Jaargang 18, nr 4, december 2025
Driemaandelijks tijdschrift. Afgiftekantoor Antwerpen. Erkenning: P808155
faro
tijdschrift over cultureel erfgoed
`
Dossier Mondelinge geschiedenis Wat herinneringen ons leren
Inzichten uit de beleidsplannen 2024-2028 Hoe staat het met het binnenklimaat? Het erfgoed van Koenraad Tinel
IN DIT NUMMER
03
EDITO
06
ONDERZOEKSCENTRUM BRON Gesprek met Anne van Oosterwijk
10
BINNENKLIMAAT Van theorie naar praktijk
18
22
EEN DUIK IN DE BELEIDSPLANNEN Onderzoek en kennisontwikkeling
CALAMITEITENPLANNEN Een gezamenlijk traject
DOSSIER MONDELINGE GESCHIEDENIS
30 32 38 42 48 52 58 62
Christina Morillo via Pexels, CC0
70 74
INTRODUCTIE LEVENSVERHALEN IN HET INDUSTRIEMUSEUM |
Hilde Langeraert
ONS (ONNAUWKEURIGE) GEHEUGEN | Rudi D’Hooge ORAL HISTORY IN HET RED STAR LINE MUSEUM | Aniek Smit
en Rabab Hammoudi
TURNHOUTSE KANTWERKSTERS | Sofie Wilder en
Eva van Eijndhoven
SHARED AUTHORITY VERTAALD NAAR DE PRAKTIJK |
Samengesteld door Jelena Dobbels en Elien Doesselaere
ONS BUURTVERHAAL | Annelies Tack en Linda Gils DE EIGENHEID VAN KUNSTENAARSINTERVIEWS |
Jelena Dobbels
MONDELINGE GESCHIEDENIS BIJ LIBERAS | Anouk Turnock,
Jeroen Buysse, & Nathan Lauwers
VERGETEN STEMMEN VAN BELGISCHE VLUCHTELINGEN IN HET IN FLANDERS FIELDS MUSEUM | Lotte Van Attenhoven, Annick
Vandenbilcke en Pieter Trogh
EN OOK
04
TELEX
16
SPREKEND ERFGOED De onsterfelijke manga
28
EXPAT Marjolein Dieltiens
68
HET ATELIER Koninklijke Manufactuur De Wit
78
MIJN ERFGOEDPLEK Koenraad Tinel
EDITO
COLOFON faro | tijdschrift over cultureel erfgoed 18 (2025) 4 | ISSN 2030-3777 REDACTIERAAD Joke Beyl, Roel
Daenen, Montaine Denys, Katrijn D’hamers, Jelena Dobbels, Elien Doesselaere, Julie Lambrechts, Anne Milkers, Henrike Radermacher, Alexander Vander Stichele, Jacqueline van Leeuwen, Olga Van Oost, Seppe Van Pottelbergh, Gregory Vercauteren en Jeroen Walterus | redactie@faro.be HOOFDREDACTEUR Roel Daenen | roel.daenen@faro.be BEELDREDACTIE Katrijn D’hamers EINDREDACTIE Birgit Geudens en Annemie Vanthienen VORMGEVING Silke Theuwissen HUISCARTOONIST Iris Van Robays DRUK Drukkerij Albe De Coker ADVERTEREN Roel Daenen ABONNEMENTEN België € 40 | buitenland € 50 | los nummer € 10 | https://faro.be/tijdschrift VERANTWOORDELIJKE UITGEVER
Olga Van Oost, p.a. Grasmarkt 105 bus 44, 1000 Brussel COVERBEELD © Dhiaa Biya faro is een blad voor en door de cultureel-erfgoedsector. Bezorg ons jouw suggestie voor een artikel, onderwerp of thema voor een rubriek of dossier. Hoe? Mail naar redactie@faro.be. © FARO. Vlaams steunpunt voor cultureel erfgoed vzw. De redactie heeft ernaar gestreefd de wettelijke bepalingen in verband met de intellectuele eigendom van de beelden na te streven. Ben je van mening dat voor een bepaald beeld het auteursrecht van de maker of zijn/haar erfgenamen werd geschonden, neem dan contact op met de redactie. De inhoud van de teksten
Wiens erfgoed is het eigenlijk? Met veel bombarie werd op 1 november 2025 het Grand Egyptian Museum (GEM) geopend in de Egyptische stad Gizeh. Het hoogtepunt van het museumbezoek is ongetwijfeld de Toetanchamongalerij. Het bouwproject nam meer dan dertig jaar in beslag en mikt op een nieuwe impuls voor het toerisme. Iets wat – gelet op de stormloop op tickets – aan het lukken is. Een verdeelsleutel moet zowel toeristen als Egyptenaren toegang geven. Gevreesd wordt dat de bevolking door het beperktere aandeel in die verdeelsleutel minder van haar eigen erfgoed kan genieten. In november 2025 zorgde ook de vooropening van het Museum of West African Art (MOWAA) in Benin City (Nigeria) voor commotie. Demonstranten drongen het gebouw binnen en verhinderden de opening. Ze deden dat uit ongerustheid over de rol van de Oba bij het beheer van het erfgoed, in het bijzonder de befaamde Benin Bronzen. Die Bronzen werden in 1897 door de Britten geroofd uit het paleis van de Oba van het Koninkrijk Benin, waarna ze in musea in Europa belandden. Een aantal van die musea zijn nu bereid om ze terug te geven. Uiteindelijk klaarde de lucht op: MOWAA benadrukte dat het nooit aanspraak op de Bronzen had gemaakt, en de National Commission for Museums and Monuments zou samenwerken met de Oba bij het beheer ervan. Op termijn kunnen de Bronzen een plek vinden in het toekomstige Benin Royal Museum bij het koninklijk paleis. Beide voorbeelden illustreren hoe erfgoed onder druk staat van toerisme, eigenaar- en zeggenschap. Want … van wie is erfgoed eigenlijk? Wie beslist over tentoonstellingen en toegang? En wat doen westerse musea met beladen objecten uit andere continenten? In een tijd waarin termen als participatie en co-creatie vaak gebruikt worden, wordt het steeds duidelijker dat het erkennen van eigenaarschap en medezeggenschap niet alleen een morele, maar ook een praktische uitdaging is.
