zijn 8.344 runderen (inclusief één hoog-risico contactbedrijf) geruimd en is de omgeving gedesinfecteerd.

EU-referentielaboratoria bevestigden dat Hongarije en Slowakije getroffen waren door hetzelfde MKZ-virus: serotype O (O/ME-SA/PanAsia-2 / PUN 16, alias ANT 10-lijn). Deze stam was niet gelijk aan het serotype O dat in Duitsland werd gevonden. De virusstammen uit Hongarije en Slowakije waren identiek op het niveau van de VP1-sequentie. Vergelijking met internationale databanken liet een nauwe verwantschap zien met virussen uit Pakistan (2017–2018) en een vergelijkbare stam die in Türkiye in 2024 werd gevonden. De exacte oorsprong en introductieroute bleven onbekend, maar genoomanalyse wees op één introductie gevolgd door lokale verspreiding.

Onderzoek suggereerde dat menselijke activiteiten (zoals bezoekers/werklieden, werkzaamheden op bedrijven, melktransport of bouwactiviteiten) een rol hebben gespeeld bij verspreiding tussen bedrijven. Aerosole verspreiding is als mogelijke, maar minder waarschijnlijke route overwogen, mede omdat meldingen buiten de getroffen melkveebedrijven uitbleven.

De laatste uitbraak in Hongarije werd op 17 april gemeld; de restrictiezones werden op 5 juni opgeheven. Hongarije voerde intensieve communicatiecampagnes en uitgebreid surveillanceonderzoek uit; alle testen buiten de getroffen bedrijven bleven negatief. In Slowakije werd na de laatste bevestigde uitbraak op 4 april overgegaan tot grootschalige testcampagnes op bijna 3.000 bedrijven en controle van duizenden monsters van zowel gehouden dieren als wilde dieren; ook hier waren alle verdere uitslagen negatief. De surveillancezones werden eveneens op 5 juni opgeheven. Reiniging en desinfectie van getroffen bedrijven liepen door en zouden naar verwachting rond 31 augustus zijn afgerond.

Hoewel de MKZ-uitbraken begin 2025 tot grote onrust leidden, hebben de autoriteiten de situatie snel onder controle gekregen. Sinds april zijn er geen nieuwe verdenkingen gerapporteerd. Tegelijkertijd bleven importrestricties nog een tijd van kracht voor levende dieren, genetisch materiaal, vlees, zuivel en onbewerkte dierproducten uit Hongarije en Slowakije.

MKZ is een meldingsplichtige en bestrijdingsplichtige ziekte onder de Animal Health Law (EU 2016/429). Verdenkingen van meldingsplichtige dierziekten dienen direct bij de NVWA te worden gemeld.

Aviaire influenza aangetoond in een schaap in het Verenigd Koninkrijk Op 24 maart 2025 werd door de Britse regering bekendgemaakt dat bij één schaap hoog pathogene aviaire influenza (HPAI) is vastgesteld op een bedrijf in Yorkshire. Nadat HPAI was bevestigd in gehouden pluimvee op het betreffende bedrijf is besloten om aanwezig vee op het bedrijf te onderzoeken. Uitgevoerde polymerase chain reactie (PCR) op een melkmonster werd, evenals de antistoffentest op bloed van de ooi, positief bevonden op HPAI. Door middel van typering werd H5N1 vastgesteld, wat overeenkomst is met de variant die werd gevonden bij het pluimvee op het bedrijf. Naast mastitis waren geen andere klinische verschijnselen bij de ooi waargenomen. Bij de andere aanwezige schapen werd het virus niet aangetoond. Het pluimvee en de geïnfecteerde ooi zijn geruimd.

Sinds 2022 is H5N1 aangetroffen bij meer dan 200 zoogdieren, waaronder vossen, stinkdieren, wasberen, zeehonden en beren, maar tot 2024 niet eerder bij herkauwers. Data met betrekking tot de gevoeligheid van kleine herkauwers voor dit virus is onbekend. In een zeer beperkt aantal experimentele studies met Influenza A virus bij herkauwers (runderen, schapen en geiten) bleek de kliniek na inoculatie gering en doorgaans beperkt tot influenza-achtige respiratoire verschijnselen en melkproductiedaling. Bij immuun gecomprimeerde dieren zou een infectie potentieel kunnen leiden tot ernstigere kliniek.

