



![]()







Wat kun je met de resultaten?













REPORTAGE
Samen aan de slag voor een betere klauwgezondheid



MONITORING
Schade aan slokdarm en nieren






Freshlight :
• vermindering van stof en fijnstof in de lucht
• vermindering van antibiotica-behandelingen
• vermindering van ziekte gevallen bij koeien
• verbetering van de gezondheid van koeien




FreshWater :
• vermindering van ziekteverwekkers en biofilm in het water
• vermindering van chemicaliën voor waterbehandeling


• reinigingsactiviteiten (leidingen en drinkbakken)
• verbetering van de melkproductie en vitaliteit



Afscheid nemen en vooruitkijken, deze Herkauwer staat er bol van. Herkauwer wordt vervangen door een breder vakblad, met ook daarin ruimte voor de laatste inzichten, ontwikkelingen en trends in en uit de rundveesector. Het is niet alleen de laatste editie van dit vertrouwde vakblad, we nemen ook afscheid van collega Menno Holzhauer. Hij zette zich ruim 27 jaar onvermoeibaar in voor klauwgezondheid en dierenwelzijn. Tijdens zijn afscheidssymposium werd bekend dat een landelijke klauwaanpak binnenkort vorm gaat krijgen. Een gestructureerde voortzetting van het werk dat Menno en vele anderen al jaren met toewijding deden.
Afscheid nemen doen we ook van de stal, want het weideseizoen staat weer voor de deur. Dat brengt nieuwe uitdagingen met zich mee. Worminfecties blijven een belangrijk aandachtspunt. Tankmelkonderzoek laat zien dat vooral maagdarmwormen en in mindere mate longworm jaarlijks terugkeren. Goed weide-
management en aandacht voor jongveeweerstand blijven cruciaal. Daarnaast zagen we afgelopen jaar jongvee met schade aan slokdarm en nieren, vaak met acute sterfte in de weide. De monitoring wijst op mogelijke plantvergiftiging, maar een duidelijke oorzaak is nog niet vastgesteld. Daarom starten we een pilot om dit soort plotselinge schade beter te begrijpen, zodat we sneller kunnen ingrijpen als het nodig is.
En terwijl het kabinet opnieuw is gewisseld, blijft onzeker wat nieuwe politieke keuzes betekenen voor de landbouw. Eén ontwikkeling is wél duidelijk: IBR krijgt een landelijke wettelijke aanpak. Voor veel bedrijven verandert er weinig, de sector werkt immers al jaren aan het terugdringen van IBR. Op basis van de regelgeving gaan alle bedrijven met rundvee mee doen en komt een IBR-vrije rundveestapel in zicht.
Wij gaan, ondanks alle veranderingen, gewoon door: met onderzoek, monitoring en het delen van kennis. Want wat er ook verandert, het werk voor diergezondheid gaat altijd verder.
Linda van Duijn, manager afdeling Rund



Bereikbaarheid

Royal GD is op werkdagen telefonisch bereikbaar via 088 20 25 500.
Tarieven
Alle genoemde GD-tarieven in deze uitgave zijn exclusief btw en basiskosten. Bekijk onze website voor de actuele tarieven.
Ophaaldienst voor sectie- en monstermateriaal
Aanmelden: via het aanmeldformulier op www.gddiergezondheid.nl of telefonisch 088 20 25 500 (24 uur per dag). Wij halen het materiaal dan zo spoedig mogelijk op. Sectie- en monstermateriaal kan worden gebracht van maandag tot en met vrijdag van 8.00 tot 17.00 uur.
COLOFON
Herkauwer is een uitgave van Royal GD Redactie Vera Bolink, Jet Mars, Arjan Pakkert, Debora Smits | Eindredactie Jessica Fiks | Redactieadres Royal GD, Marketingsupport & Communicatie, Postbus 9, 7400 AA Deventer, T 088 20 25 500, redactie@gddiergezondheid.nl, www.gddiergezondheid.nl | Productiecoördinatie Senefelder Misset Doetinchem B.V. | Basisontwerp Studio Kaap | Vormgeving Dock35 Media B.V. | Druk Senefelder Misset Doetinchem B.V. | Abonnementen Herkauwer wordt gratis toegezonden aan relaties van Royal GD. | Advertenties Dock35 Media B.V., T. 0314 - 35 58 00 | Verschijningsfrequentie drie keer per jaar | Suggesties Suggesties voor dit blad kunnen worden doorgegeven via redactie@gddiergezondheid.nl. Overname van artikelen is toegestaan uitsluitend na toestemming van de uitgever. | Disclaimer Royal GD en de redactie zijn niet verantwoordelijk en daardoor niet aansprakelijk voor de inhoud van de geplaatste advertenties en advertorials.
ISSN: 1875a-2594
Dit blad niet meer ontvangen of een adreswijziging doorgeven? Dat kan via 088 20 25 500, of per e-mail. Voor een adreswijziging: klantdata@gddiergezondheid.nl, voor aan- en afmeldingen vakbladen: info@gddiergezondheid.nl.


04 Actueelpagina
05 Onderzoek uitgelicht. Weidegang: wat doet het echt?
06 IBR-bestrijding: waarom nu doorpakken loont
08 Resultaten Worminfecties Tankmelk
11 Het belang van weidegang voor jongvee
12 Reportage. In actie voor gezonde klauwen.

16 Jongvee met slijmvliesschade van slokdarm
19 Eenvoudig oorbiopten insturen met VeeOnline
20 PathoSense
22 Relatiebeheerders
23 Het getal en vraag en antwoord
24 Diergezondheid volgens...
Klauwgezondheid speelt een cruciale rol in de productiviteit en duurzaamheid van melkveebedrijven. GD en GEA Farm Technologies werken samen om de klauwgezondheid verder te verbeteren. Hiervoor is CattleEye ontwikkeld, een innovatief camerasysteem dat verminderde mobiliteit bij melkvee vroegtijdig detecteert. Belangrijk voor de diergezondheid en het dierenwelzijn. CattleEye maakt gebruik van een camerasysteem dat de bewegingen van koeien automatisch registreert en analyseert. De AI-gestuurde software vertaalt bewegingspatronen naar een mobiliteitsscore van 0 (goede mobiliteit) tot 3 (ernstig verminderde mobiliteit), volgens het RoMS-scoresysteem. Hierdoor krijgen veehouders dagelijks inzicht in de mobiliteit van hun dieren en kunnen zij vroegtijdig ingrijpen bij signalen van klauwproblemen, nog voordat deze verergeren.
Poster ‘Mag ik dit middel gebruiken?’
De vraag: “Mag ik dit middel gebruiken?”, speelt vaak bij veehouders wanneer een nieuw middel wordt aangeboden. In opdracht van ZuivelNL is een poster ontwikkeld én recent herzien, zodat je als verantwoordelijke snel kunt beoordelen of een middel veilig toepasbaar is. Deze vernieuwde poster is bijgevoegd bij deze Herkauwer en kun je ophangen in of bij de medicijnkast.
Via het stappenplan en de QR-codes krijg je inzicht of een middel geregistreerd is en of het volgens de gebruiksaanwijzing veilig kan worden gebruikt. Ontbreekt registratie? Dan loop je het risico op ongewenste gevolgen. Voor een verdere afweging kun je de checklist ‘Middelengebruik’ raadplegen of contact opnemen met jouw zuivelonderneming.



