Skip to main content

faro | tijdschrift over cultureel erfgoed, 19(2026)1

Page 1


faro tijdschrift over cultureel erfgoed

Jaargang 19, nr 1, maart 2026

Dossier 25 jaar

Erfgoeddag

Lessen uit een zilveren jubileum

Vade retro Satanas! Over duiveluitdrijvingen

Danserfgoed en sociale media

Achille Mbembe over maatschappelijk engagement in musea

DIGITALISERING

Inzichten uit de beleidsplannen

DOSSIER 25 JAAR ERFGOEDDAG

MAATSCHAPPELIJK ENGAGEMENT VAN MUSEA

Een gesprek met Achille Mbembe

EXPO VROUWENZAKEN/ ZAKENVROUWEN

Wat het archief ons (niet) vertelt 22

#DANS

Danserfgoed, digitale dansgemeenschappen en sociale media

DUIVELUITDRIJVINGEN

Een interview met Kristof Smeyers

SPREKEND ERFGOED Humor als sleutel tot erfgoed

INTRODUCTIE

INTERVIEW MET OLGA VAN OOST DE PIONIERSJAREN VAN ERFGOEDDAG

ZICHTBAAR MAKEN WAT VANZELFSPREKEND LIJKT | Getuigenis

ECRU Erfgoed

VERWONDERING, VERBINDING EN VOORUITGANG | Getuigenis Erfgoedcel Midwest

ERFGOEDDAG IN CIJFERS

VOORUITBLIK | Hoe Erfgoeddag relevant blijft voor organisaties, partners en publiek

ERFGOEDDAG GEËVALUEERD

ERFGOEDWEKEN | Geprek met Hildegarde Van Genechten OP ZOEK NAAR KWALITEIT

Vladimir Ivaneanu & Soetkin Everaert, houtsnedekunstenaars

MIJN ERFGOEDPLEK Frank Van Passel

COLOFON

faro | tijdschrift over cultureel erfgoed 19 (2026) 1 | ISSN 2030-3777

REDACTIERAAD Joke Beyl, Roel

Daenen, Montaine Denys, Katrijn D’hamers, Jelena Dobbels, Elien Doesselaere, Julie Lambrechts, Anne Milkers, Henrike Radermacher, Alexander Vander Stichele, Jacqueline van Leeuwen, Olga Van Oost, Seppe Van Pottelbergh, Gregory Vercauteren en Jeroen Walterus | redactie@faro.be HOOFDREDACTEUR Roel Daenen | roel.daenen@faro.be

BEELDREDACTIE Katrijn D’hamers EINDREDACTIE Birgit Geudens en Annemie Vanthienen VORMGEVING Silke Theuwissen HUISCARTOONIST

Iris Van Robays DRUK Drukkerij Albe De Coker ADVERTEREN Roel Daenen ABONNEMENTEN België

€ 40 | buitenland € 50 | los nummer € 10 | https://faro.be/tijdschrift VERANTWOORDELIJKE UITGEVER

Olga Van Oost, p.a. Grasmarkt 105 bus 44, 1000 Brussel COVERBEELD

Danser Denis Inghelbrecht © Docwerkers

faro is een blad voor en door de cultureel-erfgoedsector. Bezorg ons jouw suggestie voor een artikel, onderwerp of thema voor een rubriek of dossier. Hoe? Mail naar redactie@faro.be.

© FARO. Vlaams steunpunt voor cultureel erfgoed vzw. De redactie heeft ernaar gestreefd de wettelijke bepalingen in verband met de intellectuele eigendom van de beelden na te streven. Ben je van mening dat voor een bepaald beeld het auteursrecht van de maker of zijn/haar erfgenamen werd geschonden, neem dan contact op met de redactie. De inhoud van de teksten en artikels vertolken enkel de visie van de auteurs en niet noodzakelijk die van het bestuur van FARO.

Met de dood in de ogen

Beste lezer,

Alles gaat voorbij, behalve het verleden. Dat is niet alleen de titel van een boek van de bekende socioloog Luc Huyse, maar zo’n zin die blijft resoneren.

Dat wordt soms pijnlijk tastbaar. Eind februari raakte bekend dat een Belgische handelaar van voorwerpen uit de Tweede Wereldoorlog twaalf foto’s op eBay had aangeboden. Stille getuigen van de executie van de Οι 200 της Καισαριανής, ‘de 200 van Kaisariani’. Op 1 mei 1944 fusilleerde de Duitse bezetter 200 communistische verzetsstrijders op de schietbaan van de Atheense voorstad Kaisariani. Volgens de verkoper zijn de foto’s afkomstig uit de privécollectie van een Wehrmacht-onderofficier. ‘Kaisariani’ was een van de ergste oorlogsmisdaden in Griekenland tijdens WOII.

De media in Griekenland en België pikten het op en publiceerden een paar van die foto’s. Daarop zie je een groep licht geklede mannen naar een lange muur wandelen en zich opstellen. Her en der figureren Duitse bewakers. Het zijn rommelige, niet-geposeerde beelden die meer dan acht decennia na de feiten verborgen waren gebleven. Ze spreken niet alleen aan door het drama van de gebeurtenissen, maar ook omdat sommige gezichten duidelijk herkenbaar zijn. Je kan je als kijker enigszins verhouden tot deze mannen.

De verkoop roept allerlei kritisch-ethische vragen en vaststellingen op. Ten eerste of dit soort gevoelig erfgoed vrij mag en kan verhandeld worden. Juridisch lijken er geen obstakels te zijn voor de ‘vrije verkoop’ van de foto’s, gesteld dat de verkoper ze rechtmatig heeft verkregen. Op ethisch vlak daarentegen liggen de zaken ingewikkelder: voor Griekenland zijn ze een tastbare herinnering aan een groot, nationaal trauma. Je kan omzeggens de dood in de ogen kijken.

Het is niet de eerste keer dat erfgoed als handelswaar in vraag gesteld wordt. Er was de ‘Auschwitzveiling’ eerder dit jaar (met ansichtkaarten, registratieformulieren, brieven van daders, een Jodenster “met gebruikssporen”) en de (eveneens geannuleerde) verkoop van drie “menselijke schedels uit Afrika” door een Brussels veilinghuis in december 2022. In beide gevallen zorgde een storm van protest ervoor dat de verkoop niet kon doorgaan. Het brengt ons naar de kern van wat erfgoed is: “datgene dat we belangrijk genoeg vinden om door te geven aan de volgende generaties”, luidt de standaarddefinitie. Het is niet alleen aan de markt om de omgang met dit soort erfgoed te bepalen. Wel integendeel: het gaat om een gedeelde verantwoordelijkheid van diverse overheden, gemeenschappen, erfgoedwerkers, verzamelaars én handelaars. En om een veel groter belang dan wat het financieel oplevert.

De redactie

redactie@faro.be

Je vindt naast sommige artikels logo’s die verwijzen naar de Duurzame Ontwikkelingsdoelstellingen van de VN. Voor meer uitleg, zie www.sdgs.be.

Digitale leeszaal CAG

Het Centrum Agrarische Geschiedenis (CAG) opende onlangs een digitale leeszaal waarin agrarische en culinaire lectuur online doorzoekbaar is. Als eerste stap werden negen historische ledenbladen van de Landelijke Beweging – Boerenbond, Landelijke Gilden, Groene Kring, Ferm en KLJ –gedigitaliseerd. Dankzij OCR-technologie zijn alle teksten, goed voor ruim 158.000 pagina’s, op woordniveau doorzoekbaar. De digitale ontsluiting vergemakkelijkt onderzoek naar landbouw, plattelandsleven, vrouwen- en jongerencultuur en familiegeschiedenis, en beschermt tegelijk de fysieke tijdschriften.

Meer info: https://cagnet.be/page/digitale-leeszaal-tijdschriften

VLAAMSE ERFGOEDBIBLIOTHEKEN IS NU BIBLIOTHECAIRERFGOED.BE

De landelijke dienstverlener voor bibliothecair erfgoed heet sinds februari BibliothecairErfgoed.be. Die naam zegt beter waar de organisatie voor staat: het is de compagnon de route voor iedereen met bibliothecair erfgoed in de collectie. Of dat nu een erfgoedbibliotheek, museum, abdij, archief, heemkring of een ander soort organisatie is.

Nieuwe naam, maar dezelfde missie: al die diverse beheerders ondersteunen in de zorg voor hun bibliothecair erfgoed. Dat doet BibliothecairErfgoed.be met kennis en begeleiding, waarbij collectiebeheerders geholpen worden om grip te krijgen op hun collectie met advies en tools waar ze echt iets aan hebben; met de Digitale Erfgoedbib, die tien eeuwen aan bibliothecair erfgoed toegankelijk maakt via één centrale toegangspoort; en met Labo, waar ruimte wordt gecreëerd voor experiment en leren van elkaar, zodat oplossingen groeien waarvan iedereen kan profiteren.

Ontdek de nieuwe website BibliothecairErfgoed.be. Tip! Hou 23 april 2026 − Wereldboekendag − vrij in je kalender. Die avond wordt de Digitale Erfgoedbib officieel boven de doopvont gehouden in de Boekentoren in Gent.

Traditie en transitie

In zijn nieuwe boek Traditie & transitie biedt FARO-adviseur Gregory Vercauteren een heldere inleiding op het complexe Vlaamse erfgoedbeleid. Het handboek schetst de context van de staatshervormingen, analyseert de belangrijkste erfgoeddecreten en verklaart hoe en waarom het beleid vandaag is opgebouwd zoals het is. Meer dan een overzicht van regels wil het boek inzicht en enthousiasme bieden. Zo helpt het professionals, studenten en geïnteresseerden om het Vlaamse erfgoedbeleid beter te begrijpen, en om het debat erover met meer kennis en goesting te voeren.

Meer info: https://bit.ly/traditieentransitie

MAGIE & MACHT

Meer info: www.magie-en-macht.be en https://fomu.be/expos/early-gaze-ongeziene-fotografie-uit-de-19e-eeuw Louis Ghémar, Portret van koning Leopold I, 1856. Zoutdruk, Collectie

Janssens, Antwerpen

Tot en met 1 maart kon je in het Antwerpse FOMU naar EARLY GAZE, een grootschalige expo over 19e-eeuwse fotografie in België. De uitvinding van de fotografie bracht immers niet alleen technologische vernieuwing, maar veranderde ook hoe we naar onszelf en de wereld kijken.

Niet minder dan 62 stukken in de tentoonstelling waren afkomstig uit de collectie van Philippe Janssens, een privéverzameling die wordt beheerd door historicus, voormalig rector van de Universiteit Antwerpen en FARO-voorzitter Herman Van Goethem. Benieuwd? Op de website Magie &Macht neemt Van Goethem je in een aantal video’s mee op sleeptouw doorheen de 19e-eeuwse fotografie.

De poesje speelt verder

Glaspositief met foto van Antwerps poppentheater, MFA.1959.101.005.18-19, Collectie Stad Antwerpen, MAS. CC0

Onder het motto De poesje speelt verder blaast ErfgoedLab Antwerpen samen met verschillende partners het Antwerpse poesjenellentheater nieuw leven in. Samen onderzochten ze de voorbije twee jaar hoe deze rebelse traditie kan worden versterkt en doorgegeven, voor en door nieuwe generaties.

Na een uitgebreid onderzoek naar o.m. de noden van de poesjenellenspelers volgt deze lente een ambitieus publieksprogramma. Hoogtepunten zijn het festival De poesjenellen pakken uit (16-19 april) tijdens het poppentheaterfestival OERF OERF en de expo De poesjenellen hangen (’t) uit in de Erfgoedbibliotheek Hendrik Conscience (7 april-3 mei), waar spelers zelf cureren en gidsen. Met De Schaviezenschool wordt een nieuwe generatie opgeleid, terwijl vijf scholen experimenteren met eigentijdse voorstellingen.

Ontdek het project en blijf op de hoogte, o.m. via ErfgoedLab Antwerpen: https://erfgoedlabantwerpen.be/verhaal/de-poesje

500 jaar stadsbeiaard in Leuven

In 2025 vierde de Leuvense stadsbeiaard zijn 500e verjaardag. Voor die gelegenheid realiseerden Campanae Lovanienses en Erfgoedcel Leuven samen met Abdij van Park, CEMPER, ETWIE en PARCUM de documentaire 500 jaar stadsbeiaard in Leuven. De film schetst vijf eeuwen beiaardcultuur, van het eerste spoor in een stadsrekening uit 1525 tot de beiaard die vandaag in de toren van de Sint-Pieterskerk hangt. Stadsbeiaardier Eddy Mariën en curator beiaardcultuur Luc Rombouts gidsen je door de rijke en woelige geschiedenis, inclusief oorlogsschade en klokkenroof. Ook het ambacht van het klokkengieten komt aan bod via Filip Sergeys, zoon van de laatste klokkengieter.

Bekijk de documentaire via YouTube: https://bit.ly/stadsbeiaard of via www.erfgoedcelleuven.be/500jaarstadsbeiaard

VERTELSELS VAN DE GROVE DEN

DE PATRIJZEN

Campagnebeeld De Patrijzen door Joris Snaet

Het citizen-scienceproject De Patrijzen (KU Leuven, KADOCKU Leuven en Familiekunde Vlaanderen) onderzoekt hoe vaak 19e-eeuwse Vlaamse ‘patrijskinderen’ – kinderen die vóór het huwelijk werden geboren en later gewettigd – biologisch verwant waren aan hun ‘papa op papier’.

“Veel Vlamingen komen zulke gevallen tegen in hun stamboom, maar er rust nog steeds een taboe op”, zegt prof. Maarten Larmuseau (genetisch genealoog, KU Leuven).

“Er wordt snel aangenomen dat de wettelijke vader níét de biologische vader was en dat de familienaam dus niet in de biologische lijn is doorgegeven. Door archiefbronnen met DNA te combineren kunnen we die aanname nu op grotere schaal toetsen.”

Help je graag mee om een stukje Vlaamse familiegeschiedenis beter te begrijpen? Meewerken kan tot 30 juni 2026 en op verschillende manieren, ook als je in je stamboom geen patrijskind vindt.

Meer info & inschrijven: www.depatrijzen.be.

In de podcastreeks Vertelsels van de Grove Den, een initiatief van erfgoedcollectief Stuifzand i.s.m. Het Geluidshuis, gidsen de grove den Mast en de wilde kardinaalsmuts Muts je door de Kempen, waar oude dorpslegendes opnieuw opwaaien uit het stuifzand. Je ontdekt waarom er ruiters door de lucht vliegen aan de Sas4-toren in Dessel en komt te weten wie Hansken, Odrada of Peer Plimp waren. Of hoe Dimpna vanuit Ierland in Geel terechtkwam. Je verneemt het allemaal in deze zeven luisterverhalen waarin geschiedenis en gezwans elkaar vinden.

Meer info: www.stuifzand.be/vertelsels.

Beiaardklok uit de collectie Sergeys. Erfgoedcel Leuven –WieBaPhotography, A9A8175

INZICHTEN UIT DE BELEIDSPLANNEN

VAN DIGITAAL DOEN NAAR DIGITAAL DENKEN

FARO dook in de beleidsplannen voor de periode 2024-2028 van de gesubsidieerde archieven, erfgoedbibliotheken, landelijke dienstverleners en musea. In dit artikel gaan we in op de resultaten voor het thema ‘digitalisering’. Opvallend is dat digitalisering gezien wordt als een structurele voorwaarde voor erfgoedzorg, publiekswerking en organisatieontwikkeling.

Alexander Vander Stichele en Joke Beyl

We maakten een kwalitatieve analyse van de beleidsplannen1 die 75 cultureel-erfgoedorganisaties opstelden voor de periode 2024-2028 en indienden bij het Departement Cultuur, Jeugd en Media. Daarbij focusten we op vijf thema’s: onderzoek en kennisontwikkeling, digitalisering, internationalisering, diversiteit en duurzaamheid. De volgende vragen vormden het uitgangspunt:

• Waarop willen de erfgoedorganisaties inzetten (doel)?

• Hoe pakken ze het aan (acties, doelgroepen, methoden)?

• Welke samenwerkingen gaan ze hiervoor aan (netwerk)?

• Welke uitdagingen ondervinden de cultureelerfgoedorganisaties?

Dit onderzochten we voor elke deelsector: archieven (10), erfgoedbibliotheken (4), musea (50) en landelijke dienstverleners (10 + WIE). Een belangrijke kanttekening hierbij is dat landelijke dienstverleners (net als erfgoedcellen, WIE en FARO) een andere rol hebben dan collectiebeherende organisaties. Ze hebben bijvoorbeeld geen decretale onderzoeksfunctie en ze hebben –meestal – geen collecties. De resultaten moeten dus in dat licht begrepen worden.

In dit artikel zoomen we in op het thema ‘Digitalisering’. ‘Onderzoek en kennisontwikkeling’ kwam aan bod in het vorige nummer van faro en in de komende edities spitten we de andere thema’s uit. Daarbij houden we wel een slag om de arm: de vaststellingen geven immers de grootste gemene deler weer. Sommige organisaties zullen

er minder op (kunnen) inzetten dan andere. Daarnaast is het ook zo dat doelstellingennota’s geschreven worden met een specifiek doel: subsidies ontvangen. Het zijn dan ook deels geformatteerde teksten, waarin rekening wordt gehouden met de actuele beleidsprioriteiten en -accenten. Dit heeft ook zijn weerslag op de bevindingen.

WAT IS EN ZAL ZIJN

Archieven: innovatiehonger

Archieven koppelen (het versnellen van) digitalisering expliciet aan kwaliteitsvol beheer en duurzame ontsluiting. Ze werken toe naar een integraal databeleid dat richting geeft aan de planning en uitvoering van de verdere invoer en optimalisatie van collectiedata. Ze hanteren een digitale strategie die ook born-digital archieven borgt. FAIR (Findable, Accessible, Interoperable, Reusable) data, (linked) open data (LOD), API (Application Programming Interface)-koppelingen en internationale metadatastandaarden vormen de maatstaf.

Investeringen gaan richting opensource- en non-profitlicenties, digitale depots en Digital Assets Management (DAM). Digitale leeszalen met authenticatie, IIIF (International Image Interoperability Framework)-architecturen en strengere beveiliging staan op de agenda. Duur-

FAIR data, (linked) open data (LOD), API (Application Programming Interface)-koppelingen en internationale metadatastandaarden vormen de maatstaf

Foto: Pexels, via Pixabay, CC0

zame opslag en langetermijnbewaring worden expliciet vermeld.

De focus ligt op het digitaal beschikbaar maken van collecties voor onderzoek en hergebruik. De archieven willen wetenschappelijke kennis vergroten en data, informatie, archiefstukken en erfgoedobjecten digitaal aanbieden, rekening houdend met auteursrechten. Ook willen ze inclusieve, laagdrempelige en interactieve digitale ervaringen creëren voor een breed publiek, met inbegrip van erfgoedgemeenschappen.

Ze hebben plannen om workflows verder te automatiseren (instroom van digitale archieven, beschrijving en ontsluiting), medewerkers bij te scholen en nieuwe profielen aan te werven voor digitale ontsluiting en databeheer. Partnerships (o.a. met meemoo, andere erfgoedorganisaties, onderzoekers, verenigingen, scholen, FARO, landelijke dienstverleners en internationale partners) en experimenten met AI en IIIF benadrukken de innovatiehonger.

Erfgoedbibliotheken: open ecosystemen

Erfgoedbibliotheken erkennen digitalisering als kern van collectiebeheer, gericht op zowel het behoud als de maximale toegankelijkheid van het erfgoed. Registratieachterstanden worden aangepakt, specifieke deelcollecties worden versneld gedigitaliseerd met behulp van OCR (Optical Character Recognition), men participeert in (massa)digitaliseringsprojecten, en collecties worden verrijkt met metadata. Born-digital en online bronnen krijgen een duurzaam beheer- en preservatiebeleid.

Implementatie van DAM-systemen en doorontwikkeling van bibliotheeksoftware moeten een modern, open infrastructuurlandschap creëren. Platformen voor open data, semantische datamodellen (gegevensmodellen waarbij ook de betekenis, relaties en context van data gedefinieerd worden), persistente identifiers (PID = permanente, unieke referentie naar een digitaal object) en OSLO (Open Standaarden voor Linkende Organisaties)-compatibele standaarden worden uitgerold volgens FAIR-principes.

Hybride toegang tot de collectie (papier + digitaal) ondersteunt onderzoekers. De erfgoedbibliotheken willen de digitale collectieregistratie, het beheer en de uitwisselbaarheid van de collectie toekomstgericht maken en zetten de digitalisering van erfgoedcollecties onverminderd voort. Ook specifieke collecties worden gedigitaliseerd om onderzoek te vergemakkelijken. Via citizen science nodigen erfgoedbibliotheken het publiek uit om data te verrijken en mee te bouwen aan kennis.

Via citizen science nodigen erfgoedbibliotheken het publiek uit om data te verrijken en mee te bouwen aan kennis

Digitale kanalen worden ingezet voor communicatie en marketing, bv. door te werken met een digitale leeszaal en met laagdrempelige edutainment-/ storytellingtools, door de vindbaarheid van het digitale en gedigitaliseerde aanbod te optimaliseren, en door de bibliotheekcatalogus uit te breiden met mogelijkheden voor dynamische erfgoedpresentatie. Digitalisering wordt ook gebruikt om participatie te bevorderen en een breder, inclusiever publiek te bereiken.

Procesoptimalisatie, projectmatig werken en het aanwerven van nieuwe profielen (digitale erfgoedregistrator, data integrator, developer, communicatiespecialist) versterken de digitale maturiteit. Innovatie met AI, geavanceerde OCR en virtuele leeszalen krijgen vorm. Erfgoedbibliotheken zorgen voor duurzame opslag en langetermijnbewaring van gedigitaliseerde collecties en zetten in op duurzame bewaring en ontsluiting via partners zoals een stedelijk e-depot of meemoo.

Musea: datagedreven

Verschillende musea benadrukken (het versnellen en professionaliseren van) digitalisering als noodzaak én prioriteit voor de lopende beleidsperiode. Musea willen een datagedreven strategie uitrollen. Publieksdata voeden besluitvorming, communicatie en marketing; digitale tools stroomlijnen afstootprocedures, schenkingen, bruiklenen, inventarissen en interne communicatie. Digitalisering raakt de volledige collectie: van fysieke objecten tot procesgebaseerde kunst, performances, digitale kunst en born-digital werken. De focus ligt op het digitaliseren, registreren, conserveren, verrijken en waarderen van collecties. Kwalitatieve, ethische en duurzame opslag met DAMS en open collectiebeheersystemen staat centraal.

Musea profileren zich als kenniscentra: FAIR-ontsluiting, Linked Open Data en internationale standaarden, snellere registratie van onderzoeks-

Digitalisering raakt de volledige collectie: van fysieke objecten tot procesgebaseerde kunst, performances, digitale kunst en born-digital werken

resultaten en online beschikbaarheid van collecties en content moeten kennisuitwisseling, partnerschappen en een ruimer publieksbereik stimuleren.

Sterke netwerken met technologiebedrijven, onderzoekers, scholen, erfgoedorganisaties, FARO, landelijke dienstverleners en meemoo ondersteunen de museale taken. Innovaties met AI, 3D-scanning en AR worden getest. Duurzaamheid, ten slotte, krijgt vorm via bv. datadeling en procesoptimalisatie van energieverbruik.

Foto: Jakub Zerdzicki, via Pexels, CC0 Pexels

Landelijke dienstverleners (LDR’s): data, kennis en ondersteuning

LDR’s streven naar een duurzame omgang met erfgoed door te werken aan geactualiseerde en performante databanken via digitaliserings- en registratieacties. Ze stimuleren en begeleiden doelgroepen (ook niet-professionele archiefvormers) bij digitalisering en registratie, en leggen daarbij de nadruk op het gebruik van standaarden, open data en deelbaarheid.

LDR’s willen nieuwe manieren van online ontsluiting ontwikkelen voor onderzoek, bv. door onderzoekers toegang te geven tot themadossiers op hun website, en het virtuele netwerk van hun kennisbank verder uitbouwen, door bv. de gebruikers ervan met elkaar te verbinden. Koppelingen via Linked Open Data worden onderzocht; inzetten op meertalige content vergroot hun bereik.

