Skip to main content

Jaarrapportage paard 2025

Page 1


Uitgave:

Royal GD 2026

Telefoon 088 2025500 info@gddiergezondheid.nl www.gddiergezondheid.nl

Ontwerp: Onis creatieve communicatie

Opmaak: Drukkerij Ovimex

Redactie Jaarverslag Helpdesk Paard

Carlijn ter Bogt-Kappert1, Robin van den Boom2, René van den Brom1, Eva Dieterman1, Linda van den Wollenberg1

Bemensing Helpdesk Paard: Robin van den Boom2, Eva Dieterman1, Rosa Houben2, Lieuwke Kranenburg2, Mathijs Theelen2, Linda van den Wollenberg1

1 Royal GD 2 faculteit Diergeneeskunde

De resultaten in deze publicatie mogen niet zonder schriftelijke toestemming van de auteurs worden verwerkt of gebruikt (bijvoorbeeld in wetenschappelijk onderzoek), tenzij sprake is van citatie. Op citaties is auteursrecht van toepassing.

1. Voorwoord

Voor u ligt het ’Jaarverslag Basismonitoring Paard 2025’. De monitoring van diergezondheid in de paardensector bestaat sinds 2014. Initieel bestond de monitoring uit een telefonische helpdesk. Inmiddels is deze monitoring uitgebreid met een aantal elkaar aanvullende instrumenten om informatie te verzamelen over de gezondheidssituatie van paarden in Nederland. Deze instrumenten zijn deels reactief (Helpdesk Paard en Pathologie; initiatief ligt vooral bij praktiserende dierenartsen) en deels proactief (Data-analyse, pilots; initiatief ligt bij GD). Royal GD vervult in deze monitoring een centrale rol in nauwe samenwerking met de faculteit Diergeneeskunde (fD). Experts van Wageningen BioVeterinary Research (WBVR) zijn zo nodig beschikbaar voor ruggenspraak. Het ministerie van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur (LVVN) ondersteunt deze monitoring financieel.

Een belangrijk onderdeel van de Basismonitoring Paard is de Helpdesk Paard. De Helpdesk Paard, voor dierenartsen, is in 2014 opgezet door GD in samenwerking met:

• de toenmalige Groep Geneeskunde Paard (GGP), nu Clusterbestuur Paard van de Koninklijke Nederlandse Maatschappij voor Diergeneeskunde (KNMvD);

• het toenmalige Centraal Veterinair Instituut (CVI), nu Wageningen Bioveterinary Research (WBVR);

• de faculteit Diergeneeskunde (fD).

De Helpdesk Paard heeft als doel om informatie uit te wisselen met dierenartsen over (mogelijke) infectieuze aandoeningen bij het paard om zo inzicht te krijgen en te houden in de actuele gezondheidssituatie van paarden in Nederland. Daarbij gaat het zowel om endemische als om niet-endemische aandoeningen. De verkregen informatie vanuit de Helpdesk Paard wordt vervolgens gedeeld met dierenartsen die zijn geïnteresseerd in paardengezondheidszorg. De Helpdesk Paard is niet het officiële meldpunt voor meldingsplichtige aandoeningen, dat is de NVWA. Het landelijke dierziektenmeldnummer van de NVWA is 045 5463188. De NVWA is via dit nummer 24 uur per dag en zeven dagen per week bereikbaar. De Helpdesk Paard draagt bij aan het opsporen van nieuwe aandoeningen en niet-endemisch in Nederland voorkomende aandoeningen en het signaleren van veranderingen in het voorkomen van bekende aandoeningen.

De naamsbekendheid van de Helpdesk Paard nam de afgelopen jaren flink toe. GD, fD en daarmee de Helpdesk Paard, dragen op deze wijze sterk bij aan het opvangen van ’opmerkelijke‘ signalen uit het veld. Praktiserende dierenartsen attenderen we regelmatig op het raadplegen van de Helpdesk Paard door bevindingen terug te koppelen naar zowel dierenartsen en paardenhouders als naar andere stakeholders. Het interactieve karakter zorgt voor een doorgaande expertise opbouw bij de bemensing van de Helpdesk Paard. Ervaringen uit andere diersectoren laten zien dat een dergelijke helpdesk de basis vormt van een goede monitoringssystematiek.

Informatie die bij de Helpdesk Paard binnenkomt wordt geanalyseerd en geïnterpreteerd binnen GD. Waar nodig worden ook andere disciplines betrokken zoals pathologie, bacteriologie en epidemiologie. Er vindt regelmatig (telefonisch) overleg plaats tussen GD en medewerkers van de fD die de Helpdesk Paard bemensen. Daarnaast vindt vanuit de Sectorraad Paarden (SRP) een breed Gezondheidsoverleg Paard plaats, waarin onder andere relevante bevindingen uit de Helpdesk Paard gedeeld worden. Het Clusterbestuur Paard van de KNMvD wordt van bijzondere bevindingen op de hoogte gehouden. Mocht vaker of acuut overleg gewenst zijn bij een bijzondere of ingewikkelde casus of bij een spoedgeval dan is het contact tussen GD, fD en eventuele andere partijen snel en mede door deze samenwerking in het Gezondheidsoverleg Paard laagdrempelig.

2. Monitoringssystematiek

Via de Helpdesk Paard kunnen dierenartsen informatie uitwisselen over infectieuze aandoeningen en symptomen die mogelijk verband houden met infectieziekten bij het paard. Doel is om zo inzicht te krijgen in de actuele diergezondheidssituatie in Nederland en dierenartsen te voorzien van actuele informatie over infectieziekten. Tegelijkertijd biedt het centrale telefoonnummer de mogelijkheid om informatie uit het veld snel te bundelen zodat de sector, indien nodig, direct stappen kan ondernemen.

De Helpdesk Paard wordt bemenst door onder andere specialisten van GD en fD. De Helpdesk is op werkdagen van 15.00 tot 17.00 uur te bereiken via 088 2025555 (optie 5 paard). Dierenartsen kunnen dan direct met een dierenarts van de Helpdesk Paard spreken. De klantenservice van GD is daarnaast de hele dag bereikbaar en kan dierenartsen verwijzen naar de Helpdesk Paard. Bij spoed probeert een dierenarts van de Helpdesk Paard eerder met de vraagsteller contact op te nemen.

De Helpdesk Paard werd opgezet in het kader van de monitoring van infectieuze aandoeningen bij paarden, zoals omschreven in het projectplan ‘Samen werken aan paardengezondheid’ van de SRP. Dit plan heeft als doel om de gezondheid van paarden in Nederland te bevorderen en om verspreiding van endemische infectieziekten en insleep van nieuwe infectieziekten in te perken, te voorkomen dan wel vroegtijdig te signaleren. Daarbij gaat het zowel om endemische aandoeningen, bijvoorbeeld rhinopneumonie, droes en salmonellose, als om niet-endemische aandoeningen zoals equine infectieuze anemie, westnijlvirus en Afrikaanse paardenpest. Bij verdenkingen van meldingsplichtige aandoeningen attendeert de Helpdesk Paard de beller op de noodzaak om contact op te nemen met het officiële meldpunt van de NVWA.

De verkregen informatie vanuit de Helpdesk Paard wordt op diverse manieren gedeeld met dierenartsen die professioneel betrokken zijn bij paardengezondheidszorg. Zo worden interessante casussen en ontwikkelingen op het gebied van infectieziekten beschreven in het GD katern van de Hippische Ondernemer. Daarnaast worden regelmatig updates en artikelen gepubliceerd in andere bladen zoals GD Veterinair, het Tijdschrift voor Diergeneeskunde (publicaties en structurele bijdrage aan de rubriek Trends in de Monitoring), Dier-en-Arts en internationale (wetenschappelijke) bladen. Ook wordt informatie uit de monitoring gedeeld via cursussen en andere nascholingsactiviteiten, zoals de Actualiseringscursus Paard, de Klinische Avonden Paard (KAP), intervisiebijeenkomsten, bijeenkomsten voor dierenartsen georganiseerd door de UKP (fD) en GD-cursussen. Tevens wordt informatie uitgewisseld met het kennisnetwerk dierenartsen en de leden van de Monitoring and Surveillance working group van de Federation of European Equine Veterinary Associations (FEEVA) en, indien van toepassing, met de Koninklijke Nederlandse Hippische Sportfederatie (KNHS).