U krijgt een middel aangeboden om de gezondheid van uw dieren te verbeteren, schadelijke organismen te bestrijden of als diervoeder(additief). Het is belangrijk om te weten of u dit middel kunt toepassen zonder risico’s voor diergezondheid, melk- en vleeskwaliteit.
Stel uzelf de volgende vragen:

Is het middel geregistreerd in de Diergeneesmiddeleninformatiebank?
Op de verpakking van geregistreerde diergeneesmiddelen staat het REG NL-nummer. Dit nummer bestaat uit de letters REG NL gevolgd door 4-6 cijfers. Homeopathische middelen met een handelsvergunning herkent u aan het REG NL H-nummer. Beide categorieën staan op de CBGwebsite (diergeneesmiddeleninformatiebank.nl)
Is het een toegelaten biocide?
Biociden zijn middelen die organismen doden (bijv. ontsmettingsmiddelen). In Nederland toegelaten biociden herkent u aan een vijfcijferig toelatingsnummer dat eindigt met een N. Toegelaten middelen staan op de CTGB-website (toelatingen.ctgb.nl).

U kunt dit middel gerust toepassen. Houdt u hierbij aan de bijsluiter/gebruiksaanwijzing om risico’s voor diergezondheid, melk- en vleeskwaliteit te voorkomen.
Komt het als diervoeder(additief) geleverde product van een bedrijf op de Witte Lijst Diervoerbedrijven?
Volgens de leveringsvoorwaarden van de zuivelondernemingen mogen melkveehouders alleen diervoederproducten betrekken van bedrijven die vermeld staan op de Witte Lijst Diervoerbedrijven op de NZO-website (nzo.nl/documenten#witte-lijst-diervoerbedrijven).
Dit middel is niet geregistreerd voor runderen. Daarom zijn risico’s voor diergezondheid, voedselveiligheid en milieu niet specifiek voor runderen getoetst. Scan de QR-code voor meer informatie over mogelijke risico’s. Neem bij vragen contact op met uw zuivelonderneming.
*Richt de camera van uw smartphone op de QR-code om deze te scannen. Werkt dit niet op uw telefoon, volg de link naar de website. Dit stappenplan is in 2020 ontwikkeld door ZuivelNL en in 2026 geüpdatet door Royal GD in opdracht van ZuivelNL. Het stappenplan ondersteunt de veehouder bij besluitvorming rond het middelengebruik bij zijn runderen. Aan het gebruik van dit stappenplan kunnen geen rechten worden ontleend. GD en ZuivelNL sluiten elke aansprakelijkheid uit voor directe of indirecte schade voortkomende uit het gebruik van (de inhoud van) dit overzicht. Het al dan niet toepassen van enig (genees)middel blijft altijd de verantwoordelijkheid van de veehouder zelf. Neem bij vragen contact op met uw zuivelonderneming.
Weidegang staat bij veel Nederlandse melkveehouders en burgers hoog in het vaandel. Koeien in de wei zouden gelukkiger en gezonder zijn. Tegelijkertijd kiezen sommige bedrijven juist voor jaarronde huisvesting, vaak uit zorgen over gezondheid of arbeid. Wat weten we nu écht over de effecten van weiden op de productie en diergezondheid onder praktische bedrijfsomstandigheden?
Een nieuw, tweejarig veldonderzoek op 78 Nederlandse melkveebedrijven met weidegang (2023–2024) geeft waardevolle inzichten. De studie die is uitgevoerd door Iris de Munck, in het kader van haar promotieonderzoek vanuit Aeres Hogeschool Dronten, keek naar weide-intensiteit. Denk aan het aantal weide-uren, weidedagen, gemiddeld aantal weideuren per dag, beperkt versus onbeperkt weiden en koe-uren per hectare (ku/ha). Ze koppelde die aan melkproductie, uiergezondheid, parasieten en klauwgezondheid. De belangrijkste bevindingen:
Melkproductie: licht lager, maar vet en eiwit iets hoger
Tijdens de weideperiode produceerden koeien gemiddeld iets minder melk dan vóór het weideseizoen. Dat verlies was klein. Wel bevatte de melk meer vet en eiwit bij intensievere weidegang. Dit sluit aan bij de vaker gemelde ‘weideboost’ in gehaltes.
Uiergezondheid: lichte stijging celgetal
Het tankmelkcelgetal lag tijdens de weideperiode iets hoger, maar dit kan ook wijzen op een seizoenseffect. Een vergelijkbare stijging wordt ook gezien bij bedrijven met jaarronde huisvesting. Bedrijven met meer ku/ha (dus meer weidedruk) hadden juist lager celgetal, mogelijk door een betere spreiding van mest en grasopname.

Parasieten: meer risico bij langer of onbeperkt weiden

Deze veldstudie is onderdeel van het Gezond Weiden-project. Dit project is ge nancierd door Regieorgaan SIA. Andere betrokkenen: Barenbrug, GD, LTO, Stichting Stimuland, VEERkracht (veterinaire kenniscoöperatie), Wageningen University & Research en vijf veehouders.
Meer weide-uren per dag en in het seizoen gingen samen met een grotere kans op infecties met longworm (Dictyocaulus) en maagdarmwormen (Ostertagia). Onbeperkt weiden (≥17,5 uur per dag, ≥30 dagen achtereen) verhoogde vooral de kans op longworm. Meer ku/ha vergrootte speciek de kans op Ostertagia.
Klauwgezondheid: mogelijk voordeel van weiden
Tijdens de weideperiode testten minder bedrijven positief op Treponema spp., de bacteriën die betrokken zijn bij Mortellaro. Geen van de weide-intensiteitsmaatregelen had direct invloed op het Treponema-risico, maar het algemene seizoenseffect was positief.
Wat betekent dit voor de praktijk?
• Weidegang blijft waardevol, maar vraagt om parasietbewaking, zeker bij hoog-intensief of onbeperkt weiden.
• Melkgehaltes pro teren, al kan de melkproductie licht dalen.
• Uiergezondheid blijft in de zomerperiode een aandachtspunt, zowel bij jaarrond opstallen als bij weiden
• Klauwen lijken baat te hebben bij weiden.
De onderzoekers benadrukken dat het om verkennende, enkelvoudige analyses gaat. Toch bieden de resultaten concrete handvatten om weidegang nog gerichter in te zetten –met oog voor productie én gezondheid.
LANDELIJKE WETTELIJKE REGELING VOOR IBR-BESTRIJDING

