


![]()





Uitgave:
GD - Jaarrapportage 2025
Telefoon 088 20 25 500 info@gddiergezondheid.nl www.gddiergezondheid.nl
Ontwerp: Onis creatieve communicatie
Opmaak: Drukkerij Ovimex
De resultaten in deze publicatie mogen niet zonder schriftelijke toestemming van de auteurs of de leden van de Begeleidingscommissie Monitoring
Diergezondheid Pluimvee verwerkt of gebruikt worden (bijvoorbeeld in wetenschappelijk onderzoek) tenzij sprake is van citatie. Op citaties is auteursrecht van toepassing.

4.1
5.4
5.5
5.6




Voor u ligt de jaarrapportage ‘Monitoring Diergezondheid Pluimvee’ van 2025. Royal GD vervult een centrale rol in de monitoring van de gezondheid van pluimvee in Nederland. Deze monitoring is ingericht om de sector en de overheid te voorzien van relevante informatie over diergezondheid, zoönosen en voedselveiligheid. De Europese Unie (EU) bepaalt voor een belangrijk deel wat lidstaten minimaal moeten doen om dierziekten te voorkomen en te bestrijden.
De Europese regels zijn vastgelegd in de Verordening (EU) 2016/429, hierna de Animal Health Law (AHL) genoemd. Deze verordening werd op 21 april 2021 van toepassing. De AHL schrijft voor dat de bevoegde autoriteit bewaking verricht voor het opsporen van de aanwezigheid van de aangewezen ziekten en relevante nieuwe ziekten. Hiervoor dient een systematiek te worden opgezet voor het inwinnen, vergelijken en analyseren van relevante informatie over de ziektesituatie in een lidstaat. Met de basismonitoring van diergezondheid, zoals die op initiatief van het ministerie van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur (LVVN) en de veehouderijsectoren is ingericht, beschikt Nederland al over een goed werkend systeem om aan deze wettelijke eis te voldoen. De basismonitoring wordt sinds 21 april 2021 als wettelijke taak uitgevoerd door GD. De belangen zijn vertaald in onderstaande drie doelstellingen voor de activiteiten binnen de basismonitoring, met de AHL als basis.
• Het opsporen van uitbraken van aangewezen dierziekten die niet endemisch in Nederland voorkomen De diergezondheidsmonitoring biedt een breed vangnet waarmee ook aangewezen ziekten (door de EU of nationaal) worden opgespoord. Meermaals zijn gevallen gevonden van aangewezen ziekten, zoals de uitbraken van blauwtong en meerdere gevallen van aviaire influenza.
• Het opsporen van nog onbekende aandoeningen
Een voorbeeld hiervan is binnen de pluimveegezondheidszorg de opkomst van Enterococcus cecorum bij vleeskuikens, maar ook de ontdekking van een (wereldwijd) nieuwe nefropathogene IB-variant in 2004, IB-D388, die zich allereerst als ziekte uitte bij jonge kuikens en later leidde tot ernstige productieproblemen bij leg- en vermeerderingspluimvee in de vorm van schijnleggers.
• Zicht houden op trends en ontwikkelingen in diergezondheid in Nederland
Het gaat hier ten eerste om het volgen van de ontwikkelingen met betrekking tot aangewezen dierziekten, die in Nederland endemisch voorkomen. Dit is de ‘lijst E-ziekten’ (voor lijst E-ziekten bij vogels, zie hoofdstuk 3). Ten tweede gaat het om het verkrijgen van een ’normaalbeeld’ van diergezondheid, en het signaleren van afwijkingen in trends.
Het ministerie van LVVN en de veehouderijsector, waarbij AVINED optreedt als sectorvertegenwoordiger, zijn de medefinanciers van de monitoring. GD verzamelt alle relevante informatie, interpreteert deze en rapporteert hierover per kwartaal aan de Begeleidingscommissie of per direct als de aard of omvang van de bevinding hierom vraagt. Zo nodig adviseert GD de stakeholders over eventuele vervolgacties.
De informatie waarop de monitoringsrapportage Diergezondheid Pluimvee is gebaseerd wordt gedeeltelijk actief verworven door GD, bijvoorbeeld in de bewaking van AI, de NCD-preventie, Mycoplasma gallisepticum en Salmonella Gallinarum en Salmonella Pullorum. In andere monitoringsonderdelen komen specialisten van GD in actie, nadat veehouders en/of hun dierenartsen GD hebben benaderd met een probleem. Daarnaast levert aanvullend onderzoek, in de vorm van sectie- of laboratoriumonderzoek, een belangrijke bijdrage. De eigen gegevens worden aangevuld met gegevens van derden zoals de NVWA, KIP, WBVR en WOAH/WAHIS*. Ook vervullen pluimveedierenartsen een waardevolle rol: na een bedrijfsbezoek dat zij afleggen aan kiptypen, eendtypen of kalkoenen kunnen de dierenartsen koppelbeelden invoeren in de CRA-VMP*-database. Voor alle kiptypen en voor kalkoenen geldt de verplichting dat bedrijfsbezoeken waarbij antibiotica worden verstrekt, geregistreerd moeten worden (CRA). Voor eenden is de vrijwillige registratie opgestart in 2021. Voor andere pluimveediersoorten (zoals kwartels, loopvogels, hobbyvogels) geldt de verplichting niet en bestaat geen mogelijkheid voor vrijwillige registratie.
* NVWA = Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit; KIP = Koppel Informatiesysteem Pluimvee; WBVR = Wageningen Bioveterinary Research; WOAH = World Organisation for Animal Health; WAHIS = World Animal Health Information System; CRA-VMP = Centrale Registratie Antibiotica-Veterinaire Monitoring Pluimvee.


Hoe monitoren we diergezondheid?
GD verwerft de informatie waarop deze rapportage is gebaseerd deels reactief en deels proactief. Via de reactieve monitoringsonderdelen (Veekijker en reactieve pathologie; zie verderop in deze leeswijzer) raadplegen veehouders of hun dierenartsen, adviseurs en stakeholders GD-specialisten voor een diergezondheidsprobleem. Voor juiste interpretatie van de gegevens in deze rapportage is het belangrijk rekening te houden met de wijze waarop deze informatie is verzameld. We benadrukken ten aanzien van de reactieve monitoring dat er geen representatieve steekproef van de veestapel wordt genomen. De systematiek is erop gericht om zoveel mogelijk bijzondere signalen te detecteren. GD ontvangt voor het pathologisch onderzoek (reactieve secties) vrijwel uitsluitend diermateriaal van bedrijven met ziektegerelateerde problemen. Ook de meldingen door practici uit het veld hebben grotendeels betrekking op bedrijven met, in meer of mindere mate, diergezondheidsproblemen. Bedrijven die weinig of geen diergezondheidsproblemen hebben, zijn nauwelijks vertegenwoordigd in de resultaten die voortkomen uit de reactieve monitoring. Deze resultaten geven daarom een goede afspiegeling van de zieke populatie, maar ze kunnen niet rechtstreeks worden vertaald naar de mate van voorkomen in de totale Nederlandse populatie. Proactieve monitoringsinstrumenten zijn bijvoorbeeld verplichte monitoringsprogramma’s of proactieve secties (peildierenartsenproject). Met verplichte monitoringsprogramma’s wordt het voorkomen of het effect van preventieve maatregelen van bepaalde infectieziekten in de pluimveehouderij gemeten. Met proactieve pathologie is het mogelijk om een completer beeld te krijgen van de algemene gezondheidssituatie en de beschermingsstatus ten opzichte van specifieke dierziekten in de Nederlandse pluimveehouderij.
De indeling van de rapportage is gelijk aan de doelstellingen zoals door de stakeholders geformuleerd:
• Het opsporen van uitbraken en de effecten van interventies van aangewezen bestrijdingsplichtige dierziekten en de aanwezigheid van niet-bestrijdingsplichtige, maar wel aangifteplichtige dierziekten (hoofdstuk 4);
• Het opsporen van nog onbekende aandoeningen (hoofdstuk 6);
• Zicht houden op trends en ontwikkelingen in de diergezondheid in Nederland (hoofdstuk 5).
Bij de bevindingen staat onder andere of overheid en bedrijfsleven al voor het uitkomen van deze rapportage zijn geïnformeerd, hoe de bevindingen worden geïnterpreteerd en hoe met opvallende bevindingen is omgegaan. Voor een beknopt overzicht en de stand van zaken van de waarnemingen uit de diergezondheidsmonitoring, zie de diergezondheidsbarometer (hoofdstuk 3).
Het is van belang deze rapportage te interpreteren binnen de context die per type bron kan verschillen. Voor deze bronnen van informatie zie bijlage I. Voor vragen over deze rapportage kunt u contact opnemen met GD, telefoonnummer 088 20 25 555.
Reactieve monitoring
Ernstige ziekteuitbraken of ziekte met complexe diagnostiek worden gemonitord door veehouders de mogelijkheid te bieden om tegen een gesubsidieerd tarief pluimvee of ander gevogelte aan te bieden voor uitgebreid sectieonderzoek, dit zijn de zogenaamde reguliere secties. Daarnaast kunnen veehouders, adviseurs, dierenartsen en overige partijen contact opnemen met de Veekijker met vragen waar ze op dat moment tegenaan lopen. In voorkomende gevallen is daarbij tegen een gesubsidieerd tarief een bedrijfsbezoek van een GD-specialist mogelijk. Het initiatief om contact op te nemen of in te zenden ligt bij veehouders, dierenartsen of overige partijen. De reactieve monitoring is bedoeld voor het opsporen van bijzondere, zeldzame of nieuwe aandoeningen.
Proactieve monitoring

De gemiddelde diergezondheidsproblemen waar pluimveedierenartsen mee worden geconfronteerd, zijn vaak niet ernstig genoeg om contact op te nemen met GD. Er zijn andere gereedschappen nodig om deze gezondheidsproblemen te monitoren. Deze monitoring vindt plaats door dierenartsen te vragen hun bedrijfsbezoeken te registreren in CRA en VMP, en door enkele keren per jaar sectiemateriaal van actuele casuïstiek op te vragen bij geselecteerde praktijken (peildierenartsenpraktijken). Ook de georganiseerde monitoringsprogramma’s vallen onder de proactieve monitoring. Het initiatief ligt hier dus bij GD of is sectoraal georganiseerd. Voor een vertaling naar de algemene gezondheidsstatus van de gehele pluimveepopulatie moeten ook deze data voorzichtig geïnterpreteerd worden, omdat geen bevestigingsregistratie plaatsvindt van koppels zonder noemenswaardige gezondheidsproblemen.
Opbouw rapportage:
Hoofdstuk 1 en Hoofdstuk 2 Inleiding en Leeswijzer.
Hoofdstuk 3
In dit hoofdstuk wordt de diergezondheidsbarometer gepresenteerd waarin in één oogopslag de ontwikkelingen kunnen worden beoordeeld.
Hoofdstuk 4
In dit hoofdstuk worden de preventie en de bestrijding van besmettelijke dierziekten volgens de geldende wetgeving en resultaten van de verplichte monitoringsprogramma’s besproken:
• AI
• NCD
• Zoönotische en niet-zoönotische salmonella’s
• Mycoplasma gallisepticum

Hoofdstuk 5
In hoofdstuk 5 worden trends van belangrijke ziekten en aandoeningen bij pluimvee besproken over een periode van drie jaar. In de eerste paragrafen wordt ingegaan op de zoönosen vlekziekte en chlamydia, daarna worden de in de proactieve en reactieve monitoring gevonden aandoeningen per orgaansysteem besproken.
De trends zijn ingedeeld in de volgende diagnosegroepen:
• §5.5: digestie
• §5.6: respiratie
• §5.7: locomotie
• §5.8: eersteweeksproblemen
• §5.9: algemene/overige aandoeningen
Elke diagnosegroep-paragraaf is onderverdeeld in de volgende onderwerpen:
• Hoofdpunten trends
• CRA-VMP-data
• Proactieve secties
• Reactieve secties
• Contacten met de Veekijker Pluimvee
• Nadere bespreking van enkele belangrijke aandoeningen (zie tabel 2.1)
Bij de bespreking van belangrijke pluimveeaandoeningen wordt aandacht besteed aan het voorkomen van ziekten die regelmatig in Nederland voorkomen. Hieronder valt de mate van voorkomen, bijvoorbeeld naar aanleiding van het aantal EWS-meldingen (early warning system) en aanvullende informatie over het voorkomen van bepaalde subtypen. De aandoeningen die standaard in de rapportages zijn opgenomen staan in tabel 2.1.
Tabel 2.1 Indeling nadere bespreking van enkele belangrijke pluimvee-aandoeningen
Nadere bespreking van enkele belangrijke aandoeningen
5.5 Digestie
5.6 Respiratie
5.7 Locomotie 5.8 Eersteweek 5.9 Algemeen/ overig
Histomonosis Coryza Reovirus - Gumboro
Chronische enteritis (CE) en necrotiserende enteritis (NE)
Infectieuze laryngotracheïtis (ILT) Marek
Infectieuze bronchitis (IB)
Mycoplasma synoviae (Ms) Salmonella Gallinarum en S. Pullorum
Pasteurella multocida
Turkey rhinotracheïtis (TRT)
Algemeen/overig = verzameling van aandoeningen die niet goed onder andere diagnosegroepen kunnen worden ondergebracht.
Genoemde huisvestingstypes in de rapportage
In de rapportage wordt het huisvestingstype aangehouden zoals dit bij GD geregistreerd staat. Voor vrije uitloop- en biologische bedrijven hoeft dit niet te betekenen dat de dieren op het moment van de bevinding daadwerkelijk toegang tot de uitloop hadden. Om veterinaire redenen kan de toegang tot de vrije uitloop zijn ontzegd.
In het kader van AI-preventie is sprake geweest van een ophokplicht voor al het pluimvee in de volgende periodes:
• Door de uitbraken van vogelgriep in november 2023 werd per 14 november 2023 een landelijke ophokplicht ingesteld;
• De ophokplicht werd volledig ingetrokken op 24 april 2024;
• Door de nieuwe uitbraak in Putten in november 2024 werd per 20 november 2024 een nieuwe landelijke ophokplicht ingesteld;
• De ophokplicht werd ingetrokken op 28 mei 2025, met uitzondering van de Gelderse Vallei;
• Op 4 juli 2025 werd ook de ophok- en afschermplicht voor pluimvee in de Gelderse Vallei volledig ingetrokken;
• Door de nieuwe uitbraak in Gasselternijveenschemond in oktober 2025 werd per 16 oktober 2025 een nieuwe landelijke ophokplicht ingesteld;
• De ophok- en afschermplicht werd per 21 april 2026 grotendeels ingetrokken. De maatregel, die werd ingesteld op 16 oktober 2025, bleef wel gelden in en rond de Gelderse Vallei;
• De ophokplicht werd volledig ingetrokken op 11 juni 2026.
Voor meest actuele stand van zaken, zie:

• www.rijksoverheid.nl
• De dierziekteviewer: apps.vertigisstudio.com/web/?app=797df27ed8f34bcc81a639a50465c7a7
• Het Dossier Vogelgriep: www.gddiergezondheid.nl/vogelgriep
• Voor periodes met ophokplicht vóór november 2023: zie bijlage II.
In de rapportage worden diverse afkortingen gebruikt voor het type pluimvee en het huisvestingstype. Voor een verdere toelichting, zie bijlage II van de rapportage.
Tabel 2.2 Afkortingen type pluimvee en huisvestingstypen (zie ook bijlage II)
Legsector
OLF opfok-legfok
LF legfok
ELO opfok-legvermeerdering - eendagskuiken
LO opfok-legvermeerdering
LV legvermeerdering
EOL opfok-leghennen - eendagskuiken
OL opfok-leghennen
LL leghennen (niet nader gedefinieerd)
LLK leghennen - kolonie
LLZ leghennen - zonder uitloop
LLV leghennen - vaccin
LLU leghennen - uitloop
LLB leghennen - biologisch
* Kleinschalige commerciële pluimveehouderij:
Vleessector
OSF opfok-vleesfok
SF vleesfok
ESO opfok-vleesvermeerdering - eendagskuiken
SO opfok-vleesvermeerdering
SV vleesvermeerdering
ESS vleeskuikens - eendagskuiken
SS vleeskuikens (niet nader gedefinieerd)
SSS vleeskuikens - scharrel
SSV vleeskuikens - volwaard
SSU vleeskuikens - uitloop
SSB vleeskuikens - biologisch
Kalkoenen
KF kalkoenfok
KO opfok-kalkoenvermeerdering
KV kalkoenvermeerdering
KS vleeskalkoenen
Eenden
EO opfok-eendvermeerdering
EV eendvermeerdering
ES vleeseenden
Overig
SPF specific pathogen free
KCH* kleine commerciële houderij (<250 stuks pluimvee)
HOV** hobbypluimveesector/ niet-commercieel gevogelte
Houders van <250 stuks pluimvee met als doel commerciële afzet van eieren en/of vlees voor humane consumptie (inclusief de fokkerij van dieren voor dit doel).
** Hobbypluimveesector/niet-commercieel gevogelte
Houders van pluimvee/ander gevogelte met als doel het houden van de dieren voor de hobby en/of tentoonstellingen (inclusief fokkerij van dieren voor dit doel) en waarbij geen producten afgezet worden aan derden voor consumptie.

De diergezondheidsbarometer (zie tabel 3.1) wordt ingevuld per ziekte op basis van de beschikbare data uit de GD-sectiezaal en GD-laboratoriumuitslagen, de EWS-lijst, contacten met de Veekijker Pluimvee en de kennis van de aandachtsveldhouder bij GD. Tevens worden voor bepaalde ziekten externe gegevensbronnen als de WOAH, Rijksoverheid, NVWA en WBVR geraadpleegd.
Op basis van de AHR worden in Uitvoeringsverordening (EU) 2018/1882 van de commissie van 3 december 2018 dierziekten gecategoriseerd en ingedeeld in A-, B-, C-, D- en E-ziekten. Deze categorisering is als volgt:
A. Dierziekten die gewoonlijk niet in de Unie voorkomen en bestreden moeten worden.
B. Dierziekten die moeten worden bestreden met als doel ze (op termijn) in de gehele Unie uit te roeien.
C. Dierziekten die relevant zijn voor sommige lidstaten en waarvoor maatregelen nodig zijn om te voorkomen dat zij zich verspreiden naar andere delen van de Unie die officieel ziektevrij zijn of waarin een uitroeiingsprogramma voor de dierziekte loopt.
D. Dierziekten waarvoor maatregelen nodig zijn om te voorkomen dat zij zich verspreiden bij binnenkomst in de Unie of door verplaatsingen tussen de lidstaten.
E. Dierziekten waarvoor bewaking nodig is binnen de Unie.
Tabel 3.1 Diergezondheidsbarometer Pluimvee (2025) (commercieel pluimvee op bedrijfsniveau en niet-commercieel gevogelte)
Ziekte/aandoening/ gezondheidskenmerk
Korte omschrijving (aantallen op bedrijfsniveau)
1e kw. 2025 2e kw. 2025 3e kw. 2025 4
Uitvoeringsverordening (EU) 2018 /1882 van Animal Health Law (AHL) (EU) 2016 /429 (Categorie A-ziekte)
Aviaire influenza (AI) in Nederland (H5/H7) (Bron: GD, WBVR, Rijksoverheid)
NCD in Nederland (Bron: GD, WOAH)
Hoogpathogene AI (H5/H7)*: (zie 4.1.2.3)
* Bij commercieel gevogelte en bij houders van niet-commercieel gevogelte met >50 vogels.
gevogelte (>50)
Serologische monitoring GD: (eerste detectie in koppel) (zie §4.1.2.1) (antistoffen tegen H5/H7) Aantal bedrijven
Commercieel pluimvee: (zie 4.1.3.6)
Uitvoeringsverordening (EU) 2018 /1882 van Animal Health Law (AHL) (EU) 2016 /429 (Categorie B t/m E)
Aviaire influenza (AI) in Nederland (H5/H7) (Bron: GD, WBVR, Rijksoverheid)
Laagpathogene AI (H5/H7): (eerste detectie in koppel) (zie 4.1.2.3)
Aantal bedrijven
(over 2 jaar)

Vervolg tabel
Ziekte/aandoening/ gezondheidskenmerk
Korte omschrijving (aantallen op bedrijfsniveau)
Aviaire mycoplasmose (Bron: GD)
Mycoplasma gallisepticumA Serologische monitoring GD: (zie §4.2.2)
Reproductiesector:
Opfok-leghennen (ongevaccineerd):
Leghennen: - niet gevaccineerd en besmet: - gevaccineerd en besmet:
Kalkoenen:
Meldingen in EWS C op basis van positieve serologie en/of vrijwillig PCR-onderzoek: (zie §4.2.2)
Reproductiesector:
Leghennen:
Kalkoenen: Niet-commercieel gevogelte:
M. meleagridis (Bron:GD)
Salmonellose (niet-zoönotische salmonella) (Bron: GD)
Salmonella arizonae (zie §4.2.1)
Salmonella Gallinarum (SG) (zie §4.2.1) Commercieel pluimvee: Niet-commercieel gevogelte:
Salmonella Pullorum (SP) (zie §4.2.1) Commercieel pluimvee: Niet-commercieel gevogelte:
Westnijlkoorts Wordt niet gemonitord E
Artikel 2.1 Aanwijzing dierziekten ‘Regeling diergezondheid’ van Wet dieren
Aviaire chlamydiose (Bron: GD)
Vastgesteld bij GD: (zie §5.1.3) Commercieel pluimvee: Niet-commercieel gevogelte:
Aantal bedrijven/casussen
Vervolg tabel

Ziekte/aandoening/ gezondheidskenmerk
Korte omschrijving (aantallen op bedrijfsniveau)
Artikel 2.2. Aanwijzing zoonosen ‘Regeling diergezondheid’ van Wet dieren
Salmonellose (zoönotische salmonella) (op koppelniveau) (zie §4.2.1) (Bron: NVWA)
Salmonella
Enteritidis
Salmonella Typhimurium
Overige salmonella’s (S. Hadar, S. Infantis, S. Java, S. Virchow)
Reproductie:
Opfok-leghennen: Leghennen:
Reproductie:
Opfok-leghennen: Leghennen:
Reproductie:
Overige WOAH-lijst-aangifteplichtige pluimveeziekten in Nederland
Eendenhepatitis (Bron: GD)
Gumboro (IBD) (Bron: GD; EWS)
Infectieuze bronchitis (IB) (Bron: GD)
Infectieuze laryngotracheïtis (ILT) (Bron: GD; EWS)
Vastgesteld bij GD:
Meldingen in EWS C : (zie §5.9.9.1)
Vleeskuikens:
Opfok-leghennen:
Meest aangetoonde types bij GD: (zie §5.6.6.4)
Vleeskuikens: Leghennen:
Meldingen in EWS C : (zie §5.6.6.2)
Reproductiesector-leg (incl. opfok):
Opfok-leghennen:
Leghennen:
Reproductiesector-vlees (incl. opfok): Vleeskuikens: Niet-commercieel gevogelte:
Mycoplasma synoviae B (Bron: GD)
Serologische monitoring en/of dPCR GD: (zie §5.6.6.3)
Opfok-vleesfok: Vleesfok:
Opfok-vleesvermeerdering:
Vleesvermeerdering:
Opfok-legfok:
Legfok:
Opfok-legvermeerdering
Legvermeerdering:
Opfok-leghennen:
Leghennen: Kalkoenen:
Aantal koppels

Ziekte/aandoening/ gezondheidskenmerk
Turkey rhinotracheïtis (TRT) (Bron: GD)
Overige pluimveeziekten
Avibacterium paragallinarum (Bron: GD; EWS)
Histomonosis (Bron: GD)
Pasteurella multocida (Bron: GD)
Vlekziekte (Erysipelothrix rhusiopathiae) (Bron: GD)
Korte omschrijving (aantallen op bedrijfsniveau)
Vastgesteld bij GD: (zie §5.6.6.6)
Reproductiesector-vlees (incl. opfok):
Reproductiesector-leg (incl. opfok):
Vleeskuikens:
Opfok-leghennen:
Leghennen:
Vleeskalkoenen:
Niet-commercieel gevogelte:
Meldingen in EWS C : (zie §5.6.6.1)
Leghennen: Niet-commercieel gevogelte:
Vastgesteld bij GD: (zie §5.5.6.1)
Reproductie (vleessector):
Reproductie (legsector):
Opfok-leghennen:
Leghennen:
Vleeskalkoenen: Niet-commercieel gevogelte:
Aangetoond bij sectie: (zie §5.6.6.5)
Vleesvermeerdering:
Leghennen: Eenden:
Vastgesteld bij GD: (zie 5.1.4)
Leghennen: Aantal bedrijvend 2
* Categorie A-, B- en C-ziekten zijn ook aangewezen als D-ziekten en alle ziekten zijn aangewezen als E-ziekten.
A Gebaseerd op serologische monitoring
B Gebaseerd op serologische monitoring en/of de differentiërende Ms-PCR
C Early warning system: het betreft vrijwillige meldingen bij GD. Het betreft dus geen overzicht van alle uitbraken.
Ç Stijging of sterke stijging Ç Geringe stijging
- Situatie onveranderd
È Geringe daling
È Daling of sterke daling

4 De preventie en de bestrijding van besmettelijke dierziekten volgens de Wet dieren en verplichte monitoringsprogramma’s
In artikel 5 van de Diergezondheidsverordening (EU) 2016/429 zijn een aantal besmettelijke dierziekten aangewezen als een ziekte waarvoor ziektespecifieke voorschriften van preventie en bestrijding van toepassing zijn. Onder artikel 5 lid 1a is hoogpathogene aviaire influenza (HPAI, vogelgriep/vogelpest) genoemd. In de in lid 1b genoemde bijlage en EU 2018/1629 zijn voor pluimvee verder nog relevant:
• ziekte van Newcastle (NCD, pseudovogelpest)
• infectie met laagpathogene aviaire influenzavirussen
• aviaire mycoplasmose (Mycoplasma gallisepticum en M. meleagridis)
• infectie met Salmonella Pullorum, S. Gallinarum en S. arizonae
Daarnaast bestaan Europese regels voor de bestrijding van salmonellose (zoönotische salmonella), met als basis de Verordening (EG) N2160/2003
Voor meer informatie: zie bijlage VII tot en met XI van de jaarrapportages.
4.1 Verplichte monitoringsprogramma’s bestrijdingsplichtige ziekten bij pluimvee (AI en NCD)
4.1.1 Bezoeken NVWA-specialistenteams wegens een verdenking van AI of NCD In 2025 werden in het kader van AI-verdenkingen bij commercieel pluimvee zestig bedrijfsbezoeken afgelegd door een NVWA-specialistenteam (zie figuur 4.1). Een specialistenteam bestaat doorgaans uit een NVWAdierziektedeskundige, een GD-pluimveedierenarts en de begeleidend pluimveepracticus van het bedrijf. De NVWA bepaalt per verdenking wie er deelneemt aan het specialistenteam. De keuze kan worden gemaakt dat alleen de dierziektedeskundige van de NVWA het bedrijf bezoekt. Bijvoorbeeld in bepaalde gevallen van positieve serologie zonder uitdrukkelijke aanwezigheid van kliniek in het pluimveekoppel, bij bezoek aan een bedrijf waar eerder influenzavirus bij een aanwezig pluimveekoppel is aangetoond, of bij bezoeken aan houders van niet-commercieel gevogelte. In uitzonderingsgevallen wordt GD ook betrokken bij bezoeken aan houders van niet-commercieel gevogelte. Dit was in november en december drie keer het geval (twee unieke houders) (niet opgenomen in figuur 4.1).
Bij NVWA-specialistenteambezoeken naar aanleiding van een overige reden anders dan verdenking (onder andere screening naar aanleiding van een besmet bedrijf in de omgeving), zijn geen dierenartsen van GD aanwezig. Figuur 4.1 toont NVWA-specialistenteambezoeken aan commercieel pluimvee in het kader van een AI-verdenking.

NVWA-specialistenteambezoeken (commercieel pluimvee)
Commercieel pluimvee:
AI-negatief
Commercieel pluimvee:
AI-positief (H5/H7)
Commercieel pluimvee: AI-positief (geen H5/H7)
Figuur 4.1 Aantal bedrijfsbezoeken door NVWA-specialistenteams pluimvee vanwege AI- en/of NCD-verdenkingen bij commercieel pluimvee (2023-2025) (Bron: GD)
AI-positieve (H5/H7) pluimveebedrijven in 2025
In 2025 werd bij dertig pluimveebedrijven hoogpathogeen aviair influenzavirus (HPAI) aangetoond in de ambtelijke PCR-monsters die werden genomen door een specialistenteam in het kader van een AI-verdenking (zie figuur 4.1 en tabel 4.1).
AI-positief (H5/H7) hobbymatig gehouden gevogelte in 2025
In 2025 werd vogelgriepvirus (H5/H7) aangetoond bij zes houders van hobbymatig gehouden gevogelte (hobbyhouders, kinder- en zorgboerderijen, etc. met meer dan vijftig dieren).
In tabel 4.1 staan details van de bezoeken uit figuur 4.1 die het NVWA-specialistenteam vanwege de meldingen van een AI-verdenking bij commercieel pluimvee in 2025 heeft afgelegd.

Tabel 4.1 Bezoeken NVWA-specialistenteams vanwege een AI-melding bij commercieel pluimvee (2025) (Bron: GD; NVWA)
Bezoek Datum bezoek Diertype* +*** Reden bezoek** Indien PS**, welk type? GD-pluimveedierenarts aanwezig?
1e kwartaal 2025 1 17-01-2025 ES KV
Resultaat PCRonderzoek Locatie indien AI-H5/ H7-positief
I
kwartaal
kwartaal
kwartaal
27-10-2025 Fazanten (commercieel)
opgehokt KV
Gasselternijveenschemond
Toldijk
Emmeloord
Drogeham I
HPAI-H5N1 Klein Zundert

Vervolg tabel
Bezoek Datum bezoek Diertype* +*** Reden bezoek** Indien PS**, welk type? GD-pluimveedierenarts aanwezig? Resultaat PCRonderzoek Locatie indien AI-H5/ H7-positief
4 e kwartaal 2025 (vervolg)
Holwierde
LLBopgehokt KV N.v.t. Ja Negatief -
26-11-2025 LLZ KV N.v.t. Ja Negatief -
27-11-2025 SS-REG KV N.v.t. Ja Negatief44 29-11-2025 ES KV N.v.t. Ja Negatief45 30-11-2025 ES KV N.v.t. Ja HPAI-H5N1 Zeewolde 46 30-11-2025 LLUopgehokt KV N.v.t. Ja Negatief -
01-12-2025 EV KV N.v.t. Ja HPAI-H5N1 Hierden 48 02-12-2025 EV KV N.v.t. Ja
HPAI-H5N1 Nijkerk
49 03-12-2025 SS-TG KV N.v.t. Ja Negatief50 04-12-2025 LLBopgehokt KV N.v.t. Ja HPAI-H5N1 Dalen
Ermelo
08-12-2025 SS-REG KV N.v.t. Ja Negatief -
53 09-12-2025 SS-TG KV N.v.t. Ja HPAI-H5N1 Uitwijk
54 17-12-2025 ES KV N.v.t. Ja Negatief -
55 20-12-2025 KS KV N.v.t. Ja
57 25-12-2025 KS TS/KB N.v.t. Ja
Ysselsteyn I
Veulen
HPAI-H5N1 Ysselsteyn II
58 26-12-2025 LLUopgehokt KV N.v.t. Ja Negatief -
59 27-12-2025 SS-REG KV N.v.t. Ja HPAI-H5N1 Deurne
60 28-12-2025 SS-REG TS N.v.t. Ja
HPAI-H5N1 Ysselsteyn III
* SS-REG = regulier gehouden vleeskuikens; SS-TG = vleeskuikens van een trager groeiend ras. Voor overige afkortingen: zie tabel 2.2.
** KV = klinische verschijnselen; PS = positieve serologie; KB = positief in de kadaverbemonstering; TS = op basis van resultaten in de telefonische screening.
*** Uitlooppluimvee opgehokt wegens ophokplicht.

Let op: in tabel 4.1 en 4.2, en figuur 4.3 wordt het huisvestingstype aangehouden zoals dit bij GD geregistreerd staat. Voor vrije uitloop- en biologische bedrijven hoeft dit niet te betekenen dat de dieren op het moment van de bevinding daadwerkelijk toegang tot de uitloop hadden. Om veterinaire redenen kan de toegang tot de vrije uitloop zijn ontzegd. Zie Leeswijzer of Bijlage II.
In figuur 4.2 staat aangegeven op basis waarvan de NVWA-specialistenteambezoeken werden uitgevoerd in 2023 tot en met 2025 en figuur 4.3 is een overzicht van de betrokken pluimveetypes.
NVWA - specialistenteambezoeken AI/NCD-verdenkingen:
reden van bezoek
0 5 10 15 20 25 30 35 40 45 50 55 60 65
Overig
Melding op basis van positieve AI-uitsluitingsswabs (PCR)
Melding op basis van kliniek/verhoogde uitval
Melding op basis van positieve serologie
Aantal bezoeken Aantal H5/H7positief Aantal bezoeken Aantal H5/H7positief Aantal bezoeken Aantal H5/H7positief 2023 (n=33) 2024 (n=30) 2025 (n=60)
Figuur 4.2 Reden van bezoek NVWA-specialistenteams aan pluimveebedrijven (2023-2025) (Bron: GD; NVWA) n = totaal aantal bezoeken per jaar; overig = kadaverbemonstering en/of telefonische screening
NVWA-specialistenteambezoeken AI/NCD-verdenkingen:
dier-/productietype
0 5 10 15 20 25 30 35 40 45 50 55 60 65
Diverse pluimveetypen
Eenden
Kalkoenen
Vleeskuikens
Leghennen
Opfok-leghennen
(Opfok) reproductie (vlees/leg)
Figuur 4.3 Aantal NVWA-specialistenteambezoeken per dier-/productietype (2023-2025) (Bron: GD) n= totaal aantal bezoeken per jaar.
Resultaten sectie-onderzoek
Per bezoek van het NVWA-specialistenteam is nagegaan of van het betreffende koppel sectie is uitgevoerd bij GD in een periode van drie weken voor of drie weken na het specialistenteambezoek. De resultaten staan in tabel 4.2. In de tabel staat tevens of er bij de sectie uitsluitingsswabs zijn genomen en zo ja, wat hiervan het resultaat was. Bij secties volgend op een specialistenteambezoek worden in principe niet opnieuw uitsluitingsswabs genomen.

Tabel 4.2 Sectiediagnoses bij secties op hetzelfde koppel (op hetzelfde bedrijf) binnen een periode van 3 weken vóór of 3 weken ná het NVWA-specialistenteambezoek aan het bedrijf (2025) (Bron: GD-LIMS)
Bezoek (zie tabel 4.1)
Bezoekdatum Uitslag AI-PCR op swabs A Diertype
1e kwartaal 2025
3 01-022025 Neg ES 04-022025 Uitgebreide ontsteking luchtzakken, tevens bloedvergiftiging door infectie met E. coli
4 05-022025 Neg LLK 06-022025 Bloedvergiftiging door infectie met E. coli, tevens beeld van mycotoxicose, enkel dier met infectie met Raillietina (grote lintworm), tevens infectie met Mycoplasma synoviae
5 14-022025 Neg SS-REG 17-022025 Beeld van infectie met IBH-virus (inclusion body hepatitis), tevens enkel dier met buikvliesontsteking door infectie met E. coli
7 27-022025 Neg LLB (opgehokt) 04-032025 Bloedvergiftiging door infectie met Pasteurella multocida, tevens infectie met Ascaridia (spoelworm) en Heterakis (kleine spoelworm).
8 07-032025 Neg SV 10-032025 Oedeem van de kop, buikvliesontsteking ter plaatse van de eierstok door infectie met E. coli en Gallibacterium anatis Granulomateuze leverontsteking door infectie met E. coli en Gallibacterium anatis
AI-uitsluitings- swabs genomen? C Resultaat D
N.v.t. N.v.t.
N.v.t. N.v.t.
N.v.t. N.v.t.
Ja Neg
Ja Neg
9 11-032025 Neg SS-REG 13-032025 Ontsteking luchtzakken door infectie met E. coli N.v.t. N.v.t.
11 19-032025 Neg ES 20-032025 Ontsteking luchtzakken door infectie met E. coli N.v.t. N.v.t.
12 26-032025 Neg SS-REG 27-032025 Bacteriële chondronecrose en osteomyelitis, hartzakontsteking en leverontsteking door infectie met E. coli. N.v.t. N.v.t.
2e kwartaal 2025
14 02-042025 Neg ES 03-042025 Infectie met Circovirus, tevens rhinitis en luchtpijpontsteking. Op basis van het sectiebeeld in combinatie met de histologische bevindingen en het feit dat er geen respiratoir infectieus agens is aangetoond, kan de rol van irriterende stoffen vanuit de omgeving (zoals bijvoorbeeld ammoniak) niet worden uitgesloten. De gevonden histologische afwijkingen in de luchtwegen zijn vermoedelijk al een aantal dagen voorafgaand aan de inzending ontstaan.
N.v.t. N.v.t.