De Helpdesk Paard is niet bedoeld voor het bespreken van bloeduitslagen, anders dan die van paarden met een mogelijke infectieziekte. De specialisten van de fD die deelnemen aan de Helpdesk Paard kunnen, vanwege privacyregelgeving, niet in de systemen van GD en daarmee niet bij de desbetreffende uitslagen tenzij de vraagsteller deze telefonisch voorlegt. Het is belangrijk dat de vraagsteller op de hoogte is van deze afkadering van de Helpdesk Paard. Het bespreken van deze bloeduitslagen leidt wel regelmatig tot adviezen over of vervolgonderzoek op het gebied van infectieziekten.

3. Cijfers 2025

In 2025 hebben de medewerkers van de Helpdesk Paard 635 vragen ontvangen en afgehandeld. De vragen komen voornamelijk via de telefoon binnen en een deel via e-mail en WhatsApp. Overigens komen vragen over infectieziekten ook buiten de Helpdesk Paard om binnen, dus onderstaande weergave is een onderschatting van het aantal contacten met dierenartsen over infectieuze ziekten bij paarden. De onderwerpen van de vragen staan in onderstaande tabel en figuren. De percentages geven aan hoeveel vragen over het betreffende onderwerp gesteld zijn. Deze percentages zijn niet één-op- één te vertalen naar de mate van voorkomen van de aandoening.

Tabel 1. Contactmomenten gericht op specifieke ziekte in 2025

Gericht op specifieke ziekte/verwekker

zooepidemicus-infecties

Teekgebonden aandoeningen (borreliose (ziekte van Lyme), anaplasmose, piroplasmose)

Toxicologische aandoeningen (giftige planten, zware metalen)

Virale encephalomyelitiden (o.a. westnijlvirus (WNV))

Overige infectieuze aandoeningen, o.a. contagious equine metritis (CEM), echinococcose, equine infectieuze anemie (EIA), equine virale arteritis (EVA), kwade droes, listeriose, vesiculaire stomatitis

Tabel 2. Contactmomenten probleemgericht in 2025

Probleemgericht

Ademhalingsproblemen/hoesten 9,7 14,1 8,5

Bevangenheid/kreupelheid 5,9 5,2 5,8

Diarree 17,8 14,5 13,9

Huidaandoeningen/jeuk 4,2 5,6 9,8

Koorts 20,3 17,3 18,3

Neurologische verschijnselen 13,1 12,4 15,9

Plotseling dood 4,7 6,4 8,8

Prestatie problemen 3,8 4,8 2,4

Vermageren 12,7 10,8 8,8

Verwerpen 5,1 6,8 6,8

Vruchtbaarheidsproblemen 2,5 2,0 1,0 TOTAAL

Percentage contactmomenten gericht op specifieke ziekte

Toxicologische aandoeningen (giftige planten, zware metalen) 8,3%

Teekgebonden aandoeningen (Borreliose, anaplasmose, piroplasmose) 6,4%

Streptococcus zooepidemicus infecties 2,4%

7,0%

Virale encephalomyelitiden (o.a. westnijlvirus) 13,7%

Overige infectieuze aandoeningen 6,2%

11,8% Rhodococcose 3,2%

1. Percentage contactmomenten gericht op specifieke ziekte in 2025

Figuur

Percentage contactmomenten probleemgericht Ademhalingsproblemen/ hoesten 8,5%

2. Percentage contactmomenten probleemgericht in 2025

Figuur

4. Meest voorkomende en nieuwe bevindingen

Helpdesk Paard

Hieronder worden de meest voorkomende infectieuze en enkele niet-infectieuze aandoeningen vastgesteld in 2025 nader toegelicht.

Westnijlvirus

Het westnijlvirus (WNV) is al geruime tijd aanwezig in Zuid- en Oost-Europa en heeft zich inmiddels verspreid naar Centraal- en Noordwest-Europa, waaronder Duitsland, België en Nederland. WNV circuleert tussen vogels en muggen; trekvogels spelen een rol in de verspreiding, waarna muggen het virus kunnen overdragen op mensen en paarden. Mensen en paarden zijn eindgastheren: zij kunnen besmet raken, maar dragen het virus niet verder over. Besmetting van paarden op mensen en vice versa is dus niet mogelijk. Bij paarden verloopt een infectie meestal subklinisch. Soms treden milde klachten op, zoals koorts en sloomheid. In circa 10 procent van de gevallen ontwikkelen zich neurologische verschijnselen, waaronder ataxie, spiertrillingen en verlamming. In 30 procent van de neurologische casussen ontstaan er blijvende neurologische problemen die aanleiding kunnen geven tot euthanasie. Vaccinatie biedt bescherming tegen WNV.

In 2025 voerde GD, in opdracht van de Werkgroep Westnijlvirus monitoring (met daarin o.a. WBVR, RIVM, ErasmusMC, fD, NVWA) en met ondersteuning van ministeriële subsidie, opnieuw syndroomsurveillance uit naar WNV-infecties bij paarden. Dierenartsen konden kosteloos serummonsters insturen van paarden met neurologische verschijnselen. Paarden vertonen na infectie relatief vaker dan mensen neurologische symptomen (ongeveer 10 procent versus 1 procent) en kunnen hierdoor een belangrijke signaalfunctie voor de humane gezondheidszorg vervullen. Er is actief ingezet op communicatie met paardendierenartsen om de bewustwording te vergroten. Dit leidde tot een toename van het aantal ingezonden monsters. In 2025 werden, bij ingestuurde bloedmonsters in het kader van deze syndroomsurveillance, de eerste autochtone gevallen van WNV-infectie bij paarden in Nederland aangetoond. Alle drie de gevallen betroffen paarden uit de provincie Zuid-Holland en werden in de maand oktober gediagnosticeerd. Eerder die maand was WNV in dezelfde provincie door het Centrum Monitroing Vectoren van de NVWA aangetoond in een muggenpool. De verdere bevindingen uit de WNV-monitoring van 2025 worden via een aparte rapportage van de Werkgroep Westnijlvirus monitoring teruggekoppeld aan de opdrachtgever.

WNV is een meldingsplichtige zoönose. Een besmetting bij een paard heeft geen directe gevolgen voor het betreffende dier of bedrijf. Het fungeert wel als belangrijk signaal voor de volksgezondheid. Ondanks dat paarden eindgastheer zijn, kunnen derde landen negatieve testresultaten eisen alsvorens paarden toe te laten.

Droes

Droes is een aandoening die wordt veroorzaakt door de bacterie Streptococcus equi subsp. equi. Na een incubatietijd van drie tot veertien dagen kunnen over het algemeen koorts en sloomheid als de eerste klinische verschijnselen worden waargenomen. Door de voorste luchtwegontsteking die ontstaat kan een paard slecht eten en drinken, moeite hebben met slikken en in sommige gevallen de hals gestrekt houden. Purulente neusuitvloeiing wordt bij droes regelmatig als symptoom gezien. Het meest typische verschijnsel is zwelling van de lymfeknopen. Dit betreft meestal de submandibulaire en/of retropharyngeale lymfeknopen. Soms de parotideale lymfknopen en de craniale cervicale lymfeknopen en incidenteel andere (inwendige) lymfeknopen. In dat laatste geval spreken we over verslagen droes. Deze lymfeknopen kunnen vervolgens gaan abcederen. Droes was net als voorgaande jaren voor de Helpdesk Paard, het meest besproken onderwerp. In 2025 zijn, in samenwerking met Zweden en het Verenigd Koninkrijk, in totaal 89 droesisolaten (verzameld van 2021 tot 2025) gesequenced. Het doel hiervan is meer inzicht te verkrijgen in welke droesstammen in Nederland circuleren, hoe de bacterie zich in de loop der tijd heeft aangepast en op welke wijze paarden besmet raken. In 2026 worden de resultaten van deze genoombepalingen verder geanalyseerd, op basis van de Nederlandse locaties van herkomst van de monsters, de inzenddata en de epidemiologische gegevens die inzendende dierenartsen delen.

