faro is een blad voor en door de cultureel-erfgoedsector. Bezorg ons jouw suggestie voor een artikel, onderwerp of thema voor een rubriek of dossier. Hoe? Mail naar redactie@faro.be.
Eind maart raakte Europa in de ban van een gestrande bultrug, Timmy. Of Hope. De naam doet er eigenlijk niet toe. Wat telt, is het ongemak dat zich meester maakte van het publieke debat. Moet alles op alles gezet worden om dit dier te redden, ook als experten aangeven dat de kansen klein zijn? Of vraagt zorg soms om terughoudendheid en nabijheid in plaats van heroïsche ingrepen?
Hoop duwt richting actie: iets doen voelt beter dan niets doen. Maar gaandeweg luidde ook een andere klok: dat voortdurende reddingspogingen het lijden kunnen verlengen en dat loslaten een verantwoordelijke handeling kan zijn. Dat vraagt dat we grenzen erkennen en ruimte maken voor afscheid en rouw. Geen simpele boodschap. Tussen redden en laten zijn ontstaat een spanning die moeilijk te verdragen is.
Ook in de erfgoedsector weerklinken vergelijkbare vragen: wanneer is zorg nog zinvol, en in welke vorm? De traditionele erfgoedpraktijk is sterk gericht op conserveren en restaureren. Maar wat als niet alles te redden valt? Wat als ingrijpen het probleem niet oplost, maar ons onvermogen om los te laten verhult?
In het omgaan met hedendaagse kunst en erfgoed van kwetsbare materialen worden die vragen steeds tastbaarder. In 2022 ontwikkelde de Amerikaanse conservator Martha Singer een denkkader dat geïnspireerd is door palliatieve zorg. Het bekijkt conservatie als de begeleiding van onvermijdelijke verandering, in plaats van het nastreven van herstel. Bij de behandeling van Lisa Krohns Cyberdesk kreeg dat concreet vorm: de focus verschoof naar caring through decline, waarbij betrokkenen samen via zorggesprekken beslissen hoe ze omgaan met verval, betekenis en verlies van het werk.
De focus verschuift naar het documenteren van veranderingen en de ondersteuning van betekenis, ook wanneer het materiaal zelf verdwijnt. Daarbij ontstaat ruimte voor rouw: niet alleen om het verlies van erfgoed, maar ook om het besef dat we niet alles kunnen bewaren. Niet alles hoeft te blijven bestaan om waardevol te zijn. Soms gaat het er net om aanwezig te zijn bij wat verandert en te erkennen dat ook het einde deel kan uitmaken van erfgoedzorg.
Toch blijft loslaten moeilijk in een sector die historisch is opgebouwd rond behoud en waarin ingrijpen vaak gelijkstaat aan professioneel engagement. Hoe gaan we om met de eindigheid van erfgoed? Wanneer laten we los, en hoe doen we dat? En hoe geven we betekenis aan afscheid, voor gemeenschappen en professionals?
Misschien herinnert Timmy ons eraan dat zorg, of het nu om een dier of om erfgoed gaat, soms begint waar we durven stoppen met ingrijpen en respectvol afscheid nemen.
De redactie
redactie@faro.be
Je vindt naast sommige artikels logo’s die verwijzen naar de Duurzame Ontwikkelingsdoelstellingen van de VN. Voor meer uitleg, zie www.sdgs.be.
Nieuwe databank voor Collectie Vlaamse Gemeenschap
Het Departement Cultuur, Jeugd & Media lanceert een nieuwe databank met collectiestukken uit de Collectie Vlaamse Gemeenschap die in het depot in Vilvoorde worden bewaard of er recent verbleven.
Achter de schermen is de voorbije jaren hard gewerkt aan betere collectiegegevens. Metadata is opgeschoond, er zijn kwalitatieve beelden toegevoegd en de rechten zijn in orde gebracht.
Dankzij die inspanningen is een deel van de collectie nu online toegankelijk via https://collectievlaamsegemeenschap.vlaanderen.be.
FARO BEHAALT BRUSSELS LABEL
ECODYNAMISCHE ONDERNEMING
FARO behaalde het Label Ecodynamische Onderneming van Leefmilieu Brussel, met de hoogste score van drie sterren. Dit officiële label van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest ondersteunt organisaties die actief werk maken van duurzame praktijken.
Na een traject van 16 maanden en de inzet van vele collega’s wist FARO tal van verbeteracties te realiseren en te verankeren. Daarmee vervoegen we een brede Brusselse community van duurzame organisaties.
Benieuwd hoe we dit traject aanpakten? Lees het op https://bit.ly/FARO_ecolabel
MONDIACULT: overal cultuur voor iedereen
De Vlaamse UNESCO Commissie lanceerde eind mei de brochure MONDIACULT – Overal cultuur voor iedereen. Die komt met een duidelijke boodschap: cultuur is geen bijzaak, maar een essentiële pijler voor een duurzame en inclusieve samenleving. De publicatie combineert beleidsaanbevelingen met zes praktijkverhalen uit het Vlaamse culturele veld, van circus en podiumkunsten tot erfgoed en design. De brochure sluit aan bij een groeiende internationale beweging die cultuur als volwaardige pijler van duurzame ontwikkeling erkent en roept beleidsmakers op om die rol ook in toekomstige ontwikkelingsdoelstellingen expliciet te verankeren.
http://mondiacult.be en https://bit.ly/brochure_mondiacult
Schatkist vol televisiearchief
Het Nederlandse audiovisuele archief Beeld & Geluid opende eind mei met De Schatkamer een reusachtig online media-archief. Een ware grot van Ali Baba, want via het platform krijgen Nederlanders toegang tot meer dan 700.000 radioen televisieprogramma’s, films en opnamen uit de periode 1920-2020.
De lancering valt samen met 75 jaar Nederlandse televisie en maakt een groot deel van het publieke omroeperfgoed online toegankelijk.
Voor Belgische geïnteresseerden blijft De Schatkamer voorlopig buiten bereik: het platform is vanwege rechtenkwesties enkel vanuit Nederland toegankelijk.
https://www.beeldengeluid.nl/ de-schatkamer
AAN DE SLAG MET EDUCATIEF MATERIAAL VAN VRT
VRT lanceert een nieuwe onderwijswebsite die leerkrachten op één centrale plek toegang geeft tot lespakketten, programma's met een sterke educatieve insteek en kant-en-klaar lesmateriaal. De website bundelt VRT-fragmenten en lestips, en verwijst ook door naar het uitgebreide archief van Het Archief voor Onderwijs van meemoo.
‘Klankarchitecten’, het educatief pakket over de beiaardcultuur voor jongeren van 10 tot 14 jaar, verrijkt een beiaardbezoek van een klas door samen met de beiaardier een liedje te spelen op de klokken in de toren. Met de muziekbundel Grote vuisten, kleine vuisten kunnen de jongeren hiervoor kiezen uit twaalf liedjes uit verschillende landen.
Als je muzieknoten kan lezen, kan je met de kleine vuisten meteen eenvoudig aan de slag, ook al heb je nog nooit op een beiaard gespeeld. De grote vuisten van de beiaardier spelen met je mee en zorgen voor tevreden luisteraars beneden.
https://www.klankarchitecten.be en https://klankarchitecten.be/assets/ downloads/Grote-vuisten-kleine-vuisten_bundel-bezoeker.pdf
VEERTIG JAAR CHAMBRES D’AMIS
In 2026 viert S.M.A.K. veertig jaar Chambres d’Amis, de baanbrekende tentoonstelling waarmee Jan Hoet hedendaagse kunst buiten de museummuren bracht. 51 internationale kunstenaars toonden hun werk in de woonkamers, traphallen of slaapkamers van Gentse woningen en herdefinieerden radicaal de condities waaronder kunst kon worden ervaren.
Nog tot 10 januari 2027 blikt S.M.A.K. hierop terug én vooruit met werk van Heike Pallanca, Haim Steinbach en Susanne Kriemann. Zij herinterpreteren de oorspronkelijke ideeën van Chambres d’Amis binnen de museumruimte.
Ook archiefmateriaal en Daniel Burens iconische installatie Le Décor et son Double krijgen een centrale plaats. Het programma omvat debatten, kunstenaarsgesprekken, filmvertoningen en begeleide bezoeken.
Het Engelstalige rapport van de conferentie Collecting with(in) the city is digitaal verschenen in een bundel van niet minder dan een kleine 300 pagina’s. De conferentie werd in 2024 door de ICOM-comités CAMOC en COMCOL georganiseerd in het Amsterdam Museum, in samenwerking met Imagine IC. In de publicatie zijn de keynotes en de talrijke presentaties nagenoeg volledig opgenomen. Veel tekst dus, maar niettemin razend interessant om te screenen of hier en daar ideeën of praktijken terug te zoeken.
Enkele genoteerde reacties van deelnemers: “(…) wees niet bang voor speelse thema's in tentoonstellingen.” En: “Musea die worstelen met de complexiteit van hedendaagse steden – polarisatie, ongelijkheid, migratie, digitale versnelling – worden opgeroepen om niet als neutrale waarnemers op te treden, maar als ethische actoren, samenwerkers en luisteraars.”
Na te lezen op de website van ICOM-CAMOC: https://bit.ly/camoc-books
Rijksarchief Leuven viert feest
Het Rijksarchief Leuven viert in 2026 zijn 25e verjaardag. Wat begon als een kleine vestiging, met vooral microfilms, groeide in een kwarteeuw uit tot een archief van meer dan 30 kilometer, met onder meer het archief van de oude universiteit Leuven, erkend door UNESCO als Memory of the World.
Die mijlpaal wordt gevierd met een heus jubileumjaar. Op het programma: vier dubbellezingen waarin acht specialisten de veelzijdigheid van de Leuvense collecties belichten en een tentoonstelling tijdens Open Monumentendag. In een interviewreeks delen tien getuigen – van de burgemeester van Leuven tot de algemeen rijksarchivaris – wat het Rijksarchief Leuven voor hen betekent.
Maatschappelijke uitdagingen zoals klimaatverandering, stijgende energieprijzen, toenemende digitalisering, welzijn en inclusie maken een thema als duurzaamheid onontkoombaar. De beleidsplannen 2024-2028 van de erkende cultureel-erfgoedorganisaties tonen hierin een opvallende convergentie: ecologische, sociale, economische en digitale duurzaamheid worden beschouwd als structureel uitgangspunt van de eigen werking.
Joke Beyl en Alexander Vander Stichele
We maakten een kwalitatieve analyse van de beleidsplannen die 75 cultureel-erfgoedorganisaties opstelden voor de periode 2024-2028 en indienden bij het Departement Cultuur, Jeugd & Media. Daarbij focusten we op vijf thema’s: onderzoek en kennisontwikkeling, digitalisering, internationalisering, diversiteit en duurzaamheid. De volgende vragen vormden het uitgangspunt:
• Waarop willen de erfgoedorganisaties inzetten (doel)?
• Hoe pakken ze het aan (acties, doelgroepen, methoden)?
• Welke samenwerkingen gaan ze hiervoor aan (netwerk)?
• Welke uitdagingen ondervinden de cultureelerfgoedorganisaties?
Dit onderzochten we voor elke deelsector: archieven (10), erfgoedbibliotheken (4), musea (50) en landelijke dienstverleners (10 + WIE). Een belangrijke kanttekening hierbij is dat landelijke
dienstverleners (net als erfgoedcellen, Werkplaats immaterieel erfgoed en FARO) een andere rol hebben dan collectiebeherende organisaties. Ze hebben bijvoorbeeld geen decretale onderzoeksfunctie en ze hebben – meestal – geen collecties. De resultaten moeten dus in dat licht begrepen worden.
In dit artikel zoomen we in op het thema ‘Duurzaamheid’. ‘Onderzoek en kennisontwikkeling’ en ‘Digitalisering’ kwamen aan bod in de twee vorige nummers van faro. In de komende edities spitten we de andere thema’s uit. Daarbij houden we wel een slag om de arm: de vaststellingen geven immers de grootste gemene deler weer. Sommige organisaties zullen er minder op (kunnen) inzetten dan andere. Daarnaast is het ook zo dat doelstellingennota’s geschreven worden met een specifiek doel: subsidies krijgen. Het zijn dan ook deels geformatteerde teksten, waarin rekening wordt gehouden met de actuele beleidsprioriteiten en -accenten. Dit heeft ook zijn weerslag op de bevindingen.
ECOLOGISCHE DUURZAAMHEID
De vier sectoren tonen opvallend veel overlappende ecologische ambities en acties. Ze vertrekken allemaal vanuit de nood hun ecologische voetafdruk te verkleinen.
Gelijkenissen
De verschillende deelsectoren zetten in op het verminderen van energieverbruik, met o.a. overschakeling naar ledverlichting, energiemonitoring, isolatie, klimaatbewuste renovaties en de optimalisatie van klimaat- en bewaaromstandigheden in depots/gebouwen.
Ze nemen maatregelen om afval te verminderen en materialen duurzamer te gebruiken, zoals hergebruik stimuleren, recycling, bewust aankopen, ecologisch verantwoorde producten gebruiken, papierverbruik vermijden, of kiezen voor milieuvriendelijk drukwerk en inzetten op modulaire en herbruikbare scenografie.
De deelsectoren geven aan stappen te zetten richting duurzamer vervoer voor personeel en bezoekers: fietsen, deelauto’s en openbaar vervoer stimuleren, internationale vluchten beperken en duurzame transportstrategieen optimaliseren. Er is aandacht voor een ecologische reflex en sensibilisering binnen de eigen werking. Medewerkers worden bewustgemaakt van duurzaam gedrag, er worden interne richtlijnen uitgewerkt rond ecologische keuzes en duurzaamheid wordt beleidstransversaal geïntegreerd.
Alle deelsectoren koppelen duurzaamheid aan collectiezorg, met o.a. beheersystemen die energiezuinig werken, focus op duurzame
Medewerkers worden bewustgemaakt van duurzaam gedrag, er worden interne richtlijnen uitgewerkt rond ecologische keuzes en duurzaamheid wordt beleidstransversaal geïntegreerd
Foto: Vlada Karpovich, via Pexels Cultureel-erfgoedorganisaties nemen maatregelen om afval te verminderen en materialen duurzamer te gebruiken.
bewaarmethoden en risicoanalyse rond klimaatverandering.
Verschillen
Hoewel de deelsectoren een gedeelde basis hebben, leggen ze hier en daar andere accenten.
Archieven leggen extra nadruk op risicobeheer en klimaatadaptatie en hanteren een uitgesproken risicobeheersingslogica. Erfgoedbibliotheken combineren klassieke ecologische maatregelen met een sterke focus op een rationeel beheer van de collecties. Hun ecologische strategie focust op informatiebeheer en materiaalgebruik. Musea zetten sterk in op modulaire, herbruikbare scenografie, ecologisch materiaalgebruik en het minimaliseren van afval bij tentoonstellingsbouw. Ze investeren intensief in klimaatcontrole, dataloggers, energiezuinige luchtbehandeling en duurzame depotinrichting. Enkele musea leggen biodiverse tuinen aan, werken met inheemse planten, houtwallen, boomgaarden enz. Typisch voor musea zijn het digitaliseren van koerieren en het vergroenen van kunsttransport. Ze integreren ecologische duurzaamheid vaak rechtstreeks in publiekswerking, ruimtelijke ingrepen en tentoonstellingspraktijk. Dat is minder aanwezig in de andere deelsectoren.
LDR’s onderscheiden zich vooral door een strategische, sectorondersteunende focus. Ze versterken ecologische duurzaamheid via richtlijnen en ondersteuning van erfgoedgemeenschappen. Hun focus ligt op kaders, methodieken en netwerken die ecologische duurzaamheid in de hele sector vooruithelpen.
SOCIALE DUURZAAMHEID
Ook wat sociale duurzaamheid betreft is er sprake van een brede gedeelde focus.
Gelijkenissen
De verschillende deelsectoren zetten sterk in op het verlagen van drempels en het toegankelijk maken van hun werking voor een divers publiek. Hierbij gaat het zowel om fysieke toegankelijkheid (gebouwen gastvrij, zorgzaam en toegankelijk maken) als om een inclusieve organisatiecultuur (streven naar meerstemmigheid, diversiteit, representatie).
Alle deelsectoren zien betrokkenheid van erfgoedgemeenschappen, buurtbewoners, onderzoekers, partners en publiek als essentieel. In elk van de deelsectoren is er aandacht voor een zorgzaam HR-beleid. Dit betekent aandacht voor functioneren, ontwikkeling en professionalisering, welzijn als onderdeel van een kwaliteitsvol personeelsbeleid, kansen voor vorming en opleiding, vooral in digitale competenties, en een divers en inclusief vrijwilligers- en personeelsbeleid.
De verschillende deelsectoren zetten sterk in op het verlagen van drempels en het toegankelijk maken van hun werking voor een divers publiek. Hierbij gaat het zowel om fysieke toegankelijkheid als om een inclusieve organisatiecultuur (streven naar meerstemmigheid, diversiteit, representatie)
De erfgoedorganisaties willen kennis delen en maatschappelijke bewustwording vergroten, vanuit de overtuiging dat dit een duurzame bijdrage levert aan de samenleving én de sector.
Ze positioneren zich ten slotte als maatschappelijk relevante, verbindende plekken: plaatsen voor ontmoeting en sociale interactie, aandacht voor mentaal welzijn, rol in betekenisvolle vrije tijd en gemeenschapsvorming, aandacht voor intergenerationeel samenleven en ruimte bieden voor culturele en maatschappelijke dialoog.
Verschillen
Archieven hebben aandacht voor inclusiviteit in collecties, intergenerationeel werken, en hun rol als documentair geheugen. Erfgoedbibliotheken leggen de nadruk op educatie, gastvrijheid, inclusieve organisatiecultuur en erfgoedwijsheid. Musea hebben de sterkste focus op participatie, inclusie, gemeenschapsvorming en hun maatschappelijke rol. LDR’s tot slot benadrukken sectorale ondersteuning, kennisdeling, waarderingstrajecten en duurzame erfgoedzorg bij andere organisaties.
ECONOMISCHE DUURZAAMHEID
Gelijkenissen
Over de deelsectoren heen wordt economische duurzaamheid strategisch verankerd in de kernwerking: efficiënt (planmatig) beheer van middelen (zoals planmatig aankoop-/vervangingsbeleid, rationeel beheer van hard- en software, efficiënte organisatieprocessen), financiële stabiliteit op lange termijn (bv. financiële planning, solide zakelijke werking), en structurele samenwerking (binnen en buiten de sector) vormen de gemeenschappelijke
ruggengraat. Samengenomen verschuift de sector van louter kostenbeheersing naar waardecreatie: samenwerkingen en professionele governance worden ingezet om efficiëntie en nieuwe waarde/ inkomstenpistes mogelijk te maken.
Verschillen
Archieven leggen de nadruk op efficiëntie en stabiliteit, en niet zozeer op expliciete nieuwe inkomstenstromen. Erfgoedbibliotheken benoemen bijkomende inkomsten via projectmiddelen, crowdfunding of strategische partnerschappen. Musea hebben het meest uitgewerkte ondernemerschapsprofiel (zaalverhuur, shop/café met korteketenleveranciers, sponsoring en crowdfunding, expertise vermarkten). LDR’s focussen op het verwerven van de nodige financiële middelen om hun doelstellingen te realiseren.
DIGITALE DUURZAAMHEID
Wat digitale duurzaamheid betreft, zien we hoofdzakelijk gelijkenissen. Dat blijkt ook uit het eerdere artikel rond het thema ‘Digitalisering’ (zie het maartnummer van dit tijdschrift). De deelsectoren verankeren digitale duurzaamheid via een strategie (of een transversale digitale cultuur) en toetsen/ontwikkelen hun digitale maturiteit. Er is sectorbreed aandacht voor duurzame opslag en ontsluiting van digitale en digitaal gemaakte collecties en archieven.
De deelsectoren streven naar veilig, opgeschoond, persistent en uniform databeheer;
informatiebeheer en efficiënte digitale werkprocessen zijn een terugkerend thema. Standaarden en metadata-interoperabiliteit worden expliciet nagestreefd om vindbaarheid en uitwisselbaarheid te verhogen. De deelsectoren werken naar publicatie en hergebruik van erfgoeddata en digitale collecties.
Alle deelsectoren zetten in op kennisdeling en samenwerking (lokaal–internationaal) als hefboom voor duurzame digitale praktijken. Het versterken van digitale expertise en maturiteit van medewerkers is breed aanwezig (opleiding, interne kennisuitwisseling en ‘digitale cultuur’).
UITDAGINGEN EN KRITISCHE KANTTEKENINGEN
Uit bovenstaande blijkt duidelijk dat de cultureel-erfgoedorganisaties in Vlaanderen voor een complexe, meerdimensionale uitdaging staan op het vlak van duurzaamheid. Over alle organisaties heen kwamen vier gemeenschappelijke uitdagingen naar voren:
1. Erfgoedbewaring verzoenen met energieen klimaatdoelstellingen
De langetermijnbewaring en het publiek toegankelijk maken van zowel fysiek als digitaal erfgoed brengen specifieke duurzaamheidsuitdagingen met zich mee. Het blijft hierbij zoeken naar de balans tussen collectiezorg en duurzaamheid. Dit vereist onderzoek, investeringen, het herzien van
Foto: Dries Theuwissen
werkmethodes of procollen en het vinden van geschikte of alternatieve technieken en materialen.