Internationale registratiestandaarden, uitwisselingsstandaarden, proefprojecten rond socialemedia-archivering en complexe bestandsformaten, en digitale tussendepots maken deel uit van de innovatieagenda van de landelijke dienstverleners. Specifiek voor immaterieel erfgoed ontwikkellen ze een digitale strategie waarbij data-integratie (uitwisselbaarheid van informatie) als vitaal voor de operationalisering van deze strategie wordt gezien.

Inhaalbewegingen in databanken, procesdigitalisering, de aanwerving van bv. digicoördinatoren en de oprichting van interne digiteams moeten de digitale transformatie van LDR’s versnellen. Ze zetten in op het bevorderen van de digitale geletterdheid van medewerkers en het versterken van de digitale maturiteit van hun erfgoedgemeenschap.

GEPERCIPIEERDE UITDAGINGEN

Uit bovenstaand overzicht blijkt dat de Vlaamse cultureel-erfgoedorganisaties wier doelstellingennota’s we analyseerden ambitieuze plannen hebben op het vlak van digitalisering. Hieruit blijkt ook dat er zich een aantal uitdagingen stellen. Die zijn grotendeels vergelijkbaar over de deelsectoren heen.

1. Digitalisering als middel, niet als doel

Een fundamentele uitdaging is om digitalisering te zien als een middel om de werking over alle functies heen te verbeteren en de collecties beter toegankelijk te maken, in plaats van als een doel op zich. Dit vereist een duidelijke visie op hoe digitale tools de erfgoedwerking kunnen versterken en waarop prioritair moet worden ingezet.

Erfgoedorganisaties moeten dan ook een digitale strategie ontwikkelen die niet alleen inspeelt op de huidige technologische mogelijkheden, maar ook duurzaam en wendbaar is. Dit houdt weloverwogen keuzes in binnen het brede aanbod aan technologieën en toepassingen, met een focus op het creëren van meerwaarde voor de eindgebruiker. De ene organisatie staat hier al verder in dan de andere.

2. Integratie en afstemming van digitale systemen en infrastructuur

De digitale transformatie is (technisch) complex en kost geld, veel geld. Erfgoedorganisaties moeten ervoor zorgen dat hun systemen performant, up-to-date, toekomstbestendig en duurzaam zijn. Om een coherente digitale strategie te kunnen uitrollen, moeten diverse systemen op elkaar worden afgestemd en moet de digitale infrastructuur worden geoptimaliseerd. Interconnectiviteit en interoperabiliteit tussen systemen is essentieel voor procesefficiëntie en kostenbesparing.

Zowat alle erfgoedorganisaties benadrukken dan ook het belang van samenwerking, opschaling en gedeelde governance; zowel op technisch als op kennisvlak. Dit gebeurt op stedelijk, bovenlokaal of Vlaams niveau. Sommige erfgoedorganisaties gaan in zee met internationale spelers zoals Google.

3. Personeelstekorten en het gebrek aan specifieke expertise

De digitale transformatie vereist gespecialiseerde kennis en voldoende personeelscapaciteit. Veel organisaties ervaren een tekort aan medewerkers met de benodigde digitale expertise, wat de voortgang belemmert. Nieuw personeel met specifieke digitale vaardigheden aantrekken is cruciaal, maar niet altijd mogelijk. Permanente bijscholing en interne vorming zijn deels een oplossing, maar lenigen niet alle noden. Ook in deze context wordt dus gewezen op het belang van samenwerking, kennisdeling en het bundelen van krachten en expertise over organisaties heen.

4. Beheer van grote datastromen en datakwaliteit

Veel erfgoedorganisaties kampen met de omvangrijke hoeveelheid data die gegenereerd wordt door hun collecties. Het effectief beheren, verwerken en waarborgen van de kwaliteit van deze data is een grote uitdaging. Dit wordt versterkt door de noodzaak om data houdbaar, bruikbaar en zichtbaar te maken. Daarbij komen de frequent aangehaalde uitdagingen rond het

Een

fundamentele uitdaging is om digitalisering te zien als een middel om de werking over alle functies heen te verbeteren en de collecties beter toegankelijk te maken, in plaats van als een doel op zich

Foto: Dan Reetz, via Flickr, CC BY 2.0

beheer van born-digital bronnen en audiovisuele objecten enerzijds en de toegenomen aandacht voor mogelijke digitale calamiteiten (zoals hacking) anderzijds.

Hierbij aansluitend speelt de uitdaging om de gedigitaliseerde collecties zo inclusief en toegankelijk mogelijk te maken voor de potentiële eindgebruiker, via gebruiksvriendelijke interfaces en praktisch toepasbare tools. Ook dit blijft een proces van trialand-error.

De uitdaging is om van standaardtaal naar standaardpraktijk te gaan: échte interoperabiliteit, gedeelde governance, meetbare duurzaamheid en talent dat dit kan dragen

DIGITALISERING ALS STANDAARDPRAKTIJK?

De beleidsplannen tonen een sector die digitaal volwassen wil worden: met sterke ambities rond data, infrastructuur, preservatie, beleving en inclusie. De uitdaging is om van standaardtaal naar standaardpraktijk te gaan: échte interoperabiliteit, gedeelde governance, meetbare duurzaamheid en talent dat dit kan dragen. Wie durft kiezen voor gedeelde platformen, verantwoorde AI en het bereiken van een breed publiek maakt van digitalisering geen doel op zich, maar een duurzame hefboom voor erfgoedwerk met een maatschappelijke meerwaarde. De erfgoedorganisaties vertonen heel wat gelijkenissen wanneer het gaat over digitalisering. Zo willen de verschillende deelsectoren op volgende zaken inzetten:

1. Naar een databeleid

De focus ligt op het uitrollen van een overkoepelende datagedreven strategie.

2. Van projecten naar platformen

De ambities schuiven op van digitaliseringsprojecten naar structurele platformen (DAM/DAMS, e-depots, semantische modellen).

3. FAIR & LOD zijn de norm

De principes worden breed omarmd.

4. Onderzoek en hergebruik als sleutel

Digitaliseren gebeurt met een duidelijk doel voor ogen.

5. Nieuwe profielen

De vraag naar datamanagers, developers, digitale registratoren en digicoördinatoren stijgt.

6. Duurzaamheid

Rekening houden met langetermijnpreservatie, energie-impact van infrastructuur … vraagt duurzame keuzes.

7. Publiek als medeproducent

Digitale leeszalen, citizen science en interactieve tools maken het publiek tot cocreator.

Digitalisering komt echter met een kost, zoals blijkt uit de vermelde uitdagingen. Hier ligt een mogelijke rol voor FARO om de sector bewust te maken, samenwerking te faciliteren en voldoende handvatten aan te reiken om creatief en structureel met deze uitdagingen om te gaan. Ook de ondersteuning van de Vlaamse overheid en andere actoren (bv. meemoo) voor de digitalisering van de cultureel-erfgoedsector blijft absoluut nodig. ■

» Alexander Vander Stichele en Joke Beyl zijn onderzoekers bij FARO.

» Bronnen en literatuur

1. We maakten hiervoor ook gebruik van Logically, een AI-ondersteunde onderzoekstool.

ACHILLE MBEMBE OVER HET

MAATSCHAPPELIJK ENGAGEMENT

VAN MUSEA

VAN KOLONIALE LAST NAAR HELENDE RUIMTES

Welke rol kunnen musea vandaag spelen in een wereld die worstelt met kolonialisme, ongelijkheid en ecologische crisissen? De Kameroense denker Achille Mbembe roept ze op om hun koloniale erfenis onder ogen te zien en actief bij te dragen aan herstel. In november 2025 ontving hij de Spinozalens, een prestigieuze internationale prijs voor denkers met impact.1 Mbembe staat bekend om zijn scherpe analyses van de machtsverhoudingen tussen Afrika en Europa en richt zich de laatste jaren ook op thema’s als klimaatverandering.

Ambika Amrashree Sena

In november sprak Mbembe in het MAS tijdens het panelgesprek Eerherstel en (gestolen) erfgoed. Daar ontmoette hij leden van WeDecolonize (UCOS), het Kakungu Incubatortraject (zie kader) en 11.11.11. Kakungu Incubator was een traject waarbij jongeren in gesprek gingen over restitutie en kolonialisme met experts, zoals Mbembe.

SPOKEN VAN HET

VERLEDEN

Veel erfgoedcollecties bevatten nog steeds objecten, documenten en zelfs voorouderlijke resten die tijdens de koloniale periode zijn meegenomen. Volgens Mbembe is die ‘migratie’ van objecten problematisch.2 Hij

stelt dat die stukken nooit via transacties tussen gelijken of in gelijkwaardige omstandigheden verworven werden. Hun verplaatsing was geen neutrale overdracht, maar een vorm van gewelddadige onteigening, herclassificatie en toe-eigening. Die onteigeningen rukten objecten los uit hun sociale en rituele betekenis. Ze kwamen terecht in een koloniaal kennissysteem waar ze vandaag nog altijd als stille getuigen van een onafgehandeld verleden functioneren. Zulke ‘spoken’ verwijzen niet alleen naar de objecten of archiefstukken, maar naar werelden die door de impact van koloniale praktijken zijn verdwenen. Voor Mbembe draait restitutie daarom niet alleen om waar een object vandaag is, maar vooral om wat er verloren ging toen het werd weggehaald.3

Wat betekent herstel? Louter erfgoed teruggeven volstaat volgens Mbembe niet. Herstel begint bij het erkennen van geleden pijn en van de betekenissen die objecten belichamen, zoals kennis, verhalen, verbanden met voorouders en manieren om de wereld te begrijpen. Die hele context verdween door koloniale extractie. Restitutie moet volgens hem tegemoetkomen aan zowel dat ver-

Voor Mbembe draait

restitutie niet alleen om waar een object vandaag is, maar vooral om wat er verloren ging toen het werd weggehaald

lies als het onrecht dat ermee gepaard ging. Een loutere teruggave zonder aandacht voor de bredere machtsverhoudingen mist helende kracht.

Restitutie vraagt daarom ook een kritische blik op de machtsverhoudingen en kennisstructuren die nog altijd doorwerken. Volgens Mbembe heeft Europa een historische schuld opgebouwd door mensen en hun omgeving uit te buiten. Restitutie moet dus plaatsvinden op basis van een erkenning van de ernst van de geleden schade en het betrokken onrecht. Mbembe waarschuwt

© Frederik Beyens

westerse instellingen daarbij niet te vertrouwen op symbolische daden die vooral het geweten sussen.4

Voor hem gaat herstel ook over het herstel van relaties; het opnieuw samenbrengen van wat ooit werd gebroken of genegeerd. Hij omschrijft herstel als “het opnieuw bijeenbrengen van geamputeerde delen” en “het herstellen van gebroken banden, het weer op gang brengen van de voortdurende wisselwerking die onontbeerlijk is om op te klimmen naar meer mens-zijn”. Restitutie is dus een oproep om relaties, verantwoordelijkheid en historische impact opnieuw samen te denken.5 In het denken van Mbembe omvat restitutie fundamentele vragen naar het herstel van relaties, het erkennen van verantwoordelijkheid en de manier waarop koloniale geschiedenis blijft doorwerken in het heden.

PLEKKEN VAN GENEZING

Mbembe blijft bezorgd om een wereld die zwaar getekend is door kolonialisme.6 “Ik denk dat, in een tijd waarin de fundamentele uitdaging bestaat uit het vernieuwen van het leven, het herstellen van een planeet die we hebben beschadigd en het beschermen van levende wezens, musea een nieuwe betekenis moeten krijgen. We moeten musea tot een plaats voor genezing maken. Dat wil zeggen plaatsen waar we de ziekten trachten te genezen die zijn veroorzaakt door het geweld in de wereld, die anderen vóór ons hebben ondergaan en die wij vandaag de dag ondergaan.” Musea kunnen volgens hem bijdragen aan herstel door ruimtes te creëren waar dialoog, gedeelde verantwoordelijkheid en een brede ethiek van rechtvaardigheid centraal staan. Dat vraagt ook om ruimte voor frictie: het benoemen van koloniale breuken, het toelaten van confrontatie en het laten weerklinken van uiteenlopende stemmen.

Musea krijgen zo de belangrijke opdracht om plekken van genezing te worden. Mbembe gebruikt bewust een klinische metafoor: hij ziet musea als plaatsen waar beschadigde lichamen, geesten en zenuwen opnieuw adem kunnen vinden. Ze bieden de mogelijkheid om gewiste woorden, verhalen en stemmen opnieuw tot leven te wekken. Genezen betekent voor hem erkennen dat er wonden en pijn bestaan. In die zin zijn musea plekken van verbinding, die mensen toelaten om het

verleden te rouwen en tegelijk te bouwen aan nieuwe manieren om het heden te begrijpen. Hiervoor introduceert Mbembe het begrip ‘polyglossie’: een taal die verschil, ambiguïteit en meervoudige vormen van kennis toestaat. Musea kunnen hierin fungeren als ruimtes van verbinding, waar mensen rouwen om het verleden én samen bouwen aan nieuwe denkpistes: door verbeelding, kunst en denkwerk dat vastgeroeste schema’s openbreekt.

Dialoog blijft daarbij essentieel. Gevraagd naar zijn advies voor jongeren en erfgoedprofessionals in restitutiedebatten benadrukt Mbembe het belang van een open houding en de bereidheid om van elkaar te leren. Elke generatie brengt inzichten mee die anderen misschien niet hebben. Erfgoedorganisaties kunnen volgens hem precies die plekken worden waar zulke gesprekken plaatsvinden, waar ruimte is voor intergenerationele verbinding en waar het verleden, het heden en de toekomst besproken worden.

© Frederik Beyens

Het denken in tegenstellingen – mens vs. natuur, kolonisator vs. gekoloniseerde – heeft altijd geleid tot uitbuiting, ontmenselijking en soms zelfs vernietiging

PLANEET

Volgens Mbembe kan je niet nadenken over restitutie zonder ook hedendaagse vormen van uitsluiting, apartheid en ecologische vernietiging te betrekken. Het denken in tegenstellingen –mens vs. natuur, kolonisator vs. gekoloniseerde – heeft altijd geleid tot uitbuiting, ontmenselijking en soms zelfs vernietiging. Als alternatief introduceert hij het principe van inséparabilité, of onscheidbaarheid. Het benadrukt dat mensen, voorouders, objecten en de aarde fundamenteel met elkaar verbonden zijn, en vormt een ethisch kader om ecologische schade en historisch onrecht niet los van elkaar te bekijken. Herstel betekent dat we ons actiever moeten inzetten om zowel het gewelddadig verleden als het structureel onrecht in het heden te herstellen.7

Binnen dit perspectief krijgen erfgoedactoren een cruciale rol. Herstel gaat niet alleen over erkennen wat beschadigd werd, maar ook over de ontwikkeling van instrumenten die heling mogelijk maken. Musea kunnen zich niet langer beroepen op een neutrale rol als bewaarplaats van koloniale erfenissen, maar dragen een maatschappelijke verantwoordelijkheid: dominante narratieven doorbreken en ruimte creëren voor meervoudige perspectieven en echte dialoog. “Welke vorm kunnen tentoonstellingen aannemen om te bewegen richting co-composition in plaats van segregatie?”, vroeg Mbembe aan zijn toehoorders in het MAS. Volgens hem moeten musea zo worden ingericht dat het plekken worden waar wonden uit het verleden en heden zichtbaar gemaakt kunnen worden, en waar verschillende stemmen opnieuw gehoord worden.

© KMMA Tervuren, Foto: J.-M. Vandyck, CC-BY 4.0

KAKUNGU INCUBATOR

Tijdens het Kakungu Incubatortraject verdiepten een vijftiental jongeren zich in restitutie via gesprekken met experts en bezoeken aan verschillende instellingen. Zo versterken ze hun kennis en zelfvertrouwen om hun stem te laten horen in het debat over restitutie en herstel. Het traject, geïnitieerd door Don Moussa Pandzou in samenwerking met 11.11.11 en diverse erfgoed- en diasporapartners, kreeg bewust de naam van het Kakungumasker.

In 2022 gaf koning Filip dit masker uit de collectie van het AfricaMuseum als bruikleen aan president Tshisekedi, die het vervolgens onderbracht in het Musée National de la RDC. De documentaire Kakungu (2024) van Job Van Nieuwenhove, Adriaan De Loore en Don Moussa Pandzou volgt de terugkeer van het masker naar de RDC.8 Die terugkomst veroorzaakte grote beroering bij het Sukuvolk in Kwango, diep in het binnenland, dat het masker terug wil om zijn voorouders te eren. Tijdens hun reis door Congo tonen de makers hoe het masker het koloniale verleden opnieuw voelbaar maakt en hoe het een sterke invloed heeft op de identiteit en toekomst van de Suku. ■

» Ambika Amrashree Sena studeert geschiedenis (UGent) en is board member van WeDecolonize, een studentenproject van het Universitair Centrum voor Ontwikkelingssamenwerking (UCOS) dat focust op antiracisme en dekolonisatie.

» Bronnen en literatuur

1. Zie www.spinozalens.nl/laureaten/achillembembe

2. A. Mbembe, Out of the dark night, Essays on decolonization. NY, Columbia University Press, 2021. pp. 165- 167.

3. Mbembe, Ibidem

4. Mbembe, Ibidem

5. Mbembe, Ibidem

6. A. Mbembe, Kritiek van de zwarte rede. Amsterdam, Uitgeverij Boom, 2015, p. 258.

7. Zie ook: Kritiek van de zwarte rede.

8. Te bekijken op VRT Max, https://bit.ly/Kakungu

"HET WAS EEN WERELD OP ZICH"

Wat als … erfgoed zou kunnen spreken? Een hypothetische, maar interessante vraag. Want welke verhalen zouden we dan kunnen ontdekken?

Wie vandaag door TikTok of Instagram scrolt, maakt kans om Opperwachtmeester Lietaert tegen te komen. Met een uniform, een knipoog en een flinke dosis herkenbare humor verovert dit personage een breed publiek. Achter die rijkswachter schuilt Kobe Lietaert, een twintiger die met zijn passie voor uniformen, verhalen en satire een verdwenen korps opnieuw zichtbaar maakt.

Kobe is archivaris noch historicus. Toch groeide hij uit tot een opvallend effectieve erfgoedverteller. Niet via tentoonstellingen of lezingen, maar via korte filmpjes die soms honderdduizenden kijkers bereiken. Zijn aanpak is eenvoudig en doeltreffend. Humor, herkenbaarheid en een duidelijke liefde voor het verleden. “Ik wil iets tonen dat al vijfentwintig jaar niet meer in het straatbeeld aanwezig is”, zegt hij. “Mensen reageren daarop omdat ze het herkennen en omdat het luchtig blijft.”

VAN TELEVISIEREEKS NAAR FASCINATIE

De kiem van Kobes fascinatie werd in zijn tienerjaren gelegd, toen hij naar de cultreeks Buiten De Zone keek. De rijkswacht speelde daarin een opvallende rol. “Ik wist toen nog niets over erfgoed. Maar die figuren, die jassen en die manier van spreken, die bleven hangen.”

Hij verdiepte zich in de geschiedenis van de Belgische politiediensten en zocht uit hoe de rijkswacht functioneerde, welke taken ze had en waarin ze verschilde van de gemeentepolitie. “Het was een wereld op zich die plots volledig verdween. Dat vond ik fascinerend.”

Wat begon met twee jassen, groeide langzaam uit tot een indrukwekkende privécollectie. Uniformen, kepies, handschoenen en accessoires uit verschillende periodes vullen vandaag twee containers. “Het is geen museum”, benadrukt Kobe. “Het is een privécollectie die uit de

» Door: Seppe Van Pottelbergh | Foto’s: © La pelouse – Kobe Lietaert

hand is gelopen. Maar ik ben blij dat ik dingen kan bewaren die anders misschien verloren waren gegaan.” Zijn pronkstuk is een rijkswachtauto: “Een klein monument.”

HUMOR ALS SLEUTEL TOT ERFGOED Hoewel de collectie indrukwekkend is, ligt Kobes grootste impact online. Zijn filmpjes spelen met absurde, maar herkenbare situaties en met een volkse humor. “Veel nieuws is zwaar en ernstig”, zegt hij. “Ik wil net het omgekeerde doen. Situaties tonen die iedereen kent. Dat je als kind je kamer moest opruimen omdat de poetsvrouw kwam, of dat je werd tegengehouden bij een alcoholcontrole.” Daarin spelen typetjes een belangrijke rol. Een van de populairste figuren is Mariella, een kordate vrouw met een zonnebril. “Die naam kwam gewoon in mij op”, lacht Kobe. “En dan heb ik een kostuum samengesteld. Intussen herkennen mensen haar soms meer dan de rijkswachter zelf.” Humor maakt een verschil, vindt hij. “Ik breng erfgoed tot leven zonder dat het voelt als een geschiedenisles. Mensen lachen, maar herkennen ook iets uit hun eigen verleden.”

De cijfers bevestigen zijn verhaal. Een video met de rijkswachtmotor haalde meer dan honderdduizend views op TikTok en bijna achthonderdduizend op Instagram. Hij post meestal op vaste momenten in de week, wat zorgt voor herkenbaarheid en een trouw publiek. Opvallend is dat negatieve reacties uitblijven. “Bijna niemand neemt er aanstoot aan. Omdat het duidelijk ludiek en respectvol is. Het is nostalgie met een glimlach.”

ERFGOED MET TOEKOMST

Kobes werk toont hoe humor erfgoed toegankelijk kan maken. Door te spelen met herkenning en plezier brengt hij het verleden onder de aandacht. Zijn aanpak sluit naadloos aan bij het thema van Erfgoeddag 2026, dat humor centraal zet als manier om te verbinden en te reflecteren. Zoals hij het zelf samenvat: “Als mensen er plezier in hebben, blijft het hangen. En dan leeft dat erfgoed opnieuw.” ■

VROUWENZAKEN / ZAKENVROUWEN

WAT HET ARCHIEF ONS (NIET) VERTELT

“Dit is het werk van vele handen”, benadrukt Zanna Van Loon, curator van de expo Vrouwenzaken/Zakenvrouwen in Museum Plantin-Moretus. Waaronder de archivaris en de medewerkers publiekswerking van het museum, maar ook modeatelier REAntwerp, auteur Aya Sabi en niet in het minst de Encora NT2 leesclub. Een terugblik.

Elien Doesselaere en Saidja Steenhuyzen

Laten we starten bij het begin: vanwaar deze tentoonstelling?

“Dankzij onderzoek van onze archivaris Kristof Selleslach wisten we dat er heel wat over de vrouwen van de familie Plantin-Moretus te vinden was in het familie- en bedrijfsarchief. Vandaar dat we een themajaar rond vrouwen inschreven in ons beleidsplan. Enerzijds wilden we dat onderzoek graag uitdiepen, met projectmedewerker Tom Eerkens die heel gericht op zoek ging naar sporen van de vrouwen in het archief. Anderzijds wilden we het onderzoek ook graag valoriseren voor het publiek. Dat deden we met Vrouwenzaken/Zakenvrouwen. 1 Géén tijdelijke tentoonstelling, wel tijdelijke ingrepen in de vaste opstelling. Op zeven plekken doorheen het huis stonden we stil bij de rol van evenveel vrouwen in de familie en het drukkersbedrijf. Wat was hun betekenis? En dan niet als ‘vrouw van’, niet in de schaduw van hun respectievelijke mannen, maar wel als persoon op zichzelf. Op nog meer plekken gaven we een inkijk in het dagelijks leven, via anekdotes

over het personeel. Want dit project ging niet enkel over echtgenoten, maar ook over dienstpersoneel, dat in de loop der eeuwen een onzichtbare maar niet te onderschatten rol speelde in het succes van de familie.”

Hoe maakten jullie de vertaalslag van dit nog lopende archiefonderzoek naar een publiekspresentatie?