Rhinopneumonie

Equine Herpesvirussen type 1 en 4 (EHV-1 en EHV-4), veroorzakers van rhinopneumonie, komen wereldwijd voor. Meestal resulteert een infectie met deze virussen bij het paard in respiratoire verschijnselen. Rhinopneumonie veroorzaakt door EHV-1 kent echter nog twee andere verschijningsvormen: de abortusvorm en de neurologische vorm. Deze hebben op paarden, en daarmee ook op hun eigenaren, over het algemeen duidelijk meer impact. De gevolgschade van deze uitingsvormen kan voor eigenaren aanzienlijk zijn. Dit levert ook voor de betrokken dierenartsen vaak veel werk en vragen op.

In 2025 waren weer enkele uitbraken van de neurologische vorm van rhinopneumonie (Equine Herpesvirus Myeloencephalopathie: EHM). Uitbraken van deze vorm van rhinopneumonie worden regelmatig opgepikt door de media en kunnen veel impact hebben op het getroffen bedrijf en de betrokkenen en het roept vaak vragen op bij eigenaren en dierenartsen. Bevestigde EHM-uitbraken melden dierenartsen van de Helpdesk Paard, na verkrijgen van toestemming van de eigenaar, bij de SRP. De SRP vermeldt deze uitbraken op haar website.

In november 2025 werd de Helpdesk Paard geconsulteerd in verband met een EHM-uitbraak op een grote sportstal. Een GD-dierenarts legde een bedrijfsbezoek af om de eigen dierenarts te ondersteunen in juiste managementsaanpak en een diagnostisch plan zodat de niet aangedane sportpaarden zo snel mogelijk weer op wedstijd konden.

Overige aandoeningen, aandachtspunten en casusbeschrijvingen

Anaplasmose

Anaplasma phagocytophilum is een bacterie die door teken wordt overgedragen en bij verschillende diersoorten, waaronder paard en mens de ziekte anaplasmose kan veroorzaken. Mogelijke klinische verschijnselen zijn: hoge koorts (40+ °C), anemie, icterus, oedeem, ataxie, sloomheid en gewichtsverlies. De diagnose wordt gesteld via qPCR op bloedmonsters (pakket teekgebonden ziektes, GD). In 2025 zijn opvallend veel positieve gevallen van infecties met Anaplasma phagocytophilum bij paarden gemeld, waaronder vijf in één praktijkgebied. De dierenarts van de betreffende praktijk belde naar de Helpdesk Paard vanwege een uitbraak van anaplasmose. Uitbraken van tekenziekten zijn ongebruikelijk. Daarom werd dit signaal gedeeld in het SOZ (signaleringsoverleg zoönosen). In datzelfde overleg bleek dat, opvallend genoeg, voor het eerst in dertig jaar ook twee humane autochtone anaplasmosegevallen waren gemeld in dezelfde periode. Er is een One Health-groep opgericht met de betrokken ziekenhuizen en het RIVM. De bloedmonsters van de mensen en paarden zijn gesequenced door het RIVM. Dit toonde bij mens en paard hetzelfde zoönotische ecotype aan. Er wordt gewerkt aan een publicatie om meer bewustzijn over deze ziekte te creëren. Ook wordt dit onderwerp in 2026 door een van de Helpdesk-dierenartsen gepresenteerd op de actualiseringscursus waar in totaal ongeveer vierhonderd dierenartsen aan deelnemen.

Leptospirose

In februari werd bij een abortus van een vierjarige merrie die in de tiende maand van de dracht verwierp, een leptospirose-infectie vastgesteld. Er zijn voorafgaand aan de merrie geen symptomen opgemerkt . De placenta week sterk af met bloedingen en een duidelijk ontstekings beeld (placentitis). PCR-onderzoek van een longbiopt van het verworpen veulen en een afwijkend stukje placenta (PCR-abortuspakket) was duidelijk positief op Leptospira interrogans. In de urine van de merrie werd de bacterie niet aangetroffen, mogelijk doordat deze bacterie intermitterend wordt uitgescheiden . Serologisch onderzoek (MAT-test), uitgevoerd bij het WBVR, liet een duidelijk positieve titer zien tegen Leptospira interrogans serovar Pomona. Het aantreffen van deze potentieel zoönotische kiem als oorzaak van een abortus bij een paard gaf aanleiding voor een pilotonderzoek in samenwerking met het WBVR. Zie hiervoor hoofdstuk 7 ‘Uitgevoerde pilots’.

Influenza

Eind 2025 waren er meer positieve gevallen van equine influenza gemeld dan in voorgaande jaren. Het betrof paarden met respiratoire klachten, waaronder koorts, neusuitvloeiing en hoesten, die positief testten via PCRdiagnostiek op een nasopharyngeale swab. De eerste gevallen werden vastgesteld bij niet-gevaccineerde paarden; later testten ook gevaccineerde dieren positief. Gevaccineerde paarden kunnen ziek worden, vooral wanneer de laatste vaccinatie langer dan zes tot acht maanden geleden is toegediend en/of er sprake is van hoge blootstelling. Antilichaamtiters nemen namelijk af na zes tot negen maanden. Deze dieren kunnen het virus ook uitscheiden zonder duidelijke klinische verschijnselen.

Equine influenza verspreidt zich snel door de korte incubatietijd van één tot drie dagen en doordat paarden het virus al uitscheiden vóór het optreden van de eerste verschijnselen. Daarnaast kan het virus zich via aerosolen over tientallen meters verplaatsen. De infectie begint doorgaans met koorts en een droge hoest, gevolgd door neusuitvloeiing. Paarden zijn vaak sloom, eten minder en kunnen spierpijn of slapte vertonen. De meeste symptomen verdwijnen binnen een week, het hoesten kan langer aanhouden. Volledig herstel verloopt vaak traag en kan bij late herkenning en onvoldoende rust drie tot zes maanden duren en soms leiden tot secundaire complicaties. Bij een uitbraak wordt geadviseerd bedrijven gesloten te houden tot twee weken nadat het laatste klinische geval is opgeknapt.

Equine influenza wordt veroorzaakt door twee subtypes van influenza A-virussen: H7N7 en H3N8. Ze zijn verwant aan, maar verschillen van, de virussen die influenza bij mensen en vogels veroorzaken. Sinds de jaren ‘70 van de vorige eeuw zijn geen uitbraken onder paarden meer gemeld door subtype H7N7. De influenzavirussen die momenteel bij paarden circuleren, zijn allemaal van het H3N8-subtype. Het risico van equine influenza voor de volksgezondheid is gering. Onder experimentele omstandigheden heeft het virus laten zien dat het in staat is mensen te infecteren. Bij enkele personen die contact hadden met geïnfecteerde paarden zijn antistoffen tegen equine influenzavirussen aangetoond. Er zijn echter geen mensen die aan het equine influenzavirus zijn blootgesteld klinisch ziek geworden. Binnen Nederland is grote alertheid op gebied van hoog pathogene aviaire influenza. Met de influenza A-virus-PCR van GD, kunnen zowel de equine influenza subtypes (H7N7 en H3N8) als aviaire influenza (H5N1) worden aangetoond. GD werkt samen met internationale laboratoria aan verdere karakterisering en ontvangt aanvullende informatie over recente uitbraken en vaccinatiestatus paarden.

Listeriose

Listeriabacteriën zijn veelal een opportunistische pathogeen; deze bacterie veroorzaakt vooral infecties bij dieren die al verzwakt zijn of een onderliggende aandoening hebben. Listeriabacteriën kunnen in grond/mest zitten. Een bekend risico voor een listeria-infectie is dan ook slecht geconserveerde kuil met grond/mest. Listeria werd in 2025 bij meerdere casussen aangetroffen als veroorzaker van een heftige colitis en als veroorzaker van sepsis (zie ook hoofdstuk 6 ‘Pathologiebevindingen’). Listeriose wordt beschouwd als een zoönose. Infecties bij de mens ontstaan vooral via het eten van voedsel dat besmet is met listeriabacteriën.

IJzerintoxicatie

De Nederlandse grond bevat van nature veel ijzer. Wanneer paarden uit een natuurlijke waterbron drinken kan dit risico’s geven op ijzerintoxicatie. Op een privéstalling in Zuid-Nederland werden in 2025 meerdere paarden binnen enkele maanden ziek. Bloedonderzoek toonde bij zes paarden sterk verhoogde leverwaarden aan. De oorzaak bleek een sterk verhoogd ijzergehalte in het drinkwater uit de eigen bronnen: 52,85 en 38,07 miligram per liter, streefwaarde 0,2 miligram per liter. Bij een ijzergehalte boven de 10 miligram per liter bestaat een grote kans op leverschade door ijzerstapeling. Vijf paarden zijn overleden. Twee dieren zijn aangeboden voor pathologisch onderzoek waarbij ijzerintoxicatie werd aangetoond als doodsoorzaak (zie hoofdstuk 6 ‘Pathologiebevindingen’).