Bezoek (zie tabel 4.1)
Bezoekdatum Uitslag AI-PCR op swabs A Diertype
2e kwartaal 2025 (vervolg)
15 14-042025 Neg LLU (opgehokt) 16-042025 Bloedvergiftiging door infectie met E. coli, tevens beeld van mycotoxicose met aanwezigheid van IB-virus. N.v.t. N.v.t.
3e kwartaal 2025
16 28-072025 Neg LLZ 15-072025/ 29-072025/ 13-082025
4 e kwartaal 2025
Sectie 1: lymfoom door infectie met Marekvirus.
Sectie 2: enkel dier met beeld van Marekse ziekte, enkel dier met acute nierontsteking waarbij geen oorzaak vastgesteld, aanwezigheid van IB-virus, meerdere dieren met jicht.
Sectie 3: verdacht van tumoren. Nee -
24 8-112025 Neg SS-REG 10-112025 Ernstige ontsteking luchtzakken en ernstige pericarditis door infectie met E. coli, infectie met TRT-virus (turkey rhinotracheïtis) type A, infectie met Marekvirus en IB-QX(D388), tevens beeld van lymfodepletie van bursa Fabricii. N.v.t. N.v.t.
31 17-112025 Neg OL 19-112025 Luchtpijpontsteking door infectie met ILT-virus en met IB-QX(D388).
38 24-112025 Neg ES 06-112025/ 11-112025/ 25-112025
42 26-112025 Neg LLBopgehokt 27-112025
Sectie 1: enkel dier met dooierrestontsteking door infectie met E. coli en infectie met Astrovirus.
Sectie 2: schimmelinfectie in de luchtwegen, oude dooierrestontsteking door infectie met E. coli, infectie met astrovirus en rotavirus.
Sectie 3: bloedvergiftiging door infectie met E. coli, hierbij ontsteking luchtzakken door infectie met schimmel, tevens spiermaagerosie en infectie met Brachyspira pilosicoli
Bloedvergiftiging door infectie met Erysipelothrix rhusiopathiae (vlekziekte), tevens chronische necrotiserende darmontsteking, beeld van Clostridiumsoort.
47 30-112025 Neg LLUopgehokt 10-122025 Gering chronische darmontsteking, infectie met Ascaridia (spoelworm).
61 26-122025 Neg LLUopgehokt
30-122025
Bloedarmoede, verdacht van shock, tevens dieren met bloedvergiftiging door infectie met E. coli.
A Betreft uitslag PCR-onderzoek specialistenteambezoek. Neg = negatief, Pos = positief.
B Sectie op hetzelfde koppel binnen 3 weken voor of na bezoek; onder hetzelfde UBN.
C N.v.t.: sectie volgend op specialistenteambezoek. Uitsluitingsswabs niet nodig.
D Neg = negatief, Pos = positief.
4.1.2 Monitoring aviaire influenza (AI)

In de Regeling houders van dieren, die 21 april 2021 in werking is getreden, zijn nadere verplichtingen en verboden opgenomen die betrekking hebben op hoogpathogene aviaire influenza (HPAI). Onder artikel 3b.3 is hoogpathogene aviaire influenza (HPAI) aangewezen als een ziekte waarvoor het verbod van toepassing is op het toepassen van een (geregistreerd) niet-levende AI-entstof of AI-antiserum. Daarnaast is onder paragraaf 7b.3.1 de monitoring van aviaire influenza nader gespecificeerd. Hier is vermeld dat alle houders bloedonderzoek op de aanwezigheid van antistoffen moeten laten uitvoeren. Van pluimvee in de reproductie-, vleeskuiken-, vleeseenden en legsector moet minimaal één keer per jaar bloed worden ingestuurd, en bij leghennenbedrijven met een vrije uitloop, moet vier keer per jaar bloed worden ingestuurd voor controle op AI-antistoffen. Bij kalkoenen en in de opfoksector moet dit elke productieronde één keer worden uitgevoerd.
Toezicht op naleving en handhaving van de regelgeving is een taak van de NVWA. Met hulp van de gegevens van GD houdt de NVWA toezicht op de naleving van de onderzoeksverplichting op AI. GD herinnert veehouders aan de inzendverplichting in opdracht van het ministerie van LVVN. Dit houdt onder andere in dat GD voorafgaand aan het einde van een kwartaal herinneringsbrieven stuurt naar de bedrijven die moeten voldoen aan de kwartaalbemonstering. De reproductiesector en legbedrijven zonder uitloop ontvangen een herinnering voor de jaarlijkse verplichting. De vleeseenden- en de vleeskuikensector worden op basis van een geografische verdeling verdeeld over het jaar aangestuurd.
4.1.2.1 Verplicht onderzoek AI
Op het bloed dat GD ontvangt in het kader van het verplichte AI-onderzoek, voert GD een AI-ELISA uit. Monsters die niet negatief reageren, worden doorgestuurd naar Wageningen Bioveterinary Research (WBVR) voor confirmatie met de H5/H7-HAR-test. Tabel 4.3 geeft het aantal inzendingen met monsters weer dat is doorgestuurd naar WBVR in de periode 2023 tot en met 2025, en de resultaten betreffende de H5/H7-confirmatie binnen de officiële uitslagperiode van GD.
Tabel 4.3 Aantal doorgestuurde en door WBVR geconfirmeerde (H5/H7-)inzendingen met AI-bloedmonsters (2023-2025) (Bron: GD-LIMS; WBVR)
Periode Aantal inzendingen van GD doorgestuurd naar WBVR
Inzendingen met >30% van de bloedmonsters positief in de ELISA van GD
* Drie bedrijven in twee of meer kwartalen van 2025 serologisch positief.
Positieve uitslag WBVR (H5/H7)
Positieve unieke bedrijven (UBN)

Meer dan 30 procent positief in de AI-ELISA bij GD
Bij meer dan 30 procent niet-negatieve monsters in de serologie bij GD wordt contact opgenomen met de dierenarts en/of de veehouder om na te gaan of er klinische problemen zijn geweest. Daarnaast wordt een melding aan de NVWA gedaan. De NVWA beoordeelt of op basis hiervan een bezoek van een NVWA-specialistenteam aan het betreffende bedrijf moet volgen en zo ja, wie er deelnemen aan het team. Bij een melding kan besloten worden om de HAR-H5/ H7-confirmatietest van WBVR niet af te wachten en direct een bezoek af te leggen aan het bedrijf. Er kan ook gewacht worden tot de uitslag van de HAR-test bekend is. Als de HAR-uitslag aangeeft dat er geen antistoffen tegen H5 en/of H7 zijn aangetoond, dan is een specialistenteambezoek niet noodzakelijk.
HAR-test voor conformatieonderzoek door WBVR
Bij meer dan 30 procent niet-negatief stuurt GD alle monsters van de inzending door naar WBVR ter confirmatie. In 2025 betrof dit 31 inzendingen. Indien minder dan 30 procent van de ingezonden monsters bij GD niet-negatief is in de AI-ELISA, dan stuurt GD alleen de niet-negatieve monsters door naar WBVR ter confirmatie. In 2025 betrof dit niet-negatieve monsters van 170 inzendingen.
GD rapporteert de uitslag van WBVR naar de inzender waarin wordt aangegeven of er antistoffen zijn aangetoond tegen H5 of H7 en zo ja, hoeveel van de ingezonden monsters positief waren. Na deze officiële uitslag voert WBVR nadere typering uit op de serummonsters om te onderzoeken of er sprake is van antistoffen tegen een influenzavirus met een ander H-type. WBVR voegt deze resultaten periodiek toe in een gezamenlijke database van GD en WBVR (let op: zie toelichting in kader bij tabel 4.4). Tabel 4.4 geeft de resultaten weer van alle inzendingen in 2025 waarbij WBVR antistoffen tegen een influenzavirus heeft aangetoond. De tabel toont enkel positieve uitslagen die betrekking hebben op een eerste detectie in het koppel. Indien een bedrijf ook bezocht is door een NVWA-specialistenteam (zie paragraaf 4.1.1) dan geeft tabel 4.4 ook de uitslag van de PCR-test op de monsters genomen bij het bezoek.
Toelichting tabel 4.4:
Het H-type bij de nadere typering wordt bepaald op basis van HAR-onderzoek met verschillende H-types. Het kan hierbij voorkomen dat eerdere individuele reacties in de H5- of H7-HAR (confirmatie-onderzoek) op basis van deze aanvullende diagnostiek aan een ander H-type worden toegewezen. Deze H5/H7-reacties worden op de uitslagen van WBVR en GD wel vermeld, maar niet in de nadere typering, die tevens wordt gebruikt voor het overzicht van meldingen van LPAI in Nederland die GD periodiek deelt met de pluimveepractici.
Tabel 4.4 Overzicht van inzendingen waarin WBVR antistoffen heeft aangetoond in monsters die ter confirmatie door GD zijn ingezonden (1e detectie in koppel) (2025) (Bron: GD/WBVR)
Inzendmaand Bedrijf Pluimveetype H5/H7-HAR WBVR* Nadere typering antistoffen WBVR** NVWA-specialistenteambezoek?
Uitslag via GD Aantal sera positief Nr. bezoek (zie tabel 4.1) Uitslag PCR-test
Januari A LLU Geen H5/H7 n.v.t. HxNx - -
Februari B LLU Geen H5/H7 n.v.t. H9N5 - -
Februari B LLU Geen H5/H7 n.v.t. H9N5 - -
Maart C LLU H7 17 van de 30 H7Nx - -
April A LLU Geen H5/H7 n.v.t. H1N1 15 Negatief
September D LLU Geen H5/H7 n.v.t. H9N5 - -
December E LV Geen H5/H7 n.v.t. HxN4 - -
* Uitslag confirmatie-HAR-onderzoek via GD gerapporteerd naar inzender.
** Uitslag buiten officiële uitslagperiode van GD. Uitslag voor zover bekend binnen rapportageperiode.
Niet getapt voor AI-onderzoek
Tabel 4.5 wordt per kwartaal weergegeven hoeveel leg- en vleeskuikenbedrijven met uitloop geen bloedmonsters hebben aangeboden voor AI-onderzoek. Voor leghennen/vleeskuikens zonder uitloop, de reproductiesector en vleeseenden wordt dit weergegeven op jaarbasis. GD meldt deze bedrijven aan de NVWA. De NVWA beoordeelt vervolgens of de bedrijven een geldige reden hadden voor het niet tappen of te weinig tappen, en of er acties moeten volgen naar aanleiding van deze beoordeling.
Tabel 4.5 Aantal bedrijven dat geen bloedmonsters heeft aangeboden voor AI-onderzoek (2025) (Bron: GD)
bedrijven dat geen bloedmonsters heeft aangeboden voor AI-serologie 2025

Voor afkortingen pluimveetypen: zie tabel 2.2
A LF, SF, LV, SV en EV.
B LLK, LLZ en LLV.
C Leghennen: LLU en LLB; vleeskuikens: SSU en SSB.
D Leghennen/vleeskuikens: vanaf het 3e kwartaal van 2025 hoeven alleen eindlegkoppels met uitloop nog te voldoen aan de kwartaalbemonstering.

4.1.2.2 Early warning system (EWS) - Programma ‘Onderzoek sectiemateriaal op AI’
Inleiding en belang van het early warning-programma
Bij een verdenking van AI moet direct de NVWA worden gewaarschuwd. In klinische gevallen zonder directe verdenking op AI waar ook de meldingsplicht niet van toepassing is, waaronder casussen met verhoogde uitval, zal AI onderdeel uitmaken van de differentiaaldiagnoselijst en moet het worden uitgesloten. Daarnaast is het praktisch niet mogelijk om op basis van het klinische beeld, maar ook niet op basis van het sectiebeeld, een besmetting met laagpathogeen AI-virus vast te stellen. Het is daarom van groot belang dat bij productiedaling en/of verminderde voeropname, onderzoek wordt verricht naar de oorzaak van deze problemen. De mogelijkheid om AI uit te sluiten bij dieren die ziekteproblemen hebben, wordt geboden via het EWS-swab-onderzoek. Dierenartsen kunnen monsters (swabs) nemen van commercieel pluimvee en hobbyvogels en deze op AI laten onderzoeken bij Wageningen
Bioveterinary Research (WBVR). GD maakt uitgebreid gebruik van deze mogelijkheid vanuit het pathologisch onderzoek, omdat zij het belang van een AI-vrije commerciële pluimveepopulatie onderschrijft. Het is van groot belang dat de eerste gevallen van AI, zowel laag- als hoogpathogeen, zo snel mogelijk ontdekt worden, zodat beschermende maatregelen kunnen worden genomen.
AI-uitsluitingsswabs ingezonden door GD en overige partijen
In 2025 heeft GD in het kader van EWS 256 inzendingen met uitsluitingsswabs vanuit secties naar WBVR gestuurd voor AI-screening. WBVR ontving daarnaast van 23 verschillende dierenartsenpraktijken en 2 overige instanties in totaal 117 inzendingen voor het uitsluiten van AI (bron: WBVR). In geen van de inzendingen werd aviaire influenza aangetoond.
AI-EWS-swabs
aantal inzendingen van AIuitsluitingsswabs
Inzendingen GD Inzendingen dierenartsenpraktijken /overige instanties
periode
Figuur 4.4 Aantal inzendingen swabs naar WBVR voor AI-uitsluitingsonderzoek, ingezonden door GD, dierenartsenpraktijken of overige organisaties (2023-2025) (Bron: GD-LIMS; WBVR)
Let op: in tabel 4.6 wordt het huisvestingstype aangehouden zoals dit bij GD geregistreerd staat. Voor vrije uitloop- en biologische bedrijven hoeft dit niet te betekenen dat de dieren op het moment van de bevinding daadwerkelijk toegang tot de uitloop hadden. Om veterinaire redenen kan de toegang tot de vrije uitloop zijn ontzegd. Zie Leeswijzer of Bijlage II.
Tabel 4.6 Herkomst van door GD ingezonden AI-uitsluitingsswabs (2023-2025) (Bron: GD-LIMS)
Diersoort/productietype Aantal inzendingen AI-EWS-swabs door GD naar WBVR

Kleine commerciële houderij (<250 stuks pluimvee)

4.1.2.3 Aviaire influenza in Nederland (aanvullende informatie)
Hoogpathogene vogelgriep (HPAI)
In 2025 werd met PCR-onderzoek bij dertig bedrijven HPAI-H5N1 aangetoond in commercieel gehouden pluimvee, en één keer bij een kleinschalige commerciële pluimveehouder (zie tabel 4.7). HPAI-H5N1 werd zes keer aangetoond met PCR in de hobbypluimveesector/bij niet-commercieel gevogelte (zie tabel 4.8).
Laagpathogene vogelgriep (LPAI)
In 2025 is geen laagpathogeen aviair influenzavirus aangetoond met PCR-onderzoek.
Tabel 4.7 en tabel 4.8 tonen de gevallen van de HPAI-/LPAI-H5/H7-besmettingen bij commercieel pluimvee en niet-commercieel gehouden gevogelte (>50 dieren) in 2025.
Tabel 4.7 Resultaat PCR-onderzoek door WBVR op AI-swabs (commercieel pluimvee) (2025) (Bron: WBVR; GD)
WBVR: positief AI-PCR-onderzoek bij commercieel pluimvee - 2025
Nr. Plaats (in geval van H5/H7) Diertype HPAI/LPAI (in geval van H5/H7) AI-type Aantal dieren Datum
1 Idsegahuizum
2 Idsegahuizum LLU (opgehokt)
3 Putten KS HPAI H5N1 27.000 19-03-2025
4 Gasselternijveenschemond SV HPAI H5N1 71.000 07-10-2025
5 Dodewaard OL HPAI H5N1 161.000 22-10-2025 6 Toldijk
26 Uitwijk SS-TG
Vervolg tabel
10-12-2025
27 Ysselsteyn I KS HPAI H5N1 23.000 21-12-2025
28 Veulen LLZ HPAI H5N1 99.000 24-12-2025
29 Ysselsteyn II KS HPAI H5N1 24.500 26-12-2025
30 Deurne
31 Ysselsteyn III
* Voor afkortingen pluimveetypen, zie tabel 2.2.
27-12-2025
** Kleinschalige commerciële pluimveehouder: houders van <250 stuks pluimvee met als doel commerciële afzet van eieren en/of vlees voor humane consumptie (inclusief de fokkerij van dieren voor dit doel).
Tabel 4.8 Resultaat PCR-onderzoek door WBVR op AI-swabs (houderijen >50 dieren)* (2025) (Bron: WBVR; GD)

WBVR: positief AI-PCR-onderzoek bij houderijen met >50 vogels - 2025
Nr. Plaats (in geval van H5/H7) Diertype HPAI/LPAI (in geval van H5/H7)
1 Hummelo Hobbyhouder met watervogels HPAI H5N1 24-10-2025
2 Steenderen Hobbyhouder met watervogels en kippen HPAI H5N1 31-10-2025
3 Born Vogels in een dierenpark HPAI H5N1 05-11-2025
4 Terhole Hobbyhouder met kippen HPAI H5N1 20-11-2025
5 Nijmegen Kippen op een kinderboerderij HPAI H5N1 26-11-2025
6 Weert Flamingo's en kraanvogels HPAI H5N1 02-12-2025
* Hobbypluimveesector/niet-commercieel gevogelte Houders van pluimvee/ander gevogelte met als doel het houden van de dieren voor de hobby en/of tentoonstellingen (inclusief fokkerij van dieren voor dit doel) en waarbij geen producten afgezet worden aan derden voor consumptie.

Figuur 4.5 toont de locatie van de uitbraken van H5, H7 en overige aviaire influenzatypen in 2025 (influenzavirus of antistoffen tegen influenzavirus aangetoond).
Aantal bedrijven 2025
Geen UBN’s
1-30
30-60
60-90
90-120
120-150
Positieve UBN’s 2025
H5 (n=31)
H7 (n=1)
Overig (n=12)

Figuur 4.5 Locatie van positieve UBN’s met uitbraken van vogelgriepvirus van het type H5, H5N1 (huidige uitbraak), H7 en overige typen (Bron: GD; WBVR)
Een geval werd geteld indien een UBN in een bepaald jaar positief werd voor het betreffende type.

4.1.2.4 Aviaire influenza in Europa
Door vrijwel heel Europa verspreid hebben er in 2025 veel uitbraken met vogelgriepvirus (HPAI-H5N1) plaatsgevonden in commercieel gehouden pluimvee (zie figuur 4.6).

Figuur 4.6 Aantal uitbraken in Europa met HP-H5N1 bij pluimvee gedurende 2025 • = ‘resolved’, • = ‘continuing’ (Bron: WAHIS, geraadpleegd op 16-02-2026)

In het eerste halfjaar van 2025 werden in Nederland in wisselende mate dode wilde vogels positief getest op het vogelgriepvirus. Hoewel in de maanden augustus en september geen dode wilde vogels met vogelgriepvirus werden waargenomen, veranderde dit plots in oktober 2025. In de laatste drie maanden van het jaar werden veel dode wilde vogels met vogelgriepvirus gezien in Nederland (bron: Dutch Wildlife Health Centre). Ook in Europa werd in diverse landen bij (veel) dode wilde vogels vogelgriepvirus aangetoond van met name het type H5N1 en in enkele gevallen van het type H5N5 en H5Nx (zie figuur 4.7).

4.7 Overzicht wilde vogels met vogelgriepvirus waargenomen in 2025 in Europa (Bron: EFSA, ADIS en WOAH)
4.1.3 Monitoring vaccinatie tegen Newcastle Disease (NCD)
In artikel 5.b van de Verordening (EU) 2016/429 is NCD aangewezen als een ziekte waarvoor ziektespecifieke voorschriften van preventie en bestrijding van toepassing zijn. In de Regeling houders van dieren die 21 april 2021 in werking is getreden, zijn onder paragraaf 7b.2.3 ‘Vaccinatie en monitoring Newcastle disease’ de preventieve maatregelen nader gespecificeerd. In de Regeling houders van dieren is vastgelegd dat commercieel pluimvee (kippen en kalkoenen) preventief tegen NCD moet worden gevaccineerd en dat de werking van de vaccinatie middels onderzoek op bloedmonsters moet worden gemonitord. In bijlage 12 van de regeling is aangegeven welke bloedtiter minimaal aanwezig dient te zijn (voor meer informatie: zie bijlage VIII).

Vleeskuikens
Bij vleeskuikens, vanaf een leeftijd van 28 dagen maar die niet ouder worden dan 70 dagen, geldt dat aan de eis wordt voldaan wanneer minimaal één van de onderzochte bloedmonsters een titer hoger dan of gelijk aan 3 heeft (lage titereis). Indien het koppel vleeskuikens ouder wordt dan 70 dagen, geldt vanaf 70 dagen de hoge titereis. Hierbij dient ten minste 83 procent van de dertig bloedmonsters (25 van de 30) een titer te hebben die hoger dan of gelijk is aan 3 (hoge titereis), tenzij het koppel sinds uitkomen met een interval van ten hoogste zes weken door de dierenarts wordt gevaccineerd met levend vaccin via spray of aërosol. In dat geval moet ten minste één monster een titer hebben hoger dan of gelijk aan 3 (lage titereis). Indien bij vleeskuikens bij twee opeenvolgende koppels geen van de onderzochte bloedmonsters een HAR-titer hoger dan of gelijk aan 3 heeft, is de pluimveehouder verplicht een plan van aanpak (PvA) te maken samen met zijn dierenarts en GD (zie toelichting verderop).
(Opfok)leghennen/(opfok)vleesvermeerderingsdieren
Voor opfokleghennen en opfokvleesvermeerderingsdieren geldt vanaf een leeftijd van 70 dagen de hoge titereis, tenzij het koppel sinds uitkomen met een interval van ten hoogste zes weken door de dierenarts wordt gevaccineerd met levend vaccin via spray of aërosol. Indien dit het geval is, geldt de lage titereis tot zes weken na vaccinatie met geïnactiveerd vaccin. Bij leghennen en vleesvermeerderingsdieren die langer dan zes weken geleden zijn gevaccineerd met geïnactiveerd vaccin, geldt de hoge titereis . Indien een koppel leghennen niet aan de titereis voldoet, moet volgens de regelgeving het koppel terstond opnieuw worden gevaccineerd en moet een kopie van de vaccinatieverklaring naar GD worden gestuurd. Binnen vier weken na de nieuwe vaccinatie moet opnieuw een bloedonderzoek worden uitgevoerd.
De gegevens in paragraaf 4.1.3.1 en 4.1.3.5 over de mate van bescherming gemeten middels de HAR-test zijn gebaseerd op de monsters uit de verplichte NCD-monitoring.
4.1.3.1 NCD-bescherming bij vleeskuikens
In 2025 kwam van 4.986 geregistreerde vleeskuikenkoppels bloed binnen, waarbij 324 koppels (6,5%) niet voldeden aan de lage titereis.

Tabel 4.9 Aantal (en %) koppels met onvoldoende NCD-HAR-titer (2023-2025) (Bron: PMP;GD-LIMS)
Periode
Inzendingen geregistreerde koppels
Vleeskuikens
Aantal inzendingen waarbij geen van de onderzochte bloedmonsters een NCD-HAR-titer gelijk aan of hoger dan 3 had
Vleeskuikens: % koppels met onvoldoende NCD-HAR-titer
% koppels
Figuur 4.8 Percentage inzendingen vleeskuikenkoppels waarbij geen van de onderzochte bloedmonsters een NCD-HAR-titer gelijk aan of hoger dan 3 had (2023-2025) (Bron: PMP; GD-LIMS)
4.1.3.2 Plan van aanpak (PvA) en herzien plan van aanpak
In de Regeling houders van dieren is een aanpassing van het plan van aanpak voor vleeskuikenhouders opgenomen (Artikel 7b.37). Indien bij twee opeenvolgende koppels vleeskuikens niet wordt voldaan aan de titereis, moet een plan van aanpak in overleg met een dierenarts en GD worden opgesteld. Het plan van aanpak moet worden uitgevoerd bij ten minste de eerstvolgende zes koppels vleeskuikens die op het bedrijf worden gevaccineerd. Indien uit het onderzoek van de eerstvolgende zes koppels, waarvoor het PvA van toepassing is, blijkt dat de betreffende waarde niet wordt behaald, dan moet het PvA worden herzien in overleg met een dierenarts en GD. GD beoordeelt op basis van de bloeduitslagen van alle vleeskuikenkoppels en de geldende wetgeving hoeveel bedrijven de verplichting hebben om een PvA te maken.

Tabel 4.10 Verplichting plan van aanpak en herzien plan van aanpak NCD-monitoring (2023-2025) (Bron: GD)
Periode
NCD: (herzien) plan van aanpak (PvA)
4.1.3.3 Analyse NCD-HAR-titeruitslagen bij vleeskuikens 2023-2025
Tabel 4.11 Gegevens van de HAR-titer NCD-onderzoeken van vleeskuikens onderzocht in 2023-2025, ingedeeld naar leeftijd van monstername (Bron: PMP;GD-LIMS)
Leeftijd (in dagen)
Vleeskuikens, regulier concept
Vleeskuikens, trager groeiend

% vleeskuikenkoppels met onvoldoende NCD-HAR-titer
(2025)
(2024) Lineair (2023)
Figuur 4.9 Percentage vleeskuikenkoppeluitslagen met onvoldoende NCD-HAR-titer (2023-2025) (Bron: PMP; GD-LIMS)
4.1.3.4 Analyse NCD-HAR-titeruitslagen bij overig pluimvee met lage titereis 2023-2025
Tabel 4.12 Resultaten NCD-HAR-onderzoek bij pluimvee ≤70 dagen met lage titereis en koppels met onvoldoende NCD-HAR-titer (2023-2025) (Bron: PMP; GD-LIMS)
Diertype
* n.v.t.: geen sera onderzocht van betreffende categorie.

Tabel 4.13 Resultaten NCD-HAR-onderzoek bij vleeskalkoenen en koppels met onvoldoende NCD-HAR-titer (2023-2025) (Bron: PMP; GD-LIMS)
Diertype Aantal koppeluitslagen
KS≤70 dagen (lage titereis)
KS>70 dagen (hoge of lage titereis)*
* Bevat ook uitslagen van koppels die aan de lage titereis moesten voldoen, maar die voldaan hebben aan de hoge titereis. Enkel van koppels met een ongunstige uitslag wordt nagegaan of het koppel mag voldoen aan de lage titereis** en of hier vervolgens wel aan is voldaan.
** Dit geldt wanneer het koppel bij monsternamedatum ≤70 dagen was of wanneer volgens het zeswekelijkse vaccinatieschema is geënt.
4.1.3.3 NCD-bescherming bij leghennen
In 2025 kwam van 1.233 geregistreerde leghennenkoppels bloed binnen, waarbij twee koppels niet voldeden aan de hoge titereis (0,2%).
Tabel 4.14 Het aantal koppels leghennen (en percentage) met onvoldoende NCD-HAR-titer (2023-2025) (Bron: PMP; GD-LIMS)
Periode Leghennen
Inzendingen geregistreerde koppels
Aantal inzendingen met <83% van de 30 monsters een NCD-HAR-titer ≥3
1e halfjaar 2023
2e halfjaar 2023
1e halfjaar 2024
2e halfjaar 2024
1e halfjaar 2025 649
2e halfjaar 2025
Leghennen:
% koppels met onvoldoende NCD-HAR-titer

% koppels
periode
Figuur 4.10 Percentage leghennenkoppels met onvoldoende NCD-HAR-titer (2023-2025) (Bron: PMP; GD-LIMS)
Tabel 4.15 Resultaten NCD-HAR-onderzoek bij leghennen per leeftijdscategorie en koppels met onvoldoende NCD-HAR-titer (2023-2025) (Bron: PMP; GD-LIMS)
Diertype Aantal koppeluitslagen Gemiddelde titer Range Aantal koppeluitslagen met onvoldoende titer
Percentage met onvoldoende titer*
* n.v.t.: geen sera onderzocht van betreffende categorie.
Leghennen en vleesvermeerderingsdieren moeten conform de regelgeving vanaf 70 dagen voldoen aan de hoge titereis (tenzij ze met een interval van ten hoogste zes weken worden gevaccineerd door de dierenarts met een levend vaccin via spray of aërosol). Vanaf zes weken na toediening van een geïnactiveerd NCD-vaccin moeten alle koppels voldoen aan de hoge titereis. Deze verplichtingen leiden in de praktijk tot een vaccinatieregime in de opfok dat bij volwassen leghennen en vleesvermeerderingsdieren leidt tot aantoonbare goede titers. Het aantal koppels dat binnen negen weken voor het slachten, in de periode 2023 tot en met 2025, niet aan de titereis voldoet, is slechts zeer beperkt.
Opgemerkt moet worden dat de verplichte monstername op 70 dagen (tenzij ze met een zesweekse interval worden gevaccineerd) niet wordt aangestuurd. Omdat er geen verplichting is om de vaccinatieschema’s te communiceren met de aansturende partij, is deze aansturing niet mogelijk. Er vindt derhalve ook geen controle plaats op de verplichting.
Tabel 4.16 Gedetailleerde gegevens van de HAR-NCD-onderzoeken van dieren ouder dan 70 dagen, met de beschermingseis dat minimaal 83% van de onderzochte monsters een HAR-titer bezit van 3 of hoger (2023-2025) (Bron: PMP; GD-LIMS)
Diertype

4.1.3.6 NCD in Nederland
Binnen de rapportageperiode zijn geen gevallen van NCD gemeld bij commercieel pluimvee.
4.1.3.7 NCD in het buitenland
NCD is endemisch in delen van Centraal- en Zuid-Amerika, Azië, het Midden-Oosten en Afrika. Ook in Europa vinden jaarlijks uitbraken van NCD-virus plaats. Gedurende 2025 hebben er enkele uitbraken bij gehouden vogels plaatsgevonden in Zuid-Oost Europese landen en waren er veel uitbraken bij commercieel en niet-commercieel gehouden pluimvee in Polen (zie figuur 4.11) (bron: WAHIS). Van de uitbraken in Polen en Spanje is bekend dat het verschillende NCD-virussen binnen genotype VII (het meest voorkomende genotype binnen Europa) betreft. Er zijn dus geen aanwijzingen dat de recentere uitbraken in Spanje gerelateerd zijn aan de uitbraken in Polen (bron: mondelinge communicatie).


Figuur 4.11 Overzicht uitbraken van NCD bij commercieel gehouden pluimvee in Europa • = ‘resolved’, • = ‘continuing’ (Bron: WAHIS, geraadpleegd op 18-02-2026)
4.2 Overige verplichte monitoringsprogramma’s: salmonella en mycoplasma
4.2.1 Monitoring salmonella

Sinds 21 april 2021 leunt de monitoring van salmonella met name op Europese wetgeving. De monitoring van de niet-zoönotische salmonellose is vastgelegd in Verordening (EU) 2016/429 en Regeling houders van dieren artikel 7b.23 tot en met 7b.17. De monitoring van de zoönotische salmonella’s is vastgelegd in Verordening (EG) 2160/2003 en de Regeling houders van dieren artikel 7b.40 tot en met 7b.49 (voor meer informatie: zie bijlage IX van de monitoringsjaarrapportages).
4.2.1.1 Niet-zoönotische salmonella
Vermeerderingspluimvee wordt aan het begin van de productieperiode gemonitord op de aanwezigheid van nietzoönotische salmonella te weten S. Gallinarum (SG) en S. Pullorum (SP). De in de regelgeving genoemde monitoring op S. arizonae bij vleesvermeerderingskalkoenen is niet van toepassing, omdat dit pluimveetype in Nederland niet aanwezig is. Het onderzoek voor S. Gallinarum en S. Pullorum wordt uitgevoerd door middel van bloedonderzoek*. Daarnaast moet door middel van bacteriologie in broederijen worden gemonitord voor aanwezigheid van deze salmonella-serotypen in donsmonsters en tweede soort kuikens (waarvan een deel door liggenblijvers mag worden vervangen). Ook kan een verdenking worden uitgesproken naar aanleiding van routinematig of aanvullend onderzoek bij het koppel zelf of bij nakomelingen.
In 2025 werd geen S. Gallinarum aangetoond. Er werd dit jaar twee keer S. Pullorum aangetoond. Eén keer in jonge kuikens van een dierenspecialist die handelt in sier(water)vogels (februari). Eén keer in kuikens (liggenblijvers) en dons van een hobbykippenhouder (maart). Bij deze hobbykippenhouder werd dragerschap aangetoond bij fokdieren en nakomelingen middels serologisch onderzoek (juni). Er is geen relatie gevonden tussen beide gevallen. Voor meer toelichting zie paragraaf 5.9.9.3.
* De in Nederland geregistreerde S. Enteritidis (SE)-vaccins laten een dergelijke monitoring toe, elders in Europa zijn echter SE-vaccins beschikbaar die kunnen interfereren met SG/SP.
4.2.1.2 Zoönotische salmonella
De NVWA verstrekt de resultaten van de zoönotische salmonellamonitoring aan GD. De vermelde gegevens zijn de viercijferige postcode, de status van het bedrijf (positiefverklaring naar aanleiding van de reguliere monstername of officiële monstername, of naar aanleiding van heronderzoek), het pluimveeproductietype, de datum van de reguliere monstername, het stalnummer, de geboortedatum en het salmonellatype. Een bedrijfsidentificatie en de datum van positief-/negatiefverklaring worden niet verstrekt. De gerapporteerde data zijn dus op koppelniveau.
Monstername bij salmonellaverdenking
A. Reguliere monstername
De volgende salmonella-serotypen zijn bestrijdingsplichtig bij de volgende pluimveetypes:
• Bij (opfok)vermeerderingskoppels en vleeskuikens
- Salmonella Enteritidis (SE)
- Salmonella Hadar (SH)
- Salmonella Infantis (SI)
- Salmonella Typhimurium, inclusief monofasische variant (ST)
- Salmonella Virchow (SV)

• Bij (opfok)vermeerderingskoppels vlees en vleeskuikens
- Salmonella Java (SJ)
Bij ‘vermeerderingskoppels vlees’ gaat het om dieren die broedeieren leveren, waar uiteindelijk de vleeskuikens uitkomen.
• Bij (opfok)legpluimvee en vleeskalkoenen
- Salmonella Enteritidis
- Salmonella Typhimurium, inclusief monofasische variant
Bij gerede twijfel kan een heronderzoek worden uitgevoerd.
B. Officiële monstername
Bij een salmonellabevinding op een legbedrijf worden de overige stallen op het bedrijf officieel bemonsterd. Indien de uitslag van dit onderzoek of een eventueel heronderzoek positief was, dan worden deze koppels opgenomen in tabel 4.19. Was de uitslag of het heronderzoek negatief, dan worden ze niet vermeld in deze tabel.
Er worden geen gegevens verstrekt over het uitvoeren van heronderzoeken. Indien koppels salmonella-positief zijn, dan kan dit zijn op basis van de reguliere monstername, de officiële monstername (in het kader van het landelijk monitoringsprogramma of een besmetting op het legbedrijf) of een heronderzoek. Bij koppels die opgenomen zijn in de tabel als zijnde negatief, heeft altijd een heronderzoek plaatsgevonden.
1. Reproductiesector
In 2025 waren zestien reproductiekoppels positief in de reguliere monsters voor salmonella-onderzoek. Twaalf koppels waren positief voor SE, waarvan vier koppels negatief bleken na heronderzoek. Vier koppels waren positief voor ST, waarvan één koppel negatief bleek na heronderzoek.
Tabel 4.17 (Opfok-)reproductiekoppels: resultaat na een positieve uitslag salmonella-onderzoek (reguliere monstername) (2023-2025) (Bron: NVWA)
Periode van reguliere monstername Salmonella-onderzoek (opfok-)reproductiekoppels
Aantal koppels positief in reguliere monstername

* Positief n.a.v. regulier onderzoek of heronderzoek. ** Negatief n.a.v. heronderzoek.
2. Opfok-leghennen
In 2025 waren er twee salmonella-positieve opfok-leghennenkoppels in de reguliere monsters voor salmonellaonderzoek.
Tabel 4.18 Opfoklegkoppels: resultaat na een positieve uitslag salmonella-onderzoek (reguliere monstername) (2023-2025) (Bron: NVWA)
Periode van reguliere monstername
Salmonella-onderzoek opfok-legkoppels
Aantal koppels positief in reguliere monstername
1e kwartaal 2025
2e kwartaal 2025
3e kwartaal 2025
4 e kwartaal 2025
* Positief n.a.v. regulier onderzoek of heronderzoek. ** Negatief n.a.v. heronderzoek.

3. Leghennen (S. Enteritidis/S. Typhimurium)*
a) Verdenking naar aanleiding van reguliere monstername
In 2025 waren 79 leghennenkoppels salmonella-positief in de reguliere monstername; in 74 a gevallen betrof het S. Enteritidis, één keer betrof het S. Typhimurium, de overige koppels waren negatief na heronderzoek.
b) Officiële monstername naar aanleiding van een verdenking
Als een koppel S. Enteritidis of S. Typhimurium-positief verklaard wordt, dan worden andere stallen (’aanpalende’ stallen) op de locatie officieel bemonsterd. Dit gebeurde in 2025 in vijftig stallen. Twintigb van deze koppels werden op basis van de uitslag van de officiële monstername of van een eventueel heronderzoek positief verklaard voor S. Enteritidis. Deze koppels zijn opgenomen in tabel 4.19.
* a) + b) Het totaal aantal SE-positieve koppels komt hiermee op 94 (74+20).
Toelichting tabel 4.19: de tabel bevat de resultaten van de reguliere monstername aangevuld met koppels die positief waren in de officiële monstername naar aanleiding SE- of ST-positief verklaard koppel in een andere stal op het bedrijf.
Tabel 4.19
Leghennen: resultaat na een positieve uitslag salmonella-onderzoek (reguliere monstername of officiële monstername) (2023-2025) (Bron: NVWA)
Periode van reguliere monstername
Salmonella-onderzoek opfok-legkoppels
Aantal koppels positief in reguliere of officiële monstername A
* Positief n.a.v. regulier onderzoek of heronderzoek.
** Negatief n.a.v. verificatie of heronderzoek.
A Officiële monstername: alleen koppels die positief waren na officiële monstername in het kader van een ander positief koppel op het bedrijf (reguliere monstername).
Verhoogd aantal Salmonella Enteritidis-besmettingen in de legsector
Sinds 2023 is het aantal Salmonella Enteritidis (SE)-besmettingen in Nederland verhoogd, zowel bij legpluimvee als bij mensen. Ook in 2025 bleven zich op verhoogd niveau nieuwe besmettingen voordoen, met 94 besmette legkoppels (zie figuur 4.12). De pluimveesector spant zich op diverse manieren in om het aantal besmettingen te verlagen. Het doel is om weer onder de Europese doelstelling van maximaal 2 procent S. Enteritidis-/S. Typhimuriumbesmette legkoppels per kalenderjaar te komen, zoals in het verleden vaak het geval was. Vanwege de verhoogde prevalentie zijn strikte hygiënemaatregelen op het bedrijf en tussen bedrijven essentieel. Denk aan in- én uitdouchen bij het betreden van de stal en aan het informeren van erfbetreders over de salmonella-status van de koppels. Stalbezoekers zouden een afweging moeten maken of bezoek aan een salmonella-positief koppel noodzakelijk is. Om het risico op salmonella-besmettingen te verkleinen, staat bioveiligheid bovenaan; denk onder andere aan ongediertebestrijding, schone eiertrays en veilige voeders.
In opdracht van AVINED wordt aanvullend genetisch onderzoek gedaan naar gevonden salmonella’s. Hieruit moet blijken of er besmettingen zijn met een gemeenschappelijke oorsprong. De resultaten van dit onderzoek worden tussentijds met AVINED gedeeld. Uitgebreide, geüniformeerde vragenlijsten die getroffen veehouders samen met hun dierenarts invullen, gaan extra informatie opleveren in het zoeken naar gemeenschappelijke bronnen tussen bedrijven met dezelfde stam. Daarnaast kan de lijst gebruikt worden om risicofactoren en preventieve maatregelen door te spreken.

Aantal leghennenkoppels SE-besmet-verklaard
Figuur 4.12 Aantal leghennenkoppels besmet-verklaard voor Salmonella Enteritidis (2017-2025) (Bron: NVWA)
Aanvullende informatie over huidige Salmonella Enteritidis-besmettingen in de legsector In totaal zijn 94 koppels legpluimvee besmet verklaard met SE in 2025. De mediaan van de leeftijd bij het constateren van de eerste besmetting bij reguliere monstername of na heronderzoek is 83 weken (range 23-124 weken). De leeftijden van besmet verklaarde koppels vanuit onderzoek voor aanpalende stallen kon hierin niet worden meegenomen wegens ontbreken van de geboortedatum van die koppels. Het zwaartepunt van de besmettingen ligt nog altijd bij de oudere koppels. Voor deelnemers aan IKB Ei is de monsternamefrequentie sinds oktober voor alle categorieën leghennen verhoogd middels een aangepast uitvoeringsbesluit.