“Er is een enorme hoeveelheid bronnenmateriaal. Stap één was om het toegankelijk te maken. Dat konden we doen dankzij ons Transkribus-project, waarbij een online vrijwilligersgemeenschap van een dertigtal mensen het archiefmateriaal transcribeerde en nakeek. Collega Kris Geysen fungeerde als ‘brugfiguur’ tussen onderzoek en publiekswerking, en maakte hieruit met Tom een eerste selectie. Zij kent de collectie heel goed, en weet ook wat er aanslaat bij het publiek. Die selectie lieten we door onze vrijwilligers en stagiairs hertalen naar hedendaags, toegankelijk Nederlands en legden we voor aan een Encora

NT2 leesclub.2 De deelnemers zijn afkomstig uit de hele wereld, wonen vandaag in Antwerpen en leren hier Nederlands. Onze vragen aan hen: ‘Wat blijft er hangen?’, ‘Wat vinden jullie verrassend?’ en ‘Wat is interessant?’ Het was best een intensief proces: een schooljaar lang hielden we elke maand een sessie met hen. Ze trokken parallellen tussen de levens van de vrouwen van het huis en hun eigen leefwereld. Zo besprak de groep de positie van het dienstpersoneel,

hun opleidingsniveau en sociale mobiliteit. Ze vergeleken de situatie in verschillende landen en tijdperken. Ze benoemden hoe jonge vrouwen vroeger naar de stad trokken om te werken en hoe dit in sommige landen nog steeds gebeurt. Inwonend dienstpersoneel is in een Belgische context misschien minder herkenbaar, maar voor sommige deelnemers was het de normaalste zaak van de wereld. Deze gesprekken legden de basis voor de tentoonstelling.”

© Sigrid Spinnox
© CVO Encora

Speelden er ethische kwesties bij de ontwikkeling van de tentoonstelling?

Wat bijvoorbeeld met de privacy van deze vrouwen?

“De historische afstand – het gaat over bronnen van de 16e tot de 19e eeuw – helpt. Ook de aard van het bronnenmateriaal werkte mee: in de huishoudelijke journaals met financiële uitgaven en brieven lezen we een reflectie van het dagelijks leven. We vonden geen diepe zielenroerselen, waarvan je je kan afvragen of je ze kan publiceren. Wat bewaard is in het archief is ook gecureerd. Wat is er weggegooid, en door wie? Dat weten we niet. Wat de vrouwen hiervan zelf zouden vinden? Geen idee.

Hoe ga je te werk als je erg weinig bronnenmateriaal hebt? In de laatste aflevering van de podcast Indrukwekkende vrouwen die naar aanleiding van de expo is gemaakt, over dochter Henrica, hoor je dat er wel heel weinig bronnen over en van haar bewaard zijn.

“Wat we graag wilden doen met dit project, is het gevestigde beeld waar nodig weerleggen. Historici uit de 20e eeuw kenden de vrouwen veelal een passieve rol toe als ze hen tegenkwamen in het archief. Omdat hun beeld patriarchaal was, of omdat ze de mannelijke leiders van het bedrijf als uitgangspunt namen. De blik en het referentiekader van de onderzoeker bepalen heel sterk hoe die het verleden ziet. Daar wilden we komaf mee maken, en de vrouwen in al hun veelzijdigheid belichten. Niet enkel positief, maar ook niet enkel negatief. Vrouwen die door een gebrek aan veel bronnen ten onrechte in een bepaalde rol zijn geduwd, of een dwingende karakterschets meekregen, zoals dochter Henrica Plantijn – die ‘traag’ en ‘een beetje dom’ zou zijn, op basis van een zinnetje uit een brief van haar vader – of moeder Jeanne Rivière – waarvan we vermoeden dat ze niet kon schrijven. Dat beeld wilden we verruimen: het is niet omdat je niet kan schrijven dat je geen rol van betekenis kan spelen in het bedrijf. Want uit briefwisseling blijkt dat Jeanne wel degelijk een rol had. De aanwezigheid van de vrouwen was zo vanzelfsprekend in die tijd, maar we zijn dat vergeten. Drie van de zeven vrouwen die we een plek geven, waren bedrijfsleiders die het roer overnamen wanneer hun man stierf. Wanneer die man nog leeft, zeggen de bronnen niet altijd iets over de rol van hun vrouw op de werkvloer. Hij sterft, de vrouw neemt het over en runt de boel met verve, soms nog decennialang. Wat zegt dat? Niet dat die vrouw afwezig was, maar dat het in die tijd net vanzelfspre-

kend was om de drukkerij als koppel te bestieren. Hoe zou ze anders die kennis opgedaan hebben? De stilte van de bronnen vertelt ons soms meer dan wat er wel staat: daarvoor moeten we ook aandacht hebben. Hoe de vrouwen gekarakteriseerd zijn in het verleden, en hoe wij hen nu kenschetsen, zegt soms meer over wie wij zijn en over hoe wij in de wereld staan dan dat het iets over hen zegt. Als we dat beseffen, dan kunnen we de historische clichés van ons afwerpen. En dan kan het misschien ook onze blik van vandaag resetten. Dat deed dit onderzoek alvast bij mij, ik kijk nu met een veel opener blik naar de wereld.”

Het onderzoek loopt nog, het volledige plaatje is er dus nog niet. Hoe ga je om met hiaten, met bepaalde onzekerheden? “Dat is eigen aan wetenschappelijk onderzoek. Je onderzoekt bronnen, je koppelt daar bepaalde hypotheses aan, je trekt conclusies en ziet rode draden. Vijf jaar later is er een andere onderzoeker die een andere bron vindt of start met een nieuwe invalshoek en jouw onderzoek in een ander licht stelt. Wetenschap is nooit af. Het is een continu proces van interpreteren, corrigeren en bijstellen. Was het

Historici uit de 20e eeuw kenden de vrouwen veelal een passieve rol toe als ze hen tegenkwamen in het archief. Omdat hun beeld patriarchaal was, of omdat ze de mannelijke leiders van het bedrijf als uitgangspunt namen. De blik en het referentiekader van de onderzoeker bepalen heel sterk hoe die het verleden ziet

© Sigrid Spinnox

ooit af of op, dan had ik geen job meer. Dat is net fijn, dat je geschiedenis nooit volledig kan vatten. Onderzoek naar het verleden is altijd de interpretatie van iets waarvan we nooit zeker kunnen zijn. Maar zoals Stephen Fry het verwoordt in zijn boek Making History uit 1996: ‘It is my job to tell you the story of what never happened’.”

Wat brengt de toekomst voor de vrouwen en het dienstpersoneel van de familie Plantin-Moretus?

“In augustus sluiten we het museum een aantal maanden om de nieuwe vaste opstelling in te richten. De ingrepen van Vrouwenzaken/Zakenvrouwen waren een soort testcase voor hoe we de verhalen uit het archief kunnen vertalen naar het publiek. Werkt deze manier van tentoonstellen? Spreekt dit voldoende aan? Voor de goede orde: ook de mannelijke werknemers krijgen een plek. We belichten nu de vrouwen – dat deden we zelfs letterlijk in de portrettenzaal – want die inhaalbeweging was nodig. Bij de vernieuwde vaste museumpresentatie willen we ook verschillende minder belichte narratieven in beeld brengen, zoals verhalen over de werknemers die de drukpersen bedienden, de letterzetters, de knechten. En ook de vrouwen krijgen natuurlijk een plek.”

Wat neem je mee naar volgende projecten en acties?

“In dit specifieke traject werkte de tandem tussen publiekswerking en onderzoek heel goed. Al wil ik daarover niet flauw doen, er zit een fijne spanning tussen een onderzoeks- en publieksgerichte werking. Beide hebben een andere finaliteit. Maar die spanning bleek net heel vruchtbaar: onze discussies en gesprekken hebben ons verder gebracht. Het is waardevol om zo’n traject met meerdere mensen te doen. Door de omvang kan dat ook niet anders. Maar dus ook omdat de onderzoeker subjectief is. We zijn allang afgestapt van het idee van de curator, ook al is er een gezicht van de expo nodig. Ik geloof echt dat de toekomst aan het collectief is.” ■

» Elien Doesselaere is adviseur immaterieel erfgoed / communicatiemanager en Saidja Steenhuyzen is coördinator onderzoek bij FARO.

» Bronnen en literatuur

1. https://museumplantinmoretus.be/nl/vrouwenzakenzakenvrouwen-audioverhalen

2. https://cvoencora.stedelijkonderwijs.be/opleidingen/aanbod/nt2-deleesclub

Boven: Maria de Sweert door Jacob van Reesbroeck / Martina Plantin door Peter Paul Rubens / Magdalena Plantin door Adriaen Thomasz Key / Jeanne Rivière door Peter Paul Rubens.
Onder: Anna Goos door Jacob van Reesbroeck / Anna Maria de Neuf, maker onbekend / Maria Theresa Borrekens door Philip Joseph Tassaert / Theresia Mathilda Schilders door Jan Van Helmont.

DANSERFGOED, DIGITALE DANSGEMEENSCHAPPEN EN SOCIALE MEDIA

#DANS

Sociale media zijn uitgegroeid tot sleutelplekken voor het leren, delen en beleven van dans. Maar hoe veranderen ze de manier waarop erfgoedpraktijken worden verspreid, doorgegeven, bewaard en beleefd? ErfgoedLab Antwerpen onderzocht het afgelopen jaar met het project #dans hoe dans als immaterieel erfgoed vandaag op online platformen leeft, met aandacht voor kansen, spanningen en implicaties voor de erfgoedpraktijk en de -gemeenschappen.

Digitale cultuur is vandaag een vanzelfsprekend deel van het dagelijks leven. Zeker voor jonge generaties vindt culturele beleving voor een groot stuk online plaats. Ook dans ontsnapt niet aan die beweging. Wat vroeger vooral plaatsvond in studio’s, zalen en op straat, leeft vandaag net zo goed op TikTok, Instagram en YouTube. Die platformen zijn tegelijk klaslokaal, repetitieruimte, ontmoetingsplek en podium.

Binnen de erfgoedsector werpt dat boeiende vragen op. Immaterieel erfgoed wordt traditioneel gelinkt aan fysieke praktijken en hechte, vaak lokale gemeenschappen of nauwe meester-leerlingrelaties. Maar wat gebeurt er wanneer die praktijken steeds vaker online vorm krijgen, binnen algoritmisch gestuurde omgevingen? Het project #dans ging op zoek naar antwoorden en onderzocht hoe dansers dans beleven, delen en doorgeven binnen de context van sociale media.

Daarbij werd gekeken naar de impact van sociale media op deze danspraktijken, en naar de rol van digitale platformen in de vorming van (online) dansgemeenschappen en de dynamieken die er heersen.

Wat vroeger vooral plaatsvond in studio’s, zalen en op straat, leeft vandaag net zo goed op TikTok, Instagram en YouTube. Die platformen zijn tegelijk klaslokaal, repetitieruimte, ontmoetingsplek en podium

Linksboven: Peruviaanse dansgroep Yawar Mistty op een #MASMoves programmatieavond © Jeroen Broeckx Rechtsboven: Random Play Dance door dansgroep THE COLLECTIVE op een #MASMoves programmatieavond © Jeroen Broeckx Onder: installatie #Dans in het MAS © Jeroen Broeckx

We vertrokken vanuit een brede verkenning van het Antwerpse danslandschap. Via online speurwerk brachten we dansscholen, verenigingen en individuele dansers in kaart en koppelden hen, waar mogelijk, aan een fysieke locatie op een digitale kaart van Antwerpen. Deze mapping maakte de rijkdom en diversiteit van het dansveld zichtbaar. Vanuit dit overzicht voerden we meer dan vijftig verkennende gesprekken met dansers, waarin we peilden naar hun erfgoedpraktijk, hun online aanwezigheid en hun noden. Tegelijk volgden we hun digitale dansleven van nabij: via observaties op Instagram, Facebook, TikTok en YouTube bekeken we wat ze deelden, op welke manier en met wie. In zestien diepte-interviews gingen dansers uitgebreider in op hun gebruik van sociale media, hun leerprocessen, het doorgeven van danspraktijken en hun verhouding tot (online) gemeenschappen. Dansers werden samengebracht in focusgroepen om gezamenlijk dansvideo’s en hashtags te bespreken en te reflecteren over wat digitale gemeenschapsvorming vandaag betekent. Tot slot organiseerden we een bevraging voor het publiek, bestaande uit vijf stellingen.1 Deze brede en gecombineerde aanpak vroeg veel tijd en inzet van de betrokken dansers. Tegelijk was ze essentieel om niet alleen zichtbaar te maken wat er online gebeurt, maar ook om inzicht te krijgen in waarom dansers sociale media gebruiken zoals ze dat doen.

MULTIFUNCTIONELE RUIMTES

Voor dansers vervullen sociale media vandaag meerdere functies: ze zijn tegelijkertijd een podium, leeromgeving, procesruimte en sociale ontmoetingsplek. Die veelzijdigheid werkt door tot in de kern van danspraktijken: niet alleen de zichtbaarheid van dans verandert, maar ook hoe kennis, vaardigheden en betekenissen circuleren en worden doorgegeven.

Een eerste belangrijke functie is die van laagdrempelig podium: sociale media bieden dansers de mogelijkheid om hun werk rechtstreeks te delen met een publiek, zonder tussenkomst van programmatoren of instellingen. Eén korte video of fragment kan al volstaan om erkenning te krijgen, feedback te ontvangen en nieuwe connecties te leggen. Daardoor krijgen ook danspraktijken, die binnen formele kaders minder ruimte krijgen, meer zichtbaarheid en kunnen ze een diverser en groter publiek bereiken. Paaldanser Marleen: “Je kan veel meer mensen bereiken dan zonder sociale media, ook een publiek dat anders niet met paaldansen in contact komt.” Gedeelde video’s fungeren bovendien vaak als inspiratiebron voor nieuwe ideeën en praktijken.

Daarnaast zijn sociale media uitgegroeid tot een belangrijke leeromgeving. Via tutorials en

Voor sommige stijlen, zoals K-popdans, verloopt overdracht zelfs grotendeels online

herhaalbare video’s leren dansers technieken, bewegingen en stijlen op hun eigen tempo. Bewegingen kunnen vertraagd en eindeloos herhaald worden. Zo vertelt b-girl (break-girl: een vrouwelijke beoefenaar van breakdance, red.) Camine dat dansers “blessed” zijn met zoveel toegang tot info: “De generatie voor ons moest cassettes terugspoelen om één move opnieuw te zien.”

Voor sommige stijlen, zoals K-popdans, verloopt overdracht zelfs grotendeels online. Tegelijk benadrukken dansers dat dit leren vaak aanvullend blijft: diepgaande overdracht vraagt tijd en fysieke begeleiding. Online leren is dus volgens veel dansers nooit een volwaardig alternatief voor fysieke begeleiding, wel vormt het een positieve opstap naar dans of kan het aanvullend werken. Online kennisdeling gaat bovendien verder dan techniek alleen. Sommige dansers delen bewust ook geschiedenis, context, terminologie of praktische informatie voor beginners.

Sociale media dienen ook als procesruimte waar maakprocessen worden getoond. Dansers delen repetities, experimenten, mislukkingen en twijfels. Dat doorbreekt het idee dat enkel het afgewerkte product telt. Ze tonen de moeite en tijd die dans vraagt, wat een tegengewicht vormt voor de online nadruk op perfectie. Balletdanseres Lisa-Marie spreekt in dat verband over een “open backstage”, waarin fouten en fysieke strijd zichtbaar worden. Ook danseres en choreografe Nina benadrukt hoe het volledige proces tonen bijdraagt aan meer begrip: “Mensen beseffen dan dat het niet zomaar ‘even een showtje’ is.”

Uiteraard zijn sociale media ook een belangrijke sociale ruimte. Ze versterken bestaande gemeenschappen en maken nieuwe vormen van verbondenheid mogelijk. Dansers gebruiken deze kanalen actief om samenwerkingen te zoeken en om erkenning te geven aan wie hen inspireert. B-girl Camine ziet het taggen van crews en voorgangers als een digitale vorm van de ‘shout-out’: een manier om respect te tonen en zichtbaar te maken wie mee aan de basis staat van iemands traject.

DIGITALE GEMEENSCHAPSVORMING

Sociale media vormen dus voor veel dansers een levendige ontmoetingsplek waar herkenning, uitwisseling en steun centraal staan. Op platforms zoals Instagram en TikTok vinden dansers elkaar via gedeelde stijlen, bewegingstalen en hashtags. Door in gemeenschappelijke groepen te zitten, elkaars profiel te volgen, posts te liken en erop te reageren ontstaat een gevoel van verbondenheid: een gevoel deel uit te maken van een groter geheel, een gemeenschap, zelfs zonder ooit samen in dezelfde studio te hebben gestaan. Danser Gerrit vertelt: “Ik heb volgers in Afrika die mij soms contacteren en vragen of ik iets kan uitleggen. Zo groeit die gemeenschap over de grenzen heen.” Die verbondenheid krijgt verder vorm via terugkerende online praktijken: deelnemen aan trends, duetten maken, livestreams volgen en elkaar feedback geven. Voor veel dansers werkt dit ondersteunend en verdiept het hun engagement met de danspraktijk.

Tegelijk zijn deze digitale erfgoedgemeenschappen vaak fluïde en tijdelijk. Ze versterken soms bestaande fysieke gemeenschappen, maar func-

tioneren ook los daarvan. Online verbondenheid leidt niet automatisch tot langdurig engagement of gedeelde verantwoordelijkheid voor het erfgoed, zoals die meestal wordt verwacht binnen ‘traditionele’ erfgoedgemeenschappen. Afro- en dancehalldanser Graciette spreekt in dat verband over een “alternate reality”, waarin zichtbare steun zich vooral online manifesteert: mensen reageren massaal met likes en comments, maar verschijnen niet altijd in de studio of op events. Zichtbare solidariteit via likes en reacties vertaalt zich dus niet altijd in offline participatie, wat maakt dat deze verbondenheid als eerder fragiel ervaren wordt.

SPANNINGEN EN GRENZEN

Niet iedereen omarmt sociale media met hetzelfde enthousiasme. Voor sommige dansers voelen sociale media meer als een omgeving die wringt met hun praktijk. Bij stijlen zoals historische dans of tango botst de vluchtigheid van sociale media met praktijken die draaien om traagheid, herhaling en relationele diepgang. Voor sommige dansers blijven video’s beperkt tot een oppervlakkige weergave, die de complexiteit

Danser Graciette Zola © Docwerkers

en gelaagdheid van de praktijk nauwelijks kan vatten. Tangodanser Astrid: “Een livepubliek communiceert iets terug naar jou, een soort non-verbale aandacht. Dat krijg je niet met een video.” Ook Janne en Tinne van dansgroep Passi benadrukken dat historische dans in essentie draait om menselijk samenzijn: “Wat wij uitbeelden met onze historische dansen zijn momenten met heel veel menselijke interactie. Momenten van verbinding, een spel van menselijk contact. Dat samenzijn verlies je online.” Sociale media kunnen inspireren en zichtbaarheid creëren, maar raken volgens hen niet aan de kern van een praktijk die gebouwd is op fysieke nabijheid en gedeelde ervaring.

Dansers ervaren verder een sterke druk om hun bewegingen aan te passen aan het 9:16-formaat en om binnen enkele seconden aandacht te grijpen, vooral op platforms zoals TikTok. Verder bepalen algoritmes wat zichtbaar wordt en brengen zo nieuwe hiërarchieën met zich mee. Slechts een beperkte selectie van stijlen en lichamen wordt gepusht. Danser Denis merkt op dat vooral “de top één procent” zichtbaar wordt, wat beginnende dansers kan ontmoedigen. Ook forródanser Manon vindt dat korte, spectaculaire bewegingen worden bevoordeeld.

Een ander spanningsveld is de decontextualisering van dans. Hoewel er een tegenbeweging bezig is, circuleren dansen nog altijd vaak los van hun context en oorsprong, wat kan leiden tot

misinterpretatie. Een beoefenaar van Chinese Leeuwendans benadrukt hoe groot het risico is: “Als je iets op sociale media zet, is er veel te veel ruimte voor interpretatie. Mensen kunnen het op honderd manieren lezen.” Hij vergelijkt het met schriftelijke communicatie: “Je mist de toon, de bedoeling, de nuance. De boodschap kan daardoor helemaal fout overkomen. We willen geen vertekend beeld geven van de cultuur of van wat Leeuwendans betekent.” Die decontextualisering kan verder leiden tot toe-eigening en problemen van auteurschap2: choreografieën en passen gaan viraal zonder dat de makers worden vermeld. Hoewel initiatieven zoals ‘dance credits’3 bestaan, blijft erkenning een strijd. Sommige dansers kiezen er daarom voor om enkel teasers te delen, of helemaal niets meer te posten.

Sociale media kunnen inspireren en zichtbaarheid creëren, maar raken volgens hen niet aan de kern van een praktijk die gebouwd is op fysieke nabijheid en gedeelde ervaring
Mapping van het Antwerpse danslandschap. © ErfgoedLab Antwerpen
Screenshot van een tutorialvideo voor een tutting combo geplaatst op Instagram door @denis_inghelbrecht
Screenshot van een video van een choreografie geplaatst op Instagram door @mood_collectiv

VAN ONDERZOEK NAAR

WEDERKERIGHEID

Doorheen het project stond de vraag naar wederkerigheid centraal. Hoe kan een onderzoeksproject dat voornamelijk steunt op vrijwillige inzet ook iets teruggeven aan de betrokken gemeenschappen? Uit de gesprekken bleek een duidelijke behoefte aan ruimte om te dansen, aan fysieke zichtbaarheid en aan ontmoetingsmomenten binnen het Antwerpse danslandschap, dat door veel deelnemers als sterk gefragmenteerd werd ervaren.

Samen met het MAS zocht ErfgoedLab Antwerpen naar manieren om hieraan tegemoet te komen. Dit resulteerde onder meer in een open dansvloer, verhoogde zichtbaarheid van danspraktijken in het kijkdepot4 en de programmatie #MASMoves in het najaar van 2025 die ontmoeting en dialoog tussen verschillende dansgemeenschappen mogelijk maakte. Deze samenwerking was geen kant-en-klare oplossing voor deze nood aan wederkerigheid, maar ze bood een gedeelde leerervaring en verkennende zoektocht naar de ruimte die erfgoedorganisaties kunnen creëren voor de ondersteuning van immaterieel-erfgoedpraktijken en de gemeenschappen die deze praktijken beoefenen.

Peruviaanse dansgroep Yawar Mistty op een #MASMoves programmatieavond © Jeroen Broeckx

IMPLICATIES VOOR HET ERFGOEDVELD

Digitale omgevingen zijn vandaag geen randverschijnsel meer, maar moeten gezien worden als volwaardige erfgoedomgevingen waarin immaterieel-erfgoedpraktijken worden geleerd, beleefd en doorgegeven. Dans leeft niet alleen in studio’s, zalen of op straat, maar ook in feeds, stories en livestreams. In deze digitale ruimtes ontstaan vormen van overdracht, herkenning en verbondenheid die erfgoedprocessen actief mee vormgeven.

Voor de erfgoedsector ligt hier een duidelijke opdracht: wie dans en andere vormen van immaterieel erfgoed vandaag duurzaam wil begrijpen, moet deze digitale dimensie erkennen en ernstig nemen. Dat betekent niet alleen aandacht hebben voor digitale praktijken van overdracht en betekenisgeving, maar ook voor de machtsverhoudingen die deze omgevingen structureren. Algoritmes, decontextualisering en toe-eigening tonen dat digitale ruimtes allesbehalve neutraal zijn en roepen vragen op over inclusie, erkenning en zeggenschap: wie wordt zichtbaar, wie niet, en onder welke voorwaarden?