Deze casus onderstreept het belang van het aanbieden van kwalitatief goed drinkwater aan paarden.

5. SEIN

In juni 2019 startte het programma Surveillance Equine Infectieziekten Nederland (SEIN). SEIN verstuurt wekelijks e-mailmeldingen waarin bevestigde uitbraken van infectieuze aandoeningen bij paarden worden weergegeven op de kaart van Nederland. SEIN betreft een samenwerking tussen GD en het Cluster Paard van de KNMvD. Daarnaast wordt SEIN gesponsord door MSD Animal Health, Dechra en Zoetis. Mede dankzij deze ondersteuning kan SEIN bestaan en zich blijven ontwikkelen.

SEIN is exclusief opgezet voor dierenartsen. Het voorziet deelnemende dierenartsen van een wekelijks overzicht van de belangrijkste infectieuze aandoeningen die zijn vastgesteld bij paarden in Nederland. Dit betreft: droes, rhinopneumonie (EHV-1 en EHV-4), influenza, rhodococcose, equine coronavirus, Salmonella enterica , Theileria equi en Anaplasma phagocytophilum. Ook gevallen van equine arteritis-virus worden gerapporteerd indien aanwezig. Bij iedere melding wordt in een kaartje van Nederland het tweecijferige postcodegebied gekleurd van de locatie van de insturende dierenartsenpraktijk. Hierdoor is de exacte locatie van het voorkomen van de bevinding niet te achterhalen. Wel wordt duidelijk in welke gebieden alertheid geboden is. Meer dan 230 dierenartsenpraktijken en zelfstandig werkzame dierenartsen nemen deel aan dit meldingssysteem. Meldingen worden alleen opgemaakt als de insturende dierenartsenpraktijk deelnemer is van SEIN. Met het grote aandeel deelnemende paardenpraktijken en dierenartsen geeft SEIN een goede indruk van de situatie in Nederland.

In 2025 zijn 454 casussen gemeld in 101 SEIN-meldingen. Deze meldingen over het voorkomen van pathogenen in Nederland worden ook overgenomen door internationale surveillancesystemen voor infectieziekten bij paarden zoals RESPE uit Frankrijk en het International Collating Centre (ICC) in het Verenigd Koninkrijk. Tevens worden door SEIN elke drie maanden overzichtskaartjes van alle meldingen per aandoening gepubliceerd. SEIN werkt ondersteunend voor de Helpdesk Paard, omdat het kan leiden tot nader contact met praktiserende dierenartsen.

Droes 2025

Rhodococcus equi 2025

Rhinopneumonie (EHV-1 + EHV-4) 2025

Anaplasma phagocytophilum 2025

coronavirus 2025

Influenza 2025

Theileria equi 2025

enterica 2025

Figuur 3. Weergave SEIN-meldingen op basis van gekleurde postcodegebieden in 2025. De kleurintensiteit van ieder postcodegebied weerspiegelt het aantal meldingen in dit gebied.

Equine
Salmonella

6.

Rapportage Data-analyse 2024

In het kader van de diergezondheidsmonitoring paard wordt sinds 2022 jaarlijks een Data-analyse uitgevoerd met routinematig beschikbare gegevens. Het doel is om te kijken naar trends en ontwikkelingen in de Nederlandse paardenhouderij in de afgelopen jaren. Dit geeft snel en kostenefficiënt inzicht in de omvang en in een aantal gezondheidskengetallen van de paardenpopulatie in Nederland. Daarnaast kunnen, op basis van de resultaten van de Data-analyse, signalen uit andere monitoringscomponenten worden ondersteund en/of genuanceerd. In de Data-analyse maken we gebruik van data vanuit I&R (RVO), GD, de faculteit Diergeneeskunde (fD) van de Universiteit Utrecht en het Veterinair Parasitologisch Laboratorium (VPL) Het Woud. Deze data bevatten gegevens van dierbewegingen (RVO), gegevens vanuit de Helpdesk Paard (GD), het laboratorium (GD en VPL Het Woud) en van pathologisch onderzoek (GD en fD). In deze rapportage staat de samenvatting van de Data-analyse van 2024. De volledige Data-analyse is verwerkt in een aparte rapportage.

I&R-gegevens

Sinds april 2021 zijn paardenhouders verplicht om de bij hen gehuisveste paarden te registreren. Sindsdien zijn veel paarden opgenomen in de identificatie & registratiedatabase (I&R). Echter het systeem is relatief jong en de data zijn nog niet compleet. Daardoor zijn de gepresenteerde aantallen waarschijnlijk een onderschatting van het daadwerkelijke aantal aanwezige paarden. In 2024 waren er ruim 214.000 paarden geregistreerd op meer dan 33.500 UBN’s. Een grove schatting is dat in Nederland ongeveer 400.000 paarden aanwezig zijn. Het aantal paarden per tweecijferige postcodegebied is hoger in het oosten van het land dan in het westen. In 2024 meldden 10,1 procent van de paardenhouders sterfte in de I&R-database. In de postcodegebieden in het westen van het land was het sterftepercentage in 2024 hoger dan in het oosten. In 2024 zijn volgens de I&R-gegevens ruim 5.000 paarden geïmporteerd. Aangezien gegevens uit TRACES hierin niet zijn meegenomen, is dit waarschijnlijk een onderschatting van het werkelijk aantal geïmporteerde paarden. In totaal kwam ruim 97 procent van de geïmporteerde paarden uit Europese landen (de meeste uit Duitsland en België), en minder dan 3 procent van buiten Europa. De paarden die van buiten Europa werden geïmporteerd kwamen grotendeels uit de Verenigde Staten.

Helpdesk Paard

In 2024 namen paardendierenartsen 441 keer contact op met de Helpdesk Paard. Hierbij ging het in 47 procent van de gevallen over specifieke klinische symptomen en in 54 procent van de contacten ging over specifieke aandoeningen/ziekteverwekkers. In de periode 2019 tot en met 2024 werd een stijgende trend gezien in het aantal contacten over clostridiose, virale encefalomyelitis en equine coronavirus. Ook was er een stijgende trend in het percentage contacten over koorts en over neurologische verschijnselen.

Pathologie

In 2024 werden 182 kadavers van paarden ingestuurd naar GD of de fD voor pathologisch onderzoek. De kadavers van paarden die werden ingezonden voor pathologisch onderzoek waren afkomstig uit het hele land en voornamelijk uit het oostelijk deel van Nederland. De belangrijkste oorzaken (zowel hoofd- als nevendiagnose) hadden een oorsprong in de categorie maagdarmkanaal en lever (49 procent van de ingezonden kadavers in 2024), hart en bloedvaten (16 procent van de ingezonden kadavers in 2024) of de longen en luchtwegen (12 procent van de ingezonden kadavers in 2024).

Laboratoriumonderzoek

Bij de interpretatie van de resultaten van het laboratoriumonderzoek is het goed om te weten dat de ingezonden monsters afkomstig zijn van gevallen waarbij een infectieuze oorzaak reeds in de differentiële diagnose stond. Dit kan invloed hebben op in hoeverre de monsters representatief zijn voor de Nederlandse paardenpopulatie. Er was een stijgende trend in het percentage monsters waarin het equine herpes virus type 4 (EHV-4), equine coronavirus, Salmonella enterica en Clostridium perfringens werd gevonden. Wat betreft parasitologische infecties was de meest aangetoonde wormsoort bij alle leeftijdscategorieën de strongyliden bij dieren tot 2 jaar gevolgd door de spoelworm en bij dieren ouder dan 2 jaar lintworm. In de periode 2019 tot en met 2024 werd in 1 procent van de monsters leverboteieren aangetoond in de categorie paarden en pony’s van 4 jaar en ouder. Bij pony’s van 4 jaar en ouder werd een stijgende trend gezien van spoelwormeieren in de mest.