In maart 2024 werd een HPAI infectie voor het eerst bij geiten gerapporteerd op een gemengd bedrijf in de USA. Op het bedrijf deelden 165 geiten huisvesting met pluimvee, waaronder een gedeelde waterbron. In februari werd het aanwezige pluimvee geruimd na het vaststellen van HPAI, een H5N1-stam. Enkele dagen na ruiming werden de eerste lammeren geboren. Begin maart werd door het bedrijf melding gemaakt van onduidelijke sterfte en neurologische klachten bij tien geitenlammeren van ongeveer een week leeftijd. Bij vijf van de tien geitenlammeren is HPAI vastgesteld in hersenweefsel. Na typering bleek het om H5N1 te gaan. De getypeerde stammen bij het pluimvee en de geitenlammeren op het bedrijf bleken sterk verwant. Onderzochte monsters van de volwassen geiten waren negatief voor HPAI. Precieze informatie over de pathogenese van deze casus is vooralsnog onbekend.

Later in dezelfde maand werd door US Department of Agriculture (USDA) gemeld dat HPAI, stam H5N1 aangetoond was in melkmonsters en in oropharyngeaal-swabmateriaal van koeien op melkveebedrijven uit Kansas en Texas. Meerdere melkveebedrijven in verschillende staten zijn sindsdien bevestigd geïnfecteerd met HPAI. Sinds de uitbraak bij runderen is bij zeventig personen aviaire influenza aangetoond. Hiervan waren 41 personen werkzaam om besmette melkveebedrijven. Gerapporteerde verschijnselen waren rode ogen, ooguitvloeiing en griepachtige verschijnselen bestaande uit koorts, hoesten, keelpijn en neusuitvloeiing.

Naar aanleiding van de detectie van hoog pathogene aviaire influenza virus (HPAIv) bij geiten en runderen in de VS in maart 2024, zijn er vragen gerezen over een dergelijk risico in Nederland. In de Kamerbrief van het ministerie van VWS, mede namens het ministerie van LVVN, over herkauwers en vogelgriep is aangegeven dat bij een uitbraak van vogelgriep op een bedrijf, waar ook herkauwers aanwezig zijn, herkauwers door NVWA gescreend worden op vogelgriep. In februari heeft zo’n screening plaatsgevonden bij koeien op een gemengd bedrijf, waar geen aviaire influenza bij werd geconstateerd. Eind 2025 werd aviaire influenza aangetoond bij kittens op een melkgeitenbedrijf. Nader onderzoek bij de geiten heeft geen positieve testresultaten voor HPAI bij de geiten aangetoond. In december 2025 werden antistoffen tegen HPAI aangetoond op een melkveebedrijf in het Noorden van het land. Nadere onderzoek over de duiding van deze bevinding loopt momenteel.

Vooralsnog wordt het risico op besmetting vanuit herkauwers en andere zoogdieren naar de mens toe als laag beschouwd.

Klassieke scrapie in Verenigd Koninkrijk

In het Verenigd Koninkrijk is op 28 mei 2025 bij een Welsh Mountain Badger Face-ooi klassieke scrapie vastgesteld. Het betrof een dier uit een koppel van 139 schapen. De laatste keer dat klassieke scrapie in het VK werd aangetoond was in 2020.

Klassieke scrapie is een prionziekte die voorkomt bij schapen en geiten en wordt gekenmerkt door progressieve neurodegeneratie. De ziekte ontstaat door abnormale vouwing van het prioneiwit in het zenuwstelsel, waardoor schadelijke eiwitafzettingen in de hersenen ontstaan. Klinische symptomen zijn onder andere gedragsveranderingen (rusteloosheid, schrikachtigheid), jeuk (waar de naam ‘scrapie’ vandaan komt), spiertrillingen, coördinatiestoornissen en uiteindelijk sterke vermagering en verzwakking.