De dienstverlenende rollen benadrukken hierbij dat de moeilijkheid niet enkel ligt in het ‘goed bewaren’, maar evenzeer in de opbouw van expertise en van een erfgoedzorgmodel dat over meerdere jaren en voor diverse partners vol te houden is.
2. Ecologisch, circulair en materiaalbewust werken
Organisaties moeten hun materiaalgebruik vergroenen en hun materiaalverbruik reduceren, met focus op hergebruik en recyclage. Afval minimaliseren en kiezen voor circulaire oplossingen zijn hierbij cruciaal. Daarnaast kan de ecologische voetafdruk van heel wat regulier erfgoedwerk verkleind worden. Dit is soms allesbehalve evident en veronderstelt het doorbreken van gangbare praktijken.
3. Blijvende focus op sociale en maatschappelijke duurzaamheid
Naast de uitdagingen op het vlak van ecologische duurzaamheid en de creatie van draagvlak hiervoor benadrukken cultureel-erfgoedorganisaties ook het belang van sociale duurzaamheid, welzijn en inclusie. Dit omvat het creëren van een veilige en inclusieve werk- en bezoekomgeving, het bevorderen van het welzijn bij personeel, vrijwilligers en bezoekers. En ook: het aangaan van duurzame relaties met gemeenschappen en partners.
4. Duurzaamheid organisatiebreed en strategisch verankeren
Het systematisch terugdringen van de ‘negatieve ecologische impact’ en het vergroten van de ‘sociale en positieve ecologische impact’ van de eigen werking impliceert een structurele verankering van duurzaamheid in het beleid. Duurzaamheid mag geen losstaand thema zijn, maar moet verweven worden in alle aspecten van de werking. Dit vereist een strategische en procesmatige aanpak, een duidelijke planning en een koppeling aan internationale doelstellingen zoals de SDG’s.1 Ook opvolging, monitoring en samenwerking binnen en buiten de eigen organisatie zijn hierbij cruciaal.
CONCLUSIE
Hoewel archieven, erfgoedbibliotheken, musea en landelijke dienstverleners duurzaamheid allemaal omarmen als een onmisbare strategische pijler, werken ze dit op – licht – verschillende manieren uit, afhankelijk van hun kerntaak.
• Archieven en erfgoedbibliotheken combineren ecologische en sociale doelstellingen met een sterke focus op digitale duurzaamheid, efficiënt beheer en toegankelijke ontmoetingsplekken.
• Musea profileren zich als plekken waar ecologie en publieksgerichtheid samenkomen, met nadruk op circulaire scenografie, toegankelijkheid en ondernemerschap.
Er is sectorbreed aandacht voor duurzame opslag/ontsluiting van digitale/digitaal gemaakte collecties en archieven. Foto: cottonbro studio, via Pexels
Gezamenlijk tonen de vier deelsectoren een geïntegreerde en holistische visie op duurzaamheid, waarin ecologische zorg, sociale inclusie, economische veerkracht en een digitale langetermijnstrategie elkaar wederzijds versterken
• Landelijke dienstverleners onderscheiden zich door hun rol als kennisdelers, facilitators en netwerkbouwers, en door hun focus op duurzame digitale infrastructuur voor het hele erfgoedveld.
Gezamenlijk tonen de vier deelsectoren een geïntegreerde en holistische visie op duurzaamheid, waarin ecologische zorg, sociale inclusie, economische veerkracht en een digitale langetermijnstrategie elkaar wederzijds versterken. Daarmee bevestigen cultureel-erfgoedorganisaties hun rol als betrouwbare partners in de transitie naar brede (economische, sociale, ecologische en digitale) duurzaamheid.
Collectiebeherende cultureel-erfgoedorganisaties staan hierbij voor diverse en complexe duurzaamheidsuitdagingen. Die variëren van het ecologisch verduurzamen van gebouwen en het efficiënt beheren van collecties, tot het minimaliseren van de ecologische voetafdruk door materiaalgebruik en afvalbeheer. Daarnaast is er een groeiende focus op sociale en maatschappelijke duurzaamheid, gericht op inclusie, welzijn en gemeenschapsbetrokkenheid. De sleutel tot succes ligt in het integreren van duurzaamheidsprincipes in de kernprocessen en het algemene beleid van de organisaties; vaak in samenwerking met partners en met een duidelijke visie op lange termijn. De adoptie van internationale standaarden en doelstellingen, zoals de SDG’s, biedt hierbij een waardevol kader. ■
“Erfgoed leeft pas wanneer het goed verteld wordt.”
» Joke Beyl en Alexander Vander Stichele zijn onderzoekers bij FARO.
» Bronnen en literatuur
1. De Duurzame Ontwikkelingsdoelstellingen (SDG’s). In september 2015 stelden de Verenigde Naties een ambitieuze agenda op: ze schaarden zich achter de Agenda 2030 voor Duurzame Ontwikkeling en de 17 Duurzame ontwikkelingsdoelstellingen, beter bekend als de Sustainable Development Goals. Zie https://duurzameontwikkeling.be/sdgs
DRIES THEUWISSEN, erfgoedfotograaf en historicus doordries.be
NOOD AAN DUURZAME VERANKERING VOOR ERFGOEDEDUCATIE
ERFGOEDWEKEN
GEËVALUEERD
De Erfgoedweken tussen 2022 en 2025 waren een uniek experiment. Gedurende vier edities groeiden ze uit tot een gekend en succesvol moment waarbij cultureelerfgoedorganisaties, leerkrachten en leerlingen elkaar vonden. Tegelijkertijd werden structurele uitdagingen zichtbaar.
Joke Beyl
De Erfgoedweken rustten op drie pijlers: 1) de Erfgoedklasbakken waarbij erfgoedmedewerkers met uiteenlopende expertises naar de klas trokken, 2) de vipactiviteiten waarbij musea, erfgoedbibliotheken en archieven klassen uitnodigden om bij hen langs te komen voor een unieke activiteit en 3) het promoten van Erfgoedwijs.be, de toenmalige deelsite van KlasCement waarop erfgoedorganisaties hun lesmateriaal en leermiddelen digitaal met leerkrachten konden delen.
Van september 2025 tot februari 2026 evalueerde FARO deze aanpak via gesprekken met betrokken partners, data-analyse van Erfgoedwijs, analyse van de beleidsplannen van erkende cultureel-erfgoedorganisaties (2024-2028) en analyse van de jaarlijkse FARO-evaluaties van de Erfgoedweken. De kernvragen van deze evaluatie waren: ‘Hebben de Erfgoedweken hun doel bereikt?’ en: ‘Wat nu?’
Doel van de evaluatie was om van het Erfgoedweken-project een kompas te maken dat richting geeft aan de erfgoededucatie van de toekomst.
NEERSLAG VAN DE GESPREKKEN
De Erfgoedweken vervulden, volgens de gesprekspartners, een unieke, motiverende en verbindende rol in het Vlaamse erfgoed- en onderwijslandschap. Ze zorgden voor innovatie, een breed bereik, samenwerking en zichtbaarheid van erfgoed. Het initiatief bood een laagdrempelig, flexibel en inspirerend kader dat zowel een lokale als landelijke dynamiek in gang zette. Zo droegen de Erfgoedweken bij aan een breed gedragen, toekomstgerichte erfgoed(educatieve) werking. Erfgoedklasbakken brachten vakexpertise, objectkennis en beroepsrealiteit tot in de klas.
De Erfgoedweken creëerden voor cultureel-erfgoedorganisaties tijdelijk ruimte om formats te testen zonder druk van permanente programmatie. Die try-outlogica stimuleerde innovatie, interne kruisbestuiving (tussen pakweg behoud en beheer en publiekswerking) en samenwerking tussen organisaties en scholen. Het gedeelde momentum voedde netwerken en kennisdeling.
Het afgebakende communicatiemoment werkte: scholen en erfgoedpartners herkenden het merk, voelden urgentie en planden samen. De combinatie van landelijke zichtbaarheid en lokale promotie werkte versterkend. De herhaling in een vast stramien maakte voor sommigen de opvolging lichter,
De Erfgoedweken vervulden een unieke, motiverende en verbindende rol. Ze zorgden voor innovatie, een breed bereik, samenwerking en zichtbaarheid van erfgoed
liet stagiairs en vrijwilligers vlot aanhaken en stimuleerde hergebruik en doorontwikkeling van activiteiten.
Maar leerkrachten zwemmen in initiatieven en platformen. Versnippering is het sleutelwoord; de juiste persoon bereiken op het juiste moment is moeilijk. Vooral in het secundair onderwijs zijn tijdsdruk en planning grote drempels. Wat werkt volgens de gesprekspartners? Persoonlijke contacten via lokale overlegplatformen, brugfiguren en gerichte communicatie via diverse onderwijskanalen (Klasse, Cultuurkuur, KlasCement, pedagogische begeleidingsdiensten, onderwijskoepels …).
Daarnaast: het aanbod koppelen aan eindtermen/ minimumdoelen en duidelijk maken hoe dit een leerkracht ontlast i.p.v. belast.
Grote erfgoedorganisaties hebben educatieve slagkracht maar daardoor niet altijd nood aan een dergelijk initiatief. Kleine spelers hebben goes-
ting maar missen vaak tijd, expertise, mensen of middelen. Wat werkt volgens de gesprekspartners? De autonomie om het eigen tempo en de schaal te kiezen, praktische toolkits, coaching en het delen van good practices. Structurele ondersteuning (bv. projectmiddelen, detachering leerkrachten, inzet stagiairs) helpt om verduurzaming te realiseren.
Het begrip ‘erfgoed’ is voor sommige leerkrachten vaag of wordt geassocieerd met vakken als geschiedenis of Nederlands. Daardoor worden kansen gemist in STEM, burgerschap, talen, mediawijsheid, kunstvakken en meer. Een expliciete taal en verhaallijn over wat erfgoed(educatie) is (en kan zijn) blijft nodig.
Bovendien blijkt dat een centraal digitaal platform helpt om zichtbaarheid, samenwerking en draagvlak voor erfgoededucatie te creëren in zowel de onderwijs- als erfgoedsector. Dit platform kan gebruikt worden om het volledige educatieve erfgoedaanbod samen te brengen of er minstens naar te verwijzen, om rechtstreeks te reserveren voor activiteiten, om inspiratie en kennis te delen, of om aan monitoring te doen.
Essentieel vindt men dat bij dit alles voldoende autonomie overblijft voor de (boven-)lokale erfgoedspelers om hun eigen digitale pad te bewandelen, naast het centrale pad. Hoe meer ingangen om leerkrachten te bereiken, hoe beter. Bovendien mag dit centrale platform geen keurslijf worden. Men ziet het als een mogelijke extra ondersteuning
voor erfgoedcellen, erfgoedorganisaties en individuele leerkrachten, niet als de enige manier om elkaar te vinden.
ERFGOEDWIJS ALS BAROMETER
Erfgoedwijs was een deelsite van KlasCement.net, een website met leermiddelen voor en door leerkrachten. Begin 2026 doofde Erfgoedwijs uit en werd deze site vervangen door een themapagina op KlasCement. Aangezien de samenwerkingsovereenkomst die FARO aanging met KlasCement voor de setup en ondersteuning van de deelsite Erfgoedwijs van start ging in september 2020, analyseerden we de data van Erfgoedwijs voor de kalenderjaren 2020 tot 2025.
Het feit dat FARO al in 2021 inzette op Erfgoedwijs heeft te maken met de sterke inhoudelijke focus van FARO in dat jaar op educatie en onderwijs. Zo publiceerde het steunpunt in 2021 het rapport De educatieve werking in cultureel erfgoed. Reflecties naar aanleiding van de veldtekening cultuureducatie In 2022 was het thema van Erfgoeddag ‘Erfgoeddag maakt school!’ en ging de eerste editie van de Erfgoedweken (toen nog één Erfgoedweek) van start. Vanaf 2023 bestonden de Erfgoedweken uit twee weken.
Erfgoedwijs toonde een groei in aantal leermiddelen: van 571 in 2020 tot 1.137 (t.e.m. oktober 2025), met een hoge performantie van downloadbaar lesmateriaal en video’s. De groei bleek niet rechtstreeks te verklaren door de komst van de Erfgoedweken. Een belangrijke vaststelling is dat sterke leermiddelen jarenlang hoog kunnen blijven scoren bij gebruikers van het platform (bv. themapakketten, klasspellen, samenwerkingen enz.). Conclusie: investeren in kwaliteit, didactische helderheid en curriculumkoppeling is een goed idee, net als het actueel houden van materialen, ook na tijdelijke expo’s. Een platform als KlasCement blijft dus voor erfgoedorganisaties strategisch zinvol om op in te zetten het jaar rond, maar vergt actieve redactie, ondersteuning voor erfgoedorganisaties en promotie via onderwijsnetwerken om het bereik te maximaliseren.
BELEID ONDER DE LOEP
Uit de doelstellingennota’s (2024–2028) die 75 cultureel-erfgoedorganisaties indienden bij het Departement Cultuur, Jeugd & Media zien we een duidelijke focus bij educatie en onderwijs: leerlingen en studenten aantrekken naar de ‘erfgoedplek’. Het omgekeerde – erfgoedexpertise naar de klas brengen – komt weinig concreet aan bod. Outreach staat vaak gelijk aan digitale ontsluiting; fysieke of cocreatieve klasinterventies blijven schaars. Maar betekent het feit dat de Erfgoedweken in zo goed als geen doelstellingennota in 2023 genoemd werden dat ze hun doel voorbijschoten? Vonden ze op een te kleine schaal plaats (zowel geografisch als
in de tijd)? Zaten ze (nog) niet top-of-mind bij de erfgoedorganisaties toen die de doelstellingennota’s indienden?
We stellen ook een beperkte vermelding vast van uitdagingen i.v.m. erfgoed en educatie in de doelstellingennota’s. Dit hoeft niet te betekenen dat ze er niet zijn. Eerder kan het erop wijzen dat de kennis over deze uitdagingen er niet is. Waarom dat zo is, kan dan weer te maken hebben met het feit dat men erfgoededucatie – en dan voornamelijk erfgoed naar de klas brengen – onvoldoende als noodzaak, prioriteit, behorende tot de eigen opdracht of mogelijkheid ervaart. Ondertussen zijn we een paar jaar en vier edities van de Erfgoedweken verder. Uit de gesprekken die we voerden bleek dat erfgoededucatie vandaag wel degelijk op de radar van de cultureel-erfgoedorganisaties staat. Bovendien is het ook zo dat deze doelstellingennota’s werden ingediend voor het bekomen van subsidies en daar ook naar geschreven zijn. Een duidelijke klemtoon van overheidswege op erfgoededucatie kan dan ook een bepalende invloed hebben op de aanwezigheid van erfgoededucatie in de beleidsplannen.
JAARLIJKSE EVALUATIES
Opvallend is dat verschillende noden en belemmeringen die in het rapport De educatieve werking in cultureel erfgoed (FARO, 2021) opgesomd staan en als basis dienden voor de organisatie van de Erfgoedweken, terugkeren bij de evaluaties die FARO jaarlijks opstelde. Op basis hiervan concluderen we dat, ondanks het enthousiasme en de tevredenheid van de vele deelnemers, de Erfgoedweken bepaalde doelen niet of onvoldoende bereikt hebben. Vooral duurzame samenwerkingsstructuren tussen erfgoed en onderwijs en het leggen van nieuwe contacten blijven uitdagingen. Het op de kaart zetten van erfgoededucatie bij cultureel-erfgoedorganisaties is wel gelukt. Het begrip ‘erfgoed’ is voor sommige leerkrachten vaag waardoor kansen worden gemist in STEM, burgerschap, talen, mediawijsheid, kunstvakken en meer. Een expliciete taal en verhaallijn over wat erfgoed(educatie) is (en kan zijn) blijft nodig
NAAR EEN DUURZAAM MODEL:
GELAAGD EN GEDEELD
De lessen over het Erfgoedweken-project wijzen richting een gelaagd model voor erfgoededucatie. Landelijk zorgen ze voor een merk (communicatie), focusmoment (zichtbaarheid, belang benadrukken), inspiratie en praktijkondersteuning, kennisdeling, datamonitoring en richting. De Erfgoedweken als landelijk communicatief focusmoment blijven belangrijk voor zichtbaarheid en herkenbaarheid (maar het aanbod van deze Erfgoedweken kan ruimer in de tijd beschikbaar zijn). Als strategisch bruggenbouwer kan het landelijk niveau de (cultureel-)erfgoedsector, onderwijssector, brede cultuursector en overheid samenbrengen. Doel hiervan is een draagvlak, afstemming, een gezamenlijke visie over en een beleid voor erfgoed- en cultuureducatie te creëren. Strategische bruggenbouwers sensibiliseren over het belang van erfgoededucatie en volgen nauwgezet ontwikkelingen in de sector en samenleving om de noden en uitdagingen tijdig te signaleren.
(Boven)lokaal gaat het over organisatie en uitvoering, kwaliteitsbewaking en matching. Lokale netwerken, persoonlijke contacten en lokale autonomie om op verschillende manieren in te spelen op lokale onderwijsnoden en opportuniteiten zijn cruciaal voor een duurzame verankering bij zowel scholen als erfgoedorganisaties. De praktische uitvoering en matchmaking voor erfgoededucatie werken het best op lokaal vlak.
VAN ERFGOEDWEKEN NAAR
WERKWIJZE
De kracht van de Erfgoedweken zat nooit enkel in de weken zelf. Het succes zit in de werkwijze: expertise in de klas, samenwerking als norm en kwalitatieve materialen die blijven werken. De evaluatie benadrukt dat de volgende stap verduurzaming is: structurele samenwerking met onderwijs,
integratie van digitale infrastructuur zonder extra eilandvorming, en data als sturingsinstrument. Dat kan alleen met gedeeld eigenaarschap: (boven-) lokaal waar het contact en de context zijn, landelijk waar merk, kennis en beleid het verschil maken. Erfgoededucatie is veel meer dan een project: een geheel van relaties, verhalen en vaardigheden die cultureel-erfgoedorganisaties samen met scholen, leerkrachten en leerlingen opbouwen.
Wat brengt de toekomst? FARO blijft zich inzetten voor erfgoed en onderwijs. Via onze website blijven we bestaande leermiddelen en leerpaden delen. Dat vele erfgoedorganisaties in de loop der jaren zich de Erfgoedweken eigen hebben gemaakt en er autonoom mee verder gaan, juichen we toe. We zullen deze initiatieven ook in de toekomst in de kijker blijven zetten. We delen ervaringen en hopen zo op de start van nieuwe Erfgoedweken-initiatieven. De termen 'Erfgoedweken' en 'erfgoedklasbakken' mogen immers vrij gebruikt worden. Ten slotte stellen we vast dat een verduurzaming van het thema ‘erfgoed en onderwijs’ mensen, middelen en een beleidsengagement vraagt. Er is nood aan: een gedeeld engagement van de departementen cultuur én onderwijs; middelen om mensen op dit thema te laten werken en middelen om een werking op dit thema te kunnen uitwerken.
Als steunpunt geloven we rotsvast in het belang van dit thema, maar hiervoor is een verregaand engagement van beleidsmakers en sectoren nodig. De conceptnota Kunst en cultuur voor elke leerling van de ministers van Onderwijs en Cultuur die op 27 maart 2026 door de Vlaamse Regering werd goedgekeurd, is alvast een stap in de goede richting. ■
Toen componist Luc Brewaeys op 18 december 2015 overleed, leefde zijn muziek verder. Zijn werk wordt nog geregeld uitgevoerd. Toch kriebelde het om iets spectaculairs te doen, iets 100 % Luc Brewaeys: een festival waarin zijn symfonieën opnieuw zouden klinken. Zo werd Fasten Seat Belts! Celebrating Luc Brewaeys 2025-2026 een muzikaal feest, waarin de levende muziekpraktijk en de zorg voor zijn muzikale nalatenschap elkaar in beweging brachten.
Melissa
Portaels
Opvallend voor de muziek van Luc Brewaeys is zijn totale overgave: hij wilde zoveel mogelijk laten klinken in één minuut. Het orkest was zijn speeltuin. De omvang en diversiteit van het orkest openden zo oneindig veel mogelijkheden waardoor hij zijn muzikale verbeelding de vrije loop kon laten. Zo maakte Brewaeys verrassende combinaties tussen instrumenten, liet hij de muzikanten de instrumenten op atypische wijze bespelen, introduceerde hij vreemde instrumenten of voorwerpen, gebruikte hij live elektronica om de klank van het orkest nog verder uit te breiden of te vervormen, en speelde hij met de waarneming van klank in de concertruimte. Hij ontwierp een geheel eigen, herkenbare muzikale taal. Vooral de wervelende rijkdom aan klankkleuren springt in het oor. Zoals de meeste muziek, maar in het bijzonder ook die van Luc Brewaeys, beleef je ze het best live.