7. Pathologiebevindingen

Pathologisch onderzoek bij GD wordt uitgevoerd door internationaal erkend gespecialiseerde pathologen. Pathologisch onderzoek is zeer geschikt voor het opsporen van nieuwe aandoeningen en niet-endemisch in Nederland voorkomende aandoeningen, mits deze aandoeningen tot sterfte of euthanasie leiden. Daarnaast is pathologie ook essentieel in het kader van onbegrepen casuïstiek op het gebied van infectieuze aandoeningen. Het gaat dan om doodsoorzaken van waarschijnlijk infectieuze aard, bijvoorbeeld in geval van koorts, diarree, neurologische- of respiratoire verschijnselen. Zeker als het bijvoorbeeld meerdere paarden op een bedrijf betreft. Dieren die ingestuurd worden voor pathologisch onderzoek vanwege een verzekeringskwestie of een vermoedelijke niet-infectieuze aandoening, vallen buiten de basismonitoring.

Voor het effectief inzetten van dit monitoringsinstrument is een goede logistiek vereist. De ophaaldienst is een basisvoorziening van GD en haalt op de eerstvolgende werkdag na de melding materiaal op voor pathologisch onderzoek. In geval van bijzondere omstandigheden kan een kadaver ook in het weekend worden opgehaald.

In 2025 zijn, net als in 2024, naast de secties in het kader van monitoring ook de secties uitgevoerd op de fD in de analyse opgenomen en in de rapportage gedeeld. In 43 procent van de bij de fD ingezonden casussen was sprake van een verdenking of bevestiging van een infectieuze oorzaak. Dit was meer dan in 2024 toen dit percentage 30 procent betrof. In 2024 werd in 14 procent van het totaal aantal secties een darmontsteking (enteritis/typhlitis/ colitis) vastgesteld, in 2025 was dit percentage 24 procent. Bij deze darmontstekingen werd in 45 procent van de gevallen cyathostominae (rode bloedworm) aangetroffen In 13 procent van het totaal aantal secties werd een pneumonie vasgesteld, in 9 procent een sepsis en in 4 procent een encephalitis.

Tabel 3. Belangrijkste relevante bevindingen in casussen van ingestuurde paarden binnen de basismonitoring voor pathologisch onderzoek in 2025

Ziekteverschijnselen

Koorts, leverproblemen, zenuwverschijnselen

Paralyse achterhand, zenuwverschijnselen, ademhalingsproblemen

Koorts, vermageren, achter in de groei, anus prolaps, koliek, diarree

Koorts, vermageren, zenuwverschijnselen, plotseling dood

Koorts, vermageren, ademhalingsproblemen

Diagnose

Cirrhose beeld lever van intoxicatie door ijzer

Sepsis door infectie met Staphylococcus aureus

Ernstig(e) ulceratieve colitis door infectie met Salmonella species

Colitis door infectie met Listeria monocytogenes

Haemorrhagisch(e) purulent(e) pneumonie door infectie met Escherichia coli

Niet meer in de benen komen, shock Acute colitis door infectie met Clostridium perfringens type A (a, ß2 toxinegen)

Koorts, vermageren, apatisch, diarree

Koorts, neusvloeiing, niet in de benen komen, zenuwverschijnselen, ademhalingsproblemen, hoesten

Anorexie, sloom, leverfalen, plotseling dood

Acute neurologische verschijnselen ademhalingsproblemen

Colitis door infectie met cyathostominae (kleine strongyliden)

Pneumonische haarden in de longen waaruit Streptococcus pluranimalium is gekweekt en necrotiserende ontsteking van de hypofyse

Sepsis door infectie met Escherichia coli, ernstig(e) leververvetting, aanwijzingen voor hepatoencefalopathie

Intoxicatie met Jacobskruiskruid

8.

Uitgevoerde pilots 2025

Salmonella pilot

Inleiding

Bij paarden komen salmonellabesmettingen met niet-gastheerspecifieke (potentieel zoönotische) salmonellaserotypen, zoals Salmonella Typhimurium regelmatig voor. Het detecteren van lage aantallen Salmonella spp. bij gezonde paarden is niet ongebruikelijk en kan voortkomen uit contact met dragerpaarden of met in het wild levende dieren (zoals ook ongedierte). Vanwege het nauwe contact tussen paarden en hun eigenaren, kunnen paarden ook geïnfecteerd raken met Salmonella spp. die door mensen wordt gedragen en vice versa. Salmonellainfecties bij paarden kunnen een subklinisch, mild klinisch of ernstig verloop hebben. Salmonellabacteriën vermenigvuldigen zich in de dikke darm en kunnen schade aan de darmwand veroorzaken. Dit kan leiden tot groot en snel vochtverlies, met tekenen van koliek die vooraf kunnen gaan aan het optreden van diarree. Schade aan de darmmucosa kan leiden tot het binnendringen van salmonellabacteriën in de bloedbaan. Paarden zijn bijzonder gevoelig voor de endotoxiciteit van het lipopolysaccharide van de salmonellacelwand. Endotoxemie leidt tot symptomen als sloomheid, anorexia en neutropenie. De peracute vorm van de infectie, die het meest voorkomt bij veulens en jonge dieren, wordt gekenmerkt door hoge koorts, lethargie, ernstige diarree en (zonder effectieve behandeling) sterfte binnen twee tot drie dagen na het optreden van de klinische verschijnselen. Bij volwassen paarden met salmonellose is het gebruik van antibiotica aan discussie onderhevig. Antibiotica beïnvloeden vaak het ziekteverloop en de uitscheidingsduur niet wezenlijk. Ze dragen wel bij aan de kans op dysbacteriose en ontwikkeling van antimicrobiële (multi)resistentie. Daarom wordt de beslissing om antibiotica te gebruiken vaak op ‘case-by-case’ basis gemaakt. Ernstige enterocolitis, sepsis, ernstige neutropenie of persisterende koorts zijn bijvoorbeeld indicaties voor antibioticatherapie bij paarden met salmonellose. Als antibiotica nodig zijn, is een antibiogram zeer wenselijk vanwege de (multi)resistente stammen die voorkomen en verplicht bij de inzet van bepaalde klasses antibiotica vanwege hun belang voor de humane gezondheidszorg.

Laboratoriumdiagnostiek

In 2014 is het project ‘Potentieel zoönotische gastro-intestinale pathogenen bij paarden’ uitgevoerd, waarbij uit 7 van de 195 feces monsters (3,6 procent) Salmonella spp. gekweekt werden. Het betrof hierbij Salmonella Typhimurium of Salmonella Enteritidis die beiden gastro-intestinale infecties bij zowel paarden als de mens kunnen veroorzaken. Tot voor enkele jaren werd bij GD alleen incidenteel bacteriologisch onderzoek, met antibiogram (salmonellakweek klinisch en typering of salmonellakweek voor opsporen drager), aangevraagd en uitgevoerd in paardenmonsters. In 2021 ontwikkelde en valideerde GD PCR-diarreepakketten voor routine diagnostiek bij veulens en paarden. Deze pakketten bevatten ook een PCR voor het detecteren van Salmonella enterica species. De monstername vindt overwegend plaats met E-swabs in een bacteriologisch transportmedium. Practici maken inmiddels veelvuldig gebruik van deze diagnostiek.

Hypothese en doelstelling pilot

De veronderstelling was dat vanuit de PCR positieve E-swabs mogelijk salmonellabacteriën gekweekt en getypeerd kunnen worden. Vervolgens kan dan ook het gevoeligheidspatroon van deze Salmonella spp. worden vastgesteld. Hierdoor ontstaat meer inzicht in de mogelijke zoönotische relevantie van salmonella-infecties bij paarden en in resistentiepatronen en mogelijkheden dergelijke infecties eventueel met antibiotica te behandelen.

Resultaten pilot 2025

In 2025 steeg ten opzichte van eerdere jaren het percentage monsters van paarden of veulens met diarree die positief testen op Salmonella spp. In 2021 en 2022 lag het percentage positieve salmonella-uitslagen rond de 4 procent (vergelijkbaar met het in 2014 uitgevoerde project). In 2023 en 2024 verdubbelde het percentage ten opzichte van voorgaande jaren naar respectievelijk ongeveer 7 en 8 procent en in 2025 steeg dit verder door naar 10 procent. De in de literatuur beschreven prevalentie van salmonella-uitscheiders bij paarden met gastro-intestinale klachten varieert tussen de 4 en 13 procent.