De incubatietijd is lang; dieren kunnen jaren symptoomloos zijn. Verspreiding vindt vooral plaats via contact met besmette placenta, vruchtwater en omgevingsmateriaal. Binnen een koppel is de ziekte besmettelijk. Naast de klassieke vorm bestaat ook atypische scrapie. Deze variant wordt meestal incidenteel en bij individuele dieren aangetroffen, vaak bij oudere dieren en zonder duidelijke klinische verschijnselen. Atypische scrapie lijkt niet of nauwelijks besmettelijk te zijn en wordt doorgaans opgespoord via routinematig onderzoek in het kader van monitoring. Hoewel beide vormen worden veroorzaakt door afwijkend gevouwen prioneiwit, verschillen ze in verspreidingspatroon, leeftijd van voorkomen en besmettelijkheid.

In Nederland werd klassieke scrapie voor het laatst in 2012 bij schapen vastgesteld. Bij geiten werd sinds 2001 geen scrapie meer aangetoond. Bij schapen is de inzet van scrapieresistente rammen een aantal jaar verplicht geweest. Mede dankzij het landelijke fokprogramma gericht op genetische resistentie is de incidentie enorm teruggelopen. Dit programma stimuleert het fokken van ARR/ARR-schapen, die een hoge mate van resistentie vertonen tegen de ziekte. Ook bij geiten zijn inmiddels specifieke allelen bekend die de gevoeligheid verlagen; sinds enkele jaren is fokken op resistentie bij geiten op vrijwillige basis mogelijk.

Klassieke scrapie is een ziekte met een potentieel grote impact op dier- en volksgezondheid, waarvoor binnen de EU strenge maatregelen gelden. Verdenkingen van scrapie bij schapen of geiten dienen direct bij de NVWA te worden gemeld.

Situatieoverzicht Schapen ­ en geitenpokken 2025

Schapen- en geitenpokken (SGP) is een ernstige virusaandoening bij schapen en geiten, veroorzaakt door een Capripoxvirus (familie Poxviridae). De ziekte kan gepaard gaan met koorts en het ontstaan van huidknobbels en korsten, vaak met zwelling rond ogen, neus en mond. Afhankelijk van ernst en omstandigheden kunnen ook oogontstekingen, benauwdheid, verminderde eetlust, gewichtsverlies en secundaire bacteriële infecties optreden. Verspreiding vindt vooral plaats via direct contact met geïnfecteerde dieren en met virus in lichaamsvloeistoffen en huidlaesies. Daarnaast kan infectie optreden door inhalatie van virusdeeltjes. Indirecte overdracht via besmette materialen zoals strooisel, voer, voertuigen, wol en huiden is mogelijk. Bijtende insecten kunnen als mechanische vector optreden. Het virus kan bovendien langdurig in de omgeving overleven, met name in huidkorsten.

Na een uitbraak in Spanje in september 2022 werd Spanje in november 2023 weer vrij verklaard. Sindsdien wordt SGP, in een patroon van herintroducties en aanhoudende problemen, in Zuidoost-Europa, met meldingen in onder andere Griekenland, Bulgarije en Roemenië, gerapporteerd.

Roemenië

SGP werd voor het eerst vastgesteld in juni 2025 in Teleorman, nabij de Bulgaarse grens, met in die maand meerdere uitbraken op bedrijven met enkele honderden dieren. In juli 2025 volgde een nieuwe grote uitbraak, waarbij onder meer een koppel van 881 schapen en een gemengd koppel van 1826 dieren betrokken was. Maatregelen bestonden uit ruiming van besmette koppels, instellen van beschermings- en toezichtsgebieden (3 km en 10 km), transportbeperkingen en aanvullend epidemiologisch onderzoek.

Bulgarije

In mei 2025 werd een verdenking gemeld in Haskovo. In juni volgden nieuwe gevallen in andere regio’s en in de zomer werden via WOAH opnieuw uitbraken gerapporteerd. Bulgarije zette in op verplaatsingsverboden, verhoogde surveillance en aanvullende EU-ondersteuning.

Griekenland

SGP bleef ook in 2025 een langdurig probleem. Tussen augustus 2024 en juni 2025 werden meerdere uitbraken gemeld in geografische clusters. Na een EU-VET missie in mei 2025 zijn verdere verbeteringen doorgevoerd, waaronder aanvullende voorwaarden bij dierverplaatsingen zoals PCR-testen, protocollen voor herbevolking en aangescherpte schoonmaak- en desinfectieprocedures.