De Luc Brewaeys Foundation wilde Brewaeys’ symfonieën in geen geval laten verstillen in archiefdozen. Dus begon het idee te rijpen om een festival te organiseren dat de ambitie had om al
zijn symfonieën opnieuw te laten uitvoeren. Sommige voor het eerst sinds hun creatie zo’n dertig jaar geleden, eentje zelfs voor het eerst in België.
NAAR ACTIEVE MUZIEKBELEVING
Het festivalidee groeide uit tot een gespreid herdenkingsseizoen dat de titel Fasten Seat Belts! Celebrating Luc Brewaeys 2025-2026 kreeg. Van november 2025 tot en met april 2026 plaatsten 23 concerten in Vlaanderen en Nederland de muziek van Luc Brewaeys centraal. Op één na, de vijfde, werden alle acht symfonieën uitgevoerd.1 Daarnaast klonken ook een concertante versie van zijn opera L’uomo dal fiore in bocca, het uitdagende werk Talisker dat tijdens Antwerpen 93 in de stationshal van Antwerpen-Centraal gecreëerd werd, naast enkele ensemblewerken. Heel wat concerten werden opgenomen en live of later op de radio uitgezonden. Door Brewaeys’ muziek te combineren met repertoire van zijn inspiratiebronnen zoals Debussy, Tsjaikovski en Beethoven, en met (nieuw) werk van jongere generaties componisten, zoals dat van Daan Janssens en Annelies Van Parys, liet Fasten Seat Belts! een divers publiek
kennismaken met Brewaeys’ nalatenschap. Bovendien leerden ook jonge muzikanten in de orkesten de muziek van Luc Brewaeys van binnenuit kennen. Het klarinettenkoor in Talisker bestond bijvoorbeeld helemaal uit studenten van de conservatoria van Brussel, Antwerpen en Gent. Componiste Annelies Van Parys, ooit zelf studente van Luc Brewaeys, zorgde dan weer voor een eigenzinnige voltooiing van zijn onafgewerkte achtste symfonie.2 Om dat te verwezenlijken moest ze een diepe duik in Brewaeys’ muzikaal archief nemen en analyseerde ze tal van andere partituren van Brewaeys’ hand. Ook tien jaar na zijn overlijden blijft zijn muziek inspireren.
ARCHIEF ALS ONSCHATBARE BRON
In de hele totstandkoming van het herdenkingsseizoen is het opvallend hoezeer de voorbereidingen van de concerten hand in hand gingen met de zorg voor Brewaeys’ artistieke archief. Drie grote noden lieten zich daarbij opmerken: de nood aan een goede ordening en duidelijke inventaris, de nood aan digitalisering en de nood aan inzicht in (het werk van) de componist.3
Fasten Seat Belts! Celebrating Luc Brewaeys was een collectief eerbetoon aan de Belgische componist Luc Brewaeys met concerten in Vlaanderen, Brussel en Nederland. Tien jaar na zijn overlijden sloeg de Belgische klassieke muzieksector de handen in elkaar om een quasi integrale van zijn symfonieën, zijn opera en heel wat andere composities opnieuw te laten klinken. De titel van de herdenking knipoogt naar het korte orkestwerk Fasten Seat Belts! Nightmare for Orchestra dat Luc Brewaeys in 1997 schreef, een plezierige uitdaging voor de muzikanten én het publiek. Een reizende tentoonstelling en een publicatie boden het publiek bijkomende context en verdieping bij de concerten.
De partners van Fasten Seat Belts waren Antwerp Symphony Orchestra, Belgian National Orchestra, Brussels Philharmonic, Casco Phil, Donemus, HERMESensemble, I SOLISTI, Koninklijke Muziekkapel van de Gidsen, Opera Ballet Vlaanderen, Symfonieorkest van de Munt, Symfonieorkest Vlaanderen, SPECTRA Ensemble, Youth Orchestra Flanders, Bozar, Concertgebouw Brugge, DE SINGEL, Klara, Klarafestival, MATRIX [Centrum voor Nieuwe Muziek] en Muziekcentrum De Bijloke.
Sinds 2022 wordt het artistieke archief van Luc Brewaeys beheerd en ontsloten door het Universiteitsarchief van de KU Leuven. Via de gepubliceerde inventaris ontdek je in een oogopslag wat erin zit: partituren en opnames, maar ook brieven, krantenknipsels, eigen werktoelichtingen en een ruime muziekbibliotheek met werk van andere componisten, waaronder enkele partituren van tijdgenoten met een opdracht aan Luc Brewaeys. Daarnaast hield Brewaeys zelf ook een rijk gedocumenteerd overzicht van zijn werken bij op zijn website www.lucbrewaeys.be. De inventaris en website bieden op een overzichtelijke manier inzicht in Brewaeys’ oeuvre en droegen zo bij aan de samenstelling van enkele programmatische lijnen in het herdenkingsseizoen. Welke werken werden nog niet in België gespeeld? Welk orkest heeft welke symfonie destijds gecreëerd? Welke stukken bleven onafgewerkt? Wat ontbreekt er om de stukken te voltooien? Van welke componisten hield Brewaeys werken bij in zijn eigen muziekbibliotheek, en welke werken zijn dat?
Het zwierige handschrift van Luc Brewaeys en de honderden dansende nootjes op één bladzijde spreken bij zowel kenners als muziekleken tot de verbeelding
Daarnaast bleek het archiefmateriaal ook zeer waardevol voor de communicatie rond het event. Op de Instagram- en Facebookpagina van de Luc Brewaeys Foundation werd vooruit- en teruggeblikt op de concerten, maar werden volgers ook een seizoen lang meegenomen op een trip down memory lane doorheen het leven en werk van de componist, met informatieve weetjes, archieffoto’s, beeldfragmenten uit al dan niet handgeschreven manuscripten en audiofragmenten uit het radioarchief.
De manuscripten van de acht symfonieën en opera waren ook het vertrekpunt van de pop-uptentoonstelling die MATRIX [Centrum voor Nieuwe Muziek] voor deze concertreeks maakte. Meestal krijg je als luisterpubliek de noten achter de muziek niet te zien. Zonde, want het zwierige handschrift van Luc Brewaeys en de honderden dansende nootjes op één bladzijde spreken bij zowel kenners als muziekleken tot de verbeelding. Voor elke symfonie en de opera werden zorgvuldig een of meerdere details uit de partituur gekozen, die telkens weer een ander aspect van Brewaeys’ muzikale taal uitlichtten. Waar in de eerste panelen in de pop-uptentoonstelling de partituurfragmenten nog handgeschreven zijn, duikt in de laatste panelen digitale muzieknotatie op.
VAN ARCHIEFDOOS NAAR PUPITER
Brewaeys’ compositieproces voltrok zich volledig in zijn hoofd: van een vaag klankidee tot de uitwerking in concrete muzikale parameters zoals toonhoogte, melodieën, akkoorden. Hij maakte geen schetsen of kladversies. Het feitelijke schrijven van de noten op papier vormde de laatste stap en slechts een klein onderdeel binnen zijn creatieve proces. Toch mocht
die fase niet worden onderschat: een duidelijk handschrift en uiterste precisie waren onmisbaar om alle details van zijn gelaagde muziek te noteren. Vanaf de zevende symfonie zou daar nog een volgende stap bijkomen: het overzetten van de muziek in ‘Sibelius’, een digitaal muzieknotatieprogramma. Van sommige werken werden zo hybride versies van de partituur bewaard: deels digitale muzieknotatie, deels handgeschreven.
Van Brewaeys’ eerste vier symfonieën bestonden tot voor het herdenkingsseizoen geen digitale partijen. Ondanks zijn onberispelijke handschrift zorgen de complexiteit en densiteit van zijn muzikale taal én notatie ervoor dat de manuscripten van zijn symfonieën onvoldoende toegankelijk zijn voor verdere uitvoeringen. Orkesten spelen vandaag immers van digitale partijen. Om ze opnieuw te kunnen laten uitvoeren, moesten de partituren en het speelmateriaal van deze symfonieën eerst gedigitaliseerd worden. Daarvoor kon de Luc Brewaeys Foundation rekenen op de expertise van de Nederlandse muziekuitgeverij Donemus, gespecialiseerd in hedendaagse digitale muziekuitgaves en ook vertegenwoordiger van het werk van heel wat Vlaamse componisten. Sinds 2014 was Donemus ook Brewaeys’ uitgever.
Gevraagd naar wat de partituren van Brewaeys van andere componisten onderscheidt, is dat volgens
‘Een mooi monster’, noemde een van de orkestbibliothecarissen zo’n partituur ooit
Davo van Peursen en Aleksandra Marković van Donemus de zeer gedetailleerde notatie, de fraseringen, dynamische aanduidingen en complexe ritmes. “Bovendien gaf Brewaeys elk instrument een eigen partij”, licht Davo toe. “In traditionele symfonische werken kunnen gelijke instrumenten op één balk gecombineerd worden, in Brewaeys’ muziek gaat dat niet.” Typisch voor de bladspiegel van Brewaeys’ muziek is de verticale en horizontale concentratie: veel notenbalken, veel maten op één pagina. “De proef op de som genomen heeft een gemiddelde partituurpagina van Luc Brewaeys een doorlooptijd van zo’n 30 seconden, terwijl dat voor een doorsnee symfonisch werk slechts 16,5 seconden is.” “‘Een mooi monster’, noemde een van de orkestbibliothecarissen zo’n partituur ooit”, weet Aleksandra. Ze voegt er nog aan toe dat Brewaeys’ partituren vaak gedetailleerde performance notes bevatten met instructies voor de uitvoering. “Die kunnen gaan over een bijzondere plaatsing van de muzikanten in het orkest of bijzondere richt-
lijnen over hoe de instrumenten gestemd moeten worden. Helaas blijven die performance notes niet altijd samen met de partituur en moest er in het archief gezocht worden naar missing pieces.”4
TUSSEN DE NOTENBALKEN
Luc Brewaeys maakte er een prioriteit van om alle details van zijn muziek zo zorgvuldig mogelijk in de partituur te noteren. Tegelijk zijn ze een soort van black box en heeft wie ermee aan de slag wil een harde noot te kraken. Met het oog op de heruitvoering van de symfonieën interviewde de Luc Brewaeys Foundation een aantal mensen die Luc Brewaeys goed gekend hebben of nauw met hem samengewerkt hebben. In die getuigenissen kwamen evoluties en rode draden in zijn muziek naar boven die een beter inzicht in zijn muzikale taal gaven. Tegelijk leren de gesprekken ons heel wat over wie Luc Brewaeys voor anderen was en hoe zij zijn werkproces ervaarden, hoe hij met uitvoerders samenwerkte, hoe de werken tijdens hun creatie tot stand kwamen en hoe bepaalde omschrijvingen in de partituur geïnterpreteerd moeten worden.
Van de zeven interviews werden samenvattende artikels gepubliceerd op Luc Brewaeys’ website. De transcripties, audio- en video-opnames van de integrale interviews werden toegevoegd aan het Luc Brewaeys archief, waar ze een verdere bijdra-
ge kunnen leveren aan het onderzoek naar en de uitvoering van zijn muziek. In het kader van het herdenkingsseizoen droegen ze alvast bij aan de gelijknamige publicatie Fasten Seat Belts!, die net als de pop-uptentoonstelling werd samengesteld door MATRIX. ■
» Melissa Portaels is musicoloog en werkt als collectie-expert muziek voor Artes KU Leuven Bibliotheken en MATRIX [Centrum voor Nieuwe Muziek], waar ze ook instaat voor de ontwikkeling van o.a. tentoonstellingen. Daarnaast is ze lid van de Luc Brewaeys Foundation.
» Bronnen en literatuur
1. De vijfde symfonie, Laphroaig, genoemd naar een bekende whiskystokerij op het Schotse eiland Islay, vraagt een groot orkest, naast een kamerorkest, twee dirigenten, live electronics en een uitgebreide percussiesectie. Een logistieke en financiële uitdaging dus. Het is niet gelukt om die gespeeld te krijgen. Een live concertopname met het Antwerp Symphony Orchestra o.l.v. Patrick Davin en Filip Rathé uit 2019 werd wel volledig uitgezonden op Klara tijdens een special op de dag van Luc Brewaeys’ overlijden.
2. De compositie-opdracht voor de voltooiing van de achtste symfonie kwam er dankzij een gulle bijdrage van de VZW Vlaamse Muziek en Musicus.
3. In 2024-2025 was ‘Luc Brewaeys’ Symphonic Legacy’ een van de 25 pilootprojecten nalatenschappen kunstenerfgoed, waarbij de Vlaamse Gemeenschap projecten rond artistieke nalatenschappen ondersteunde met projectsubsidies. Binnen dit project kon de Luc Brewaeys Foundation de digitalisering van Brewaeys’ symfonieën en de interviews rond Brewaeys’ werkproces realiseren. Het project steunde op de nauwe samenwerking van alle partners: Stichting Donemus Beheer, MATRIX [Centrum voor Nieuwe Muziek], CEMPER [Centrum voor Muziek en Podiumerfgoed] en het Universiteitsarchief van de KU Leuven. Zie www.lucbrewaeys.com/nl/legacy-project. Het departement Cultuur, Jeugd & Media, FARO en Kunstenpunt bundelden de ervaring uit alle 25 pilootprojecten in een publicatie met aanbevelingen en tips in de omgang met artistieke nalatenschappen.
Wat als … erfgoed zou kunnen spreken? Een hypothetische, maar interessante vraag. Want welke verhalen zouden we dan kunnen ontdekken?
“Vlamingen hebben uitstekend haar, want het wordt gevoed en gevet door bier.” Aldus een artikel uit de beroemde Encyclopédie van Diderot en d’Alembert. Menselijk haar was zeer gewild voor pruiken, en dan met name haar uit Vlaanderen, “omdat daar veel bier gedronken wordt.” Wat er ook van zij, deze pruik blijkt uit paardenhaar gemaakt, een goedkopere grondstof. Dat is het besluit van het labo ProGenTomics van de UGent, dat het haar van de pruik onderzocht op eiwitten. Het was dus een toupet voor ‘alledaags gebruik’ en dus allicht niet uit een elitair milieu afkomstig.
Het Merghelynck Museum in Ieper is het enige museum in Vlaanderen dat geheel aan de 18e eeuw is gewijd. Een eeuw die bekendstaat als ‘de pruikentijd’. Het museum heeft dan ook tientallen portretten van bepruikte dames en heren. Bovendien zit er in de collectie ook deze authentieke herenpruik. Een uniek object: geen enkele van de collega’s in Vlaanderen en Brussel (waaronder de modemusea) heeft een gelijkaardig voorwerp. Hoewel pruiken tot de Franse Revolutie in 1789 decennialang een onontbeerlijk onderdeel waren van de dagelijkse garderobe, zijn er
nauwelijks exemplaren bewaard gebleven. Het is een mooie illustratie van hoe voorwerpen uit de alledaagse realiteit amper hun weg vonden naar erfgoedverzamelingen.
Je merkt het: een fascinerend onderwerp uit een bijzondere periode. Aanleiding voor het Merghelynck Museum om de tentoonstelling Pronken met pruiken op te zetten, die nog tot 13 september 2026 loopt. Een pruikenmaakster vervaardigde een tiental pruiken die op de portretten in het museum figureren. Zo kan de bezoeker ook in 3D kennismaken met de look-and-feel van laat-17e-eeuwse en 18e-eeuwse pruiken. ■
» Door: Dominiek Dendooven, wetenschappelijk medewerker bij Musea Ieper.
KWETSBARE KENNIS
Wat gebeurt er wanneer je 500 erfgoedprofessionals samenbrengt onder één dak? Dan krijg je een schat aan verschillende blikken, ervaringen en nieuwe gezichten. Het Groot Onderhoud draait immers om meer dan alleen luisteren naar een spreker op een podium. Het succes zit ook in de informele ontmoetingen tijdens de netwerkmomenten en de uitwisseling van ideeën tijdens de deelsessies. Wie erbij was, zag een sector die leeft, verbindt en elkaar versterkt.
Op 2 juni 2026 was de Bijlokesite in Gent het toneel van de 15e editie van het Groot Onderhoud, de jaarlijkse netwerkdag van de cultureel-erfgoedsector. Met 500 deelnemers – een nieuw record – was het erg druk in Muziekcentrum De Bijloke en het STAM.
Net zoals de voorbije jaren was er een protocollaire opening, met welkomstwoorden van de schepen van Cultuur van gaststad Gent, de secretaris-generaal van het Departement Cultuur, Jeugd & Media en een interventie door Vlaams minister van Cultuur Caroline Gennez. FARO-directeur Olga Van Oost zette de toon van het thema, Kwetsbare kennis, met het verhaal van Bouvard en Pécuchet, de hoofdrolspelers uit de gelijknamige roman uit 1881 van Gustave Flaubert. Tussendoor kwam belangenbehartiger OCE zijn bezorgdheid over de (budgettaire) toekomst delen. Traditiegetrouw waren er ook twee keynotes, van beredderingsexperte Elke Selter en filosoof Simon Truwant. En ook zomaar even vijftien parallelsessies, over heel uiteenlopende aspecten van het thema. Zowel over de impact van AI als over de rol van Wikipedia, de kennis in emoties en geluid tot de kracht van belichaamde kennis. Rode draad in dit alles was de vraag hoe we
de kennis in en over onze sector kunnen vrijwaren, versterken, delen en vervolledigen.
En alsof al die inhoud nog niet genoeg was, zorgden twee muzikale interventies voor spektakel. Berlinde Deman bespeelde de serpent – een eeuwenoud en in de vergetelheid geraakt blaasinstrument – en hypnotiseerde het publiek. Na de lunch nodigde cabaretier, muzikant en volkszanger Wim Claeys de deelnemers uit om hun stembanden te smeren met vuile en minder vuile Genssche liedses van beroemde Gentenaars Romain De Coninck, Karel Waeri en Walter De Buck.
Als slot van de dag was er de viering van 25 jaar Erfgoeddag. Samen met iedereen die Erfgoeddag, vroeger en nu, gemaakt heeft tot wat het vandaag is: dé hoogdag van het cultureel erfgoed. Speciaal voor de gelegenheid bracht comedian Henk Rijckaert zijn lichtvoetige Watdefakisdees live, samen met wetenschapswatcher Hetty Helsmoortel én met hulp van het publiek. ■
» De verslagen, presentaties, teksten en foto’s van deze en alle voorgaande edities vind je op hetgrootonderhoud.be.
VAN WETENSCHAPPELIJK
ONDERZOEK
NAAR TENTOONSTELLING
w ONDERLAND IN HET YPER MUSEUM
Academia en de museumsector vinden elkaar steeds vaker.1 In de erfgoedsector groeit het besef dat onderzoek dé basis vormt. En onderzoekers willen hun resultaten delen met het publiek. Een ‘match made in heaven’. De inspiratienota Erfgoedonderzoek en kennisontwikkeling (2024) en de laatste bijeenkomst van STEEDS (2026) onderzoeken die relatie. Ook bij het lopende project van het Yper Museum komen de uitdagingen en kansen naar boven.
Hannelore Franck
Op 20 juni 2026 opende in het Yper Museum de tentoonstelling wONDERLAND. Archeologie die de middeleeuwen op z’n kop zet. De expo, waarin het (natuur) wetenschappelijke onderzoek naar middeleeuws Ieper centraal staat, is onderdeel van het onderzoeksproject Bits and Bones. Daarvoor ontvingen we een driejarige projectsubsidie van de Vlaamse overheid.2 Het project heeft twee grote doelstellingen: de grote, archeologische collectie van het Yper Museum registreren en het vernieuwende, wetenschappelijke onderzoek naar het publiek brengen. Voor de eerste doelstelling is een projectmedewerker aangeworven die de archeologische collectie onderzoekt en registreert. Het onderzoek van de kennisinstellingen naar het publiek brengen gebeurt via de tentoonstelling.
EEN VERTROUWENSBAND OPBOUWEN Het project startte met enkele vaststellingen. Eén: er lopen verschillende wetenschappelijke onderzoekstrajecten naar middeleeuws Ieper vanuit archeologisch standpunt. Zowel aan de KU Leuven, de VUB en de UGent als bij het agentschap Onroerend Erfgoed vindt er baanbrekend onderzoek plaats. Twee: door de vernielin-
gen tijdens de Eerste Wereldoorlog is archeologie de voornaamste informatiebron voor de geschiedenis van Ieper. Drie: bij het brede publiek is er een grote interesse in archeologie. Dat bewijzen opendeurdagen bij opgravingen telkens opnieuw.