en artikels vertolken enkel de visie van de auteurs en niet noodzakelijk die van het bestuur van FARO.
Je vindt naast sommige artikels logo’s die verwijzen naar de Duurzame Ontwikkelingsdoelstellingen van de VN. Voor meer uitleg, zie www.sdgs.be.
Een ander betekenisvol moment onderstreept dit: op 24 november nam de Kameroense filosoof en historicus Achille Mbembe de Spinozalens in ontvangst. Hij pleit voor Afrikaanse zeggenschap over de eigen geschiedenis en cultuur, inclusief de terugkeer van verdwenen erfgoed. Mbembes woorden herinneren ons eraan dat erfgoed niet louter een toeristische of institutionele kwestie is, maar ook een politieke en morele dimensie heeft. Ook in Vlaanderen is het zoeken naar een evenwicht tussen toerisme en lokaal gebruik een uitdaging. Zowel in Gizeh, Benin City als in Vlaamse steden en gemeenten geldt dat erfgoed niet alleen een toeristische troef is, maar ook een gemeenschappelijk goed dat zorgvuldig en weloverwogen gedeeld en beheerd moet worden. De redactie
Certificate Number 10506-2501-1002 www.climatepartner.com
redactie@faro.be
3
TELEX
30 jaar Brood & Rozen
Onderweg
© Amsab-ISG
Amsab-ISG viert de 30e verjaardag van Brood & Rozen, het tijdschrift voor sociale geschiedenis in Vlaanderen, met een schrijfwedstrijd over de actuele betekenis van de historische slogan “We want bread and we want roses too”. De wedstrijd nodigt je uit om te reflecteren over rechtvaardigheid, waardigheid en hoop in de 21e eeuw. Iedereen vanaf 18 jaar kan meedoen met een Nederlandstalige, ongepubliceerde tekst van maximaal 2.000 woorden, in een vorm naar keuze. Inzendingen moeten vóór 18 januari 2026 worden ingediend. De winnaar ontvangt 500 euro en een publicatie in Brood & Rozen.
Meedoen? Surf naar https://amsab.be/nieuws/wedstrijd-brood-en-rozen
ONBEKENDE WERKEN VAN BACH ONTDEKT IN KBR In de Koninklijke Bibliotheek van België (KBR) zijn in het fonds Fétis twee tot nu toe onbekende orgelwerken van Johann Sebastian Bach ontdekt: de Ciacona in d klein (BWV 1178) en de Ciacona in g klein (BWV 1179), composities die recent konden worden geauthentificeerd door het Bach-Archiv Leipzig. De kopieën © Jens Schlüter Photography werden rond 1705 vervaardigd door Bachs leerling Salomon Günther John en vertonen alle stilistische kenmerken die typisch zijn voor Bachs composities uit die periode. De vondst onderstreept het belang van het fonds Fétis, een monumentale verzameling muziekmanuscripten die de KBR bewaart en die internationaal hoog aangeschreven staat. De twee chaconnes werden inmiddels uitgegeven door Breitkopf & Härtel en zijn, net als de digitale beelden van het handschrift, publiek toegankelijk. https://uurl.kbr.be/bib/15353870 en https://tinyurl.com/33fdv7z6
Migratie vormt al sinds de oudste tijden een rode draad in de wereldgeschiedenis. In Onderweg. Migraties die de wereld veranderden onderzoeken illustrator Aimée de Jongh en historica Tina De Gendt hoe verplaatsingen van mensen – van de prehistorie tot vandaag – onze wereld blijvend hebben gevormd. Migratie is niet uitzonderlijk, maar net de normaalste zaak van de wereld: mensen zijn altijd onderweg geweest. Toch weten we vaak weinig over hun ervaringen. Dit boek voor kinderen en volwassenen biedt daarom een uitnodiging om te kijken, te lezen en te praten over hoe migratie ook ons eigen leven beïnvloedt. A. de Jongh & T. De Gendt, Onderweg. Migraties die de wereld veranderden. Lannoo, 2025. ISBN 978 90 599 6081 7