Frederik Waldeck, dierenarts Rund
Het ministerie van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur (LVVN) heeft aangekondigd dat er een landelijke wettelijke regeling voor IBR-bestrijding komt. Bij de invoering daarvan wordt rekening gehouden met de actuele IBR-status van alle rundveebedrijven. Dat betekent dat de keuzes die je nu maakt, direct invloed hebben op je uitgangspositie straks.
Totdat de wettelijke regeling ingaat, blijft het advies daarom ongewijzigd: zet je huidige IBR-aanpak voort en voer uitsluitend dieren aan van herkomstbedrijven met voor IBR de status ‘vrij’. Juist in deze overgangsfase is het verstandig om te bekijken welke aanvullende stappen je nu al kunt zetten.
Van ‘onverdacht’ naar ‘vrij’: een logische vervolgstap Sinds de start van de sectorbrede IBR-bestrijding in 2018 zijn veel melkveebedrijven ingestapt via de route tankmelk. Bedrijven waarbij bij aanvang geen IBR-antistoffen in de tankmelk werden aangetoond, kregen de status ‘onverdacht’. Heb je deze status inmiddels twee jaar of langer, dan is dit een logisch moment om de laatste stap te zetten naar de status ‘vrij’.
Die overstap is meer dan een administratieve afronding. Bij de status ‘onverdacht’ bestaat nog een kleine kans dat er een rund op je bedrijf aanwezig is dat levenslang drager is omdat het in het verleden besmet is geraakt. Zo’n dier kan, bijvoorbeeld bij stress, opnieuw virus uitscheiden en andere dieren besmetten. Door over te stappen naar ‘vrij’ neem je dit risico weg en daalt de kans op een IBR-insleep van buitenaf tot minder dan 0,5 procent. Daarnaast vergroot de vrijstatus je mogelijkheden bij aan- en verkoop van runderen.
Praktisch uitvoerbaar, vaak zonder afvoer
De laatste stap naar IBR-vrij is in de praktijk vaak eenvoudiger dan gedacht. Je hoeft alleen bloedonderzoek te laten uitvoeren bij speci eke diergroepen: runderen van zes jaar en ouder, dieren waarbij eerder antistoffen zijn aangetoond en aangevoerde dieren van niet-vrije bedrijven waarvoor nog geen uitslag bekend is.
Uit analyses blijkt dat bij de meeste overstappende bedrijven geen dieren met IBRgE-antistoffen meer worden gevonden. Deze bedrijven krijgen na het bloedonderzoek direct de status ‘vrij’. Worden er wel antistoffen aangetoond, dan gaat het meestal om één of enkele oudere koeien.
Vaccinerende bedrijven: meten is weten
Zit je melkveebedrijf in IBR-vrij (route vaccinatie), dan is het verstandig om je voortgang actief te volgen. Na vier tot vijf jaar consequent vaccineren kun je via een tankmelkmonster laten onderzoeken of er nog IBR-antistoffen aanwezig zijn. Hierbij wordt gebruikgemaakt van een test die onderscheid maakt tussen het veldvirus en het vaccinvirus.
Zijn er geen IBRgE-antistoffen aantoonbaar, dan is het advies om dit onderzoek na twee maanden te herhalen in verband met de instroom van droge koeien. Zijn beide uitslagen gunstig, dan kun je overstappen naar IBR-vrij (route tankmelk) en krijg je de status ‘onverdacht’. Dit is een belangrijke tussenstap op weg naar volledig IBR-vrij. Het advies blijft om in overleg met je eigen dierenarts in elk geval totdat je bedrijf voor IBR de status ‘vrij’ krijgt door te gaan met vaccineren.
Goed voorbereid richting landelijke regelgeving
Met de aangekondigde landelijke IBR-regeling is het belangrijk om te weten waar je staat op het moment dat de wetgeving ingaat. Door nu al te werken aan een hogere IBR-status voorkom je verrassingen en begin je straks vanuit een gunstige uitgangspositie.
Het advies blijft om in overleg met je eigen dierenarts in elk geval totdat je bedrijf voor IBR de status ‘vrij’ krijgt door te gaan met vaccineren.
Met gericht tankmelk- of bloedonderzoek krijg je inzicht in de IBR-situatie op je bedrijf en kun je tijdig passende keuzes maken. Zo houd je zelf de regie en ben je goed voorbereid op wat komen gaat.
Is je bedrijf 2 jaar of langer onverdacht en wil je de overstap maken naar vrij? Meld je dan aan via www.gddiergezondheid.nl/ overstappen.
VIEL OP AAN
We onderzochten voor het abonnement Worminfecties
Tankmelk de tankmelk van de deelnemers op antistoffen tegen longworm, maagdarmwormen en leverbot. We hebben de geanonimiseerde uitslagen hiervan geanalyseerd. Wat zagen we? Viel er iets op? Hieronder lees je de resultaten.
Longworm
Het percentage bedrijven met veel antistoffen tegen longworm in de tankmelk was laag. De afgelopen jaren schommelde het percentage rond de 3-4 procent. Dit jaar was het iets lager dan vorig jaar, namelijk 2 procent. Zie guur 1 voor de verdeling van de uitslagen over Nederland.

Leverbot
Het percentage bedrijven met veel antistoffen tegen leverbot in de tankmelk schommelde een aantal jaren geleden rond de 20 procent, de laatste vijf jaar tussen de 5 en 10 procent. Dit jaar werden op 8 procent van de bedrijven antistoffen tegen leverbot aangetoond en dit percentage blijft daarmee dus stabiel. Zie guur 2 voor de regionale verschillen.
Maagdarmwormen
Het percentage bedrijven met veel of zeer veel antistoffen tegen maagdarmwormen in de tankmelk ligt een stuk hoger en varieert de afgelopen vijf jaar tussen de 20 en 30 procent. In 2025 was het percentage iets lager, namelijk 17 procent.

Figuur 1
Percentage van de deelnemende bedrijven (in 2025) aan het abonnement Worminfecties
Tankmelk met antistoffen tegen longworm, per regio (eerste twee cijfers van de postcode).
Figuur 2
Percentage van de deelnemende bedrijven aan het abonnement Worminfecties
Tankmelk met antistoffen tegen leverbot, per regio.