Binnen de EU is SGP onder de EU Animal Health Law (Regulation 2016/429) meldings- en bestrijdingsplichtig. In Nederland geldt dat een verdenking direct bij de NVWA gemeld moet worden. De Europese situatie onderstreept het belang van blijvende alertheid bij huidlaesies met systemische ziekteverschijnselen, zeker bij dieren met (in)directe contacten met risicogebieden.

Peste des Petits Ruminants (PPR) in Europa: Situatieoverzicht

Peste des petits ruminants (PPR) werd in juli 2024 voor het eerst vastgesteld in Griekenland en kort daarna in Roemenië. Vervolgens werden nieuwe uitbraken gemeld in Bulgarije in november 2024 en in Hongarije in januari 2025. Later in 2025 werden ook opnieuw uitbraken gemeld in Roemenië in maart 2025 en buiten de EU in Albanië in juni 2025 en Kosovo in juli 2025. PPR was niet eerder vastgesteld in Hongarije.

De uitbraak in Hongarije werd geïntroduceerd via legale import van schapen uit Roemenië naar een bedrijf in West-Hongarije. De eerste Hongaarse uitbraak werd op 27 januari 2025 gemeld bij de Wereldorganisatie voor Diergezondheid (WOAH) en betrof een schapenbedrijf in Zala County, nabij de grenzen met Slovenië en Kroatië en op ongeveer 20 kilometer van Oostenrijk. Nadat 12 schapen stierven, bevestigde PCR-onderzoek de infectie. In totaal werden 1.810 schapen geruimd en er werden zones ingesteld met een beschermingszone van 3 kilometer en een bewakingszone van 10 kilometer, deels grensoverschrijdend in Slovenië. Op 5 februari 2025 rapporteerde WOAH nog twee epidemiologisch gelinkte uitbraken in dezelfde regio, waaronder één locatie op circa 5 kilometer van het eerste bedrijf met 1.146 schapen en één bedrijf buiten de aanvankelijke restrictiezone. Hongarije nam aanvullende maatregelen, waaronder het vergroten van restrictiezones, een algeheel vervoersverbod voor kleine herkauwers, screening van dode wilde herkauwers en opschorting van import van schapen en geiten uit Roemenië. De EU beschouwt PPR in Hongarije inmiddels als opgelost.

Bulgarije meldde op 2 december 2024 een uitbraak in Velingrad in Zuid-Bulgarije. PPR was daar bevestigd op 25 november in drie kuddes met in totaal 1.769 dieren, met 25 klinische gevallen. Direct werden maatregelen ingesteld, waaronder een quarantainezone van 7 kilometer en een bewakingszone van 10 kilometer rond de uitbraak en een verplaatsingsverbod voor kleine herkauwers in het getroffen gebied.

In Griekenland werden sinds de eerste melding op 8 juli 2024 in totaal 86 uitbraken gerapporteerd, waaronder 19 nieuwe uitbraken tussen september en oktober 2024. Sinds 31 oktober 2024 zijn geen nieuwe uitbraken meer gemeld. De uitbraken lagen vooral in de Peloponnesos, West-Griekenland en de Ionische eilanden, en daarnaast in Thessalië en Centraal-Griekenland. De Griekse autoriteiten voerden de EU-maatregelen uit, waaronder ruiming van besmette koppels, gecontroleerde destructie van kadavers, instelling van 3 kilometer beschermingszones en 10 kilometer bewakingszones rond uitbraken en verplaatsingsbeperkingen.

Roemenië bevestigde de eerste uitbraak op 15 juli 2024 en meldde in totaal 68 uitbraken, met de laatste melding op 19 september 2024 in Constanț a nabij de Zwarte Zee. Hoewel daarna geen nieuwe uitbraken werden gemeld, wees de introductie in Hongarije erop dat het virus mogelijk nog laaggradig circuleerde. Op 5 maart 2025 werd dit bevestigd met een uitbraak op een schapenbedrijf in het district Bihor in West-Roemenië, op circa 12 kilometer van de Hongaarse grens. Het betrof een bedrijf met 664 schapen, waarna alle dieren werden geruimd. In Roemenië bleven verplaatsingsbeperkingen, bewustwordingscampagnes tegen illegale diertransporten en aangescherpte controles op dierbewegingen en bioveiligheid van kracht.