Tegelijk maken sociale media zichtbaar dat erfgoed niet exclusief verbonden is aan één plaats, gemeenschap of vorm van engagement. Dansers kunnen lokaal verankerd zijn in een fysieke praktijk en zich tegelijk herkennen in een globale online omgeving. Zo manifesteert erfgoed zich zowel in belichaamde ontmoetingen als in digitale uitwisseling via video’s, reacties en hashtags. Tangodanser Astrid: “Een video kan nooit de emotie van een livetango vervangen, want zonder fysiek publiek en intieme sfeer blijft er enkel een platte registratie over. Een video kan wel mensen binnenleiden in die ervaring.” ■

» Sarah Mertens is projectmedewerker bij ErfgoedLab Antwerpen. In 2024 behaalde ze een master in de erfgoedstudies aan de Universiteit van Antwerpen, met een specialisatie in het borgen van immaterieel erfgoed & etnologie. In haar masterthesis onderzocht ze al hoe immaterieel cultureel erfgoed kan worden geborgd via cyberspace, met het ambacht van het maken van zuurdesembrood als case. Deze interesse mocht ze voortzetten met het project #dans

» Bronnen en literatuur

1. Deze stellingen werden afgeleid uit de interviews. De publieksbevraging was een onderdeel van de installatie over het #dansproject en was zichtbaar in het MAS tussen 25 oktober 2025 en 4 januari 2026 tijdens de ‘10 weken dans in het MAS’. De publieksbevraging kreeg reacties van 1.905 individuen.

2. Zie over toe-eigening en problemen van auteurschap van dans op TikTok: N. Y. DA SIVA, Participation, Appropriation, and Coexistence: TikTok Dance Challenges and the Real Challenges for Dance (2022).

3. Dance Credit is een informeel systeem, gecreëerd door dansers op sociale media, om problemen van auteurschap en toe-eigening tegen te gaan. Individuen die een dans van iemand anders nabootsen zetten in hun bijschrift ‘DC: @user’ om credit te geven aan de oorspronkelijke maker. Zie hiervoor ook N. Y. DA SIVA, op. cit.

4. Zie: https://mas.be/nl/pagina/8-x-dans-de-collectie

OVER DUIVELUITDRIJVINGEN

“De bezetene is zelf het slachtoffer”

Het idee dat het kwaad fysiek aanwezig kan zijn is een universeel fenomeen, van alle tijden, aanwezig in alle culturen. De katholieke kerk heeft het formeel geritualiseerd; historicus Kristof Smeyers (KU Leuven) schreef er een boek over. Waarom hebben we een duivel nodig? En wat voor impact heeft die duivel gehad op mensen? Welke bronnen getuigen hiervan, luidop dan wel in stilte?

Elien Doesselaere

Proficiat met je boek Uitdrijven, een beknopte geschiedenis van het exorcisme. Wat was de aanleiding om dit boek te schrijven?

“Ik was aangesteld als Patria fellow aan KADOC-KU Leuven en de publicatie van een boek was opgenomen in mijn contract.1 Ik had de opdracht om breed cultuurhistorisch onderzoek te voeren. Nogal naïef had ik geopperd om te zoeken naar duiveluitdrijvingen in de 19e en 20e eeuw. De reactie hierop was eerder sceptisch van aard: ‘Was daar wel voldoende over te vinden?’ In tegenstelling tot wat eerst gedacht werd heb ik toch heel wat materiaal gevonden, vaak in de vorm van fragmenten. Die bronnen waren dus niet als dusdanig geïnventariseerd: er was bijvoorbeeld niets te vinden onder het lemma ‘exorcisme’.

Welke archieven bleken een vruchtbare ingang?

“De persoonsarchieven van kloosters en abdijen. Op basis van eerder onderzoek wist ik dat bepaalde ordes heel actief waren met uitdrijvingen, de jezuïeten en de redemptoristen bijvoorbeeld. Dus nam ik die als vertrekpunt. Maar het is niet dat ik constant schatten vond, er waren ook heel wat frustrerende dagen bij, waarin weinig materiaal opdook.”

Historicus Brian Levack, die naam maakte met zijn onderzoek naar heksenvervolgingen in vroegmodern Europa, omschrijft dit soort onderzoek als een methodologische landmijn. Hoe navigeerde je binnen dit explosieve gebied?

Mijn zoektocht is dus eerder als lukraak te omschrijven.”

“Naïever dan ik had moeten zijn. Het werd me pas geleidelijk aan duidelijk dat de bronnen niet

representatief waren voor het fenomeen an sich

De kerk houdt niet systematisch verslagen bij van uitdrijvingen. Deels heeft dit te maken met de aard van de zaak, die om discretie vraagt. Het gaat om mensen die als patiënten worden behandeld, wat gepaard gaat met een zekere anonimisering. Wat een grotere factor van belang is, is dat de kerk schroom toont bij gevallen van bezetenheid. Met name sinds de late 18e eeuw bevindt het instituut zich in een moeilijke positie: het wil een moderne, religieuze instelling zijn, die vormen van ‘bijgeloof’ naar de marge dicteert

en die ermee verveeld zit. Maar dat neemt niet weg dat er katholieken zijn die denken dat ze te kampen hebben met demonische bezetenheid en komen aankloppen met de vraag daar iets aan te doen.”

Hoe gaat zo’n uitdrijving precies in zijn werk?

“In theorie is er een draaiboek van het Vaticaan. Dat is niet zo sensationeel als de mensen denken. De priester spreekt een reeks gebeden uit en houdt een kruisbeeld omhoog (komt er een

Duiveluitdrijving, door Jean Delvin, 1880 Collectie: MSK Gent

reactie van de bezetene?). De persoon wordt met wijwater besprenkeld, en indien nodig blaast de priester in het gezicht van de bezetene. Uiteindelijk spreekt hij de woorden ‘ga weg’, en dan heeft de demon geen andere keus dan te gaan. Want de priester spreekt met de autoriteit van God, en daar kan de duivel niets aan doen. Al bij al een behoorlijk droog ritueel.”

En daarmee is de kous af? `

“In het merendeel van de gevallen wel. De bronnen die bewaard zijn, zijn van uitdrijvingen die uit de hand zijn gelopen. Waar de bezetene extreem reageerde, of gewelddadig werd. Of waar sprake is van jarenlange uitdrijving. Zo vond ik in het archief van de redemptoristen toevallig een stevig dagboek. Eind 19e eeuw behandelden de Zusters van Liefde in Sint-Truiden vijf jaar lang Adolphine Monseur. Ze hielden hiervan een dagboek bij, waarin ze noteerden op welke manieren ze de duivel probeerden uit te drijven, en wat de reactie van Adolphine hierop was. Zo’n gedetailleerde beschrijving over zo’n lange periode: dat is een unieke maar geen representatieve bron.”

Op wiens initiatief gebeurde een exorcisme?

“Daarover zijn de bronnen lang niet altijd duidelijk. Wel kunnen we zeggen dat het gros van de vragen komt van iemand uit de omgeving. Familieleden zijn ervan overtuigd dat er iets aan de hand is, waarna er een priester komt. De bisschop moet zijn goedkeuring geven, nadat hij het verslag van de priester heeft bestudeerd. Pas wanneer die de expliciete toestemming van de bisschop heeft, mag hij overgaan tot een uitdrijving. Zeker vanaf de 20e eeuw komen er ook vaak psychologen en psychiaters bij kijken, die samenwerken met exorcisten.”

“Jonge, vrome vrouwen met een medische voorgeschiedenis en uit het katholieke hinterland”: vrijwel de meeste duiveluitdrijvingen zijn uitgevoerd bij vrouwen met dit profiel. Ook vrouwen zijn het grootste slachtoffer van heksenvervolgingen, al gaat het hier vooral om oudere vrouwen. Waarom vormden deze vrouwen zo’n dreiging?

“Die vrouwen worden niet zozeer als een dreiging gezien. Nog zo’n voortschrijdend inzicht dat ik opdeed tijdens mijn onderzoek: exorcisten handelen vaak uit goede wil. Ze lijken oprecht iemand te willen helpen. Bij hekserij speelt een heel andere dynamiek. Daar gaat het om het aanwijzen van een schuldige, een heks, die aan de oorzaak ligt van een bepaald ongeluk. Zij is de dader. De bezetene daarentegen is toch wel zelf het slachtoffer.

Sommige historici zien bezetenheid als een tijdelijke manier om zich te ontworstelen aan het juk van het patriarchaat, en in die zin is een uitdrijving een herstel van de sociale orde. Is dat wat je bedoelt wanneer je schrijft “de geschiedenis van exorcisme is ook – en misschien wel altijd – politiek: beide gaan tenslotte over macht”?

“Dat klopt, maar ik wil dat niet veralgemenen. Er is een onevenwicht in gender, met vooral vrouwen die bezeten zijn en vooral mannen die uitdrijven. Heel erg veel van de bronnen die bewaard zijn, gaan over casussen die uit de hand lopen en die een bepaald beeld bevestigen. Wanneer de media op een zaak springen, is dat vaak omdat die een bepaald idee bevestigt, genre: ‘katholieke Vlamingen lopen achter op de moderniteit, daar hebben ze weer een vrouw vastgebonden’. Zeker bij uitdrijvingen in de 16e en 17e eeuw, en we zien hetzelfde bij heksenvervolgingen, wordt een vrouw tot publiek symbool van disruptie, van sociaal gevaar, gemaakt. Omdat haar gedrag vragen oproept: vrouwen doen publiekelijk hun kleren uit, houden er een los seksueel leven op na en spreken daar uitvoerig over, bijvoorbeeld. Dat zijn volgens omstaanders in die tijd verdachte zaken, die wijzen op bezetenheid. Als zo’n rite publiek wordt uitgevoerd, dan krijg je ook een publiek herstel. Vaak gaat het over jonge vrouwen in de puberteit. Een periode die gepaard gaat met heel wat sociale en hormonale veranderingen. De omgeving heeft het er moeilijk mee, denkt dat de duivel ermee gemoeid is en roept er een priester bij. De uitdrijving is

Zeker bij uitdrijvingen in de 16e en 17e eeuw wordt een vrouw tot publiek symbool van disruptie, van sociaal gevaar, gemaakt

Boven: bladzijde uit de exorcismenotities over Adolphine Monseur. Collectie: KADOC-KU Leuven, Archief Minderbroeders, 10583.

Onder: het dagboek van zuster Rumolda, ‘besmeurd door de duivel’. Collectie: Ruusbroecgenootschap, Archief van

zuster Rumolda, PD 17

Een ‘heksenfluit’. Negentiende eeuw. Collectie: MAS, MFA.1964.076.149

dan een manier om het gedrag van die vrouw te reguleren. Dat is een dynamiek die doorloopt tot vandaag.”

Werd dat aangekondigd, zo’n uitdrijving? “Wanneer een uitdrijving volgens het boekje verloopt wel. Dan weet iedereen waar die aan toe is. Zeker vanaf de jaren 1960 wordt het belangrijk dat de bezetene toestemming geeft. Maar de 19e-eeuwse Adolphine heeft duidelijk geen toestemming gegeven. Omdat de zusters merken dat de voorgeschreven rite geen effect heeft, slaan ze aan het improviseren. Ze hopen op een shockeffect, om zo de duivel uit te drijven. Wat wordt beschreven in het dagboek is heel heftig, en is zeker niet representatief voor de geschiedenis van een exorcisme. Maar we mogen er niet van uitgaan dat het een uniek geval is, want de zusters stonden bekend om hun expertise ter zake. Ook omgekeerd geldt: veel priesters moesten gedwongen worden tot een uitdrijving, ze wilden dat echt niet doen. Consent is een moeilijke kwestie in deze. Er is druk op de bezetene, waarvan de omgeving wil dat die onderworpen wordt aan een uitdrijving, en druk op de priester om die uitdrijving te doen. Mensen komen aandringen op een uitdrijving, en de kerk wil net het tegenovergestelde, om het aantal uitdrijvingen te beperken.”

In de 19e en 20e eeuw wordt de duivel verbannen naar literatuur en fictie. Objecten echter vertellen ons een ander verhaal, namelijk dat hij wel nog aanwezig is in het leven van mensen: getuige daarvan de heksenfluit in het MAS. Hoe kunnen we als erfgoedwerkers omgaan met deze tegenstelling?

“Dat is een probleem. In die objecten zie je heel direct wat de impact is van ‘duivelsgeloof’ op

mensen. Al is dat niet altijd de juiste term, eerder zie je in die objecten hoe de duivel zich opdringt aan mensen. In Nederland zijn er beddenlakens bewaard waar de klauwen van de duivel instaan. Of het nu de duivel is geweest of niet: iets of iemand heeft moeite gedaan om de demonische activiteit voor te stellen. Of neem nu het geval van zuster Rumolda. Ze had visioenen en werd aangevallen door de duivel, allemaal dingen die ze bijhield in een dagboek. Ook de duivel hield zich bezig met dat dagboek, en maakte krassen op een bepaalde pagina. Het is moeilijk om hiervan als historicus een analyse te maken. Door de duivel aan de kant te schuiven, doe je de ervaringen teniet van de mensen die dit soort bronnen hebben gemaakt. Dan neem je hen niet serieus, ook al kan je vraagtekens plaatsen bij wat er precies aan de hand was. Het is niet mijn job om te zeggen dat de duivel bestaat of niet. Ik wil hen in hun waarde laten. Wat ik wil begrijpen, is hoe mensen de duivel ervoeren. Waarom hebben we zo’n fysieke duivel nodig om ons tegen te verzetten? Er zit iets onbegrijpelijks in de kern van de gevallen die ik bespreek. Ik vind het niet erg dat dat onbegrijpelijk blijft.”

Vaak liet een exorcisme geen paper trail na. De papieren bronnen die wel bewaard zijn, zijn niet representatief voor de praktijk. Daarnaast heb je voorwerpen, die getuigen van de dagdagelijkse aanwezigheid van de duivel. Hoe helpen die twee soorten bronnen om de volheid van het verleden te begrijpen?

“Breng ze samen en creëer een vonk. De beddenlakens, het dagboek van zuster Rumolda: ze brengen de duivel binnen in het dagelijks leven en spreken tot de verbeelding. De zuster leefde 40 jaar samen met de duivel, daar sluipt wel een gewenning in. Het blijft niet sensationeel. Beze-

tenheid is maar één aspect van iemands leven. Hoe kan de bezetene meer mens zijn? Hoe kan iemand meer voluit leven?”

Je spreekt over de positivistische karikatuurvan de geschiedenis. Geschiedenis als een tijdlijn met overzichtelijke fasen, die ons van donker bijgeloof naar de verlichte rede brengt. Als historicus verzet je je hiertegen. Hoe doen we dat als erfgoedwerkers ook en maken we andere narratieven mogelijk?

“Ook hier heb ik geen pasklaar antwoord op. Dat idee zit ook in archiefinstellingen. Neem nu dat dagboek van de Zusters van Liefde over de uitdrijvingen van Adolphine Monseur. Het is een unieke bron om de geschiedenis van het exorcisme te onderzoeken, maar was niet as such geïnventariseerd. Archieven hebben de neiging gehad om zulke fenomenen tot op zekere hoogte onzichtbaar te maken. Als instellingen zijn zij ook positivistisch, of hun geschiedenis is toch van die aard. Ik denk ook aan de heksenfluit. Het is niet duidelijk hoe die gebruikt is, want zulke dingen komen niet met een handleiding. Er zijn ook geen schriftelijke bronnen die het object duiden. Werd die fluit gebruikt om het kwaad te verdrijven of om het aan te trekken? We weten het niet. Die onbegrijpelijkheid zit in de kern. Ook wat betreft hekserij kunnen we pas tot op zekere hoogte begrijpen wat er gebeurd is. We hebben geen idee: omarm die twijfel.”

Dat doen we niet graag, we zeggen niet graag dat we het niet weten. “Ik weet het, we stellen ons niet graag kwetsbaar op. Maar er komt energie vrij als we de vraag centraal stellen, en we twijfel toelaten.” ■

Wat vind jij van dit tijdschrift?

» Elien Doesselaere is adviseur immaterieel erfgoed | communicatiemanager bij FARO.

» Bronnen en literatuur

1. Om kwaliteitsvol onderzoek naar de sociale en culturele impact van religie in de 19e- en 20e-eeuwse samenleving te stimuleren, bieden Patria vzw, met als missie het maatschappelijk bewustzijn m.b.t. religieus cultureel erfgoed te versterken, en KADOC-KU Leuven samen een postdoctoraal onderzoeksmandaat aan.

Of met andere woorden: hoe kan faro nog meer aan je verwachtingen voldoen?

Scan de code hieronder of surf naar https://bit.ly/lezersbevraging.

De resultaten zie je binnenkort… hier!

“We moeten samen het belang van cultuur verdedigen!”

Eric de Visscher

Hoe vergaat het landgenoten die elders in de wereld in de cultureelerfgoedsector werken? Eric de Visscher is inspecteur de la création artistique bij het Franse ministerie van Cultuur in Parijs. Daarvoor werkte hij een tijdlang voor het Institut de Recherche et Coordination

Acoustique/Musique van het Centre Pompidou, deed hij onderzoek bij het V&A Museum en leidde hij het Musée de la Musique in de Franse hoofdstad.

Hoe ziet je werkweek eruit?  “Elke week is anders. Voor mijn hoofdactiviteit reis ik vaak Frankrijk rond, en voer ik de opdracht van mijn dienst uit: het analyseren, evalueren en soms ook auditeren van culturele instellingen. Concreet werk ik op klassieke en hedendaagse muziekensembles: opera’s, orkesten en ensembles. Ik ga ter plekke, praat met mensen, neem dossiers en andere stukken door en schrijf dan een rapport. Het gebeurt wel eens dat ik voortdurend en route ben, maar evengoed ben ik een week thuis aan het schrijven. Daarnaast werk ik als curator voor en in een aantal musea, zoals in 2024 voor het Musée du Quai Branly. Daar ontwierp ik een nieuwe klankscenografie, onder de titel Les collections ont leur bande-son, om de permanente ‘stille’ collecties tot leven te wekken. Geluid in musea is een thema dat me fascineert. Momenteel ben ik, samen met een aantal collega’s, aan het schrijven aan The Bloomsbury Handbook of Sound in Museums, dat begin 2027 zal verschijnen.”

Wat zijn de uitdagingen in je werkveld?

“De financiering van de cultuursector is en blijft uitdagend. De vraag is wat politici met deze sector willen verwezenlijken: wat is de rol die ze ervoor zien? Al bij al vind ik dat in Frankrijk culturele organisaties relatief goed ondersteund worden. Al zie ik sinds covid, de oorlogen in Oekraïne en Gaza én het aantreden van de Amerikaanse president Donald Trump wel een belangrijke shift. Cultuurorganisaties stellen zich veel meer én explicieter de vraag wat hun maatschappelijke opdracht is, en in welke mate ze de autonomie hebben om dat te doen. Sommige activiteiten kunnen namelijk flink schuren met het bestuur of de politiek. In Frankrijk was er vanouds een consensusmodel tussen links en rechts en tussen de centrale en lokale overheden, bovendien heel humanistisch georiënteerd. Dat staat nu wel wat onder druk.”

Heb je een tip voor je collega’s in Vlaanderen?

“Denk en handel meer dan ooit Europees, of internationaal. Bouw je netwerk uit, zoek gelijkgestemde collega’s. We moeten samen het belang van cultuur verdedigen!” ■

» Door: Roel Daenen | Foto: © Palta Studio

DOSSIER 25 JAAR

INTRODUCTIE

DE ERFGOEDDAGCALEIDOSCOOP

Neem het van ons aan: een tijdschrift maken is hard labeur. Onderschat werk, dat mag hier op deze kolommen ook weleens gezegd worden. Want een tekst die vlot leest, daaraan is doorgaans langdurig en zorgvuldig gewerkt, meestal door verschillende mensen.

En we geven het toe: voor dit dossier hebben we lang nagedacht. De aanleiding is duidelijk: op 26 april vindt de 25e editie van Erfgoeddag plaats, onmiskenbaar een mijlpaal in de geschiedenis van de cultureel-erfgoedsector, het beleid en ook die van het steunpunt FARO. Daarbij stelden we ons als redactie de vraag: welke invalshoek of invalshoeken hanteer je? Die van het beleid (‘Wat wou de overheid ermee realiseren? En zijn er sporen van ministers die een bijzondere affiniteit met cultureel erfgoed en het evenement in

Erfgoeddag blijkt even caleidoscopisch als het erfgoed dat het belicht

het bijzonder hadden?’)? De erfgoedorganisaties (‘What’s in it for them?’)? Het publiek (‘Over welk publiek spreken we dan? Wat vond dat van de duizenden activiteiten in de loop van de jaren? Zijn er publiekslievelingen?’)? Het coördinatieteam of de waaier aan thema’s van de voorbije 25 jaar (‘Welke rol speelden en spelen de media in de grote aandachtsgolf voor het cultureel erfgoed?’)?

Je merkt het, beste lezer, we hadden l’embarras du choix om terug te blikken op het evenement. Zoals altijd lanceerden we een oproep aan de sector om dit dossier mee vorm te geven. Het resultaat van die call krijg je hier geserveerd in de vorm van een aantal getuigenissen.

Daarnaast geven we je een impressie van hoe Erfgoeddag uit de startblokken is geschoten. Daarbij vragen we ons af waarom het evenement is opgestart, wat de doelstellingen waren en hoe dat begin dan precies in zijn werk ging. Ook hebben we aandacht voor een aantal aspecten uit de machinekamer van het gebeuren, zoals de jaarlijkse én de grondige evaluatie naar aanleiding van 20 jaar Erfgoeddag, het onderzoek naar de Erfgoedweken en het obligate cijfermateriaal. Want de gevleugelde woorden indachtig: meten is (meestal) ook weten.

Het dossier biedt dus enkele korte en ook langere impressionistische toetsen naar aanleiding van

AI-gegenereerde afbeelding

dit zilveren jubileum: ideaal om het gesprek erover te voeren. Sowieso is het laatste woord over Erfgoeddag nog niet gezegd. Ga zelf maar na: veel mensen uit je omgeving hebben ongetwijfeld een uitgesproken mening over het evenement, zoals de organisatorische en communicatieve aanpak en de thema’s, de historiek, de impact en noem maar op. Erfgoeddag blijkt even caleidoscopisch als het erfgoed dat het belicht.

Tot slot nog dit: doorheen het dossier zal je een aantal cartoons tegenkomen. Die hebben we speciaal voor deze editie van Erfgoeddag, HAHA Humor, laten maken. Kan je lachen met erfgoed? Zeker, maar oordeel vooral zelf. Ook ben je van harte welkom op het jubileumfeest, op dinsdag 2 juni in Muziekcentrum De Bijloke in Gent. Daar

Vier 25 jaar Erfgoeddag mee op 2 juni in Muziekcentrum De Bijloke in Gent

kunnen we het gesprek over Erfgoeddag in al zijn verscheidenheid live voortzetten.

Veel leesplezier, Roel Daenen ■

OVER SAMENWERKING, COMMUNICATIE EN TOEKOMST

“Erfgoeddag verbindt al 25 jaar”

Olga Van Oost, algemeen directeur van FARO, blikt terug op een kwarteeuw Erfgoeddag. Ze deelt haar visie op de kracht van het evenement, de link met de samenleving en de uitdagingen voor de toekomst.

Joke Beyl

Om te beginnen: is het nog steeds nodig om Erfgoeddag te organiseren?

“Erfgoeddag gaat over cultureel erfgoed en alle mensen en organisaties die ermee bezig zijn, van gesubsidieerde instellingen tot kleinere vrijwilligerswerkingen. Wij brengen de activiteiten en mensen in beeld, en werken faciliterend. FARO is de ‘machine’ die Erfgoeddag mogelijk maakt, maar de dag zelf is er voor de sector en voor het publiek. We zien elk jaar hoe organisaties iets nieuws ontwikkelen rond een maatschappelijk thema. Dat blijft nodig, omdat erfgoed in de publieke opinie een ‘stoffig imago’ zou hebben. Met Erfgoeddag tonen we dat erfgoed leeft, er participatief mee wordt omgegaan en het van onderuit groeit. Na de 20e editie lieten we een externe evaluatie uitvoeren, die bevestigde de relevantie van het evenement.

bleken cruciale schakels. Vandaag is er een Werkgroep Erfgoeddag waarin iedereen vertegenwoordigd is, en hiermee bekijken we voortdurend hoe we kunnen blijven vernieuwen. Mooi is dat erfgoedcellen zich het evenement steeds meer eigen maken; sommige organiseren het bijna volledig zelf. Die gedeelde verantwoordelijkheid is precies wat we nastreven in een genetwerkt ecosysteem. Nationaal zorgen wij voor de campagne en het overzicht; lokaal en regionaal versterken partners het bereik. Ook internationaal valt onze aanpak op: de Vlaamse erfgoedsector is genetwerkt en werkt participatief, en daar kijken collega’s uit bijvoorbeeld Nederland met bewondering naar. En dat terwijl wij hier in Vlaanderen in de jaren 90 steeds naar Nederland keken voor hun traditie op het vlak van erfgoedbeleid.”