Tabel 4.20 geeft een verdeling van het aantal koppels dat SE-besmet is verklaard per houderijsysteem in 2025 ten opzichte van het totaal aantal koppels per houderijsysteem voor dezelfde periode.
Tabel 4.20 Verdeling aantal koppels dat SE-besmet is verklaard per houderijsysteem in 2025 t.o.v. het totaal aantal koppels per houderijsysteem* voor dezelfde periode (Bron: NVWA)
Salmonella-onderzoek leghennenkoppels
Houderijsysteema,b
Totaal aantal koppels* Koppels besmet met Salmonella Enteritidis
* Data ten aanzien van het aantal koppels per houderijsysteem wordt gebaseerd op actueel beschikbare I&R-gegevens na afsluiting van het kwartaal, kleine wijzigingen zijn voorbehouden.
a Met betrekking tot koppels die in 2025 geregistreerd stonden als vrije uitloop, moet vermeld worden dat de ophokplicht voor de meeste legkoppels tot eind mei 2025 van kracht is geweest en voor pluimveebedrijven in de Gelderse Vallei tot begin juli 2025, en vanaf 16 oktober weer werd ingesteld.
b Totaal aantal koppels per houderijsysteem in 2025.
Salmonella Enteritidis bij leghennenkoppels* (2023 t/m 2025)
koppels
Aantal weken leeftijd
Figuur 4.13 Verdeling van de leeftijd in weken waarop het aantal koppels SE-besmet is verklaard* (2023-2025) (Bron: NVWA)
* Aantal koppels waarvan de leeftijd bij GD bekend is. Dit betreft de koppels naar aanleiding van reguliere monstername, niet de besmet-verklaarde aanpalende stallen.
4.2.2 Monitoring Mycoplasma gallisepticum (Mg)
Mycoplasma gallisepticum (Mg) is een kleine, bacterie-achtige ziektekiem die bij legpluimvee en pluimvee in het algemeen ernstige ziekte kan veroorzaken. De ernst van de ziekte is afhankelijk van de leeftijd van de besmette dieren, de kwaadaardigheid van de Mg-stam en het al of niet aanwezig zijn van andere infecties. Mg komt bij kippen en kalkoenen voor en veroorzaakt vooral ontstekingen van het respiratieapparaat en bij oudere dieren ook legproblemen. De schade door een Mg-besmetting in legkoppels kan fors oplopen, met name door een lagere eiproductie en verminderde eikwaliteit.
Monitoring en preventie van Mycoplasma gallisepticum en M. meleagridis voor reproductiedieren vallen onder Regulation (EU), 2019/2035. In artikel 7b.22 ‘Ziektebewakingsprogramma mycoplasma spp. Nederlandse markt’ onder de Regeling houders voor dieren, die 21 april 2021 in werking is getreden, is de monitoring van mycoplasmose (Mycoplasma gallisepticum en Mycoplasma meleagridis) vastgelegd voor vleeskalkoenen en de legsector.

Reproductie
In 2025 waren er geen Mg-verdenkingen bij reproductiekoppels.
Tabel 4.21 Overzicht verificatie-uitslagen Mg-verdachte reproductiebedrijven (2023-2025) (Bron: GD)
Monitoring Mycoplasma gallisepticum in de reproductiesector
Periode Periode Aantal M.g.-verificaties
Opfok-leghennen
Status na verificatie
GD belt bedrijven met positieve serologie om te vragen of het koppel is gevaccineerd. Er kan dan worden bepaald of het een besmetting betreft (niet-gevaccineerd) of dat de positieve uitslag voortkomt uit de vaccinatie. Achttien koppels van vijftien verschillende bedrijven waren in 2025 serologisch positief door vaccinatie. Er werden geen antistoffen tegen Mg aangetoond bij ongevaccineerde opfok-legkoppels (tabel 4.22).

Tabel 4.22 Overzicht van Mg-serologisch positieve opfoklegbedrijven (2023-2025) (Bron: GD)
Monitoring Mycoplasma gallisepticum op bedrijfsniveau 2023-2025
Productietype Periode Aantal unieke bedrijven onderzocht
Niet gevaccineerd Positief door vaccinatie
Leghennen
Niet-gevaccineerd
In 2025 waren er vijf ongevaccineerde koppels van vier verschillende bedrijven serologisch Mg-positief (zie tabel 4.23).
Gevaccineerd
Indien de dieren op een legbedrijf in de opfok zijn gevaccineerd en vervolgens hoge titers in de Mg-serologie hebben, dan wordt ervan uitgegaan dat het koppel naast de vaccinatie ook een veldinfectie heeft doorgemaakt. In 2025 waren twaalf gevaccineerde legkoppels van zeven verschillende bedrijven serologisch Mg-positief (zie tabel 4.23).
Tabel 4.23 Overzicht van Mg-serologisch positieve leghennenbedrijven (2023-2025) (Bron: GD)
Monitoring Mycoplasma gallisepticum 2032-2025
Productietype Periode Aantal unieke bedrijven onderzocht
* Gevaccineerd met hoge titers.
Niet gevaccineerd Gevaccineerd en besmet*

Kalkoenen
In 2025 waren er geen serologisch Mg-positieve kalkoenenkoppels (zie tabel 4.24).
Tabel 4.24 Overzicht van Mg-serologisch positieve kalkoenenbedrijven (2023-2025) (Bron: GD)
Monitoring Mycoplasma gallisepticum 2023-2025
Productietype
Periode Aantal unieke bedrijven onderzocht
gevaccineerd
Barometer, §3.1
In de barometer wordt per kwartaal het aantal besmette bedrijven genoemd. Indien een bedrijf een besmet koppel heeft dat al serologisch positief is bevonden in een eerder kwartaal, dan komt het bedrijf in de barometer niet terug in het betreffende kwartaal.
Early warning system (EWS) voor Mycoplasma gallisepticum
In figuur 4.14 staat het aantal EWS-meldingen van Mg-besmettingen bij commercieel pluimvee en niet-commercieel gevogelte uitgesplitst naar onderzoeksmethode. De meldingen zijn afkomstig uit de Mg-monitoring en meldingen van positieve Mg-PCR afkomstig uit vrijwillig onderzoek bij GD (ingezonden swabs en sectie). Indien een melding voortkomt uit zowel positieve serologie als uit positief PCR-onderzoek, dan komt de melding in de figuur bij ‘PCR’ te staan. In 2025 waren er acht EWS-meldingen voor Mg.
Early warning system: meldingen van Mg-besmettingen in Nederland
Niet-commercieel - PCR
Niet-commercieel - serologie
Kalkoenen - PCR
Kalkoenen - serologie
Leghennen - PCR
Leghennen - serologie
Reproductie - PCR
Reproductie - serologie
periode
Figuur 4.14 Aantal meldingen via het early warning system voor Mg bij commercieel pluimvee en nietcommercieel gevogelte (2023-2025) (Bron: GD-LIMS; EWS) Het betreft vrijwillige meldingen bij GD. Het betreft dus geen overzicht van alle uitbraken.

In figuur 4.15 zijn de EWS-meldingen opgedeeld in de categorieën ‘geen beeld van Mg’, ‘Mg niet uit te sluiten’ en ‘beeld van Mg (zie kader).
Toelichting figuur 4.15:
Beeld van Mg : Positieve Mg-serologie en/of -PCR, beeld passend bij Mg. Mg niet uit te sluiten : Positieve Mg-serologie en of -PCR, echter geen duidelijk Mg-beeld.
Geen beeld van Mg : Positieve Mg-serologie en/of -PCR, maar geen ademhalingsverschijnselen, geen dikke koppen en/of productieproblemen (in geval van eierproducerende dieren).
Let op: bij figuur 4.15 wordt het huisvestingstype aangehouden zoals dit bij GD geregistreerd staat. Voor vrije uitloop- en biologische bedrijven hoeft dit niet te betekenen dat de dieren op het moment van de bevinding daadwerkelijk toegang tot de uitloop hadden. Om veterinaire redenen kan de toegang tot de vrije uitloop zijn ontzegd. Zie Leeswijzer of Bijlage II
Early warning system: gemelde Mg-besmettingen in Nederland
aantal EWSmeldingen
Commercieel pluimvee Niet-commercieel gevogelte
Beeld van Mg bij commercieel pluimvee: [2023: 1x reproductie] [2025: 1x leghennen]
Beeld van Mg Mg niet uit te sluiten Geen beeld van Mg Geen koppelbeeld bekend
Figuur 4.15 Aantal meldingen via het early warning system voor Mg bij commercieel pluimvee (links) en nietcommercieel gevogelte (rechts) (2023-2025) (Bron: GD-LIMS; EWS)
Het betreft vrijwillige meldingen bij GD. Het betreft dus geen overzicht van alle uitbraken.

Een trend of trendlijn is het ‘geschatte’ verloop van een bepaalde ontwikkeling, vaak gebaseerd op historische data. In deze rapportage zijn historische data de aantallen gevallen/uitbraken van ziekten per kwartaal, over een langere periode. In dit hoofdstuk worden, naast trends in zoönosen, aandoeningen besproken die in de afgelopen drie jaar van groot belang waren in de sector. Voor deze bespreking zijn data samengevoegd afkomstig uit de CRA-VMPdatabase, LIMS (onder andere sectie-inzendingen en ingezonden materiaal voor specifiek onderzoek), eventueel aangevuld met resultaten van bedrijfsbezoeken, de EWS-lijsten (early warning system) en tot slot CRM-gegevens (vastgelegde contacten met de Veekijker Pluimvee). Naast de bespreking van 2025 wordt ingegaan op de trend gedurende een periode van drie jaar.
In de rapportage wordt het huisvestingstype aangehouden zoals dit bij GD staat geregistreerd. Voor uitloop- en biologische bedrijven hoeft dit niet te betekenen dat de dieren op het moment van de bevinding daadwerkelijk toegang tot de uitloop hadden. Om veterinaire redenen kan de toegang tot de uitloop zijn ontzegd, bijvoorbeeld in het kader van AI-preventie (zie ook Leeswijzer en Bijlage II ).
Voor een juiste interpretatie van de grafieken en tabellen staat in de titel steeds vermeld uit welke bron de informatie afkomstig is. Ook is het van belang om, waar een percentage wordt genoemd, te weten waar het percentage betrekking op heeft. In de inleidende CRA-VMP-grafieken worden bijvoorbeeld de percentages met afwijkingen binnen een bepaalde diagnosegroep weergegeven. Dit betreffen percentages van de groep afwijkende koppels die zijn gemeld in CRA-VMP (zie voorbeeld in kader).
Voorbeeld interpretatie CRA/VMP-figuren: in figuur 5.20 staat een percentage van 95 procent ontsteking luchtzakken bij reguliere vleeskuikens. Dit betekent dat in de gemelde groep afwijkende koppels 95 procent last heeft van ontstoken luchtzakken en zeker niet dat 95 procent van alle beoordeelde regulier gehouden vleeskuikenkoppels last heeft van ontstoken luchtzakken!
Voor een nadere toelichting met betrekking tot de gebruikte data, zie de Leeswijzer. De gemelde koppelbeelden worden onderverdeeld in de volgende groepen:
• digestie
• respiratie
• locomotie
• eersteweeksproblemen
• productieproblemen/verhoogde uitval/overige aandoeningen
Elke diagnosegroep-paragraaf is onderverdeeld in de volgende onderwerpen:
• Hoofdpunten trends
• CRA-VMP-data
• Secties - proactief
• Secties - reactief
• Contacten met de Veekijker Pluimvee
• Nadere bespreking van enkele belangrijke aandoeningen

5.1.1 AI en NCD
Zie hoofdstuk 4.
5.1.2 Salmonella
Voor zoönotische salmonella, zie hoofdstuk 4.
5.1.3 Chlamydia psittaci
Aviaire chlamydiose wordt veroorzaakt door Chlamydia psittaci . Vogels vormen de primaire gastheer voor C. psittaci . Meer dan 460 verschillende wilde en gehouden vogelsoorten uit zeker dertig ordes zijn gevoelig voor dragerschap en/of ziekte. Genotypen A tot en met F en genotype E/B worden geassocieerd met vogels:
- genotype A wordt voornamelijk gevonden bij papegaaiachtige;
- type B bij duiven;
- type C bij eenden en ganzen;
- type D bij kalkoenen en leghennen.
De aanwezigheid van C. psittaci is ook bij vleeskuikens in het verleden wel gemeld, ook in Nederland. Dit betrof toen meestal genotype D en zeer incidenteel type A. Chlamydiose kan zowel een acuut, subacuut of chronisch verloop hebben. De ernst van de verschijnselen kan hierbij sterk wisselen en tevens komen er symptoomloze dragers voor. Als er symptomen zijn, dan zijn deze aspecifiek en vooral respiratoir van aard in commercieel gevogelte. In het wild levende vogels vertonen in de regel nauwelijks of geen symptomen, als zij toch symptomen hebben is er sprake van respiratoire problemen en bij chronische infecties locomotieproblemen. C. psittaci is een zoönotische bacterie. In Nederland worden genotype A en B het meest frequent bij humane patiënten aangetoond. Een infectie met C. psittaci ontstaat meestal door inhalatie van besmet stof afkomstig van gedroogde faeces of veren of contact met exsudaat uit de luchtwegen van besmette vogels.
Papegaaienziekte (psittacose) is een vorm van longontsteking die bij mensen in Nederland ongeveer zeventig keer per jaar voorkomt en veroorzaakt wordt door infectie met Chlamydia psittaci. Dieren die de bacterie bij zich dragen, kunnen deze overdragen op mensen (zoönose). Vogels die besmet zijn kunnen de bacterie uitscheiden, ook als zij geen zichtbare klachten hebben.
C. psittaci wordt niet routinematig gemonitord, maar omdat de bacterie naast ziekte bij vogels ook een potentieel zoönotisch risico vormt, zet de patholoog bij secties op basis van letsels of anamnese laagdrempelig chlamydiaonderzoek in als hij/zij de ziekte wil uitsluiten. In 2025 voerde GD om deze reden bij elf inzendingen van nietcommercieel gevogelte voor sectie een C. psittaci -specifiek immunohistochemisch onderzoek (IHC-kleuring) en/of een PCR-test uit. Naast inzendingen via de sectiezaal kunnen ook monsters uit het veld specifiek voor controle op deze ziektekiem ingestuurd worden. In 2025 ontving GD zestien inzendingen met swabs van niet-commercieel gevogelte voor Chlamydia-PCR-onderzoek. Er werd in geen van de inzendingen C. psittaci aangetoond.

5.1.4 Vlekziekte
Vlekziekte is een ziekte die wordt veroorzaakt door de bacterie Erysipelothrix rhusiopathiae . Het is een ernstige ziekte die hoge uitval bij kippen en kalkoenen kan veroorzaken. Vlekziekte kan worden overgedragen aan andere diersoorten en de mens. De tijd tussen het moment van infectie en de eerste verschijnselen is ongeveer twee tot vijf dagen. Besmette dieren sterven vaak snel. De symptomen kunnen variëren van een gering verhoogde uitval die erg lang kan aanhouden tot hoge acute sterfte die kan oplopen tot 25 procent. De zieke dieren zijn vaak sloom en er kan diarree voorkomen. Tevens kan er een productiedaling optreden. Het aanpikken van de besmette kadavers kan een belangrijke bron van spreiding binnen een koppel zijn.
Bij pluimvee gaat vlekziekte gepaard met (ernstig) verhoogde uitval door buikvliesontsteking en bloedvergiftiging. Vlekziekte kan ook ziekte veroorzaken bij andere dieren en de mens (zoönose). Gezien de hoge uitval en het risico op besmetting bij de mens worden nieuw op te zetten koppels, na vaststellen van een infectie bij een voorgaand koppel, vaak gevaccineerd tegen vlekzieke om nieuwe uitbraken te voorkomen. Belangrijke preventieve maatregelen, naast vaccinatie, zijn ongediertebestrijding en het zo snel mogelijk verwijderen van dode dieren uit het hok.
In 2025 toonde GD vlekziekte aan bij acht secties op leghennen. Bij vlekziekte zien we een duidelijk seizoenseffect, met meer uitbraken in de herfst en winter. Vooral bedrijven met uitloop zijn oververtegenwoordigd, ook tijdens periodes met ophokplicht. Een mogelijke verklaring is dat overdekte uitlopen moeilijker af te sluiten zijn voor ongedierte bij deze huisvestingstypes en dat de uitlopen, ook zonder kippen, een aantrekkelijke plek blijven voor ongedierte.
Vlekziekte - uitbraken vastgesteld bij GD
Leghennen - biologisch
Leghennen - met uitloop
Leghennen - zonder uitloop
Figuur 5.1 Aantal uitbraken (op koppelniveau) van vlekziekte die bij GD zijn bevestigd (2023-2025) (Bron: GD-LIMS)
Let op: in de figuur wordt het huisvestingstype aangehouden zoals dit bij GD geregistreerd staat. Voor vrije uitloop- en biologische bedrijven hoeft dit niet te betekenen dat de dieren op het moment van de bevinding daadwerkelijk toegang tot de uitloop hadden. Om veterinaire redenen kan de toegang tot de vrije uitloop zijn ontzegd. Zie Leeswijzer of Bijlage II.

5.2 Trends in CRA-VMP-meldingen (algemeen)
Bevindingen en diagnoses van bedrijfsbezoeken en antibioticumgebruik worden sinds 2011 door dierenartsen ingevoerd in de CRA-VMP-database (zie ook bijlage I voor een verdere toelichting op deze database).
Bedrijfsbezoeken waarbij antibiotica zijn ingezet, dienen verplicht te worden gemeld in het kader van CRA. Tevens zijn dierenartsen verplicht om bezoeken in het kader van verminderde voer- of wateropname (>5% per dag op twee opeenvolgende dagen) of eiproductiedaling (>5% per dag op twee opeenvolgende dagen) waarbij geen sprake is van AI of NCD bij GD te melden, ook dit gebeurt via de CRA-VMP-database. Overige beoordelingen van koppels (koppelbeelden) en aanvullende informatie kunnen vrijwillig gemeld worden in het kader van VMP.
In 2025 waren in KIP 14.422 vleeskuikenstalkoppels geregistreerd met een afvoerdatum in 2025: 5.938 regulier gehouden vleeskuikenkoppels en 8.484 vleeskuikenkoppels van een trager groeiend ras. In totaal werden 2.428 stalkoppels in CRA-VMP gemeld met een koppelbeeld en een antibioticumvoorschrift (zie ook tabel 5.1). De verdeling van reguliere en trager groeiende vleeskuikenstalkoppels met koppelbeelden voor een of meer diagnosegroepen staat in figuur 5.2.
Geregistreerde vleeskuikenstalkoppels (2025) gemelde vleeskuikenkoppels met en zonder een antibioticumvoorschrift
aantal meldingen in CRA-VMP
* Afgeronde stalkoppels met afvoerdatum in 2025.
Koppels zonder voorschrift Koppels metvoorschrift
Figuur 5.2 Overzicht van het aantal in KIP geregistreerde vleeskuikenkoppels* gemeld in CRA-VMP met en zonder een antibioticumvoorschrift en een geregistreerd koppelbeeld voor één of meerdere diagnosegroepen (2025) (Bron: CRA-VMP en KIP)
Bevindingen in 2025
In 2025 steeg het aantal keer dat antibiotica voorgeschreven werd bij vleeskuikens ten opzichte van 2024 (figuur 5.3). De stijging was zowel bij reguliere als trager groeiende koppels. Een opvallende trendbreuk, aangezien het aantal voorschrijvingen over de jaren heen sterk gedaald is. In 2025 blijkt dat er bij zowel regulier als trager groeiend een sterke relatieve toename is van ‘eersteweeksproblemen’.
Figuur 5.3 laat de verdeling van de in CRA-VMP gemelde diagnosegroepen zien voor regulier gehouden vleeskuikenstalkoppels en vleeskuikenstalkoppels van een trager groeiend ras voor de periode 2023 tot en met het 2025.

CRA-VMP-meldingen voor stalkoppels per diagnosegroep per jaar
* Afgeronde stalkoppels met afvoerdatum in de betreffende rapportageperiode.
REG = aantal gemelde vleeskuikenstalkoppels regulier concept; TG = aantal gemelde vleeskuikenstalkoppels trager groeiend concept.
Figuur 5.3 Aantal en percentage stalkoppels met één of meerdere CRA-VMP-meldingen in de betreffende diagnosegroep voor regulier gehouden vleeskuikenstalkoppels* en vleeskuikenstalkoppels* van een trager groeiend ras en met een antibioticumvoorschrift (2023-2025) (Bron: CRA-VMP)
In tabel 5.1 en tabel 5.2 staat de verdeling van de CRA-VMP-meldingen de periode 2023 tot en met 2025.
Tabel 5.1 Overzicht van het aantal vleeskuikenkoppelsA met een antibioticumvoorschrift bij een verschillend aantal gemelde diagnosegroepen per melding (2023-2025) (Bron: CRA-VMP)
Periode
CRA-VMP-meldingen
A Afgeronde stalkoppels met afvoerdatum in de betreffende rapportageperiode.
Overzicht van het % vleeskuikenkoppels* met een antibioticumvoorschrift bij een verschillend aantal diagnosegroep per melding

* % stalkoppels met afvoerdatum in de betreffende rapportageperiode.
Figuur 5.4 Overzicht van het percentage vleeskuikenkoppels* met een antibioticumvoorschrift bij een verschillend aantal gemelde diagnosegroepen ten opzichte van het totaal aantal in KIP geregistreerde koppels* (2023-2025) (Bron: CRA-VMP)
Tabel 5.2 Overzicht van het aantal gemelde vleeskuikenkoppelsA met een antibioticumvoorschrift per diagnosegroep (2023-2025) (Bron: CRA-VMP)
Periode
CRA-VMP-meldingen vleeskuikenstalkoppels A Digestie Respiratie Locomotie Eerste weekproblemen Overige/algemene stoornissen
A Afgeronde stalkoppels met afvoerdatum in de betreffende rapportageperiode.

Overzicht van het % vleeskuikenkoppels* met een antibioticumvoorschrift per diagnosegroep
* % stalkoppels met afvoerdatum in de betreffende rapportageperiode.
Figuur 5.5 Overzicht van het percentage vleeskuikenkoppels* met een antibioticumvoorschrift bij een per diagnosegroep ten opzichte van het totaal aantal in KIP geregistreerde koppels* (2023-2025) (Bron: CRA-VMP)
Reactieve monitoringssecties
Aan houders van pluimvee of overig gevogelte wordt de mogelijkheid geboden om tegen een gesubsidieerd tarief pluimvee of ander gevogelte aan te bieden voor uitgebreid onderzoek. Met name bij ernstige ziekteuitbraken en ziekten met complexe diagnostiek is dit een aantrekkelijke manier om tot een diagnose te komen. Op deze wijze blijven dergelijke uitbraken in beeld bij de dierziektemonitoring. Het initiatief om in te zenden ligt bij veehouders, dierenartsen of overige partijen.
Proactieve monitoringssecties
Om te monitoren wat de gemiddelde diergezondheidsproblemenproblemen zijn waar pluimveedierenartsen mee worden geconfronteerd, wordt enkele keren per jaar sectiemateriaal van actuele casuïstiek opgevraagd bij geselecteerde praktijken (peildierenartsenpraktijken). Het initiatief ligt hier dus bij GD.

In het kader van de reactieve en proactieve monitoring of voor monitoringsprojecten- en pilots verwerkte GD in 2025 in de pluimveesectiezaal 1.088 inzendingen met dieren (dood of levend aangeleverd) of met organen, voor PCR-onderzoek, viruskweek, bacteriologisch en/of histologisch onderzoek (zie tabel 5.3).
Tabel 5.3 Aantal sectie-inzendingen in het kader van de monitoring (2025) (Bron: GD-LIMS)
pluimvee (reactief)
Monitoring niet-commercieel gevogelte (reactief)
Monitoringsproject 'Peildierenartsenpraktijken' (proactief)
Monitoringsproject '(NVWA-)slachtlijnonderzoek'
5.3.1 Secties - reactief (routine-secties)
Figuur 5.6 toont het aantal secties per pluimveetype en niet-commercieel gevogelte dat GD ontving in het kader van de reactieve secties in de afgelopen drie jaar.
Reguliere monitoring: aantal inzendingen
Overig
Niet-commercieel gevogelte
Kalkoenen
Eenden
Leghennen
Legsector, excl. leghennen
Eendagskuikens legsector
Vleeskuikens
Vleessector, excl. vleeskuikens
Eendagskuikens vleessector
Figuur 5.6 Aantal sectie-inzendingen in het kader van de reguliere monitoring (reactieve secties) (2023-2025) (Bron: GD-LIMS)
Van de 624 routine-secties op commercieel pluimvee betrof het 618 keer secties op kippen uit de vlees- en legsector.

Figuur 5.7 geeft de verdeling weer van de gestelde diagnoses bij deze 618 routine-secties op commercieel pluimvee (kip). Het geheel vormt per jaar meer dan 100 procent omdat dieren soms problemen hebben die in meerdere diagnosegroepen voorkomen. Sinds 2023 is er een verheffing van het aantal inzendingen met locomotieproblemen.
Dit wordt veroorzaakt door de hoge aantallen uitbraken die er sinds dat jaar zijn met peesschedeontstekingen door reovirus.
5.7 Percentage secties reactieve monitoring vlees- en legsector (commercieel pluimvee, kip) (2023-2025) (Bron: GD-LIMS)

5.3.2 Secties - proactief (secties peildierenartsenpraktijken)
De peildierenartsenpraktijken leverden verspreid over 2025 in totaal 311 inzendingen van pluimvee voor sectie aan (zie figuur 5.8 en 5.9).
Peildierenartsen: aantal inzendingen
inzendingen
Overig
Niet-commercieel gevogelte
Eenden
Kalkoenen
Leghennen
Legsector, excl. leghennen
Vleeskuikens
Vleessector, excl. vleeskuikens
Figuur 5.8 Aantal sectie-inzendingen per diersoort en per kwartaal door peildierenartsenpraktijken (proactieve secties) (2025) (Bron: GD-LIMS)
Peildierenartsen: aantal inzendingen
inzendingen
Overig (incl. KCH<250)
Niet-commercieel gevogelte
Eenden
Kalkoenen
Leghennen
Legsector, excl. leghennen
Vleeskuikens
Vleessector, excl. vleeskuikens
Figuur 5.9 Aantal proactieve sectie-inzendingen door peildierenartsenpraktijken (2023-2025) (Bron: GD-LIMS)
De gezondheidsklachten die de veehouder en/of dierenarts als reden heeft opgegeven om dieren in te sturen voor sectie zijn weergegeven per diertype in figuur 5.10. Hieruit blijkt dat locomotieproblemen bij vleeskuikens een aanzienlijk deel van de problemen vormden, net als in 2023 en 2024. Dit was te wijten aan peesschedeontstekingen door reovirus. Bij leghennen zijn verhoogde uitval en productieproblemen zoals in eerdere jaren de hoofdmoot van de klachten. Bij eenden waren er in 2024 veel inzendingen met productieproblemen. Dit waren vaak koppels vleeseenden met slechte groei en lage uniformiteit. Hierbij leek duck circovirus een belangrijke rol te spelen. In 2025 werd dit virus minder aangetoond en werden er ook aanzienlijk minder dieren ingestuurd met deze klachten.

Proactieve secties: vleessector (n=159)
Proactieve secties: vleessector (n=199) Digestieproblemen
Proactieve secties: legsector
(n=157)
Proactieve secties: eenden (n=32)
Proactieve secties: legsector (n=101)
Proactieve secties: eenden (n=47)
Figuur 5.10 Inzendingen vleessector, legsector en eendensector, opgedeeld naar de reden voor inzenden (klacht/ stalbeeld) (peilpraktijken, 2024-2025) (Bron: GD-LIMS)

5.4 Trends in contacten met de Veekijker Pluimvee (algemeen)
• Sinds 2024 is er een toename in contacten bij leghennen, veroorzaakt door Veekijkercontacten over salmonella.
5.4.1 Contacten met de Veekijker Pluimvee (totaal)
In 2025 werden 1.524 contacten met de Veekijker Pluimvee vastgelegd in CRM.
Tabel 5.4 Contacten met de Veekijker Pluimvee per type contactpersoon/-organisatie in percentages (2023-2025) (Bron: CRM)
Pluimveetype
Contacten met de Veekijker Pluimvee (%)
Tabel 5.5 Contacten met de Veekijker Pluimvee per pluimveetype in percentages (2023-2025) (Bron: CRM)
Pluimveetype
Kuikenbroeders/overig
Voorlichter
Dierenartsenpraktijk
Pluimveehouder
Sectoraal
Niet commercieel gevogelte
Eenden
Kalkoenen
Leghennen
Opfokleghennen
Vleeskuikens
Reproductiedieren
Figuur 5.11 Contacten met de Veekijker Pluimvee per pluimveetype en per type contactpersoon/-organisatie in percentages (2023-2025) (Bron: CRM)

5.4.2 Contacten met de Veekijker Pluimvee over een specifieke aandoening
Vanaf 2024 en doorlopend in 2025 is er een toename in het aantal Veekijkercontacten in de categorie ‘overige’ (tabel 5.6). Dit wordt veroorzaakt door een stijging in de contacten over salmonella, wat past bij de problematiek met Salmonella Enteritidis in de Nederlandse leghennensector.
Binnen de 1.524 vastgelegde contacten met de Veekijker Pluimvee werden 1.521 vragen gesteld over een specifieke aandoening. In tabel 5.6 is de verdeling per diagnosegroep weergegeven over de periode 2023 tot en met 2025.
Tabel 5.6 Contacten met de Veekijker Pluimvee over een specifieke aandoening per diagnosegroep (2023-2025) (Bron: CRM)
Diagnosegroep

5.5 Trends in maagdarmaandoeningen (digestie-apparaat)
5.5.1 Hoofdpunten trends digestie
• Op basis van de sectie-inzendingen, contacten met de Veekijker en het antibioticumgebruik speelden digestieproblemen in 2025 geen grote rol bij vleeskuikens.
• Brachyspira hyodysenteriae wordt nog steeds gevonden bij leghennen, ondanks het beperkte aantal geteste koppels. In 2026 gaat hier meer op onderzocht worden om de incidentie beter in beeld te krijgen.
5.5.2 Diagnosegroep ‘digestie’: CRA-VMP-data
In 2025 werd van 2.428 vleeskuikenkoppels (op stalniveau), met een geregistreerd koppelbeeld en afvoerdatum in 2025, een antibioticumvoorschrift gemeld in CRA-VMP. Van de 1.864 gemelde regulier gehouden koppels werd voor 374 koppels een afwijking binnen de diagnosegroep ´digestie´ gemeld, van de 564 gemelde trager groeiende koppels werd van 67 vleeskuikenstalkoppels een afwijking in deze categorie gemeld.
Percentage stalkoppels (vleeskuikens) met een antibioticamelding per maand binnen de diagnosegroep digestie
Regulier
Trager groeiend
Trendlijn (regulier)
Trendlijn (trager groeiend)
Jaar en maand
REG = aantal gemelde vleeskuikenstalkoppels regulier concept; TG = aantal gemelde vleeskuikenstalkoppels trager groeiend concept.
Figuur 5.12 Percentage vleeskuikenkoppels (op stalniveau) met een geregistreerd koppelbeeld binnen de diagnosegroep ‘digestie’ en een antibioticumvoorschrift als aandeel van het totaal aantal geregistreerde koppels in KIP per maand (2020-2025) (Bron: CRA-VMP)
In figuur 5.13 staat welke diagnoses zijn vastgelegd bij de stalkoppels met digestieproblemen en een antibioticumvoorschrift. Per koppel kunnen meerdere diagnoses zijn gesteld. Het totaalpercentage van de meldingen kan dus meer dan 100 procent zijn. Als voorbeeld van hoe de figuur te lezen: bij 199 regulier gehouden stalkoppels vleeskuikens werd een melding gedaan van een darmstoornis, het betreft 53 procent van de 374 regulier gehouden stalkoppels waarbij een vorm van een digestiestoornis is gemeld.
Darmstoornis
Enteritis/Darmontsteking
Dysbacteriose
Malabsorptie syndroom
Necrotiserende enteritis

Blinde darm
CRA - VMP: digestie
Trager groeiend Regulier
Percentage stalkoppels
REG = aantal gemelde vleeskuikenstalkoppels regulier concept; TG = aantal gemelde vleeskuikenstalkoppels trager groeiend concept. Enteritis = darmontsteking; hepatitis = leverontsteking.
Figuur 5.13 Aantal gemelde vleeskuikenkoppels (op stalniveau) en een antibioticumvoorschrift, per diagnose binnen de diagnosegroep ‘digestie’ (2025) (nREG =374; nTG =67) (Bron: CRA-VMP)
5.5.3 Diagnosegroep ‘digestie’: reactieve secties (reguliere secties)
Van de 624 secties in 2025 op commercieel pluimvee had 28 procent een diagnose die betrekking had op een maagdarmaandoening.
Tabel 5.7 Percentage sectie-inzendingen (commercieel pluimvee) met een diagnose die betrekking heeft op digestie (reguliere secties, 2023-2025) (Bron: GD-LIMS) Pluimveetype
‘Digestie’*
O.a. darmstoornissen- en ontstekingen, coccidiose en wormen.
Tabel 5.8 Percentage diagnoses (etiologie) met betrekking op het maagdarmkanaal t.o.v. totale aantal sectie-inzendingen voor vleeskuikens (exclusief eendagskuikens) (reguliere secties, 2023-2025) (Bron: GD-LIMS)
Vleeskuikens, etiologie

Ziekteverwekker
Tabel 5.9 Percentage diagnoses (etiologie) met betrekking op het maagdarmkanaal t.o.v. totale aantal sectie-inzendingen voor eierleggend pluimvee* (reguliere secties, 2023-2025) (Bron: GD-LIMS)
Eierleggend pluimvee, etiologie
Totaal aantal secties eierleggend pluimvee
* Pluimveetypen: LF + SF + LV + SV + LL (voor afkortingen, zie tabel 2.2).

Tabel 5.10 Percentage diagnoses (etiologie) met betrekking op het maagdarmkanaal t.o.v. totale aantal sectie-inzendingen voor opfok-pluimvee* (reguliere secties, 2023-2025) (Bron: GD-LIMS)
Opfok-pluimvee, etiologie
Ziekteverwekker
nefritisvirus (ANV)
perfringens/necrotiserende enteritis
Rotavirus type A
Rotavirus type D
1,5% 0,0% Wormen 0,0% 1,5% 0,0%
Totaal aantal secties opfok-pluimvee, excl. eendagskuikens 107 66 55
* Pluimveetypen: OLF + OSF + LO + SO + OL (voor afkortingen, zie tabel 2.2).
5.5.4 Diagnosegroep ‘digestie’: proactieve secties (secties voor peildierenartsenpraktijken)
In deze paragraaf worden de secties besproken waarbij de peilpraktijken ‘digestieproblemen’ hadden opgegeven als klacht.
Proactieve secties: digestieproblemen
secties diertype
vleessector (n=159) Pluimvee legsector (n=101) Eenden (n=47) Kalkoenen (n=0) Niet-commercieel gevogelte en overig (n=4)
Figuur 5.14 Het percentage secties in de proactieve monitoring waarbij digestieproblemen de reden voor inzenden waren (n=22) (peilpraktijken, 2025) (Bron: GD-LIMS)

5.5.4.1 Pluimvee - vleessector
Van de 159 proactieve inzendingen van kippen uit de vleessector waren er 9 (6%) naar aanleiding van digestieproblemen; dit betrof 5 keer trager groeiende vleeskuikens, 2 inzendingen reguliere kuikens en 2 keer opfok-vleesvermeerderingsdieren. Relatief gezien is het belang van digestieproblemen dus ogenschijnlijk gedaald ten opzichte van eerdere jaren (figuur 5.10). Het aantal inzendingen was dusdanig laag dat we dit jaar geen uitsplitsing naar diagnoses en etiologie hebben opgenomen.
Coccidiose bij vleeskuikens
Coccidiose wordt veroorzaakt door eencellige parasieten. Bij kippen zijn dit steeds Eimeriasoorten. Ze zijn te klein om met het oog te worden gezien en bij pluimvee hebben ze verschillende delen van de darm als leefomgeving.
Coccidiose uit zich bij kippen dan ook meestal als digestieprobleem en in ernstige gevallen kan het ook uitval veroorzaken.
Coccidiën komen relatief veel voor. Soms worden ze als ‘normaal’ beschouwd en leidt coccidiose niet tot het inzenden van dieren voor sectie, en soms wordt de rol van de coccidiën verkeerd ingeschat en worden de dieren niet ingestuurd met als klacht ‘digestieproblemen’, maar met locomotieklachten (de dieren zitten immers meer als ze last van hun darmen hebben) of productieproblemen (de groei zal immers achter kunnen blijven bij coccidiose). We geven daarom een overzicht van het voorkomen van coccidiose bij alle vleeskuikensecties uit de proactieve monitoring, en niet enkel van de inzendingen met digestieklachten (figuur 5.15).
Proactive secties vleeskuikens 2025
Regulier (n=46)
Trager groeiend (n=92)
Figuur 5.15 Het percentage van de proactieve secties vleeskuikens waarin de verschillende Eimeria-species werden gevonden, weergegeven voor reguliere en trager groeiende kuikens (peilpraktijken, 2025)
(Bron: GD-LIMS)
5.5.4.2 Pluimvee - legsector
Van de 101 inzendingen uit de legsector waren er 13 (13%) naar aanleiding van digestieproblemen; dit betrof 4 keer opfok-leghennen en 9 keer een inzending van volwassen leghennen.
Brachyspira
Brachyspira spp. worden vooral bij oudere dieren gevonden, de Brachyspira-species B. pilosicoli, B. intermedia en B. hyodysenteriae worden in de literatuur geassocieerd met digestieproblemen. In vijf van de zeven geteste volwassen leghennenkoppels met digestieproblemen werd Brachyspira aangetoond (zie tabel 5.11):
• 1x B. pilosicoli

• 2x B. intermedia
• 1x B. pilosicoli en B. intermedia
• 1x B. pilosicoli, B. intermedia en B. hyodysenteriae
Tabel 5.11 Aantal en percentage proactieve secties leghennen met digestieklachten die zijn onderzocht met de Brachyspira-PCR (peilpraktijken, 2021-2025) (Bron: GD-LIMS)
Jaar Aantal secties onderzocht (PCR)
Aantal secties
Nader onderzoek op Brachyspira hyodysenteriae
In het eerste kwartaal van 2023 werd binnen het peildierenartsenproject een geval van B. hyodysenteriae vastgesteld bij een koppel leghennen. Een uitgebreide toelichting op deze bevinding en het uitgebreide onderzoek dat vervolgens werd ingezet is te lezen in de monitoringsrapportages van 2023. In de periode daarna werden meerdere koppels leghennen positief bevonden. Factoren zoals uitloop kunnen hierop van invloed zijn, wat betekent dat langdurige ophokplicht, zoals dat ook in 2025 voorkwam, een rol kunnen spelen. Om de actuele incidentie beter in beeld te krijgen wordt er gedurende 2026 extra getest op aanwezigheid van Brachyspira bij volwassen leghennenkoppels. We berichten de resultaten in de jaarrapportage van 2026.
Chronische darmontsteking
Chronische darmontsteking (chronische enteritis of CE, gekenmerkt door CE-score 5) werd bij leghennen in 2025 één keer gezien binnen het peildierenartsenproject (niet waargenomen in 2022-2024). Een voorstadium (CE-score 4) werd wel gezien bij 4 van de 35 koppels leghennen die binnen het peildierenartsenproject waren ingestuurd en waarvan de darmen histologisch zijn onderzocht (CE-score). Slechts in 1 van die 4 gevallen waren de hennen ingestuurd vanwege digestieproblemen. Bij de rest was de klacht een eiproductieprobleem. Bij de productieproblemen ligt het meer voor de hand dat de darmontsteking met CE-score 4 primair voor problemen heeft gezorgd en dat dat uiteindelijk tot een gedaalde eiproductie heeft geleid.