In juni 2025 werd PPR voor het eerst bevestigd in Albanië. Op 4 juni betrof dit een geitenbedrijf van 18 dieren in Domen in het district Shkodër nabij de grens met Montenegro, waarbij twee dieren met passende kliniek stierven en de rest van het koppel werd geruimd. Een dag later volgde een tweede bevestiging in Kastriot in Dibër nabij de grens met Noord-Macedonië in een koppel van 200 geiten, waarvan 134 dieren werden geruimd. Tot en met 3 juli 2025 werden volgens ADIS in totaal 14 bevestigde uitbraken geregistreerd verspreid over meerdere regio’s, waaronder Korçë, Dibër en Skrapar, met instelling van 3 kilometer beschermingszones en 10 kilometer toezichtsgebieden en intensieve monitoring. Op 3 juli 2025 meldde Kosovo een uitbraak bij geiten in Landovicë in de regio Prizren, dicht bij de grens met Albanië. Er werd een driekilometerzone ingesteld, omliggende bedrijven werden gecontroleerd en bleken negatief. Kosovo voerde daarnaast landelijke maatregelen in, waaronder een verbod op transport en verkoop van schapen en geiten, directe lokale begraving van besmette dieren, een strikte meldplicht bij verdenking en tijdelijke opschorting van import van schapen en geiten uit Albanië. De oorsprong van de uitbraken in Albanië is onbekend.

Op basis van de meldingen over 2025 lijkt de situatie in Hongarije, Bulgarije, Griekenland en Roemenië momenteel relatief stabiel en zijn in meerdere gebieden zones opgeheven, terwijl grens- en risicogebieden onder verhoogd toezicht blijven en surveillance- en preventiemaatregelen van kracht blijven om herintroductie vroeg te detecteren. De nieuwe uitbraken in Albanië en Kosovo laten tegelijk zien dat PPR in delen van Zuidoost-Europa een actueel risico blijft en dat snelle detectie, strikte verplaatsingsbeperkingen en internationale afstemming essentieel zijn.

Peste des petits ruminants is een virusinfectie veroorzaakt door een morbillivirus. Bij introductie in een naïeve populatie kan de ziekte gepaard gaan met hoge morbiditeit en mortaliteit. Elke verdenking van PPR dient direct bij de NVWA te worden gemeld.

8. Pilotonderzoeken

Indien een signaal dat uit de informatie wordt opgevangen, getoetst of uitgewerkt dient te worden, wordt in een beperkt aantal gevallen kleinschalig onderzoek opgezet in de vorm van pilots. In 2025 is een tweetal pilotonderzoeken uitgewerkt gericht op luchtwegproblemen bij lammeren en Chlamydia abortus bij schapen en geiten.

Pilot luchtwegproblemen bij jonge lammeren

In 2025 is binnen de Monitoring Diergezondheid Kleine Herkauwers een pilot uitgevoerd naar luchtwegproblemen bij lammeren, met als doel meer inzicht te krijgen in mycoplasma’s en virale agentia naast de bekende bacteriële verwekkers. Voor de studie zijn tussen januari en mei 2025 in totaal 41 lammeren onderzocht die waren ingestuurd voor pathologisch onderzoek vanwege luchtwegproblematiek, waaronder tien schapenlammeren en 31 geitenlammeren. Van afwijkend longweefsel werd naast regulier bacteriologisch onderzoek en mycoplasmakweek ook met nanopore sequencing (PathoSense) breed gescreend op bacteriële en virale nucleïnezuren. Daarnaast zijn in oktober 2025 tien controlelongen van geitenlammeren uit het slachthuis onderzocht, zonder macro- of microscopische aanwijzingen voor ontsteking.

De bevindingen bevestigen dat bacteriële verwekkers in deze casuïstiek domineren. Mannheimia haemolytica werd frequent aangetoond bij zowel schapen- als geitenlammeren, middels kweek in circa 70% van de schapenlammeren en 61% van de geitenlammeren. Met sequencing werd M. haemolytica eveneens regelmatig gevonden. Opvallend was de hoge detectiefrequentie van Mycoplasma ovipneumoniae middels sequencing. Bij geitenlammeren bleek deze middels deze techniek in 90% van de gevallen positief, terwijl de mycoplasmakweek slechts sporadisch positief was. In de negatieve controles werd M. ovipneumoniae met sequencing ook bij drie van de tien longen aangetoond, ondanks het ontbreken van aanwijzingen voor ontsteking en een negatieve mycoplasmakweek. Dit ondersteunt de interpretatie dat M. ovipneumoniae in een deel van de gevallen kan optreden als koloniserende en/of faciliterende kiem binnen een multifactorieel luchtwegcomplex, en dat het aantonen van nucleïnezuren niet automatisch een causale rol in relatie tot luchtwegproblemen betekent. Voor de interpretatie blijft de koppeling aan pathologische bevindingen essentieel.