Figuur 4. Percentage monsters van paarden of veulens met diarree die positief testen op salmonella

Serotypen

In 2025 is het in 94 procent van de positieve inzendingen gelukt om de stammen te typeren en daarna een antibioticumgevoeligheid vast te stellen. Overeenkomend met bevindingen uit de literatuur betrof het grootste percentage (47 procent) een (potentieel zoönotische) Salmonella Typhimurium. Ten opzichte van 2024 was er een duidelijke verschuiving zichtbaar van Salmonella Typhimurium naar Salmonella species serogroep C. Serotypen die onder serogroep C vallen en eerder bij paarden in Nederland zijn aangetroffen, zijn: S. Bovismorbificans, S. Infantis en S. Goldcoast. Waar dit in 2024 een percentage van 13 procent betrof, steeg dit in 2025 door naar 29 procent (zie figuur 5). Overige stammen die werden aangetroffen waren: Salmonella species groep B (12 procent) en Salmonella Enteritidis (12 procent).

Percentage positieve salmonella monsters

Figuur 5. Percentage typeringen per salmonellatype met links de resulaten van 2024 en rechts die van 2025

Antibioticumgevoeligheidsbepalingen

In de pilotstudie werd resistentie gevonden tegen meerdere, voor het paard geregistreerde antibiotica (zie figuur 6).

Een Salmonella Typhimurium-stam en twee Salmonella serogroep C-stammen vertoonden multiresistentie. Procentueel gezien is het aantal multiresistente stammen vergelijkbaar met vorig jaar. Namelijk 6.7 procent in 2024 en 6.1 procent in 2025. De multiresistente Salmonella Typhimurium-stam was afkomstig uit een paard dat aangeboden was voor pathologisch onderzoek. Het dier stond daarvoor op de weide in een groep met meerdere zieke dieren. De twee Salmonella serogroep C-stammen waren afkomstig van post-operatieve patiënten die in een kliniek waren opgenomen. Eén van deze stammen was zowel tegen ampicilline als tegen gentamicine resistent en tevens tegen florfenicol, (chloor)tetra-, oxytetra-, doxycycline en trimethoprim-sulfonamiden (TMPS) en intermediar gevoelig tegen colistine. Verder toonden van de 49 uitgevoerde antibioticumgevoeligheidsbepalingen zes stammen (12 procent) resistentie tegen ampicilline, zes stammen (12 procent) tegen (chloor)tetra-, oxytetra-, doxycycline, vier (8 procent) tegen florfenicol, vier (8 procent) tegen colistine, drie (6 procent) tegen TMPS, vier (8 procent) tegen colistine, één (2 procent) tegen gentamicine. Waar in 2024 geen resistentie tegen de derdekeusmiddelen: marbofloxacine, enrofloxacine en derde generatie cefalosporinen werd aangetoond, was dit jaar één Salmonella Typhimurium-stam resistent tegen enro-/marbofloxacine. Er werd geen resistentie aangetoond tegen cefotaxim. Resistentie tegen cefotaxim wordt gezien als een verklikker voor de aanwezigheid van Extended Spectrum BetaLactamase (ESBL's).

Figuur 6. Resistentiepatronen in aantallen van de uitgevoerde antibioticumgevoeligheidsbepalingen op de gekweekte salmonellastammen van 2025

Toepassing voor de praktijk

De gevonden resistentie tegen zowel gentamicine als ampicilline is zorgwekkend. Volgens het KNMvD formularium paard dient namelijk een combinatie van gentamicine en ampicilline als eerste keuze ingezet te worden bij veulens en, indien geïndiceerd, ook bij volwassen paarden met klinische diarreeproblematiek. Orale breedspectrumantibiotica zoals TMPS worden niet aanbevolen als eerstekeusmiddelen bij paarden met salmonellose, omdat ze een groter risico op dysbacteriose met zich meebrengen. Wanneer klinisch gezien antibiotica geïndiceerd zijn en er is resistentie aangetoond tegen zowel gentamycine als ampicilline, wordt overgegaan op een derdekeusmiddel. Derdekeusmiddelen zijn moderne antibiotica die van groot belang zijn voor de humane gezondheidszorg. Dierenartsen mogen deze antibiotica alleen voorschrijven en toepassen als ze op basis van een gevoeligheidsbepaling kunnen aantonen dat andere antibiotica niet werkzaam zijn. Wanneer er in geval van salmonellose over wordt gegaan op een derdekeusmiddel, dan valt doorgaans de keuze op enrofloxacine. De aangetoonde resistentie tegen dit derdekeusmiddel is daarom zowel voor de diergezondheid als voor de humane gezondheid zorgelijk.

Aantallen bacteriën per monster

De aantallen bacteriën per milliliter monstermateriaal vanuit het monster voor PCR, varieerde van ongeveer vierduizend (log 3.6) bacteriën per milliliter tot ongeveer twee miljard (log 9.3) bacteriën per milliliter. Deze aantallen liggen in dezelfde orde van grootte als in 2024 (zie figuur 7). Wel werden in de monsters van 2024 in totaal minder vaak zeer hoge aantallen aangetroffen dan in 2025. Wanneer een bacterie niet succesvol gekweekt werd, betrof dit in de meeste gevallen een monster met een relatief laag aantal bacteriën. Echter, een enkele keer werd uit een monster met een groot aantal bacteriën aangetoond in de PCR geen bacteriën gekweekt. Een reden hiervoor kan zijn dat de bacteriën in het monster dood waren, bijvoorbeeld als gevolg van antibioticatherapie. Een PCR toont DNA aan en daarmee ook dode bacteriën, terwijl deze niet gekweekt kunnen worden. Andersom werden soms uit lage aantallen in de PCR via ophoping wel bacteriën gekweekt.

Cefotaxim

Figuur 7. Aantallen bacteriën per ml in log10 van positieve Salmonella PCR’s van 2024 boven en 2025 onder

Directe kweek versus ophoping

In 2025 werden in 37 procent van de positieve kweken de salmonellabacteriën direct gekweekt en in 63 procent middels ophoping. Deze percentages waren exact hetzelfde in 2024. Zoals verwacht was over het algemeen, als sprake was van hoge aantallen bacteriën in de PCR, de directe kweek vaker succesvol dan in geval van lagere aantallen. Dan was procentueel gezien vaker voorophoping nodig. Echter, ook hierbij waren uitzonderingen.

Conclusie

De pilotstudie laat een toename zien van het percentage salmonella-positieve paardenmonsters in 2025 ten opzichte 2024 en eerdere jaren. Ook laat het de aanwezigheid van (multi)resistente stammen zien. Wat betreft voorkomende serotypes was er in 2025 op basis van naar GD ingestuurde monsters een verschuiving van Salmonella Typhimurium naar Salmonella serogroep C te zien. In 2025 werd voor het eerst sinds het starten van de pilot resistentie waargenomen tegen derdekeusmiddelen uit de groep van de enro-/marbofloxacine. Deze resultaten benadrukken het belang van voortdurende surveillance en het uitvoeren van gevoeligheidsbepalingen voor antibiotica in het kader van onder andere zorgvuldig gebruik van derdekeusmiddelen. Daarnaast bevestigt de studie dat Salmonella spp. succesvol kan worden gekweekt uit E-swabs, waarna ook gevoeligheidsbepalingen mogelijk zijn.

Paarden met onverklaarde huidlaesies

In het najaar van 2025 kwam via de Helpdesk Paard een melding binnen dat er in midden Nederland ‘veel’ paarden werden gezien met huidlaesies op neus en lippen. Naar schatting betrof dit in totaal zo’n honderd paarden. Er vonden bedrijfsbezoeken plaats waarbij monsters zijn afgenomen van de acute fase representanten (huidswab, nasopharyngeale swab en bloedmonsters). Tevens zijn de aangedane dieren klinisch onderzocht en vraaggesprekken gevoerd met de eigenaren/verzorgers. Ook was er contact met experts van verschillende instanties en is er literatuuronderzoek gedaan.

Belangrijkste kenmerken van de laesies:

• Voornamelijk gelokaliseerd ter hoogte van de mucocutane overgang van de neus, hoewel bij sommige paarden ook de lippen en andere delen van de neus zijn aangedaan.

• In één geval werd een subcutane blaar waargenomen voordat de laesie openbarstte.

• Depigmentatie ter plaatse van de laesie.

• Aanwezigheid van korsten en wat heldere neusuitvloeiing.