Vanuit het museum stapten we dus naar de kennisinstellingen met de vraag: ‘Mogen we een tentoonstelling maken met jullie onderzoeksresultaten?’ Er stelde zich al onmiddellijk een eerste probleem: onderzoek heeft tijd nodig, veel tijd. Dat is logisch, maar vanuit museaal standpunt wil je het ijzer smeden als het heet is en de publieksinteresse hoog. Onmiddellijk na de opgraving dus. En dus vroegen we toegang tot ongepubliceerde onderzoeksresultaten. Die kregen we, van de ene partner al wat makkelijker dan van de andere. Maar laten we duidelijk zijn: dat is voor geen enkele onderzoeker vanzelfsprekend. Voor hen is publicatie essentieel. Hoe we die toestemming dan toch hebben gekregen? Door een vertrouwensband op te bouwen.
Dat vertrouwen krijg je uiteraard niet vanaf dag één: je start best met kleinschalige samenwerkingen. De voorbije jaren zette het Yper Museum sterk in op archeologie. Zo was er de tijdelijke tentoonstelling Graven in de stad, het project
Onderzoek heeft tijd nodig, veel tijd. Dat is logisch, maar vanuit museaal standpunt wil je het ijzer smeden als het heet is
Open Hart van Ieper en het participatieproject Zeven naar de zeventiende eeuw. We bouwden dus een stevig palmares op rond publiekswerking en archeologie, waardoor het vertrouwen gaandeweg kon groeien.
Vooral het Labo van de archeoloog was een goede testcase. Daarbij maakte onze jongerenwerking een documentaire over het natuurwetenschappelijk onderzoek op Iepers skeletmateriaal aan de KU Leuven en de VUB. Een eerste poging om complexe, natuurwetenschappelijke onderwerpen toegankelijk te maken. We leerden dat dat laatste een vak apart is. Wij noch de onderzoekers hebben daarvoor de nodige expertise in huis. Voor wONDERLAND deden we voor de wetenschappelijke uitleg een beroep op twee wetenschapscommunicatoren: Hetty Helsmoortel en Jacotte Brokken.
Bij de start van het project maakten we heldere afspraken. De partnerfiche bij de projectsubsidie was daarvoor een handige tool. Kort samengevat: de onderzoekers engageerden zich om ongepubliceerde data te delen en een hoofdstuk voor het boek te schrijven. Wij verzekerden vertrouwelijk gebruik, zorgden ervoor dat de juiste credits in de tentoonstelling werden opgenomen en coördineerden de publicatie van het boek. Helder en vanzelfsprekend.
Alleen bleken sommige termen niet voor iedereen hetzelfde te betekenen. Waar we in de museumwereld steevast de eigenaar, rechtenhouder en maker noteren bij elk object, hebben we niet de gewoonte om bij elk onderzoeksresultaat de onderzoekers bij naam te noemen. Daarvoor zijn museale teksten simpelweg te kort. Maar voor onderzoekers is net dat cruciaal, zeker voor ongepubliceerd materiaal.
Op zo’n moment is het belangrijk de lijn open te houden en begrip te tonen voor elkaar. Gelukkig was het euvel snel opgelost: alle onderzoeksprojecten worden benoemd in het colofon van de tentoonstelling en in het bijhorende boek is wel plaats om de onderzoekers te crediteren. Ook geven we via een lezingenreeks alle onderzoekers een forum om hun verhaal zelf met het publiek te delen. Het blijft tenslotte hun onderzoek en daar zijn ze terecht trots op.
BETROKKENHEID EN TIMING ZIJN
CRUCIAAL
Samenwerken met onderzoekers verschilt niet zo hard van participatief werken met andere stakeholders: het is een afweging tussen tijdsin-
vestering, betrokkenheid en haalbaarheid. Onderzoekers zijn doorgaans echt bereid hun kennis te delen en zijn bovendien enorm betrokken. Dat zorgt soms voor frictie, vooral als de gemaakte keuzes niet hun persoonlijke keuzes zijn.
Zo is veel onderzoeksmateriaal museologisch moeilijk te vertalen, zoals grondplannen, coupes of vondsten die gefotografeerd zijn, maar nadien niet geconserveerd. Wetenschappelijk enorm boeiend, maar in een tentoonstelling heb je 3D-objecten nodig om een verhaal mee te maken. Onze tip? Leg altijd goed uit waarom je bepaalde beslissingen maakt, ga in dialoog en hou de onderzoekers op de hoogte. Zo zagen ze als eerste het campagnebeeld en ook de scenografie kregen ze in primeur te zien.
Bij de start was een timing afgesproken, maar een project wijzigt in de looptijd. Plots vielen zowat alle deadlines samen en was er nog een belangrijke subsidiedeadline voor de universiteiten op hetzelfde moment. Uiteindelijk is alles goed gekomen, maar de timing hadden we dus beter op voorhand grondiger doorgesproken en bij elke wijziging opnieuw afgetoetst met de onderzoekers. Dat had ons wat kopzorgen bespaard.
Soms word je ook in snelheid gepakt. Toen in 2025 de grafelijke burcht van Ieper werd gevonden, kwam al snel de vraag om ook dat verhaal in de tentoonstelling te brengen.3 Alleen was dat onhaalbaar qua timing. Maar de verwachtingen waren hoog. En dus brengen we het verhaal van de vondst en maken we aan de bezoeker duidelijk dat het onderzoek nog loopt. Ook dat kan onderdeel van het verhaal zijn.
We wilden de partners niet overbelasten en beperkten bewust het aantal contactmomenten. We vroegen om specifieke input en wisselden fysieke en digitale vergaderingen af. Maar de betrokkenheid was hoger dan we zelf hadden ingeschat. Achteraf gezien hadden we de onderzoekers nog meer kunnen betrekken, ook voor allerhande details. Toets daarom altijd ideeën af en ga een open dialoog aan. Het eindresultaat kan er alleen maar beter van worden.
WETENSCHAPPELIJKE VERSUS
MUSEALE COLLECTIES
Ook de registratie van de archeologische collectie bracht uitdagingen met zich mee. De collectie bevindt zich op het raakvlak tussen onroerend en roerend erfgoed. Dat betekent andere prioriteiten en een andere wetgeving.
Twee jaar geleden hebben we onze insignecollectie uitgebreid bestudeerd en geregistreerd. Aanvankelijk namen we dat als startpunt. Alleen bleek dat al snel onhaalbaar: de insignes zijn een klein geheel (204 stuks) waarvan de basisregistratie in orde was. Bovendien is de oorsprong van de collectie wel archeologisch, maar behoren de insignes niet tot een archeologisch ensemble.
De archeologische ensembles zijn een heel andere kwestie: ze omvatten het geheel van vondsten die bij een archeologische opgraving worden verzameld. En dan gaat het al snel over duizenden stuks per opgraving. Bovendien ligt de eerste doelstelling in het bijhouden ervan en ter beschikking stellen voor wetenschappelijk onderzoek. Een engere definitie dus dan bij een museum, dat erfgoed bewaart en ontsluit voor huidige en toekomstige generaties.
De collectie bevindt zich op het raakvlak tussen onroerend en roerend erfgoed. Dat betekent andere prioriteiten en een andere wetgeving
Er moest dus een middenweg gezocht worden. De basisregistratie blijft beperkt en er wordt in bulk geregistreerd. De vondstnummers van tijdens de opgraving vormen het uitgangspunt. Maar individuele stukken met een hoge museale waarde worden wél individueel geregistreerd, waarbij aandacht is voor een verdiepende registratie. In een volgende fase staat de import van die gegevens in MuseumPlus centraal.4 Ook daar zullen nog aanpassingen en bijsturingen nodig zijn. Maar de basis is gelegd. ■
» De tentoonstelling is nog te bezoeken tot 11 april 2027: www.ypermuseum.be/nl/wonderland.
» Hannelore Franck is wetenschappelijk medewerker bij het Yper Museum en verantwoordelijk voor het onderzoeksproject Bits and Bones.
Hoe vergaat het landgenoten die in de wijde wereld in de cultureel-erfgoedsector werken? Nayla Maaruf is conservator-restaurator van fotografie en kunstwerken op papier bij het New Orleans Museum of Art in de Verenigde Staten.
Hoe ziet je werkweek eruit?
“Die verschilt sterk van week tot week. Er zijn periodes waarin ik vooral aan mijn bureau werk, bijvoorbeeld aan rapporten, onderzoek of beursaanvragen. In andere weken ben ik nauwelijks op kantoor te vinden en ondersteun ik de opbouw van tentoonstellingen in de zalen of werk ik in het labo aan de conservatie en restauratie van objecten. Daarnaast werk ik afwisselend op twee locaties: het museum en het depot. Dat zorgt voor veel variatie, maar maakt ook dat ik sommige collega’s soms een tijdlang niet zie, afhankelijk van waar mijn werk me op dat moment brengt.”
Wat zijn de uitdagingen in je werkveld?
“Oorspronkelijk koos ik voor het beroep van conservator-restaurator omdat ik graag met kunstobjecten werk. Vaak vergt dat werk een hoge concentratie en ook technische kennis, en speelt het zich af in een labo-omgeving. In de praktijk blijkt echter dat ik minder tijd aan restauratieprojecten besteed dan verwacht. Een belangrijk deel van mijn functie bestaat uit een waaier van administratieve en strategische taken, zoals budgetaanvragen, fondsenwerving en de communicatie over de noden van de collectie met verschillende stakeholders en andere betrokkenen. Dat strategische en mensgerichte luik is essentieel om goed collectiebeheer mogelijk te maken, maar het vraagt andere vaardigheden dan het werk met objecten zelf. De grote uitdaging schuilt voor mij in de zoektocht naar het evenwicht tussen deze taken en het directe werk met materialen. Dat laatste is voor mij de kern en blijft ook de grootste voldoening van het vak. Ik neem aan dat die spreidstand voor heel wat collega’s in het werkveld herkenbaar is.” (glimlacht)
Heb je nog tips voor je collega’s in België?
“Wees flexibel en creatief. Conservatie- en restauratiebanen zijn relatief schaars in vergelijking met andere werkvelden. Wie bereid is om zijn of haar blik te verruimen en open te staan voor uiteenlopende kansen, kan binnen dit vak een bijzonder gevarieerde loopbaan uitbouwen. Ik heb altijd gesolliciteerd voor functies over de hele wereld die me inhoudelijk interessant leken, ook wanneer ze niet meteen aansloten bij mijn oorspronkelijke toekomstbeeld. Met een open geest en engagement kan dit beroep veel mogelijkheden en avontuur bieden.” ■
Thelma & Louise, Bassie & Adriaan, Tom & Jerry, Timon & Pumbaa, Calvin & Hobbes, Lilo & Stitch, Barbie & Ken, Frodo Baggins & Samwise Gamgee, SpongeBob & Patrick: allemaal iconische duo’s uit de popcultuur. Zie je de een, dan is daar ook de ander. Hetzelfde geldt voor machines en vaardigheden. Het ene kan niet zonder het andere. Zonder vaardigheden om haar te bedienen is de machine onvolledig, een decorstuk als het ware. Zonder machine weten vaardigheden geen blijf met zichzelf.
Is de machine vaak robuust en stevig, de vaardigheden die ermee gepaard gaan zijn dat niet. ‘Kwetsbaar’ en ‘fragiel’ zijn als omschrijving meer op hun plaats. Hoe houden we ze levend? Hoe zorgen we ervoor dat de machine blijft draaien? Deze vragen lopen als een rode draad door dit dossier.
Aanleiding voor dit dossier was de internationale conferentie Big Stuff, die van 14 tot 17 oktober '25 plaatsvond in Gent, met als thema Skills & Machines - a living partnership, georganiseerd door ETWIE, expertisecel voor technisch, wetenschappelijk en industrieel erfgoed en het Industrieumuseum. Omdat wat daar besproken werd interessant en relevant is voor de brede cultureel-erfgoedsector.
Wat lees je in dit dossier?
» Vakmanschap, wat betekent dit begrip? En wat hebben de opkomende makerspaces hiermee te maken? Vic Bervoets stelt scherp.
» Alison Wain, oprichter van het Big Stuff-netwerk, en Pieter Neirinckx, collectie- en onderzoeksmedewerker bij het Industriemuseum, gaan dieper in op het belang van internationale netwerken en de impact ervan op het lokale veld.
» Rodney Harrison, keynotespreker op de conferentie, is kritisch over hoe we als erfgoedwerkers de dingen willen redden, vaak koste wat het kost. Dat is niet duurzaam. Hoe kan het anders?
» Vakmanschap kan op vele manieren geborgd worden, we zoomen in op drie methodes.
» We leggen je drie prikkelende stellingen voor over evenveel hete hangijzers rond vakmanschap. Een expert biedt hierbij bijkomend voer voor reflectie.
» Gesproken over hete hangijzers: wat doen we met erfgoed dat het gebruik van steenkool vereist, of andere fossiele brandstoffen? De medewerkers van het Science and History Museum in Manchester doen uit de doeken hoe zij decarbonisatie aanpakken.
» Om af te sluiten werpen we een licht op het netwerk dat nodig is om vakmanschap door te geven. Welke rol spelen de vrijwilliger, de onderzoeker, de wetenschappelijk medewerker, de vakpersoon zelf en de atelierbegeleider in dit proces?
Met de inzichten uit de Big Stuff-conferentie als leidraad nodigt dit dossier je uit om mee te kijken over de schouder van iedereen die meebouwt aan de theorie en de praktijk, op zoek naar een duurzame toekomst voor ons (technisch en industrieel) erfgoed. ■
Elien Doesselaere
BEELDVERSLAG
VUILE HANDEN, FONKELENDE OGEN
199 mensen uit 20 landen, waarvan 112 in Gent, 16 in Perth en 71 online: zoveel deelnemers telde de Big Stuff-conferentie vorig jaar in oktober. Dat is bijna een verdubbeling ten opzichte van vorige edities.
Davy Herremans
Het was geen klassieke vierdaagse in één zaal, maar een dynamisch parcours met als uitvalsbasis het Industriemuseum in Gent, en haltes in Oostende en het Zuiderpershuis in Antwerpen. Goed voor 29 lezingen, 12 excursies – naar musea, werkplaatsen en vrijwilligersinitiatieven, machines moeten immers geroken, gevoeld en ervaren worden – een workshop, de filmpremière van Focus Vakmanschap, een museumnacht in het Industriemuseum en drie interactieve discussies tussen België, Australië en het online publiek.
Het thema Skills & Machines - a living partnership kwam letterlijk tot leven in demonstraties en workshops, waar vakmensen hun kennis deelden met vuile handen en fonkelende ogen. Kijk zelf maar. ■
Hoe zorg je ervoor dat vakmanschap niet verdwijnt? Het is een vraag die leeft bij vakmensen én erfgoedwerkers. Praktische kennis staat steeds meer onder druk. Tegelijk zien we in Vlaanderen iets nieuws opkomen: makerspaces, gedeelde ruimtes waar mensen samen maken. Wat is vakmanschap vandaag en hoe kan dit nieuwe potentieel een antwoord bieden?
Vic Bervoets
Maar waarover spreken we als we het hebben over ‘vakmanschap’? Een lastige vraag. Zoals David Pye, ontwerper en meubelmaker, in 1968 al schreef: “Nobody is prepared to say where craftsmanship ends and ordinary manufacture begins. It is impossible to find a generally satisfactory definition for it in face of all the strange shibboleths and prejudices about it which are acrimoniously maintained. It is a word to start an argument with.”1 Hoewel hij het uiteraard over het Engelse craftsmanship heeft, is ditzelfde sentiment zeker ook van toepassing op het Nederlandse ‘vakmanschap’. Gaat vakmanschap enkel over kennis en kunde verbonden aan het maken van fysieke dingen? Of kan een softwaredeveloper ook een vakmens zijn, of een journalist, of een poetshulp? En wie bepaalt of de opgedane kennis en kunde van een voldoende hoog niveau is om te spreken van ‘vakmanschap’?
Een centraal element dat altijd terugkomt is het belang van specialisatie en verdieping. Vakmanschap bouw je op door oefening en herhaling, door falen en opnieuw proberen. Amerikaans
Gaat vakmanschap enkel over kennis en kunde verbonden aan het maken van fysieke dingen? Of kan een softwaredeveloper ook een vakmens zijn, of een journalist, of een poetshulp? En wie bepaalt of de opgedane kennis en kunde van een voldoende hoog niveau is om te spreken van ‘vakmanschap’?
filosoof Richard Sennett beschrijft dit als de kern van craftsmanship: enkel door herhaling kan je de praktijk en de techniek echt leren kennen, kan je er meester over worden.2 Verder is het van belang om het begrip binnen deze context toch af te bakenen tot een vorm van tactiele kennis, een vorm van belichaamde kennis, zoals Sennett beschrijft, die
moeilijk in woorden te vatten valt.3 Het gaat hier over kennis en kunde rond het maken of herstellen van fysieke objecten. Dit proces is gekenmerkt door de interactie met materiaal. Zoals de antropoloog Tim Ingold duidt, is maken altijd een wisselwerking tussen maker, materiaal en gereedschap.4 Hierbij is het noodzakelijk om als maker ook het materiaal te voelen en te volgen, een praktische vaardigheid die je enkel ontwikkelt door veelvuldig proberen, falen en opnieuw proberen.
VAKMANSCHAP VANDAAG
De maatschappelijke druk op praktische kennis en kunde is vandaag zeer tastbaar. Een concreet
voorbeeld is de verhoging van de inschrijvingsgelden voor ‘hobby-opleidingen’ bij CVO’s.5 Deze hobby’s bleken vaak ambachtsopleidingen, trajecten waarin technische kennis en kunde centraal staan die niet een-op-een afgestemd zijn op de noden van de arbeidsmarkt. Als maatschappij leggen we de nadruk steeds meer op efficiëntie, op snelheid en reproduceerbaarheid; elementen die vaak net haaks staan op het zelf fysiek creëren, maken of herstellen.
Dit is allerminst een nieuwe evolutie. Al in 1944 klaagde kunstenares Anni Albers de marginalisering van ambachtelijke kennis en kunde aan.6
Dit volgt onder andere op het werk van John Ruskin en William Morris binnen de Arts & Crafts Movement van het einde van de 19e eeuw. In het discours van Ruskin, Morris en Albers komt een romantisch ideaalbeeld van wat vakmanschap is naar voren. Dat ideaalbeeld zien we ook terug bij hedendaagse denkers, zoals Sennett.7 Het staat in schril contrast met maatschappelijke ontwikkelingen waarin minder en minder ruimte is voor traagheid en herhaling – typisch voor de ontwikkeling van vakmanschap. Er is een gevoel van verlies verbonden aan een groeiende afstand tussen maker, materiaal en eindproduct. Een term die hierbij regelmatig terugkomt, is die van ‘vervreemding’. Het verlies van vakmanschap zorgt voor een verlies van voeling met de (materiële) wereld waarin we leven.
De maatschappelijke druk op praktische kennis staat in contrast met de opkomst van een nieuw veld waarin maken ook centraal staat. Sinds 2014 is er in Vlaanderen een opkomst merkbaar van het aantal makerspaces: ruimtes waarin mensen samenkomen en gereedschap, machines en kennis delen om fysieke objecten te maken.8 Wat echter opvalt is hoe de term ‘vakmanschap’, net als bijvoorbeeld ‘ambacht’, weinig tot niet aanwezig is in het discours van deze nieuwe organisaties. Tegelijk zien we dat mensen en organisaties, die zich wel verbinden met deze termen, zich terughoudend opstellen ten opzichte van deze maakplekken. Het gevoel bestaat dat de kern van deze gedeelde ruimtes beter valt te beschrijven als ‘knutselen’ of ‘tinkering’. Dit is toch iets anders dan de gespecialiseerde kennis die nodig is om te spreken van vakmanschap? Maar bestaat er geen mogelijkheid waarbij de twee ‘velden’ elkaar kunnen versterken?
Er is een gevoel van verlies verbonden aan een groeiende afstand tussen maker, materiaal en eindproduct. Een term die hierbij regelmatig terugkomt, is die van ‘vervreemding’. Het verlies van vakmanschap zorgt voor een verlies van voeling met de (materiële) wereld waarin we leven
Wat doen mensen nu in deze nieuwe ruimtes en valt dat te benoemen als ‘vakmanschap’? In deze tekst gaat het in de eerste plaats om open maakplekken, organisaties waarbinnen een breed publiek welkom is en kan beginnen maken. Het archetypische voorbeeld hiervan zijn fablabs, een afkorting van fabrication labaratories. Het zijn ruimtes met een hoogtechnologische invulling zoals 3D-printers, lasercutters … gecombineerd met standaardgereedschap zoals schroevendraaiers, zagen en hamers. Hiernaast zijn er ook andere invullingen van open maakplekken, bijvoorbeeld organisaties gericht op textiel met enkel naaimachines en geen verdere technologie. Het is dus een breed veld, maar in de diversiteit zijn gelijkaardige dynamieken te zien. Om te participeren in de ruimte is er geen nood aan specialisatie. Centraal staat net dat iedereen welkom is, mensen zonder enige achtergrondkennis en ervaren makers. Dit komt sterk naar voren in het discours van de Maker Movement, het kader waarbinnen de term makerspace is ontstaan. Dale Dougherty en Ariane Conrad, twee van de bezielers van de beweging, verwoordden het als volgt: “What we once called hobbyists, tinkerers, artists, inventors, engineers, crafters – all of them are makers.”9 Het maakproces is de gemene deler, de interactie tussen materiaal, maker, gereedschap, maar ook de ruimte en de gemeenschap waarin ze zich bevinden.