5.5.5 Diagnosegroep ‘digestie’: contacten met de Veekijker Pluimvee
Van de contacten met de Veekijker Pluimvee in 2025 die betrekking hadden op specifieke aandoeningen, betrof het in 3 procent van de gevallen contact over een maagdarmgerelateerde aandoening (zie tabel 5.6 in paragraaf 5.4.2).
Figuur 5.16 geeft de verdeling van de contacten in de categorie ‘digestie’ weer voor de periode 2023 tot en met 2025. In 2023-2025 hadden de meeste vastgelegde contacten binnen deze categorie betrekking op Brachyspira, coccidiose en wormen.
Contacten met de Pluimveekijker: digestie
Wormen
Voedingsdeficiënties
Rotavirus
Leververvetting
Histomonas
Flagellaten
Dysbacteriose
Coccidiose
Clostridium
Brachyspira
Astrovirus
Figuur 5.16 Percentage contacten met de Veekijker Pluimvee over maagdarmaandoeningen t.o.v. het totale aantal contacten over een specifieke aandoening (2023-2025) (Bron: CRM)
5.5.6 Nadere bespreking van enkele belangrijke aandoeningen binnen de diagnosegroep ‘digestie’
5.5.6.1 Histomonosis (Blackhead)
In figuur 5.17 staat per kwartaal het aantal bedrijven waarbij GD Histomonas meleagridis aantoonde (indien een bedrijf voor hetzelfde koppel al positief werd bevonden in een voorgaand kwartaal, dan wordt het bedrijf in het betreffende kwartaal niet meer opgenomen in de grafiek). Voor de monitoring van histomonas wordt gebruikgemaakt van een brede range aan diagnostiekdata, aangezien GD zowel histologisch onderzoek, in situhybridisatie en PCR-testen aanbiedt waarmee de diagnose gesteld kan worden. Testen worden ingezet bij voor sectie ingezonden dieren of los ingezonden monsters, bijvoorbeeld voor PCR-onderzoek.
In het derde kwartaal werd Histomonas meleagridis aangetoond bij één koppel kalkoenen met sterk verhoogde uitval. Telefonisch werd daarnaast gemeld dat er sprake was van meerdere uitbraken in Nederland en België met hoge uitval, terwijl afgelopen jaren wel Histomonas meleagridis werd gevonden, maar niet altijd met hoge uitval. Het voorgaande bij GD geregistreerde geval van Histomonas meleagridis bij kalkoenen is van 2022, maar omdat de diagnose eenvoudig is te stellen, wordt GD niet vaak bij gevallen betrokken. De variatie in uitval bij histomonosis is een bekend, maar onbegrepen fenomeen. Mogelijk liggen hier stamverschillen of verschillen in gevoeligheid van de dieren aan ten grondslag.

Monitoring histomonas: onderzoek bij GD (bedrijfsniveau)
aantal bedrijven met Histomonas-besmet koppel
Niet-commercieel gevolgelte
Kalkoenen
Leghennen
Opfok-leghennen
Reproductie - legsector
Reproductie - vleessector
Figuur 5.17 Aantal bij GD aangetoonde Histomonas-infecties op bedrijfsniveau (2023-2025) (Bron: GD-LIMS)
Indien een bedrijf voor hetzelfde koppel al positief werd bevonden in een voorgaand kwartaal, dan wordt het bedrijf in het betreffende kwartaal niet meer opgenomen in de grafiek.
5.5.6.2 Chronische enteritis (CE) en necrotiserende enteritis (NE)
In 2025 ontving GD 242 inzendingen met leghennen voor sectie (reguliere monitoring en secties voor peilpraktijken). Binnen deze 242 inzendingen werden in 100 inzendingen (41%) één of meerdere vormen van enteritis (darmontsteking) vastgesteld. Figuur 5.18 geeft de verdeling weer.
GD - monitoring: percentage secties legsector (LL) met darmontstekingen
Chronische darmontsteking
Beginnende chronische
darmontsteking
Darmontsteking met verval (Clostridium)
Darmontsteking
Geringe darmontsteking
Figuur 5.18 Overzicht van het percentage sectie-inzendingen leghennen (inclusief organen) met darmontstekingen t.o.v. het totale aantal sectie-inzendingen leghennen (proactieve en reactieve secties) (2023-2025) (Bron: GD-LIMS)

5.6.1 Hoofdpunten trends respiratie
• 2025 was opnieuw een jaar met meerdere ILT-uitbraken.
• Er is IBV-serotype Variant2 aangetoond bij Nederlands pluimvee.
• Er is een casus geweest met nierschade geassocieerd met vermeerdering van IBV-QX/D388 in de nieren van een koppel 8 weken oude vleeskuikens.
5.6.2 Diagnosegroep ‘respiratie’: CRA-VMP-data
In 2025 werd van 2.428 vleeskuikenkoppels (op stalniveau), met een geregistreerd koppelbeeld en afvoerdatum in 2025, een antibioticumvoorschrift gemeld in CRA-VMP. Van de 1.864 gemelde regulier gehouden koppels werd voor 265 koppels een afwijking binnen de diagnosegroep ´respiratie´ gemeld, van de 564 gemelde trager groeiende koppels werd van 30 vleeskuikenstalkoppels een afwijking in deze categorie gemeld.
Regulier
Trager groeiend
Trendlijn (regulier)
Trendlijn (trager groeiend)
REG = aantal gemelde vleeskuikenstalkoppels regulier concept; TG = aantal gemelde vleeskuikenstalkoppels trager groeiend concept.
Figuur 5.19 Percentage vleeskuikenkoppels (op stalniveau) met een geregistreerd koppelbeeld binnen de diagnosegroep ‘respiratie’ en een antibioticumvoorschrift als aandeel van het totaal aantal geregistreerde koppels in KIP per maand (2020-2025) (Bron: CRA-VMP)

In figuur 5.20 staat welke diagnoses zijn vastgelegd bij de stalkoppels met respiratieproblemen en een antibioticumvoorschrift. Per koppel kunnen meerdere diagnoses zijn gesteld. Het totaalpercentage van de meldingen kan dus meer dan 100 procent zijn. Als voorbeeld van hoe de figuur te lezen: bij 10 regulier gehouden stalkoppels vleeskuikens werd een melding gedaan van een ontsteking van de voorste luchtwegen, het betreft 4 procent van de 265 regulier gehouden stalkoppels waarbij een vorm van een respiratiestoornis is gemeld.
Ontsteking luchtzakken
Pericarditis respiratie
Ontsteking voorste luchtwegen
Tracheitis
Conjunctivitis
Pneumonie
Dikke koppen
CRA - VMP: respiratie
Trager groeiend
Regulier
Percentage stalkoppels
REG = aantal gemelde vleeskuikenstalkoppels regulier concept; TG = aantal gemelde vleeskuikenstalkoppels trager groeiend concept. Pericarditis=hartzakontsteking*; tracheïtis=luchtpijpontsteking; conjunctivitis=ontstoken slijmvlies; pneumonie=longontsteking.
Figuur 5.20 Aantal gemelde vleeskuikenkoppels (op stalniveau) en een antibioticumvoorschrift, per diagnose binnen de diagnosegroep ‘respiratie’ (2025) (nREG =265; nTG =30) (Bron: CRA-VMP) * Hartzakontstekingen komen voor in zowel de diagnosegroep ‘respiratieproblemen’ als in de diagnosegroepen ‘locomotie’ (zie paragraaf 5.7.2) en ‘algemene stoornissen/overige problemen’ (zie paragraaf 5.9.2).
5.6.3 Diagnosegroep ‘respiratie’: reactieve secties (reguliere secties)
Van de 624 secties in 2025 op commercieel pluimvee had 6 procent een diagnose die betrekking had op een respiratoire aandoening.
Tabel 5.12 Percentage sectie-inzendingen (commercieel pluimvee) met een diagnose die betrekking heeft op respiratie (reguliere secties, 2023-2025) (Bron: GD-LIMS)
Pluimveetype
Percentage sectie-inzendingen ‘Respiratie’
Tabel 5.13 Percentage diagnoses (etiologie) met betrekking op respiratie t.o.v. totale aantal sectie-inzendingen voor vleeskuikens (exclusief eendagskuikens) (reguliere secties, 2023-2025) (Bron: GD-LIMS)
Vleeskuikens, etiologie

Ziekteverwekker
Tabel 5.14 Percentage diagnoses (etiologie) met betrekking op respiratie t.o.v. totale aantal sectie-inzendingen voor eierleggend pluimvee* (reguliere secties, 2023-2025) (Bron: GD-LIMS)
Eierleggend pluimvee, etiologie
Ziekteverwekker
paragallinarum
anatis
Totaal aantal secties eierleggend pluimvee
* Pluimveetypen: LF + SF + LV + SV + LL (voor afkortingen, zie tabel 2.2).
Tabel 5.15 Percentage diagnoses (etiologie) met betrekking op respiratie t.o.v. totale aantal sectie-inzendingen voor opfok-pluimvee* (reguliere secties, 2023-2025) (Bron: GD-LIMS)
Opfok-pluimvee, etiologie

Ziekteverwekker
aantal secties opfok-pluimvee, excl. eendagskuikens
* Pluimveetypen: OLF + OSF + LO + SO + OL (voor afkortingen, zie tabel 2.2).
5.6.4 Diagnosegroep ‘respiratie’: proactieve secties (secties voor peildierenartsenpraktijken)
In deze paragraaf worden de secties besproken waarbij de peilpraktijken ‘respiratieproblemen’ hadden opgegeven als klacht.
Proactieve secties: respiratieproblemen
en overig (n=4)
Figuur 5.21 Het percentage secties in de proactieve monitoring waarbij respiratieproblemen de reden voor inzenden waren (n=19) (peilpraktijken, 2025) (Bron: GD-LIMS)
5.6.4.1 Pluimvee - vleessector
Van de 159 inzendingen van kippen uit de vleessector waren er 11 (7%) naar aanleiding van respiratieproblemen; dit betrof 6 keer trager groeiende vleeskuikens, 4 inzendingen reguliere kuikens en 1 keer vleesvermeerderingskippen.

5.6.5 Diagnosegroep ‘respiratie’: contacten met de Veekijker Pluimvee Van de contacten met de Veekijker Pluimvee in 2025 die betrekking hadden op specifieke aandoeningen, betrof het in 55 procent van de gevallen contact over een respiratoire aandoening (zie tabel 5.6 in paragraaf 5.4.2).
Figuur 5.22 geeft de verdeling van de contacten in de categorie ‘respiratie’ weer voor de periode 2023 tot en met 2025. De Veekijker Pluimvee werd het meest benaderd voor aviaire influenza, wat in lijn der verwachting is gezien de rol van GD in de influenza-monitoring en uitbraken van hoogpathogene AI vanaf eind 2020. GD werd in het tweede halfjaar van 2025 ook in verhoogde mate benaderd over ILT, wat voortkomt uit de sterke toename in uitbraken van ILT vanaf september tot half december 2025 (zie paragraaf 5.6.6.2).
Contacten met de Pluimveekijker: respiratie
Overig
TRT
Pasteurella
NCD
M. synoviae
M. gallisepticum
ILT
IB
AI contacten (%)
Coryza
periode
Figuur 5.22 Percentage contacten met de Veekijker Pluimvee over respiratoire aandoeningen t.o.v. het totale aantal contacten over een specifieke aandoening (2023-2025) (Bron: CRM)
5.6.6 Nadere bespreking van enkele belangrijke aandoeningen binnen de diagnosegroep ‘respiratie’
5.6.6.1 Coryza (´Acute snot´)
Coryza wordt veroorzaakt door een bacterie (Avibacterium paragallinarum) die bij kippen ontsteking van de voorste luchtwegen veroorzaakt. De verschijnselen zijn klachten van het ademhalingsapparaat, dikke, gezwollen sinussen en neusuitvloeiing. In de volksmond wordt deze ziekte dan ook ‘acute snot’ genoemd. Daarnaast kan een licht verhoogde uitval en een daling in legpercentage en voeropname worden waargenomen. Meestal herstellen de dieren zonder ingrijpen binnen enkele weken, maar ze kunnen wel drager blijven.
In 2025 werd voor 259 bedrijven en voor 21 unieke inzenders van niet-commercieel gevogelte onderzoek gedaan op aanwezigheid van A. paragallinarum bij dieren ingezonden voor sectie en/of bij ingezonden swabs. De bacterie werd aangetoond met behulp van PCR-onderzoek en eventueel aanvullende kweek in inzendingen van tien pluimveebedrijven en twaalf inzenders van niet-commercieel gevogelte.
Tabel 5.16 Uitgevoerd onderzoek op Avibacterium paragallinarum bij GD (resultaten PCR-onderzoek) (2025) (Bron: GD-LIMS;EWS)

Onderzoek Avibacterium paragallinarum (AvP)
Pluimveetype Aantal unieke inzenders* Aantal inzendingen Aantal PCRtesten
INGEZONDEN SWABS
SECTIE
gevogelte
* Aantal unieke bedrijven of inzenders van niet-commercieel gevogelte.
Resultaten Aantal unieke inzenders met AvP 2025 Niet aangetoond Aangetoond

Early warning system (EWS) voor Coryza-uitbraken/Avibacterium paragallinarum-besmettingen
In 2025 werden zeventien gevallen van een A. paragallinarum-besmetting gemeld via het EWS (zie figuur 5.23), alle bevestigd of voortkomend uit PCR-onderzoek bij GD.
Early warning system: meldingen van Avibacterium paragallinarum-besmettingen in Nederland
Niet-commercieel gevogelte
Kleine commerciële houderij (<250 stuks pluimvee)
Leghennen - biologisch
Leghennen - met uitloop
Leghennen - zonder uitloop
Figuur 5.23 Aantal meldingen via het early warning system voor Avibacterium paragallinarum-besmettingen in Nederland (bij GD bevestigd) (2023-2025) (Bron: GD-LIMS;EWS)
Het betreft vrijwillige meldingen bij GD. Het betreft dus geen overzicht van alle uitbraken.
Bij de meldingen van A. paragallinarum was er bij zowel commercieel pluimvee als bij het hobbygevogelte diverse keren sprake van geen beeld van Coryza (zie figuur 5.24). Mogelijk was hier sprake van dragerschap*. Dragerschap wordt vaker vastgesteld sinds 2017 door het toepassen van het respiratiepakket (combinatie-PCR voor zes pathogenen).
* Dit zijn dieren die geen ziekteverschijnselen (meer) vertonen, maar de bacterie wel bij zich dragen en uit kunnen scheiden, hetzij in mindere mate dan tijdens een klinische uitbraak. Voor omliggende bedrijven is het risico op transmissie daarom kleiner, maar niet nul. Blijf daarom aandacht houden voor het hygiënemanagement om het risico op insleep te verkleinen.
Let op: in figuur 5.24 wordt het huisvestingstype aangehouden zoals dit bij GD geregistreerd staat. Voor vrije uitloop- en biologische bedrijven hoeft dit niet te betekenen dat de dieren op het moment van de bevinding daadwerkelijk toegang tot de uitloop hadden. Om veterinaire redenen kan de toegang tot de vrije uitloop zijn ontzegd. Zie Leeswijzer of Bijlage II.
In figuur 5.24 zijn de EWS-meldingen opgedeeld in de categorieën ‘geen beeld van Coryza’, ‘Coryza niet uit te sluiten’ en ‘beeld van Coryza’ (zie kader).
Toelichting figuur 5.24:
• Beeld van Coryza: positieve Coryza-PCR, ernstige verschijnselen passend bij Coryza;
• Beeld niet uit te sluiten: positieve Coryza-PCR, milde verschijnselen, echter geen duidelijk Coryza-beeld;
• Geen beeld van Coryza: positieve Coryza-PCR, geen respiratieverschijnselen.
Early warning system: meldingen van Avibacterium paragallinarum-besmettingen in Nederland

meldingen
Commercieel pluimvee
Beeld van Coryza Coryza niet uit te sluiten
Geen beeld van Coryza
Geen koppelbeeld bekend
Niet-commercieel gevogelte
Figuur 5.24 Aantal meldingen via het early warning system voor Avibacterium paragallinarum-besmettingen in Nederland voor commercieel pluimvee (links) en niet-commercieel gevogelte (rechts) (bij GD bevestigd) (2023-2025) (Bron: GD-LIMS; EWS)
Het betreft vrijwillige meldingen bij GD. Het betreft dus geen overzicht van alle uitbraken.
Het belang van serotypering
Vaccinatie is belangrijk in geval van een klinische uitbraak van Coryza. Bij een klinische uitbraak (beeld van Coryza) is het van belang een volgend koppel te vaccineren. De bescherming van het vaccin is afhankelijk van het serotype. Naast de monitoring van het genotype is dus ook monitoring van aanwezige serotypen van belang. Monitoring van het serotype middels sequentieanalyse van het HTMP210-gen is vervangen door een bij GD ontwikkelde multiplex-PCR. Deze test kan de negen bekende serotypen aantonen (A1-A4, B1, C1-C4) en is gevoeliger dan de eerder gebruikte methode. Deze test is ook in staat om bekende serotypen in dragers aan te tonen. Op basis van literatuur is het niet uit te sluiten dat er mogelijk meer serotypen bestaan dan de bekende negen serotypen.
Van achttien AvP-isolaten uit 2025 is serotypering uitgevoerd. De resultaten staan in tabel 5.17.
Tabel 5.17

Resultaten serotypering 18 AvP-isolaten uit Coryza-onderzoek bij GD in 2025 (Bron: GD)
Resultaten geno- en serotypering 18 AvP-stammen 2025
Pluimveetype Beeld
Commercieel Beeld van Coryza -
* Geen Kume serovar A-1 tot A-4, B-1 of C-1 tot C-4 aangetoond.
5.6.6.2 Infectieuze laryngotracheïtis (ILT)
ILT wordt veroorzaakt door een alfaherpesvirus. Een kip die geïnfecteerd is met ILT-(vaccin)virus is levenslang drager van dit virus. Bij perioden met verminderde afweer, kan reactivatie van het virus optreden, waarna virus wordt uitgescheiden (en kan worden aangetoond). Er zijn wereldwijd sterke aanwijzingen dat uitbraken van ILT kunnen worden veroorzaakt door virusstammen die hun oorsprong hebben in vaccins. Aangenomen wordt dat ILT-virus meer ziekteverwekkend kan worden als het passeert over kippen. Ook uitbraken met ILT-wildtype (niet-vaccingerelateerde) stammen worden gerapporteerd. Met de ILT-SNP-PCR kan op basis van een specifiek stukje in het virusgenoom onderscheid worden gemaakt tussen veld- en ‘vaccin-like’-stammen. Omdat vleeskuikens in het algemeen niet tegen ILT worden gevaccineerd, zijn met name vleeskuikens gevoelig voor ILT-besmettingen, waarbij op sommige bedrijven forse schade kan ontstaan. Naast de levende vaccins, die kunnen worden gedetecteerd met de ILT-SNP-PCR, zijn er ook recombinante vaccins beschikbaar. Deze vaccins worden niet aangetoond met de ILT-SNP-PCR.
In 2025 ontving GD van 263 pluimveebedrijven en 22 unieke inzenders van niet-commercieel gevogelte materiaal (dieren voor sectie of swabs) waarbij de ILT-SNP-PCR werd ingezet. Deze PCR kan onderscheid maken tussen veld- en vaccinstammen (voor een toelichting: zie kader in deze paragraaf). Resultaten van het ILT-PCR-onderzoek staan in tabel 5.18.
Tabel 5.18 Resultaten PCR-onderzoek op ILT bij GD (2025) (Bron: GD-LIMS;EWS)
Onderzoek infectieuze laryngotracheïtis (ILT)
Pluimveetype Aantal unieke inzenders* Aantal inzendingen Aantal PCRtesten
INGEZONDEN SWABS

Reproductiesector - vlees, incl. opfok
Reproductiesector -
incl. opfok
Totaal commercieel pluimvee
Totaal nietcommercieel gevogelte
* Aantal unieke bedrijven of inzenders van niet-commercieel gevogelte.
inzenders

Early warning system (EWS) voor ILT
In 2025 werden 39 EWS-meldingen van ILT gedaan (zie figuur 5.25), in 37 gevallen toonde GD ILT-wildtype aan, in twee gevallen werd ILT-vaccin-like aangetoond in combinatie met kliniek in het koppel. De meeste meldingen waren in het derde en vierde kwartaal en met name in de regio van de Gelderse Vallei (postcodegebieden 37, 38 en 67). Nader onderzoek naar epidemiologische verbanden tussen de uitbraken loopt nog.
Early warning system:
meldingen van ILT met kliniek en/of wildtype-virus in Nederland
Niet - commercieel gevogelte
Vleeskuikens - trager groeiend ras
Vleeskuikensregulier
Vleeskuikensonbekend
Reproductiesectorvlees
Leghennen zonder uitloop (LLU/LLB)
Leghennen zonder uitloop (LLV/LLK/LLZ)
Opfok-leghennen
Reproductiesectorleg
Toelichting: het belang van een positieve PCR-uitslag bij ILT ILT is een virale voorste luchtwegaandoening bij pluimvee die tot ernstige ziekteverschijnselen kan leiden. Met de ILT-SNP-PCR van GD kan onderscheid gemaakt worden of de uitbraak veroorzaakt wordt door een wildtype ILT-virus of een (CEO)vaccin-like virus. Bij een positieve PCR (wildtype of CEO-vaccin-like) moet het resultaat van de PCR altijd samen met het klinisch beeld worden beoordeeld. Bij een bevinding van een vaccin-like of wildtypevirus in aanwezigheid van klinische symptomen, is het uitscheidingsniveau van het virus hoog en vormt de uitbraak een risico voor omliggende bedrijven. GD meldt de bevinding in het EWS-systeem richting pluimveedierenartsen en brengt het veld op de hoogte om verdere verspreiding van het virus naar de omgeving te voorkomen. Het aantonen van wildtypevirus zonder duidelijke klinische verschijnselen van ILT, is een teken dat er wildtypevirus voorkomt in de omgeving van de dieren. Wanneer de dieren goed beschermd zijn, hoeft deze blootstelling niet tot een uitbraak te leiden. Het uitscheidingsniveau van het wildtype ILT-virus is in een dergelijk koppel laag en levert mogelijk geen verhoogd risico op voor de omgeving. Echter, de bevinding is wel indicatief voor een risicovolle bron in de buurt van het bedrijf (bijvoorbeeld hobbypluimvee). Om deze reden meldt GD deze bevindingen wel in het EWS-systeem richting pluimveedierenartsen, maar wordt de pluimveesector verder niet geïnformeerd. aantal meldingen periode
Figuur 5.25 Aantal meldingen via het early warning system voor ILT-besmettingen in combinatie met kliniek dan wel detectie van wildtype-virus in Nederland (bij GD bevestigd) (2023-2025) (Bron: GD-LIMS;EWS) Voor afkortingen bij leghennen, zie tabel 2.2. Het betreft vrijwillige meldingen bij GD. Het betreft dus geen overzicht van alle uitbraken.
Resultaten ILT-DIVA-PCR-onderzoek bij GD voor commercieel pluimvee, met of zonder melding van kliniek Detecties van vaccine-like virus zonder klinische verschijnselen worden niet gemeld in het EWS-systeem, het is namelijk bekend dat het CEO-vaccin gedurende langere periode tot positieve PCR (vaccinstam) resultaten kan leiden. Ook is bekend dat het CEO-vaccin kan spreiden (binnen het gevaccineerde koppel en naar nietgevaccineerde koppels), kan toenemen in virulentie en in het verleden tot uitbraakepisodes van ILT heeft geleid. Om de kans hierop te verkleinen, is het advies om het CEO-vaccin secuur toe te dienen middels oogdruppel en heeft de sector zich sinds 2024 ingespannen om minder vaak het CEO-vaccin te gebruiken. Deze inspanningen zijn terug te zien in de langetermijnresultaten van de ILT-monitoring (te zien in tabel 5.19), waarbij er in 2025 beduidend minder detecties van ILT-vaccinstam zijn bij leggende hennen. Door de situatie in de tweede helft van 2025, gekenmerkt door de uitbraken met wildtypevirus, was het noodzakelijk om het CEO-vaccin toe te voegen aan het vaccinatieschema. De monitoring in 2026 zal leren of het CEO-vaccin weer vaker aangetoond zal worden als gevolg van deze aanpassing van de ILT-vaccinatiestrategie.

Tabel 5.19 Resultaten ILT-DIVA-PCR-onderzoek bij GD voor commercieel pluimvee, met of zonder melding van kliniek (2022-2025) (Bron: GD-LIMS;EWS)
Commerciële houderij
Vleeskuikens
• met kliniek
• zonder melding
• met kliniek
Leggende hennen en opfok (leg en vlees)
Aantal
• met kliniek
• zonder
• zonder

5.6.6.3
Mycoplasma synoviae (Ms)
Mycoplasma synoviae
Mycoplasma synoviae (Ms) komt voor bij kippen en kalkoenen. Naast stammen die affiniteit hebben met het respiratieapparaat en aanleiding kunnen geven tot respiratoire problemen, zijn er ook stammen die affiniteit hebben met gewrichten en de eileiders. Met name deze laatste stammen veroorzaken economische schade. De gewrichtsstammen geven aanleiding tot ontsteking van de gewrichten en pezen. De eileiderstam veroorzaakt eipuntschaalafwijkingen (EPS) die leiden tot verhoogde breuk en indirecte en directe eiproductiedaling
In tabel 5.20 worden de data weergegeven van de Ms-monitoring in 2025.
Tabel 5.20 Aantal Ms-positieve inzendingen en prevalentie van bedrijven met één of meer Ms-positieve koppels op basis van bloedonderzoek en/of differentiërende Ms-PCR (2025) (Bron: GD-LIMS)
A Meerdere inzendingen kunnen afkomstig zijn van één koppel.
B Koppels waarbij één of meer pool(s) in de Ms-differentiërende PCR de volgende uitslag hadden: Ms-vaccinstam aanwezig en Ms-veldstam aanwezig; of: 2) Ms-vaccinstam afwezig en Ms-veldstam aanwezig.
C Meer positieve serologie door toepassing van een dood Ms-vaccin. Dood Ms-vaccin geeft aanleiding tot positieve serologie.

Tabel 5.21 Prevalentie Ms-positieve bedrijven (één of meer Ms-positieve koppels op basis van bloedonderzoek en/of differentiërende Ms-PCR) in 2023-2025 (Bron: GD-LIMS)
Pluimveetype
Vleeskuikens
Bedrijfsniveau
Onderzocht via Ms-serologie en/of -PCR
A Koppels waarbij één of meer pool(s) in de Ms-differentiërende PCR de volgende uitslag hadden: Ms-vaccinstam aanwezig en Ms-veldstam aanwezig; of: 2) Ms-vaccinstam afwezig en Ms-veldstam aanwezig.
B Betreft één bedrijf.
C Meer positieve serologie door toepassing van een dood Ms-vaccin. Dood Ms-vaccin geeft aanleiding tot positieve serologie.
5.6.6.4
IB wordt veroorzaakt door een coronavirus, waarvan in het veld verschillende stammen voorkomen. Afhankelijk van onder andere de stam, de leeftijd ten tijde van infectie en de genetische achtergrond van de kip worden onder andere de luchtwegen, de nieren en de eileider in meer of mindere mate aangetast.
In 2025 werden van 327 pluimveebedrijven en 19 inzenders van niet-commercieel gehouden gevogelte 498 inzendingen (dieren voor sectie of ingezonden materiaal voor PCR-onderzoek) onderzocht op de aanwezigheid van IB-virus met PCR. Bij 248 inzendingen (50% van de inzendingen) kon IB-virus (één stam of een combinatie van stammen) worden aangetoond. In de meeste van de in totaal 498 inzendingen waren de monsters afkomstig van bedrijven met vleeskuikens (n=139) of leghennen (n=230).

Vleeskuikens: % gevonden IB-stammen op UBN-niveau t.o.v. totaal aantal ingezette IB-PCR-testen op UBN-niveau
n = aantal unieke bedrijven (UBN-niveau) waarbij een IB-PCR-test is ingezet
Figuur 5.26 Overzicht van bij GD aangetoonde IB-virusstammen (getypeerd) bij vleeskuikens (op UBN-niveau) (2023-2025) (Bron: GD-LIMS)
Leghennen: % gevonden IB-stammen op UBN-niveau t.o.v. totaal aantal ingezette IB-PCR-testen op UBN-niveau
n = aantal unieke bedrijven (UBN-niveau) waarbij een IB-PCR-test is ingezet
Figuur 5.27 Overzicht van bij GD aangetoonde IB-virusstammen (getypeerd) bij leghennen (op UBN-niveau) (2023-2025) (Bron: GD-LIMS)
Genotypering IBV-stammen
In 2025 werd een enkele keer IBV-stam variant 2 aangetoond in Nederland. Dit is een stam die al langer in andere Europese landen gezien wordt en in hoge mate in andere delen van de wereld waaronder het Midden-Oosten en Noord-Afrika. Tot dit jaar zagen we echter geen problemen met dit serotype in Nederland. Of de stam in de toekomst belangrijk gaat worden in onze regio is niet met zekerheid te zeggen, maar vooralsnog gaat het om een enkele bevinding en lijkt er dus geen sprake te zijn van snelle en uitgebreide spreiding in Nederland.

Eind december werd bij een sectie op 8 weken oude trager groeiende vleeskuikens nierzwelling gezien, geassocieerd met vermeerdering van IBV-QX(D388) in de nieren. QX/D388 is een zogenaamde ‘nefropathogene’ IBV-stam, wat inhoudt dat deze nierschade kan veroorzaken. Dit is echter afhankelijk van meerdere factoren en komt in de regel enkel bij hele jonge kuikens voor. In het huidige geval waren de dieren een stuk ouder. Dit is dan ook een afwijkend ziektebeeld en kan wijzen op nieuw gedrag van deze IBV-stam. Er wordt gemonitord of dit vaker voor gaat komen, en wanneer mogelijk zal de stam geïsoleerd worden voor nadere typering.
Figuren 5.28 en 5.29 tonen fylogenetische bomen voor IBV-stammen die bij GD zijn aangetoond bij vleeskuikens en leghennen. Wanneer in deze figuren een stam (weergegeven als een bolletje) met een langere (en vooral een groeiende) staart aan een grotere bol (cluster van stammen) vastzit, dan is dit een IBV-stam die aan het veranderen is. Aan de hand van deze figuren kan in de gaten worden gehouden of de circulerende IBV-stammen genetisch aan het veranderen zijn en of nader onderzoek noodzakelijk is.

IBV bij vleeskuikens (2021 - 2025)
2021-2022 + referentiestammen
Toelichting figuur:
Grotere bollen met meerdere punten: meerdere isolaten die op basis van het geanalyseerde DNA-fragment niet te onderscheiden zijn van elkaar. De afstand tussen de verschillende bollen (gemeten over de verbindingslijnen) geeft de mate van overeenkomst aan. Hierbij geldt, hoe korter de afstand, hoe groter de overeenkomst.
Voor de leesbaarheid van de figuur zijn isolaten met identieke sequenties per jaar gereduceerd tot maximaal drie per jaar.
Bollen: aantal IBV-isolaten
1 isolaat
2 isolaten* 4 isolaten* >4 isolaten* (elke taartpunt = 1 isolaat)
Figuur 5.28 Fylogenetische boom van door GD aangetoonde IB-veld- en vaccinstammen inclusief aangetoonde IBV-stammen bij Nederlandse vleeskuikenbedrijven in de periode 2023-2025 (gekleurde bolletjes) (Bron: GD) -

IBV bij leghennen (2021 - 2025)
Toelichting figuur: Grotere bollen met meerdere punten: meerdere isolaten die op basis van het geanalyseerde DNA-fragment niet te onderscheiden zijn van elkaar. De afstand tussen de verschillende bollen (gemeten over de verbindingslijnen) geeft de mate van overeenkomst aan. Hierbij geldt, hoe korter de afstand, hoe groter de overeenkomst.
Voor de leesbaarheid van de figuur zijn isolaten met identieke sequenties per jaar gereduceerd tot maximaal drie per jaar.
IS/1494/06
Bollen: aantal IBV-isolaten
1 isolaat
2 isolaten* 4 isolaten* >4 isolaten* (elke taartpunt = 1 isolaat)
Figuur 5.29 Fylogenetische boom van door GD aangetoonde IB-veld- en vaccinstammen inclusief aangetoonde IBV-stammen bij Nederlandse leghennenbedrijven in de periode 2023-2025 (gekleurde bolletjes) (Bron: GD)
5.6.6.5 Pasteurella multocida
Pasteurellose, ook wel ‘vogelcholera’ genoemd, is een ziekte die vooral bij leghennen voorkomt. Incidenteel komt het ook voor bij vermeerderingsdieren, kalkoenen of vleeskuikens. De ziekte wordt veroorzaakt door de bacterie
Pasteurella multocida; binnen deze bacteriesoort verschilt het ziekmakend vermogen afhankelijk van de stam en de gastheer. Er worden twee ziektebeelden met pasteurellose geassocieerd: acute en chronische pasteurellose. Na een besmetting blijven er dragers in het koppel aanwezig.
In 2025 toonde GD P. multocida aan in sectie op pluimvee van elf koppels (zeven unieke bedrijven). Van deze elf koppels waren er acht slachtvermeerderingskoppels op verschillende bedrijven met één gemeenschappelijke bron. Bij deze acht koppels vertoonden vooral de hanen verschijnselen in de chronische uitingsvorm, met ontstoken kopversierselen en gewrichtsontstekingen.

Eenden
Leghennen - biologisch
Leghennen - met uitloop
Leghennen - zonder uitloop
Vleesvermeerdering
Figuur 5.30 Aantal bij GD aangetoonde Pasteurella multocida-besmettingen (op koppelniveau) (2023-2025) (Bron: GD-LIMS)
Let op: in de figuur wordt het huisvestingstype aangehouden zoals dit bij GD geregistreerd staat. Voor vrije uitloop- en biologische bedrijven hoeft dit niet te betekenen dat de dieren op het moment van de bevinding daadwerkelijk toegang tot de uitloop hadden. Om veterinaire redenen kan de toegang tot de vrije uitloop zijn ontzegd. Zie Leeswijzer of Bijlage II
Melding aan de NVWA
Exportafspraken met Japan maken dat onderstaande gevallen van pasteurellose bij pluimvee door GD bij de NVWA gemeld worden als voldaan wordt aan de genoemde criteria.
Criteria voor meldingen aan de NVWA
Acute vogelcholera: ernstig zieke dieren, cyanose, verminderde voeropname en sterfte (>0,5 procent per 2 dagen) en bij sectie een duidelijk sepsisbeeld, longoedeem, longontsteking, buikvliesontsteking met haardjes in de lever.
Chronische pasteurellose: dikke lellen bij meer dan 5 procent van de dieren en verhoogde uitval (> 1 procent per week) met op sectie chronische buikvliesontsteking/luchtzakontsteking met necrosehaarden in de lever.

5.6.6.6
TRT is een ziekte die veroorzaakt wordt door een aviair metapneumovirus (aMPV). TRT-infecties komen vooral voor bij kalkoenen, maar ook kippen kunnen worden geïnfecteerd en daarna ziek worden. Bij kalkoenen kunnen ernstige ademhalingsproblemen ontstaan (niezen, proesten, neusuitvloeiing, waterige ogen en vaak gezwollen sinussen en legdaling bij vermeerderingsdieren) en de uitval kan hoog oplopen, zeker wanneer de infectie samengaat met secundaire bacteriële infecties. Het virus dat TRT veroorzaakt, maakt de dieren gevoeliger voor bacteriële infecties zoals bijvoorbeeld mycoplasma, E. coli, O. rhinotracheale en pasteurellose. Bij kippen (vleeskuikens, fok-, vermeerderings- en legkippen) kan TRT-virus in het begin lichte ademhalingsproblemen geven, gevolgd door natte ogen en neurologische verschijnselen (draainekken). Bij leggende dieren kan een legdaling van 5 tot 30 procent optreden en kan de broeduitkomst verlaagd zijn. Van het TRT-virus zijn vier typen bekend, waarvan er twee (type A en B) relevant zijn voor Nederland. Onderscheid tussen veld- en vaccinvirus kan alleen gemaakt worden indien het aangetoonde type niet overeenkomt met het type in het gebruikte vaccin.
In 2025 is van 282 verschillende pluimveebedrijven en 22 unieke inzenders van niet-commercieel gevogelte materiaal onderzocht op de aanwezigheid van TRT-virus (ingezonden swabs/FTA cards of pluimvee voor sectie). TRT werd aangetoond bij achttien* pluimveekoppels van twaalf unieke pluimveebedrijven en van één inzender van een bedrijf met siervogels voor de verkoop.
* Indien meerdere koppels op één uniek bedrijf in een korte periode positief worden gevonden, kan dat worden gezien als één uitbraak.
TRT type A aangetoond
De besmettingen betrof bij tien bedrijven en vijf inzenders van niet-commercieel gevogelte TRT van het type B en bij drie bedrijven en bovengenoemd handelsbedrijf TRT-type A. Het aantonen van TRT-type A is uitzonderlijk, de laatste detecties waren in 2021, bij drie verschillende vleeskuikenbedrijven.
TRT-PCR
Omdat luchtwegverschijnselen door TRT op het oog veelal niet te onderscheiden zijn van andere ziekteverwekkers, is aanvullend onderzoek nodig om de diagnose te kunnen stellen. GD heeft een PCR-pakket ontwikkeld met de meest voorkomende respiratoire ziekteverwekkers. Hierbij worden zes verwekkers van respiratoire aandoeningen onderzocht, waaronder TRT. In sommige gevallen wordt TRT aangetoond zonder dat er sprake is van een klinische uitbraak, bijvoorbeeld wanneer een infectie plaatsvindt in een goed gevaccineerd koppel leghennen. Omdat de data naast sectie-inzendingen bij GD ook afkomstig zijn van monsters ingezonden voor PCR (zonder anamnese en beschrijving van het klinisch beeld), is onbekend in hoeveel gevallen een positieve PCR gepaard gaat met klinische verschijnselen door TRT. De PCR maakt geen onderscheid tussen vaccin- en veldstammen. In het geval van levende vaccins kan vaccinvirus worden aangetoond met de PCR. De meeste levende vaccins beschikbaar in Nederland bevatten TRT van het type B.