• De paarden zijn verder klinisch gezond, koortsvrij en vertonen alleen pijn bij aanraking van de aangedane huid.

• Geen laesies elders op het lichaam.

• Spontaan herstel binnen één week zonder behandeling, waarbij de pigmentatie uiteindelijk terugkeert.

Aanvullende observaties:

• Eén paard vertoonde twee keer recidief van laesies op de neus op ongeveer dezelfde plaats op de neus.

• Meestal zijn één of enkele paarden per locatie aangedaan. De grootste cluster betrof zes van de dertig paarden op één stal. Deze paarden stonden in verschillende weides en aparte stallen en hadden niet allemaal direct contact met elkaar. In dezelfde weides waren ook niet-aangedane paarden aanwezig.

• De meeste getroffen paarden hadden weidegang, bij enkele meldingen was dit niet het geval. Veel meldingen werden telefonisch (soms met foto’s) gedaan bij dierenartsen. Omdat de paarden verder klinisch normaal waren, volgde niet altijd een consult, waardoor soms informatie ontbreekt of mogelijk minder betrouwbaar is.

Uitgevoerde diagnostiek

Er is Pathosense-diagnostiek ingezet bij GD en vesiculaire stomatitis virus (VSV) PCR-diagnostiek bij WBVR. Er is geen VSV aangetoond bij WBVR. Met Pathosense is op de drie monsters een mengcultuur aan bacteriën aangetoond, geen virussen. Van de aangetroffen bacterieën was er niet een type dat in overmaat aanwezig was danwel consistent voorkwam in alle ingezette monsters. Nadat middels deze diagnostiek geen diagnose kon worden gesteld, is deze casuistiek gedeeld binnen de FEEVA werkgroep ‘Disease surveillance’. Binnen deze werkgroep zijn ervaringen van verschillende landen gedeeld van soortgelijke uitbraken, waarbij uiteindelijk ook geen oorzakelijk agens is aangetoond. Er zijn na dit overleg monsters opgestuurd naar Irish Equine Centre om te testen op EHV-3 en Poxvirussen. Deze virussen konden middels PCR-techniek ook niet worden aangetoond. Er zijn tevens monsters opgestuurd naar Finland op te testen op Parapoxvirussen (PCR en ELISA). Ook dit onderzoek middels PCR-diagnostiek op een huidswab is geen virus aangetoond. Ook zijn geen antilichamen tegen parapoxvirussen aangetoond middels ELISA diagnostiek op ingezonden bloedmonsters.

Conclusie

De oorzaak van het ontstaan van de huidlaesies is tot op heden onbekend. In de literatuur zijn vergelijkbare uitbraken beschreven waarbij geen oorzakelijk agens kon worden aangetoond. Ook andere landen binnen de FEEVAgroep hebben ervaringen gedeeld van vergelijkbare uitbraken waarbij geen oorzaak gevonden is.

Voor zover bekend zijn er geen mensen geweest met soortgelijke klachten na contact met de aangedane paarden. Voor zover bekend zijn alle paarden tot nu toe vlot en volledig hersteld.

Deze uitbraak onderstreept echter wel dat dierenartsen in het veld de Helpdesk Paard goed weten te vinden en dat dergelijke signalen op laagdrempelige wijze worden doorgegeven.

Verdiepingsslag Leptospirose

Inleiding

Leptospirose is een wereldwijd voorkomende, zoönotische bacteriële infectie die vrijwel alle gewervelde diersoorten kan treffen. Reservoirgastheren scheiden de bacterie uit via de urine. Besmetting van een gevoelige gastheer vindt plaats via huidlaesies en via (intacte) slijmvliezen. Na infectie treedt doorgaans na vier tot tien dagen een bacteriëmie op, die uren tot dagen kan aanhouden. De ernst van de infectie wordt in belangrijke mate bepaald door de virulentie van het betrokken serovar en de immuunstatus van de gastheer.

Leptospiren worden onderverdeeld in meer dan 35 species en meer dan 250 serovars. De serovars die bij paarden vooral worden gevonden variëren afhankelijk van de geografische locatie. De gemelde seroprevalenties van Leptospira spp. bij paarden in Europa variëren van 58,5 procent in Zwitserland, 25,1 procent in Polen tot 17,2 procent in Duitsland. In een Nederlandse seroprevalentie studie uit 2011 bleek dat 79 procent van de onderzochte, gezonde paarden (89 van de 112) aantoonbare antilichamen had tegen een of meerdere L. interrogans serovars, waarbij serovars Copenhageni Bratislava en Grippotyphosa het meest voorkwamen. In Europa zijn in Engeland, Noord-Ierland en België enkele gevallen van abortusproblemen bij merries als gevolg van leptospirose beschreven.

Het type serovar is gerelateerd aan welke gastheren geïnfecteerd kunnen raken. Gastheren worden onderverdeeld in gevoelige (incidentele) gastheren en reservoir gastheren. Bij reservoirgastheren wordt leptospirose over het algemeen gekenmerkt door een hoge infectieprevalentie, een lage antilichaamrespons, weinig leptospiren in de weefsels, relatief milde acute klinische symptomen en aanhoudende infectie in de nieren en soms in het genitale kanaal.

Bij gevoelige (of incidentele) gastheren wordt leptospirose daarentegen gekenmerkt door een lage infectieprevalentie, een duidelijke antilichaam respons, ernstige klinische symptomen en een kortdurende uitscheiding via de nieren. Incidentele gastheerinfecties veroorzaken een duidelijke antilichaamrespons en er zijn grotere aantallen leptospiren aanwezig in weefsels van geïnfecteerde dieren. Zie in tabel 4 een overzicht van welke reservoirdieren behoren bij verschillende serovars.

Tabel 4. reservoirgastheren van pathogene leptospiren

Serovar

Bratislava

Pomona

Hardjo

Canicola

Copenhageni

Icterohaemorrhagiae

Grippotyphosa

Klinische symptomen paard

Reservoir gastheer

Paard, varken, rund

Varkens & wilde dieren

Rund

Hond

Bruine rat

Bruine rat

Wilde dieren (knaagdieren)

Een groot deel van de infecties met Leptospira spp. bij paarden vindt subklinisch plaats. Dit blijkt uit de hoge seroprevalentie tegen Leptospira antigenen die bij gezonde paarden wordt gevonden. Verschijnselen die zijn beschreven bij acute klinische infecties zijn: koorts, icterus, anorexie, hematurie en benauwdheid. Leptospirose kan in een later stadium equine recurrent uveitis (maanblindheid) en abortus veroorzaken. Besmette dieren kunnen tot veertien weken na infectie leptospiren in de urine uitscheiden en zo andere dieren en potentieel mensen besmetten.

Abortus door leptospirose

Abortus ten gevolge van leptospirose treedt meestal op in het middelste of laatste deel van de dracht. Soms wordt dit voorafgegaan door koorts, vaak ontbreken voorafgaande klinische verschijnselen. Incidenteel kan een infectie leiden tot de geboorte van een voldragen, dood geboren veulen, of tot de geboorte van een zwak levend veulen. Het (verworpen) veulen kan icterische slijmvliezen hebben. De placenta kan er normaal uitzien of verdikt en gezwollen met bloedingen of beslag, een patroon wat typisch is voor placentitis.

Zoönose

Mensen zijn vatbaar voor infectie door de meeste pathogene serovars van leptospira. Besmetting kan optreden door contact met urine van geïnfecteerde dieren. De meeste mensen raken besmet tijdens het zwemmen in met urine gecontamineerd water. De mens wordt beschouwd als een incidentele gastheer en vormt geen belangrijk reservoir voor infectie. Transmissie van mens op mens is uiterst zeldzaam.

Leptospirose bij de mens kent verschillende vormen met bijbehorende benamingen. De ziekte van Weil is een ernstige vorm van leptospirose, veroorzaakt door de nauw verwante serovars Icterohaemorrhagiae en Copenhageni, en wordt overgedragen door ratten. Modderkoorts is een meestal mildere vorm van leptospirose, veroorzaakt door serovar Grippotyphosa, overgedragen door muizen. Melkerskoorts is eveneens een mildere vorm, veroorzaakt door serovar Hardjo en overgedragen door rundvee. Hardjo-infecties zijn meldingsplichtig en komen in Nederland door monitoring en bestrijding momenteel nog maar weinig voor.