Virale verwekkers werden in deze pilot weinig gevonden. Bij geitenlammeren ging het om zes dieren en bij schapenlammeren werd een virus eenmaal aangetoond. Dit suggereert dat virussen in deze geselecteerde casuïstiek geen dominante rol speelden, al kan een faciliterende rol niet worden uitgesloten. Nieuwe technieken zoals nanopore sequencing zijn waardevol voor het in beeld brengen van moeilijk kweekbare verwekkers, echter de interpretatie kan complex zijn en vervolgonderzoek is gewenst met grotere, representatievere populaties, kwantificerende methoden zoals qPCR en systematische koppeling aan (histo)pathologische scores om kolonisatie beter te kunnen onderscheiden van klinisch relevante infecties.

Pilot Chlamydia abortus

In 2025 is binnen de Monitoring Diergezondheid Kleine Herkauwers een risicogebaseerde pilot uitgevoerd om meer inzicht te krijgen in het voorkomen van Chlamydia abortus bij schapen en geiten in Nederland. Hiervoor zijn 263 bedrijven benaderd die in de drie voorgaande jaren abortusdiagnostiek hadden laten uitvoeren. In het vroege voorjaar ontvingen zij een pakket met tien swabs en een korte vragenlijst. Houders namen binnen twee weken na aflammeren vaginale swabs af bij een risicogebaseerde steekproef van dieren. De swabs zijn per bedrijf gepoold

onderzocht op basis van PCR. Daarnaast is passend placentamateriaal uit eerdere abortusinzendingen teruggezocht. PCR positieve monsters zijn doorgestuurd naar het WBVR voor nadere typering. Binnen de pilot zijn 72 inzendingen ontvangen, hoofdzakelijk van schapenbedrijven. Vijf inzendingen bleken positief voor Chlamydia abortus. De pilot bevestigt dat C. abortus een relevante oorzaak van abortus blijft. Tegelijk geeft het een eerste indicatie van het voorkomen in de onderzochte groep bedrijven. De incidentie van abortus door C. abortus lijkt lager te zijn dan in enkele omliggende landen.

Voor de genetische achtergrond is door WBVR geprobeerd Chlamydia spp. te kweken en te typeren. Kweek vanaf swabs bleek in de praktijk niet haalbaar onder de gebruikte bewaarcondities. Typering lukte wel op PCR positieve placentamonsters. De gesequencete isolaten pasten binnen de clade van C. abortus. In de beperkte set succesvol onderzochte isolaten was de genetische variatie klein. Dit kan de meerwaarde van genomische data voor brononderzoek beperken indien dit beeld met meer data wordt bevestigd.

De pilot onderstreept dat betrouwbare diagnostiek en passende monstername cruciaal zijn. De bacterie is vaak alleen aantoonbaar in een korte periode rond abortus of partus. Voor toekomstig brononderzoek is het advies om geschikte placentamonsters te blijven verzamelen en te analyseren. Ook wordt geadviseerd om te onderzoeken of andere, gemakkelijker verkrijgbare monstertypen geschikt gemaakt kunnen worden voor genoomanalyse.

Bijlage I

Aantallen secties, bedrijfsbezoeken en telefoongesprekken

Tabel I.1 Aantallen secties, telefoongesprekken en bedrijfsbezoeken.

Figuur I.1 Aantallen secties, telefoongesprekken en bedrijfsbezoeken in de periode 2016-2025.