Erfgoeddag is historisch vanuit de sector gegroeid, maar gaandeweg is de organisatie bijgesteld. Erfgoedcellen en lokale coördinatoren

Hoe verklaar je dat unieke karakter van de erfgoedsector in Vlaanderen?

“Het Vlaams cultuurbeleid is nog steeds vrij jong, in vergelijking met de beleidstradities in de

ons omliggende regio’s en landen. Daar heeft de complexe staatsstructuur van België natuurlijk mee te maken. Pas in de jaren 90 werden er voor musea, archieven en meteen daarna ook voor cultureel erfgoed kaders uitgewerkt. Intussen is het cultureel-erfgoedbeleid volwassen geworden en werkt de sector als een geoliede machine. De sector is sterk genetwerkt, participatief en vertrekt vanuit erfgoedgemeenschappen. Daar heeft Erfgoeddag enorm aan bijgedragen. Erfgoeddag is 25 jaar geleden immers opgezet om cultureel-erfgoedactiviteiten in beeld te brengen en om de cultureel-erfgoedsector op de kaart te zetten en te verbinden: aandacht voor de collecties, voor het werk achter de schermen, voor immaterieel erfgoed ... Dat was heel belangrijk en nodig. En dat is ook gelukt.”

Die gedeelde verantwoordelijkheid is precies wat we nastreven in een genetwerkt ecosysteem. Nationaal zorgen wij voor de campagne en het overzicht; lokaal en regionaal versterken partners het bereik

© Erfgoedcel Waasland, Femke Vercauteren

Hoe verhoudt Erfgoeddag zich tot Open Monumentendag?

“Open Monumentendag bestaat al langer en is deel van de internationale ‘Heritage Days’. Het is vooral een opendeurdag: gebouwen en monumenten worden opengezet. Erfgoeddag verschilt daarin: wij focussen op activiteiten die je maakt met en voor je gemeenschap. Dat is een andere insteek en dynamiek. In de geest van Erfgoeddag bedenk je als cultureel-erfgoedorganisatie een activiteit speciaal voor die dag, vanuit een maatschappelijk thema. Je zoekt daarbij vaak samenwerking met andere sectoren, zoals zorg. Denk aan reminiscentiekoffers in woonzorgcentra: erfgoed wordt ingezet om herinneringen op te roepen en welzijn te versterken. Het gaat om betekenis geven aan erfgoed in het hier en nu. Thema’s moeten tegelijk inspireren en haalbaar zijn, voor zowel grote instellingen als kleine organisaties. Dat maakt het evenement inclusief. Tegelijk werken we nauw samen met Open Monumentendag. Coördinatoren overleggen en ondersteunen elkaar, en beide momenten versterken elkaar qua communicatie. Het blijft wel belangrijk om de evenementen apart te houden. Een monument dwingt: het vraagt grote investeringen in infrastructuur en valt daardoor op. Erfgoeddag bewaart bewust het brede perspectief waarin ook de kleintjes meetellen en alledaags erfgoed een plek krijgt.

Het is als verbindend en sociaal evenement dé hoogdag voor onze sector: het brengt mensen samen rond gedeelde geschiedenissen en zet verhalen, vaak gebaseerd op onderzoek, in de kijker. Erfgoed gaat ook om emoties: de passie is dus nooit ver weg. Tegelijk stimuleren we samenwerking en experiment. We ondersteunen dat met methodieken, zoals TOEL, die mensen helpen om nieuwe ideeën te vinden. [TOEL is een instrument, ontwikkeld door FARO, dat inspiratie levert over het thema van Erfgoeddag, helpt een breder en ander publiek aan te trekken, en laat nadenken over nieuwe partners en werkvormen, red.] Erfgoeddag is bovendien een moment waarop lokale besturen en de minister van Cultuur trots kunnen uitpakken met de sector. We zijn dankbaar dat grote instellingen mee aan de kar trekken, denk aan de musea in Brugge, Gent en Antwerpen. Maar even belangrijk: heemkundige kringen en kleine verenigingen krijgen zichtbaarheid. In het diepst van mijn gedachten ben ik een heemkundige (glimlacht), en voor mij is Erfgoeddag hét moment om ook die spelers te steunen. Er is geen andere dag waarop cultureel erfgoed in Vlaanderen zo breed op een landelijk niveau in de kijker staat.”

© Lectrr

Er is geen andere dag waarop cultureel erfgoed in Vlaanderen zo breed op een landelijk niveau in de kijker staat

In 2022 werd Erfgoeddag uitgebreid met de Erfgoedweken: wat leerde dat traject? “Vanuit het thema ‘Erfgoeddag maakt school!' in 2022 ontstond de mogelijkheid om de relatie tussen erfgoed en onderwijs in de kijker te zetten. Zo zijn de Erfgoedweken van start gegaan. Een project met veel weerklank: mensen uit de sector gingen op vrijwillige basis lesgeven in scholen, en FARO kon dat toen sterk ondersteunen met hulp van een gedetacheerde leerkracht. Maar we botsten op onze grenzen. Het was een project, geen structurele werking; we konden het niet blijven volhouden. Daarom liep er van september 2025 tot januari 2026 binnen FARO een onderzoek om de toekomst van de Erfgoedweken te evalueren. Die reflectie nemen we mee in hoe we Erfgoeddag en onderwijs duurzaam kunnen verbinden.”

Hoe slaagt FARO erin Erfgoeddag na 25 jaar fris en relevant te houden?

“Meten is weten. We evalueren elke editie, kwalitatief en kwantitatief. Er zijn bevragingen, een stuurgroep die meekijkt en een Werkgroep Erfgoeddag die meedenkt over thema’s, aanpak en structuur. Dankzij coördinator Seppe waait er een nieuwe wind. Hij zet sterk in op sociale media, verjonging en digitale formats. De ErfgoedApp is daarbij een belangrijke pijler. In de aanloop naar Erfgoeddag stimuleren we de aanmaak van tours in de app, zodat het fysieke en digitale publieksbereik elkaar versterken. Projecten zoals De Erfgenamen, waarbij jongeren erop uittrekken en video’s maken, helpen nieuwe publieken aan te boren.”

Communicatie is dus een belangrijk aandachtspunt?

“Communicatie is cruciaal voor impact en publieksbereik. In de beginjaren was er een groot mediabudget vanuit de overheid; doorheen de tijd is dat sterk gekrompen. We werken vandaag met zeer beperkte middelen, terwijl de sector een nationale campagne verwacht. Partnerschappen zijn daarom essentieel. Zo zijn we heel dankbaar voor de middelen die we in 2025 mochten

Erfgoeddag 2025 © Erfgoedcel Waasland, Femke Vercauteren
Erfgoeddag 2025 © Erfgoedcel Waasland, Femke Vercauteren
Erfgoeddag 2025 © Erfgoedcel Denderland, Smoelentrekker

ontvangen van de Nationale Loterij. Via een ruilovereenkomst met de VRT behouden we een sterke publieke hefboom en De Zondag blijft een waardevolle partner. Tegelijk zijn de erfgoedcellen mede-initiatiefnemers en dragers van dit evenement geworden, en spelen ze een sleutelrol op het vlak van lokale en regionale communicatie. Dankzij deze mooie samenwerking heeft Erfgoeddag zo’n groot bereik, en slagen we erin om nationaal zichtbaar te blijven en tegelijk lokaal te verankeren. Ik geef ook graag een hele grote pluim aan de interne Werkgroep Communicatie van FARO, die een heel jaar lang mee timmert aan de Erfgoeddag. Annemie, Bram, Elien, Roel, Seppe en Silke verzetten véél werk achter de schermen.”

Wat is dan precies de rol van FARO?

“Als FARO het nationale overzicht bewaart, visibiliteit creëert en inspireert, en partners lokaal het verschil maken, blijft de energie hoog. Haal je die nationale schakel weg, dan verlies je het gezamenlijke momentum en verengt het evenement tot een reeks louter lokale initiatieven. We focussen voor de toekomst op drie sporen. Eén: verjongen. We willen jongeren niet alleen bereiken, maar hen ook een actieve rol geven als makers en vertellers. Twee: digitaal versterken. We blijven inzetten op de ErfgoedApp en op formats die het publieksbereik vergroten, online én on site. Drie: communicatie verstevigen. Door de beperkte middelen zoeken we naar slimme partnerschappen om een campagne te blijven organiseren die nationaal zichtbaar is en lokaal voelbaar. Stoppen staat niet op de agenda! Integendeel, we spreken de ambitie uit om het landelijke, verbindende karakter te bewaken en tegelijk inhoudelijke

Stoppen

staat niet op de agenda! Integendeel, we spreken de ambitie uit om het landelijke, verbindende karakter te bewaken en tegelijk inhoudelijke diepgang, participatie en experiment te blijven stimuleren

diepgang, participatie en experiment te blijven stimuleren.”

Conclusie, jij bent fan van Erfgoeddag?

“Absoluut! Erfgoeddag is na 25 jaar springlevend omdat de hele sector samen met gemeenschappen op die dag extra betekenis en zichtbaarheid geeft aan cultureel erfgoed. De complementariteit met Open Monumentendag, de genetwerkte samenwerking met erfgoedcellen, de focus op experiment en methodiek, de digitale versterking via de ErfgoedApp en een doordachte communicatie blijven zorgen voor een ijzersterk landelijk moment.” ■

» Joke Beyl is onderzoeker bij FARO.

Inspiratiesessie Mechelen voor Erfgoeddag 2025 'Game on!' © Erfgoedcel Mechelen
Inspiratiesessie Mechelen & Rivier&Land voor Erfgoeddag 2025 'Game on!' © Erfgoedcel Mechelen

GROOT

ONDERHOUD 2026

kwetsbare kennis

Tijdens de 15 e editie van het Groot Onderhoud staan kennis en de kwetsbaarheid ervan centraal. Verwacht je aan een dag vol reflectie, inzichten en ontmoeting.

2

juni

Bijlokesite, Gent

DE PIONIERSJAREN

VAN ERFGOEDDAG

“Blijf experimenteren!”

Hoe, wanneer en waarom is men ooit met Erfgoeddag begonnen? Wie zat daar precies achter, en wat waren de beweegredenen om zo’n grootschalig evenement op poten te zetten? Na 25 edities past het om achterom te blikken, onder meer naar de vliegende start in 2001 en de sindsdien afgelegde weg. faro ging langs bij een aantal pioniers en vroeg naar hun herinneringen.1

Anne Milkers en Roel Daenen

Erfgoeddag heeft het cultureel-erfgoedbeleid in Vlaanderen anno 2026 beslist mee helpen vormgeven. Zo denken althans vele erfgoedwerkers erover die in de beginjaren actief waren. Eind jaren 1990 regelden verschillende decreten de subsidiëring en werking van grote delen van wat vandaag de cultureel-erfgoedsector is, zoals het Archief- en Museumdecreet en ook het Decreet Volkscultuur. Maar er werd volop nagedacht over een ‘integraal en geïntegreerd cultureel-erfgoedbeleid’. Die “toverwoorden” (zoals iemand het omschreef tijdens onze gesprekken) hielden de belofte van een nieuwe, grotere toekomst in, waarbij de verschillende – tot dan toe – onafhankelijk van elkaar opererende deelsectoren de handen in elkaar zouden slaan. “Dat herinner ik me nog heel goed, want op dat moment werkte ik als ambtenaar bij de Administratie Cultuur”, vertelt Hilde Cuyt.2 “We bereidden toen met de Afdeling Beeldende Kunst en Musea de verruiming voor van het Museumdecreet naar het Cultureel-erfgoeddecreet.” Vernieuwers van

dat nieuwe beleid-in-voorbereiding waren de cultureel-erfgoedconvenants.3 Aanvankelijk waren ze met drie: de ‘experimentele’ erfgoedcellen van Antwerpen, Brugge en Gent. “Erfgoeddag was zo’n beetje het publieke vlaggenschip van die nieuwe erfgoedbenadering”, knikt Vera De Boeck.4 “Wij hadden als ruime opdracht gekregen om erfgoed bekend(er) te maken bij het grote publiek om er zo een draagvlak voor te creëren. Onbekend maakt onbemind, was het idee.”

Eenzelfde geluid klinkt in Gent. Wout De Vuyst5: “We volgden een tweesporenbeleid om een publiek draagvlak te creëren voor cultureel erfgoed en ook een beleidsvisie uit te stippelen voor de toekomst. Vandaar dat elke beginnende erfgoedcel twee coördinatoren had: één voor beleid en coördinatie en één voor communicatie en publiek.” “In Gent hadden we een rijke traditie van erfgoedhuizen met een actieve of zelfs spraakmakende werking”, vult Christine De Weerdt aan. “Er was toen een heel vruchtbare

voedingsbodem, met onder meer Synergie 2000 en de publicatie Kleine dramaturgie voor een artefactenstoet. Omtrent ‘Gent Cultuurstad’.6 Het eerste Erfgoedweekend heeft met onder meer de spraakmakende ‘invasie van de kabouters’ van het Huis van Alijn echt de bakens verzet.”7

LACHEN MET ERFGOED

“Over het woord ‘erfgoed’ deed men in het begin wat lacherig”, herinnert Vera zich. “Naar aanleiding van die eerste edities van het Erfgoedweekend hield de regionale zender ATV daarover een bevraging op straat. Bijna niemand zat in de juiste richting!” Ook binnen de deelsectoren werd de introductie van zowel de erfgoedcellen (“the new kid in town”) als het erfgoedbegrip argwanend bekeken. Er was dan ook weinig tijd om de eerste editie op poten te zetten, ook al omdat die nieuwkomers van de erfgoedcellen de werking van onderaf moesten optuigen. Toch bestonden er al vergelijkbare evenementen, zoals “de jaarlijkse Museumdag, Europees georganiseerd op 18 mei. Toen viel die nog onder de vleugels van de Vlaamse Museumvereniging”, aldus Marina Laureys.8 “Daarnaast was er de Archievendag, die eveneens tot op de dag van vandaag bestaat. De eerste editie combineerde die twee, met de Archievendag op zaterdag en de Museumdag op zondag. Pas het jaar nadien was er sprake van een echt Erfgoedweekend. De evolutie van die twee

Het eerste Erfgoedweekend heeft met onder meer de spraakmakende ‘invasie van de kabouters’ van het Huis van Alijn echt de bakens verzet

aparte dagen naar één ‘Erfgoeddag’, met zowel musea, archieven als erfgoedverenigingen, vormde een logische stap.” Voor Lothar Casteleyn ligt de essentie van Erfgoeddag “in het bereiken van het publiek met erfgoed en, sterker nog, in het feit dat we de erfgoedsector zelf – de mensen dus – aan het werk kunnen zien.9 Het gaat over cultureel erfgoed, maar ook over erfgoed-werk. De erfgoedwerkers van musea, archieven, erfgoedbibliotheken en de erfgoedverenigingen ontmoetten elkaar als gelijkgestemden, praatten met elkaar én konden van elkaar leren. Dat is voor mij het grote verschil tussen Erfgoeddag en Open Monumentendag.” Zo voelde Vera het ook aan: “Het evenement maakte het voor de verschillende erfgoedcollega’s mogelijk om elkaars collectie en werking te leren kennen. Die waren regelmatig bien étonnés de se trouver ensemble”, lacht ze. “Mooi vond ik dat in de programmabrochure een

Erfgoeddag 2002 in Gent.
© Anja Hellebaut

grote speler als het KMSKA naast de Koninklijke Heemkring van Merksem stond. Het zorgde mee voor een shift op de ‘traditionele’ visie op erfgoed. De boodschap was ondubbelzinnig: niet enkel wat oud, duur en gecanoniseerd is kan je als erfgoed ernstig nemen.”

NAAR HET VOORBEELD VAN …

Het moest er in dit artikel van komen: in de vorige paragraaf werd de Open Monumentendag een eerste keer vernoemd. Dat is logisch, omdat Erfgoeddag naar de beproefde formule van dat evenement is gemodelleerd. Dat was eerst een Frans initiatief uit 1983, onder de naam ‘Journée portes ouvertes

dans les monuments historiques’, een van de vele ideeën uit de koker van de Franse cultuurminister Jack Lang. “Uiteindelijk is het concept kort daarna overgenomen door de Raad van Europa en werden overal in Europa Open Monumentendagen georganiseerd”, zegt Annemie Rossenbacker.10 “Die werd in het begin door de Koning Boudewijnstichting gecoördineerd en groeide heel snel uit tot een absolute publiekstrekker. En dat viel natuurlijk op. Er waren toen ook flinke budgetten om hem te organiseren en te promoten. Maar in tegenstelling tot wat vandaag de cultureel-erfgoedsector is, werd er destijds voor monumentenzorg een sterk en activerend beleid gevoerd. En er bestond al een

Christine De Weerdt
Marina Laureys
Wout De Vuyst
Lothar Casteleyn
Lieve De Saedeleer
Ode De Zutter
Hilde Cuyt © De Spil, foto: Stefaan Beel
Vera De Boeck © Frederik Beyens
Annemie Rossenbacker

sterk middenveld. Het cultureel erfgoed behoorde weliswaar tot het cultuurbeleid, maar je kon toen nog niet spreken over ‘een sector’. Ik werkte destijds bij de Koning Boudewijnstichting op de coördinatie van de Open Monumentendagen, maar werd in 2002 door Jan Cools, de directeur van het steunpunt Culturele Biografie Vlaanderen, gevraagd om mee het team te komen versterken, en dus ook de Erfgoeddag.11 Het team omschreef de Erfgoeddag altijd als ‘het kleine broertje van de Open Monumentendag’. Dat begreep ik ergens wel, maar tegelijk vond ik dat het gewoon een broertje was. Niet kleiner of groter (lacht). Wel heb ik de Erfgoeddag altijd als een beetje frivoler, kleurrijker want diverser en dus ook verrassender ervaren. Dat heeft natuurlijk veel te maken met het feit dat hij zo’n brede, en ook uitgesproken maatschappelijke scoop heeft. Je kan er schilderijen van Rubens of Ensor bekijken, maar ook een volkssport beoefenen of inzicht krijgen in hoe een meubel wordt gerestaureerd.”

SPANNINGEN EN HERSENBREKERS

Wie het voorgaande leest, zou kunnen denken dat het evenement als vanzelf groeide. Niets is minder waar. “Niet alle musea waren meteen enthousiast om samen met andere dan museale erfgoedorganisaties deel te nemen aan zo’n groots publieksevenement”, herinnert Vera De Boeck zich. “De aarzeling maakte duidelijk dat er een verschillende weging was van de verschillende vormen van erfgoed.” De oplossing was meervoudig: ten eerste brachten de erfgoedcellen – en later ook het ‘nationale’ coördinatieteam van Erfgoeddag – de verschillende kandidaat-deelnemers bijeen. Kennismaken was de eerste stap. “We zagen dat dat goed werkte op lokaal niveau”, aldus Lieve De Saedeleer.12 “En daarom organiseerden wij ook infosessies, met zowel inhoudelijke invalshoeken als de

presentatie van mogelijke werkvormen. Gaandeweg gingen we de sector begeleiden in het bedenken van activiteiten, presentatietechnieken en communicatie.” Door mensen bijeen te brengen, zo was het idee, konden ideeën ontstaan en samenwerkingen vorm krijgen. Du choc des idées jaillit la lumière, schreef de 17e-eeuwse Franse wiskundige Nicolas Boileau. Wout De Vuyst: “Die jaarlijkse themavergaderingen voor de deelnemers bleken voor sommigen echt wel ‘hersenbrekers’, terwijl anderen er direct creatief mee aan de slag gingen. Maar zij inspireerden dan weer anderen of er ontstonden spontane samenwerkingen. Er heerste best wel een collegiale sfeer.” Dat bevestigt ook Ode De Zutter13: “Erfgoeddag is altijd een zeer dankbaar vehikel geweest om mensen en inhoudelijke partnerorganisaties samen te brengen en te laten nadenken over bepaalde thema’s. Dankzij ons jeugdig enthousiasme kregen we snel mensen mee. Gelukkig hebben enorm veel erfgoedwerkers snel de voordelen van een deelname aan Erfgoeddag ingezien en haakten ze hun karretje aan een initiatief dat gaandeweg steeds groter werd. Via Erfgoeddag bereikte je meer publiek. Ook in die zin is Erfgoeddag een katalysator geweest.” Verschillende gesprekspartners geven aan dat de kracht van het evenement ook schuilt in de ruimte die iedereen krijgt om te experimenteren. Experimenteren met de vorm, zeer zeker, maar ook met de inhoud en de plek

Het zorgde mee voor een shift op de ‘traditionele’ visie op erfgoed. De boodschap was ondubbelzinnig: niet enkel wat oud, duur en gecanoniseerd is kan je als erfgoed ernstig nemen

waarop de activiteiten werden ontwikkeld of aan het publiek aangeboden. Niet onbelangrijk voor het draagvlak binnen de opbloeiende sector was de Stuurgroep Erfgoeddag, samengesteld uit verschillende vertegenwoordigers uit de deelsectoren en partners zoals Toerisme Vlaanderen, CultuurNet Vlaanderen (nu: publiq), de VVSG en ook de Vereniging van Vlaamse Provincies (VVP). “Zo werden noden van onderuit efficiënt gecapteerd, en kreeg iedereen de kans om mee de koers van het evenement te bepalen”, aldus Lieve De Saedeleer.

EN NU?

Erfgoeddag is en blijft een evenement van en voor mensen, en mikt zowel op de sector zelf als op het publiek. “Maar het is wel een verhaal waarin deelnemers veel inspanning en enorm veel energie steken”, aldus Ode De Zutter. Eenzelfde geluid horen we bij Hilde Cuyt en Christine De Weerdt. “De grootste winst ligt niet per se in het publiek dat je met zo’n evenement bereikt, maar in de partners waarmee je aan de slag gaat. En die ervoor kunnen zorgen dat je werking op een hoger niveau kan geschaald worden, dat je je netwerk structureel uitbreidt, dat je (nog) professioneler wordt, enzovoort”, meent Ode De Zutter. Hilde Cuyt vult aan: “Erfgoeddag was een ijsbreker voor nieuwe en duurzame samenwerkingen binnen de sector.”

Erfgoeddag was een ijsbreker voor nieuwe en duurzame samenwerkingen binnen de sector

Daarbij was de keuze voor thema’s van meet af aan belangrijk: om reliëf te geven aan de verschillende edities, maar ook, en vooral: om de deelnemers uit te dagen én om nieuwe partners te zoeken. Dat blijft belangrijk. Vera De Boeck besluit: “De maatschappij is sinds 2001 geëvolueerd. Je moet als evenement én als sector mee evolueren. De uitdaging ligt ook voor Erfgoeddag erin om te blijven streven naar representativiteit, opdat iedereen zich kan herkennen in het aanbod én kan helpen om de inhoud te bepalen. Ook na 25 jaar en evenveel edities blijft het belangrijk om het experiment te omarmen!” ■

» Bronnen en literatuur

1. Deze geschiedenis verdient op termijn zeker een diepgaander onderzoek: we hebben voor dit artikel bijvoorbeeld geen (oude) beleidsteksten doorgenomen of ander bronnenmateriaal uit die beginjaren. Ook moesten we een selectie maken uit een schier eindeloze lijst met kandidaat-respondenten, waarvan sommigen van de radar bleken verdwenen.