Tabel 5.22 Positieve TRT-PCR: bedrijven en koppels (2023-2025) (Bron: GD-LIMS)
Pluimveetype Resultaten positieve TRT-PCR bij GD
Aantal inzendingen
* In geval van niet-commercieel-gevogelte: het aantal unieke inzenders.
De positieve koppels/gevallen van niet-commercieel gehouden gevogelte uit tabel 5.22 komen terug in figuur 5.30.
GD: TRT - besmettingen vastgesteld met PCR (op koppelniveau)
periode en TRT - type
n =aantal inzendingen van materiaal voor TRT-PCR-onderzoek en aantal secties waarbij TRT-PCR is uitgevoerd Aantal PCR-testen: [2021=1.008], [2022=1.309], [2023=1.116], [2024=892] en [2025=620]. aantal TRTpositieve koppels
Niet-commercieel gevogelte
Kalkoenen
Leghennen
Opfok-leghennen
Legvermeerdering
Vleeskuikens
Vleesvermeerdering
Vleesfok
Figuur 5.31 Aantal TRT-besmettingen per productietype op koppelniveau, vastgesteld bij GD via de PCR-methode (2021-2025) (Bron: GD-LIMS)
Vaccinatie tegen TRT
Vaccinatie tegen TRT is mogelijk. Het advies bij vleeskuikens is om enkel te vaccineren in gevallen van een bevestigde TRT-infectie van significante omvang in het verleden. Het vaccin heeft de mogelijkheid om ziekte te verwekken wanneer het verspreidt, het is daarom noodzakelijk om de vaccinatie met zorg toe te dienen. Daarnaast wordt de effectiviteit van de vaccinatie verminderd door andere (gelijktijdige) vaccinaties, waardoor het toevoegen van een TRT-vaccinatie ingrijpende effecten kan hebben op het vaccinatieschema.

5.7 Trends in locomotie-aandoeningen (bewegingsapparaat)
5.7.1 Hoofdpunten trends locomotie
• Peesschedeontsteking door reovirus is in 2025 de meest frequente oorzaak van locomotieproblemen bij vleeskuikens.
5.7.2 Diagnosegroep ‘locomotie’: CRA-VMP-data
In 2025 werd van 2.428 vleeskuikenkoppels (op stalniveau), met een geregistreerd koppelbeeld en afvoerdatum in 2025, een antibioticumvoorschrift gemeld in CRA-VMP. Van de 1.864 gemelde regulier gehouden koppels werd voor 322 koppels een afwijking binnen de diagnosegroep ´locomotie´ gemeld, van de 564 gemelde trager groeiende koppels werd van 61 vleeskuikenstalkoppels een afwijking in deze categorie gemeld.
Antibioticumgebruik naar aanleiding van locomotieklachten blijft onverminderd laag bij trager groeiende kuikens, en alhoewel de dalende trend van de afgelopen jaren bij de reguliere kuikens gestagneerd is, stijgt het gebruik daar niet (zie figuur 5.32 en figuur 5.3 in paragraaf 5.2). Het aantal voorschrijvingen bij de andere diagnosegroepen, en vooral bij ‘eersteweeksproblemen’ liet een duidelijke stijging zien in 2025 (zie eveneens figuur 5.3 in paragraaf 5.2).
Percentage stalkoppels (vleeskuikens) met een antibioticamelding per maand binnen de diagnosegroep locomotie
Regulier
Trager groeiend
Trendlijn (regulier)
Trendlijn (trager groeiend)
Jaar en maand
REG = aantal gemelde vleeskuikenstalkoppels regulier concept; TG = aantal gemelde vleeskuikenstalkoppels trager groeiend concept. Figuur 5.32 Percentage vleeskuikenkoppels (op stalniveau) met een geregistreerd koppelbeeld binnen de diagnosegroep ‘locomotie’ en een antibioticumvoorschrift als aandeel van het totaal aantal geregistreerde koppels in KIP per maand (2020-2025) (Bron: CRA-VMP)

In figuur 5.33 staat welke diagnoses zijn vastgelegd bij de stalkoppels met locomotieproblemen en een antibioticumvoorschrift. Per koppel kunnen meerdere diagnoses zijn gesteld. Het totaalpercentage van de meldingen kan dus meer dan 100 procent zijn. Als voorbeeld van hoe de figuur te lezen: bij 107 regulier gehouden stalkoppels vleeskuikens werd een melding gedaan van artritis (gewrichtsontsteking), het betreft 33 procent van de 322 regulier gehouden stalkoppels waarbij een vorm van een locomotiestoornis is gemeld.
Bij de trager groeiende kuikens is tenosynovitis geen belangrijke reden meer voor het voorschrijven van antibiotica (25% in 2024 en 7% in 2025; zie figuur 5.33). De procentuele veranderingen bij trager groeiende kuikens moeten echter voorzichtig geïnterpreteerd worden, aangezien het totale aantal voorschrijvingen voor locomotieproblemen bij deze dieren zeer laag is.
Bij reguliere vleeskuikens vormen afgebroken heupkoppen, net als in 2024, de belangrijkste reden voor behandelingen bij locomotieproblemen (50%). Afbrekende heupkoppen bij vleeskuikens kunnen indicatief zijn voor ‘bacteriële chondronecrose en osteomyelitis’, een aandoening waarbij bacteriën voor verval van weefsel in de groeiplaat bij de heupkop zorgen, die hierdoor af kan breken.
Afgebroken heup
Pericarditis locomotie
Artritis
Hakgewricht ontsteking
Synovitis
Tenosynovitis
Osteomyelitis
Wervelafwijking (o.a. T6)
Tibiale dyschondroplasie
CRA - VMP: locomotie
Trager groeiend
Regulier
Percentage stalkoppels
REG = aantal gemelde vleeskuikenstalkoppels regulier concept; TG = aantal gemelde vleeskuikenstalkoppels trager groeiend concept. Pericarditis=hartzakontsteking*; artritis=gewrichtsontsteking; synovitis=hakpeesschede ontsteking; tenosynovitis=ontsteking peesschede; osteomyelitis=ontsteking beenmerg.
Figuur 5.33 Aantal gemelde vleeskuikenkoppels (op stalniveau) en een antibioticumvoorschrift, per diagnose binnen de diagnosegroep ‘locomotie’ (2025) (nREG =322; nTG =61) (Bron: CRA-VMP)
* Hartzakontstekingen komen voor in zowel de diagnosegroep ‘locomotieproblemen’ als in de diagnosegroepen ‘respiratie’ (zie paragraaf 5.6.2) en ‘algemene stoornissen/overige problemen’ (zie paragraaf 5.9.2).

5.7.3 Diagnosegroep ‘locomotie’: reactieve secties (reguliere secties) Van de 624 secties in 2025 op commercieel pluimvee had 39 procent een diagnose die betrekking had op een aandoening aan het bewegingsapparaat. Het gaat met name om vleeskuikens, waar sinds 2022 een sterke stijging wordt gezien van inzendingen met locomotieklachten (tabel 5.23) die geheel kan worden verklaard door reovirustenosynovitis (peesschedeontstekingen veroorzaakt door reovirus, tabel 5.24).
Tabel 5.23 Percentage sectie-inzendingen (commercieel pluimvee) met een diagnose die betrekking heeft op locomotie (reguliere secties, 2023-2025) (Bron: GD-LIMS)
Pluimveetype
sectie-inzendingen ‘Locomotie’
In tabel 5.24 tot en met 5.26 staan de percentages diagnoses die werden gesteld bij de secties op vlees- en legpluimvee (exclusief secties op eendagskuikens) met een diagnose die betrekking had op het bewegingsapparaat.
Tabel 5.24 Percentage diagnoses (etiologie) met betrekking op het bewegingsapparaat t.o.v. totale aantal sectie-inzendingen voor vleeskuikens (exclusief eendagskuikens) (reguliere secties, 2023-2025) (Bron: GD-LIMS)
Vleeskuikens, etiologie
Ziekteverwekker
Abces wervelkolom/kinkyback
Bacteriële chondronecrose en ontsteking beenmerg
Botontsteking (osteomyelitis)
Gewrichtsontsteking (artritis)
Loslatende dijbeenkop (epifysiolysis)
Peesschedeontsteking (synovitis/tenosynovitis)
Rachitis(achtige verschijnselen)
Tibiale dyschondroplasie 0,8%
Varus/valgus-deviatie 1,6% 0,4% 3,4%
Voetzoolontsteking 2,4% 0,4% 0,0%
Overig 1,1% 2,5% 2,3%
Totaal aantal secties vleeskuiken, excl. eendagskuikens

Tabel 5.25 Percentage diagnoses (etiologie) met betrekking op het bewegingsapparaat t.o.v. totale aantal sectie-inzendingen voor eierleggend pluimvee* (reguliere secties, 2023-2025) (Bron: GD-LIMS)
Eierleggend pluimvee, etiologie
Ziekteverwekker
(artritis)
Peesschedeontsteking (synovitis/tenosynovitis)
verschijnselen
aantal
* Pluimveetypen: LF + SF + LV + SV + LL (voor afkortingen, zie tabel 2.2).
Tabel 5.26 Percentage diagnoses (etiologie) met betrekking op het bewegingsapparaat t.o.v. totale aantal sectie-inzendingen voor opfok-pluimvee* (reguliere secties, 2023-2025) (Bron: GD-LIMS)
Opfok-pluimvee, etiologie
chondronecrose en ontsteking beenmerg
(artritis)
Peesschedeontsteking (synovitis/tenosynovitis)
Rachitisachtige verschijnselen
Spierontsteking (myositis)
Totaal aantal secties opfok-pluimvee, excl. eendagskuikens 107 66 55
* Pluimveetypen: OLF + OSF + LO + SO + OL (voor afkortingen, zie tabel 2.2).
5.7.4 Diagnosegroep ‘locomotie’: proactieve secties (secties voor peildierenartsenpraktijken)
In deze paragraaf worden de secties besproken waarbij de peilpraktijken ‘locomotieproblemen’ hadden opgegeven als klacht. In 2025 waren locomotieproblemen met afstand de belangrijkste reden voor deze proactieve inzendingen bij vleeskuikens.
Proactieve secties: locomotieproblemen

secties
Pluimvee vleessector (n=159) Pluimvee legsector (n=101) Eenden (n=47) Kalkoenen (n=0) Niet-commercieel gevogelte en overig (n=4)
Figuur 5.34 Het percentage secties in de proactieve monitoring waarbij locomotieproblemen de reden voor inzenden waren (n=102) (peilpraktijken, 2025) (Bron: GD-LIMS)
5.7.4.1 Pluimvee - vleessector
Van de 159 inzendingen uit de vleessector waren er 87 (55%) naar aanleiding van locomotieproblemen. Dit betrof 23 inzendingen reguliere kuikens, 61 inzendingen trager groeiende kuikens, 2 inzendingen vleesvermeerderingsdieren.
Vleeskuikens
Pro-actieve secties: locomotieproblemen, hoofddiagnoses
Artritis
Draaipoot
Femurkopnecrose of BCO
Marek
Reovirus-tenosynovitis
Overig
Figuur 5.35 De proactieve monitoringsecties bij vleeskuikens met locomotieklachten in 2025 (n=87) opgedeeld in hoofddiagnoses (elke sectie heeft één diagnose gekregen die als belangrijkste gezien wordt voor de locomotieklachten) (peilpraktijken, 2025) (Bron: GD-LIMS)

Reovirus
Bij 55 van de 87 (63%) inzendingen werd tenosynovitis door reovirus vastgesteld als oorzaak van de locomotieproblemen. Reovirus komt veel voor bij jonge kippen en veel stammen zorgen niet voor klinische klachten. Sommige stammen kunnen echter, wanneer zij onbeschermde jonge dieren infecteren, aanleiding geven tot peesschedeontsteking (tenosynovitis). Dieren die dit hebben, vertonen een afwijkende gang, staan ‘stijf’ op de poten, liggen meer en hebben veranderde voeropname en -benutting. Het virus kan veel dieren in een koppel in korte tijd treffen en uitbraken kunnen daardoor op koppelniveau ernstig verlopen. Ook als de dieren klinisch herstellende zijn, is er soms nog sprake van afwijkingen rond of boven de hakgewrichten, die soms pas aan de slachtlijn duidelijk zichtbaar zijn en aanleiding kunnen zijn om het karkas af te keuren. Een uitbraak heeft door al deze facetten naast de forse invloed op de diergezondheid en het dierenwelzijn, potentieel een aanzienlijke financiële impact. Reovirus-tenosynovitis (ontsteking van de peesschede door infectie met reovirus) werd in 2023 tot en met 2025 aanzienlijk meer aangetoond dan in de voorgaande jaren. Een uitgebreidere analyse van het reovirus staat onder paragraaf 5.7.6.1.
Ziekte van Marek
In 5 van de 87 (6%) inzendingen werd Marekvirus als oorzaak van locomotiestoornis aangewezen. Bij vleeskuikens kan het Marekvirus voor aantasting van de hersenen en de perifere zenuwen zorgen, waardoor dieren moeite kunnen krijgen met lopen en zenuwverschijnselen kunnen ontwikkelen. Dit was het geval in drie van de gevallen. Bij de andere twee gevallen was er primair peesschedeontsteking door reovirus, waarbij er een immuunsuppressieve rol vermoed kan worden voor het Marekvirus. In alle gevallen betrof het trager groeiende kuikens.
Bacteriële problemen zoals artritis en BCO
Het aantal keer dat een bacteriesoort gekweekt is uit een ontstoken gewricht (artritis) of uit het beenmerg bij BCO (bacteriële chondronecrose en osteomyelitis) is weergegeven voor de vleeskuikens die met locomotieproblemen ingestuurd zijn voor de proactieve monitoring (tabel 5.27) (zie voor meer informatie paragraaf 5.10; bevindingen vanuit het NVWA-slachtlijnproject).
Tabel 5.27 Het aantal keer dat een bacteriële ziekteverwekker gekweekt is uit een orgaan*, bij vleeskuikens ingestuurd in de proactieve monitoring wegens locomotieproblemen (n=87) (2025) (Bron: GD-LIMS)
* Kweken uit gewrichten waren bij dieren met artritis, kweken uit beenmerg bij dieren met BCO en kweken uit hartzakje, long of luchtzak bij ontsteking in het betreffende orgaan.
Draaipoot
Bij deze aandoening tordeert in de vroege groei de tibiotarsus teveel om de eigen as. Dieren krijgen hierdoor een afwijkende pootstand. Deze ontwikkelingsstoornis heeft geen infectieuze component. Deze secties werden steeds ingestuurd omdat op het bedrijf gevreesd werd voor een beginnende uitbraak van reovirus, omdat er manke dieren gezien werden.
5.7.4.2 Pluimvee - legsector
Slechts twee keer werd vanuit de legsector ingestuurd vanwege locomotieklachten. Het betrof een koppel met chronische enteritis en een koppel met ontsteking van de hersenen door de ziekte van Marek.
5.7.4.3 Pluimvee - eendensector
Er werden 13 keer eenden ingestuurd vanwege locomotieproblemen. Het betrof 11 van de 13 keer (85%) gewrichtsontsteking (artritis) waaruit in 8 gevallen Staphylococcus aureus gekweekt werd. Daarnaast werd er een geval van rachitis en een casus met voetzoolontstekingen ingestuurd.
5.7.5 Diagnosegroep ‘locomotie’: contacten met de Veekijker Pluimvee
Van de contacten met de Veekijker Pluimvee in 2025 die betrekking hadden op specifieke aandoeningen, betrof het in 4 procent van de gevallen contact over een aandoening aan het bewegingsapparaat (zie tabel 5.6 in paragraaf 5.4.2).

Figuur 5.36 geeft de verdeling van de contacten in de categorie ‘locomotie’ weer voor de periode 2023 tot en met 2025. De meeste contacten in de afgelopen jaren gingen over reovirus. De stijging in het aantal contacten over reovirus komt overeen met de stijging in het aantal diagnoses bij secties.
Contacten met de Pluimveekijker: algemeen/overig
Trilziekte
Staphylococcen
Reovirus
Enterokokken
Beenderverweking contacten (%)
periode
Figuur 5.36 Percentage contacten met de Veekijker Pluimvee over locomotie-aandoeningen t.o.v. het totale aantal contacten over een specifieke aandoening (2023-2025) (Bron: CRM)

5.7.6 Nadere bespreking van enkele belangrijke aandoeningen binnen de diagnosegroep ‘locomotie’
5.7.6.1 Reovirus
Reovirus kan bij pluimvee verschillende ziektebeelden veroorzaken. Naast ziekmakende reovirussen zijn er ook reovirussen die aanwezig kunnen zijn zonder dat deze ziekteproblemen geven. Ziekteproblemen worden met name gezien bij vleeskuikens of opfokdieren. De meest bekende aandoening die veroorzaakt wordt door reovirus is peesschedeontsteking. Peesschedeontsteking komt met name voor bij kippen die op jonge leeftijd met een ziekteverwekkend reovirus zijn geïnfecteerd en onvoldoende maternale bescherming hebben. De ziekte komt meestal echter pas vanaf de vijfde levensweek tot uiting. Kuikens worden kreupel, gaan minder eten en groeien minder. Daarnaast kan de afkeur bij slacht zijn verhoogd. Tevens zijn er reovirussen die darmstoornissen of hartspierontsteking kunnen veroorzaken. Deze paragraaf beperkt zich tot peesschedeontsteking door reovirus.
In 2025 werd in 259 sectie-inzendingen de diagnose peesschedeontsteking door reovirus gesteld (zie figuur 5.37). Het betrof 41 inzendingen van reguliere vleeskuikens en 218 inzendingen van vleeskuikens van een trager groeiend ras. Er waren geen inzendingen van overig pluimvee (opfok-vleesreproductie en opfok-leg). Uit navraag blijkt dat niet bij alle reovirusgevallen dieren worden ingezonden, het betreft dus een onderrapportage.
GD: reovirus-tenosynovitis aantal inzendingen met als diagnose virale tenosynovitis
Overig pluimvee
Vleeskuikens (trager groeiend)
Vleeskuikens (regulier)
Figuur 5.37 Aantal inzendingen met de diagnose peesschedeontsteking door reovirus bij reguliere vleeskuikens, trager groeiende vleeskuikens en overig pluimvee (2021-2025) (Bron: GD-LIMS)
Genotypering
Van de gevonden reovirussen is het genotype bepaald op basis van het σ C-gen. De klassieke groepsindeling die GD hanteert, maakt onderscheid in vijf genogroepen, genogroep 1 tot en met 5. In 2026 wordt deze groepsindeling veranderd, waarbij een deel van genogroep 4 wordt ingedeeld als genogroep 6 (zie figuur 5.38).
Van 211 virussen kon het genotype worden vastgesteld:
• 74 van de virussen behoorden tot genogroep 1;
• 17 tot genogroep 2;
• 6 tot genogroep 3;
• 114 tot genogroep 4, waarvan 94 tot genotype 4.7;
• Genogroep 5 werd in 2025 niet gevonden bij gevallen van peesschedeontsteking, maar wel bij één geval waarbij de peesschede niet was aangedaan.

Binnen zowel genotype 4.7 als genogroep 1 vallen een aantal clusters op. Bij vier van deze clusters is sprake van kuikens van hetzelfde diertype die in een korte periode zijn uitgekomen, hetgeen wijst op verticale overdracht. Het vijfde cluster bevat inzendingen van verschillende diertypen en rassen waarbij verticale overdracht uitgesloten is.
In het derde kwartaal viel een sterke toename van het aantal diagnoses van peesschedeontsteking door reovirus bij reguliere kuikens op (zie figuur 5.37). Op basis van de beschikbare genotyperingsgegevens kon geen onderling verband worden vastgesteld.

(2023 - 2025)
Vaccinstam Referentiestam 2023 2024 2025
Toelichting figuur:
Reovirusisolaten i.c.m. peesschedeontsteking in:
Grotere bollen met meerdere punten: meerdere isolaten die op basis van het geanalyseerde DNA-fragment niet te onderscheiden zijn van elkaar. De afstand tussen de verschillende bollen (gemeten over de verbindingslijnen) geeft de mate van overeenkomst aan. Hierbij geldt, hoe korter de afstand, hoe groter de overeenkomst.
Bollen: aantal reovirusisolaten
isolaat
isolaten*
GT= genotype
isolaten* (elke taartpunt = 1 isolaat)
Figuur 5.38 Fylogenetische boom van de door GD aangetoonde reovirussen in geval van peesschedeontsteking periode 2023-2025 (Bron: GD)

5.8.1 Diagnosegroep ‘eersteweeksproblemen’: CRA-VMP-data
In 2025 werd van 2.428 vleeskuikenkoppels (op stalniveau), met een geregistreerd koppelbeeld en afvoerdatum in 2025, een antibioticumvoorschrift gemeld in CRA-VMP. Van de 1.864 gemelde regulier gehouden koppels werd voor 452 koppels een afwijking binnen de diagnosegroep ´eersteweeksproblemen´ gemeld, van de 564 gemelde trager groeiende koppels werd van 259 vleeskuikenstalkoppels een afwijking in deze categorie gemeld.
In 2025 was er een stijging van het percentage stalkoppels waar een antibioticumbehandeling ingezet werd wegens eersteweeksproblemen (figuur 5.39). Deze stijging kwam niet terug in de sectie-inzendingen bij GD, waar over heel 2025 slechts negen keer kuikens met gezondheidsklachten in de eerste levensweek werden ingestuurd. Een vergelijkbaar aantal met eerdere jaren. Als reden voor de behandeling wordt in het overgrote deel van de gevallen dooierrestontsteking genoemd (figuur 5.40). De benodigde diagnostiek hiervoor (bacteriële kweek) is op alle gespecialiseerde pluimveepraktijken in Nederland aanwezig, waardoor er wellicht niet laagdrempelig ingestuurd wordt voor secties binnen de monitoring.
Percentage stalkoppels (vleeskuikens) met een antibioticamelding per maand binnen de diagnosegroep eersteweeksproblemen
Regulier
Trager groeiend
Trendlijn (regulier)
Trendlijn (trager groeiend)
Jaar en maand
REG = aantal gemelde vleeskuikenstalkoppels regulier concept; TG = aantal gemelde vleeskuikenstalkoppels trager groeiend concept. Figuur 5.39 Percentage vleeskuikenkoppels (op stalniveau) met een geregistreerd koppelbeeld binnen de diagnosegroep ‘eersteweeksproblemen’ en een antibioticumvoorschrift als aandeel van het totaal aantal geregistreerde koppels in KIP per maand (2020-2025) (Bron: CRA-VMP)

In figuur 5.40 staat welke diagnoses zijn vastgelegd bij de stalkoppels met eersteweeksproblemen en een antibioticumvoorschrift. Per koppel kunnen meerdere diagnoses zijn gesteld. Het totaalpercentage van de meldingen kan dus meer dan 100 procent zijn. Als voorbeeld van hoe de figuur te lezen: bij 43 regulier gehouden stalkoppels vleeskuikens werd een melding gedaan van navelontsteking (omfalitis), het betreft 10 procent van de 452 regulier gehouden stalkoppels waarbij een eersteweeksprobleem is gemeld.
Dooierrestontsteking
Omfalitis
Onverteerde dooierrest
basis
CRA - VMP: eersteweeksproblemen
Trager groeiend
Regulier
Percentage stalkoppels
REG = aantal gemelde vleeskuikenstalkoppels regulier concept; TG = aantal gemelde vleeskuikenstalkoppels trager groeiend concept. Omfalitis=navelontsteking.
Figuur 5.40 Aantal gemelde vleeskuikenkoppels (op stalniveau) en een antibioticumvoorschrift, per diagnose binnen de diagnosegroep ‘eersteweeksproblemen’ (2025) (nREG =452; nTG =259) (Bron: CRA-VMP)
5.9 Trends in productieproblemen/verhoogde uitval/overige problemen
De informatie uit CRA-VMP, reactieve secties en Veekijkercontacten wordt geordend op het type orgaanafwijkingen of op ziekverwekkers. De informatie uit de proactieve monitoring wordt ingedeeld op basis van de klacht van de veehouder. Hierdoor kan aan de hand van deze secties in beeld worden gebracht wat de bevindingen zijn bij belangrijke klinische problemen zoals ‘verhoogde uitval’ en ‘productieproblemen’. Omdat van deze groepen dus geen informatie uit het CRA-VMP of uit reactieve secties en Veekijkercontacten kan worden gegeven, is gekozen om de trends van productieproblemen en verhoogde uitval, samen met ‘overige problemen’ en ‘algemene stoornissen’ in dit hoofdstuk te bundelen.
De groep ‘overige problemen’ is een verzameling van aandoeningen die niet goed onder andere diagnosegroepen kunnen worden ondergebracht.
5.9.1 Hoofdpunten trends ‘productieproblemen/verhoogde uitval/overige problemen’
• Immuunsuppressieve ziektekiemen (Marekvirus en Gumborovirus) komen voor bij vleeskuikens met tegenvallende groei.
• Infectie met E. coli blijft de belangrijkste diagnose bij inzendingen naar aanleiding van verhoogde uitval bij vleeskuikens, leghennen en eenden.
• Salmonella Enteritidis gaf enkele keren aanleiding tot verhoogde uitval bij leghennen.
• Schimmelinfecties werden relatief frequent vastgesteld bij eenden met verhoogde uitval.
5.9.2 Diagnosegroep ‘algemene stoornissen/overige problemen’: CRA-VMP-data
In 2025 werd van 2.428 vleeskuikenkoppels (op stalniveau), met een geregistreerd koppelbeeld en afvoerdatum in 2025, een antibioticumvoorschrift gemeld in CRA-VMP. Van de 1.864 gemelde regulier gehouden koppels werd voor 1.236 koppels een afwijking binnen de diagnosegroep ´algemene stoornissen/overige problemen´ gemeld, van de 564 gemelde trager groeiende koppels werd van 280 vleeskuikenstalkoppels een afwijking in deze categorie gemeld.

In 2025 was er gedurende het jaar een gestage stijging in het aantal antibioticameldingen bij reguliere kuikens (figuur 5.41). In de verdere uitsplitsing blijkt dit te gaan om gevallen gemeld als ‘beeld van bacteriële besmetting’ (figuur 5.42). Deze beschrijving is op een breed scala aan ziekten van toepassing waardoor de stijging in gebruik moeilijk geduid kan worden. In dezelfde periode nam het aantal behandelingen voor eersteweeksproblemen eveneens sterk toe (zie paragraaf 5.8.1).
Percentage stalkoppels (vleeskuikens) met een antibioticamelding per maand binnen de diagnosegroep Overige/Algemene stoornissen
Regulier
Trager groeiend
Trendlijn (regulier)
Trendlijn (trager groeiend)
REG = aantal gemelde vleeskuikenstalkoppels regulier concept; TG = aantal gemelde vleeskuikenstalkoppels trager groeiend concept. Figuur 5.41 Percentage vleeskuikenkoppels (op stalniveau) met een geregistreerd koppelbeeld binnen de diagnosegroep ‘algemene stoornissen/overige problemen’ en een antibioticumvoorschrift als aandeel van het totaal aantal geregistreerde koppels in KIP per maand (2020-2025) (Bron: CRA-VMP)

In figuur 5.42 staat welke diagnoses zijn vastgelegd bij de stalkoppels met algemene stoornissen/overige problemen en een antibioticumvoorschrift. Per koppel kunnen meerdere diagnoses zijn gesteld. Het totaalpercentage van de meldingen kan dus meer dan 100 procent zijn. Als voorbeeld van hoe de figuur te lezen: bij 342 regulier gehouden stalkoppels vleeskuikens werd een melding gedaan van een hartzakontsteking (pericarditis)*, het betreft 28 procent van de 1.236 regulier gehouden stalkoppels waarbij een algemene stoornis/ overige probleem is gemeld.
Beeld van bacteriele infectie
Pericarditis overig
Buikvliesontsteking
Sepsis
Cellulitis / onderhuidse ontstekingen
Encefalitis
Endocarditis
Achterblijvers
Marekse Ziekte
Dermatitis
CRA - VMP: algemeen/overig
Trager groeiend Regulier
Percentage stalkoppels
REG = aantal gemelde vleeskuikenstalkoppels regulier concept; TG = aantal gemelde vleeskuikenstalkoppels trager groeiend concept. Pericarditis=hartzakontsteking*; sepsis=bloedvergiftiging; encefalitis=hersenontsteking; endocarditis=hartklepontsteking; dermatitis=huidontsteking.
Figuur 5.42 Aantal gemelde vleeskuikenkoppels (op stalniveau) en een antibioticumvoorschrift, per diagnose binnen de diagnosegroep ‘algemene stoornissen/overige problemen’ (2025) (nREG =1.236; nTG =280) (Bron: CRA-VMP)
* Hartzakontstekingen komen voor in zowel de diagnosegroep ‘algemene stoornissen/overige problemen’ als in de diagnosegroepen ‘respiratie’ (zie paragraaf 5.6.1) en ‘locomotieproblemen’ (zie paragraaf 5.8.1).

5.9.3 Diagnosegroep ‘algemene stoornissen/overige problemen’: reactieve secties (reguliere secties)
Van de 624 secties in 2025 op commercieel pluimvee had 34 procent een diagnose die betrekking had op een algemene/overige aandoening.
Tabel 5.28 Percentage sectie-inzendingen (commercieel pluimvee) met een diagnose die betrekking heeft op algemene stoornissen/overige problemen (reguliere secties, 2023-2025) (Bron: GD-LIMS)
Pluimveetype
Percentage sectie-inzendingen ‘Algemene aandoeningen’
Tabel 5.29, 5.30 en 5.31 tonen de percentages van de meest gestelde ‘algemene’ diagnoses bij pluimvee uit de vlees- en legsector in de periode 2023 tot en met 2025 (verzameling van aandoeningen die niet goed onder andere diagnosegroepen kunnen worden ondergebracht).
Tabel 5.29 Percentage diagnoses met betrekking op algemene stoornissen/overige problemen t.o.v. totale aantal sectie-inzendingen voor vleeskuikens (exclusief eendagskuikens) (reguliere secties, 2023-2025) (Bron: GD-LIMS) Diagnose
Lymfodepletie van de bursa Fabricii
Ziekte van Gumboro
Ziekte van Marek
Levergerelateerd Bloedvergiftiging
Buikvliesontsteking/polyserositis
Leverontsteking/perihepatitis 0,3% 0,4% 2,3%
Totaal aantal secties vleeskuiken, excl. eendagskuikens

Tabel 5.30 Percentage diagnoses met betrekking op algemene stoornissen/overige problemen t.o.v. totale aantal sectie-inzendingen voor eierleggend pluimvee* (reguliere secties, 2023-2025) (Bron: GD-LIMS)
Levergerelateerd
Totaal aantal
* Pluimveetypen: LF + SF + LV + SV + LL (voor afkortingen, zie tabel 2.2).
Tabel 5.31 Percentage diagnoses met betrekking op algemene stoornissen/overige problemen t.o.v. totale aantal sectie-inzendingen voor opfok-pluimvee* (reguliere secties, 2023-2025) (Bron: GD-LIMS) Diagnose
en hersenontsteking/zenuwontsteking
van Gumboro
van Marek
aantal secties opfok-pluimvee, excl. eendagskuikens
* Pluimveetypen: OLF + OSF + LO + SO + OL (voor afkortingen, zie tabel 2.2).

5.9.4 Diagnosegroep ‘productieproblemen/verhoogde uitval/overig’: monitoring GD-sectiezaal Data-analyse van de proactieve secties (secties peilpraktijken) omvatten in deze paragraaf de volgende categorieën:
• § 5.9.5: Productieproblemen (enkel data uit proactieve secties)
• § 5.9.6: Verhoogde uitval (enkel data uit proactieve secties)
• § 5.9.7: Overige ziekteproblemen (data uit zowel proactieve als uit reactieve secties)
Productieproblemen en verhoogde uitval zijn enkele van de belangrijkste klinische problemen waarvoor veehouders hun dierenarts benaderen.
Tabel 5.32 Percentage proactieve secties ingezonden wegens productieproblemen en/of verhoogde uitval t.o.v. totaal aantal proactieve secties voor de betreffende pluimveesector (peilpraktijken, 2023-2025) (Bron: GD-LIMS)
Diagnose
Proactieve secties (peilpraktijken)
Productieproblemen en verhoogde uitval
Let op: de percentages voor kalkoenen zijn gebaseerd op een laag aantal secties (2 van de 5 in 2023, 3 van de 6 in 2024; 0 in 2025).
5.9.5 Diagnosegroep ‘productieproblemen’: proactieve secties (secties voor peildierenartsenpraktijken)
Productieproblemen zijn een te lage eiproductie bij eierleggend pluimvee en een te lage gewichtsaanzet bij vleeskuikens of vleeseenden. Klinisch is dit een belangrijke klachtengroep. Omdat reactieve secties (reguliere secties) worden ingedeeld op type sectiediagnose in plaats van klachten (zoals bij peilpraktijkensecties), en omdat een productieprobleem geen diagnose is die op sectie wordt gesteld, wordt hiervoor bij reactieve secties geen paragraaf opgenomen.
Vleeskuikens
In 2025 werd tegenvallende groei bij 8 van de inzendingen als reden opgegeven. Ziekten die de afweer onderdrukken hebben, door samenspel met andere factoren en ziektekiemen, potentieel invloed. De twee belangrijkste immuunsuppressieve aandoeningen bij Nederlandse kippen kwamen allebei voor; Marekvirus bij 3 van de 8 en Gumborovirus bij 2 van de 8 gevallen. Daarnaast waren er ook 2 inzendingen met spiermaagerosies en een geval van virale enteritis.
Leghennen
Eiproductieproblemen bij leghennen werden in 2025 bij 23 inzendingen als reden opgegeven. Bij 12 van de 23 (52%) werd een darmprobleem als belangrijkste diagnose gesteld. Een andere veel voorkomende diagnose was infectie met een IB-virus, wat bij 9 (39%) van de koppels aangetoond werd.
Proactieve secties: productieproblemen

(n=47) Kalkoenen (n=0) Niet-commercieel gevogelte en overig (n=4)
Figuur 5.43 Het percentage inzendingen secties in de proactieve monitoring waarbij productieproblemen de reden voor inzenden waren (n=41) (peilpraktijken, 2025) (Bron: GD-LIMS)
5.9.6 Diagnosegroep ‘verhoogde uitval’: proactieve secties (secties voor peildierenartsenpraktijken)
Vleeskuikens
In 2025 werd verhoogde uitval bij achttien van de inzendingen vleeskuikens als reden opgegeven. In de helft (n=9) van de gevallen ging het om een E. coli-infectie die meestal (n=7) een polyserositis (ontsteking van meerdere sereuze vliezen (zoals het borst-, hart- en buikvlies)) veroorzaakte, al dan niet met BCO (bacteriële chondronecrose en osteomyelitis) en soms (n=2) acute bloedvergiftiging. In de andere helft (n=9) van deze inzendingen werd een scala aan incidentele ziekten aangetoond, waaronder:
• Jicht
• Rachitis
• Peesschedeontsteking door reovirus
• IBH (inclusion body hepatitis) door aviadenovirus
• Marekse ziekte
• Nierontsteking waarbij replicatie van IBV-serotype QX aangetoond werd in de nieren
Leghennen en opfokleg
Verhoogde uitval was in 2025 bij leghennen 41 keer de reden voor inzenden en bij opfokleg 3 keer. Bij de leghennen was infectie met E. coli in circa de helft van de gevallen (n=22) de oorzaak, waarbij vaak een buikvliesontsteking (n=14) werd vastgesteld. Andere belangrijke diagnoses waren:
• Marekse ziekte (n=3)
• Bloedvergiftiging door Salmonella Enteritidis (n=2)

• Vlekziekte (n=2)
• Trauma (onder andere tenenpikkerij, n=3)
Daarnaast waren er nog incidentele gevallen waar ook noemenswaardige ziekten bij zaten zoals:
• ILT
• Pokkendifterie
• Bij de opfokleg-inzendingen werd een enkele keer trilziekte vastgesteld, wat gepaard ging met aantasting van de hersenen.
Eenden
Bij 27 inzendingen van eenden was verhoogde uitval de reden. Dit is 57 procent van het totale aantal inzendingen van eenden (figuur 5.44). Dit is een verschuiving ten opzichte van 2024, toen de hoofdmoot van de inzendingen naar aanleiding van digestie- en productieproblemen was. Deze waren indertijd geassocieerd met infectie met duck circovirus. E. coli werd in 12 van de inzendingen als belangrijkste oorzaak gevonden. Opvallend in 2025 was dat in 8 van de inzendingen een schimmelinfectie aangetoond werd. Daarnaast werden diverse incidentele diagnoses gesteld waaronder Pasteurella multocida, rachitis en duck circovirus met secundaire bacteriële infecties.
Figuur 5.44 toont de secties waarbij de peilpraktijken ‘verhoogde uitval’ hadden opgegeven als klacht.
Proactieve secties: verhoogde uitval
Pluimvee vleessector (n=159)
Pluimvee legsector (n=101) Eenden (n=47) Kalkoenen (n=0) Niet-commercieel gevogelte en overig (n=4)
Figuur 5.44 Het percentage inzendingen secties in de proactieve monitoring waarbij verhoogde uitval de reden voor inzenden waren (n=95) (peilpraktijken, 2025) (Bron: GD-LIMS)

5.9.7 Diagnosegroep ‘overige ziekteproblemen’: proactieve secties (secties voor peildierenartsenpraktijken)
Figuur 5.45 toont de secties waarbij de peilpraktijken problemen aangaven die niet binnen één van de eerder genoemde categorieën passen.
Proactieve secties: overige ziekteproblemen
Pluimvee vleessector (n=159)
Pluimvee legsector (n=101) Eenden (n=47) Kalkoenen (n=0) Niet-commercieel gevogelte en overig (n=4)
diertype
Figuur 5.45 Het percentage inzendingen secties in de proactieve monitoring waarbij de reden voor inzenden niet paste binnen één van de eerdere categorieën (n=30) (peilpraktijken, 2025) (Bron: GD-LIMS)
5.9.8 Diagnosegroep ‘algemene stoornissen/overige problemen’: contacten met de Veekijker Van de contacten met de Veekijker Pluimvee in 2025 die betrekking hadden op specifieke aandoeningen, betrof het in 38 procent van de gevallen contact over een algemene stoornis/overig probleem’ (zie tabel 5.6 in paragraaf 5.4.2). De meeste vragen werden in 2025 gesteld over salmonella gevolgd door Gumboro en Marek.
Contacten met de Pluimveekijker: algemeen/overig
Overig
Salmonella P/G
Salmonella
Riemerella
REV
Pokkendifterie
Mycotoxine/Schimmeltoxine Marek
Leukose
Gumboro
Vlekziekte
E.coli
Campylobacter CAV
Botulisme Adeno
Figuur 5.46 Percentage contacten met de Veekijker Pluimvee over algemene stoornissen/overige problemen t.o.v. het totale aantal contacten over een specifieke aandoening (2023-2025) (Bron: CRM)
5.9.9 Nadere bespreking van enkele belangrijke aandoeningen binnen de diagnosegroep ‘algemene stoornissen/overige aandoeningen’

5.9.9.1 Ziekte van Gumboro
De Ziekte van Gumboro, ook wel infectieuze bursitis of infectious bursal disease (IBD) genaamd, wordt veroorzaakt door het Gumborovirus. De ziekte kan zowel klinisch als subklinisch verlopen en veroorzaakt in beide gevallen veel schade. Het klinisch verloop uit zich door een plotselinge piek in uitval en acuut zieke dieren. Het subklinisch verloop van de Ziekte van Gumboro is soms lastig waarneembaar. Veel genoemde klachten zijn natte stallen, verlaagde technische resultaten en sluimerend verhoogde uitval.
In 2025 ontving GD 275 inzendingen met materiaal (bursa’s of FTA cards) voor Gumboro-PCR-onderzoek of met pluimvee voor sectie waarbij GD de Gumboro-PCR inzette. Een IBDV-veldstam (met veelal 98,1 procent homologie ten opzichte van DV86) werd aangetoond in 90 van de 290 ingezette PCR-onderzoeken afkomstig van 29 unieke pluimveebedrijven.
Tabel 5.33 Resultaten Gumboro-PCR bij GD, uitgevoerd op ingezonden bursa’s of FTA cards, of bursaweefsel (2025) (Bron: GD-LIMS;EWS)
Pluimveetype Aantal unieke inzenders* Aantal inzendingen Aantal PCRtesten Resultaten Gumboro-PCR bij GD 2025 Negatief Niet te typeren Vaccinstam vvIBDV Aantal unieke inzenders met vvIBDVa
INGEZONDEN BURSA’S/SWABS
BURSA’S UIT SECTIE
Reproductiesector
* Aantal unieke bedrijven op UBN-niveau, of aantal unieke inzenders van niet-commercieel gehouden gevogelte.
a vvIBDV = very virulent infectious bursal disease virus.
b Het hoge aantal positieve PCR-resultaten werd veroorzaakt door herhaaldelijke testen bij reeds besmette koppels in het kader van de opvolging van de problematiek.