De test op antistoffen tegen maagdarmworm reageert soms ook op leverbotantistoffen. Op bedrijven met leverbotantistoffen in de melk zegt de uitslag voor maagdarmwormen dus eigenlijk alleen iets als er geen antistoffen tegen leverbot zijn aangetoond. Daarom hebben we met betrekking tot maagdarmwormen alleen bedrijven meegenomen waar geen antistoffen tegen leverbot zijn aangetoond. Zie ook guur 3.
Wat kun je met de uitslag?
Leverbotantistoffen kunnen meer dan een jaar aanwezig blijven. Een positieve tankmelkuitslag heeft daarom vooral waarde als

Figuur 3
Percentage van de deelnemende bedrijven aan het abonnement Worminfecties Tankmelk met antistoffen tegen maagdarmwormen (en uitslag ‘niet aangetoond’ voor leverbot), per regio.
vorig jaar geen of weinig leverbotantistoffen waren gevonden. De uitslag voor longworm- en maagdarmwormantistoffen geeft informatie over de weerstandsopbouw bij het jongvee en de besmettingsdruk bij melkkoeien in het afgelopen weideseizoen. In veel gevallen wijzen veel antistoffen bij de koeien erop dat de weerstandsopbouw bij het jongvee onvoldoende was. Deze uitslag kan natuurlijk ook veroorzaakt worden door een hele hoge infectiedruk bij de koeien zelf. Een positieve uitslag bij maagdarmwormen kan ook komen door een kruisreactie met leverbotantistoffen.
Aan de hand van de tankmelkuitslagen kun je je weide- en wormmanagement bij het jongvee zo nodig bijstellen. Zo kun je ervoor zorgen dat het jongvee voldoende weerstand kan opbouwen.
Vaccinatie kan een hulpmiddel zijn
Om het jongvee een goede weerstand op te laten bouwen, is een lichte worminfectie met zowel maagdarm- als longwormen gewenst. Vaccinatie tegen longworm kan op sommige bedrijven een goed hulpmiddel zijn. Tijdens het komende weideseizoen kun je via mestonderzoek, of later in het seizoen met behulp van bloedonderzoek waarin het pepsinogeengehalte wordt bepaald, de noodzaak voor behandelen van jongvee tegen maagdarmwormen onderzoeken. Voor longworm is vooral controle op hoesten van belang.
Heb je nog vragen? Vraag je relatiebeheerder of bel de Veekijker, op 088 20 25 555. Deze is te bereiken op werkdagen van 8.30 tot 12.00 uur en van 12.45 uur tot 17.00 uur.























Het is om meerdere redenen belangrijk dat jongvee weidegang krijgt. Allereerst om de dieren te leren grazen, zodat ze later, als vaars, voldoende droge stof uit gras kunnen opnemen. Daarnaast is het belangrijk dat jongvee in aanraking komt met maagdarm- en longwormen. Zo bouwen ze weerstand op en kunnen ze als vaars beter omgaan met een (lichte) wormbesmetting. Een goed streven is om jongvee gedurende hun gehele opfokperiode 200 dagen weidegang te geven.
Natuurlijk zijn er bij weidegang ook een aantal belangrijke aandachtspunten:
• Controleer dieren bij voorkeur dagelijks op hoestklachten
Bij hoesten in de weide moet je zeker aan longworm denken. Het is belangrijk de dierenarts er dan snel bij te roepen voor aanvullend klinisch onderzoek. Op bedrijven met een longwormhistorie kan vaccineren tegen long-
worm verstandig zijn; de eerste vaccinatie moet ongeveer zes weken voordat de dieren de weide ingaan plaatsvinden.
• Monitor de ei-uitscheiding van maagdarmwormen
Dit kan vanaf vier tot tien weken na de start van het weideseizoen. Met de wormsleutel op onze website kun je precies zien wanneer mestonderzoek

(of bloedonderzoek) zinvol is en wanneer je wel of niet moet ingrijpen.
• Overweeg om jongvee achter de koeien aan te weiden
Op die manier kunnen ze een lichte besmetting opdoen en weerstand opbouwen. Maar: op bedrijven met een geschiedenis van salmonella of paratuberculose wil je dit absoluut niet doen. Weeg daarom altijd de voor- en nadelen tegen elkaar af en bespreek dit met je dierenarts.
• Houd het gewicht tijdens de weideperiode in de gaten
Het is belangrijk dat de dieren tijdens de weideperiode goed blijven groeien. Heb je de gelegenheid om de dieren tijdens het weideseizoen een keer op te vangen en te meten, dan is dit zeker waardevol om te doen.
• Is de mineralenvoorziening op orde? Vers gras bevat in Nederland vaak onvoldoende selenium, koper, kobalt en soms jodium. Het advies is dus om altijd jongveemineralen bij te voeren als de dieren geen krachtvoer meer krijgen. Gebeurt dit niet, dan is het verstandig om halverwege de weideperiode de mineralenvoorziening te checken via bloedonderzoek (bij vijf dieren).
• Watervoorziening in de weide Zorg dat de watervoorziening goed gecheckt en schoongemaakt is voordat de kalveren of pinken de weide ingaan.

Aan de rand van Kwadijk runt melkveehouder Gert Jan Bakker zijn bedrijf, dat zo’n honderd melkkoeien telt. Ze houden jaarlijks twintig kalveren aan voor vervanging en hebben nog twintig pinken. Toen klauwproblemen steeds vaker de kop opstaken, kwam hij in actie. Samen met zijn dierenarts Dorien Boon ging hij aan de slag. Met succes. Inmiddels zijn er weinig Mortellaroantistoffen te vinden in de tankmelk. Dat betekent dat het grootste deel van de koppel gezonde klauwen heeft.
Gezonde dieren zijn belangrijk voor het dierenwelzijn en de productie. “Jaren geleden hadden we nauwelijks Mortellarogevallen in de koppel. De laatste tijd werden het er meer en het aantal kreupele koeien steeg”, herinnert Gert Jan zich. “Dan stond ruim dertig procent van de koppel bij de bekapper als hij langskwam, dat wil je niet.”
Project voor gezonde klauwen Hij besprak het probleem met zijn dierenarts. Dorien: “Ik was toevallig net benaderd door GD of ik geïnteresseerde veehouders wist voor een project rondom gezonde klauwen. Gert Jan was enthousiast en we hebben ons aangemeld.”
Het project had als doel om inzicht te krijgen in de succesfactoren van de aanpak van Mortellaro. Het hele koppel werd aan het begin van de periode gescoord en na een jaar was de eindmeting. Gert Jan en Dorien maakten een plan van aanpak om Mortellaro onder controle te krijgen. Om de situatie te monitoren, werd gebruikgemaakt van DigiKlauw, Klauwgezondheid Tankmelk en het 7-puntenplan Klauwgezondheid.