2. Hilde Cuyt werkte van 2001 tot 2011 voor de Vlaamse overheid, coördineerde tussen 2011 en 2022 de Erfgoedcel CO7 en is vandaag directeur van Cultuurhuis De Spil in Roeselare.

3. Zie M. Jacobs, B. Rzoska en G. Vercauteren, Synergie² 2010. Het cultureel-erfgoedconvenant als hedendaags beleidsinstrument, https://faro.be/sites/default/ files/bijlagen/e-documenten/synergie_2010.pdf

4. Vera De Boeck was van 2000 tot 2008 coördinator van de Erfgoedcel Antwerpen, waarna ze conservator-curator werd in het MAS, waar ze recent nog de expo Compassion cureerde.

5. Wout De Vuyst en Christine De Weerdt startten in 2000 in de Gentse erfgoedcel. Die werd later – net als het Stadsmuseum Gent – een onderdeel van het STAM. Vandaag werken ze daar, resp. als onderzoeker en directeur.

6. P. Gielen et.al., Kleine dramaturgie voor een artefactenstoet: omtrent ‘Gent cultuurstad’, Gent, 2000.

7. https://huisvanalijn.be/nl/collectie-item/tuinkabouters

8. Marina Laureys coördineerde gedurende de pioniersjaren de afdeling cultureel erfgoed in de Administratie Cultuur, Afdeling Beeldende Kunst en Musea. Die administratie is uitgegroeid tot het Departement Cultuur, Jeugd en Media van de Vlaamse overheid. Vandaag geniet ze van een welverdiend pensioen.

9. Lothar Casteleyn coördineerde de Erfgoedcel Brugge tussen 2007 en 2020. Begin jaren 2000 werkte hij voor Brugge 2002 en Musea Brugge, en was zo ook al betrokken bij Erfgoeddag. Vandaag is hij Stafmedewerker Cultuurbeleid bij Stad Brugge.

10. Annemie Rossenbacker werkte achtereenvolgens bij de Koning Boudewijnstichting, Erfgoed Vlaanderen, Culturele Biografie Vlaanderen en ook FARO. Sinds 2009 is ze consultant bij Levuur.

11. Uit de fusie van Culturele Biografie Vlaanderen met het Vlaams Centrum voor Volkscultuur ontstond op 1 januari 2008 FARO. Vlaams steunpunt voor cultureel erfgoed. In 2018 bracht dit tijdschrift een terugblik op 10 jaar FARO, zie https://faro.be/blogs/ faro/tien-jaar-faro-tien-jaar-erfgoedbeleid-welke-lessenen-realisaties-uit-tien-jaar

» Anne Milkers is adviseur musea en Roel Daenen is communicatiecoördinator bij FARO. De auteurs bedanken hun gesprekspartners voor deze leerrijke trip down memory lane.

12. Lieve De Saedeleer werkte tot 2009 bij FARO als sectorcoördinator van Erfgoeddag, waarna ze bij Erfgoedcel Kempens Karakter aan de slag ging. Nu is ze zelfstandige.

13. Ode De Zutter begon in 2005 als coördinator van de Erfgoedcel Waasland. In 2017 maakte ze de overstap naar de profitsector en vandaag is ze Senior Business Manager bij Hudson.

Erfgoeddag 2002 in Gent. © Anja Hellebaut

GETUIGENIS

ZICHTBAAR MAKEN WAT VANZELFSPREKEND LIJKT

'HAHA Humor' zal voor mij de 15e editie van Erfgoeddag zijn die ik als erfgoedwerker beleef. Een mooie aanleiding om even stil te staan bij de betekenis van onze erfgoedcelwerking voor het veld, en omgekeerd.

Leen Gos

Eerst een paar woorden uitleg over ECRU. Deze organisatie is gegroeid uit Erfgoedcel Mijn-Erfgoed, de erfgoedcel van de voormalige Limburgse Mijnstreek. De erfgoedcel is actief sinds 2007 en staat sinds 2022 bekend als ECRU Erfgoed. Rode draad in vele projecten die we ondersteunen is het mijnverleden dat de regio mee gevormd heeft tot wat ze vandaag is. Sinds 2008 is ECRU Erfgoed ononderbroken regionaal coördinator van Erfgoeddag. Dat houdt in dat we de verenigingen in het veld wijzen op de mogelijkheid om een activiteit te organiseren op Erfgoeddag. Zo moedigen we hen aan om het lokale erfgoed in de kijker te plaatsen.

zelfs huis aan huis bedeeld in de volledige regio op meer dan 100.000 exemplaren. In aanloop naar Erfgoeddag verkent de regiocoördinator van ECRU het veld, en toetst het gekozen thema af bij diverse verenigingen in de regio. Niet zelden slagen we erin om nieuwe verenigingen, vaak zonder erfgoedwerking als kerntaak, te motiveren om een fijne en verrassende activiteit uit te werken. Potentiële organisatoren worden al in het najaar uitgenodigd voor een inspiratiesessie op een locatie in onze regio met sprekers die een onverwacht licht werpen op het thema.

MEERWAARDE VOOR DE SECTOR

ECRU Erfgoed kiest ervoor om regionale communicatie te voeren waarin het programma van de dag uitgebreid toegelicht wordt. Bij heel wat van de achttien voorbije edities werd onze brochure

In dit stuk wil ik graag twee vragen beantwoorden. De eerste is: ‘Welke meerwaarde heeft ECRU voor de Erfgoeddagorganisatoren?’

Foto 1: Walter Langers (Langers Lanz-Bulldog Museum) en Ivo Smeets (De Nostalgie), beiden actief bezig met landbouwerfgoed, poseren op de Oldtimerbeurs in Genk met de Erfgoeddagbrochure. © ECRU

Foto 2: deelnemers van de inspiratiesessie in 2024 schieten na afloop nog een pijltje bij de schuttersvereniging. © ECRU

Foto 3: vormingssessie over het archiveren van het erfgoed van sportverenigingen voor het thema ‘Game On!’. © ECRU

Foto 4: op pad met de kinderen tijdens Erfgoeddag. Ze leren hoe ze een koe kunnen melken. © ECRU

Foto 5: voorbeeld van een socialemediapost over de huis-aanhuisbedeling van de brochure. © ECRU

Foto 6: reclame maken op de lokale radio voor Erfgoeddag. © ECRU

Portretfoto: Leen Gos © Mine Dalemans

ECRU Erfgoed zorgt ervoor dat het cultureel erfgoed van de regio in beeld komt. De grote meerwaarde voor de organisatoren is de zichtbaarheid die we regiobreed realiseren voor de Erfgoeddagactiviteiten. Zo brengen we een brochure uit met alle activiteiten van de regio, waardoor we bezoekers aanmoedigen om zeker niet alleen de activiteit in de eigen gemeente te bezoeken, maar ook het erfgoed van de buurgemeenten te ontdekken. Cultureel erfgoed is een lokaal gegeven, maar hoe mooi is het als een bezoeker of zelfs een toerist interesse toont in die lokale geschiedenis. Die zichtbaarheid realiseren we niet enkel door de papieren brochure, maar ook online, door het programma op onze website en in de UiTdatabank te laten verschijnen. In de beginjaren hadden we een overeenkomst met de regionale zender TVL, die iedere maandag Portie Erfgoed uitzond. De Limburgse erfgoedcellen mochten om de beurt een ‘erfgoedcoryfee’ aan het woord laten. In de periode rond Erfgoeddag was de keuze vaak legio, te veel aanbod om slechts één persoon naar voren te kunnen schuiven.

Tweede mooie surplus van de erfgoedcel voor de organisatoren is de waardering die ze van ons krijgen. We maken er elk jaar een punt van om elke activiteit op Erfgoeddag met voldoende aandacht te bezoeken. Elke collega wordt hiervoor ingeschakeld. Op die manier tonen we oprechte nieuwsgierigheid en waardering voor de inspanningen die de organisator doet om een mooi project uit te werken, vaak slechts voor een dag. Zo ervaren ze de nabijheid en aanspreekbaarheid van alle collega’s ten volle. Toegankelijkheid is er ook al in het voortraject. De ECRU-regiocoordinator staat vanaf het najaar voorafgaand aan Erfgoeddag al paraat om mee na te denken over activiteiten, te ondersteunen bij de formulering van de activiteit bij het inschrijven, of simpelweg als praktische IT-ondersteuner bij die actoren die zenuwachtig worden van webformulieren. Na Erfgoeddag brengen we alle organisatoren samen voor een welverdiend dankfeest. Zo krijgen ze

We maken er elk jaar een punt van om elke activiteit op Erfgoeddag met voldoende aandacht te bezoeken

onderling de kans om elkaar, over de gemeentegrenzen heen, beter te leren kennen en ervaringen uit te wisselen.

Ten slotte is de Erfgoedcel vaak de schakel tussen de verenigingen en de lokale politici, zeker tijdens de eerste jaren van een ambtstermijn. De schepenen van cultuur en erfgoed kennen niet alle verenigingen in hun gemeente even goed, en doen soms beroep op onze medewerkers om hen te introduceren bij de organisatoren van de activiteit en eerstelijnsinfo te geven over het erfgoed in de gemeente.

BETEKENIS VAN ERFGOEDDAG

En de tweede vraag die ik je beloofde: ‘Wat betekent Erfgoeddag voor het team van ECRU?’

Wij zien Erfgoeddag als de ultieme, jaarlijkse hoogmis van het cultureel erfgoed van de regio, een dag waar zo goed als het hele jaar aan gewerkt wordt. Het begint al bij de voorbereidingen: in het najaar van het jaar voorafgaand aan le moment suprême gaat het borrelen. Onze regiocoördinator gaat het veld in en plant de eerste zaadjes. Nieuwe actoren worden gesensibiliseerd. Vormingsnoden voor nieuwe doelgroepen worden ingewilligd. Zo organiseerden we vorig jaar in aanloop naar editie Game on! een vormingsreeks voor sport- en jeugdverenigingen die vaak voor het eerst met hun erfgoed aan de slag gingen. Na deze vorming volgden enkele projectsubsidieaanvragen van de deelnemende verenigingen, die de smaak van erfgoedwerking te pakken kregen. Van zodra iedereen mee op de kar zit, worden de inschrijvingen geregeld en de brochure vormgegeven. Wanneer de brochure van de drukpersen is gerold, zorgt het hele team dat ze op de strategische plekken in de regio belandt. Charlie and the Chocolate Factory gezien? Daar worden doosjes chocolade door koeriers over de hele wereld verspreid. Op kleinere schaal doen wij als ECRU-medewerkers hetzelfde met onze doosjes vol brochures.

Dan Erfgoeddag zelf. Heel het team is die dag betrokken en gaat op pad, zodat alle organisatoren minstens één medewerker van ECRU op bezoek krijgen. Vaak nemen we partner, vrienden of kinderen mee, die willens nillens meegezogen worden in het enthousiasme en de fierheid van de ECRU-collega’s. Heel wat kilometers worden er die dag gevreten, want de ECRU-regio is uitgestrekt. Boterhammetjes worden vaak in de auto opgegeten, want er is geen tijd te verliezen om het maximum uit de dag te halen. Elk jaar weer

Wij zien

Erfgoeddag als de ultieme, jaarlijkse hoogmis van het cultureel erfgoed van de regio waaraan zo goed als het hele jaar gewerkt wordt

word ik verrast door nieuwe plekken waar ik anders nooit zou komen en adembenemende uitzichten, maar nog meer door de warme gesprekken, die regelmatig aanleiding geven tot een nieuw project of samenwerking. Soms beklagen we het ons dat

we al iets gegeten hebben, want vaak staat er taart, koffie, baklava, thee of zelfs een boterham met kipkap en mosterd voor ons klaar (enkel voor de liefhebbers). Op het einde van de dag komt het team centraal samen, voor een afsluitend drankje en hapje, en worden de avonturen van de dag uitgewisseld.

Erfgoeddag is voor ons ook een manier om te experimenteren. Zo kende onze brochure over de jaren heen al verschillende formats, van een traditionele brochure tot een agenda (thema Stop de tijd!) of een fysieke kaart van de regio waar het aanbod mooi visueel samengebracht werd. Ook in onze brede communicatievormen durfden we al eens te experimenteren: zo hebben we onze radiostem al getest op Radio Internazionale, voornamelijk beluisterd door Italiaanse Limburgers of moch-

ten we Erfgoeddag toelichten op Radio LRL, bij Landbouwmuseum ‘De Nostalgie’ in Uikhoven (Maasmechelen). Of lieten we een fotowedstrijd los op de jongeren in de regio, in samenwerking met CJP (Cultureel Jongeren Paspoort, nu geïntegreerd in publiq). Ook herinner ik me nog levendig dat het team samen luchtballonnen knutselde voor elk van de organisatoren, om onze ballonvaartwedstrijd luister bij te zetten!

TROTS, GOESTING EN VERBINDING

Afsluitend kunnen we stellen dat ECRU en de organisatoren van Erfgoeddag niet zonder elkaar kunnen. Dankzij onze erfgoedcelwerking zit er toenemende dynamiek in de regio, maar zorgt Erfgoeddag ook voor trots, goesting en verbinding in ons eigen team.

Na vijftien edities blijft Erfgoeddag mij verbazen. Niet omdat alles elk jaar anders is, maar net omdat dezelfde ingrediënten – engagement, gastvrijheid en trots – telkens opnieuw een andere vorm aannemen. Die herhaling met variatie is misschien wel de essentie van erfgoedwerking zelf.

Erfgoeddag bevestigt voor mij waarom een erfgoedcel nodig is: als verbinder, versterker en soms gewoon als stille ondersteuner. Zolang er mensen zijn die hun erfgoed willen delen, blijft het onze opdracht om ruimte te maken, mee te denken en zichtbaar te maken wat vaak te vanzelfsprekend lijkt. ■

» Leen Gos is algemeen coördinator van ECRU.

© Wouter Mannaert

GETUIGENIS

VERWONDERING, VERBINDING EN VOORUITGANG

Tegen eind 2028, mijn verplichte pensioendatum, zullen er twintig edities op de teller staan. Wie twintig keer met volle overtuiging aan Erfgoeddag meebouwt, kijkt op een bepaald moment onvermijdelijk even in de achteruitkijkspiegel. Die drang voel ik nu sterker dan ooit. Twintig jaren vol verhalen, ontmoetingen, veranderingen en vooral evoluties waar we als sector bijzonder trots op mogen zijn. Wat ooit begon als een eerder bescheiden initiatief, groeide uit tot een breed gedragen, dynamisch en toekomstgericht cultureel-erfgoedevenement dat iedereen bereikt – van nieuwsgierige gezinnen tot doorwinterde erfgoedliefhebbers, van leerlingen tot zorgorganisaties. En geloof me: er is in die tijd ontzettend veel veranderd. Ten goede.

Het eerste wat opvalt als je die twintig jaar overspant, is hoe de communicatie rond Erfgoeddag transformeerde. De campagnebeelden zijn daarvan een schoolvoorbeeld: wat ooit klassiek en voorspelbaar was, is vandaag fris, modern en herkenbaar voor een divers publiek. Smaken verschillen, dat spreekt voor zich, maar de duidelijke stap richting hedendaagse vormgeving heeft Erfgoeddag zichtbaar dichter bij de dagelijkse leefwereld gebracht.

met oproepen en aankondigingen, zien we vandaag een levendig ecosysteem van beelden, reels, korte filmpjes, memes en creatieve participatie. Niet alleen top-down, maar net zo goed bottom-up. Organisatoren, bezoekers, scholen … iedereen draagt bij, deelt, reageert en vult het digitale verhaal van Erfgoeddag mee aan.

Een andere grote stap vooruit was de introductie van een eigen webshop. Gepersonaliseerde promomaterialen, gadgets die inspelen op het

Daarbovenop kwam de explosieve groei van sociale media. Waar we vroeger vooral werkten

Hugo Verhenne © Erfgoedcel Midwest
Boven: © Erfgoedcel Midwest
Midden: Hugo als samenlezer in een OKAN-klas tijdens de Erfgoedweken. © Erfgoedcel Midwest
Onder: Erfgoedweken 2023 in Eperon d’Or © Erfgoedcel Midwest
Boven: minister Melissa Depraetere op de wielerpiste Defraeye-Sercu in Rumbeke tijdens Erfgoeddag 2025 © Diethard Vlaeminck, KOERS
Onder: © Erfgoedcel Midwest

jaarthema, materialen voor scholen en organisaties – het maakt het voor iedereen makkelijker om herkenbaar, stijlvol en professioneel uit de hoek te komen. Sinds enkele jaren is dat een vaste waarde geworden.

En alsof dat nog niet genoeg was, gaf FARO met het Erfgoeddagthema in 2022 Erfgoeddag maakt school! het startschot voor een meer structurele samenwerking met het onderwijs. De Erfgoedweken − met de Klasbakformule en de viprondleidingen − zorgen er vandaag voor dat duizenden kinderen en jongeren op een actieve, speelse en leerrijke manier kennismaken met erfgoed. Het zijn die jonge gezichten die de toekomst van het veld verzekeren.

ACTIVITEITEN IN BEWEGING: VAN KIJKEN NAAR BELEVEN

Niet alleen de communicatie evolueerde sterk, ook de activiteiten zelf ondergingen een indrukwekkende metamorfose. In de beginjaren speelde de erfgoedcel een haast onmisbare rol in het aanreiken van frisse ideeën. Gaandeweg nam FARO dat stokje steeds meer over. Met de TOEL, inspirerende blogs, online infomomenten en praktijkgerichte workshops en opleidingen ondersteunt FARO vandaag zowel grotere spelers als kleine vrijwilligersverenigingen op een heel toegankelijke manier.

Het aanbod van activiteiten is intussen al lang niet meer beperkt tot klassieke expo’s en gegidste rondleidingen. Erfgoeddag staat nu synoniem voor een waaier aan formats: wandelingen, fietstochten, verteltheater, workshops, zoektochten, artistieke vertalingen, sing-alongs en zoveel meer. Tegelijk is er een natuurlijke verschuiving ontstaan van louter fysieke naar hybride en digitale vormen. De ErfgoedApp, VR-toepassingen, AI-experimenten … Ze verruimen de mogelijk-

© Erfgoedcel Midwest

heden én trekken een publiek aan dat we vijfentwintig jaar geleden nauwelijks bereikten.

Ook op het vlak van samenwerking is het landschap grondig veranderd. Waar vroeger elke organisatie vooral op haar eigen eiland werkte, is erfgoed vandaag een sector die actief bruggen slaat: naar kunsteninstellingen, welzijnsorganisaties, scholen, jeugdbewegingen, sportverenigingen, bedrijven … Erfgoed is geen geïsoleerd gegeven meer, maar een verbindende factor die letterlijk en figuurlijk deuren opent.

Erfgoed is geen geïsoleerd gegeven meer, maar een verbindende factor die letterlijk en figuurlijk deuren opent

Die samenwerking draagt bij aan iets wat misschien wel de belangrijkste evolutie is: de beleving. Waar Erfgoeddag lang in de eerste plaats informatief was op een passieve manier, is hij nu interactief, participatief en laagdrempelig. Dat vertaalt zich meteen in het publiek: naast de vertrouwde 45-plussers zien we steeds meer jongeren, gezinnen en scholen opduiken. De uitdaging blijft echter om nog meer mensen te bereiken die drempels ervaren – nieuwkomers, mensen in armoede, personen met een beperking, alleenstaanden – maar de wil en inspiratie zijn er zonder twijfel.

Hebben dieren gevoelens? Zijn ze slim? – werden op een heel goede manier gebracht. De leerlingen hebben heel wat bijgeleerd en ik heb de indruk dat het ook echt is blijven hangen. Ik zou dit zeker opnieuw doen volgend jaar.”

METEN IS WETEN: VAN AANVOELEN NAAR ANALYSEREN

Ook op het vlak van evaluatie werd een grote sprong gemaakt. Waar erfgoedcellen vroeger vaak zelf naar manieren zochten om impact te meten, heeft FARO intussen een gestroomlijnde, professionele aanpak ontwikkeld. Online bevragingen bij zowel bezoekers als organisatoren leveren heldere inzichten op, waarmee we activiteiten kunnen bijsturen en vernieuwen. Dat maakt Erfgoeddag niet alleen inhoudelijk sterker, maar ook strategisch toekomstgericht.

WAT ZEGGEN ORGANISATOREN EN BEZOEKERS?

De impact van deze evoluties blijkt misschien nog het sterkst uit de reacties die we jaar na jaar ontvangen. Ze zijn hartverwarmend, eerlijk, en bovenal een bevestiging dat Erfgoeddag meer is dan een evenement – het is een ervaring die bijblijft.

Wat begon als een uitdaging is nu een jaarlijkse traditie die bruist van creativiteit, veerkracht en inclusie

Zo getuigde Griet Creytens uit Wingene in 2022 tijdens het thema Erfgoeddag maakt school!: “Het was een hele fijne dag. Onze lesgevers van het erfgoedklasje hebben dat super gedaan en de tentoonstelling werd gesmaakt. We zijn tevreden! Deze week ontvangen we nog 14 klasjes (goed voor een kleine 300 leerlingen en leerkrachten).” Een jaar later, met het thema Beestig!, vertelde een leerkracht uit Rumbeke enthousiast: “De thema’s die aan bod kwamen –

Het zijn die spontane reacties die laten zien hoe Erfgoeddag groeit en leeft. Hoe kinderen iets ontdekken dat hen verwondert. Hoe organisatoren fier kunnen zijn op wat ze realiseren. Hoe bezoekers zich verbonden voelen met hun omgeving, hun geschiedenis en met elkaar.

VIJFENTWINTIG JAAR LATER: TROTS VOORUITKIJKEN! Terugblikken betekent nooit stilstaan. Het betekent bewonderen hoe ver we gekomen zijn, om met nog meer energie vooruit te gaan. Erfgoeddag is in 25 jaar tijd uitgegroeid tot een stevig merk, gedragen door honderden organisaties en tienduizenden bezoekers. De achteruitkijkspiegel toont verandering, maar ook constante waarden: passie voor erfgoed, geloof in samenwerking, en de wil om verhalen levend te houden. Wat begon als een uitdaging is nu een jaarlijkse traditie die bruist van creativiteit, veerkracht en inclusie.

En het mooiste van alles? Elke editie is opnieuw het begin van een nieuw verhaal. ■

» Hugo Verhenne is erfgoedconsulent publiekswerking bij Erfgoedcel Midwest.

© Zaza

illustratie : lobkerondelez.be

ERFGOEDDAG IN CIJFERS

Illustratie © Lobke Rondelez. De illustratie zet mensen in beeld die normaal achter de schermen werken. We zien vaak enkel het object, en niet de vele handen die het mogelijk maken.

25 jaar

Over Erfgoeddag zijn er héél veel cijfers. Niet verwonderlijk, gezien de ‘leeftijd’ van het evenement. Van meet af aan hebben de coördinatieteams meticuleus allerlei cijfermateriaal bijgehouden. Het aantal deelnemende organisaties en lokale coördinatoren, het aantal bezoekers – een fetisj voor de media, zo bleek algauw –, de oplages van de nationale brochure (en de lokale brochures), de impact van de sociale media, televisie- en radiospots, de tevredenheid van de bezoekers, enzovoort. We beperken ons hier tot de voornaamste.

SPREIDING

3 OP 5

GEMEENTES

Op het hoogtepunt vond er in 202 Vlaamse en Brusselse gemeentes een activiteit van Erfgoeddag plaats.

Dat is in 66,4 % van de gemeentes.

BEZOEKERS ACTIVITEITEN DEELNEMENDE ORGANISATIES

200.000 500 TOT 900 233 TOT 618

Gemiddeld nemen jaarlijks 200.000 bezoekers deel aan een activiteit.

Van 500 activiteiten in de beginjaren tot 900 activiteiten in 2025.

Van 233 bij de start tot 618 deelnemende organisaties in 2025.

“De ‘routinier’ die je vertrouwen geeft”
De werkplek van: Vladimir Ivaneanu & Soetkin Everaert, houtsnedekunstenaars.

faro neemt je mee naar inspirerende werkplekken. In de ateliers van Vladimir Ivaneanu en Soetkin Everaert ontmoeten grafiek en beeldhouwkunst elkaar. Hun gedeelde passie is de Japanse houtsnede of Mokuhanga. In het kader van een meester–leerlingtraject trokken ze in 2024 naar Japan, om hun kennis en kunde verder aan te scherpen.