Early warning system voor Gumboro
In 2025 werden 29 meldingen gedaan van een Gumboro-uitbraak (zie figuur 5.47) (bevestigd via PCR-onderzoek bij GD).
Early warning - meldingen: Gumboro in Nederland
Vleeskuikensongedefinieerd
Vleeskuikenstrager groeiend ras
Vleeskuikensregulier concept
Opfokvleesvermeerdering
Opfok-leghennen
Figuur 5.47 Aantal meldingen via het early warning system voor Gumboro-besmettingen in Nederland (bij GD bevestigd) (2023-2025) (Bron: GD-LIMS;EWS)
Het betreft vrijwillige meldingen bij GD. Het betreft dus geen overzicht van alle uitbraken.
Gumboro-uitbraken bij opfok-leghennen
Vanaf april 2025 ontving GD meerdere meldingen en positieve monsters van opfokleghennen met de ziekte van Gumboro. Gumboro komt jaarlijks frequent voor bij vleeskuikens en een enkele keer bij opfok-leghennen. In 2025 zagen we echter tien bevestigde gevallen van Gumboro bij opfok-leghennen. Dit vraagt om hernieuwde aandacht voor preventie. Cruciaal hierbij is een correcte vaccinatiestrategie, zowel in de broederij als op het bedrijf. Daarnaast blijven goede reiniging, desinfectie en strikte biosecurity van groot belang om jonge dieren te beschermen tegen infectie.
Gumboro-praktijkonderzoek van 2025
Binnen het praktijkonderzoek van 2025 is bevestigd dat Gumboro een relevante impact heeft op het immuunsysteem. Meer informatie is terug te vinden in paragraaf 5.11.6 (§5.6 Praktijkonderzoek 2025).
Genotypering Gumborostammen
Figuur 5.48 toont een fylogenetische boom voor Gumborostammen die bij GD zijn aangetoond. Wanneer in deze figuur een stam (weergegeven als een bolletje) met een langere staart aan een grotere bol (cluster van stammen) vastzit, dan is dit een veranderde stam. Alle hoogvirulente IBDV (vvIBDV) die in Nederland wordt gevonden, draagt de naam DV86. De gekleurde bolletjes zijn alle DV86-veldstammen die werden aangetoond op Nederlandse bedrijven in de periode 2016 tot en met het 2025 (in de grote bol met vvIBDV-isolaten is het aantal isolaten met identieke sequenties tot en met 2023 gereduceerd tot maximaal drie per jaar).

Toelichting figuur:
Grotere bollen met meerdere punten: meerdere isolaten die op basis van het geanalyseerde DNA-fragment niet te onderscheiden zijn van elkaar. De afstand tussen de verschillende bollen (gemeten over de verbindingslijnen) geeft de mate van overeenkomst aan. Hierbij geldt, hoe korter de afstand, hoe groter de overeenkomst.
Bollen: aantal Gumboro-isolaten
1 isolaat
2 isolaten* 4 isolaten*
>4 isolaten* (elke taartpunt = 1 isolaat)
* In deze bol met vvIBDV-isolaten is het aantal isolaten met identieke sequenties t/m 2024 gereduceerd tot maximaal 3 per jaar.
Figuur 5.48 Fylogenetische boom van door GD aangetoonde Gumboroveld- en vaccinstammen inclusief aangetoonde DV86-stammen bij Nederlandse bedrijven in de periode 2016 t/m 2025 (gekleurde bolletjes) (Bron: GD)

5.9.9.2 Ziekte van Marek
De ziekte van Marek wordt veroorzaakt door een herpesvirus, ook wel Marek’s disease virus serotype 1 (MDV-1 of Gallid alfaherpesvirus 2) genoemd. Marek is een van de meest voorkomende aandoeningen bij pluimvee. Het virus is alom aanwezig en resistent in de omgeving. Naast aviaire leukose is Marek de belangrijkste besmettelijke tumorziekte bij de kip. Beide aandoeningen waren aanvankelijk niet van elkaar te onderscheiden, maar sinds de ontdekking van herpesvirus van de ziekte van Marek is het onderscheid tussen de ziektes duidelijk geworden.
De afgelopen jaren wordt de klinische vorm van Marek ook vaker waargenomen bij de verschillende concepten van de vleeskuikenhouderij. Afhankelijk van het moment van infectie kan de schade door MDV-1 variëren. Bij een late infectie onder goede omstandigheden kan de schade beperkt zijn. Bij een vroege infectie kan het Marekvirus leiden tot immuunsuppressie, tumorvorming in de organen of zenuwverschijnselen.
Preventie
Omdat het virus alom aanwezig is, is een goede biosecurity (inclusief goede reiniging en desinfectie) van belang om de infectiedruk onder controle te houden. Hierbij is het van belang om aandacht te hebben voor verwijdering van stof en veren, omdat het virus goed overleeft in dit materiaal. Bij een hoge infectiedruk van MDV kan ook geadviseerd worden om de dieren in een volgende ronde te vaccineren tegen Marek. De vaccinatie moet zorgen voor minder klachten, maar ook tot verminderde uitscheiding van het veldvirus. Dit is te controleren met een DIVA-PCR-test op stof, materiaal of afwijkende organen. Deze test kan onderscheid maken tussen veld- en vaccinstammen. In de praktijk worden ook steeds meer koppels gevaccineerd door gebruik van HVT-vectorvaccins.
Pathologisch onderzoek
In 2025 is bij zestien inzendingen van vleeskuikens en bij drie inzendingen van opfok-leghennen Marekveldvirus serotype 1 aangetoond (zie tabel 5.34). Bij één van de vleeskuikeninzendingen was sprake van verlammingen door een ontsteking van de zenuwen en hersenen. De initiële fase van infectie kan gepaard gaan met milde tot matige miltzwelling, en in sommige gevallen is dit het enige dat op sectie waargenomen kan worden. Bij één van dergelijke inzendingen was in januari 2025 sprake van een MDV-veldstam die op basis van het genetisch onderzoek (van één gen) niet te onderscheiden was van de Rispensvaccinstam (een virulente Marek met Rispens-like-gen).
Tabel 5.34 Resultaat differentiërende Marek-PCR bij sectie op vleeskuikens (2025) (Bron: GD-LIMS)
Pluimveetype Aantal bedrijven/ unieke inzenders Aantal inzendingena
Resultaten Marek-dPCR bij GD 2025 Negatief Positief (vaccinstam) Positief (veldstam) Positief met kliniek Vleeskuikens - regulier gehouden
- trager groeiend
a Binnen een inzending kunnen meerdere koppels zijn onderzocht.
b Leeftijd koppel: 38 dagen.
c Veertien bedrijven, leeftijd koppels: [46-57 dagen].
d Twee bedrijven, 2 koppels; leeftijd koppels: 54 en 115 dagen.
e Eén bedrijf was negatief in de PCR voor de Marekveldstam en positief voor Marek Rispens-vaccin. Echter, op basis van het meq-gen was er geen sprake van Rispensvaccin, maar van vvMDV1.

Figuur 5.49 toont het aantal koppels waarbij GD bij secties op vleeskuikens en opfok-leghennen de MDV-1 heeft aangetoond. Als in meerdere secties op eenzelfde koppel Marek wordt aangetoond, dan wordt alleen de sectie van de eerste detectie opgenomen in de figuur. De zestien Marek-positieve vleeskuikensecties hadden betrekking op negentien koppels, de drie Marek-positieve opfok-leghennensecties hadden betrekking op twee koppels, deze koppels komen terug in figuur 5.49.
Secties vleeskuikens en opfok-leghennen: aantal koppels waarbij Marekveldvirus serotype 1 werd aangetoond
OLzonder kliniek
OLmet kliniek
SS-TGzonder kliniek
SS-TGmet kliniek
SS-REGzonder kliniek
SS-REGmet kliniek
Figuur 5.49 Aantal koppels waarbij GD met PCR Marekveldvirus serotype 1 aantoonde bij voor sectie ingezonden vleeskuikens en opfok-leghennen (2023-2025) (Bron: GD-LIMS)
SS-REG = reguliere vleeskuikens; SS-TG = trager groeiende vleeskuikens; OL = opfok-leghennen.

Marekvirus serotype 2 (MDV-2, Gallid alfaherpesvirus 3)
Bij kippen is naast het Marek's disease virus serotype 1 (MDV-1), ook wel het oncogene (virulente) serotype genoemd, ook een MDV-serotype 2 (MDV-2,) beschreven, ook wel het niet-oncogene (niet-virulente) serotype genoemd. Wat betreft MDV-2 hebben vroege studies aangetoond dat natuurlijke infecties met MDV-2 bij gezonde hoenders voorkomen. Ook in de WOAH (World Organisation for Animal Health) wordt MDV-2 aangemerkt als niet-virulent. Echter, andere literatuur sluit een mogelijk immuunsuppressief effect niet helemaal uit. Het VMPonderzoek van 2024 heeft laten zien dat MDV-2 frequent voorkomt in stofmonsters van vleeskuikenbedrijven (reguliere en trager groeiende vleeskuikens), opfok-legvermeerderingsbedrijven en bedrijven met opfok-leghennen. In het VMP-onderzoek van 2025 hebben we ook gekeken naar het voorkomen van MDV-2 in miltweefsel. Voor meer informatie over dit onderzoek, zie paragraaf 5.11.2 (§ 5.11 Resultaten VMP-onderzoek in 2025). MDV-2 wordt ook gevonden in aanwezigheid van MDV-1.
Secties vleeskuikens en opfok-leghennen: aantal koppels waarbij Marekveldvirus serotype 2 werd aangetoond
Figuur 5.50 Aantal koppels waarbij GD met PCR Marekvirus serotype 2 aantoonde bij voor sectie ingezonden vleeskuikens en opfok-leghennen (2023-2025) (Bron: GD-LIMS)
SS-TG = trager groeiende vleeskuikens; OL = opfok-leghennen.
Aantal ingezette PCR-testen: OL: 2023=0; 2024=0; 2025=3. SS: 2023=4; 2024=20; 2025=17.
5.9.9.3 Salmonella Gallinarum en Salmonella Pullorum

Salmonella Gallinarum en Salmonella Pullorum zijn twee biovars van Salmonella enterica subspecies enterica serovar Gallinarum. In tegenstelling tot de meeste andere salmonella’s die bij pluimvee voorkomen, zijn deze salmonella’s ‘gastheerspecifiek’. Dit komt erop neer dat de bacterie bij diersoorten anders dan hoenderachtigen niet goed aanslaat. Ook bij mensen slaat de kiem dus niet goed aan, waardoor het risico voor de volksgezondheid verwaarloosbaar is. Bij pluimvee kunnen infecties met deze salmonella’s gepaard gaan met verhoogde uitval door bloedvergiftiging, bij Salmonella Pullorum kan bovendien kreupelheid worden gezien. Waar Salmonella Gallinaruminfecties in de regel symptoomloos verlopen bij jonge dieren en gepaard gaan met sterfte bij volwassen dieren, is dit voor Salmonella Pullorum precies andersom. Omdat verticale overdracht bij deze ziektes de belangrijkste manier van verspreiding is, worden deze salmonella’s bij reproductiepluimvee actief bestreden. Bij overig commercieel of hobbymatig gehouden pluimvee is er geen bestrijdingsplicht. In Nederland worden deze kiemen slechts zelden gevonden; Nederlandse vermeerderingskoppels zijn al decennia vrij van de ziekte. Wild gevogelte vormt in Europa waarschijnlijk het belangrijkste reservoir voor de kiem.
In 2025 werd geen S. Gallinarum aangetoond. Er werd in het eerste halfjaar van 2025 twee keer S. Pullorum aangetoond. Eén keer in jonge kuikens van een dierenspecialist die handelt in sier(water)vogels (februari). Eén keer in kuikens (liggenblijvers) en dons van een hobbykippenhouder (maart). Bij deze hobbykippenhouder werd dragerschap aangetoond bij fokdieren en nakomelingen middels serologisch onderzoek (juni). Er is geen relatie tussen beide gevallen.
Salmonella Gallinarum- en S. Pullorum - stammen aangetoond door GD
Nietcommercieel gevogelte
Leg (ongespecificeerd*)
Leg (biologisch)
Leg (uitloop)
Leg (scharrel)
Figuur 5.51 Salmonella Gallinarum- en S. Pullorum-stammen aangetoond bij dieren die voor sectie werden opgestuurd naar GD in de periode 2010 t/m 2025 (Bron: GD-LIMS; EWS) * Leg (ongespecificeerd) = huisvestingstype niet bekend.

5.10 Stand van zaken monitoringsprojecten/monitoringspilots
5.10.1 NVWA-slachtlijnproject
Toezichthoudende dierenartsen van de NVWA kunnen pluimvee(karkassen) insturen voor nader onderzoek, als zij opmerkelijke bevindingen hebben tijdens hun werkzaamheden. In 2025 werd 77 keer van deze mogelijkheid gebruikgemaakt. We delen hier de meest interessante en relevante inzendingen.
In de afgelopen jaren zien we een gestage toename van het aantal inzendingen die NVWA-dierenartsen doen voor de monitoring (2023: 42, 2024: 51, 2025: 77). Op basis van contacten met NVWA-dierenartsen en op basis van de ingezonden casuïstiek beschouwen we dit als een effect van een toegenomen bewustwording bij de NVWA van de mogelijkheden om bijzondere bevindingen in te sturen, en niet als een teken van toenemende dierziekteproblemen in de slachthuizen.
In tabel 5.35 zijn de diagnoses van de inzendingen door de NVWA in 2025 ingedeeld in hoofdgroepen.
Tabel 5.35 Resultaat NVWA-slachtlijnonderzoek (2025) (Bron: GD-LIMS)
NVWA-slachtlijnonderzoek 2025
Hoofddiagnose Aantal secties
Circulatiestoornis, beeld kan passen bij koude- of hittestress 26
Reovirus-tenosynovitis 13
Luchtwegontsteking 9
Afwijkend beeld aan de slachtlijn 6
Polyserositis 6
Bacteriële dermatitis (huidontsteking) 3
Bloedingen 2
Overig (diverse incidentele diagnoses) 7
Geen afwijkingen 5
Totaal 77
Circulatiestoornis
De 26 inzendingen in deze categorie betroffen steeds DOA’s (dood aangevoerde dieren in het slachthuis), waarbij de inzendend dierenarts op basis van het onverwacht hoge aantal dode dieren, de temperatuur en de klinische inspectie bij ontvangst van de dieren het vermoeden had van sterfte door hitte- of koudestress tijdens het transport. In deze 26 gevallen paste het sectiebeeld hierbij en werd er geen andere ziektekundige oorzaak vastgesteld. Het is op basis van enkel sectieonderzoek echter niet mogelijk om sterfte door hittestress onomstotelijk te bewijzen.

Reovirus-tenosynovitis
Reovirus-tenosynovitis kan afwijkingen geven die aan de slachtlijn herkenbaar zijn en reden tot afkeur kunnen zijn. Het relatief hoge aantal inzendingen vanuit de NVWA past bij de hoge mate van problematiek die we met deze ziekte waarnemen. Op basis van de relatief hoge mate van voorkomen in het slachthuis kunnen we aannemen dat de incidentie van reovirus-tenosynovitis die we in de basismonitoring zien, een onderrapportage is. Omdat dierenartsen en veehouders de ziekte herkennen, sturen zij lang niet altijd materiaal in voor het bevestigen van de diagnose bij GD.
Luchtwegontstekingen en polyserositis
Dit betrof steeds een bacterieel beeld waarbij de inzendend dierenarts meestal rekening hield met Ornithobacterium rhinotracheale. Dit werd slechts in één van de negen gevallen aangetoond.
Afwijken beeld aan de slachtlijn
In deze groep vallen karkassen waarbij de keurders of dierenartsen aan de lijn een opvallend beeld zien dat ze niet direct kunnen plaatsen. Dit betrof onder andere:
• Keratoacanthoma (goedaardig, snelgroeiend huidgezwel);
• Verkleuring veroorzaakt door postmortale bezoedeling;
• Verkleuring veroorzaakt door bloedingen of onvoldoende verbloeding;
• Persisterende en verkleefde dooierresten;
• Spaghettimeat;
• Borstblaren.
Bloedingen
Twee inzendingen waren naar aanleiding van bloedingen waarbij een traumatische oorsprong vermoed werd. Op basis van macroscopie en histologie wordt hierbij een inschatting gemaakt van de ouderdom van de bloedingen.
Bijzondere (incidentele) bevindingen
Opvallend waren in 2025:
• Kannibalisme als hoofddiagnose bij DOA’s;
• Encefalitis door Marek bij dieren die met klinische verschijnselen aangeleverd werden bij het slachthuis;
• Duck circovirus bij eenden met ernstige luchtzakontstekingen. Dit virus is een bekende oorzaak van immuunsuppressie;
• Ornithobacterium rhinotracheale als oorzaak van luchtzakontstekingen bij een enkele inzending. De bacterie die vroeger veel gezien werd, lijkt tegenwoordig zeldzamer geworden te zijn, maar komt incidenteel dus nog voor.
5.10.2 Monitoringspilots
In 2025 werden veertig monitoringspilotsecties uitgevoerd:
• 38 secties ten behoeve van een AI-vaccinatieproef; er werd geen vogelgriepvirus aangetoond. De resultaten van de secties worden meegenomen in de rapportage van de veldproef, die op zijn beurt meegenomen zal worden in de daaropvolgende jaarrapportage.
• 2 secties in het kader van onderzoek viscerale Marek in volwassen leghennen; dit betrof onderzoek in het kader van een risicovolle bevinding die reeds besproken is in de halfjaarrapportage van 2025. In hoofdstuk 6 (paragraaf 6.2.1) geven we een korte update van het onderzoek.

5.11 Veterinaire Monitoring Pluimvee (VMP)
Veterinaire Monitoring Pluimvee (VMP) is een onafhankelijk samenwerkingsverband tussen pluimveedierenartsen en Royal GD. Een belangrijk onderdeel is de centrale database IKB-CRA (Centrale Registratie Antibiotica) voor de verplichte registratie van alle voorgeschreven antibiotica, koppelbeelden en diagnoses. In deze database leggen dierenartsen op vrijwillige basis ook aanvullende gegevens vast, zoals toegediende vaccinaties en bevindingen tijdens bedrijfsbezoeken. Het CRA-VMP is opgenomen in de VMP-database en wordt in opdracht van de overheid en de pluimveesector beheerd door GD.
Wat is het belangrijkste doel?
VMP wil kennis en ervaringen uitwisselen, met als belangrijkste doel: het verbeteren van de gezondheidsstatus van de Nederlandse pluimveestapel. De gegevens uit VMP geven een goed beeld van de trends en ontwikkelingen in het veld. Problemen worden in een vroegtijdig stadium gesignaleerd, zodat het mogelijk is om snel maatregelen te nemen of nader onderzoek uit te voeren om schade te beperken. Daarnaast doen de VMP-leden mee aan praktijkprojecten waarmee we specifieke onderzoeksvragen kunnen beantwoorden.

Tabel 5.36 Afgeronde en lopende VMP-projecten
VMP-onderzoeksprojecten
Paragraaf Project
§ 5.11.1 Onderzoek naar het voorkomen van Brachyspira hyodysenteria e-infecties
§ 5.11.2 Salmonella Enteritidis - inzicht in huidige vaccinatieschema’s en bescherming tijdens de legperiode
§ 5.11.3 Marekvirus serotype 1 en serotype 2
Eindrapportage
Project loopt nog
Project loopt nog.
Project loopt nog.
5.11.1 VMP-project: onderzoek naar het voorkomen van Brachyspira hyodysenteriae -infecties
Stand van zaken
In 2025 is een VMP-project van start gegaan om de prevalentie van B. hyodysenteriae in de legsector te onderzoeken. De aanleiding voor dit project was een verheffing van B. hyodysenteriae in legkoppels in de herfst van 2024. Dit VMP-project betreft een cross-sectional-studie waarbij het doel is om tweehonderd koppels te bemonsteren binnen vier categorieën: uitloop met en zonder klachten, en geen uitloop met en zonder klachten (zie tabel 5.37). Bij het bemonsteren van vijftig koppels per categorie kan een prevalentie van 6 procent binnen de populatie met 95 procent zekerheid worden aangetoond.
Tabel 5.37 Opzet VMP-project Brachyspira hyodysenteriae (Bron: GD; VMP)
Legkoppels

Met uitloop
Zonder uitloop
Productieproblemen en/of natte mest 50 50
Geen productieproblemen of natte mest 50 50
Leeftijd >40 weken >40 weken
Materiaal
Twee pools van tien caecale droppings verzamelen, verdeeld over de stal genomen (inclusief afwijkende blindedarmmest).
Test Brachyspira-PCR (detecteert en identificeert B. hyodysenteriae, B. intermedia en B. pilosicoli ).
Aanvullend wordt met een enquête geprobeerd inzicht te verkrijgen in de risicofactoren rondom Brachyspirainfecties. De vragen omvatten algemene informatie over het koppel, huisvesting, mogelijk (in)direct contact met varkens of varkensmest, gezondheid van het koppel, ongediertebestrijding en eventuele schoonmaak van de stal tussen de rondes door. De tussenstand op het moment van schrijven van deze jaarrapportage is dat 33 koppels zijn onderzocht, waarvan er 7 anoniem zijn ingezonden (zie figuur 5.52).
VMP: Brachyspira-onderzoek
Overzicht van de bemonsterde koppels per categorie
B. intermedia & B. pilosicoli
B. intermedia
B. pilosicoli
Negatief
Figuur 5.52 Overzicht van het aantal koppels dat is onderzocht per categorie en hoeveel koppels positief zijn gevonden voor één of meer Brachyspirasoorten (Bron: GD; VMP)
De zeven koppels waarvan geen achtergrond bekend is, zijn als aparte categorie vermeld. Uitloop wordt gedefinieerd als toegang tot uitloop vóór de ophokplicht (16 oktober 2025). Onder symptomen wordt natte mest en/of productieproblemen verstaan.
Uiteindelijk was 58% (19/33) van de bemonsterde koppels positief voor één of meerdere Brachyspirasoorten. Er is geen B. hyodysenteriae vastgesteld. Over alle categorieën komt een mono-infectie met B. intermedia het meest frequent voor in de positief gevonden koppels (68%, 13/19). In 21% (4/19) en in 11% (2/19) van de positieve koppels komt respectievelijk een menginfectie met B. intermedia en B. pilosicoli of alleen B. pilosicoli voor. B. intermedia kwam het meest voor in koppels met uitloop en klachten.

5.11.2 VMP-project: Salmonella Enteritidis - inzicht in huidige vaccinatieschema’s en bescherming tijdens de legperiode
Aanleiding
Sinds de zomer van 2023 is er sprake van een verhoogde prevalentie van Salmonella Enteritidis (SE) in de legpluimveesector in Nederland. Het zwaartepunt van de besmette koppels zit bij de oudere leghennen, van 65 weken en ouder. Ook in 2025 blijft het aantal SE-besmette legkoppels verhoogd. Door AVINED zijn op 20 oktober 2025 extra maatregelen opgelegd aan IKB Ei-deelnemers middels een uitvoeringsbesluit. Hierin is onder andere vastgelegd dat legkoppels een boostervaccinatie dienen te krijgen in de legperiode op een leeftijd van 50 tot 60 weken. Bovendien dienen legkoppels in de opfok naast een levend vaccin, ook met een geïnactiveerd vaccin gevaccineerd te worden tegen salmonella. Voor het moment van inwerkingtreding van dit nieuwe uitvoeringsbesluit ontbrak een overzicht over gebruikte vaccinatieschema’s bij Nederlandse leghennen.
Vraagstelling
De vraag leeft bij dierenartsen welke mate van bescherming deze boostervaccinatie tijdens de legperiode geeft. Bovendien leeft de vraag in welke mate een geïnactiveerd vaccin, naast een levend vaccin in de opfok, bescherming geeft. Om meer inzicht te krijgen in vaccinatieschema’s en te onderzoeken of er een mogelijke relatie is met het wel/niet besmet raken van een koppel, is het voorstel om data te verzamelen via VMP.
Projectopzet
GD maakt per dierenartsenpraktijk een lijst met afgevoerde koppels in de periode van 1 januari 2025 tot en met 31 oktober 2025. Van de afgevoerde koppels in deze periode behoort 92 procent tot in totaal zes dierenartsenpraktijken. Deze dierenartsenpraktijken krijgen per praktijk een lijst aangeleverd met de koppels die horen bij hun pluimveehouders.
Aan de praktijken wordt gevraagd om de volgende vragen per koppel te beantwoorden: (Het kan voorkomen dat er meerdere vragenlijsten ingevuld dienen te worden per bedrijf)
1. Is het koppel gevaccineerd tijdens de opfokperiode?
- Zo ja, welke vaccinatie(s) en hoe vaak?
2. Is het koppel gevaccineerd tijdens de legperiode?
- Zo ja, op welk moment?
3. Is het koppel positief bevonden voor S. Enteritidis tijdens de ronde?
- Zo ja, op welk moment was de eerste constatering van besmetting?
4. Is er in het verleden een besmetting met S. Enteritidis op het bedrijf geweest?
- Zo ja, wanneer was de meest recente besmetting?
De data worden anoniem en niet herleidbaar verwerkt. Het doel is om de data te analyseren en daarbij een overzicht te krijgen van verschillende vaccinatieschema’s en die vervolgens met behulp van statistiek in relatie te zetten tot een eventuele besmetting met S. Enteritidis. Voor een goede interpretatie van de data, is het belangrijk om de antwoorden op de aanvullende vragen mee te nemen in de analyse.
Resultaten
Momenteel wordt er hard gewerkt door dierenartsenpraktijken om data te verzamelen. De dierenartsenpraktijken worden hierbij ondersteund door een student van de faculteit Diergeneeskunde. Naar verwachting zal een rapport met resultaten worden gepresenteerd in het eerste kwartaal van 2026.

5.11.2 VMP-project: Marekvirus serotype 1 en serotype 2
Begin 2024 is een very virulent Marekveldstam serotype 1 (vvMDV-1) aangetoond in het veld die niet te onderscheiden is van een Rispens-vaccinstam op basis het pp38-gen (gen in de DIVA-PCR die onderscheid maakt tussen veld- en vaccinstam). Om meer inzicht te verkrijgen in het voorkomen van deze nieuwe vvMDV-1-stam in de Nederlandse vleeskuikensector is binnen de VMP een onderzoek opgestart waarin gekeken is naar het voorkomen van deze stam. De inzet van dit onderzoek was om zes gepoolde swabs in te sturen van vleeskuikens (regulier en trager groeiend), bij voorkeur van gezwollen milten waarbij de zwelling niet verklaard kon worden door andere oorzaken. Tevens zijn op verzoek van VMP de milten ook onderzocht op aanwezigheid van Marek-serotype 2 (MDV-2). De milten zijn onderzocht met een DIVA-PCR voor de differentiatie van Marek-serotype-1-veldstam en Rispens-vaccinstam, en een MDV-2-PCR.
In totaal is van 31 koppels een pool van swabs ingestuurd voor onderzoek. In dit onderzoek zijn ook slachtlijnmonsters meegenomen. De 31 koppels waren afkomstig van 26 verschillende bedrijven. Alle koppels betroffen trager groeiende vleeskuikens. In totaal is bij 12,9% van de koppels een Rispens-vaccinstam aangetoond, 38,7% een MDV-2-stam en bij 9,6% een MDV-1 veldstam. Van de 31 koppels waren 25 koppels niet gevaccineerd tegen Marek, van zes koppels was de vaccinatiestatus onbekend.
Tabel 5.38 Resultaat testen 31 inzendingen milten van 26 verschillende bedrijven (Bron: GD; VMP)
A Geen Marekvaccinatie.
B Twee inzendingen Rispens en MDV-2 positief.
C Twee inzendingen geen Marekvaccinatie, één inzending vaccinatiestatus onbekend.
Op de eluaten van de vier Rispens-positieve en de drie MDV-1-positieve monsters wordt verder onderzoek gedaan naar de mate van virulentie (sequentie-analyse meq-gen). Aanvullend worden uit een slachtlijnonderzoek nog tien Rispens-positieve monsters en veertien MDV-1-positieve monsters meegenomen voor meq-sequentieonderzoek.
Het veterinair praktijkonderzoek maakt deel uit van het onderzoeks- en innovatieprogramma van de pluimveesector. Dit programma wordt gecoördineerd door AVINED en gefinancierd door de pluimveesector. Zie de website van AVINED voor meer informatie over veterinaire praktijkonderzoeken. Hieronder volgt een samenvatting van onderzoek dat werd afgerond en werd gerapporteerd, of zich bevindt in de rapportagefase in 2025.

Tabel 5.39 Afgeronde projecten
AVINED-praktijkonderzoek
AVINED-praktijkonderzoek
Paragraaf Project
§ 5.12.1 Proef met vierwaardig E. coli -vaccin tegen EPS
§ 5.12.2 Ziekmakend vermogen van GBA-stammen
§ 5.12.3 Effectiviteit doxycycline in veldkoppels
§ 5.12.4 Minder borstbeenafwijkingen bij later in productie komen?
§ 5.12.5 Onderzoek naar transmissie van E. coli via de lucht
§ 5.12.6 Immuunsuppressie door de huidige Gumboro-veldstam
5.12.1 Praktijkonderzoek: proef met vierwaardig E. coli -vaccin tegen EPS
Doel van de studie
Het doel van de studie was om een veilig tetravalent autovaccin te produceren dat een brede protectie opwekt tegen het E. coli-peritonitissyndroom (EPS). Er zijn twee experimenten uitgevoerd om de veiligheid (experiment 1) en effectiviteit (experiment 2) van dit tetravalente autovaccin te onderzoeken. Het water-in-olie (W/O) formaldehyde-geïnactiveerde tetravalente E. coli-autovaccin bevatte vier verschillende stammen, namelijk E. coli-genotype A (O1:H7), -genotype B (O78:H4), -genotype C (O2:H1) en -genotype D (O11:H12) (vaccin A-D). In experiment 2 werd de effectiviteit van vaccin A-D vergeleken met een W/O-monovalent vaccin met alleen E. coli-stam genotype A (vaccin A). De E. coli-stammen met de verschillende genotypen waren afkomstig van kippen met EPS. Beide experimenten zijn met witte SPF-legkippen uitgevoerd (kippen vrij van specifieke ziekteverwekkers). De kippen werden in beide experimenten op 14 weken leeftijd en 18 weken leeftijd subcutaan in de nek gevaccineerd.
Experiment 1
In experiment 1 werd eerst gekeken naar de veiligheid van de subcutane toediening (onderhuids) van vaccin A-D vergeleken met een placebo W/O-vaccin en vaccin A-D opgelost in fysiologisch zout. De resultaten toonden aan dat het subcutaan toedienen van W/O-vaccin A-D veilig was: er was geen effect op het gemiddelde gewicht, de eiproductie of het eigewicht. De entreacties konden als acceptabel worden beschouwd.
Experiment 2
In experiment 2 werd de effectiviteit van vaccin A-D vergeleken met de effectiviteit van vaccin A. In deze studie werden vijf groepen gevaccineerd met vaccin A, negen groepen met vaccin A-D en negen groepen werden met placebo (alleen W/O) gevaccineerd. Vier van de vijf vaccin-A-groepen werden blootgesteld aan respectievelijk E. coli-stam A (homoloog), of F, G en H (heteroloog). Acht van de negen A-D-vaccingroepen werden blootgesteld aan respectievelijk E. coli-stam A, B, C of D (homoloog), of aan E, F, G of H. Acht van de negen placebo-gevaccineerde groepen werden blootgesteld aan respectievelijk E. coli-genotypen A, B, C, D, E, F, G of H. Deze groepen fungeerden als positieve controles in deze studie. Voor elk vaccin kreeg één groep een placebo blootstelling, dit fungeerde als negatieve controle. De blootstelling aan E. coli/placebo vond plaats op 26 weken leeftijd. Vaccin A gaf noch homologe (A) noch heterologe bescherming (F, G, H). Echter, vaccin A-D gaf volledige homologe en heterologe bescherming tegen E. coli-stammen B, F en H, alle drie stammen van het serotype O78:H4. Ook was er sprake van een significante bescherming, maar niet volledig, tegen genotype D, dat behoort tot het serotype O11:H12. Er was geen bescherming van het A-D-vaccin tegen het homologe genotype A (serotype O1:H7) en C (serotype O2:H1).

Conclusie
Op basis van de resultaten kan worden geconcludeerd dat het A-D-vaccin geen brede bescherming opleverde tegen de E. coli-genotypen A tot en met H gebruikt in deze studie. Er werd voornamelijk bescherming aangetoond tegen drie stammen, namelijk de B-, F- en H-stam, en gedeeltelijk tegen de D-stam. Vanuit de literatuur tonen meerdere onderzoeken bescherming aan door vaccins op basis van E. coli-serotype O78. Echter, voor wat betreft beschermingsproeven met vaccins gebaseerd op E. coli-serotypen O1 en O2 worden variabele resultaten gemeld vanuit de literatuur. Tot op heden is niet bekend welke factoren verantwoordelijk zijn voor deze variabele effectiviteit. Op basis van de resultaten van deze proef blijft het gebruik van autovaccins op basis van meerdere genotypen onzeker, maar is het toch te adviseren. Een aantal E. coli-genotypen (serotype O1 en O2) in deze studie bleek niet immunogeen en leverde geen bescherming op tegen challenge. Echter, het opnemen van meerdere E. coli-genotypen betrokken bij een uitbraak in een vaccin is op basis van deze studie nog steeds te adviseren, waarbij het zeker te adviseren is om E. coli-genotypen van het serotype O78 op te nemen. Bij de opname van E. coli-genotypen met een ander serotype, zal de te verwachten bescherming niet te voorspellen zijn. Het verder ophelderen van de verschillen in immuunrespons tussen E. coli-genotypen met serotype O1 en O2 en E. coligenotypen met serotype O78 zal verder bijdragen aan de ontwikkeling van een breed beschermend E. coli-vaccin.
5.12.2 Praktijkonderzoek: ziekmakend vermogen van GBA-stammen
Het is onduidelijk of de bacterie Gallibacterium anatis (GBA) ziekte veroorzaakt in pluimvee. GBA-stammen worden aangetroffen in de luchtpijp van pluimvee en in organen met ziekteverschijnselen (laesies). Het gaat daarbij om verschillende stammen. Om te onderzoeken of die stammen verschillen in ziekmakend potentieel, werd gekeken hoe dodelijk een aantal luchtweg- en laesiestammen van deze bacterie zijn voor embryo’s in het ei. Dit is een snelle manier om onderscheid te kunnen maken tussen onschuldige GBA-bacteriën en ziekmakende, zonder dat dierproeven nodig zijn. De letaliteit (mate van dodelijkheid) voor embryo’s zegt echter niets over de dodelijkheid bij kippen. De aanname was dat de luchtwegstammen niet (erg) ziekmakend zouden zijn en de laesiestammen wel. Dit bleek echter niet het geval: alle stammen waren in hoge mate dodelijk voor de embryo’s. Om meer te leren over of en hoe de kip ziek wordt van bepaalde stammen van GBA, is andersoortig onderzoek nodig. In 2025 zijn stammen verder bekeken, of er sprake is van unieke combinaties van genen die mogelijk gerelateerd zijn aan een meer ziekmakend vermogen. Dit onderzoek kan op termijn bijdragen aan de ontwikkeling van diagnostische testen om GBA-stammen te bestempelen als potentieel ziekmakend of niet. Deze testen kunnen in de toekomst ondersteuning bieden bij het gericht inzetten van antibioticumbehandelingen bij ziekteprocessen waarbij GBA een rol speelt en bij het opnemen van de GBA-stam in een autovaccin. Er wordt momenteel gewerkt aan een eindrapport met resultaten, deze worden in een latere rapportage gedeeld.
5.12.3 Praktijkonderzoek: effectiviteit doxycycline in veldkoppels Antibioticumbehandelingen in de pluimveehouderij laten in de praktijk sterk wisselende resultaten zien. Dit kan komen door een grote verscheidenheid aan factoren, waaronder de farmacokinetiek van een middel, oftewel de processen die een werkzame stof in het lichaam doormaken. In registratiestudies wordt de effectiviteit van een middel vaak bepaald door directe toediening in de bek, terwijl het medicijn in de praktijk vaak door het drinkwater gaat. Het is onbekend of dat in de praktijk leidt tot voldoende hoge bloedspiegels om bacteriële infecties effectief te kunnen behandelen. Eerdere studies hebben aangetoond dat de concentraties doxycycline in het bloed lager kunnen zijn dan verwacht. In nieuw onderzoek zijn nu concentraties doxycycline bepaald in praktijkkoppels vleeskuikens die op reguliere wijze werden behandeld in een stal. In dit project zijn concentraties gevonden die gemiddeld lager waren dan verwacht volgens de bijsluiter van het middel, maar zijn ook een aantal concentraties gevonden die hoger zijn dan de range genoemd in de bijsluiter. Het verloop van bloedconcentraties in de tijd is afhankelijk van meerdere factoren, waaronder waarschijnlijk het lichtschema. Verder onderzoek is nodig om te bepalen wat het effect is op de effectiviteit van de behandeling en residuen.