Jaarlijks raken naar schatting wereldwijd zeven tot tien miljoen mensen besmet met de ziekte van Weil. Het is niet duidelijk hoeveel mensen hieraan overlijden. De ziekte komt vooral voor in tropische gebieden, maar kan wereldwijd optreden. Uitbraken doen zich hoofdzakelijk voor in ontwikkelingslanden. In ontwikkelde landen wordt de ziekte vooral gezien bij mensen die buitenactiviteiten verrichten. Risicoberoepen zijn onder andere boeren, rioolwerkers, dierenartsen, militair personeel en landarbeiders in rijst- en suikerrietvelden.

Ook in Nederland komt de ziekte van Weil voor. Ongeveer de helft van de bruine ratten draagt leptospiren bij zich. De ziekte van Weil staat op de B-lijst van de Wereldorganisatie voor Diergezondheid (OIE). In Nederland geldt alleen voor besmettingen met L. Hardjo bij zoogdieren een meldplicht.

Casus abortus paard 2025

Casus beschrijving

Zoals beschreven in hoofdstuk 4, ‘Meest voorkomende en nieuwe bevindingen Helpdesk Paard’, is in 2025 bij GD voor het eerst middels PCR-diagnostiek een abortus bij een paard ten gevolge van een infectie door Leptospira Pomona, vastgesteld. Deze bevinding vormde aanleiding voor een pilotonderzoek.

Ten tijde van de abortus werd de merrie samen met één andere merrie gehuisvest. De merrie stond al haar hele leven op dit bedrijf. Op het bedrijf waren in totaal 28 paarden aanwezig, waaronder veertien drachtige merries, evenals zeven honden.

Aanvullende diagnostiek

Zes weken na de abortus werden veertien contactpaarden en zeven honden op het bedrijf onderzocht op antistoffen tegen Leptospira Pomona met de MAT; alle resultaten waren negatief. Bij de merrie die had geaborteerd, werd herhaald bloedonderzoek uitgevoerd. Met de MAT, uitgevoerd door WBVR, werd een dalende positieve titer tegen Leptospira Pomona vastgesteld. Zeven maanden na de abortus was de titer negatief.

Follow-up

Na de abortus werd de merrie behandeld met orale doxycycline (10 mg/kg tweemaal daags), geïsoleerd gehuisvest en onder strikte hygiënemaatregelen gehouden. Na vijf dagen werd de behandeling gestaakt, nadat een urinemonster PCR-negatief was bevonden. De veulenhengstigheid werd niet benut. Zeven weken later kwam de merrie opnieuw in oestrus. Zowel urine als een uterusuitstrijkje testten PCR-negatief voor Leptospira interrogans. De merrie werd vervolgens geïnsemineerd en drie maanden later drachtig bevonden.

Risicofactoren

Algemene risicofactoren voor het oplopen van leptospirose bij paarden zijn:

• warme en vochtige klimaatomstandigheden (met overstromingen als extra risico);

• voeren vanaf de grond, wat de kans vergroot dat knaagdieren het voer besmetten;

• toegang tot stilstaand water (bijvoorbeeld waterpoelen in weide/paddock);

• contact met urine, nageboorte en uitvloeiing van een merrie die heeft geaborteerd.

Algemene adviezen

Bij acuut geïnfecteerde paarden wordt in het algemeen geadviseerd dieren gedurende drie tot vier weken te isoleren en de isolatie pas op te heffen na een negatieve PCR-test op urine. Leptospira zijn gevoelig voor uitdroging en gangbare desinfectiemiddelen. Wel kan de bacterie in water tot tien maanden overleven, onder gunstige temperatuuromstandigheden soms nog langer. Stilstaand (natuurlijk) water is daarom mogelijk minder geschikt als drinkwaterbron.

Discussie en conclusie

De reservoirdiersoorten van het serovar Pomona zijn varkens, runderen en eventueel wilde dieren. Er waren geen andere dieren op het bedrijf die ziekteverschijnselen hebben vertoond. Ook mensen die contact hadden met de merrie werden niet ziek. De eigenaar gaf aan wel af en toe reeën gezien te hebben in het weiland, maar daarnaast geen andere wilde dieren. De honden op het bedrijf waren gevaccineerd tegen de ziekte van Weil, maar L. Pomona maakte geen onderdeel van het vaccin uit. Aangezien er geen antilichamen tegen L. Pomona werden aangetoond bij de contactpaarden of honden, lijkt erop dat de overige dieren op het bedrijf niet in contact zijn geweest met de bron van de infectie en dat er via de aborterende merrie geen verdere transmissie plaatsvond.

Deze casus laat zien dat bij abortus bij paarden ook Leptospira spp een oorzaak kan zijn. Het inzetten van diagnostiek naar infectieuze ziekteverwekkers in geval van abortus is belangrijk om het risico voor de overige paarden op het bedrijf te beoordelen en waar mogelijk een bron van infectie op te sporen. Het is ook belangrijk vanwege een eventueel potentiëel zoönotisch risico.

9. Conclusie huidige stand van zaken monitoring

De Helpdesk Paard voorziet in een behoefte van paardendierenartsen. Het aantal contactmomenten met dierenartsen nam in verloop van de tijd duidelijk toe. Dierenartsen weten de Helpdesk Paard steeds beter te vinden met vragen over (infectieuze) aandoeningen bij paarden, variërend van neurologische rhinopneumonie uitbraken tot abortusproblematiek, diarree door bijvoorbeeld salmonella of clostridium, teekgebonden ziektes en in het kader van uitsluitingsdiagnostiek voor WNV in geval van neurologisch klachten.

De dierenartsen die de Helpdesk Paard bemensen zijn goed bekend binnen het netwerk van paardendierenartsen en fungeren als laagdrempelig en deskundig aanspreekpunt. Zij besteden structureel aandacht aan het delen van bevindingen via vakbladen, nieuwsbrieven, symposia, congressen en geaccrediteerde nascholingscursussen. Daarmee dragen zij actief bij aan kennisverspreiding over infectieziektesurveillance, diagnostiek, interpretatie van laboratoriumuitslagen, meldingsprocedures en bioveiligheidsmaatregelen op paardenbedrijven.

De Helpdesk Paard is een typisch voorbeeld van reactieve monitoring en kan alleen functioneren wanneer er onderling vertrouwen is en er daadwerkelijk meerwaarde wordt ervaren in het veld. Die meerwaarde ligt in laagdrempelige consultatie, onafhankelijke duiding van klinische signalen, ondersteuning bij advisering omtrent monstername en diagnostiek, en het meedenken over differentiaaldiagnoses en bedrijfsadvisering. Opmerkelijke signalen uit het veld, zoals afgelopen jaar bijvoorbeeld de onbekende huidaandoeningen bij paarden in MiddenNederland en toename van aantal anaplasmose gevallen in Oost Nederland, worden actief opgepakt, geanalyseerd en waar nodig breder teruggekoppeld. Bij niet eerder bij paarden in Nederland vastgestelde ziekten, zoals Westnijlvirus (WNV), weten dierenartsen de Helpdesk Paard bovendien goed te vinden voor betrouwbare en actuele informatie over klinische verschijnselen, diagnostische mogelijkheden, meldingsverplichtingen en preventieve maatregelen zoals vaccinatie en vectorcontrole.

De kracht van de Helpdesk Paard wordt verder versterkt door de nauwe koppeling met Data-analyse en pathologie. De onderdelen Data-analyse en pathologie worden breder uitgediept door input vanuit andere instituten en laboratoria. Gegevensuitwisseling en gezamenlijke duiding van signalen versterken de landelijke surveillance en vergroten de paraatheid bij dreigende uitbraken. Door deze integrale benadering wordt niet alleen gereageerd op individuele vragen, het geeft ook een objectief en breder epidemiologisch beeld van de paardengezondheid in Nederland.

De Helpdesk Paard vormt zo een centrale schakel tussen praktijk, diagnostiek, analyse en beleid, en draagt structureel bij aan de monitoring en surveillance van infectieziekten en de algehele paardengezondheid in Nederland.

Royal GD

Arnsbergstraat 7

Postbus 9, 7400 AA Deventer

T. 088 20 25 500

info@gddiergezondheid.nl www.gddiergezondheid.nl

GD3571/05-26

Turn static files into dynamic content formats.

Create a flipbook