”Alle genomen maatregelen hebben ervoor gezorgd dat het aantal koeien met klauwproblemen met meer dan de helft is afgenomen.“


“De maatregelen die een veehouder kan en wil nemen, moeten ook binnen zijn bedrijfsvoering passen.“
Situatie in kaart brengen
“We hadden last van zowel chronische als acute Mortellarogevallen”, geeft Gert Jan aan. “We hebben zelf allerlei middelen, vooral biologisch en niet te agressief, geprobeerd om de situatie te verbeteren. Deze deden we in een eigen mat, waar de koeien overheen liepen, alleen dit gaf niet genoeg resultaat. De hygiëne van de roosters hebben we ook aangepast, die zijn nu schoner.”
Dorien vult aan: “De maatregelen die een veehouder kan en wil nemen, moeten ook binnen zijn bedrijfsvoering passen. Daarom is het goed om bedrijfsspeci ek te kijken en met het thema aan de slag te gaan. In het project werden allerlei vragen gesteld, waardoor je goed kunt nadenken over de situatie op je eigen bedrijf.”
Registreren en klauwbekappen Het registreren van de klauwgezondheid doen ze op het bedrijf al jaren met DigiKlauw. “Dan heb je snel inzicht in hoe het ervoor staat en welke koeien naar de klauwbekapper moeten.
Dierenarts Dorien Boon en melkveehouder Gert Jan Bakker hebben de afgelopen tijd hard gewerkt aan gezonde klauwen voor de koppel melkkoeien.
Gezonde klauwen zijn de basis voor een goede melkproductie en een goed dierenwelzijn.
Voor het project moest de hele koppel worden gescoord, alleen ik vond dat dat voor te veel stress in de koppel zorgde.
Registreren in DigiKlauw werkt beter voor ons”, aldus Gert Jan.

De klauwbekapper kwam om de vijf weken en dat is opgehoogd naar eens per drie weken. “Dan gaan de kreupele koeien erheen en ook alle koeien die droog moeten worden gezet worden opgeknapt. Zodat ze op gezonde klauwen de droogstand ingaan.” Alle dieren met acute mortellaro laesies zijn eerst individueel behandeld, tot de mortellarowond chronisch was gewor-

den. Hierna zijn de biologische middelen in de mat vervangen door formaline. Aanvankelijk lag de mat er twee keer per week. Nu wordt de mat eens per maand tot twee maanden gebruikt.
Voeding belangrijk
Ook voeding werd onder de loep genomen, want een goede mineralenopname en voeropname is belangrijk voor de weerstand en klauwgezondheid. Gert Jan: “We hebben in de zomer van vorig jaar een nieuwe voermengwagen aangeschaft. We hebben hier in de buurt erg veel last van ganzenoverlast. Dit heeft ook impact op de kwaliteit en smakelijkheid van het gras. De koeien lieten het gras liggen en vraten de pulp eruit. Nu wordt het goed gemengd en vreten ze alles op, omdat het gewoon beter smaakt.”
Overige maatregelen
De koeien worden geweid en lopen daarvoor vaak over de weg. Langs de berm liggen kiezelsteentjes, Gert Jan zet de weg nu af als de koppel erover loopt. “Dan komen de poten minder in contact met die kleine steentjes, waardoor ze minder zoolzweren en zoolbloedingen oplopen.”
Goede resultaten vasthouden
Alle genomen maatregelen hebben ervoor gezorgd dat het aantal koeien met klauwproblemen met meer dan de helft is afge-
nomen. In DigiKlauw is de klauwenscore aanzienlijk verbeterd. Er zijn nauwelijks nog Mortellaro-gevallen en ook andere klauwproblemen zijn er bijna niet meer. Dit is ook terug te zien in de (tankmelk)uitslagen, die inmiddels allemaal dik op groen staan. De koppel loopt op gezonde klauwen en daar zijn Gert Jan en Dorien blij mee. Want kreupele koeien zijn niet goed voor het dierenwelzijn, je eigen werkplezier of de melkproductie.
Dorien: “Het thema klauwgezondheid krijgt steeds meer aandacht. Ook omdat er vanuit afnemers steeds meer eisen komen. Het is goed om er binnen je eigen bedrijf mee aan de slag te gaan. Niet alles wat wordt voorgesteld kun je meteen uitvoeren, maar je kunt wel kijken wat er bij jou en je bedrijf past. Wat is haalbaar? Soms kun je met kleine maatregelen al mooie winst behalen.”
“Het thema klauwgezondheid wordt steeds belangrijker. Ook omdat er vanuit leveranciers steeds meer eisen komen.“





Bij GD zijn sinds begin oktober verschillende dieren (jonger dan 2 jaar) binnengekomen voor pathologisch onderzoek na overlijden of euthanasie, waarbij slijmvliesschade van de mond en slokdarm werden waargenomen in combinatie met schade aan de nieren.
De dieren waren afkomstig uit verschillende regio’s in Nederland en werden, op enkele bedrijven na, volledig geweid bij de start van de symptomen. Gezien het relatief hoge aantal inzendingen met deze bevindingen en achtergrond, besloot de Veekijker
Rund in het kader van de diergezondheidsmonitoring hier verder onderzoek naar te doen. De Veekijker nam contact op met de betrokken praktijkdierenartsen en/of veehouders voor meer informatie, voerde enkele bedrijfsbezoeken bij de betreffende veehouders uit en zette aanvullende onderzoeken in.
Eerste verschijnselen
De getroffen dieren stonden over het algemeen volledig buiten bij de start van de symptomen. De eerste verschijnselen die werden waargenomen waren een waterige tot zwarte mest, vermagering, ruw in het haar staan, slome dieren, een onvoldoende gevulde pens met een waterige inhoud, een inactieve pens en soms wat wondjes of zweren in de bek. Ook was in sommige gevallen sprake van acute sterfte, waarbij jongvee dood werd aangetroffen in de weide.
Het aantal zieke of gestorven dieren varieerde per bedrijf, van een enkel dier tot een tiental dieren. De meeste veehouders hebben naar aanleiding van de eerste zieke of gestorven dieren alle dieren opgestald, waarna geen nieuwe dieren ziek zijn geworden. Er zijn na opstallen nog wel dieren, die al ziek waren, gestorven of geëuthanaseerd wegens onvoldoende of geen reactie op de ingestelde ondersteunende behandeling.


Mogelijk infectieuze of aangifteplichtige dierziekten?
Op meerdere inzendformulieren van ingestuurde dieren voor sectie werd gevraagd of een vergiftiging met planten of eikels een oorzaak kan zijn voor de problemen op het bedrijf. Er is hierdoor veel aandacht besteed aan tekenen van intoxicatie en de inhoud van het spijsverteringsstelsel, met name de pens. Gezien het hoge aantal gemelde gevallen in korte tijd en de verspreiding door heel Nederland is echter allereerst aandacht besteed aan mogelijke infectieuze of aangifteplichtige dierziekten en de mogelijkheid van een andere gemeenschappelijke (niet-infectieuze) bron. Bekende besmettelijke oorzaken van schade of zweren van de slijmvliezen (BVD, BTV, BCK) zijn bij de meeste ingezonden dieren onderzocht en niet aangetoond. Bij een deel van de dieren zijn bovendien ‘pathogen discovery’-technieken ingezet om eventuele onbekende besmettelijke ziekten te kunnen vaststellen. Er zijn ook hierbij geen kiemen vastgesteld die gemeenschappelijk waren voor alle dieren of die een oorzaak zouden kunnen zijn voor de waargenomen verschijnselen. Een infectieuze oorzaak wordt hierdoor bij deze gevallen als zeer onwaarschijnlijk beschouwd. Naast besmettelijke oorzaken is ook gekeken naar een mogelijke niet-besmettelijke gemeenschappelijke bron. Ook deze is niet gevonden: de meeste dieren werden niet bijgevoerd en waren niet of al maanden geleden (preventief) behandeld.