5.12.4 Praktijkonderzoek: minder borstbeenafwijkingen bij later in productie komen? Borstbeenafwijkingen bij pluimvee lijken door meerdere factoren beïnvloed te worden. In wetenschappelijke literatuur worden huisvestingsfactoren als risicofactor genoemd, maar ook bijvoorbeeld het lichaamsgewicht en de leeftijd van in productie komen van een hen. Borstbeenafwijkingen komen in relatief hoge aantallen voor. In 2022 zijn er door logistieke beperkingen vanwege vogelgriep meermaals koppels verlaat in productie gekomen. Dit gaf onderzoekers de kans om het effect van leeftijd van in productie komen op borstbeenafwijkingen te onderzoeken. Vijf ‘late’ koppels zijn vergeleken met koppels met zoveel mogelijk dezelfde kenmerken, maar wel met de gebruikelijke leeftijd bij het in productie komen. Aan het einde van de productieperiode werden de borstbenen van de hennen beoordeeld op breuken en andere afwijkingen. Het bleek dat hennen die later in productie kwamen, een vijf keer lagere kans hadden op een breuk en een 3,7 keer lagere kans op een ernstige breuk. Bij de witte hennen was dit effect nog sterker, voor de bruine hennen was de steekproef in dit onderzoek te klein. Verdere studies zijn nodig om deze bevindingen te bevestigen en de onderliggende mechanismen beter te begrijpen. Er loopt momenteel nader onderzoek. Resultaten worden in een latere rapportage gedeeld.
5.12.5 Praktijkonderzoek: onderzoek naar transmissie van E. coli via de lucht Een belangrijke transmissieroute van Escherichia coli (E. coli ) is via de lucht. Hoeveel E. coli-bacteriën in de lucht van pluimveestallen aanwezig zijn, is nog onbekend en wordt onderzocht in een uitgebreid project. De eerste fase is nu afgerond, hierbij is onderzoek gedaan naar geschikte luchtbemonsteringsmethoden en een methode voor het kwantificeren van E. coli in deze monsters. Na tests in de proefstal en op een leghennenbedrijf, bleek voor het bemonsteren van lucht de filtratiemethode de beste optie. Met de filtratiemethode wordt lucht over en door een agarfilter gezogen. Deeltjes uit de lucht blijven daarbij achter op de agar (voedingsbodem voor bacteriën). Op de zo verkregen monsters is PCR- en bacteriologisch onderzoek uitgevoerd. De voorgestelde PCR-methode bleek niet geschikt en zal in de rest van het onderzoek daarom niet worden gebruikt. Voor het kweken van de bacteriën zijn platen met verschillende voedingsbodemsamenstellingen getest, waarbij MacConkey-agar (MCA) specifiek bleek en voor het vervolg van dit project gebruikt zal worden. Op basis van de resultaten van deze eerste fase is een protocol opgesteld waarbij biologisch relevante hoeveelheden E. coli kunnen worden gemeten in de stallucht. In het vervolgonderzoek zal er tijdens colibacillose-uitbraken de hoeveel van deze bacteriën worden gemeten en tevens worden onderzocht of er verwantschap is tussen de E. coli ’s in de lucht en de stammen die colibacillose veroorzaken in de kippen.
5.12.6 Praktijkonderzoek: immuunsuppressie door de huidige Gumboro-veldstam Gumboro blijft breed aanwezig in de Nederlandse pluimveesector, met een geschatte prevalentie van 20 tot 30 procent bij vleeskuikenkoppels, zoals eerder aangetoond binnen de Veterinaire Monitor Pluimvee (VMP), zelfs bij ogenschijnlijk gezonde koppels. Binnen het praktijkonderzoek van 2025 is bevestigd dat Gumboro een relevante impact heeft op het immuunsysteem. Infectie leidt tot een verminderde respons op NCD-vaccinatie (significant lagere titers) en verhoogde gevoeligheid voor secundaire bacteriële infecties (aangetoond voor Ornithobacterium rhinotracheale (ORT), met een significant hogere uitval als gevolg. De onderzoeksresultaten zijn in december gepresenteerd aan de Nederlandse pluimveedierenartsen en aanvullende communicatie volgt op korte termijn.

In dit hoofdstuk melden we onverwachte en nieuwe, of bijzondere bevindingen. Daarnaast berichten we over de risicovolle bevindingen in het betreffende jaar. Onder een risicovolle bevinding’ wordt verstaan: een bevinding door GD, waarop geen meldplicht van toepassing is, maar die mogelijk of zeker directe actie van de overheid of de sectorpartijen vraagt, omdat:
- risico voor de volksgezondheid niet uitgesloten kan worden; of - risico voor ongewenste verspreiding van een dierziekte of aandoening niet uitgesloten kan worden; of - het een mogelijk risico vormt voor negatieve publiciteit en/of een negatief effect kan hebben op consumentengedrag.
In 2025 werden twee risicovolle bevindingen vastgelegd. Deze werden al besproken in de halfjaarrapportage van 2025
1. Januari 2025: Marek: bevinding vvMDV-1 die lijkt op Rispens
2. Juli 2025: Viscerale Marek in volwassen leghennen
Digitale versies van voorgaande monitoringsrapportages zijn terug te vinden op: www.gddiergezondheid.nl/Diergezondheid/Monitoring/Hoofdpunten-Monitoring-Pluimvee
6.1 Nieuwe bevindingen/bijzonderheden
Bijzonderheden uit 2025 omvatten uitbraken van hoogpathogene aviaire influenza vanaf oktober 2025, ILTuitbraken in het tweede halfjaar, het aantonen van TRT-type A en Gumboro-uitbraken onder opfok-leghennen in met name het tweede kwartaal van 2025. Deze worden toegelicht in hoofdstuk 4 en hoofdstuk 5.
6.2 Opvolging eerder gemelde bijzonderheden
6.2.1 Viscerale Marek in volwassen leghennen
In de halfjaarrapportage van 2025 deden we melding van twee legkoppels met hoge sterfte waarbij Marek was aangetoond. Beide legkoppels hadden geen relatie met elkaar, de opfokbedrijven liggen ook ver van elkaar. Van beide bedrijven is de veroorzakende Marek-veldstam geïsoleerd. Op beide stammen zal in 2026 de meqsequentieanalyse worden uitgevoerd, die informatie geeft over de verwantschap van de stammen en de mate van pathogeniteit.

6.3 Risicovolle bevindingen, bijzonderheden en opvolging bijzonderheden
Onderstaande onderwerpen zijn terug te lezen in de online uitgaven van de monitoringsrapportages.
Tabel 6.1 Risicovolle bevindingen, bijzonderheden en opvolging bijzonderheden (2023-2025)
Bijzonderheden 2023-2025
Kwartaal Risicovolle bevinding Nieuwe bijzonderheden Opvolging eerder gemelde bijzonderheden
2023
1e halfjaar 2023
6.1.1 Brachyspira hyodysenteriae aangetoond op een legbedrijf met gezondheidsklachten
6.1.2 Virale encefalitis van onbekende oorsprong
6.1.3 Salmonella Pullorum aangetoond bij hobbypluimvee
2e halfjaar 2023
6.1.1 Toename meldingen van cloacitis
6.1.2 Mycoplasma gallisepticum (Mg) en Avibacterium paragallinarum (AvP) in twee kleine pluimveekoppels
6.1.3 Reoviruscluster genotype 4.7
6.1.4 Marek serotype 2
6.1.5 Acute productie- en voeropnamedaling bij legpluimvee met onbekende oorzaak
2024
1e halfjaar 2024
6.1.1 Onderzoek naar reticuloendotheliosisvirus
6.1.2 Salmonella Pullorum-uitbraak bij hobbypluimvee
6.1.3 Bloedvergiftiging door Bacillus cereus bij (opfok)vleesvermeerdering
6.1.4 Ernstige productiedaling na infectie met LPAI-H5N1
6.1.5 Darmverwijdingen bij leggende dieren
2e halfjaar 2024
6.1.1 Tumoren met onbekende oorzaak/REV
6.1.2 Verhoogde incidentie kippenpokken
6.1.3 REV bij legvermeerderingspluimvee
6.1.6 Afwijkende Ms-serologie
6.2.1 Salmonella groep B blijkt Salmonella Typhimurium
6.2.2 Glazige punt-eieren door Mycoplasma synoviae bij leghennen (opvolging)
6.2.1 Brachyspira hyodysenteriae aangetoond in leghennen
6.2.2 Virale encefalitis van onbekende oorsprong
6.2.3 Genotypering enterokokken uit een sepsiscasus
6.1.6 Serologische monitoring aviaire influenza
6.2.1 Nader onderzoek reoviruscluster genotype 4.7
6.1.4 Duck circovirus vastgesteld bij sectie op eenden
6.2.1 Toename Brachyspira hyodysenteriae -infecties in legpluimvee

Vervolg Tabel
Kwartaal Risicovolle bevinding Nieuwe bijzonderheden Opvolging eerder gemelde bijzonderheden 2025
1e halfjaar 2025
6.1.1 Marek: vvMDV-1 met een gen van Rispens-vaccinstam
6.1.2 Viscerale Marek in volwassen leghennen
2e halfjaar 2025 - -
6.1.3 Onderzoek naar casus met eiproductiedaling en afwijkende eieren
6.2.1 REV bij commercieel pluimvee
6.2.1 Viscerale Marek in volwassen leghennen

In dit hoofdstuk worden de resultaten besproken van het monitoringsproject dat eind 2014 werd gestart onder de naam ‘Optimaliseren overzicht landelijk antibiogram pluimvee’. Doel van dit project is het verzamelen van informatie over de gevoeligheden voor verschillende antibiotica van de meest voorkomende pluimveepathogenen (ziekteverwekkers bij pluimvee) in de pluimveesector, namelijk Escherichia coli, enterokokken en Staphylococcus aureus. Sinds de start van het project in oktober 2014 worden door verschillende dierenartsenpraktijken isolaten ingestuurd. Deze worden aangevuld met isolaten afkomstig uit sectie-inzendingen van GD. De bacteriën zijn geïsoleerd uit koppels met specifieke ziekteverschijnselen van bacteriële infecties zoals verhoogde uitval en kreupelheid en door de praktijk geïdentificeerd als één van de bovenstaande bacteriesoorten. Met deze systematiek van insturen van isolaten door dierenartsenpraktijken en aanvulling met isolaten vanuit secties uitgevoerd door GD, is het mogelijk om een representatief overzicht te genereren gebaseerd op isolaten uit een periode van twaalf maanden.
In de tabellen die zijn opgenomen in dit hoofdstuk zijn de antibioticumgevoeligheidstestresultaten opgenomen van isolaten uit 2025. De resultaten van isolaten afkomstig uit de vleessector (vleeskuikens en voorschakels) en van isolaten uit de legsector (opfok-leghennen, leghennen en voorschakels) zijn in aparte tabellen opgenomen. Ook de resultaten van de verschillende Enterococcus spp. zijn in aparte tabellen weergegeven, mits er voldoende isolaten waren getest. Van de species waarvan minder dan twintig isolaten zijn getest, zijn geen tabellen opgenomen. Dit is in deze rapportageperiode het geval voor E. coli van kalkoenen, diverse Enterococcus spp. en Staphylococcus aureus. Waar mogelijk worden de gevoeligheden vergeleken met de jaarresultaten uit 2022, 2023 en 2024.
Tabel 7.1 Toelichting tabel 7.2 t/m 7.5
MIC Minimum inhiberende concentratie, de laagste concentratie van een antimicrobieel agens waarbij geen zichtbare groei optreedt na overnacht incuberen
MIC 50 Concentratie waarbij 50% van de isolaten wordt geremd
MIC90 Concentratie waarbij 90% van de isolaten wordt geremd
Gevoeligheid S = gevoelig; I = intermediair gevoelig; R = resistent
- Niet van toepassing
R int Intrinsiek resistent
Vleessector Vleeskuikens en voorschakels
Legsector Opfok-leghennen, leghennen en voorschakels
Wijzigingen ten opzichte van voorgaande rapportages
Om nog beter aan te sluiten bij de KNMvD-formularia en in verband met nieuwe interpretatiecriteria voor bepaalde bacterie-, antibioticum- en diersoortcombinaties (en soms ook type materiaal) zijn in 2021 nieuwe antibioticumtestpanels in gebruik genomen; er zijn antibiotica verwijderd en voor sommige antibiotica zijn de testconcentraties aangepast. In dit hoofdstuk zijn verkorte tabellen opgenomen. In Bijlage III zijn de tabellen uitgebreid met onder andere MIC50 - en MIC90 -waarden. Tabel 7.1 geeft een toelichting op MIC-waarden en op tabel 7.2 tot en met 7.5.
Tabel 7.2 en 7.3 tonen de antibioticumgevoeligheidstestresultaten voor E. coli uit respectievelijk de vlees- en legsector.

a) Escherichia coli - vleessector
De gevoeligheid van E. coli-isolaten uit de vleessector wordt weergegeven voor de jaren 2022 tot en met 2025. Hierdoor is het mogelijk om de ontwikkeling in de tijd waar te nemen.
Tabel 7.2 Overzicht gevoeligheid van Escherichia coli-isolaten uit sectiemateriaal afkomstig van pluimvee uit de vleessector in 2025 (n=107) en resistentiepercentages in 2022-2024 (Bron: GD)
Antimicrobieel middel
Isolaten afkomstig van secties GD en aan project deelnemende dierenartsenpraktijken E. coli-isolaten - vleessector

ESBL
De aanwezigheid van ESBL (Extended Spectrum Betalactamase) in E. coli kan enkel met moleculaire technieken zoals PCR worden aangetoond. Als een E. coli niet gevoelig is voor cefotaxim (derde generatie cefalosporine), is de kans groot dat de bacterie een ESBL produceert. Van de E. coli-isolaten is in deze rapportage periode 1,9 procent resistent tegen cefotaxim (zie tabel 7.2).
Onder het veterinair praktijkonderzoek loopt momenteel een project waarbij extra typeringen worden uitgevoerd op isolaten verdacht van bijzondere resistenties, zoals ESBL. Hierbij wordt met sequentieonderzoek gekeken of de antibioticumongevoeligheid voor een aantal specifieke kiem/antibioticum-combinaties (zoals E. coli en cefotaxim) wordt veroorzaakt door een bekend gen. Naast ESBL wordt er ook gekeken naar mcr (zie onder) en MRSA (meticilline-resistente Staphylococcus aureus).
Mcr-genen
De aanwezigheid van mcr-genen (mobiele colistine-resistentiegenen) is enkel met moleculaire technieken zoals PCR aan te tonen. Als een E. coli verminderd gevoelig is voor colistine, dan is de kans aanwezig dat de bacterie deze genen bij zich draagt. In deze rapportageperiode is 0,0 procent van de E. coli-isolaten uit de vleessector resistent tegen colistine (zie tabel 7.2).
% antibioticumresistente E. coli-isolaten* - vleessector %
Ampicilline
Apramycine
Colistine
Cefotaxim
Enrofloxacine
Florfenicol
Fluméquine
Neomycine
Spectinomycine
Streptomycine
Tetracycline
Trimethoprim/ Sulfamethoxazol
* Antibiotica waartegen E. coli intrinsiek resistent of (nagenoeg) 100% intrinsiek resistent is (zie tabel 7.2) zijn niet opgenomen in deze figuur. Figuur 7.1 Percentage antibioticumresistente E. coli-isolaten (vleessector) (2016-2025) (Bron: GD-LIMS)
b) Escherichia coli - legsector
De gevoeligheid van E. coli-isolaten uit de legsector wordt weergegeven voor de jaren 2022 tot en met 2025. Hierdoor is het mogelijk om de ontwikkeling in de tijd waar te nemen.
Tabel 7.3 Overzicht gevoeligheid van Escherichia coli-isolaten uit sectiemateriaal afkomstig van pluimvee uit de legsector in 2025 (n=158) en resistentiepercentages in 2022-2024 (Bron: GD)
Antimicrobieel middel

Isolaten afkomstig van secties GD en aan project deelnemende dierenartsenpraktijken E. coli-isolaten - legsector
% antibioticumresistente E. coli-isolaten* - legsector
Ampicilline
Apramycine
Colistine
Cefotaxim
Enrofloxacine
Figuur 7.2 Percentage antibioticumresistente E. coli-isolaten (legsector) (2016-2025) (Bron: GD-LIMS) %
Florfenicol
Fluméquine
Neomycine
Spectinomycine
Streptomycine
Tetracycline
Trimethoprim/ Sulfamethoxazol
* Antibiotica waartegen E. coli intrinsiek resistent of (nagenoeg) 100% intrinsiek resistent is (zie tabel 7.3) zijn niet opgenomen in deze figuur.

b) Multiresistentie van ziekteverwekkers
Definitie multiresistentie:
Ongevoelig voor antibiotica uit ten minste drie verschillende antibioticumgroepen.
In onderstaande figuur is grafisch weergegeven tegen hoeveel verschillende chemisch ongerelateerde antibioticumgroepen er resistentie werd aangetoond in E. coli-isolaten uit 2025. Hierbij is alleen rekening gehouden met verworven resistentie, en de intrinsieke resistentie is niet meegeteld. In tabel II (bijlage III) staan de meest frequent aangetoonde multiresistentiepatronen.
Aantal antibioticumgroepen resistent Escherichia coli - pluimvee (2025)
* Vleessector = vleeskuikens en voorschakels; legsector = opfok-leghennen, leghennen en voorschakels.
Figuur 7.3 Het percentage Escherichia coli-isolaten uit de vlees- en legsector* dat resistent is tegen antibiotica behorend tot verschillende antibioticumgroepen (2025) (Bron: GD-LIMS) (0=geen resistentie aangetoond, 7=resistentie tegen antibiotica uit zeven verschillende antibioticumgroepen aangetoond).
Het percentage multiresistente E. coli-isolaten uit sectiemateriaal afkomstig van pluimvee uit de vleessector is in 2025 (rollend jaar) significant hoger dan in 2022 ( p<0,05). Het percentage multiresistente E. coli-isolaten uit sectiemateriaal afkomstig van pluimvee uit de legsector is in 2025 (rollend jaar) significant lager dan in 2022 ( p<0,02) en 2021 ( p<0,01).
Tabel 7.4 toont de percentages multiresistentie op basis van kalenderjaar vanaf 2018.
Tabel 7.4 Percentage en resistentiepatronen van multiresistente* Escherichia coli-isolaten uit de vlees- en legsector in de afgelopen jaren (Bron: GD-LIMS)
Jaar Aantal isolaten Aantal multiresistent % multiresistent 95% BI**
Vleessector

* Multiresistentie is gedefinieerd als ongevoelig voor antibiotica uit ten minste drie verschillende chemisch ongerelateerde antibioticumgroepen.
** 95%-betrouwbaarheidsinterval.
7.2 Enterococcus-species
De gevoeligheid van E. faecalis-isolaten uit de legsector wordt weergegeven voor de jaren 2022 tot en met 2025. Hierdoor is het mogelijk om de ontwikkeling in de tijd waar te nemen.
Tabel 7.5 Overzicht gevoeligheid van Enterococcus faecalis-isolaten uit sectiemateriaal afkomstig van pluimvee uit de legsector in 2025 (n=38) en resistentiepercentages in 2022-2024 (Bron: GD)
Antimicrobieel middel

Isolaten afkomstig van secties GD en aan project deelnemende dierenartsenpraktijken
Enterococcus faecalis-isolaten - legsector
De aantallen isolaten van de overige soorten enterokokken zijn dusdanig laag (<20 isolaten) dat deze niet zijn opgenomen in deze jaarrapportage.
In deze periode wordt in dit hoofdstuk geen overzicht van de gevoeligheid van Staphylococcus aureus-isolaten uit de vleessector weergegeven wegens te weinig isolaten (<20 isolaten).

Geraadpleegde bronnen
Voor de monitoringsrapportages maakt GD gebruik van onderstaande gegevensbronnen. Voor een juiste interpretatie van de grafieken en tabellen in de rapportages staat in de titel of het onderschrift steeds vermeld uit welke bron de informatie afkomstig is.
LIMS (GD)
LIMS staat voor ‘Laboratorium Informatie en Management Systeem’. In het systeem worden de gegevens vastgelegd van dieren en diermaterialen die voor onderzoek worden aangeboden aan GD. Vanaf het moment van binnenkomst tot aan het verzenden van de onderzoeksresultaten worden de gegevens in het systeem gebracht en bewaard. Voor de monitoringsrapportage Pluimvee worden gegevens afkomstig uit de sectiezaal gebruikt, daarnaast gegevens van bloedmonsters of overig materiaal zoals ingezonden swabs of FTA-cards. LIMS-gegevens worden veel gebruikt in de hoofdstukken ‘Bestrijdingsplichtige ziekten volgens de Wet dieren en verplichte monitoringsprogamma’s’ en ‘Trends’.
CRM (Veekijkercontacten) (GD)
CRM is de afkorting van ‘Customer Relationship Management’. In dit programma worden gegevens geregistreerd zoals bedrijfsbezoeken, maar ook telefonische contacten en contacten per e-mail met de Veekijker Pluimvee van GD. Ook wordt vastgelegd wie het contact heeft gelegd, om welk dier- en productietype het gaat en de reden en/of het onderwerp van het gesprek. De vastgelegde contacten in CRM geven duidelijk aan welke problemen er spelen in het veld. Gegevens uit CRM komen terug in het hoofdstuk ‘Trends’.
PMP (GD)
Met het ‘Pluimvee Monitoring Programma’ (PMP) wordt het georganiseerde onderzoek gepland, aangestuurd en bewaakt. In PMP worden opzetgegevens uit KIP en LIMS-uitslagen geïmporteerd. Naast gegevens over het aantal actieve bedrijven worden uit PMP ook de monitoringsresultaten voor Newcastle Disease (NCD) gehaald. Hiertoe worden de uitslagen van onderzoeken gekoppeld aan de bijbehorende opdracht die is verstuurd. Tijdens deze koppeling wordt gekeken of de uitslag van het NCD-bloedonderzoek voldoet aan de norm. Zo ja, dan krijgt de onderzoeksopdracht de status ‘voldoet’ en het koppel ook. Zo nee, dan krijgt zowel het koppel als de opdracht de status ‘voldoet niet’.

CRA en VMP (GD)
CRA staat voor ‘Centrale Registratie Antibiotica’ en VMP voor ‘Veterinaire Monitoring Pluimvee’. Vanaf 1 januari 2011 geldt voor vleeskuikens en per 1 mei 2011 voor fok- en vermeerderingspluimvee opgenomen in IKB-KIP, de verplichting tot centrale registratie van voorgeschreven antibiotica in CRA. Daarnaast geldt per 1 januari 2012 voor de legsector dezelfde verplichting, opgenomen in IKB Ei. De kring kalkoenenhouders van de Nederlandse Organisatie voor Pluimveehouders (LTO/NOP) en de coöperatie Bevordering Afzet van Vleeskalkoenen (BAV) hebben in 2011 in samenwerking met het Productschap Pluimvee en Eieren (PPE) besloten per 1 juni 2011 te starten met de aanpak van antibiotica in de kalkoenensector. De registratie is met terugwerkende kracht ingevoerd vanaf 1 januari 2011. De registratie bestaat, net als bij de andere sectoren, uit de logboekgegevens van de voorgeschreven antibiotica en de bijbehorende diagnoses en koppelbeelden. Ook deze data werden door GD verzameld en verwerkt, vanaf 2016 vindt de registratie plaats in CRA. Sinds 1 januari 2015 is de verplichting tot registratie vastgelegd in de Regeling Diergeneeskundigen. Tevens zijn dierenartsen verplicht om bezoeken in het kader van verminderde voer- of wateropname (>5% per dag op twee opeenvolgende dagen) of eiproductiedaling (>5% per dag op twee opeenvolgende dagen) waarbij geen sprake is van AI of NCD bij GD te melden, ook dit gebeurt via de CRA-database. Digitaal worden in CRA, naast de voorgeschreven antibiotica, ook logboekgegevens, klinische verschijnselen en diagnoses vastgelegd. Naast de verplichte meldingen worden in het kader van VMP vrijwillig bezoeken waarbij geen antibiotica worden ingezet gemeld en/of extra informatie verstrekt zoals het sectiebeeld.
Veel informatie uit de CRA-VMP-database wordt gebruikt in het hoofdstuk ‘Trends’. Hierbij wordt vooral gekeken naar de verdeling van het type probleem. Vanaf 2011 tot halverwege 2015 was het verplicht minimaal een melding per vleeskuikenstalkoppel in de CRA-VMP-database te doen. Sinds deze verplichting is komen te vervallen is er een toename in het aantal stalkoppels waarbij geen bezoeken in CRA-VMP zijn vastgelegd en een sterke afname van het aantal meldingen van koppelbeelden waarbij geen antibiotica werden voorgeschreven. Om deze reden is de werkwijze voor het weergeven van de CRA-VMP-gegevens vanaf de jaarrapportage van 2022 gewijzigd van alle meldingen, naar enkel nog de gemelde vleeskuikenkoppels met een antibioticumvoorschrift.
Early warning system (GD en pluimveepractici)
GD houdt pluimveepractici via een early warning-systeem (EWS) op de hoogte van uitbraken van Salmonella Gallinarum en Pullorum, Coryza, Mycoplasma gallisepticum, Gumboro en infectieuze laryngotracheïtis (ILT). Een melding kan komen van de practicus of vanuit GD (positieve testuitslag). Op basis van klinische verschijnselen en aanvullende diagnostiek wordt in overleg met de dierenarts en/of de pluimveehouder besloten of de melding in het EWS wordt geplaatst. Het betreft vrijwillige meldingen bij GD. Het betreft dus geen overzichten van alle uitbraken.
Gegevens van derden
Voor het volgen van trends in de tijd worden tevens bestanden van derden (onder andere NVWA, KIP, WOAH, WBVR) met relevante diergezondheidsinformatie geanalyseerd. Daar waar dergelijke informatie wordt gebruikt, staat dat vermeld in de tekst of in de titel van de figuren of tabellen.

Definities diertypen/diersoorten
Legsector
OLF opfok-legfok
Vleessector
OSF opfok-vleesfok
LF legfok SF vleesfok
ELO opfok-legvermeerdering - eendagskuiken
ESO opfok-vleesvermeerdering - eendagskuiken
Kalkoenen
KF kalkoenfok
KO opfok-kalkoenvermeerdering
KV kalkoenvermeerdering
LO opfok-legvermeerdering SO opfok-vleesvermeerdering KS vleeskalkoenen
LV legvermeerdering SV vleesvermeerdering Kalkoenen
EOL opfok-leghenneneendagskuiken
OL opfok-leghennen
LL leghennen (niet nader gedefinieerd)
EO opfok-eendvermeerdering
ESS vleeskuikens - eendagskuiken EV eendvermeerdering
SS vleeskuikens (niet nader gedefinieerd)
ES vleeseenden
LLK leghennen - kolonie Kalkoenen
LLZ leghennen - zonder uitloop SSS vleeskuikens - scharrel SPF specific pathogen free
LLV leghennen - vaccin SSV vleeskuikens - volwaard KCH* kleine commerciële houderij
LLU leghennen - uitloop SSU vleeskuikens - uitloop HOV** hobbypluimveesector/ niet-commercieel gevogelte
LLB leghennen - biologisch SSB vleeskuikens - biologisch
* Kleinschalige commerciële pluimveehouderij:
Houders van <250 stuks pluimvee met als doel commerciële afzet van eieren en/of vlees voor humane consumptie (inclusief de fokkerij van dieren voor dit doel).
** Hobbypluimveesector/niet-commercieel gevogelte
Houders van pluimvee/ander gevogelte met als doel het houden van de dieren voor de hobby en/of tentoonstellingen (inclusief fokkerij van dieren voor dit doel) en waarbij geen producten afgezet worden aan derden voor consumptie.
Opfokdieren
Dieren die opgefokt worden met als doel gehouden te worden voor de productie van broedeieren, vaccineieren of consumptie-eieren. De opfok wordt onderverdeeld in:
• opfok legfok (OLF)
• opfok vleesfok (OSF)
• opfok legvermeerdering (LO)
• opfok vleesvermeerdering (SO)
• opfok eindleg (OL)
• opfok kalkoenvermeerdering (KO)
• opfok eendvermeerdering (EO)

Reproductiedieren
Pluimvee dat gehouden wordt voor de productie van broedeieren of vaccineieren. De reproductiedieren worden onderverdeeld in:
• legfok (LF)
• vleesfok (SF)
• legvermeerdering (LV)
• vleesvermeerdering (SV)
• kalkoenvermeerdering (KV)
• eendvermeerdering (EV)
Leghennen
Kippen die gehouden worden voor de productie van consumptie-eieren (LL, LLK, LLZ, LLU en LLB) of voor de productie van vaccineieren (LLV). Het huisvestingstype uitloop of biologisch is afhankelijk van de registratie. Het is mogelijk dat deze dieren ten tijde van de bevinding zijn opgehokt:
In de rapportage wordt het huisvestingstype aangehouden zoals dit bij GD geregistreerd staat. Voor uitloop- en biologische bedrijven hoeft dit niet te betekenen dat de dieren op het moment van de bevinding daadwerkelijk toegang tot de uitloop hadden. Om veterinaire redenen kan de toegang tot de uitloop zijn ontzegd. Zo is in het kader van AI-preventie sprake geweest van een ophokplicht voor al het pluimvee in de volgende perioden:
• 8 december 2017 tot en met april 2018;
• 12 februari 2020 tot en met 29 april 2020;
• Vanaf 23 oktober 2020 tot en met 19 juni 2021 (delen van Overijssel, Gelderland, Noord-Brabant en Limburg), 30 juni 2021 (delen van Drenthe) of 6 juli 2021 (rest van Nederland);
• Vanaf 26 oktober 2021. Voor zeven regio’s ingetrokken op 28 juni 2022 en voor nog eens drie extra regio’s per 15 juli 2022.
• Vanaf 5 oktober 2022 tot 6 juli 2023 was er een landelijke (alle regio’s) ophok- en afschermplicht ingesteld;
• Tot 3 november moesten pluimveebedrijven in de regio’s 7 en 10 hun vogels nog binnen houden. Vanaf 3 november was de ophok- en afschermplicht voor alle regio’s opgeheven;
• Door de uitbraken van vogelgriep in november 2023 werd per 14 november 2023 een landelijke ophokplicht ingesteld;
• De ophokplicht werd volledig ingetrokken op 24 april 2024.
• Door de nieuwe uitbraak in Putten in november 2024 werd per 20 november 2024 een nieuwe landelijke ophokplicht ingesteld;
• De ophokplicht werd ingetrokken op 28 mei 2025, met uitzondering van de Gelderse Vallei;
• Op 4 juli 2025 werd ook de ophok- en afschermplicht voor pluimvee in de Gelderse Vallei volledig ingetrokken;
• Door de nieuwe uitbraak in Gasselternijveenschemond in oktober 2025 werd per 16 oktober 2025 een nieuwe landelijke ophokplicht ingesteld;
• De ophok- en afschermplicht werd per 21 april 2026 grotendeels ingetrokken. De maatregel, die werd ingesteld op 16 oktober 2025, bleef wel gelden in en rond de Gelderse Vallei;
• De ophokplicht werd volledig ingetrokken op 11 juni 2026.

Voor meest actuele stand van zaken, zie:
• www.rijksoverheid.nl
• De dierziekteviewer: https://apps.vertigisstudio.com/web/?app=797df27ed8f34bcc81a639a50465c7a7
• Het Dossier Vogelgriep: https://www.gddiergezondheid.nl/vogelgriep.
Vleeskuikens
Kippen (SS) die gehouden worden voor de vleesproductie, van uitkomst tot leeftijd bij het slachten.
Vleeskalkoenen
Kalkoenen (KS) die gehouden worden voor de vleesproductie van uitkomst tot aan de leeftijd bij het slachten. De vleeskalkoenen kunnen in de verschillende rapportages verdeeld worden in hennen en hanen.
Vleeseenden
Eenden (ES) gehouden voor de vleesproductie.

Overzicht gevoeligheden van isolaten uit sectiemateriaal afkomstig van pluimvee (2025)
Als dierenarts is het belangrijk om te beschikken over landelijke, betrouwbare gegevens over de antibioticumgevoeligheid van de meest voorkomende pluimveepathogenen. De monitoringspilot ‘Landelijk antibiogram’ die gestart werd in oktober 2014, is opgezet om hier een goede systematiek voor te ontwikkelen. In deze bijlage worden de gevoeligheden van isolaten van E. coli, Enterococcus spp. en Staphylococcus aureus weergegeven voor een breed scala aan antibiotica indien voldoende isolaten zijn getest binnen de betreffende periode.
Bij aanvang van de monitoringspilot die destijds gestart is onder de naam ‘Optimaliseren overzicht landelijk antibiogram pluimvee’, is eerst, op basis van epidemiologisch onderzoek, berekend hoeveel isolaten nodig zijn om een representatief beeld te krijgen van de pathogenen in het veld. Vervolgens heeft GD dierenartsenpraktijken gevraagd om actief stammen in te sturen van koppels met specifieke ziekteverschijnselen, zoals verhoogde uitval en kreupelheid, en door de praktijk geïdentificeerd als E. coli, Enterococcus spp. of Staphylococcus aureus. Daarnaast heeft GD isolaten verzameld bij reguliere secties op dieren van dergelijke probleemkoppels. De gevoeligheid van de bacteriën is getest door middel van een MIC-bepaling.
De resultaten zijn gebaseerd op aantallen die de statistisch berekende benodigde aantallen ruimschoots overschrijden. Wegens de continue stroom aan isolaten en de wens voor actuele overzichten, worden de tabellen gebaseerd op de isolaten ingestuurd in het voorafgaande jaar. De gevoeligheden van de ingezonden isolaten zijn bepaald via een microbouillondilutietest (zie foto 3 en 4). Met deze test is het mogelijk om per antimicrobieel middel een MIC-waarde te bepalen. MIC staat voor minimum inhiberende concentratie: de laagste concentratie van een antimicrobieel agens waarbij geen zichtbare groei optreedt na overnacht incuberen. De MIC-waarde is een meting van de bacteriostatische activiteit van het antimicrobiële middel. Door overenten van verdunningen waarbij geen groei heeft plaatsgevonden, is het mogelijk de bactericide activiteit van het middel vast te stellen. Deze methode wordt echter zelden toegepast. Sommige antimicrobiële middelen kunnen ook beneden de MICwaarde nog antimicrobiële activiteit vertonen. Dit wordt ook wel de MAC of Minimale Antibacteriële Concentratie genoemd. Deze waarde is in vitro echter lastig tot niet te bepalen. Met behulp van klinische breekpunten is het mogelijk de isolaten in te delen in verschillende groepen op basis van de te verwachten resultaten van een therapie met het betreffende antimicrobiële middel (zie ook figuur 1):
Gevoelig Therapeutisch succes wordt verwacht op basis van de in vitro vastgestelde MIC-waarde.
Intermediair gevoelig
De behandeling heeft een onzekere uitkomst. In sommige gevallen kan therapeutisch succes worden behaald met een hogere dosis of wanneer de infectie zich in een deel van het lichaam bevindt waar hogere concentraties van het middel worden bereikt (therapeutisch succes is afhankelijk van de farmacokinetiek van het middel).
Resistent Therapeutisch falen wordt verwacht, de kiem is (klinisch) resistent tegen het geteste middel op basis van de in vitro vastgestelde MIC-waarde. Klinische resultaten van therapie zijn afhankelijk van diverse factoren, zoals de aanwezigheid van andere agentia, de immuunstatus van het dier, het moment in het ziekteproces, enzovoorts. Afhankelijk van de eigenschappen van het antimicrobiële middel kunnen externe factoren, zoals voeding, ook van invloed zijn.



Foto 1 en 2.


De MALDI-TOF wordt onder andere gebruikt voor de identificatie van micro-organismen zoals bacteriën, gisten en schimmels (Bron: GD)
Foto 3 en 4.
Inzetten en aflezen van de MIC-bepaling (Bron: GD)
X 'Wild-type cut-off’ waarde
Klinisch breekpunt gevoeligheid
Klinisch breekpunt resistentie
Figuur 1. Resultaten van de MIC-waardebepaling van een bepaald antibioticum X voor een x-aantal isolaten van bacterie X met daarnaast aangegeven de ‘Wild-type cut-off ‘-waarde en de klinische breekpunten (Bron: GD)

Tabel I Toelichting tabel III t/m IV
Toelichting
MIC Minimum inhiberende concentratie; de laagste concentratie van een antimicrobieel middel waarbij onder gestandaardiseerde in vitro -condities geen zichtbare groei van de bacterie optreedt.
MIC50 Concentratie waardoor 50% van de isolaten wordt geremd.
MIC90 Concentratie waardoor 90% van de isolaten wordt geremd.
S Gevoelig
I Intermediair gevoelig
R Resistent
Groene, gele en rode vakken
Rode cijfers
Indiceren de verdunningen die voor het betreffende antibioticum zijn getest.
Concentraties hoger dan de hoogste geteste waarde indiceren MIC-waarden groter dan de hoogste concentratie in de reeks. Waarden bij de laagste concentratie die is getest, indiceren MIC-waarden kleiner of gelijk aan de laagste concentratie die is getest.
Groene vakken Gevoelige isolaten
Gele vakken Intermediair-gevoelige isolaten (indien van toepassing)
Rode vakken en rode cijfers
Resistente isolaten
- Niet van toepassing
R int Intrinsiek resistent
a Vleeskuikens en voorschakels
b Opfok-leghennen, leghennen en voorschakels
Vleessector Vleeskuikens en voorschakels
Legsector Opfok-leghennen, leghennen en voorschakels
Voor een vergelijking met de antibioticumgevoeligheidstestresultaten uit 2015-2024, zie voorgaande kwartaalrapportages of hoofdstuk 7.

Tabel II Percentage en resistentiepatronen van multiresistente Escherichia coli-isolaten uit de vlees- en legsector (2025) (Bron: GD-LIMS)
Resistentiepatroon
Herkomst
Bacterie % Multiresistente isolaten (95% BI) a Meest frequente multiresistentie- patronen (%) b
Vleessector E. coli 50 (41%-60%)
Legsector E. coli 17 (11%-23%)
Aminoglycosiden
Cefalosporinen
Chinolonen
Colistine
Fenicolen
Lincosamiden
Macroliden oud c
Macroliden nieuw c
Penicillinen
Pleuromutilinen
Tetracyclinen
Trimethoprim/ sulfonamiden
Multiresistentie is gedefinieerd als ongevoelig voor antibiotica uit ten minste drie verschillende chemisch ongerelateerde antibioticumgroepen.
a % van het totaal aantal isolaten;
b % van het totaal aantal multiresistente isolaten; c Macroliden oud: erythromycine, tylosine. Macroliden nieuw: tildipirosine, tilmicosine, tulathromycine.