Het valt niet te zeggen dat alle makers actief in een makerspace vakmensen zijn. Het is net de bedoeling dat ook mensen met weinig tot geen achtergrond de ruimtes kunnen betreden met als belangrijkste doel om zelf te leren. Net in die kennisdeling zit de kern van wat een maakplek is of kan zijn. Niet alleen de ruimte, het gereedschap en de machines zijn gedeeld, ook de aanwezige kennis. Van participanten wordt verwacht dat ze anderen in de ruimte helpen wanneer gevraagd, en dat iedereen zijn ervaring, kennis en kunde ten dienste stelt van de groep. In die zin ontstaat er een nieuwe gemeenschap, een groep mensen die samenkomt door een gedeelde passie of interesse in maken. Daardoor gaan ze in gesprek met elkaar, en wisselen ze kennis uit. In deze wisselwerking is er geen vaste structuur van ‘meester’ en ‘leerling’, maar kan iedereen de twee rollen afwisselend innemen, afhankelijk van de basis die elk individu met zich meeneemt. Deze dynamiek beschrijft pedagoog Etienne Wenger als een praktijkgemeenschap.10
POTENTIËLE BIJDRAGE VANUIT
MAKERSPACES
Is er dan vakmanschap in makerspaces? En kan dit nieuwe veld van makerspaces een bijdrage
leveren aan de problematiek geschetst aan het begin van deze tekst? De antwoorden op de twee vragen zijn niet eenduidig. Er kán zeker vakmanschap aanwezig zijn, maar dit is afhankelijk van zij die de ruimte gebruiken om iets te maken, er is dus geen zekerheid dat in elke makerspace vakmensen zijn. Maar is de aanwezigheid van vakmanschap in deze ruimtes noodzakelijk om bij te dragen aan de geschetste problematiek rond de verhoogde druk op vakmanschap? Ik geloof van niet. Zoals Sennett het benoemt, is herhaling noodzakelijk om ooit tot vakmanschap te komen. Kennis en kunde moeten zich ontwikkelen, elke maker moet dat opbouwen, het is niet inherent of aangeboren. Voor iemand zich kan ontwikkelen tot vakmens, is het noodzakelijk om te beginnen maken, om in aanraking te komen met fysiek materiaal. Ook is het belangrijk om in contact te komen met anderen van wie je kan bijleren. Makerspaces kunnen net daarvoor, zowel fysiek als figuurlijk, een laagdrempelige ruimte aanbieden. Zoals socioloog David Gauntlett stelt, is maken altijd een sociaal proces.11 Makerspaces zijn gebouwd op het sociale element van maken, het collectieve proces staat centraal. In één ruimte zijn verschillende makers aanwezig met elk hun eigen projecten, maar toch zullen ze samen maken, door uit te wisselen, door elkaar te helpen en eventueel door elkaar te stimuleren tot het opbouwen van een vorm van vakmanschap. ■
Vind dit boek in de
» Vic Bervoets is doctoraatsstudent aan Universiteit Antwerpen en KU Leuven. Zijn doctoraatsonderzoek maakt deel uit van het interdisciplinaire project Crafting Futures
» Bronnen en literatuur
1. D. PYE, The nature and art of workmanship, Londen, The Herbert Press, 1995, p. 22.
2. R. SENNETT, The Craftsman, Londen, Penguin Books, 2008, p. 38-40.
3. R. SENNETT, The Craftsman, p. 50-52.
4. T. INGOLD, ‘Making Culture and Weaving the World’, in: P. GRAVES-BROWN (ed.), Matter, Materiality and Modern Culture, Londen, Routledge, 2000, p. 63-64.
5. J. TRUYTS, ‘Avondles Spaans of kookcursus in volwassenenonderwijs wordt fors duurder, opleiding voor knelpuntberoep goedkoper’, op https://www.vrt.be/ vrtnws/nl/2025/05/23/opleidingen-volwassenenonderwijs-duurder-goedkoper-demir-gennez/
6. A. ALBERS, ‘One aspect of work’, in: Design, 46 (1944) 4, p. 90-93.
7. T. CROMBEZ, De steenhouwer en de robot, Borgerhout, Letterwerk, 2019, 18-32.
8. V. BERVOETS, Makerspaces in Vlaanderen en Brussel: verkenning van een opkomend veld, Antwerpen, Crafting Futures, 2025.
9. D. DOUGHERTY en A. CONRAD, Free to Make: How the Maker Movement is changing our schools, our jobs, and our minds, Berkeley, North Atlantic Books, 2016, p. XV.
10. E. WENGER, Communities of Practice: Learning, Meaning and Identity, Cambridge, University Press, 1998.
11. D. GAUNTLETT, Making is Connecting: The social power of creativity, from craft and knitting to digital everything, Cambridge, Polity Press, 2018, 10.
HET BELANG VAN INTERNATIONALE NETWERKEN
GROTE EN KLEINE MACHINES
Sinds 2004 vestigt het Big Stuff-netwerk internationale aandacht op erfgoed dat vaak over het hoofd wordt gezien: reusachtige, maar ook kleinere, complexe machines. We gingen in gesprek met de oprichtster van Big Stuff, de Australische Alison Wain, en Pieter Neirinckx, collectie- en onderzoeksmedewerker bij het Industriemuseum Gent, over het belang van internationaal samenwerken, de impact ervan op de lokale sector en de sterkte van deze gemeenschap.
Bart Vanacker
Hoe is Big Stuff ontstaan?
Alison: “Aansluitend op de Metal 04 conferentie van ICOM CC (International Council of Museums - Committee for Conservation) in Canberra in 2004 bleef ik met enkele deelnemers een paar dagen langer om van gedachten te wisselen over zogeheten Big Stuff. Aanleiding was dat de meeste deelnemers metalen vooral beschouwden in de context van statische dingen: gebouwen of kleinere objecten. Niemand dacht echt na over grote objecten die bewegen en zeer complex zijn, laat staan over de afzonderlijke materialen in zo’n machine. Tijdens die bijeenkomst wilden we het hebben over de complexiteit van die objecten en hun veelheid aan materialen. Zo werd het zaadje geplant van Big Stuff, een internationaal netwerk voor mensen die gepassioneerd zijn door zeer complexe objecten. Dat kan industrieel erfgoed zijn zoals hoogovens, waarbij het gebouw zelf de machine is. Aan de andere kant van het spectrum vind je witgoed, elektronische objecten, transportmiddelen of pakweg een ziekenhuisbed. Een voor een vallen ze onder de definitie van Big Stuff.”
Pieter: “De brede scope van Big Stuff sloopt de schotten tussen conservator, restaurator en publiekswerker in musea. Zij werken allemaal rond hetzelfde object, maar bekijken het object door hun eigen bril. Big Stuff brengt die verschillende disciplines samen en doet ze met elkaar praten.”
Wat is de relevantie van dat soort erfgoed vandaag?
Alison: “De meeste grote machines uit het verleden draaiden op fossiele brandstoffen. Het verhaal waarom we er ooit op ingezet hebben (en waarom we er dus ook vanaf stappen) blijft belangrijk om te kennen. Daarnaast denk ik dat dit erfgoed gepaard gaat met een enorme hoeveelheid aan vaardigheden en kennis die we in de toekomst nodig hebben. Zelfs als we – hopelijk – weggaan van fossiele brandstoffen, blijft kennis over gassen, vloeistoffen en hoe metalen zich gedragen bij verschillende temperaturen waardevol. Het draagt ook bij aan welzijn en enthousiasme. Mensen werken er graag aan mee. Zoals elk ander deel van de geschiedenis vertelt het ons iets over onszelf, over identiteit en afkomst.”
Pieter: “Mechanisch erfgoed wordt vaak genegeerd in vergelijking met gebouwd erfgoed. Sommige musea besteden aandacht aan machines, maar het erfgoed ervan krijgt niet dezelfde formele erkenning. Big Stuff heeft een ruimte gecreëerd waarin mensen ook dit type erfgoed, namelijk machines, serieus nemen.”
Waarom is een internationale organisatie zo belangrijk?
Alison: “Omdat het nergens een heel grote community is. En omdat objecten vaak landsgrenzen overschrijden: ze worden op één plek gemaakt en naar de andere kant van de wereld verscheept.
Mechanisch erfgoed wordt vaak genegeerd in vergelijking met gebouwd erfgoed. Sommige musea besteden aandacht aan machines, maar het erfgoed ervan krijgt niet dezelfde formele erkenning
Australië heeft veel machines die in Europa of Amerika zijn gemaakt, en omgekeerd. Het is dus een uitermate internationaal verhaal. Gebouwen worden meestal lokaal gebouwd, met lokale materialen. Je verscheept zelden beton of bakstenen over de hele wereld. Machines daarentegen worden vaak gepatenteerd, op één plek geproduceerd en elders geassembleerd. Voor kleinere landen zoals België is het netwerk extra waardevol, omdat er elders vaak meer gespecialiseerde kennis en bedrijven zijn.”
Pieter: “Zeker in een regio als Vlaanderen bleek de expertise voor het restaureren van machines
begin deze eeuw schaars. Neem nu de herbestemming van textielfabriek De Porre in Gentbrugge, met als blikvanger de restauratie van de aanwezige stoomturbine. In Vlaanderen kwamen we al snel uit bij industriële schoonmaakbedrijven die vooral op esthetische ingrepen zoals zandstralen en overschilderen focusten. Door internationaal te kijken en expertise uit het buitenland te betrekken, werd gekozen voor een meer doordachte restauratieaanpak waarbij niet alleen het reinigen, maar ook de betekenis, zichtbaarheid en educatieve waarde van de turbine centraal stonden. Zo werd de machine deels opengesteld voor bezoekers, wat niet alleen de technologie zichtbaar maakte, maar ook verborgen schade en historische ingrepen aan het licht bracht.”
Op welk vlak maakte het netwerk een wezenlijk verschil?
Pieter: “Herbestemming! Het Industriemuseum zet hierop al decennia in. In de jaren 1970 en 1980 heerste sterk het gevoel: we moeten redden wat er te redden valt. Er werden veel fabrieken gesloopt, alles was urgent, en als een museum het niet binnenhaalde, verdween het naar de schroothoop. Dat leidde tot een verzamelstrategie waarin alles werd veiliggesteld, zonder altijd te kunnen nadenken over wat dat op lange termijn betekende. Pas later beseften we dat iets bewaren niet hetzelfde is als het echt redden. Veel grote machines stonden jarenlang in depots die daar eigenlijk niet voor geschikt waren. Zeker stoommachines, met hun enorme volume en specifieke noden, bleken een zware last. Vanaf ongeveer 2007 groeide het inzicht dat gerichter verzamelen noodzakelijk was. In plaats van alles binnen te halen, werd vaker gekozen voor in-situbehoud, waarbij musea hun kennis delen zonder zelf eigenaar te worden. Internationale netwerken spelen daarin een cruciale rol: ze maken zichtbaar waar elders al exemplaren bewaard zijn, welke types echt zeldzaam zijn en waar expertise zit. Dat helpt om bewustere keuzes
te maken en te vermijden dat elk museum hetzelfde, ruimteverslindende object probeert te redden.”
Machines bewaren is een ding, wat met de bijhorende vaardigheden?
Pieter: “Technische kennis en kunde zijn uniek. Je hebt mensen die hun hele leven met bepaalde machines hebben gewerkt, die weten hoe ze klinken, hoe ze ruiken en die het direct merken wanneer er iets mis is, nog voor er echte problemen opduiken. Dat is kennis die je niet zomaar uit een boek haalt.”
Alison: “Het probleem is dat beroepsonderwijs vooral inzet op grootschalige, moderne beroepen. Erfgoedgerichte opleidingen verdwijnen. Daarom onderzoeken we universitaire trajecten met stages bij gespecialiseerde ateliers.”
Hoe borg je zo’n kennis?
Pieter: “We hebben dat indertijd geprobeerd door instructies te filmen. Maar als je zo’n opleidingsfilmpje bekijkt en je je daarna aan een machine zet, blijkt dat toch nog een heel ander verhaal. Plots bleken allerlei instructies te ontbreken of had de filmmaker al voorkennis waardoor bepaalde stappen werden overgeslagen. Daarom ligt de nadruk nu veel meer op het werken met de machines zelf, het aanleren en de kennisoverdracht van mens op mens met praktijkervaring. Het meester-leerlingtraject van de Vlaamse overheid, waarbij vakmanschap wordt doorgegeven, speelt daarop in (dat liep van 2018 tot 2023, red). De combinatie van zien, proberen en begeleid oefenen werkt veel beter om kennis door te geven.”
Wat zijn volgens jullie de belangrijkste uitdagingen voor de toekomst?
Alison: “We werken momenteel aan een project aan mijn universiteit (University of Canberra, red.) waarin we onderzoeken hoe mensen fossiele brandstoffen
Foto van de fabriekszaal met kaardes of kaardmachines in UCO Brugge.
Detail van een turbogenerator van het compacte type van machinebouwer ACEC in Gent. Een turbogenerator is een stoomturbine gekoppeld aan een alternator, voor het opwekken van elektriciteit.
gebruiken voor hun machines. Daarbij kijken we naar hoeveel brandstof ze verbruiken en welke soorten brandstoffen en smeermiddelen worden gebruikt. Ons doel is om deze volumes in kaart te brengen, zodat we hierover in gesprek kunnen gaan met producenten van alternatieve brandstoffen.”
Pieter: “Een grote uitdaging is de realistische inschatting van wat vrijwilligers kunnen. Vroeger kreeg een leerling jaren de tijd om meester te worden, nu verwachten we dat een vrijwilliger op een jaartje de machines onder de knie krijgt. Dat is niet realistisch. Grondstoffen om machines te doen draaien worden ook moeilijker te verkrijgen. Machines maken vaak deel uit van een aaneengeschakelde productieketen. De output of het halffabricaat van de ene machine is de input van de volgende machine. Dat wordt wel eens vergeten. Wij konden bijvoorbeeld lange tijd een beroep doen op het Gentse textielbedrijf UCO voor laprollen voor de kaardmachine, maar intussen bestaat UCO niet meer. De moderne textielindustrie levert wel nog laprollen, maar die zijn niet meer compatibel met onze oude, veel kleinere kaardmachine. Bij steenkool zie je hetzelfde probleem. Niet elk type steenkool is geschikt voor elke stoommachine. Het Big Stuff-netwerk schiet opnieuw te hulp, want we ontdekten in Engeland een museum dat wel nog de juiste laprolmachine heeft die ze bovendien demonstreren. Het resultaat daarvan kunnen wij afnemen en gebruiken in onze machines. Hun probleem is onze oplossing. Zij demonstreren het ene deel en wij het andere. Zo versterkt het netwerk elkaar en is de volledige productieketen weer gedekt.”
Alison: “Internationaal is het een kleine community, dus samenwerking is cruciaal. Zeker nu fossiele brandstoffen schaarser, duurder en reputatiegevoelig worden, moeten we nadenken over conversies. In Australië zijn er bijvoorbeeld stoomtreinverenigingen die zijn overgeschakeld van steenkool naar olie, niet alleen vanwege de CO2-emissies, maar ook omdat de vonken uit het steenkoolvuur het brandgevaar langs de spoorlijnen vergrootten. We moeten samenwerken om betere manieren te vinden om machines te bewaren en, waar gewenst, te laten draaien.” ■ bigstuffheritage.org
» Bart Vanacker is freelanceauteur, gespecialiseerd in industrieel erfgoed.
Met Big Stuff 2025 (van 14 tot 17 oktober 2025) kozen ETWIE en Big Stuff Heritage resoluut voor het experiment. Voor het eerst was de conferentie hybride, met een parallelle hub in het Australische Perth én levendige, interactieve discussies via het web.
Liesbet Daeninck en Davy Herremans
Die hybride formule werkte: meer deelnemers, nieuwe gezichten en een groter internationaal bereik. De online optie verlaagde de (financiële) drempel en de digitale opnames zorgden ervoor dat de gesprekken bleven doorwerken, na de conferentie en ook buiten het deelnemersveld.
Toch bleef de wereldkaart ongelijk ingekleurd. Het zwaartepunt lag opnieuw bij Europa, Oceanië en Noord-Amerika, het vertrouwde Big Stuff-publiek. De hub in Perth bood een waardevol lokaal ankerpunt, maar met slechts zestien deelnemers bleef de schaal beperkt. De ambitie om écht nieuwe regio’s structureel te betrekken vraagt meer dan een livestream: het vraagt lokale trekkers en nieuwe samenwerkingen.
De grote kracht van deze editie zat in het uitbreken uit de zaal. Een bewuste keuze, maar wel een intensieve. Meerdere locaties, hubs en vier dagen excursie kruipen in de kleren en vergen veel organisatie. De return is echter enorm. Internationale deelnemers ontdekten de Vlaamse en Australische erfgoedsector van dichtbij. Vrijwilligers en vakmensen kregen een internationaal podium dat ze anders niet zouden hebben, of waar ze uit eigen initiatief niet op waren gekomen.
Discussies zoals de Ghent meets Perth-sessie over het doorgeven van technisch vakmanschap creëerden een tastbaar gevoel van verbondenheid over continenten heen, iets wat in de evaluaties sterk werd gewaardeerd. Maar één les stak erbovenuit: erfgoed draait om mensen. Online deelnemers misten de spontane gesprekken en de energie van samen onderweg zijn. Hybride versterkt het netwerk, maar vervangt fysiek contact niet.
Voor sommigen maakte online deelnemen de conferentie financieel haalbaar. Tegelijk bleek hybride organiseren intensief en kostelijk. Ook het ecologische verhaal blijft dubbel: netwerken blijft een reden om te reizen, getuige de Australiërs die naar Gent kwamen.
Big Stuff 2025 was geen perfecte formule, maar wel een moedige stap vooruit. Een internationale erfgoedgemeenschap groeit door te bewegen, tussen lokaal en globaal, tussen zaal en scherm, tussen machine en mens. ■
Liesbet Daeninck en Davy Herremans zijn resp. communicatiemedewerker en coördinator bij ETWIE.
De vragen die we ons stellen over de toekomst van vakkennis ontstaan niet in een vacuüm, maar weerspiegelen de maatschappelijke verschuivingen van deze tijd. Vakkennis navigeert vandaag tussen het borgen van traditionele kennis en kunde, veranderende milieu-eisen, de wetten van de markt, enz. Aan de hand van drie stellingen verkennen we deze maatschappelijke tendensen. We formuleren mogelijke antwoorden en geven daarbij het –wellicht niet – laatste woord aan een expert.
Door: Liesbet Daeninck en Davy Herremans
DILEMMA’S ROND VAKMANSCHAP
“Culturele waarde moet zwaarder doorwegen dan economische waarde bij het stimuleren en doorgeven van vakkennis en vakmanschap.”
Je kan niet alles in cijfers vatten. Erfgoed gaat in de eerste plaats over mensen: het versterkt gemeenschappen, brengt generaties samen en voedt een gevoel van verbondenheid. Daarin kan ook vakmanschap een krachtige schakel zijn. Inzetten op het doorgeven van vakkennis betekent dus niet alleen investeren in vaardigheden relevant voor de economie of arbeidsmarkt, maar ook in het sociale weefsel en het collectief geheugen.
De markt alleen is geen betrouwbare graadmeter voor wat maatschappelijk waardevol is. Erfgoed heeft een publieke waarde die verder gaat dan economische logica. Als we het behoud ervan alleen laten afhangen van winstgevendheid, lopen we het risico dat waardevolle kennis en tradities onherroepelijk verloren gaan.
Dat betekent niet dat het culturele en het economische elkaar uitsluiten. Integendeel: culturele erkenning kan net de voedingsbodem vormen voor economische waardering. Wanneer ambachten en technieken zichtbaar worden gewaardeerd om hun culturele betekenis, groeit ook de bereidheid om ze actief te ondersteunen. Bijvoorbeeld via tijdelijke subsidies of trajecten zoals meester-leerlingprogramma’s. Zulke initiatieven versterken niet alleen de gemeenschap rond een vak, maar geven het vakmanschap ook de zuurstof om zich op termijn opnieuw economisch te verankeren.
Vakmanschap kan niet uitsluitend op culturele waarde drijven. Zonder economische basis blijft het kwetsbaar en afhankelijk van tijdelijke subsidies en de inzet en passie van vaak vergrijzende erfgoedgemeenschappen. Dat maakt het moeilijk om kennis duurzaam door te geven en nieuwe generaties aan te trekken.
Bovendien is het belangrijk te erkennen dat veel van wat we vandaag als ‘erfgoedvaardigheden’ beschouwen ooit gewoon werk was. Ambachten en technische vaardigheden maakten deel uit van een economisch systeem waarin vakmensen werden betaald voor hun expertise. Die realiteit is niet verdwenen: ook nu nog moeten beoefenaars hun praktijk verantwoorden in termen van tijd, kosten en opbrengsten.