De rol van vergiftiging









Op basis van alle hierboven beschreven bevindingen wordt gedacht aan een vergiftiging met planten of plantendelen aanwezig op of rond het perceel waar de dieren werden gehouden. Een intoxicatie ten gevolge van planten is erg lastig om de nitief vast te stellen, ook bij pathologisch onderzoek. De waargenomen verschijnselen of bevindingen bij pathologisch onderzoek treden niet in alle gevallen direct op na opname van de plant en zijn ook niet altijd speci ek voor een speci eke plant of voor een intoxicatie. Er zijn dus bij sectie niet altijd hele typische bevindingen of restanten van planten te vinden.
Bij de getroffen dieren die zijn ingestuurd voor pathologisch onderzoek bij GD werden slijmvliesdefecten in de bek en slokdarm gevonden, in combinatie met acute nierschade. Opvallend aan de nierschade bleek de aanwezigheid van kristallen in de nieren. Er werden geen herkenbare plantendelen gevonden in de pens, maar er zijn in Nederland verschillende plantensoorten aanwezig die bepaalde stoffen bevatten die kunnen leiden tot het afzetten van kristallen in de nieren. Aangezien deze planten niet nieuw zijn in Nederland, is de stijging van het aantal gevallen opvallend. In 2022 zijn ook verschillende jonge dieren gestorven in de weide, waarna een pilot is uitgevoerd. In het
licht van de recentere gevallen zijn ook de secties van de dieren die toen waren ingestuurd opnieuw bekeken. Hieruit blijken de casussen erg vergelijkbaar: ook bij deze dieren zijn kristallen aangetroffen in de nieren. Er wordt om die reden een pilot opgestart om meer inzicht te krijgen in mogelijk oorzakelijke planten en een eventuele variatie in giftigheid.



Al sinds 2002 houdt Royal GD zich intensief bezig met de uitvoering van de diergezondheidsmonitoring in Nederland. Hiervoor werken wij nauw samen met onder andere de diersectoren, de zuivel, het ministerie van LVVN, dierenartsen en veehouders. Deze rubriek verhaalt over bijzondere gevallen, speciaal onderzoek en opvallende resultaten die het werk van de monitoring oplevert. Samen werken we aan diergezondheid in het belang van dier, dierhouder en samenleving.





Schubert straat 33, 6566 DL
Millingen a/d Rijn (nl)
Tel: +31 481 433661
Fax: +31 481 432075


RISORSA®
Mob: +31 (0)6 53195804
www.agriservicejeuken.nl





VOOROP IN DIERGEZONDHEID
Wij helpen je graag met de selectie van een doeltreffende mediamix. Samen plannen we een effectieve mediacampagne die past bij jouw doelstelling. Onze vakmedia bieden je een hoog kwalitatief bereik.
Bekijk op www.dock35media.nl ons aanbod aan vakmedia, events en print- en online mogelijkheden.
www.dock35media.nl


Grip op water
Doe de Drinkbakcheck
Met de Drinkbakcheck controleer je snel en eenvoudig de waterkwaliteit op de drinkplekken van jouw bedrijf. Zo spoor je eventuele problemen op en kun je snel ingrijpen. Op deze manier voorkom je verminderde wateropname, gezondheidsproblemen en een lagere melkproductie.
GD LOOPT VOOROP IN DIERGEZONDHEID VOOR GEZONDE VOEDING EN VITALE KOEIEN