Tabel III.A MIC-distributie (%), MIC 50 en MIC 90 , en percentage gevoelig, intermediair-gevoelig en resistent voor Escherichia coli -isolaten uit sectiemateriaal
afkomstig van pluimvee uit de vleessector (2025) (n=107) (Bron: GD)
Vleessector: E. coli (n=107)
Antimicrobieel middel
a Vermeld is de concentratie van trimethoprim, getest in een concentratieratio van 1:19 (trimethoprim/ sulfamethoxazol).
Ter interpretatie van de informatie in de tabellen geven we voor tabel III.A een voorbeeld: Ampicilline: 47,7% (zie rode cirkel) van de geteste isolaten wordt bij een concentratie van 2μg ampicilline/ml (en hoger) geremd in bacteriegroei.

Tabel III.B MIC-distributie (%), MIC 50 en MIC 90 , en percentage gevoelig, intermediair-gevoelig en resistent voor Escherichia coli -isolaten uit sectiemateriaal afkomstig van pluimvee uit de legsector (2025) (n=158) (Bron: GD)
Legsector: E. coli (n=158)
Antimicrobieel middel
a Vermeld is de concentratie van trimethoprim, getest in een concentratieratio van 1:19 (trimethoprim/ sulfamethoxazol).

Tabel IV MIC-distributie (%), MIC50 en MIC90, en percentage gevoelig, intermediair-gevoelig en resistent voor Enterococcus faecalis-isolaten uit
sectiemateriaal afkomstig van pluimvee uit de legsector (2025) (n=38) (Bron: GD)
Legsector: E. faecalis (n=38)*
Antimicrobieel middel
a Vermeld is de concentratie van amoxicilline, getest in een concentratieratio van 2:1 (amoxicilline/clavulaanzuur).
* Let op : de percentages zijn gebaseerd op een gering aantal isolaten.

Monitoring sectiezaal pluimvee 2025
Reactieve monitoring - reguliere secties
Tabel IV.A Aantal reguliere sectie-inzendingen van commercieel pluimvee per pluimveetype en niet-commercieel gevogelte (inclusief inzendingen van organen) (2025) (Bron: GD-LIMS)
Pluimveetype Sectie-inzendingen (ingezonden organen en dieren)
Let op: in de tabel wordt het huisvestingstype aangehouden zoals dit bij GD geregistreerd staat. Voor vrije uitloop- en biologische bedrijven hoeft dit niet te betekenen dat de dieren op het moment van de bevinding daadwerkelijk toegang tot de uitloop hadden. Om veterinaire redenen kan de toegang tot de vrije uitloop zijn ontzegd. Zie Leeswijzer of Bijlage II

Tabel IV.B Aantal reguliere sectie-inzendingen van commercieel pluimvee per pluimveetype en niet-commercieel gevogelte (inclusief inzendingen van organen) (2023-2025) (Bron: GD-LIMS)
Pluimveetype
Let op: in de tabel wordt het huisvestingstype aangehouden zoals dit bij GD geregistreerd staat. Voor vrije uitloop- en biologische bedrijven hoeft dit niet te betekenen dat de dieren op het moment van de bevinding daadwerkelijk toegang tot de uitloop hadden. Om veterinaire redenen kan de toegang tot de vrije uitloop zijn ontzegd. Zie Leeswijzer of Bijlage II.

Proactieve monitoring - secties peilpraktijken
Tabel IV.C Aantal sectie-inzendingen peilpraktijken van commercieel pluimvee per pluimveetype en nietcommercieel gevogelte (inclusief inzendingen van organen) (2025) (Bron: GD-LIMS)
Pluimveetype
Sectie-inzendingen (ingezonden organen en dieren)
* Houders van <250 stuks pluimvee voor commerciële doeleinden, inclusief de fokkerij.
Let op: in de tabel wordt het huisvestingstype aangehouden zoals dit bij GD geregistreerd staat. Voor vrije uitloop- en biologische bedrijven hoeft dit niet te betekenen dat de dieren op het moment van de bevinding daadwerkelijk toegang tot de uitloop hadden. Om veterinaire redenen kan de toegang tot de vrije uitloop zijn ontzegd. Zie Leeswijzer of Bijlage II

Tabel IV.D Aantal sectie-inzendingen peilpraktijken van commercieel pluimvee per pluimveetype en nietcommercieel gevogelte (inclusief inzendingen van organen) (2023-2025) (Bron: GD-LIMS)
Pluimveetype
* Houders van <250 stuks pluimvee voor commerciële doeleinden, inclusief de fokkerij. Sector pas vanaf 2024 als dusdanig benoemd.
Let op: in de tabel wordt het huisvestingstype aangehouden zoals dit bij GD geregistreerd staat. Voor vrije uitloop- en biologische bedrijven hoeft dit niet te betekenen dat de dieren op het moment van de bevinding daadwerkelijk toegang tot de uitloop hadden. Om veterinaire redenen kan de toegang tot de vrije uitloop zijn ontzegd. Zie Leeswijzer of Bijlage II

Monitoringssystematiek
Reactieve monitoring
Om informatie over de diergezondheid te verzamelen, zet GD verschillende middelen in. Sommige middelen hebben een reactief karakter. Bij deze middelen nemen veehouders en/of hun dierenartsen het initiatief om GD te benaderen met een probleem. Het verzamelen van informatie begint pas als het contact is gelegd. Het betreft:
A. GD-Pluimveekijker
Een team van ervaren deskundigen beantwoordt vragen van veehouders en practici. Vragen kunnen telefonisch worden afgehandeld, maar ook kan worden besloten tot een bedrijfsbezoek en/of uitvoering van laboratoriumonderzoek voor het bevestigen of juist uitsluiten van bepaalde aandoeningen.
B. Pathologie - reactief
Erkende pathologen doen sectie-onderzoek op dieren. Naast een macroscopische beoordeling wordt aanvullend laboratoriumonderzoek uitgevoerd. Voor de monitoring worden in de pathologie twee monsterstromen onderscheiden waarvan dit er een is en de ander onder proactieve monitoring valt (zie D). Door middel van de reactieve pathologie worden ernstige ziekteuitbraken of ziektes met complexe diagnostiek gemonitord door veehouders de mogelijkheid te bieden om tegen een gesubsidieerd tarief pluimvee of ander gevogelte aan te bieden voor uitgebreid onderzoek.
Bovenstaande middelen zijn vooral geschikt voor het opsporen van bekende, maar in Nederland niet voorkomende aandoeningen en van nieuwe aandoeningen en ziektebeelden.
Proactieve monitoring
Andere middelen hebben een proactief karakter. Bij deze middelen ligt het initiatief voor het verzamelen van informatie bij GD. Het betreft:
C. CRA-VMP (Centrale Registratie Antibiotica/Veterinaire Monitoring Pluimvee) VMP staat voor ‘Veterinaire Monitoring Pluimvee’ en CRA voor ‘Centrale Registratie Antibiotica’. Vanaf 1 januari 2011 geldt voor vleeskuikens en per 1 mei 2011 voor fok- en vermeerderingspluimvee opgenomen in IKB-KIP, de verplichting tot centrale registratie van voorgeschreven antibiotica in CRA. Daarnaast geldt per 1 januari 2012 voor de legsector dezelfde verplichting, opgenomen in IKB-EI. Sinds 1 januari 2015 is de verplichting tot registratie vastgelegd in de Regeling Diergeneeskundigen. Tevens zijn dierenartsen verplicht om bezoeken in het kader van klinische problemen, verminderde voer- of wateropname, of eiproductiedaling waarbij geen sprake is van AI of NCD bij GD te melden, ook dit gebeurt via de CRA-database. Digitaal worden in CRA, naast de voorgeschreven antibiotica, ook vrijwillige meldingen en aanvullende gegevens zoals logboekgegevens, klinische verschijnselen en diagnoses vastgelegd (VMP). Naast de verplichte meldingen worden in het kader van VMP vrijwillig bezoeken waarbij geen antibiotica worden ingezet gemeld en/of extra informatie verstrekt waaronder het sectiebeeld.

De kring kalkoenenhouders van de Nederlandse Organisatie voor Pluimveehouders (LTO/NOP) en de coöperatie Bevordering Afzet van Vleeskalkoenen (BAV) hebben in 2011 in samenwerking met het Productschap Pluimvee en Eieren (PPE) besloten per 1 juni 2011 te starten met de aanpak van antibiotica in de kalkoenensector. De registratie is met terugwerkende kracht ingevoerd vanaf 1 januari 2011. De registratie bestaat, net als bij de andere sectoren, uit de logboekgegevens van de voorgeschreven antibiotica en de bijbehorende diagnoses en koppelbeelden. Ook deze data verzamelt en verwerkt GD.
D. Pathologie - proactief
Monitoring van de gemiddelde diergezondheidsproblemenproblemen waar pluimveedierenartsen mee worden geconfronteerd, vindt plaats door verspreid over het jaar sectiemateriaal van random actuele casuïstiek op te vragen bij geselecteerde pluimveepraktijken (peildierenartsenpraktijken).
E. Bewakingsonderzoek
Voor het uitsluiten van aanwezigheid van een specifieke aandoening worden alle of een groot deel van de dieren en/of bedrijven onderzocht.
F. Het monitoren van ontwikkelingen in het buitenland
Deze middelen zijn bij uitstek te gebruiken voor het volgen van trends en ontwikkelingen, maar uiteraard ook voor het gericht opsporen van bekende, maar in Nederland niet voorkomende aandoeningen.
G. Pilotonderzoek
Ten slotte wordt zogenaamd pilotonderzoek gedaan: dit betreft onderzoek om een signaal dat uit een van de middelen is verkregen te analyseren, er wordt op beperkte schaal nadere informatie verzameld. GD rapporteert na afloop van elk kwartaal over de bevindingen aan de stakeholders. In de monitoringsrapportages worden de waarnemingen opgesomd, voorzien van een interpretatie en wordt aangegeven hoe wordt omgegaan met de bevindingen. Indien nodig wacht GD de monitoringsrapportages niet af en worden de stakeholders meteen geïnformeerd nadat een probleem is geconstateerd.

Onderzoeken secties basismonitoring pluimvee
A. Uitvoering gesubsidieerde secties in het kader van monitoring
Onderstaande onderzoeken zijn in het gesubsidieerde tarief inbegrepen.
Onderzoek binnen het gesubsidieerde tarief van de basismonitoring
Macroscopische sectie Sectie inclusief microscopische beoordeling coccidiën en wormeieren
Histologisch onderzoek Diverse kleuringen
Bacteriologisch onderzoek
Algemeen bacteriologisch onderzoek
Aviaire mycoplasma
Avibacterium paragallinarum
Campylobacter
Clostridium perfringens
Riemerella anatipestifer
Salmonella
Schimmels en gisten
Gevoeligheidspakketten
PCR en/of IHC-onderzoek
Bacteriën:
Avibacterium paragallinarum
Brachyspira spp. (B. intermedia, B. pilosicoli en B. hyodysenteriae)
Chlamydia
Enterokokken
Mycoplasma gallisepticum (Mg)
Mycoplasma synoviae (Ms)
Virussen:
Aviair encephalomyelitisvirus (AEV)
Adenovirussen
Aviair leukosevirus (ALV)
Aviair nefritis virus (ANV)
Astrovirus
Gumborovirus (IBD)
Infectieuze bronchitisvirus (IB)
Infectieuze laryngotracheïtisvirus (ILT)
Marekvirus
Reovirus
Rotavirus type A en type D
Turkey rhinotracheïtisvirus/metapneumovirus (TRT)
Parasieten
Genotypering
AI-early warning
Melden van AI-/NCD-verdenkingen
Coccidiose
Histomonas
Tetratrichomonas
Adenovirus
Avibacterium paragallinarum
Gumborovirus (IBD)
Infectieuze bronchitisvirus (IB)
Reovirus
Salmonella (serotypering (O- en H-typering))
Doorsturen van materiaal naar WBVR ter uitsluiting van aviaire influenza
Melden van verdenkingen van AI en NCD aan landelijk meldpunt

B. Onderzoek buiten het gesubsidieerde sectietarief
Uitvoering van onderstaand aanvullend onderzoek is volledig voor rekening van de inzender/veehouder. Dit is niet inbegrepen in het gesubsidieerde sectietarief.
Onderzoek buiten het gesubsidieerde tarief van de basismonitoring
Bloedonderzoek
Botulisme
Metalen (+ voorbehandeling)
Opslag bacteriecultuur
Toxicologisch onderzoek
Virus-isolatie
De verplichte serologische monitoring op AI-antistoffen
Bij de verplichte landelijke monitoring worden, op basis van de Regeling houders van dieren, de volgende uitgangspunten gehanteerd:

Pluimveetype Uitloop? Periodiek Aantal dieren
Leeftijd Extra informatie
Opfokvermeerderings-dieren - Per koppel ≥30 dieren ≥15 weken
Vermeerderingsdieren - Jaarlijks per bedrijf
≥30 dieren ≥45 weken
Opfok-legdieren - Per koppel ≥30 dieren ≥8 weken
Leghennen Geen uitloop Jaarlijks per bedrijf ≥30 dieren ≥45 weken
Leghennen* Uitloop 1x per kwartaal per bedrijf ≥30 dieren Ongeacht leeftijd
Er kan gebruikgemaakt worden van bloedmonsters die in het kader van het verplichte NCD-onderzoek en/of in het kader van de georganiseerde gezondheidszorg bij GD worden aangeleverd.
Er kan gebruikgemaakt worden van bloedmonsters die in het kader van het verplichte NCD-onderzoek en/of in het kader van de georganiseerde gezondheidszorg bij GD worden aangeleverd. De overige monsters dienen specifiek voor dit onderzoek te worden aangeleverd.
Vleeskuikens - Jaarlijks per bedrijf
≥30 dieren ≥4 weken
Vleeseenden - Jaarlijks per bedrijf
Vleeskalkoenen - Per bedrijf, elke productieronde
Vleeskalkoenen, in geval van geen hanen - Per bedrijf, elke productieronde
≥40 dieren ≥4
≥30 hanen
≥30 hennen
≥18 weken
≥13 weken
De monsters dienen op het bedrijf te worden genomen. Bij het onderzoek kan gebruikgemaakt worden van bloedmonsters die in het kader van het verplichte NCD-onderzoek bij GD worden aangeleverd.
De monsters dienen op het bedrijf te worden genomen. Deze bloedmonsters kunnen speciaal voor het AIonderzoek worden aangeleverd.
Bij het onderzoek kan gebruikgemaakt worden van bloedmonsters die in het kader van het verplichte NCD-onderzoek bij GD worden aangeleverd.
* Legbedrijven waar onder meer dieren in een houderijsysteem met vrije uitloop worden gehouden.
Indien de dieren worden gehouden in meerdere stallen, moeten de bloedmonsters afkomstig zijn uit alle stallen met een minimum van vijf monsters per stal. De aansturing van de monstername vindt plaats door GD. Alle bloedmonsters worden door GD onderzocht met behulp van een ELISA-test.

AI-monitoringsgrenzen
In de Regeling houders van dieren zijn in art. 3a.2 de meldingsnormen voor ziekteverschijnselen bij vogels vastgelegd.
Artikel 3a.2 lid 1 van deze regeling luidt als volgt:
1. De exploitant van een inrichting waar pluimvee wordt gehouden, meldt elke sterfte van: a. een koppel leghennen, vermeerderingsdieren of vleeskuikens, die ouder zijn dan 10 dagen, indien op twee opeenvolgende dagen er een sterfte is van 0,5% of meer per dag; b. een koppel vleeskalkoenen indien op twee opeenvolgende dagen er een sterfte is van 1% of meer per dag; en c. alle andere soorten pluimvee dan de soorten, bedoeld in de onderdelen a en b, indien er een sterfte is van meer dan 3% per week.
2. De exploitant, bedoeld in het eerste lid, consulteert een dierenarts indien bij pluimvee: a. een klinisch probleem zichtbaar is; b. er op twee opeenvolgende dagen een reductie van voer- of drinkwateropname is van meer dan 5% per dag; en c. voor zover het leghennen of vermeerderingsdieren betreft, er op twee opeenvolgende dagen een reductie van de eiproductie is van 5% of meer per dag.
Daarnaast gold sinds november 2020 een aanscherping van de meldingsplicht door de actuele situatie omtrent hoogpathogene aviaire influenza. De aanscherping gold voor leghennen, vermeerderingsdieren en vleeskuikens, en luidde als volgt:
• Vanaf 10 dagen leeftijd moet verhoogde sterfte worden gemeld als die óf 2 dagen achtereen 0,5% is, óf 2 dagen achtereen verdrievoudigd is ten opzichte van de gemiddelde sterfte de week voorafgaand aan de sterfte.
De aanscherping geldt voor (vlees)eenden en luidt als volgt:
• Vanaf de zevende dag na opzet: 0,15% of meer uitval per dag gedurende 2 opeenvolgende dagen óf 0,5% of meer uitval op 1 dag en gelijktijdig een voeropnamedaling van 5%.
Verder moet de veehouder een dierenarts consulteren als AI-gevoelige dieren:
• klinische verschijnselen vertonen;
• de dieren 2 opeenvolgende dagen 5% minder voer of water opnemen;
• 2 opeenvolgende dagen 5% minder eieren leggen (reproductiedieren en leghennen).
• De dierenarts stuurt dan cloacaswabs of keelswabs op naar het onderzoeksinstituut Wageningen Bioveterinary Research.
De Regeling maatregelen preventie vogelgriep 2020 is echter 21 april 2021 ingetrokken.

Early warning met behulp van uitsluitingsdiagnostiek
Met de mogelijkheid tot het laten onderzoeken van swabs op de afwezigheid van AI, ontwikkeld door de overheid samen met GD, WBVR en de sector, kan de kans op een verspreiding van een aanwezige, maar nog niet onderkende AI-stam (na introductie) verder worden verkleind. De mogelijkheid tot onderzoek op afwezigheid bestaat sinds 2006; in die gevallen waarin sectie de oorzaak van de aandoening niet (volledig) kan verklaren en het koppel niet aan de meldingsnormen voldoet in de Regeling houders van dieren, art 3a.2 lid 1 (zie bijlage VII.B), kunnen keel- en cloacaswabs worden ingestuurd. Hiermee kan worden uitgesloten dat er (tevens) een (laagpathogeen) AI-virus in het spel is. Daarnaast is het mogelijk om deze swabs in te sturen als het koppel voldoet aan de meldingscriteria, maar er door de dierenarts duidelijke aanwijzingen zijn voor een andere ziekte. Dit dient in overleg te gebeuren met GD. Het programma is op 1 oktober 2006 gestart en vanaf die datum kunnen monsters bij WBVR worden aangeboden voor onderzoek. Het Diergezondheidsfonds vergoedt de kosten voor het onderzoek door WBVR. Bij een verdenking van AI blijft uiteraard de bestaande route gelden en moet de verdenking worden gemeld, zodat reeds in een vroeg stadium maatregelen kunnen worden genomen. De mogelijkheid tot het uitvoeren van de Early warning met behulp van uitsluitingsdiagnostiek is vastgelegd in het ‘Beleidsdraaiboek aviaire influenza’.

De verplichte serologische NCD-monitoring
De belangrijkste punten binnen de verplichtende NCD-regelgeving, zoals per 21 april 2021 opgenomen in de Regeling houders van dieren: er bestaat geen verplicht vaccinatieschema, maar wel een verplichting tot uitvoering van (een) preventieve NCD-vaccinatie(s). Daarnaast geldt een eis met betrekking tot de te behalen waarden bij vaccinatie.
Vaccinatieplicht
1. De vaccinatie, bedoeld in artikel 2.76id, eerste lid, Regeling houders van dieren vindt plaats:
a. uiterlijk 18 dagen nadat de dieren zijn uitgekomen; of b. zo spoedig mogelijk na aankomst in Nederland.
Eis met betrekking tot de te behalen waarden bij vaccinatie
De eis tot het behalen van een omschreven waarde is vastgelegd in Bijlage 12 van de Regeling houders van dieren
1. Vermeerderingsdieren van de soort kip of kalkoen, kippen of kalkoenen die worden opgefokt tot vermeerderingsdier, leghennen of dieren die worden opgefokt tot leghen
a. Indien het een koppel vermeerderingsdieren van de soort kip of kalkoen, kippen of kalkoenen die worden opgefokt tot vermeerderingsdier, leghennen of dieren die worden opgefokt tot leghen betreft dat ouder is dan 28 dagen en waarop de onderdelen b, c en d niet van toepassing zijn, wordt bij ten minste één van de onderzochte bloedmonsters, bedoeld in artikel 7b.29, eerste lid, een waarde van ten minste 1:8 behaald of dat een test op antistoffen een positief resultaat geeft.
a. Indien het een koppel vermeerderingsdieren van de soort kip of kalkoen, kippen of kalkoenen die worden opgefokt tot vermeerderingsdier, leghennen of dieren die worden opgefokt tot leghen betreft waarbij de vaccinatie, bedoeld in artikel 2.76id, eerste lid, van het besluit, nog niet is uitgevoerd en dat ouder is dan 70 dagen, wordt bij ten minste 83% van de onderzochte bloedmonsters, bedoeld in artikel 7b.29, eerste lid, een waarde van ten minste 1:8 behaald of dat een test op antistoffen een positief resultaat geeft, tenzij:
I. het koppel sinds het uitkomen met tussenpozen van ten hoogste zes weken door een dierenarts is gevaccineerd met een levende entstof en die vaccinaties door middel van een spray of aërosol zijn uitgevoerd, en
II. bij ten minste één van de onderzochte bloedmonsters, bedoeld in artikel 7b.29, eerste lid, een waarde van ten minste 1:8 behaald of dat een test op antistoffen een positief resultaat geeft.

c. Indien het een koppel vermeerderingsdieren van de soort kip of kalkoen, kippen of kalkoenen die worden opgefokt tot vermeerderingsdier, leghennen of dieren die worden opgefokt tot leghen betreft waarbij de vaccinatie, bedoeld in artikel 2.76id, eerste lid, van het besluit, is uitgevoerd, wordt, binnen zes weken na deze vaccinatie, bij ten minste 83% van de onderzochte bloedmonsters, bedoeld in artikel 7b.29, eerste lid, een waarde van ten minste 1:8 behaald of dat een test op antistoffen een positief resultaat geeft, tenzij:
I. het koppel sinds het uitkomen met tussenpozen van ten hoogste zes weken door een dierenarts is gevaccineerd met een levende entstof en die vaccinaties door middel van een spray of aërosol zijn uitgevoerd, en
II. bij ten minste één van de onderzochte bloedmonsters, bedoeld in artikel 7b.29, eerste lid, een waarde van ten minste 1:8 behaald of dat een test op antistoffen een positief resultaat geeft.
d. Indien het een koppel vermeerderingsdieren van de soort kip of kalkoen, kippen of kalkoenen die worden opgefokt tot vermeerderingsdier, leghennen of dieren die worden opgefokt tot leghen betreft waarbij de vaccinatie, bedoeld in artikel 2.76id, eerste lid, van het besluit, is uitgevoerd, wordt, na zes weken na deze vaccinatie, bij ten minste 83% van de onderzochte bloedmonsters, bedoeld in artikel 7b.29, eerste lid, een waarde van ten minste 1:8 behaald of dat een test op antistoffen een positief resultaat geeft.
2. Vleeskuikens en vleeskalkoenen
a. Indien het een koppel vleeskuiken of vleeskalkoenen betreft dat ouder is dan 28 dagen en waarop onderdeel b niet van toepassing is, wordt bij ten minste één van de onderzochte bloedmonsters, bedoeld in artikel 7b.29, eerste lid, een waarde van ten minste 1:8 behaald of dat een test op antistoffen een positief resultaat geeft.
a. Indien het een koppel vleeskuiken of vleeskalkoenen betreft dat ouder is dan 70 dagen wordt bij ten minste 83% van de onderzochte bloedmonsters, bedoeld in artikel 7b.29, eerste lid, een waarde van ten minste 1:8 behaald of dat een test op antistoffen een positief resultaat geeft, tenzij:
I. het koppel sinds het uitkomen met tussenpozen van ten hoogste zes weken door een dierenarts is gevaccineerd met een levende entstof en die vaccinaties door middel van een spray of aërosol zijn uitgevoerd, en
II. bij ten minste één van de onderzochte bloedmonsters, bedoeld in artikel 7b.29, eerste lid, een waarde van ten minste 1:8 behaald of dat een test op antistoffen een positief resultaat geeft.

Verplichte monitoring salmonella
Voor de zoönotische salmonella’s zijn de volgende verordeningen relevant:
- verordening (EG) nr. 1190/2012: verordening (EU) nr. 1190/2012 van de Commissie van 12 december 2012 tot vaststelling van een doelstelling van de Unie voor het terugdringen van Salmonella Enteritidis en Salmonella Typhimurium bij koppels kalkoenen, als vastgesteld in Verordening (EG) nr. 2160/2003 van het Europees Parlement en de Raad (PbEU 2012, L 340);
- verordening (EG) nr. 200/2012: verordening (EU) nr. 200/2012 van de Commissie van 8 maart 2012 tot vaststelling van een doelstelling van de Unie voor het terugdringen van Salmonella Enteritidis en Salmonella Typhimurium bij koppels slachtkuikens, als vastgesteld in Verordening (EG) nr. 2160/2003 van het Europees Parlement en de Raad (PbEU 2012, L 71);
- verordening (EG) nr. 517/2011: verordening (EU) nr. 517/2011 van de Commissie van 25 mei 2011 ter uitvoering van Verordening (EG) nr. 2160/2003 van het Europees Parlement en de Raad wat betreft een doelstelling van de Unie voor het verminderen van de prevalentie van bepaalde serotypes van salmonella bij legkippen van Gallus en tot wijziging van Verordening (EG) nr. 2160/2003 en Verordening (EU) nr. 200/2010 van de Commissie (PbEU 2011, L 138);
- verordening (EG) nr. 200/2010: verordening (EU) nr. 200/2010 van de Commissie van 10 maart 2010 ter uitvoering van Verordening (EG) nr. 2160/2003 van het Europees Parlement en de Raad wat betreft een doelstelling van de Unie voor het verminderen van de prevalentie van serotypen salmonella bij volwassen vermeerderingskoppels van Gallus (PbEU 2010, L 61).
Regels voor de specificatie van de monitoring op zoönotische salmonella zijn niet in de Europese regels van de Diergezondheidsverordening opgenomen. De Wet dieren biedt, in samenhang met het Besluit Diergezondheid, het Besluit houders van dieren, het Besluit dierlijke producten en het Besluit handhaving en overige zaken Wet dieren de basis om Verordening (EG) nr. 2160/2003 in Nederland uit te voeren.
Een belangrijk onderdeel van verordening (EG) nr. 2160/2003 betreft de uitvoering van monitoring naar de aanwezigheid van salmonella op pluimveebedrijven. Bijlage II, onderdeel B, bij verordening (EG) nr. 2160/2003 bevat minimum bemonsteringsvoorschriften ten aanzien van kippen die worden opgefokt tot leghen of vermeerderingsdier. Nationaal is hiermee geregeld op welke momenten pluimveehouders monsters moeten nemen voor salmonella-onderzoek en op welke serotypen zij deze monsters moeten laten onderzoeken.
Op basis van artikel 8 van gedelegeerde verordening 2019/2035 moeten inrichtingen waar pluimvee wordt gehouden en van waaruit pluimvee of pluimveeproducten naar andere lidstaten worden verplaatst volgens een voorgeschreven monitoringsprogramma gemonitord worden op niet-zoönotische salmonellose, Salmonella Enteritidis, Salmonella Typhimurium, Salmonella Hadar, Salmonella Infantis en Salmonella Virchow. Voor vleesvermeerdering geldt ook een toevoeging van Salmonella Java. (Art 7b.43). Gedurende de opfok moeten de dieren onderzocht worden in de eerste drie levensdagen, op een leeftijd van 4 weken en 2 weken voor de overgang naar de legfase of verplaatsing naar een bedrijf waar ze als vermeerderingsdier worden gehouden.
Voor leghennen geldt een onderzoek naar de aanwezigheid van Salmonella Enteritidis en Salmonella Typhimurium (art. 7b.44).

Het serotype Salmonella Java komt in Nederland veelvuldig voor bij vleeskuikens en is weinig gevoelig voor gangbare bestrijdingsmaatregelen. Verordening (EG) nr. 2160/2003 bevat echter geen voorschriften voor dit serotype.
Verordening (EG) nr. 2073/2005 eist echter dat vleesproducten en bereidingen vrij moeten zijn van alle salmonella’s. Om die reden zijn in aanvulling op verordening (EG) nr. 2160/2003 ook regels opgesteld voor de monitoring op Salmonella Java. Het gaat om technische en gedetailleerde regels die ook snel aangepast moeten kunnen worden indien wijzigingen in de uitvoeringsverordeningen daar aanleiding toe geven. Daarom is er voor gekozen om in het Besluit houders van dieren een grondslag op te nemen (artikel 2.76ie) om de nadere regels die nodig zijn voor uitvoering van de monitoring bij ministeriële regeling uit te werken.
Uit artikel 10 van de diergezondheidsverordening volgt dat een exploitant er verantwoordelijk voor is om het risico op verspreiding van ziekten te beperken. De diergezondheidsverordening is echter niet van toepassing op zoönotische salmonella. Daarom wordt in artikel 2.76if van het Besluit houders van dieren geregeld dat het verboden is leghennen aan te voeren op een inrichting waar de aanwezigheid van Salmonella Enteritidis is vastgesteld, tenzij de aan te voeren leghennen zijn gevaccineerd tegen Salmonella Enteritidis.
Daarnaast zijn in de verschillende IKB-verordeningen uitvoer gegeven van het onderzoek naar de aanwezigheid van salmonella in de verschillende pluimvee ketens.
Niet-zoönotische salmonella’s
In Verordening (EU) 2016/429 van het Europees Parlement en de Raad wat betreft regels voor inrichtingen waar landdieren worden gehouden en broederijen, alsmede voor de traceerbaarheid van bepaalde gehouden landdieren en broedeieren is de verplichte ziektebewaking van niet zoönotische salmonella’s vastgesteld:
Deel 2
Ziektebewakingsprogramma’s in broederijen zoals bedoeld in artikel 7 en in inrichtingen waar pluimvee wordt gehouden zoals bedoeld in artikel 8.
1. Doel van de ziektebewakingsprogramma’s
Aantonen dat koppels die worden gehouden in erkende inrichtingen waar pluimvee wordt gehouden, vrij zijn van de onder de punten 2 en 3 genoemde ziekteverwekkers.
De ziektebewakingsprogramma’s moeten ten minste de in punt 2 bedoelde ziekteverwekkers en in de lijst opgenomen gehouden soorten omvatten.
2. Ziektebewaking ten aanzien van salmonellaserotypen die relevant zijn voor de diergezondheid
2.1 Vaststelling van besmetting met de ziekteverwekkers:
a. Salmonella Pullorum: Salmonella enterica subspecies enterica serovar Gallinarum biochemische variant (biovar) Pullorum;
b. Salmonella Gallinarum: Salmonella enterica subspecies enterica serovar Gallinarum biochemische variant (biovar) Gallinarum;
c. Salmonella arizonae: Salmonella enterica subspecies arizonae serogroep K (O18) arizonae

In 2.5 wordt het steekproefkader en de bemonsteringsfrequentie gespecificeerd voor alle inrichtingen waar pluimvee wordt gehouden:
Fokpluimvee en gebruikspluimvee:
Gallus, Meleagris gallopavo, Numida meleagris, Coturnix, Phasianus, colchicus, Perdix perdix en Anas spp.
I. bemonstering voor Salmonella Pullorum en Salmonella Gallinarum:
Tijdstip van bemonstering:
- fokpluimvee: tijdens de leg
- gebruikspluimvee: ten minste eenmaal per jaar gedurende de productie.
Aantal te bemonsteren vogels/aantal 60
II. bemonstering voor Salmonella arizonae: Fokpluimvee en gebruikspluimvee: Meleagris gallopavo
Tijdstip van bemonstering:
- fokpluimvee: tijdens de leg
- gebruikspluimvee: ten minste eenmaal per jaar gedurende de productie
Aantal te bemonsteren vogels/aantal 60
In het ‘Programma inzake microbiologische controle in broederijen en ziektebewakingsprogramma’s in inrichtingen waar pluimvee wordt gehouden en in broederijen’ wordt de matrix en het laboratoriumonderzoek nader gespecificeerd.

Verplichte monitoring Mycoplasma gallisepticum en Mycoplasma meleagridis
Per 21 april 2021 is de regelgeving met betrekking tot de monitoring van Mycoplasma gallisepticum (M.g.) en Mycoplasma meleagridis (M.m.) opgenomen in de Regeling houders van dieren en in de Verordening 2019/2035 ‘Regels voor inrichtingen waar landdieren worden gehouden en broederijen, alsmede voor de traceerbaarheid van bepaalde gehouden landdieren en broedeieren’ en Besluit van 24 maart 2021, houdende ‘Regels met betrekking tot de preventie en bestrijding van dierziekten en tot wijziging van het Besluit dierlijke producten, het Besluit diergeneesmiddelen, het Besluit handhaving en overige zaken Wet dieren en het Besluit houders van dieren (Besluit diergezondheid). De aanwijzing van Mycoplasma gallisepticum (M.g.) en Mycoplasma meleagridis (M.m.) als de te monitoren en te bestrijden dierziekten, samen met de aanwijzing van de laboratoria staan in de Regeling en het Besluit . Het monsternameschema is verwoord in de Verordening
Deel 2 verordening 2019/2035 Ziektebewakingsprogramma’s in broederijen zoals bedoeld in artikel 7 en in inrichtingen waar pluimvee wordt gehouden zoals bedoeld in artikel 8 (pluimvee dat bestemd is voor andere doeleinden dan de slacht of het uitbroeden van eieren, zal worden verplaatst naar een andere lidstaat).
3.5.a Bemonsteringsmatrix Mg
- Fokpluimvee op een leeftijd van 1 (hoenders 6), resp. 20 (kalkoen) weken, tijdens de leg en vervolgens om de 90 dagen;
- Gebruikspluimvee: tijdens productie om de 90 dagen.
3.5.b Bemonsteringsmatrix Mm
- Fokpluimvee op een leeftijd van 20 weken, tijdens de leg en vervolgens om de 90 dagen.

Meldingsplichtige ziekten
Meldingsplichtige en bestrijdingsplichtige dierziekten
Sinds 21 april 2021 is de Animal Health Law in werking getreden. Op basis van de Europese Diergezondheidsverordening (verordening (EU) nr. 2016/429):
A. Dierziekten die gewoonlijk niet in de Unie voorkomen en bestreden moeten worden; voor pluimvee: infectie met hoogpathogene aviaire influenza en infectie met het virus van de ziekte van Newcastle;
B. Dierziekten die moeten worden bestreden met als doel ze (op termijn) in de gehele Unie uit te roeien;
C. Dierziekten die relevant zijn voor sommige lidstaten en waarvoor maatregelen nodig zijn om te voorkomen dat zij zich verspreiden naar andere delen van de Unie die officieel ziektevrij zijn of waarin een uitroeiingsprogramma voor de dierziekte loopt;
D. Dierziekten waarvoor maatregelen nodig zijn om te voorkomen dat zij zich verspreiden wegens binnenkomst in de Unie of verplaatsingen tussen de lidstaten; voor pluimvee: aviaire mycoplasmose (Mycoplasma gallisepticum en M. meleagridis), infectie met Salmonella Pullorum, S. Gallinarum, S. arizonae, infectie met laagpathogene aviaire- influenzavirussen, aviaire chlamydiose;
E. Dierziekten waarvoor bewaking nodig is binnen de Unie zijn. Zie D.
Lidstaten zijn verplicht tot het bestrijden van categorie A- en B-ziekten. Voor het bestrijden van A-ziekten moeten lidstaten draaiboeken opstellen. Nederland is ook vrij van bepaalde ziekten die zijn opgenomen in de lijst als categorie C-ziekten. Indien Nederland vrij is van bepaalde C-ziektes kan Nederland een draaiboek opstellen om deze ziekte te bestrijden om de vrijstatus te handhaven. Alle maatregelen die worden genomen tijdens een uitbraak van een dierziekte moeten er uiteindelijk voor zorgen dat de verspreiding van de ziekte wordt beperkt en dat de ziekte wordt uitgeroeid.
Alle dierziekten die in de categorie A tot en met D vallen, zijn ook gecategoriseerd als E-ziekten. Daarnaast zijn er enkele dierziekten die uitsluitend onder categorie E vallen. E staat voor meldplicht. Zie voor het totale overzicht van de in de Uitvoeringsverordening (EU) 2018 /1882 van Animal Health Law (AHL) (EU) 2016 /429 (Categorie A t/m E) gecategoriseerde dierziekte bijlage 1.

Ziekten die moeten worden gemeld aan WOAH (World Organisation for Animal Health) (WOAH listed diseases 2025)
Avian diseases
- Avian chlamydiosis
- Avian infectious bronchitis
- Avian infectious laryngotracheitis
- Avian influenza
- Avian mycoplasmosis (M. gallisepticum)
- Avian mycoplasmosis (M. synoviae)
- Duck virus hepatitis
- Fowl typhoid
- Infection with influenza A viruses of high pathogenicity in birds other than poultry including wild birds
- Infection with influenza A viruses of high pathogenicity in birds other than poultry including wild birds
- Infection with influenza A viruses of high pathogenicity in birds other than poultry including wild birds
- Infectious bursal disease (Gumboro disease)
- Newcastle disease
- Pullorum disease
- Turkey rhinotracheitis
Bron: www.woah.org/en/what-we-do/animal-health-and-welfare/animal-diseases/?_tax_animal=terrestrials%2Cavian

Deze rapportage is opgesteld door GD in samenspraak met de Begeleidingscommissie Monitoring Diergezondheid Pluimvee, die is samengesteld uit vertegenwoordigers van de overheid (ministerie van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur (LVVN) en de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (NVWA)), AVINED, sectorvertegenwoordigers (LTO/NOP en NVP), pluimveepractici en GD (adviserende rol).
GD - Afdeling pluimveegezondheidszorg
(uitvoering monitoringsrapportage Pluimvee)
N. de Bruijn
W. Dekkers
A. Feberwee
I. Jorna
R.J. Molenaar
R. Petersen
F. Schoemaker-van Kaam
C. ter Veen
S. de Vos
J. Wiegel
M.K. de Wit
S. de Wit
G.J. Zuidam
GD - Overige afdelingen
(uitvoering monitoringsrapportage Pluimvee)
M. den Besten
A. Heuvelink
GD - Redactiecommissie
I. Jorna
R.J. Molenaar
S. de Vos
J. Wiegel
GD - Eindredactie
I. Jorna
D. de Leeuw

Royal GD Arnsbergstraat 7
Postbus 9, 7400 AA Deventer
T. 088 20 25 500
info@gddiergezondheid.nl www.gddiergezondheid.nl