Dat betekent niet dat er voor elk type vakmanschap een brede markt bestaat. Maar toch: binnen sommige domeinen is die vraag duidelijk aanwezig, zoals in de restauratiepraktijk, waar gespecialiseerde kennis schaars is. Dat tekort legt een probleem bloot, maar wijst ook op kansen voor wie zich in deze vaardigheden wil verdiepen.
Daarnaast evolueert vakmanschap ook mee met zijn tijd. Traditionele technieken duiken steeds vaker op in nieuwe contexten, bijvoorbeeld in hedendaags design of architectuur, waar authenticiteit en ambacht opnieuw gewaardeerd worden. Ook duurzaamheid speelt daarin een rol, met aandacht voor herstel, hergebruik en lokale materialen. Zo blijft erfgoed echt levend en ontstaan er nieuwe toepassingen die vakmanschap opnieuw economisch relevant kunnen maken.
Niet elke erfgoedvaardigheid laat zich echter vertalen naar een rendabele praktijk. Sommige technieken zullen verdwijnen als er geen economische basis (meer) voor is.
REFLECTIE
Jorijn Neyrinck, coördinatie en internationale werking Werkplaats immaterieel erfgoed
In de stelling lijken de culturele en economische waarde tegenover elkaar te staan. Dat binaire spanningsveld is weinig productief. Ambachten bewegen altijd in meerdere waarderingskaders tegelijk: ze zijn cultureel betekenisvol, economisch potentieel relevant, sociaal verbindend, ecologisch inspirerend ...
Als levendige erfgoedpraktijken dragen ze tegelijkertijd bij aan werk, innovatie, duurzaamheid en levenskwaliteit. De uitdaging ligt er net in om beter met die meervoudigheid om te gaan. Want het knelpunt vandaag is niet zozeer dat culturele waarde te weinig doorweegt, maar dat waarderingskaders te vaak naast elkaar blijven bestaan.
Het gaat dus niet om ‘meer cultuur of economie’, maar eerder om het creëren van bruggen tussen de verschillende benaderingen. Dat is ook het uitgangspunt geweest om in Vlaanderen enkele jaren geleden een interdisciplinair en intersectoraal project te ontwikkelen rond ambachten – Crafting Futures – dat hierop inzet.
Wanneer ambachten kunnen resoneren binnen verschillende domeinen – van onderwijs en welzijn tot circulaire economie – ontstaat er een robuuster ecosysteem. Dan gaat het niet alleen over makers als ondernemers vandaag en over het doorgeven van belichaamde kennis als praktijkwijsheid. Dan gaat het ook om nieuwe inzichten en oplossingen die daarmee gevonden kunnen worden; en ook over maken als
vorm van welzijn, levenswijze of menselijke verbondenheid ...
In die zin ligt de toekomst van vakmanschap niet in het kiezen van één dominante waarde, maar in het erkennen en activeren van die gelaagde waarden. Net daar zit ook de sleutel tot duurzaamheid – sociaal, cultureel, economisch en ecologisch. ■
OVER TOEKOMSTGERICHT ERFGOEDWERK
“Veel conserveringspraktijken zijn simpelweg niet duurzaam”
“Museumprofessionals moeten niet langer koste wat het kost redden wat er te redden valt.” Dat is de confronterende boodschap die hoogleraar Heritage Studies Rodney Harrison heeft voor musea en erfgoedorganisaties.1 Erfgoedwerk gaat voor hem immers niet om morgen of om de volgende generatie. Neen, Rodney Harrison denkt in termen van ‘deep time’. Met dit concept plaatst hij erfgoed(werk) in de immense geologische tijdschaal van de aarde, die miljarden jaren omvat en de menselijke tijdservaring ver overstijgt.
Bart Vanacker
Om te beginnen: welke rol kan de cultureel-erfgoedsector spelen in de huidige klimaatcrisis?
“Musea zijn vertrouwde plekken voor informeel onderwijs. Ze kunnen mensen helpen begrijpen wat er met het klimaat gebeurt en waarom we ons gedrag moeten veranderen. Dat geldt in het bijzonder voor industriemusea die de geschiedenis van de industrialisatie documenteren die ons tot dit punt heeft gebracht. Als co-principal investigator van het Horizon Europe/UKRI-project PITCH2 onderzoek ik hoe erfgoedorganisaties en musea de Europese Green Deal (een reeks beleidsinitiatieven van de Europese Unie om
Europa tegen 2050 klimaatneutraal te maken, red.) kunnen ondersteunen. Klimaatverandering en wat daar direct mee samenhangt, namelijk raciale en sociale rechtvaardigheid, zijn voor musea en andere erfgoedorganisaties – en bij uitbreiding voor iedereen − de belangrijkste thema’s van het moment. We moeten erkennen dat het hele erfgoedconcept zélf deel uitmaakt van de geschiedenis en dat oude erfgoednarratieven die ongelijkheid in stand houden.”
Leg dat eens uit?
“Musea zijn in de koloniale periode letterlijk uitgevonden om verschil te produceren, om
raciale en culturele hiërarchieën te bevestigen. Het idee van ‘ras’, zoals het toen werd gebruikt, is een museale uitvinding: een instrument om mensen te classificeren en ongelijk te behandelen. Daarom is de Unesco-verklaring uit 1951 nog steeds zo belangrijk: er bestaat maar één ras, het menselijke ras. Toch blijven de mechanismen van onderscheid en uitsluiting op basis van ras, klasse of gender ons erfgoed beïnvloeden.”
Hoe moet de sector omgaan met die erfenis?
“De cultureel-erfgoedsector heeft een bijzondere verantwoordelijkheid om kritisch met die erfenis om te gaan. Musea uit de 18e en 19e eeuw vertelden niet alleen verhalen over beschaving, maar ook over menselijke uitzonderlijkheid: dat de mens boven de natuur staat, dat we de wereld kunnen beheersen en dat vooruitgang ons onderscheidt van andere wezens. Die gedachte, dat mensen losstaan van de natuur, heeft diepgaande gevolgen gehad voor hoe we met de wereld omgaan en leidde tot de huidige klimaatcrisis.
Musea moeten die erfenis onder ogen zien. De oude verhalen over ‘beschaving’ en ‘vooruitgang’ voeden nog steeds hedendaagse nationalistische en raciale mythes: makkelijke, troostrijke verhalen voor mensen die zich buitengesloten voelen. In werkelijkheid zijn ze ontworpen om macht te behouden en kritiek af te leiden van waar het echt om gaat: geld, invloed en ongelijke toegang tot hulpbronnen.”
Wat kan de sector doen?
“Een van mijn grote zorgen is dat de erfgoedsector de klimaatcrisis vaak ziet als een aansporing om te doen wat hij altijd al deed: conserveren en risico’s in kaart brengen, maar dan met een extra moreel mandaat. De klimaatnoodsituatie verandert echter het hele speelveld. Ze zet alles op zijn kop. De culturele sector heeft een essentiële rol te spelen in die transformatie door mensen te informeren, door hen de urgentie van de groene transitie te helpen begrijpen, maar ook door hen een ruimte te bieden waar ze met elkaar in gesprek kunnen gaan over wat hen raakt. Hoe? Daarvoor bestaat geen universele oplossing. Wat ik vooral probeer te doen, is goede praktijken zichtbaar maken opdat anderen kunnen nadenken of iets past bij hun eigen context. Mensen bedenken dan zelf wat ze willen doen. Het draait om bewustwording, samenwerking en betrokkenheid van iedereen, van baliemedewerkers en vrijwilligers tot curatoren.”3
Louter conserveren volstaat dus niet altijd. Maar wat dan wel?
“De erfgoedwereld heeft tot nu toe te weinig nagedacht over de samenhang tussen natuur- en
Musea uit de 18e en 19e eeuw vertelden ook dat we de wereld kunnen beheersen en dat vooruitgang ons onderscheidt van andere wezens. Die gedachte, dat mensen losstaan van de natuur, heeft diepgaande gevolgen gehad voor hoe we met de wereld omgaan en leidde tot de huidige klimaatcrisis
cultuurbehoud, en over hoe die elkaar beïnvloeden. In het Heritage Futures-project, waarin we verschillende vormen van conservering hebben vergeleken, ontdekten we dat wat bij de ene werkt bij de andere flopt.4 Een belangrijke conclusie van dat onderzoek was dat veel conserveringspraktijken simpelweg niet duurzaam zijn. Ze kosten heel veel, zowel in geld als in tijd en middelen. Daarom moeten we keuzes maken over wat we wél en niet behouden, waarin we willen investeren en waarop we onze energie en aandacht richten. Een van de belangrijkste taken voor de erfgoedprofessionals van de toekomst is mensen helpen om verandering te begrijpen. We moeten nieuwe manieren vinden om te communiceren over verandering zodat gemeenschappen leren hoe ze ermee kunnen omgaan.”
Kan documenteren een alternatief bieden? “Ik maak me ernstig zorgen over conservering door documentatie. De afgelopen decennia is documenteren te vaak een synoniem geworden voor conserveren. We registreren, fotograferen en digitaliseren, maar dat vervangt niet de betekenis die erfgoed heeft voor de gemeenschappen zelf. Mensen hebben vaak hun eigen waarden, herinneringen en emoties verbonden aan plekken of objecten, en die kan je niet zomaar vastleggen
Een van mijn grote zorgen is dat de erfgoedsector de klimaatcrisis vaak ziet als een aansporing om te doen wat ze altijd al deed: conserveren en risico’s in kaart brengen, maar dan met een extra moreel mandaat
in een database. We zeggen vaak dat we werken ‘namens de gemeenschap’, maar doen we dat echt? Of werken we soms meer voor onszelf? We moeten ons afvragen wat onze verantwoordelijkheid is tegenover de gemeenschappen die echt om deze plekken geven – emotioneel, en soms zelfs financieel – terwijl die plekken verdwijnen door klimaatverandering. We richten ons vaak op kustgebieden, maar er zijn ook andere landschap-
We zeggen vaak dat we werken ‘namens de gemeenschap’, maar doen we dat echt? Of werken we soms meer voor onszelf?
pen waar erfgoed versneld wordt aangetast. Wat is dan onze rol? Hoe kunnen we die gemeenschappen ondersteunen?”
Hoe dan?
“De creatieve sector biedt inspiratie. De Deense en Britse kunstenaars Lise Autogena en Joshua Portway maakten samen het project Foghorn Requiem, een muzikaal eerbetoon aan het verdwijnen van het geluid van misthoorns langs de Britse kust. De componist Orlando Gough schreef muziek voor drie koperblazers en een vloot van ruim vijftig schepen die hun scheepshoorns lieten klinken. Het concert werd georganiseerd rond de Souter Lighthouse voor een eenmalige, plaatsgebonden uitvoering.5 Dit project is interessant voor museumprofessionals omdat het laat zien dat er ook andere manieren zijn om verlies te herdenken. Misschien zijn zulke rituele of artistieke vormen van afscheid zelfs waardevoller dan pogingen om alles koste wat
het kost te behouden. In Groot-Brittannië bijvoorbeeld worden nu veel vuurtorens verplaatst omdat de kliffen eroderen. Peperdure projecten waarvan de vraag is of ze op lange termijn houdbaar zijn. Ik ben niet tegen conservering, maar ik pleit voor een eerlijk gesprek over de grenzen ervan. Dat gesprek kan ongemakkelijk zijn, vooral voor museumprofessionals die gewend zijn om altijd te redden wat er te redden valt. Maar soms moeten ze zich afvragen of ze niet gewoon het leven verlengen van iets en of ze niet op een andere manier betekenis kunnen geven aan erfgoed.”
Kunnen we in Europa leren van wat in andere continenten gebeurt?
“Verschillende delen van de wereld hebben verschillende benaderingen. Dat heeft veel te maken met de nationale geschiedenis van de relatie met fossiele brandstoffen. Een van de redenen dat we in onze door Horizon Europe gefinancierde studie de term petrocultures gebruiken, is dat er in Noord-Amerika een levendig academisch debat is ontstaan over de rol van petroleum. De opkomst van olie en petroleum wordt er namelijk geassocieerd met de naoorlogse welvaart, de auto-industrie en het idee van moderniteit. De periode waarin de Verenigde Staten een wereldmacht werd, viel samen met het tijdperk van de olie. Dat staat in schril contrast met het verhaal van Europa, waar steenkool, aardgas en olie andere betekenissen kregen. Het hoogtepunt van het Europese impe-
rium lag eerder, in de 19e eeuw, toen steenkool onlosmakelijk verbonden werd met imperiale grootheid, met een positief, trots beeld van de industriële macht van het rijk. Die geschiedenis wordt vaak nog steeds met trots verteld, als een tijd van vooruitgang. De verhalen over olie en gas zijn daarentegen minder heroïsch. Ze hebben niet die glans van imperialistische hoogtijdagen, ook al waren ze minstens zo bepalend als in Noord-Amerika.”
En wat met China?
“China is een heel ander verhaal. Het probeert zichzelf niet te zien als een olie- of kolenstaat, maar als de eerste elektrostaat. De manier waarop een land zijn relatie tot energie verbeeldt, kan helpen om de overgang naar duurzame energie te stimuleren, en dat zie ik in China als iets hoopvols. De realiteit is natuurlijk dat China nog altijd veel kolen verbrandt, maar de investeringen in zonneen windenergie zijn enorm. Voor het eerst zijn de Chinese emissies in 2024 gedaald met vijf procent, terwijl de energiebehoefte juist bleef stijgen!”
Springt de Chinese erfgoedsector ook mee op de kar?
“Absoluut! Neem nu het Industrial Heritage Museum in Liuzhou. Dat vertelt de geschiedenis van de industrie in Liuzhou, een stad die bekendstaat om haar autofabrieken, huishoudelijke apparaten, energieproductie en chemische industrie. De vervuiling en milieuschade waarmee de razendsnelle industrialisering gebeurde worden niet onder de mat geveegd, maar net heel expliciet verteld, iets wat ik in Europa nog maar zelden heb gezien. Van de drie paviljoens is er één dat helemaal in het teken staat van de inspanningen sinds de jaren 80 en 90 om de industrie schoner te maken.”
In welke mate is het nog verantwoord om steenkool te verbranden om oude stoommachines te demonstreren?
“Er zijn argumenten voor en tegen. Als je dan tóch een beetje kolen verbrandt, zou je meteen kunnen laten zien hoeveel CO₂ dat uitstoot zodat het ook een educatief moment wordt. Dat vind ik een slimme manier om een probleem om te buigen tot bewustwording. In het Museum of Science and Industry in Manchester decarboniseert men de machines die draaien op kolen en olie. Ook dat soort initiatieven kan je gebruiken als interpretatiekans. Zo geef je context aan bezoekers. Je hoeft niet alles om te gooien of vaste tentoonstellingen volledig te vertimmeren. Vaak zijn het net de kleine aanpassingen die het verschil maken.”
Verdwijnt op die manier ook niet de technische kennis?
“De digitale revolutie heeft een kloof veroorzaakt tussen ‘denken’ en ‘doen’. Jonge mensen zijn vaak minder betrokken bij het tastbare, het ambachtelijke, het technische. Daardoor wordt de intergenerationele overdracht van immaterieel erfgoed bedreigd. Sommige landen investeren grote sommen geld in het behoud van tradities, ambachten of rituelen, vooral in Oost-Azië, maar dat heeft weinig zin als de mechanismen om kennis door te geven tussen generaties al zijn verdwenen.”
Wat kunnen we daar nu van leren?
“Ik denk dat musea zich telkens opnieuw moeten afvragen: ‘Wat is de waarde van wat we doen? En hoe kunnen we dat gebruiken om het publiek te onderwijzen en vertrouwen te geven in de veranderingen die plaatsvinden?’ Waarschuw niet alleen voor wat er verkeerd loopt in de wereld, maar laat ook zien wat je eraan kan doen. Veel mensen ervaren klimaatbeleid als iets wat tegen hen gebeurt, niet voor hen. Vandaar de nood aan draagvlak. De grootste veranderingen zullen immers komen via beleidsbeslissingen en grootschalige overheidsinitiatieven. Zonder steun van het publiek zijn die initiatieven gedoemd om te falen en blijven veranderingen uit. De erfgoedsector is uiterst geschikt om mee zijn schouders te zetten onder die uitdaging. Niemand werkt in deze sector om rijk te worden. Mensen doen dit werk uit liefde: voor geschiedenis, voor vakmanschap, voor de gemeenschap. En juist die liefde biedt een kans. Als we die passie weten te verbinden aan bredere maatschappelijke doelen, zoals klimaatactie en sociale rechtvaardigheid, dan krijgen we een win-winsituatie.” ■
» Bart Vanacker is freelanceauteur, gespecialiseerd in industrieel erfgoed.
» Bronnen en literatuur
1. Rodney Harrison is hoogleraar Heritage Studies aan het UCL Institute of Archaeology, een afdeling van University College London. Naast auteur en redacteur is hij ook de oprichter van het Journal of Contemporary Archaeology. Zijn huidige werk richt zich op de rol van musea en erfgoed in de context van de klimaat- en uitstervingscrises.
2. pitch-horizon.eu
3. Beluister ook de FARO-podcast Het gebeurt in het museum - de klimaatproblematiek, https://faro.be/het-gebeurt-het-museum-de-klimaatproblematiek
4. https://heritage-futures.org/
5. https://www.foghornrequiem.org/
DILEMMA’S ROND VAKMANSCHAP
“Nationale strategieën en formeel onderwijs zijn effectiever om technische skills te borgen dan informele leerprocessen op de werkvloer of in erfgoedgemeenschappen.”
Door: Liesbet Daeninck en Davy Herremans
Formele kaders werken als een kompas: ze geven richting, maken zichtbaar wat telt en brengen iedereen op één lijn. Ze vormen niet alleen een stevige basis om gezamenlijke standaarden voor kwaliteit en erkenning te ontwikkelen, maar geven ook ruimte en zuurstof aan kleine en grote acties in het veld, die vakmanschap zichtbaar maken en maatschappelijk verankeren.
Het Skills Investment Plan in Schotland is een goed voorbeeld van hoe zo’n kader kan helpen om vakmanschap in de erfgoedsector te versterken. Het plan focust op het uitbreiden van opleidingskansen, het aantrekken van nieuw talent en het stimuleren van samenwerking tussen scholen, organisaties en vrijwilligers. Een concrete uitwerking hiervan zijn de Heritage Careers Weeks, waarin jongeren de carrièremogelijkheden in de erfgoedsector ontdekken. Het plan stimuleert daarnaast technische kennisdeling, een formele erkenning van vaardigheden en het behoud van traditioneel vakmanschap.
Zo’n nationale strategie kan ook in het onderwijs vorm krijgen. In Vlaanderen vinden we traditioneel vakmanschap vooral in de CVO’s, maar bijvoorbeeld in Griekenland zijn er universitaire programma’s waarbij ambacht en praktijkkennis een centrale plaats innemen en expliciet erkend worden. Zo dragen formele opleidingen niet alleen bij aan de overdracht van vakmanschap, maar wordt ook de kwaliteit en maatschappelijke waarde ervan zicht
Een groot deel van de erfgoedpraktijk komt juist buiten formeel onderwijs en beleidskaders tot bloei. In werkplaatsen, garages en loodsen bouwen vrijwilligers, verzamelaars en liefhebbers dagelijks verder aan erfgoed. Vaak gebeurt dat onbetaald, en investeren zij zelf aanzienlijk in hun passie en projecten.
Het gaat bovendien om erfgoed dat technisch complex is en specifieke kennis vereist: van stoomtractoren en weefgetouwen tot historische vliegtuigen en oldtimers. Die kennis wordt zelden in een klaslokaal doorgegeven, maar groeit in de praktijk en wordt informeel gedeeld binnen sociale netwerken.
Leren gebeurt hier vooral door te doen: door te experimenteren, fouten te maken en oplossingen te zoeken. Kennisoverdracht verloopt pragmatisch, via mondelinge uitwisseling, handleidingen, online fora en video’s, en vooral door samen aan de machine te sleutelen. Dat maakt het leerproces flexibel, direct toepasbaar en sterk verbonden met de context waarin het erfgoed functioneert.
Die informele leerprocessen zijn bovendien diep sociaal verankerd. Ze draaien niet alleen om het overdragen van technische vaardigheden, maar ook om gedeelde waarden, praktijken en betrokkenheid. Precies daarin schuilt hun kracht: ze houden erfgoed levend in een gemeenschap van beoefenaars die de machines draaiende weten te houden.
Tegelijkertijd schuilt er een risico in een te sterke nadruk op formele erkenning. Wanneer accreditatie de norm wordt, kan een systeem ontstaan dat bepaalt wie wel en wie niet ‘meetelt’. Binnen die context zijn formele opleidingen zonder twijfel waardevol, maar niet zaligmakend. Ze mogen de duizenden tinkeen liefhebbers niet buitensluiten, want ook zij moeten kunnen blijven werken met erfgoed, en hun kennis en ervaring verdienen net zo goed erkenning.