1

Vladimir raakte geïntrigeerd door de precisie van deze techniek en de zachtheid van de kleuren. Maar ook “door het ecologische en duurzame karakter van deze grafische kunst. Pigment en materialen zijn niet toxisch. Dat maakt deze in de 17e eeuw op punt gestelde techniek vandaag in mijn ogen extra relevant, en dat heeft ook Soetkin overhaald, denk ik.”

2

“Om Japanse prenten te maken,” vervolgt Soetkin, “heb je geen grote installatie of drukpersen nodig, alleen specifieke gereedschappen van goede kwaliteit.” Vladimir: “Zo trokken we voor onze borstels naar Izegem. Nu is daar nog één atelier dat borstels op de traditioneel-ambachtelijke manier maakt. Jammer genoeg is Museum Eperon d’Or daar nu gesloten. Een verarming.”

3

“Een meerwaarde is ook de kleinschaligheid van de Japanse houtsnedetechniek. Je hebt geen groot atelier nodig”, zegt Soetkin. “Vladimir en ik hebben geen gemeenschappelijk Mokuhanga-atelier. Wel hebben we ooit voor het project Focus Vakmanschap van Bokrijk een ‘fiets’ ontwikkeld waarmee we een prent van a tot z op locatie kunnen realiseren. Het grote voordeel is dat we demonstraties kunnen geven op verschillende plekken in Vlaanderen. Een mobiel atelier dus.”

4

“Een van onze memorabele momenten was de Museumnacht 2022 in het Art & History Museum (de KMKG) in Brussel. Het museum nodigde ons uit om een demonstratie te geven, toen er de tentoonstelling Shin hanga liep over moderne Japanse houtsneden. Ons oorspronkelijke idee van het meester-leerlingtraject was om elk individueel Japanse prenten te maken en elkaar daarover input te geven. Maar voor die demonstratie kwamen we op het idee om samen aan één prent te werken. Dat werd uiteindelijk ons visitekaartje”, aldus Vladimir. “Het feit dat Vladimir me toen vertrouwen gaf om samen aan één prent te werken was voor mij gewoon top!”, besluit Soetkin. ■

https://mokuhangamagic.be

KIEZEN, VERBINDEN EN VOORUITKIJKEN

“Erfgoeddag kan veel zijn, maar niet alles tegelijk”

Vijfentwintig jaar Erfgoeddag: een moment om te vieren, maar tegelijk ook een uitnodiging om te vertragen. Niet alleen om terug te blikken, maar ook om opnieuw scherp te stellen wat Erfgoeddag vandaag is en kan zijn. In een samenleving die voortdurend verandert, rijst de vraag hoe Erfgoeddag relevant blijft voor organisaties, partners en publiek.

Ellen Demuynck, Liesbeth Van Nerom en Seppe Van Pottelbergh

Erfgoeddag is uitgegroeid tot veel meer dan een publieksmoment. Het is een scharnier waarop organisaties keuzes maken, samenwerkingen verdiepen en vooruitkijken. Seppe Van Pottelbergh (Erfgoeddagcoördinator bij FARO) gaat in gesprek met Ellen Demuynck (Erfgoedcel Leuven) en Liesbeth Van Nerom (Erfgoedcel Mechelen), beiden actief binnen de Werkgroep Erfgoeddag, de motor van het evenement. Hun gesprek gaat niet over snelle oplossingen of kant-en-klare antwoorden, maar over durven kiezen, impact benoemen en het belang van blijven zoeken, samen met partners uit heel uiteenlopende contexten.

VAN ÉÉN DAG NAAR EEN TRAJECT

Erfgoeddag wordt geassocieerd met die ene zondag in april, maar in de praktijk is het al langer veel meer dan dat. Die verschuiving is niet plots gebeurd, maar is het resultaat van een geleidelijk proces waarin organisaties Erfgoeddag steeds vaker inschrijven in een ruimer traject. Liesbeth ziet een duidelijke evolutie: doordat de thema’s voor meerdere jaren vastliggen, kunnen organisaties beter vooruitplannen dan vroeger. Dat creëert ruimte

om ideeën te laten groeien, partners te betrekken en niet alles op één moment te moeten realiseren.

Voor sommige organisaties blijft Erfgoeddag het eindpunt van een langer traject: het is het moment waarop resultaten voor het publiek zichtbaar worden. Voor andere is het net een startschot, een eerste publieke stap die een nieuw project of proces in gang zet. En voor nog andere fungeert Erfgoeddag als ankerpunt binnen een breder jaarprogramma. Die flexibiliteit is geen ‘probleem’ dat opgelost moet worden, maar een troef die toelaat om Erfgoeddag te laten aansluiten bij zeer verschillende ambities en contexten.

Erfgoeddag is een scharnier waarop organisaties keuzes maken, samenwerkingen verdiepen en vooruitkijken

2025 'Game On!'

Die trajectmatige benadering draagt ook bij aan duurzaamheid. Wat ontwikkeld wordt voor Erfgoeddag hoeft niet te verdwijnen na de dag zelf. Liesbeth verwijst naar het Instituut voor Kunst en Ambacht in Mechelen, dat al jaren deelneemt. Docenten en studenten van alle afdelingen –glasblazen, fotografie, juweelontwerp, keramiek en beeldvorming – nemen het thema vooraf mee in hun planning en werken toe naar Erfgoeddag als toonmoment. Geen los evenement dus, maar een logisch onderdeel van het leer- en werkproces.

Ook wandelingen, routes, expo’s, podcasts en digitale verhalen kunnen voortleven, hernomen worden of een vervolg krijgen. De ErfgoedApp speelt daarin een belangrijke rol door verhalen en routes te bundelen en toegankelijk te houden. Zo krijgt Erfgoeddag een langere adem. Erfgoedcellen en FARO ondersteunen partners ook met advies, bijvoorbeeld over hoe ingezet wordt op het ontwerp en de inhoud van expopanelen om ze ook na Erfgoeddag duurzaam in te zetten.

KIEZEN IS VERSTERKEN

Die groei aan mogelijkheden maakt één zaak duidelijk: Erfgoeddag kan veel zijn, maar niet alles tegelijk. Ellen Demuynck benadrukt dat kiezen geen beperking is, maar net een manier om te versterken. Wil je vooral zichtbaar zijn? Mik je op een nieuwe doelgroep? Zet je in op samenwerking, of wil je vooral experimenteren en leren?

Door zulke vragen expliciet te stellen, worden ambities haalbaar en trajecten scherper.

Keuzes bepalen ook de aanpak. Wie inzet op bereik, kiest andere formats dan wie wil vernieuwen of verdiepen. Wie nieuwe doelgroepen wil aanspreken, werkt beter samen met partners die hun leefwereld kennen. Wie wil experimenteren, kan Erfgoeddag gebruiken als een testomgeving, waar leren belangrijker is dan bezoekersaantallen. Elke keuze stuurt werkvormen, partners en timing, en maakt het mogelijk om achteraf ook gerichter te reflecteren.

Die reflectie sluit nauw aan bij de manier waarop binnen de Werkgroep Erfgoeddag over impact wordt nagedacht. Ellen benadrukt dat impact

Erfgoeddag
© Erfgoedcel Leuven, Foto: Doordries

geen abstract of zwaar begrip is: het gaat er vooral om vooraf helder te krijgen wat je wil bereiken, zodat je achteraf ook kan benoemen wat het effect was. Vanuit die gedachte werd het voorbije jaar gewerkt met acht impactvragen die organisaties helpen om hun doelstellingen scherp te stellen.

De impactvragen zijn bewust concreet geformuleerd. Gaat het om:

• experimenteren met een nieuwe vorm van erfgoedontsluiting?

• een nieuwe (thematische) samenwerking opzetten met een niet-erfgoedorganisatie?

• zoveel mogelijk mensen ontvangen op Erfgoeddag?

• een bepaalde collectie of de eigen organisatie zo zichtbaar mogelijk maken bij een breed publiek?

• een nieuwe doelgroep bereiken?

• het resultaat van een langer project of proces tonen?

• een nieuw project of proces laten starten op Erfgoeddag? de dienstverlening van de organisatie beter bekendmaken?

Door deze vragen vooraf te stellen wordt impact iets waarover organisaties bewust nadenken, in plaats van iets wat pas achteraf ter sprake komt. Impact hoeft daarbij niet groots of meetbaar in cijfers te zijn. Ook lokale en kleinschalige effecten zijn waardevol, zeker wanneer ze benoemd en gedeeld worden. Wat wilde je bereiken? Is dat gelukt? Wat neem je mee naar een volgende editie? Die vragen maken deel uit van een lerende praktijk, waarin evaluatie geen verplicht nummer is, maar een bron van inzicht. Samen met de erfgoedcellen en de Werkgroep Erfgoeddag wordt hierop de komende jaren voortgebouwd.

Wil je vooral zichtbaar zijn? Mik je op een nieuwe doelgroep? Zet je in op samenwerking, of wil je vooral experimenteren en leren?

Erfgoedcel Leuven werkt al jaren bewust met focuspunten om impactgericht te werken. In 2015 en 2016 werd, met ondersteuning van expert Mooss, expliciet ingezet op een gezinsaanbod voor jonge gezinnen. In 2018 volgde een editie die voluit mikte op bredere zichtbaarheid, met een centraal festivalhart op het Ladeuzeplein, waar optredens, infopunten en kleine erfgoedvitrines samenkwamen. In 2019 lag de focus op jongeren, in samenwerking met de jeugddienst en het jongerenlabel MIJNLEUVEN, waarbij jongeren actief betrokken werden in programmatie, uitwerking en communicatie, met onder meer een ‘voor en door jongeren’-luik in het Leuvense stadhuis. Erfgoeddag maakt school! (2022) zorgde vervolgens voor duurzame verbindingen met de dienst onderwijs, het netwerk SOM, Leuvense scholen en geëngageerde leerkrachten, relaties die vandaag nog doorwerken. Een bijzonder moment was de editie Thuis (2024), waar via nieuwe partnerschappen met onder meer de Afdeling diversiteit en gelijke kansen diverse perspectieven, verhalen en tradities zichtbaar werden. Die mensgerichte aanpak, met ruimte voor

Erfgoeddag 2007 ‘Niet te schatten’ in Brugge. © Erfgoedcel Brugge
Erfgoedweekend 2022 in Gent. © Anja Hellebaut

ontmoeting, persoonlijke verhalen en nieuwe verbindingen, toont hoe impactdenken kan leiden tot duurzame relaties, nieuwe methodieken en blijvende samenwerking over sectoren heen.

PRAKTIJK ALS LEEROMGEVING

Leren gebeurt niet alleen via reflectie, maar ook in de praktijk. In Brugge werd de voorbije jaren gewerkt rond toegankelijkheid als leerproces. Erfgoedcel Brugge gebruikte daarbij de Unlimited Cards for Inclusion om partners met elkaar in gesprek te brengen over drempels.1 Door drempels te selecteren en te bespreken, ontstonden

gesprekken en werden ervaringen uitgewisseld tussen organisaties.

Die oefening bouwde voort op eerdere trajecten met toegankelijkheidsfiches. Die waren inhoudelijk rijk, maar vroegen ook tijd en inzet. Uit de Brugse ervaring bleek dat iconen alleen vaak onvoldoende zijn en dat tekst noodzakelijk blijft om nuance aan te brengen. De combinatie van spel, gesprek en reflectie maakte toegankelijkheid bespreekbaar zonder het te reduceren tot een checklist. Partners worden uitgenodigd om zelf te testen wat werkt. Diversiteit en inclusie

© Steve
Michiels

blijven daarbij expliciete aandachtspunten, niet als afzonderlijk thema maar als onderdeel van het leerproces.

VERBINDEN MET DE SAMENLEVING

Erfgoeddag speelt ook een belangrijke rol in het versterken van verbindingen en koppelkansen, stelt Liesbeth. Niet alleen binnen de erfgoedsector, maar ook daarbuiten. Samenwerkingen met scholen, jeugdwerkingen, lokale verenigingen, buurtinitiatieven of welzijnspartners brengen andere perspectieven binnen en helpen organisaties om beter aan te sluiten bij hun lokale context.

Door erfgoed- en niet-erfgoedpartners inhoudelijk en thematisch met elkaar te verbinden en structureel overleg te organiseren, kunnen duurzame samenwerkingen ontstaan. Partners blijven elkaar contacteren en samenwerken rond toekomstige edities. Voorbeelden daarvan zijn te zien in meerdere regio’s, waar scholen, verenigingen en erfgoedpartners elkaar blijven vinden over verschillende edities heen. Dat zorgt voor een sterker en kwalitatiever aanbod, maar ook voor trajecten waarin leerlingen en studenten het hele jaar door meedenken en -werken, ervaringen uitwisselen en kennis over erfgoed delen.

Daarnaast ontstaan ook verbindingen met andere publieksmomenten, zoals Open Monumentendag, lokale feesten en jubilea. Door die momenten op elkaar af te stemmen, groeit een netwerk van activiteiten dat het hele jaar door doorwerkt. Erfgoeddag blijft daarin een herkenbaar moment, maar staat niet op zichzelf. Die verwevenheid versterkt het bereik en verrijkt de verhalen die verteld worden. De erfgoedcellen en FARO zetten daarbij niet enkel in op meer activiteiten, maar op betere keuzes: welk thema en welk moment dienen een organisatie het best? Zo vermijd je overaanbod en concurrentie, en krijgen formats de kans om verder te leven en zich te ontwikkelen.

JONGEREN ALS ONMISBAAR PERSPECTIEF

Een perspectief dat steeds meer aandacht krijgt is dat van jongeren. Hun blik helpt om erfgoed als iets van hier en nu te blijven zien. Door te werken rond hedendaagse thema’s kan interesse worden aangewakkerd en kunnen drempels worden verlaagd. Erfgoed wordt zo iets wat je beleeft en proeft, niet iets dat op afstand blijft – en dat is niet alleen voor jongeren belangrijk.

Een thema als HAHA Humor fungeert daarbij als haak. Het prikkelt nieuwsgierigheid, nodigt uit om te ontdekken en helpt om de smaak te pakken te krijgen. Jongeren betrekken vraagt vertrouwen. Wanneer ze vroeg betrokken worden, groeit hun eigenaarschap. Ze denken mee, verzorgen de

TOEL is geen strakke methodiek, maar een

uitnodiging om samen te onderzoeken, te testen en ervaringen te delen. Het ondersteunt organisaties bij het maken van keuzes, het opzetten van experimenten en het samen leren uit wat werkt en wat niet

communicatie, treden op als reporter, host of gids en ontwikkelen eigen formats. Dat verrijkt niet alleen de werking, maar ook het inzicht in wat hen motiveert.

Voor veel erfgoedpartners speelt ook de vraag hoe ze nieuwe, jongere leden kunnen aantrekken. Door met jongeren na te denken over hoe aanbod gebracht wordt op Erfgoeddag, kunnen nieuwe vormen en invalshoeken ontstaan. Scholen functioneren daarbij vaak als eerste testomgeving. Jongeren kijken anders naar het verenigingsleven en naar participatie dan vroeger, en openen mee het debat hoe er gewerkt kan worden met erfgoed.

Om keuzes, vragen en experimenten te ondersteunen, ontwikkelde de Werkgroep Erfgoeddag de voorbije jaren een gedeeld denkkader: TOEL.2 Seppe omschrijft het als een inspiratieset die het gesprek op gang brengt en helpt bij het brainstormen, structureren en organiseren van erfgoedactiviteiten. Dat kan gaan om een jubileum, een Erfgoeddagactiviteit of eender welk erfgoedevent.

Binnen TOEL krijgen volgend jaar de acht hogervermelde impactvragen een plek, net als de komende thema’s en de uitdagingen die met organisaties en partners op tafel worden gelegd, zoals toegankelijkheid. Door die elementen samen te brengen worden ze bespreekbaar gemaakt en gedeeld, ook buiten Erfgoeddag. TOEL is geen vast model of strakke methodiek, maar een uitnodiging om samen te onderzoeken, te testen en ervaringen te delen. Het ondersteunt organisaties bij het maken van keuzes, het opzetten van experimenten en het samen leren uit wat werkt en wat niet.

WERKEN IN VEELSTEMMIGHEID

Als coördinator van Erfgoeddag is Seppe bijzonder blij met de participatieve vorm van de Werkgroep. Tegelijk is hij zich bewust van de complexiteit ervan. Er zijn veel stemmen, elk met een eigen logica, historiek en werking. Grote stedelijke spelers zitten samen met kleine landelijke organisaties. Musea, archieven en erfgoedbibliotheken brengen elk hun eigen prioriteiten en middelen mee. Ook vrijwilligerswerking, personeelsinzet en lokale context verschillen. En toch komt de Werkgroep telkens opnieuw tot een plan. Soms is dat een compromis, maar steeds vaker ook een bewuste keuze. Niet te braaf, niet afgezwakt. Durven kiezen blijft noodzakelijk, net omdat de uitdagingen steeds weer op ons afkomen. Die mogen benoemd worden, besproken en vervolgens vastgepakt.

ERFGOEDDAG ALS OEFENRUIMTE

Na 25 jaar is Erfgoeddag uitgegroeid tot een van de grootste, gezamenlijke projecten in de cultureel-erfgoedsector. Elk jaar zetten honderden organisaties, medewerkers en vrijwilligers zich met creativiteit en passie in. Erfgoeddag is geen antwoord op alles. Het is een oefenruimte. Een plek waar we testen, delen, bijsturen en verder

De uitdaging voor de toekomst ligt niet in groter worden, maar in scherper worden

bouwen. Waar impact niet alleen gemeten wordt, maar ook besproken. Waar erfgoed niet vastligt, maar voortdurend in relatie staat tot de samenleving.

De uitdaging voor de toekomst ligt niet in groter worden, maar in scherper worden. Door bewust te kiezen, gericht samen te werken en het momentum van Erfgoeddag in te zetten op lange termijn blijft Erfgoeddag groeien. Niet alleen als publieksmoment, maar als gedeeld traject dat het hele jaar door doorwerkt en impact heeft. ■

» Ellen Demuynck werkt bij Erfgoedcel Leuven en Liesbeth Van Nerom bij Erfgoedcel Mechelen. Seppe Van Pottelbergh is communicatiemanager van Erfgoeddag en de ErfgoedApp.

» Bronnen en literatuur

1. https://weareunlimited.org.uk/resource/cards-for-inclusion

2. https://faro.be/erfgoeddag/toel

Boven: Erfgoeddag 2009 ‘Uit Vriendschap’ in Brugge. © Erfgoedcel Brugge Onder: Erfgoeddag 2008 ‘Wordt Verwacht’ in Brugge. © Erfgoedcel Brugge
Boven: inspiratiedag voor Erfgoeddag 2024 met FMDO. © Femke den Hollander Onder: Erfgoeddag 2008 ‘Wordt Verwacht’ in Brugge. © Erfgoedcel Brugge

ERFGOEDDAG GEËVALUEERD

EVALUEREN, EVALUEREN …

EN WE ZIJN ZO BLIJ

Want er zijn geen slechte edities bij … (zing vooral mee met een bekend Sinterklaasliedje). De evaluaties van Erfgoeddag door de jaren heen tonen in elk geval geen ‘slechte’ edities. Toch hebben we wel wat evaluatiemateriaal om op terug te vallen: van jaarlijkse bevragingen tot een gebruikersonderzoek in 2007 en een conceptevaluatie naar aanleiding van 20 jaar Erfgoeddag. Zijn we dan wel kritisch genoeg? Of evalueren we te weinig?

Saidja Steenhuyzen

Laten we even teruggaan naar de basis. Waarom evalueren we Erfgoeddag? Want inderdaad, doorgaans spreken we niet over een ‘slechte’ of ‘goede’ editie. Wat we wél willen, is diepgaandere onderzoeksvragen formuleren en impact meten. We evalueren:

• om de tevredenheid van bezoekers, (erfgoed) organisaties en coördinatoren na te gaan;

• om de deelnemers beter te leren kennen;

• om de knelpunten te detecteren en aan te pakken;

• om de succesformules te identificeren en te behouden.

Maar misschien is de vraag eerder: waarom zoveel evalueren? Toegegeven, ook wij stellen ons soms die vraag. En maar goed ook. We doen dit namelijk niet blindelings, niet omdat ‘het moet’. Net als andere aspecten van een werking is ook evaluatie onderhevig aan veranderingen, updates

en nieuwe inzichten. Wat is en blijft haalbaar? Wat is nuttig? Waar zitten nieuwe aandachtspunten? Hoe kunnen we evolueren?

VASTE WAARDEN

Maar dat doen we met voldoende aandacht voor vergelijkbaarheid over de jaren heen, met enkele vaste waarden. Enkel zo kunnen we trends meten en op lange termijn conclusies trekken. Zo laten we steeds onze drie belangrijkste ‘klanten’ aan het woord: bezoekers, organisatoren en lokale en regionale coördinatoren.

De bezoekers

We meten standaard hun tevredenheid aan de hand van een score op 10, aangevuld met enkele open vragen (‘Wat vond je goed?’, ‘Wat kon beter?’). Daarnaast bevragen we hoe ze Erfgoeddag hebben leren kennen, hoeveel activiteiten ze bezochten, in welke leeftijdsgroepen ze thuishoren

Erfgoeddag 2025

en of ze bij een volgende editie opnieuw willen deelnemen.

De organisatoren

Ook hier peilen we naar de tevredenheid (op dezelfde manier, met score en open vragen) over Erfgoeddag zelf. Maar we meten ook hoe tevreden ze zijn over de ondersteuning door de regionale coördinatoren en FARO. Daarin zit steeds ook de beoordeling van het beschikbare promotiemateriaal en de gebruiksvriendelijkheid van de registratiewebsite. En of ze opnieuw willen deelnemen aan een volgende editie.

De coördinatoren

Vroeger werden de lokale en regionale coördinatoren bevraagd via een vragenlijst. Sinds 2025 pakken we het anders aan, en bevragen we hen via een werkgroep – mondeling overleg dus.

Maar de inhoud blijft consistent: algemene tevredenheid, tevredenheid over de ondersteuning van FARO en het registratieproces.

BEZOEKERS BEVRAGEN

Wat proberen we dan zoal te optimaliseren in de bevragingen? Een van de drempels waar we al jaren op botsen is het bevragen van de Erfgoeddag-bezoekers. En dan vooral de vraag hoe we de vragenlijst tot bij die bezoeker krijgen. Elk jaar is het zoeken naar extra incentives: van communicatie aan de hand van QR-codes ter plaatse en op sociale media, het verspreiden van de bevraging door erfgoedcellen tot het verzamelen van een grote prijzenpot om te verdelen onder de invullers. Om te kijken hoe anderen het aanpakken, legden we ons oor te luisteren bij andere events in de cultuursector, zoals Schatten van Vlieg, Open Monumentendag, Krokuskriebels en Jeugdboekenmaand. Spoiler alert: ook zij hebben te maken met dezelfde uitdagingen, zoals

© Erfgoedcel Leuven, Foto: Doordries

een dalende respons en (een) moeilijk bereikbare doelgroep(en).

Al sinds jaar en dag houden we de bezoekerscijfers nauwgezet bij. Vroeger gebeurde dat via een FARO-callcenter op Erfgoeddag, vandaag via een online registratiesysteem voor organisatoren. Eén constante: hét bezoekersaantal voor Erfgoeddag wordt steeds gemonitord. Maar zoals het publieksonderzoek uit 20071 aangeeft: dat blijft een abstracte maateenheid en beperkt zich tot een pure kwantitatieve benadering. Aan de hand van het diepgaandere onderzoek in 2007 en een jaarlijks terugkerende bevraging van (een selectie van) de bezoekers proberen we een breder beeld te schetsen.2

De Erfgoeddag-bezoeker:

• is vaak een terugkerende deelnemer. In 2007 nam nog 47 % van de bezoekers voor de eerste keer deel. In 2025 was dit gedaald tot 31,1 %. Niet onlogisch, gezien de lange looptijd van Erfgoeddag.