Bijlage II

Achterliggende gegevens pathologie

Tabel II.1 Overzicht hoofddiagnoses bij het schaap in 2025 per orgaansysteem en leeftijdscategorie

Leeftijdscategorie

Overzicht hoofddiagnoses bij schapen 2025

Longen en luchtwegen

Leeftijdscategorie

Overzicht hoofddiagnoses bij schapen 2025

Urinewegen en geslachtapparaat

Overige infectieuze aandoeningen

Vervolg tabel

Overzicht hoofddiagnoses bij schapen 2025

Vervolg tabel

Tabel II.2 Overzicht van hoofddiagnoses bij de geit in 2025 per orgaansysteem en leeftijdscategorie

Leeftijdscategorie

Overzicht hoofddiagnoses bij geit 2025

Longen en luchtwegen longontsteking

Overzicht hoofddiagnoses bij geit 2025 Leeftijdscategorie

en geslachtapparaat

Vervolg tabel

Leeftijdscategorie

Overzicht hoofddiagnoses bij geit 2025

Geen diagnose

Abortus en doodgeboorte

Vervolg tabel

Bijlage III

Gevoeligheidspatronen

Achterliggende gegevens ongevoeligheden voor antibiotica bij hoofdstuk 6

In tabel III.1en III.2 staan de gevoeligheidspatronen van de meest gekweekte bacteriën in 2025. De resultaten weergegeven voor 2008 t/m 2016 zijn uitsluitend van isolaten afkomstig uit sectiemateriaal en voor 2017 t/m 2025 van isolaten uit zowel sectiemateriaal als niet-sectiemateriaal. De per kiem weergegeven antibiotica zijn zoveel mogelijk gebaseerd op het Formularium Schapen en het Formularium Geiten van de KNMvD; deels betreft het de geteste antibiotica, deels antibiotica waarvan bekend is dat deze kruisresistentie vertonen met het geteste antibioticum. Percentage intermediair-gevoelige isolaten is toegevoegd tussen haakjes vanaf 5 procent. Het is belangrijk te beseffen dat de onderzochte isolaten afkomstig zijn van dieren die gestorven/geëuthanaseerd zijn (isolaten uit sectiemateriaal) of klinisch ziek waren (isolaten uit niet-sectiemateriaal) en dat daardoor de weergegeven resistentiepercentages niet noodzakelijk representatief zijn voor de gehele Nederlandse schapen- en geitenhouderij.

Tabel III.1 Percentage antibioticumresistente bacteriën gekweekt uit sectiemateriaal en niet-sectiemateriaal, 2008 t/m 2025. Voor 2008 t/m 2016 betreft het uitsluitend isolaten uit sectiemateriaal van schapen. Voor 2016 t/m 2024 is tussen haakjes het % intermediair-gevoelige isolaten toegevoegd, mits ≥5%. (bron: GD-LIMS)

Schaap

Bacterie

species

Listeria species

multocida

Bibersteinia trehalosi

Tabel III.2 Percentage antibioticumresistente bacteriën gekweekt uit sectiemateriaal en niet-sectiemateriaal, 2008 t/m 2024. Voor 2008 t/m 2016 betreft het uitsluitend isolaten uit sectiemateriaal van geiten. Voor 2016 t/m 2024 is tussen haakjes het % intermediair-gevoelige isolaten toegevoegd, mits ≥5%. (bron: GD-LIMS)

Geit

coli

Listeria species

Mannheimia haemolytica

multocida

trehalosi

Salmonella species

Bijlage IV

Achterliggende gegevens GD ­Veekijker Kleine Herkauwers

Tabel IV.1 Percentage ‘Veekijker’ vragen en redenen voor bedrijfsbezoeken in de categorie “specifieke ziekte”

Vervolg tabel

‘Veekijker’-vragen in 2025 in de categorie "specifieke ziekte"

Figuur IV.1. Percentage

Tabel IV.2 Percentage ‘Veekijker’ vragen en redenen voor bedrijfsbezoeken in de categorie “problemen/klachten”

Figuur IV.2. Percentage ‘Veekijker’-vragen in 2025 in de categorie "problemen/klachten"

Bijlage V

Wet­ en regelgeving

Met ingang van 21 april 2021 valt het voorkomen en bestrijden van dierziekten onder de Europese diergezondheidsverordening (Animal Health Regulation AHR), waarin staat welke dierziekten lidstaten moeten bestrijden. Hiermee is getracht de benadering tot dierziekten in alle lidstaten van de Europese Unie zoveel mogelijk gelijk te trekken. Naast de Europese verordening is ook Nationale wetgeving van kracht. Het Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit (LVVN) heeft hierin, aanvullend op de Europese Diergezondheidsverordening, dierziekten en diersoorten opgenomen die meldingsplichtig zijn.