REFLECTIE
Ingrid De Smul, leerkracht Handwever CVO GENT - Atelier WEEVN
Enerzijds bieden formele opleidingsstructuren duidelijke voordelen: ze garanderen een systematische kennisopbouw, kwaliteitscontrole en toegang tot didactisch geschoolde lesgevers. Daarbij zijn theorie, ontwerp en praktijk op elkaar afgestemd om kennis op te bouwen. Dit zorgt voor een goede basiskennis en verdieping, wat essentieel is voor duurzame vakbekwaamheid.
Anderzijds speelt de praktijk een sleutelrol. Ontwerpers, verenigingen, bedrijven en erfgoedgemeenschappen zorgen ervoor dat kennis levend blijft en zich verder ontwikkelt. Zij bouwen voort op bestaande inzichten en verkennen nieuwe mogelijkheden die sterk praktijkgericht zijn. Zo ontstaat een dynamisch spanningsveld tussen traditie en innovatie. Vaardigheden worden niet alleen aangeleerd, maar ook verfijnd via ervaring, observatie en interactie. Bovendien stimuleren deze omgevingen innovatie en het levend houden van ambachtelijke kennis.
De effectiviteit ligt daarom niet in een strikte keuze voor een van beide, maar in de combinatie ervan. Formeel onderwijs legt de noodzakelijke basis en bewaakt kwaliteit, terwijl informele leerprocessen zorgen voor nog meer verdieping, flexibiliteit en praktijkervaring. Wie technische vaardigheden duurzaam wil verankeren, zet best in op een geïntegreerde aanpak waarin beide elkaar versterken. Het
is precies in die wisselwerking dat de toekomst van vakmanschap vorm krijgt: geworteld in een sterke basis, maar open voor vernieuwing. ■
Elke erfgoedwerker die werkt met industrieel erfgoed stelt zich die vraag. Van augmented reality over eenpuntslessen tot audiovisueel documenteren: er bestaan vele manieren om het vakmanschap van de machine – in de breedste zin van het woord – te borgen. Drie erfgoedorganisaties vertellen hoe zij het doen.
Samenstelling: Liesbet Daeninck en Davy Herremans
EENPUNTSLESSEN
Jantiene van Elk en Michelle Baggerman, hoofd bibliotheek en onderzoeker bij het TextielMuseum.
In het TextielMuseum | TextielLab in Tilburg staat textiel in vele dimensies centraal. Omdat we in een historische textielfabriek zijn gevestigd, is het industrieel textielerfgoed letterlijk de basis waarop we voortbouwen. We verbinden de rijke geschiedenis van textiel met hedendaagse kunst en innovatie. Onze organisatie bestaat uit zowel een museum als een lab; een professionele werkplaats waar we op moderne industriële machines innovatief onderzoek kunnen doen en werk kunnen ontwikkelen voor en met kunstenaars en ontwerpers, die weer gevoed worden door onze rijke collectie textielkunst, -design en -erfgoed.
De oude machines in onze technisch-erfgoedcollectie geven onze bezoekers een indruk van hoe het er vroeger aan toe ging in de textielindustrie. Ze vragen daarom niet alleen om fysiek behoud. Ook de kennis en vaardigheden die nodig zijn om
ze te bedienen en onderhouden willen we veiligstellen. Alleen door ook deze geleefde kennis te borgen en verder te ontwikkelen, kunnen we in de toekomst blijven leren van en mét deze machines. We vinden het dus belangrijk om aandacht te besteden aan het binnenhalen en -houden van technici die dit erfgoed willen onderhouden en draaiende kunnen houden.
Elke instelling met industrieel erfgoed herkent het probleem van het geleidelijk aan verdwijnen hiervan. Het TextielMuseum ging op zoek naar nieuwe technici met een vacature met daarin de oproep TextielMuseum zoekt fietsenmakers. Technici met textielkennis zijn schaars, maar wie eigenhandig een fietsketting kan vervangen, heeft het soort technisch inzicht waarmee je ook kan leren om een oude industriële machine in werking te houden. Zo vonden we twee jongemannen die van techniek en oude machines houden en bereid waren om als leerling het vak te leren van onze ervaren, maar ouder wordende collega’s en vrijwilliger.
Handeling in detail uitgelegd
Eenpuntslessen (EPL’s) vormen de basis in onze strategie om specialistische vakkennis vast te leggen en over te dragen. Het zijn visueel rijke documenten waarin één specifieke handeling – of het nu gaat om de bediening of het onderhoud van een machine – nauwkeurig wordt vastgelegd.
Het onderhoud van het historische Buckskinweefgetouw – een belangrijk stuk in onze collectie industriële textielmachines – bood de ideale pilot om deze methode in de praktijk te brengen. Dat deden we samen met ons technisch team, nieuwe leerlingen en een ervaren vrijwilliger die heel zijn werkzame leven bij verschillende textielfabrieken in Tilburg gewerkt heeft.
Tijdens het reviseren van de machine deelt de vrijwilliger zijn kennis met de jonge technici. Eerst doet hij de handelingen voor, daarna voeren zij zelf de handelingen uit. Tijdens dit proces documenteren de technici de handelingen met foto’s en video’s. Daarna beschrijven ze de handelingen nauwkeurig in een eenpuntsles. Eén handeling wordt in detail en met duidelijke aanwijzingen vastgelegd, zowel in woord als met foto's.
De machines zijn ook op een andere manier gedocumenteerd. Ivo Vrouwe, onderzoeker van onderwijsconcepten voor ontwerpopleidingen, maakte samen met onze vrijwilliger een schematische
Eenpuntslessen (EPL’s) vormen de basis in onze strategie om specialistische vakkennis vast te leggen en over te dragen. Het zijn visueel rijke documenten waarin één specifieke handeling – of het nu gaat om de bediening of het onderhoud van een machine –nauwkeurig wordt vastgelegd
weergave van de werking van het Buckskinweefgetouw en het Jacquard-weefgetouw. Van alle onderdelen van het weefgetouw is een video gemaakt, waarin de vrijwilliger de werking uitlegt. Het machinediagram met QR-codes naar de video’s is overzichtelijk op een poster samengebracht.
Met het oog op toekomstige conservering proberen we verschillende methoden om de informatie zowel digitaal als fysiek op te slaan en toegankelijk te maken. Ook na deze pilot blijven we de methode van EPL’s toepassen en ontwikkelen, telkens wanneer een machine toe is aan onderhoud.
Achter bijna alles wat we gebruiken, dragen of consumeren schuilt de expertise van een maker. Waar handmatige vaardigheden vroeger alomtegenwoordig waren, heeft de automatisering die vanzelfsprekendheid doorbroken. Dat maakt praktijkkennis kwetsbaar: zodra de overdracht stopt, verdwijnt de kunde.
Technische skills laten zich echter moeilijk volledig in woorden vatten. Vakmanschap zit niet alleen in cognitieve kennis, maar vooral in embodied knowledge: de impliciete feeling en handelingen die je pas beheerst door ze herhaaldelijk te doen. Denk aan fietsen.
De meest duurzame manier om dit soort belichaamde kennis te borgen, blijft overdracht van mens tot mens. Dat vraagt tijd, toewijding en ruimte om te proberen. Want een techniek of ambacht leer je niet van vandaag op morgen. Helaas zijn die ideale omstandigheden niet altijd voorhanden en ontbreekt het soms aan ‘vers bloed’ om kennis en kunde door te geven. Soms verdwijnt een techniek (bijna), simpelweg omdat de maatschappelijke context verandert, bijvoorbeeld als het commerciële belang verdwijnt of als de maatschappelijke verwachtingen veranderen. Dat is op zich geen probleem.
Wat wél cruciaal is, is dat we er alles aan doen om de mensen die zin hebben om iets te leren of kennis door te geven alle ondersteuning bieden die ze nodig hebben. Enter documentatie als borgingsstrategie. Documenteren betekent vastleggen wat mensen doen, weten en maken, zodat kennis niet volledig verloren gaat wanneer actieve overdracht op een laag pitje staat. Film biedt daarbij bijzondere mogelijkheden: het maakt zichtbaar wat moeilijk in woorden te vatten is, van het maakproces en de gebruikte werktuigen tot typische bewegingen.
Vanuit die overtuiging zet ETWIE sinds enkele jaren in op het audiovisueel documenteren van
Wat cruciaal is, is dat we er alles aan doen om de mensen die zin hebben om iets te leren of kennis door te geven alle ondersteuning bieden die ze nodig hebben
vakmanschap, technieken en ambachten. Daarbij staat telkens dezelfde vraag centraal: hoe kunnen we technieken, maar ook de erfgoedgemeenschappen zelf, duurzaam ondersteunen? En hoe kunnen we participatief te werk gaan?
De Scute: techniek én gemeenschap in beeld
De voorbije jaren resulteerde dat in verschillende documentaires, onder meer over taxidermie, riffelen en maritiem vakmanschap zoals de bouw van een mast. Een van de belangrijkste lessen uit die trajecten is het belang van samenwerking met de erfgoedgemeenschap zelf. Hierbij vormen duidelijke afspraken, vertrouwen en respect voor de interne werking van een groep de basis. Frank Panesi, voorzitter van vzw de Scute waar ETWIE de bouw van een gelamineerde mast filmde: “Wij hebben ons ding kunnen doen zonder ons aan te passen aan de vereisten van de organisatie of de filmmaker. Het was eerder omgekeerd, ETWIE en de filmmaker pasten zich aan ons aan.” Wat begon als het documenteren van een technisch proces groeide zo uit tot een portret van een gemeenschap in actie.
Frank: “Naast het feit dat de film het technische aspect van het bouwen van een mast vastlegt, hebben wij vooral het gevoel dat de film over ons gaat. Hij toont wie we zijn als vereniging, hoe we samenwerken, en welke waarden we belangrijk vinden.” De film toont niet alleen hoe een mast wordt
opgebouwd, maar ook hoe kennis, samenwerking en sociale dynamiek hand in hand gaan. Frank benadrukt hoe sterk die dimensie in de film aanwezig is: “Persoonlijk vond ik de sequenties waar samenwerking en vriendschap tot uiting komen prachtig. De scène waarbij we elkaar aanmoedigen legt de essentie van samenwerking vast.”
De film kreeg binnen de vereniging een bijzondere betekenis. Na een periode van beperkte werking tijdens de coronajaren bood het project een kans om opnieuw samen te komen en een gezamenlijk doel na te streven. De grote opkomst tijdens cruciale momenten in het bouwproces onderstreepte hoe belangrijk de sociale dimensie is. Tegelijk kreeg de film ook een leven buiten de vereniging: hij fungeert als een venster op het vakmanschap én de werking van De Scute. Die zichtbaarheid leidde zelfs tot onverwachte erkenning, zoals het label ‘Made in Brugge’. Toch wijst Frank ook op een belangrijke nuance: “De film zelf focust vooral op hoe we zo’n project als groep hebben aangepakt en samen hebben beleefd. Het technische komt daarbij zeker aan bod, maar als handleiding volstaat zo’n documentaire wellicht niet. Al zijn de technische handelingen uit ons werkproces wel in een aparte instructievideo verwerkt.”
Dat benadrukt een belangrijke vaststelling: een film kan veel tonen, maar kan de praktijkervaring niet volledig vervangen. Audiovisuele documentatie is
Een
film kan veel tonen, maar kan de praktijkervaring niet volledig vervangen. Het is een schakel binnen een bredere borgingsstrategie
dus geen eindpunt, maar een schakel binnen een bredere borgingsstrategie.
Garnaalkotter op komst
Audiovisueel documenteren is meer dan registreren alleen. Het is een manier om erfgoedgemeenschappen te versterken, hun praktijken zichtbaar te maken en ruimte te creëren voor toekomstig hergebruik en herinterpretatie. Frank: “Door samen te filmen, voelen deelnemers zich gezien en gehoord. De film houdt de kennis levend, niet alleen op beeld maar ook binnen de groep zelf.” Die dynamiek werkt bovendien door naar nieuwe initiatieven. De Scute is ondertussen gestart met de bouw van een garnaalkotter, een proces dat ook in beeld zal worden gebracht.
> etwie.be en en www.toolboxfocusvakmanschap.be
AUGMENTED REALITY OP SCHEEPSWERVEN BAASRODE
Peter Van Wichelen, conservator van de Scheepswerven Baasrode.
Vandaag is er nauwelijks nog scheepsbouwnijverheid in ons land, maar dat was eeuwenlang anders. Brede rivieren in een vlak landschap vormden de ideale waterweg om goederen en personen per schip te vervoeren. Wat dan ook veelvuldig gebeurde. Binnenschepen werden eeuwenlang in hout gebouwd, tot in het kielzog van de Industriële Revolutie steeds meer ijzer gebruikt werd. Die wissel vond relatief laat plaats, in het laatste decennium van de 19e eeuw.
De overstap van hout naar metaal ging op scheepswerf Van Praet-Dansaert niet over één nacht ijs. Hoewel het eerste contract voor een metalen schip al in 1895 werd getekend, duurde het tot 1910 voordat de werf volledig was omgebouwd en de arbeiders de nieuwe technieken perfect in de vingers hadden. Na deze intensieve groeiperiode bleven investeringen grotendeels uit, waardoor de werf tot aan de sluiting in 1986
nagenoeg onveranderd bleef werken. In 1993 werd de volledige site, inclusief de machines, beschermd als monument.
Het meest tot de verbeelding sprekende erfgoed op de site? De voormalige fabrieksgebouwen van de scheepswerf Van Praet-Dansaert. Een bezoek aan de erfgoedsite was lange tijd echter alleen mogelijk in groep en onder begeleiding. Enerzijds door de aanwezigheid van gevaarlijke machines en materialen. Anderzijds doordat de strak georganiseerde werkplaats maar heel moeilijk te interpreteren en te begrijpen was, zelfs voor mensen die actief zijn in de scheepsbouwnijverheid. De volgende vraag drong zich op: hoe ervoor zorgen dat het publiek de werkplaats zonder begeleiding en op een laagdrempelige, intuïtieve manier kan bezoeken, zonder dat het erfgoed daaronder lijdt?
Uiteindelijk kozen we voor een digitaal concept waarbij bezoekers via augmented reality de machines in werking zouden zien. Die aanpak heeft meerdere voordelen:
• De slijtage wordt tot een minimum beperkt.
• Stilstaande machines zijn veiliger dan werkende.
• De machines hebben spanten of platen nodig om de werking te demonstreren. Deze kwestie is niet aan de orde bij augmented reality.
Al vroeg in het proces besloten we om geen wearables, die traditioneel met augmented reality geassocieerd worden, te gebruiken maar transparante Oled-monitors. Dat zijn dunne kaders met daarin een glasplaat. In een kader verschijnt de 3D-animatie als een overlay over de echte, stilstaande machine. Door de transparantie blijft de bezoeker de echte, fysieke machine en de omgeving ook tijdens de animatie zien.
Om de machines historisch verantwoord en correct te animeren, hadden we kennis nodig die al lang geleden verloren gegaan was. Hoe ver overlapt het bovenste mes van de plaatschaar met het onderste op de laagste stand? Hoe snel en intens duwt de spantenbuiger? Hoe werkt het mechanisme van de pons intern? Enzoverder. Niemand
Hoe ervoor zorgen dat het publiek de werkplaats zonder begeleiding en op een laagdrempelige,
intuïtieve manier kan bezoeken, zonder dat het erfgoed daaronder lijdt?
van ons team had de machines ooit aan het werk gezien. Gesprekken met oud-werknemers hielpen ons op weg. Maar het sluitende antwoord kwam van de machine zelf: er zat niets anders op dan de machines op mankracht aan het werk te zetten, al was het traag en voor even, om echt afdoende antwoorden te krijgen.
Het resultaat? Een AR-ervaring met respect en minimale impact voor de erfgoedomgeving. Bezoekers maken zo kennis met het scheepsbouwambacht van een eeuw geleden, op een heel intuïtieve en toch accurate manier. ■
> https://bit.ly/scheepswerven_baasrode
» Liesbet Daeninck en Davy Herremans zijn resp. communicatiemedewerker en coördinator bij ETWIE.
“Vakmanschap moet bewaard en doorgegeven worden, zelfs als het mogelijke risico’s inhoudt voor mens of milieu.”
Door: Liesbet Daeninck en Davy Herremans
Oude machines en industrieel erfgoed illustreren wat mensen kunnen bereiken: vooruitgang en welvaart. Maar tegelijk heeft de snelle innovatie en industrialisatie ook schade veroorzaakt, voor mens en dier en voor de wereld om ons heen. Denk aan slechte arbeidsomstandigheden of vervuiling. Juist daarom kan dit erfgoed, inclusief de vakkennis eromheen, een spiegel zijn: het laat zien wat goed ging én wat fout liep. Niet zo lang geleden werd asbest nog geprezen als het wondermateriaal dat overal voor leek te werken, tot de wetenschap ons daarin flink corrigeerde. Zo kunnen we van erfgoed ook leren en kan het ons helpen nadenken over hoe we een betere, groenere toekomst bouwen.
Vandaag bereiken we veel jongeren niet met ons erfgoedverhaal. Ze groeien op in een volledig geautomatiseerde wereld en hebben weinig contact met technisch vakmanschap of mechanische technieken. Tegelijkertijd worden ze dagelijks geconfronteerd met de gevolgen van industrialisatie: klimaatverandering, dierenleed, milieuvervuiling, sociale ongelijkheid. Daar liggen kansen: door het verhaal van industrieel erfgoed te koppelen aan de eigen leefwereld wordt het relevant. Oude machines, fabrieken of ambachten vertellen niet alleen over succes, maar ook over fouten en risico’s uit het verleden. Een oude machine vol asbest zien, een selfactor die ooit door kinderhanden werd bediend opnieuw doen ratelen of afdalen in een vervuilde kolenmijn maakt het verleden tastbaar – veel meer dan er alleen over lezen. Natuurlijk moeten we zorgvuldig omgaan met gevaren in erfgoed: risico’s beheersen en voorzorgs maatregelen nemen zijn daarbij essentieel.
We kunnen niet alles bewaren. Erfgoed dat risico’s met zich meebrengt voor mens of milieu vraagt om verantwoordelijkheid. Veiligheid staat altijd voorop: niet iedereen kan zomaar aan een oude machine werken of met giftige stoffen zoals witlood omgaan. Er bestaan niet voor niets regels, certificeringen en wetgeving.
Niet elk technisch vakmanschap kan daarom terugkeren in het dagelijks leven. Sommige handelingen blijven gevaarlijk, zelfs met de juiste voorzorgsmaatregelen. En bepaalde oude chemische processen zijn simpelweg niet meer te verantwoorden. Historische waarde mag nooit zwaarder doorwegen dan de veiligheid van vakmensen of hun omgeving.
Ook voor het milieu dragen we onze verantwoordelijkheid. De Green Deal dringt aan op CO₂-reductie, en wij als erfgoedsector kunnen daar niet omheen. Treinen op steenkool of oldtimers op diesel laten rijden valt niet meer te verdedigen. We moeten dan ook scherp nadenken over de impact van onze ambachten en technieken: wat kunnen we veilig bewaren en doorgeven, en wat moeten we achter ons
REFLECTIE
Peter Loockx, expert gevaarlijk erfgoed bij ETWIE
Erfgoed toont hoe vroegere keuzes en praktijken mee de basis vormen van onze huidige inzichten rond veiligheid, duurzaamheid en maatschappelijke verantwoordelijkheid. Tegelijk is erfgoed statisch noch dogmatisch, maar een dynamisch proces van voortdurende herinterpretatie.
Vakmanschap bewaren en doorgeven neemt een belangrijke plaats in binnen de erfgoedsector. Traditionele technieken maken historische ontwikkelingen tastbaar en bieden inzicht in hoe kennis en kunde over generaties heen zijn opgebouwd. Ze vormen een belangrijk vertrekpunt voor erfgoedzorg, onderzoek en publiekswerking.
Tegelijk kan dit bewaren niet los gezien worden van de risico’s die ermee gepaard gaan. Erfgoed confronteert ons niet alleen met wat we willen koesteren, maar ook met wat we kritisch moeten herdenken of loslaten. Technieken waarbij schadelijke stoffen zoals asbest of radioactieve verf gebruikt werden, maken duidelijk dat niet alle praktijken nog toepasbaar of wenselijk zijn binnen de huidige maatschappelijke en wettelijke context.
De uitdaging voor de erfgoedsector ligt in het maken van doordachte keuzes. Het borgen van vakmanschap betekent niet noodzakelijk het hernemen van alle technieken in de praktijk. Het kan ook vorm krijgen via documentatie, onderzoek en veilige vormen van presentatie en kennisdeling. Vakmanschap vraagt met
andere woorden om een zorgvuldige en contextbewuste benadering. Erfgoedwaarden moeten daarbij worden afgewogen tegen hedendaagse normen rond veiligheid, duurzaamheid en ethiek. Alleen zo kan vakmanschap op een relevante en toekomstgerichte manier worden doorgegeven. ■
Hoe borgen we industrieel erfgoed, met respect voor de historische integriteit, en hoe bouwen we tegelijk aan een duurzame, koolstofarme toekomst? Het Science and Industry Museum in Manchester decarboniseerde zijn collectie werkende historische machines.