• is door de band genomen geen jongere of een jong gezin, maar eerder gepensioneerd of tussen de 31 en 65 jaar. Al zien we het aantal jongeren, en meer specifiek de groep ‘jonger dan 12 jaar’, wel groeien in de laatste jaren (tot 18,8 % in 2025), mede dankzij de inzet van de sector om hiervoor specifieke activiteiten te ontwikkelen.

• neemt het vaakst alleen of met de eigen partner/het gezin deel.

• ontdekt het aanbod meestal via erfgoeddag.be. Al zien we sinds enkele jaren een duidelijke stijging van het aandeel sociale media (niet onlogisch, gezien de opkomst ervan én de inzet van FARO hierop). Terwijl in 2007 nog vooral de gedrukte media in trek waren.

• gaat tegenwoordig maar naar 1 activiteit. In 2025 bezocht slechts 39 % meerdere activiteiten, in 2007 ging het nog om 63 %.

• bezoekt vooral een locatie in de eigen buurt, waar men anders nooit naartoe zou gaan.

HOUDT HET ERFGOEDDAGCONCEPT

NOG STEEK?

Dit jaar vieren we 25 jaar Erfgoeddag, maar voor de evaluatie was toch vooral de 20e verjaardag een grote mijlpaal. Toen sloegen we de handen in elkaar met het onderzoeksbureau Profacts. De focus lag deze keer niet op de bezoekers, maar wel op de organisaties en coördinatoren. Drie onderzoeksvragen stonden voorop:

• Wat is de motivatie voor organisaties om mee te doen aan Erfgoeddag? Waar zit voor hen de meerwaarde en waarop moet FARO in de toekomst inzetten?

• Hoe ervaren de organisaties het format, de dienstverlening en de communicatie van Erfgoeddag? Hoe kunnen ze aangepast, geactualiseerd of scherper gesteld worden om het evenement ‘futureproof’ te maken?

• Hoe kan het financieringskader voor Erfgoeddag duurzaam versterkt worden?

We zouden hier alle resultaten van deze uitgebreide studie kunnen bespreken. Maar die laten we je in alle rust nalezen op onze website.3 Veel belangrijker is de vraag hoe FARO met die resultaten aan de slag is gegaan. Tot wat heeft die evaluatie geleid?

Grootste conclusie? Erfgoeddag moet blijven bestaan. Niet minder dan 97 % van de organisatoren en 93 % van de coördinatoren gaf aan in de toekomst nog te willen deelnemen. Meer dan 80 % van hen was (en is?) ook (zeer) tevreden over Erfgoeddag als sensibiliseringsactie.

Vooral op het vlak van rolverdeling en ondersteuning tussen FARO en de regionale coördinatoren zijn er wat aanpassingen gekomen na deze evaluatie. Zo nemen de erfgoedcellen meer ondersteuningstaken op, want uit de evaluatie bleek dat zij worden gezien als eerste aanspreekpunt voor Erfgoeddag, veel meer dan FARO zelf. De rol van FARO werd door de bevraagde organisaties en coördinatoren eerder gezien als aanbieder van een breder kader, dat dan regionaal en lokaal verder

© AAaRGh...

Erfgoeddag moet blijven bestaan. Niet minder dan 97 % van de organisatoren en 93 % van de coördinatoren gaf aan in de toekomst nog te willen deelnemen

kan uitgediept worden. De invulling hiervan lag vooral op communicatie, marketing en planning. Zo schrapte FARO de eigen inspiratiesessies, maar ontstond een inspiratiefolder met tijdslijn, de inspiratieblogs en uiteindelijk ook de inspiratieset TOEL.

Maar er zijn zeker ook aspecten die behouden moeten blijven. Zo gaven de bevraagden aan dat de thematische aanpak van Erfgoeddag aanzet tot breed en creatief nadenken over de eigen collectie en de werking. Erfgoeddag wordt ook gezien als een kans om een nieuw publiek aan te trekken. Vandaar de verhoogde aandacht voor activiteiten voor kinderen en jongeren in de afgelopen jaren. Ook het gratis karakter van Erfgoeddag moest behouden blijven, net om een nieuw publiek te kunnen aanboren en een groot aantal bezoekers over de vloer te krijgen. Het momentum van een Erfgoed-dag bleef noodzakelijk, al wilde men wel de flexibiliteit om uit te breiden naar een volledig weekend. Ook hier zien we in de afgelopen jaren dat het aanbod verbreedt.

EVALUATIE IN DE TOEKOMST

We blijven meten en updaten. In 2026 experimenteren we met het verzamelen van korte, snelle getuigenissen op Erfgoeddag zelf en blijven we de samenwerking met erfgoedcellen rond evaluatie versterken om zoveel mogelijk maar ook zo interessant mogelijke resultaten te verzamelen. Alles voor een nog betere Erfgoeddag de komende jaren! ■

» Saidja Steenhuyzen is coördinator onderzoek bij FARO.

» Bronnen en literatuur

1. J. Walterus en R. Daenen, ‘Publieksonderzoek in de erfgoedsector: Een survey van de bezoekers van Erfgoeddag en Open Monumentendag 2007’, in: Cultuur en vrijetijdsbeleid: een lokaal praktijkboek, Brussel, Politeia, 2008.

Volledig rapport: https://bit.ly/Publieksonderzoek2007

2. In 2007 werden 1.192 bezoekers ter plekke geïnterviewd op Erfgoeddag. Via de online bezoekersbevraging in 2025 kregen we antwoord van 446 bezoekers. De verschillen in aantal en onderzoeksmethode kunnen ook verschillen in resultaten geven. Desondanks zien we ook wel wat gelijkenissen in de resultaten.

3. https://faro.be/evaluatie-van-20-jaar-erfgoeddag

Erfgoeddag 2023 © FARO, Foto: Doordries

OVER DE ERFGOEDWEKEN

“Dragen we bij aan inclusie en gelijke kansen via de educatieve werking?”

We spreken met Hildegarde Van Genechten, jarenlang adviseur publiekswerking, educatie en participatie bij FARO en sinds maart 2025 beleidsmedewerker cultuureducatie bij het Departement Cultuur, Jeugd en Media. We blikken terug op het ontstaan van de Erfgoedweken en kijken vooruit.

Joke Beyl

Sinds 2022 heeft Erfgoeddag er een zusje bij: de Erfgoedweken. Die worden georganiseerd in de week voor en na Erfgoeddag. Ze zijn expliciet op het onderwijs gericht en hebben tot doel erfgoed tot in de klas te brengen. De Erfgoedweken bestaan uit drie delen: de Erfgoedklasbakken waarbij erfgoedmedewerkers met uiteenlopende expertises naar de klas trekken, de vipactiviteiten waarbij musea, erfgoedbibliotheken en archieven klassen uitnodigen om bij hen langs te komen voor een unieke activiteit, en de promotie van KlasCement. Op dat platform kunnen erfgoedorganisaties hun lesmateriaal en leermiddelen met leerkrachten delen.

Hoe is het idee voor de Erfgoedweken gegroeid?

“In 2021 organiseerde ik met mijn toenmalige

FARO-collega onderzoek Saidja Steenhuyzen een aantal focusgroepen naar aanleiding van de Veldtekening cultuureducatie, waarin HIVA KU Leuven in opdracht van de Vlaamse overheid een stand van zaken schetste van het cultuureducatieve veld. Het was ons doel om de inzichten uit die veldtekening te verdiepen voor cultureel erfgoed. Iedereen in onze sector erkende het belang van onderwijs en educatie, maar in de praktijk bleken er weinig middelen en mensen voor. De focusgroepen bevestigden mijn idee dat we onze klassieke educatieve werkingen best wel eens mochten uitdagen. Onderwijs evolueerde de afgelopen jaren enorm; de vraag was dus hoe wij als sector mee konden evolueren. Was tien jaar geleden een klasuitstap naar een museum nog evident, dan is het dat nu al lang niet meer. FARO wilde de sector aanzetten tot reflectie

Boven: kick-off van de Erfgoedweken in 2023.
© FARO, foto: Doordries
Onder: klasbak aan de slag. © FARO, foto: Doordries

en tot nieuwe inzichten brengen, bijvoorbeeld door naar scholen toe te gaan in plaats van te wachten tot scholen naar de erfgoedorganisatie komen.”

Waarom startte FARO in 2022 met de Erfgoedweken?

“Enerzijds merkten we dat erfgoedorganisaties scholen eerder traditioneel benaderden: er werd vooral gemikt op het vijfde en zesde leerjaar van het basisonderwijs en, in het secundair onderwijs, op doorstroomrichtingen met al geïnteresseerde leerkrachten. Het aanbod kwam heel vaak terecht bij wie de weg ernaartoe al goed kende. We wisten bovendien dat leerkrachten vertrouwd zijn met ‘kleppers’ als het Gallo-Romeins Museum in Tongeren of het In Flanders Fields Museum. Maar de kleinere, lokale spelers zijn doorgaans minder gekend. Anderzijds wilden we erfgoedorganisaties een spiegel voorhouden: dragen we bij aan inclusie en gelijke kansen via onze educatieve werking? Welke kinderen en jongeren krijgen de gelegenheid om kennis te maken met cultuur en erfgoed? En welke scholen of richtingen hebben het moeilijk om dat te realiseren? Vooral wie al geïnteresseerd is, blijkt de weg naar erfgoedorganisaties te vinden. Daar ligt een verantwoordelijkheid voor zowel het beleid als de publieke instellingen. Als de samenleving verandert, moet je je ook in je educatieve werking durven afvragen: ‘Wie bereiken we, en wie niet?’

Communicatief was het, ten slotte, belangrijk het momentum te benutten. In 2022 was het thema van Erfgoeddag ‘Erfgoeddag maakt school!’. Zeker erfgoedcellen gaven aan dat een overkoepelend of gezamenlijk kader hen helpt om zelf lokaal iets te organiseren. Een nationale campagne kan met andere woorden helpen om naar een gemeentebestuur te trekken en ervoor zorgen dat zaken op de agenda komen. Ook de directie van FARO zag de urgentie en maakte er een punt van om voor de coördinatie van de Erfgoedweken extra expertise te werven. Daarom werd Eva Begine, gedetacheerd leerkracht, aangetrokken om de Erfgoedweken mee vorm te geven.”

Wat waren de belangrijkste doelstellingen?

“Aanvankelijk waren de Erfgoedweken opgezet als experiment. We wilden de praktijk aan onze reflecties koppelen en antwoorden bieden op vragen als: ‘Hoe leg je contact met scholen?’, en ‘Hoe krijg je voeling met het onderwijs?’. Dit moest niet de verantwoordelijkheid zijn van de educatieve medewerkers alleen: het was een ‘sensibiliseringscampagne’ om het educatieve werk op de agenda van de hele organisatie te zetten. Voor ons betekende dit experiment ook een praktijkonderzoek. We leerden er veel van en wilden onze inzichten ook delen met de sector. We verwachtten niet om meteen grote aantallen leerlingen en erfgoedorganisaties te bereiken, maar we hoopten vooral dat het de sector deed nadenken over waarom scholen bereiken essentieel is. Het

©  Delphine Frantzen
© FARO, foto: Doordries
© FARO, foto: Doordries

bood de kans voor organisaties om ook bepaalde doelgroepen, thema’s of werkvormen te ‘testen’. En het was interessant om contacten te leggen met leerkrachten en te weten te komen welke scholen geïnteresseerd zijn. Die eerste contacten leggen was een belangrijke doelstelling.”

Welke uitdagingen kwam je tegen?

“Een van de grootste uitdagingen was het doorbreken van de klassieke patronen, de ingesleten paden waarop je loopt zonder er nog verder bij na te denken. Zo verwachten we dat leerkrachten in groten getale naar ons komen, maar de vraag is hoe haalbaar dat is. Soms moeten we kijken naar wat leeft in het onderwijs. Onderwijs organiseren is vandaag niet evident; het is aan ons om te bedenken hoe wij het onderwijs kunnen ondersteunen in zijn opdracht. Daarnaast is het bereiken van leerkrachten en scholen ook een tandenbreker. Er is niet één weg om je aanbod of organisatie kenbaar te maken. Het is een en-enverhaal over de inzet van verschillende media en de opbouw van relaties. Een bij leerkrachten gekend platform als Cultuurkuur is een sterke aanvulling in die communicatiemix.”

Hoe zie je de toekomst van de Erfgoedweken? 1

“Ik herinner me dat er in de focusgroepen een duidelijke roep was om een kader, meer contact met leerkrachten en een andere benadering om andere of nieuwe doelgroepen te bereiken. De Erfgoedweken zijn daarop een antwoord geweest. Mijn suggestie zou zijn dat FARO nu vooral goede voorbeelden, knelpunten en struikelblokken uitlicht, maar dat het evenzeer mogelijke scenario’s aanreikt aan erfgoedorganisaties en erfgoedcellen om zelf aan erfgoededucatie te doen. Al dan niet binnen het kader van de Erfgoedweken. Op zich zijn de Erfgoedweken volgens mij niet het doel. Wel is het belangrijk om de erfgoededucatieve praktijk te vernieuwen, om zo (opnieuw) die match te kunnen maken tussen onderwijs en erfgoed, bij wijze van spreken het hele jaar door. Het voornaamste is dat educatie in de erfgoedorganisaties zelf verduurzaamd wordt, dat er een duidelijke visie op wordt geformuleerd en dat er volwaardig in wordt geïnvesteerd. Want net hier ligt een belangrijke maatschappelijke opdracht.”

Wat zijn de belangrijkste lessen van de Erfgoedweken?

“Het inzicht dat leerkrachten niet allerlei websites afschuimen, op zoek naar materiaal dat hen kan helpen bij hun lessen. Onze sector heeft veel materiaal, dat op de eigen website of via de eigen communicatiekanalen wordt gepromoot. Maar toch blijkt het bereik ervan vaak niet zoals gehoopt. Vandaar dat we samen met Histories investeerden in KlasCement.net, goed gekend

Ik hoop dat de Erfgoedweken een mindshift teweegbrengen in de sector: weg van de automatische piloot, naar een bewuste, duurzame samenwerking met het onderwijs

bij duizenden leerkrachten. Als je hier materiaal post is de kans veel groter dat het gevonden wordt. Wij raden erfgoedorganisaties aan om hun lespakketten en leermiddelen hier aan te bieden. Zaken samenbrengen en verenigen kan opportuniteiten creëren voor samenwerking. Als je allemaal iets apart doet, zien leerkrachten het bos door de bomen niet meer. Maar mijn belangrijkste aanbeveling is: ga naar het onderwijs toe. Luister naar de noden van leerkrachten en probeer van daaruit samen te werken. Leer ook ten volle van hun expertise. Bundel krachten, in plaats van versnipperd te werken. Zorg ook voor intern draagvlak binnen je organisatie en maak educatie niet de verantwoordelijkheid van één persoon maar van iedereen: het gaat per slot van rekening om de toekomst van erfgoed.”

Tot slot: hoe zie je de toekomst?

“Ik hoop dat de Erfgoedweken een mindshift teweegbrengen in de sector: weg van de automatische piloot, naar een bewuste, duurzame samenwerking met het onderwijs. Dat erfgoedorganisaties daarbij niet alleen focussen op eenzijdig aanbod, maar ook op onderzoek, samenwerking en het leggen van duurzame contacten met scholen én leerlingen. En dat de cultureel-erfgoedsector zo verder een spiegel van de samenleving wordt, waarin iedereen zich mag herkennen.” ■

» Joke Beyl is onderzoeker bij FARO.

» Bronnen en literatuur

1. Van september 2025 tot februari 2026 onderzocht FARO hoe de toekomst van de Erfgoedweken eruit kan zien. Meer informatie over dit onderzoek en de resultaten ervan vind je op de website van FARO via https://faro.be/blogs/ joke-beyl/de-evaluatie-waarom-de-erfgoedweken-meer-waren-dan-een-moment of bij FARO-collega Joke Beyl (joke.beyl@faro.be).

DE LANGE WEG NAAR EEN AANBOD

OP ZOEK NAAR KWALITEIT

Ervaren Erfgoeddagorganisatoren zullen zich het ongetwijfeld herinneren: er was een tijd waarin een zogenaamd kwaliteitscomité het volledige programma screende vooraleer het werd goedgekeurd en gepubliceerd. Goedbedoeld, uiteraard, maar of dat doelmatig was?

Dat kwaliteitscomité – what’s in a name, trouwens? – was een van de instrumenten waarmee het coördinatieteam van Erfgoeddag (samen met de stuurgroep van het evenement) probeerde om de kwaliteit van het aanbod te verzekeren. De inspiratie daarvoor kwam uit de werkwijze van de collega’s van de Week van Smaak, een evenement dat de rijke eet- en smaakcultuur van onze contreien belichtte.1 Daar werd streng toegekeken op de invulling van het programma door een ‘comité der wijzen’. Bedoeling was om met een (grote) groep het programma te screenen en – bij de Week van de Smaak althans – activiteiten met een al te commercieel karakter te weren. Bij Erfgoeddag vonden er twee controlerondes plaats: een eerste, vlak voor de kerstvakantie, meteen na de inschrijfdeadline en een tweede, eind januari. Tijdens de eerste werden alle activiteiten stuk voor stuk overlopen, aan de hand van twee korte teksten: de publiekstekst van zegge en schrijve 400 tekens (spaties inbegrepen), die dient om het programma kenbaar te maken en de motivatie, die peilde naar het waarom van een activiteit.

Uit de jaarlijkse analyse door dat kwaliteitscomité kwamen keer op keer een aantal pijnpunten naar voren: heel wat organisatoren worstelden met de tekstuele dwangbuis van 400 tekens. Kort, helder én wervend iets verwoorden is een uitdaging. Ook bleek de link met het jaarlijkse thema niet altijd even duidelijk. Soms kon er uit de motivatietekst meer info gehaald worden, maar evengoed ook niet. Of nog, sommige activiteiten situeerden zich helemaal in de sfeer van het onroerend erfgoed. Om het profiel van het evenement zuiver te houden, vroeg het kwaliteitscomité om de activiteit te herformuleren, of verwees het de organisator door naar de Open Monumentendag. Opendeurdagen werden (en worden) sowieso geweigerd. Tot slot deed het kwaliteitscomité ook relatief vaak inhoudelijke suggesties: ‘zoek een link met’, ‘vraag die expert’ of ‘lees dat boek of artikel’. Het was een goedbedoeld (maar enigszins paternalistisch) pleidooi voor inhoudelijk sterke activiteiten. Dat klinkt misschien wat zwaar op de hand, maar uit de reacties die de coördinatie als antwoord op de adviezen (en de vraag tot wijzigingen) ontving, sprak vaak onbegrip.

Niet zozeer de ‘intrinsieke kwaliteit’ van het aanbod moet verleiden, dan wel de mate waarin dat aanbod het publiek in een steeds veranderende wereld echt kan raken

Deze beschrijving geeft een inkijk in de totstandkoming van een evenement als Erfgoeddag. Productioneel en communicatief zijn er heel wat stappen vereist vooraleer er een activiteit is en, door de verzameling van die vele honderden activiteiten, een programma. Jarenlang werd er ingezet op de combinatie van inspiratieteksten en -brochures, blogs en infosessies. Vandaag zijn er nog steeds blogs en is er de TOEL, een succesvol inspiratie-instrument.2 Want dat is en blijft de grote vraag voor het landelijke coördinatieteam: wat heeft de brede cultureel-erfgoedsector nodig om te komen tot een kwalitatief programma? En, in het kielzog van die vraag: wat heet ‘kwaliteit’?

Zoals ook elders in dit dossier te lezen is zijn er andere maatstaven die gebruikt worden om het succes te meten. Denk aan energie, plezier, samenwerken, trots, creativiteit en het zoeken naar een passende vorm voor elke activiteit. Dat heeft dan misschien te maken met een perspectiefwissel die zich de voorbije jaren heeft voltrokken. Niet zozeer de (vanzelfsprekende) ‘intrinsieke kwaliteit’ van het aanbod moet verleiden, dan wel de mate waarin dat aanbod het publiek in een steeds veranderende wereld echt kan raken. ■

» Roel Daenen is communicatiecoördinator bij FARO en coördineerde Erfgoeddag tussen 2007 en 2012. Voor die rol kreeg hij in 2013 de Geschiedenisprijs van het Davidsfonds.

» Bronnen en literatuur

1. Dit evenement ging van start in 2006, en functioneerde tot 2012 onder de vleugels van FARO. Zie https://www.weekvandesmaak.be/Info/Historiek/ 2. https://faro.be/erfgoeddag/toel

“Alles verandert razendsnel”

Erfgoed is voor iedereen betekenisvol en relevant. Bekende landgenoten vertellen over ‘hun’ erfgoed.

Frank Van Passel, filmmaker, vertelt over een bijzondere witte kei.

Netvoor de kerstvakantie kwam

Radioman in de cinema, Frank Van Passels jongste film. Het is niet alleen een liefdesverklaring aan de esthetiek van het modernistische Flageygebouw in Brussel, maar ook aan het ambacht van foley – de naam voor het op maat maken van geluiden die aan films worden ‘toegevoegd’. Zoals gebonk op een deur, geritsel van kledij, regen, een krakende vloer, brekende botten. “Flagey is een gebouw waaraan ik veel herinneringen heb”, glimlacht Van Passel. “Ik kwam er als kind weleens. Maar in het begin van mijn carrière was ik regieassistent van Robbe De Hert. Samen werkten we aan Brylcream Boulevard, dat zich deels afspeelde in Flagey. Het gebouw stond begin jaren 1990 leeg, klaar om afgebroken te worden. Dat is uiteindelijk – en gelukkig maar – niet gebeurd, in tegenstelling tot een heleboel andere modernistische gebouwen in Brussel. Zoals de iconische Martinitoren aan het Noordstation, of recenter, Parking 58. Expo 58 had een enorm effect op onze hoofdstad, door allerlei grote werken. Later volgde de afbraak van de

Noordwijk, door de plannen van Paul Vanden Boeynants en zijn kompaan, parkingbaas Charlie De Pauw.”

“Ik koester een oude, witte kei. Op het eerste gezicht niet bijzonder, er hangt zelfs nog wat cement aan vast. Het is geen ‘erfgoed’, denk ik. Maar toch. Mijn grootvader had voor zijn handel in natuursteen een paviljoen van Expo 58 kunnen kopen. Dat liet hij opnieuw optrekken langs de A12 in Londerzeel. Wij woonden ernaast, in een ietwat bizarre, modernistische bungalow. Als kind realiseerde ik me al dat dat een bijzonder huis was: er waren heel weinig deuren in, een muur met witte keien en de achterkant was een enorme glaspartij. Toen ik veertien was zijn we verhuisd. Op zekere dag in 2008 reed ik er ’s morgens voorbij. ’s Avonds, op weg naar huis, bleek het helemaal afgebroken. Ik maakte rechtsomkeer en recupereerde uit het puin deze kei: een tastbare herinnering aan mijn leven in dat bijzondere huis én een illustratie van het razendsnelle tempo waarmee alles verandert.” ■

» Door: Roel Daenen | Foto erfgoed: © Frank Van Passel, portretfoto: © PalmSpringsFilmFestival

Watdefakisdees LIVE met HENK RIJCKAERT

Op 2 juni vieren we 25 jaar Erfgoeddag met alle organisatoren, coördinatoren en partners en bedankingsreceptie

Gratis, inschrijven verplicht. Meer info via de nieuwsbrief of faro.be/erfgoeddag

dinsdag 2 juni 17u, Muziekcentrum De Bijloke (Gent)

Cabaretier Henk Rijckaert brengt zijn speelse format watdefakisdees live naar het bedankingsfeest voor 25 jaar Erfgoeddag. Verwacht verwondering, misinterpretaties en humor, wanneer mysterieuze voorwerpen het startpunt worden voor een verrassende erfgoedervaring.

25 jaar

Turn static files into dynamic content formats.

Create a flipbook
faro | tijdschrift over cultureel erfgoed, 19(2026)1 by FARO - Issuu