Samenvattend staan hieronder de belangrijkste verordeningen en regelingen met betrekking tot dierziekten weergegeven. Meer informatie is te vinden op https://www.nvwa.nl/onderwerpen/dierziekten/lijst-aangifteplichtige-dierziekten

- Lijst met dierziekten op basis van de Europese Diergezondheidsverordening (Uitvoeringsverordening (EU) 2018/1882), onderverdeeld in categorie A tot en met E.

- Lijst met dierziekten op basis van de Regeling diergezondheid (artikel 2.1.a t/m 2.1.c).

- Lijst met zoönosen (ziekten die van dieren op mensen kunnen worden overgedragen) op basis van de Regeling diergezondheid (artikel 2.2)

- Lijst met zoönosen (ziekten die van dieren op mensen kunnen worden overgedragen) op basis van de Regeling houders van dieren (artikel 3a)

De dierziekten in de Europese Diergezondheidsverordening zijn ingedeeld in de vijf categorieën A, B, C, D en E. Voor alle ziekten uit deze categorieën geldt een meldingsplicht, voor de ziekten uit categorieën A en B geldt daarnaast ook een bestrijdingsplicht.

- Dierziekten van categorie A zijn ziekten die niet in de Europese Unie voorkomen en die lidstaten meteen moeten uitroeien. Bijvoorbeeld mond-en-klauwzeer en varkenspest. Lidstaten moeten deze ziekten snel opsporen, direct bestrijden en besmette bedrijven en de directe omgeving afsluiten.

- Dierziekten van categorie B zijn ziekten die de Europese Unie wil uitroeien. Bijvoorbeeld tuberculose bij koeien, stieren en buffels. Lidstaten moeten deze ziekten daarom verplicht bestrijden. Lidstaten waar de ziekte niet voorkomt moeten maatregelen nemen om vrij te blijven van de ziekte.

- Dierziekten van categorie C zijn ziekten die minder besmettelijk zijn en die de Europese Unie wil indammen. Bijvoorbeeld de ziekte van Aujeszky bij varkens en koeiengriep bij runderen. Lidstaten bepalen zelf of ze de ziekte willen uitroeien en of ze bij een uitbraak bedrijven afsluiten om verdere verspreiding te voorkomen.

- Dierziekten van categorie D zijn dierziekten die zich via internationale handelaren, vervoerders of reizigers verspreiden en die de Europese Unie wil indammen. Bijvoorbeeld abortus blauw bij varkens en verkoudheid (mycoplasma) bij kippen. Landen moeten voldoen aan Europese regels voor vervoer van en naar de EU en erbinnen.

- Dierziekten van categorie E zijn dierziekten die in de gaten gehouden moeten worden. Bijvoorbeeld Coxiella burnetii infecties bij kleine herkauwers en paratuberculose bij runderen. Lidstaten moeten zich houden aan Europese regels om deze ziekten te melden.

Colofon

Redactie Jaarrapportage Monitoring Diergezondheid Kleine Herkauwers: Carlijn ter Bogt-Kappert, René van den Brom (eindredactie), Reinie Dijkman, Eveline Dijkstra, Annet Heuvelink, Karianne Peterson, Nienke Snijders-van de Burgwal.

GD Veekijker Kleine Herkauwers

Marianne Aalberts

René van den Brom

Reinie Dijkman

Eveline Dijkstra

Deborah van Doorn

Erik van Engelen

Liesbeth Harkema

Deon van der Merwe

Karianne Peterson

Nienke Snijders-van de Burgwal

Mark van der Heijden (ULP)

Begeleidingscommissie Monitoring Diergezondheid Kleine Herkauwers

Fokko Aldershoff (LVVN)

René van den Brom (GD)

Eveline Dijkstra (GD)

Kostijn van Ginkel (LTO)

Wil Jansen (Platform KSG)

Niels van Middelkoop (LTO)

Marcel Spierenburg (NVWA)

Annie de Veer (onafhankelijk voorzitter)

Royal GD Arnsbergstraat 7

Postbus 9, 7400 AA Deventer

T. 088 20 25 500

info@gddiergezondheid.nl www.gddiergezondheid.nl

GD3594/05-26

Turn static files into dynamic content formats.

Create a flipbook