Hannah O’Toole
De historische, werkende machines vormen een essentieel onderdeel van het industriële erfgoed van Manchester en van de verhalen die we in het museum vertellen. We zijn gevestigd op de locatie van het oudste bewaard gebleven passagiersstation, in het hart van een van de eerste industriële steden ter wereld. Werken met deze machines betekent dat we actief zijn in een nichegebied dat technische kennis, erfgoedvaardigheden en doorzettingsvermogen vereist.
gebouwen was het tijd om deze machines aan te pakken.
HOE DECARBONISEREN?
Onze missie is het behouden van de vaardigheden en kennis die nodig zijn om historische machines te onderhouden en te bedienen. Het werk dat we doen toont techniek in actie en verbindt historische innovatie met modern engineering, zodat deze voorbeelden van industrieel erfgoed levend en werkend blijven voor toekomstige generaties.
Power Hall: The Andrew Law Gallery werd in 1855 gebouwd als een goederenloods voor Liverpool Road Station en herbergt vandaag een van de grootste collecties werkende historische machines in het Verenigd Koninkrijk. Veel van deze machines vertegenwoordigen een tijdperk dat werd aangedreven door fossiele brandstoffen. Na de decarbonisatie van onze
De beslissing om Power Hall te decarboniseren, oftewel het verminderen en uiteindelijk elimineren van de uitstoot van koolstofdioxide, werd ingegeven door milieuoverwegingen, noodzaak en operationele inefficiënties. Ons vorige systeem was afhankelijk van een inefficiënte gasboiler en dieselbrandstof: de uitstoot van stoom- en dieselmotoren kwam in de atmosfeer terecht en condenswater werd afgevoerd zonder hergebruik.
Met steun van het UK Public Sector Decarbonisation Scheme en aanvullende donaties vervingen we deze systemen door groene technologie. De nieuwe stoom wordt opgewekt met waterbron-warmtepompen en een elektrisch stoomketelsysteem. In samenwerking met gespecialiseerde ingenieurs ontwikkelden we een oplossing die het mogelijk maakt historische machines te laten draaien en tegelijk de CO₂-uitstoot drastisch te verminderen. Het systeem zal jaarlijks naar schatting 515 ton koolstof besparen over de
hele site, het equivalent van het energieverbruik van dertig gezinnen.
De nieuwe elektrische ketel en het stoomnetwerk maken nu zelf deel uit van de tentoonstelling. Zo wordt onze technische infrastructuur een middel om met het publiek in gesprek te gaan over duurzaamheid en erfgoed in de 21e eeuw.
Daarnaast hebben we fossiele brandstoffen uit onze overige werkende machinecollectie verwijderd. Gasen dieselmotoren werden gerestaureerd en opnieuw operationeel gemaakt, en vervolgens uitgerust met op maat ontworpen externe elektrische aandrijvingen. Dit initiatief sluit aan bij de ambitie van het museum en Greater Manchester om netto nul uitstoot te bereiken en een voortrekkersrol te spelen in de groene transitie.
NIEUWE ROUTINES
De grootste uitdaging? Een balans vinden tussen de integriteit van erfgoed en hedendaagse duurzaamheidsdoelstellingen. Waar de machines vroeger continu draaiden op koolstofgebaseerde energie, kiezen we nu voor een beperkte draaitijd van ongeveer drie uur per dag en een werking met minimaal olieverbruik. Zo verminderen we niet alleen het energieverbruik, maar ook de slijtage van originele onderdelen, essentieel voor het behoud van de collectie.
Naast reparatie en bediening heeft de overgang naar een duurzame werking onze dagelijkse onderhoudsroutines fundamenteel veranderd. Ons dagelijkse werk omvat nu veiligheidschecklists en het bijhouden van gegevens voor gepland preventief onderhoud: we registreren start- en stoptijden, opwarmperiodes en olieverbruik om het succes van deze nieuwe methoden te meten. Dit doen we met online toepassingen voor veiligheidsbeheer en registratie, die in de cloud worden opgeslagen. Daardoor hebben we continu toegang tot gegevens van machines, motoren en ketelsystemen wanneer dat nodig is, zodat we ons werk kunnen monitoren en waar nodig bijsturen.
We zijn momenteel onze handleidingen aan het herschrijven en digitaliseren, zodat ze de nieuwe processen en duurzame werkpraktijken weerspiegelen en alle relevante onderhouds- en reparatie-informatie bundelen.
Power Hall laat zien dat het mogelijk is om de verhalen van ons industrieel erfgoed te vertellen en historische machines werkend te houden zonder het milieu te belasten. Door koolstofarme technologie te integreren in een historische site tonen we niet alleen het belang van erfgoedtechniek, maar ook een mogelijke weg naar een duurzame toekomst. ■
» Hannah O’Toole is hoofdtechnicus historische machines in het Science and Industry Museum in Manchester, Engeland.
SCHAKELS IN EEN KETEN
MEESTERSCHAP MAAK JE SAMEN
Wie een stiel beheerst, leunt op een netwerk dat die kennis koestert en de ruimte geeft. Wie maakt er allemaal deel uit van dat netwerk, en hoe ondersteunen zij? We laten vijf mensen aan het woord.
Als atelierbegeleider zorgt Armina ervoor dat de persen draaien, en dat de kennis over eeuwenoude technieken levend blijft. “Ik begeleid vrijwilligers, bedenk workshops en sta zelf achter de drukpers.”
Een belangrijk project van de voorbije jaren was de inventarisatie van de houten letters in de collectie van het Industriemuseum: “Bijna alle letters uit de collectie hebben we afgedrukt, gescand en in technische fiches verwerkt. We hebben ze gecategoriseerd per familie, zodat ontwerpers en studenten ermee aan de slag kunnen.” Die samenwerking levert verrassende resultaten op: studenten van LUCA School of Arts digitaliseren ontbrekende letters en maken er nieuwe lettertypes van.
Armina ontdekte haar passie als student grafische vormgeving. “Toen ik voor het eerst met houten letters werkte, wist ik: dit wil ik doen. Doordat het medium zoveel beperkingen kent, zoals het bladformaat en het vaste formaat van de letters, stimuleert dat de creativiteit.” Ze leerde de kneepjes eerst van ervaren vrijwilligers en volgde in 2023 een Vlaams meester-leerlingtraject. Samen met Niels Goovaerts van drukwerkplaats Atelier T klopte ze aan bij Thomas Gravemaker, een expert in de boekdrukkunst met 50 jaar ervaring als drukker en vormgever.
Armina werkt ook mee aan een jaaropleiding letterzetten: “Tijdens verschillende werkweekends in het museum gaan deelnemers aan de slag met de loden en houten lettercollectie. Die praktische kennis is essentieel voor het technische en creatieve proces.” Nieuwe generaties warm maken voor het ambacht blijft immers een grote uitdaging. Missie geslaagd? “Omdat ik er zelf zo gepassioneerd door ben, wil ik die passie zoveel mogelijk delen met de bezoekers van het museum. En dat werkt: mensen komen terug, vaak met vrienden.”
De 77-jarige Bart De Clercq was vrijwilliger bij Eperon d’Or, het schoen- en borstelmuseum in Izegem, totdat het stadsbestuur er eind 2025 abrupt de stekker uittrok. Tot dan ontfermde Bart zich onder andere over een hielzwikmachine van de Tsjechische producent Svit.
“Toen ik enkele jaren geleden Eperon d’Or bezocht, deed de machine direct een belletje rinkelen”, vertelt Bart. “Toen ik vernam dat de museumleiding de machine weer operationeel wilde maken, nam ik contact op. Als jonge kerel had ik aan een gelijkaardig toestel gesleuteld. Naarmate de werken vorderden, ontdekte ik dat het om de hielzwikmachine ging die in het schoenbedrijf van mijn vader draaide. Zo is mijn band met die machine nog versterkt.”
DE ROL VAN ONDERZOEK
Julie De Groot, projectcoördinator Tracks4Crafts, Universiteit Antwerpen
“We zijn net het laatste jaar ingegaan van Tracks4Crafts, een vierjarig Europees Horizon-project waarin vijftien internationale partners onderzoeken hoe traditionele ambachten een toekomst kunnen krijgen. In dit project kijken we naar ambachten vanuit de lens van immaterieel erfgoed én economie. Ambachten worden vaak gezien als een ideaal economisch systeem voor een meer duurzame economie. Tegelijk hebben ze het moeilijk om economisch te overleven. Binnen dit project denken we dus na over de transmissie van die ambachtelijke kennis. Hoe kunnen we dat doen en wie valt daar warm voor te maken?”
“De pijler rond economie is even belangrijk. Een ambachtelijk atelier verschilt van een bedrijf. Wat hebben zij nodig om te kunnen bestaan binnen deze economie? Welke businessmodellen zijn inzetbaar? We gaan ook na in hoeverre technologie, innovatie, digitalisering en AI kunnen helpen in het voortbestaan van ambachten. Als laatste, vier-
“Eens de machine weer draaide, heb ik een handleiding samengesteld met een beschrijving van hoe ze werkt. De technologie van vandaag is elektronisch geperfectioneerd, maar de fijne stielkennis gaat verloren. Ik maak me geen illusies. Onze nakomelingen gaan binnen 50 jaar niet meer weten hoe dat ging. Misschien verdwijnt de machine wel bij het oud ijzer. Maar ik wilde de periode dat de machine functioneerde zo lang mogelijk rekken.”
Door de machine te demonstreren, probeerde Bart de interesse in stand te houden: “Als een machine er gewoon staat, gaan mensen er achteloos aan voorbij. Maar als je ze demonstreert en alle onderdelen in beweging komen, is de nieuwsgierigheid gewekt en blijven bezoekers wel staan.”
Maar eind 2025 doekte Izegem het museum op. De sluiting maakte de sombere voorspelling van Bart pijnlijk concreet en stemt hem triest: “Al het werk dat we samen hebben gedaan, wordt in één keer weggevaagd.”
de track heeft dit project ook een netwerkfunctie. We creeëren een platform voor ambachters zelf, waar ze ervaringen kunnen uitwisselen. En we sensibiliseren beleid en consumenten, want die zijn ook nodig in dit verhaal.”
“Als coördinator zie ik het als mijn opdracht om erover te waken dat dit project echt het verschil maakt voor ambachtsmensen. Dat zij instrumenten in handen krijgen om hun ambacht te laten voortbestaan. Zij zijn dan ook betrokken. Er zijn acht pilootprojecten waarbinnen we een aantal zaken testen. Semne Cusute is een van de partners. Zij werken rond het traditionele borduurwerk van de Roemeense blouse. Dit erfgoed beperkt zich logischerwijs niet tot de landsgrenzen. Ook online bestaat hier een heel grote community rond. Hoe kan technologie ons helpen bij de transmissie van dit erfgoed? We maakten samen een aantal tentoonstellingen en ontwikkelden verschillende online cursussen om de transmissie mogelijk te maken.”
Al decennialang onderzoekt Patrick Gurdebeke de werking van stoommachines en restaureert hij hun metalen onderdelen met grote precisie. Zijn achtergrond in de matrijzenbouw komt goed van pas om creatieve oplossingen te bedenken voor complexe restauraties.
Een sprekend voorbeeld daarvan is een restauratieproject bij de Papiermolen Herisem, waar zijn expertise volledig tot zijn recht kwam. “In Herisem moest een meterslange transmissieas, waarvan de koppeling versleten was, ter plaatse worden opgelast”, vertelt Gurdebeke. Het alternatief? De as demonteren en met een kraan uit het gebouw hijsen. Voor hem was dat geen optie en dus bewerkte hij de transmissieas ter plaatse. “Bijna niemand geloofde dat dat kon. Het is een kwestie van durf, maar vooral van het beheersen van het oude ambacht van het manueel vijlen en schrapen.”
TUSSEN ONDERZOEK EN PRAKTIJK
Sarah Dalle, wetenschappelijk medewerker, Atlantikwall Raversyde, Oostende
Atlantikwall Raversyde is een van de best bewaarde restanten van de Duitse verdedigingslinie uit de Eerste en Tweede Wereldoorlog. De objecten in dit openluchtmuseum zijn allesbehalve klein. “Het zwaar geschut, de strandhindernissen en de radar op spoorrails vragen een heel andere aanpak dan kleinere stukken die je gewoon in dozen kan bewaren”, zegt Sarah Dalle, wetenschappelijk medewerker. Samen met de conservator en andere collega’s registreert en onderzoekt ze de collectie. “Het gaat om zeer specifieke objecten die elk hun eigen materiaaltechnische en historische kennis vereisen.”
“De zilte zeelucht doet de objecten geen goed. De meeste stukken staan buiten en moeten nauwgezet worden opgevolgd. Kleine schade retoucheren we zelf, maar om de zoveel tijd is een grotere restauratie nodig”, legt Dalle uit. De kennis om dit erfgoed te bewaren en te beheren is niet altijd op papier beschikbaar. “Soms zijn er handleidingen, maar zeker niet altijd. Dan moet het perso-
Gurdebeke kreeg de microbe voor industrieel erfgoed te pakken toen hij lid werd van de Stoomstichting West-Vlaanderen. “De Stoomstichting verzamelde kennis. Die werd gedeeld en beschikbaar gesteld aan musea en vrijwilligers.” Sinds de ontbinding ervan zet Gurdebeke die traditie zelfstandig voort. Lesgeven zit hem als oud-leerkracht werktuigkunde sowieso in het bloed. Als iemand met tijd en goesting om bij te leren komt aankloppen, deelt hij zijn kennis met plezier.
Gurdebeke doet dat niet via formele leertrajecten zoals (middelbare) schoolopleidingen of meester-leerlingtrajecten, maar informeel, door samen in een atelier aan de slag te gaan en mensen het inzicht en de tools te bieden zodat ze hun handenwerk zelf een niveau hoger kunnen tillen. “In alle kennis die ik heb verzameld zit geen enkele uitvinding van mij. Alles wat ik kan heb ik geleerd van anderen. Nu vind ik dat het mijn taak is om alles wat ik heb geleerd opnieuw door te geven. Kennis is geen bezit. Je hebt het in bruikleen”, besluit hij.
neel al doende leren. Er is nog één collega die die expertise sinds de jaren 90 mee heeft opgebouwd. Hij leidt nu jongere collega’s op in het omgaan met en behandelen van die grote stukken, terwijl ze zelf ook nieuwe inzichten blijven ontwikkelen.” Documentatie van die praktijkkennis is hierbij cruciaal.
“Als wetenschappelijk medewerker breng ik verschillende kennisbronnen samen”, zegt Dalle, die vanuit haar rol als schakel fungeert tussen onderzoek en praktijk. “Ik doe beroep op externe specialisten om te bepalen hoe een bepaald wapentuig het best bewaard kan worden en hoe het oorspronkelijk functioneerde, en combineer die inzichten met de ervaring van collega’s die al jaren met de objecten werken.” Het is niet de bedoeling om installaties opnieuw operationeel te maken – het geschut is onklaar gemaakt – maar wel om te begrijpen hoe ze gebruikt werden.
“Ook dit beladen erfgoed moet bewaard blijven: ons verhaal vertrekt vanuit het idee dat we die constante militaire aanwezigheid en oorlog nooit meer willen meemaken.” ■
» Bart Vanacker is freelanceauteur, gespecialiseerd in industrieel erfgoed. Elien Doesselaere is adviseur immaterieel erfgoed | communicatiemanager bij FARO.
faro trekt eropuit naar inspirerende werkplekken. Dit keer nemen we je mee naar Baasrode, naar de werkloods van de Stoomtrein Dendermonde-Puurs. Die geeft onderdak aan monumentale locomotieven en rijtuigen Made in Belgium: een sterk staaltje industrieel erfgoed, gebouwd door Belgische constructeurs zoals ACEC, Cockerill en Ateliers de Tubize. We spraken met vrijwilliger Wim Charita.
1
“Ik ben verantwoordelijk voor de restauraties van het treinerfgoed bij de Stoomtrein Dendermonde-Puurs (SDP). We zijn een gepassioneerde vrijwilligersorganisatie die precies 40 jaar geleden de eerste stoomtreinrit organiseerde tussen Dendermonde en Puurs. Vandaag hebben we een halve kilometer aan historisch spoorwegmaterieel die door een jonge groep vrijwilligers wordt onderhouden en gerestaureerd. Daarnaast organiseren we toeristische treinritten.”
2
“Elke zaterdag duiken we met een handvol vrijwilligers de loods in om te sleutelen aan het historisch, Belgisch treinmaterieel. We leren al doende en doen alles zelf. Aan de restauratie van de stoomketel van de Tubize 2069 hebben we bijvoorbeeld zes jaar lang elke zaterdag met zijn tweeën gewerkt, en daardoor hebben we heel veel kennis verworven. Dat die locomotief vandaag weer rijdt, is daarvan het bewijs. 45 ton staal na zes jaar werk weer tot leven zien komen: het geeft immens veel voldoening. Daarvoor doen we het.”
3
“Iedereen is welkom om vrijwilliger te worden. Zelf rolde ik erin doordat mijn vader echt verzot was op treinen. Intussen ben ik al even gepassioneerd. Technische voorkennis is niet per se een must. In de loop van de jaren deden we met de ploeg de nodige kennis op die we met plezier doorgeven. Ik leef mij dan uit in het aanleren, uitleggen en vertellen hoe iets moet gebeuren. Een programmeur zet hier nu mee klinknagels, en iemand anders, zonder veel eerdere ervaring, verving al een injectiepomp.”
4
“Wat mij vooral aanspreekt is de oude stoomtechniek, zoals het klinken van een stoomketel. Als je twee stalen platen aan elkaar klinkt in een ketel, ontsnapt de stoom van tussen de platen. Je moet beide platen op elkaar stuiken met beitels om ze wateren stoomdicht te krijgen, het zogeheten opkoken. Die vaardigheden verdwijnen. Maar hier zetten we ons in om ze levend te houden.” ■
stoomtrein.be
» Bart Vanacker is freelance auteur, gespecialiseerd in industrieel erfgoed.
MIJN ERFGOED
“Dit symboliseert veel meer dan moederschap alleen”
Erfgoed is voor iedereen betekenisvol en relevant. Bekende landgenoten vertellen over ‘hun’ erfgoed.
Dalilla Hermans, auteur, curator en schilder, vertelt over een draagdoek.
Toenik dertien jaar geleden moeder werd van mijn eerste kind, gaf mijn biologische moeder me een bijzonder cadeau: een draagdoek die ze speciaal voor mij had ontworpen. Niet gekocht, niet toevallig gevonden, maar echt bedacht vanuit een concrete nood. Ik wilde mijn baby heel graag op mijn rug dragen, zoals vrouwen dat in Rwanda traditioneel doen, maar ik durfde het niet goed. Een traditionele draagdoek is eigenlijk gewoon een grote lap stof, en de techniek vraagt ervaring en vertrouwen. Als jonge moeder van 27 vond ik dat allemaal nog erg spannend.
Mijn moeder bedacht daarom een soort tussenvorm. Ze liet een rechthoekige doek maken met vier lange uiteinden eraan, zodat ik mijn baby al zittend veilig kon vastmaken voor ik hem op mijn rug droeg. De doek werd aan de binnenkant licht verdikt voor extra comfort. Het ontwerp was eenvoudig, maar ingenieus.
Wat begon als een praktisch hulpmiddel, groeide uit tot een van de belangrijkste erfgoedstukken in mijn leven. Mijn drie kinderen hebben urenlang
in deze doek geslapen. Als ik eraan terugdenk, vermoed ik dat er geen plek is waar zij als baby’s vaker zijn geweest dan op mijn rug, in deze doek. Maar ook veel andere kinderen hebben erin gelegen: kinderen van vrienden, familieleden en gekozen familie. Elke baby die hier over de vloer kwam, leek vroeg of laat in slaap te vallen in die draagdoek.
Doorheen de jaren leerde ik ook andere vrouwen ermee dragen. Intussen heb ik variaties op dezelfde doek cadeau gedaan aan nieuwe moeders. Het ontwerp leeft dus verder.
Voor mij symboliseert deze doek veel meer dan moederschap alleen. Hij vertelt iets over hoe tradities zich aanpassen zonder verloren te gaan. Over hoe Rwanda en België elkaar kunnen ontmoeten in één object. Zelfs de stoffen weerspiegelen dat: een Afrikaanse print aan de ene kant, een meer westers patroon aan de andere.
Dit is geen museumstuk. Toch voelt het als erfgoed. Omdat er generaties, herinneringen en liefde in vervat zitten.” ■
dalillahermans.com
GRATIS ERFGOEDBORDJES
MAAK KANS OP GRATIS ERFGOEDBORDJES
Maak de verhalen achter bijzondere erfgoedplekken zichtbaar. Met een erfgoedbordje vinden bezoekers in de ErfgoedApp makkelijker dan ooit je waardevolle informatie.
Werk je voor een erfgoedorganisatie, toeristische dienst of een lokaal bestuur? Dan zijn deze bordjes iets voor jou!