Met VeeOnline wordt het uitvoeren van BVD-onderzoek een stuk eenvoudiger. Het programma BVD-vrij route oorbiopten is ideaal voor bedrijven die elk kalf direct na de geboorte willen testen op virusdragerschap. Het aanvragen van labonderzoek op oorbiopten doe je gemakkelijk digitaal via VeeOnline.
Volgens Team VeeOnline (VO) van de klantenservice is het inschrijven van oorbiopten via VeeOnline heel eenvoudig. “Onder het menu ‘Inschrijven’ vind je ‘Nieuwe inschrijving’ en kies je vervolgens ‘Inschrijven oorbiopt’. Dankzij de stallijst in VeeOnline staan de juiste levensnummers er altijd in. Is het kalf al weg? Vul dan het levensnummer in en klik op de donkerblauwe knop om het te valideren in I&R. Zo weet ons lab precies om welk dier het gaat.”
Hoe werkt het?
Het proces begint met het toevoegen van oorbiopten. Zodra je de inschrijving hebt verzonden, kan ons laboratorium de aanvraag direct inzien. Het enige wat jij dan nog hoeft te doen, is de oorbiopten naar ons opsturen.
Team VO legt verder uit dat je ingeschreven monsters kunt raadplegen in VeeOnline onder ‘Raadplegen inschrijvingen’. Zolang
de inschrijving de status ‘Voorlopig geaccepteerd’ heeft, kun je nog oorbiopten toevoegen door op het groene pennetje te klikken. Dit bespaart tijd en kosten, omdat je geen nieuwe inschrijving hoeft te maken. Staat de inschrijving op ‘Geaccepteerd’?
Dan weet je dat ons lab alles goed heeft ontvangen en is het toevoegen van extra oorbiopten niet meer mogelijk.
Met de VeeOnline-app kun je bovendien altijd en overal je labuitslagen raadplegen en heb je via het archief de volledige historie van je dieren bij de hand. Download de VeeOnline-app gratis en ontdek zelf het gemak.
Het stellen van een goede diagnose bij infectieziekten kan de nodige uitdagingen bieden. Bij PCR moet je van tevoren al kiezen welke ziekteverwekkers je wilt zoeken. Dat werkt prima als je precies weet wat er aan de hand is. Bij ingewikkelde ziektebeelden, zoals luchtwegproblemen, diarree of problemen met de voortplanting, kunnen verschillende ziekteverwekkers een rol spelen. Het blijkt dat aandoeningen ook heel regelmatig worden veroorzaakt door een combinatie van meerdere ziekteverwekkers. Deze virussen en bacteriën veranderen bovendien voortdurend of er onstaan nieuwe varianten. Daardoor kun je met gewone testen soms ziekteverwekkers missen of krijg je maar een deel van het echte probleem te zien.
Om dierenartsen beter te kunnen ondersteunen bij dit soort vraagstukken is er een brede diagnostische aanpak beschikbaar op basis van nanopore-sequencing, de zogenaamde PathoSense-methode. In Nederland wordt deze techniek uitgevoerd in het laboratorium van GD, waar monsters worden geanalyseerd en de resultaten worden geïnterpreteerd voor gebruik in de praktijk.
PathoSense maakt gebruik van metagenomische sequencing met behulp van nanopore-technologie. Dit betekent dat zonder voorafgaande selectie een groot deel van de in het monster aanwezige virussen en bacteriën gelijktijdig worden gedetecteerd. Het doel is om niet langer te ‘raden’, maar een vollediger beeld te krijgen van wat er daadwerkelijk aanwezig is in het dier of koppel.
Hoe werkt de technologie?
Het proces begint met een gestandaardiseerde monsternamekit waarmee dierenartsen in het veld monsters kunnen verzamelen en tegelijk een eerste zuivering uitvoeren. De bijgeleverde swab fungeert namelijk ook als filter om grovere deeltjes, die de analyse kunnen storen, weg te vangen. Het gefilterde materiaal wordt na registratie in de app doorgestuurd naar het laboratorium. In het laboratorium wordt het monster nog een keer voorbereid. Hierbij worden verstorende factoren, zoals los DNA van het dier zelf,
grotendeels verwijderd. Wat overblijft zijn vooral hele ziekteverwekkers, zoals virussen en bacteriën.
Van die ziekteverwekkers halen we het genetische materiaal (RNA en DNA) eruit en dit materiaal wordt uitgelezen met nanopore-sequencing. Nanoporesequencing is een baanbrekende techniek waarbij een DNA- of RNA-molecuul door een piepklein gaatje, een Nanopore genaamd, gaat. Terwijl het erdoorheen schuift, verandert de elektrische stroom een beetje. Aan die veranderingen kun je zien welke letters (A, T, C of G) van de code langskomen. Daarna wordt die code vergeleken met grote databanken, zodat duidelijk wordt welke ziektekiemen in het monster zitten en hoeveel ongeveer. De uitslag wordt weergegeven als ‘heel hoog, hoog, gemiddeld, laag en heel laag’, vergelijkbaar met de interpretatie van Ct-waarden bij een PCR-test. Vaak staat er een korte uitleg bij. Als genoeg erfelijk materiaal beschikbaar is van de gevonden virussen en bacteriën, kunnen we ook kijken welke variant of stam het precies is.
Er wordt gewerkt aan nieuwe mogelijkheden binnen de PathoSense-methode. Daarbij willen we ook eigenschappen opsporen die een bacterie gevaarlijk maken. En misschien ook genen die laten zien of een bacterie ongevoelig is voor bepaalde antibiotica. Dat helpt om beter
te begrijpen of een gevonden bacterie echt de ziekte heeft veroorzaakt en welk medicijn dan wel of niet goed zal werken.
Belang van juiste monstername
Een correcte diagnose begint bij het kiezen van het juiste monster en het juiste moment van monstername. Omdat de methode vooral actieve infecties vindt, is snelle bemonstering in de acute fase belangrijk, vooral bij virale infecties. Bij koppelproblemen wordt aanbevolen monsters van meerdere dieren te poolen die zich in dezelfde ziektestadium bevinden. Daarnaast moet worden bemonsterd op de plek waar de ziekteverwekker echt problemen veroorzaakt. Bij luchtwegproblemen kan een diepe luchtwegmonstername (zoals een longspoeling) meer informatie geven dan een neusswab, omdat de microbiële samenstelling sterk kan verschillen tussen bovenste en onderste luchtwegen.
Toepassingen bij herkauwers
• Luchtwegaandoeningen Luchtwegaandoeningen bij herkauwers ontstaan bijna nooit door één ding. Het is meestal een mix van van alles: omgevingsfactoren, management, afweer, de bacteriën in hun lichaam en ziektekiemen. Met brede sequencing wordt vaak een complex van virussen en bacteriën gevonden. Co-infecties blijken eerder regel dan uitzondering, wat het belang benadrukt van diagnostiek die verder kijkt dan één ziekteverwekker.
• Darmproblemen
Bij diarree bij kalveren kunnen meerdere virussen en bacteriën gelijktijdig betrokken zijn. In een praktijkvoorbeeld bij jonge dieren met ernstige diarree en bloedvergiftiging vond de ‘normale’ test slechts een deel van het probleem. Met een brede analyse vonden ze een mix van virussen en bacteriën. Met zoge-
naamde virulentiefactoranalyse werd aangetoond welke bacterie waarschijnlijk de belangrijkste rol speelde.
Daarnaast wordt zichtbaar dat naast bekende ziekteverwekkers ook minder routinematig geteste virussen regelmatig voorkomen, wat nieuwe inzichten geeft in infectiedynamiek en infectiedruk binnen bedrijven.
Problemen met de voortplanting
Bij abortus of problemen met de voortplanting kan zo’n brede test onverwachte
ziekteverwekkers aan het licht brengen. In een geval van ontsteking van de placenta en de baarmoeder bij runderen werd bijvoorbeeld een belangrijke bacterie gevonden die niet altijd standaard wordt onderzocht. Zulke vondsten kunnen belangrijk zijn voor zowel bedrijfsmanagement als zoönotische risico-inschatting.
Positionering ten opzichte van traditionele diagnostiek
PCR is heel gevoelig en snel wanneer je het vermoeden hebt van een bepaalde
ziekteverwekker. Kweek is handig omdat je er meerdere soorten bacteriën mee kunt vinden en omdat je kunt testen welk antibioticum het beste werkt. Brede sequencing biedt vooral meerwaarde bij onduidelijke of ingewikkelde ziektebeelden, chronische problemen of wanneer eerdere testen geen duidelijke oorzaak opleveren. Doordat zowel virussen als bacteriën tegelijk worden onderzocht, krijg je een compleet beeld, al duurt het soms iets langer voor je de uitslag hebt.

Doordat zowel virussen als bacteriën tegelijk worden onderzocht, krijg je een compleet beeld
relatiebeheerders
Onze relatiebeheerders geven je graag kosteloos advies over jouw speci eke bedrijfssituatie. Je kunt met heel veel vragen bij hen terecht. Bijvoorbeeld wanneer je te maken hebt met een onverwachte statuswijziging, als er iets in de bedrijfsvoering verandert, of als je op zoek bent naar een leuke invulling voor een avond of middag van een studiegroep.
Relatiebeheerders kunnen uitleg geven over GD, de werkzaamheden en inhoude-
Laura
Theo
lijke thema’s. Denk dan aan klauwen, uiergezondheid of voeding. Binnen GD is heel veel kennis aanwezig en die delen we graag.
Jouw persoonlijke relatiebeheerder Wil je graag persoonlijk advies of weten welke mogelijkheden er zijn voor de invulling van bijvoorbeeld een studiegroep? Dan kun je contact opnemen met jouw relatiebeheerder. Bijvoorbeeld als je een vraag hebt over een onverwachte verandering van de gezondheidsstatus

Lammert de Vries T 088 209 4515 l.d.vries@ gddiergezondheid.nl
van jouw koeien. Of als je wilt weten welke GD-programma’s op jouw bedrijf van meerwaarde kunnen zijn. Elke regio heeft een eigen relatiebeheerder, zo heb je één vertrouwd gezicht. Jouw relatiebeheerder vind je op opnze website op basis van de 4 cijfers van je postcode én de geselecteerde diersoort via onze postcodetool.

Theo Scheepens T 088 209 4510
t.scheepens@ gddiergezondheid.nl
Renske van de Beek-Overeem T 088 209 4501
r.vd.beek@ gddiergezondheid.nl


Maaike Lafeber T 088 209 4676
m.lafeber@ gddiergezondheid.nl

Anton Gosselink T 088 209 4504
a.gosselink@ gddiergezondheid.nl

Hans Miltenburg T 088 209 4508
h.miltenburg@ gddiergezondheid.nl
Tijdelijk
klantenservice T 088 202 5500 info@gddiergezondheid.nl
CONTACT MET DE RELATIEBEHEERDERS

Marion Veldman T 088 209 4514 m.veldman@ gddiergezondheid.nl

Mike Weersink T 088 209 4516
m.weersink@ gddiergezondheid.nl

Laura Haarman T 088 209 4505
l.haarman@ gddiergezondheid.nl

Andreas Lameris T 088 209 4507
a.lameris@ gddiergezondheid.nl

Sabine Tijs T 088 209 4513
s.tijs@ gddiergezondheid.nl

Arjan Pakkert T 088 209 4509
a.pakkert@ gddiergezondheid.nl
... HERKAUWERS ZIJN ER DE AFGELOPEN DERTIG
JAAR VERSCHENEN
















Deze editie van Herkauwer, nummer 118, is de laatste Herkauwer die verschijnt. We kiezen ervoor om voortaan een diersoort-overschrijdend blad te maken.









Natuurlijk staan ook in het nieuwe blad verhalen over de sector met interviews, reportages, wetenswaardigheden en achtergrondverhalen. Daarnaast lees je ook van alles over de monitoring en het werk van ons laboratorium. En onze experts delen hun kennis.
We maken deze keuze omdat de wijze en wens van informatievoorziening steeds verandert. Voor korte berichten en nieuws geven veel mensen de voorkeur aan digitale berichten en podcasts. Ook GD heeft al diverse podcasts uitgebracht. Deze vind je op spotify en onze website. Voor het meest actuele nieuws kun je ook onze social media-kanalen volgen.



HOE WEET IK OF MIJN JONGVEE
VOLDOENDE WEERSTAND OPBOUWT TEGEN MAAGDARMWORMEN?
LIZA LE FEBER-DEKKER, RUNDVEEDIERENARTS


Het is belangrijk dat je jongvee geleidelijk weerstand opbouwt tegen maagdarmwormen. Dat lukt het beste als dieren tijdens het weideseizoen een lichte besmetting oplopen. Begin daarom met weiden op een schoon perceel, bijvoorbeeld een perceel dat twee keer is gemaaid of na 1 juli op een weide waar dat jaar nog geen vee heeft gelopen. Verplaats het jongvee vervolgens ’s zomers elke twee tot drie weken naar een schoon perceel.
Tijdens het weideseizoen kun je controleren of de besmetting niet te laag of juist te hoog is. Dat kan met een gepoold mestonderzoek. Neem hiervoor vier tot tien weken na de start van het weiden mest van twee tot vijf dieren.

vraag & antwoord
Het aantal wormeieren in de mest geeft een goede indruk van de besmettingsdruk. Daarnaast kun je pepsinogeen laten bepalen. Het pepsinogeengehalte is een maat voor de schade die maagdarmwormlarven veroorzaken in de lebmaag. Zo zie je of de besmetting voldoende is geweest voor een goede weerstandsopbouw, of dat deze te hoog is en klachten kan geven. Bespreek dit met je dierenarts. Ook tankmelkonderzoek naar wormen bij het melkvee kan helpen. Worden in de tankmelk (zeer) veel antistoffen gevonden, dan wijst dat vaak op onvoldoende weerstand bij het jongvee.

Rundveedierenarts Menno Holzhauer geniet van zijn pensioen, na ruim 27 jaar bij GD te hebben gewerkt. In die jaren specialiseerde hij zich in klauwgezondheid.

“Het belang van goede klauwgezondheid wordt nog steeds onderschat. Als een koe een uierprobleem heeft, dan merkt de veehouder dat meteen in de productie. Klauwproblemen zorgen ook vaak geleidelijk voor een lagere productie. Een koe loopt minder, ervaart pijn, vreet minder, wordt mager en geeft uiteindelijk minder melk. Op tijd signaleren en handelen bij klauwproblemen is dus erg belangrijk.”

In 2006 promoveerde Menno en werd Europees specialist rundergezondheid. Onderdeel daarvan is dat deze specialisten hun kennis delen. Voor Herkauwer schreef Menno veel artikelen. Aan de Veekijkertelefoon gaf hij advies, deed lezingen, hij legde bedrijfsbezoeken af, deed onderzoeken en schreef vele wetenschappelijke publicaties.


Toepasbare kennis “Ik wilde altijd oog hebben voor de veehouder. Leuk een onderzoek, maar wat levert het op? Zo hebben we de klauwenwaaier ontwikkeld, het zevenpuntenplan Klauwgezondheid en Tankmelk Klauwgezondheid. Een uniek product in de wereld, waar je via tankmelk erachter komt hoe het staat met de klauwgezondheid van je koppel. Je hoeft er niets extra’s voor te doen, want de melkmonsters zijn vaak toch al bij GD. Veel van onze kennis delen we gratis en staat bijvoorbeeld op onze website. Ik vind het belangrijk dat GD onafhankelijk en betrouwbare informatie deelt. Daarvoor is onderzoek heel belangrijk, dat heb ik altijd graag gedaan. Met collega’s, faculteiten (in Utrecht en Wageningen), studenten en andere organisaties. Altijd met in het oog: wat levert het de veehouder op?”
Toekomst





“Toen ik begon, was er vooral aandacht voor ‘ziektes’ bij rundvee. Inmiddels merk je dat bredere thema’s worden opgepakt. Ook de veranderende eisen van de maatschappij spelen hierbij een rol. Dierenwelzijn wordt steeds belangrijker. Het thema klauwgezondheid is in al die jaren ook meer gaan leven onder veehouders. Een kreupele koe heeft pijn, dat moet je niet willen. Ik hoop dat alle opgedane kennis en ontwikkelde instrumenten steeds breder ingezet gaan worden. De landelijke aanpak klauwgezondheid gaat daar ook vast aan bijdragen. Ik denk dat ook de doorontwikkeling van AI belangrijk gaat zijn. Zo kun je steeds sneller problemen signaleren, want dat blijft de sleutel. Grijp snel in bij klauwproblemen en voorkom dat het erger wordt. Beter voor de koe, voor de productie en dus voor jou als veehouder.”
Samen naar een (dier-)gezonde toekomst.