ART X GENDER Met Art x Gender richten de Koninklijke Musea voor Schone Kunsten van België (KMSKB) de spotlight op hardnekkige genderstereotypen in hun collecties. De nieuwe opstelling onderzoekt hoe kunst – van de 16e tot de 20e eeuw – beelden van de ‘viriele man’ of de ‘zorgzame vrouw’ heeft versterkt, geproblematiseerd of ondergraven. Bijna 30 werken, van Lucas Cranach tot Roger Raveel, worden voor de gelegenheid samengebracht in het hart van het Old Masters Museum. Maar er is meer, want ook in de permanente collecties worden bezoekers aangespoord om op zoek te gaan naar genderstereotypen. Daarnaast ontwikkelden de musea een participatief aanbod voor 15- tot 20-jarigen. Art x Gender, tot 19 april 2026 in de KMSKB: https://fine-arts-museum.be/nl/tentoonstellingen/art-x-gender Maurice Denis (1870-1943), Jonge moeder (olieverf op doek, 1921). KMSKB, foto: KIK - Brussel
4
VERTEL VERDER
Nationaal Holocaustmuseum. Office Winhov / © Stefan Müller
In Vertel verder… in gesprek met Holocaustgetuigen gebruikt het Nationaal Holocaustmuseum interactieve technologie waarmee bezoekers vragen kunnen stellen aan mensen die de Shoah overleefden. Nu de laatste getuigen verdwijnen wil het project – ontwikkeld met de USC Shoah Foundation – hun persoonlijke verhalen blijvend toegankelijk en invoelbaar houden.
Bezoekers ontmoeten twaalf overlevenden uit verschillende Europese landen. Zij laten zien hoe de Jodenvervolging lokaal verschilde en hoe de Nederlandse geschiedenis zich tot die bredere context verhoudt. Twee getuigenissen gebruiken Dimensions in Testimony, dat via honderden vooraf opgenomen antwoorden en taaltechnologie realistische gesprekken mogelijk maakt. Vertel verder… in gesprek met Holocaustgetuigen loopt tot en met 8 november 2026: https://jck.nl/locatie/nationaal-holocaustmuseum
(Zw)erfgoed De podcast (Zw)erfgoed neemt je mee achter de schermen van de Erfgoedbank Brussel en brengt vergeten verhalen tot leven aan de hand van oude foto’s. Elke aflevering zoomt in op een bijzonder stuk Brusselse geschiedenis: van het Bonneviepark in Molenbeek, ontstaan uit buurtprotest tegen de metrobouw, tot het verborgen verleden van de Oudergemse wasvrouwen. Je ontdekt het wonderlijke verhaal van de heilige Madeleine-Sophie Barat in Jette en de kleurrijke wereld van Brusselse bloemisten. Benieuwd naar de unieke verhalen achter de foto’s? Surf naar https://erfgoedbankbrussel.be/podcast of beluister (Zw)erfgoed via Spotify.
Archief in de hoofdrol In Nooit Nooit duikt Collectief WOLF WOLF in het archief van een theaterhuis. Vijf acteurs besluiten het volledige verleden van 60 jaar theater in hun hoofd op te slaan. Als erfgenamen van een overleden dierbare openen ze dozen vol tekstbrochures, foto’s, personeelsdossiers, affiches en maquettes. Wat blijft behouden, en wat verdwijnt voorgoed? Dozen worden leeggehaald, kostuums worden verkocht en decorstukken gaan naar het containerpark. Alleen de theaterteksten en foto’s krijgen een nieuwe ruimte in de digitale wereld. Met speelse verwondering blaast WOLF WOLF het archief nieuw leven in en onderzoekt het de kunst van het onthouden. Nooit Nooit is een productie van WOLF WOLF & NTGent. Info en speeldata: https://www.ntgent.be/nl/producties/nooit-nooit
GODDELIJKE GERECHTEN
Foto: UAntwerpen
Goddelijke Gerechten brengt eeuwenoude, bijna vergeten recepten opnieuw tot leven. Het Ruusbroecgenootschap (Universiteit Antwerpen) dook in zijn rijke archieven en selecteerde 25 historische recepten, van een 17e-eeuwse begijnenvlaai over kruisboter en roffioelen tot pingelpastei en eikenbrandwijn. De gerechten laten zien hoe eten en geloof eeuwenlang nauw met elkaar verweven waren. Onderzoekers Tine Van Osselaer en Robrecht Neyrinck bundelden de culinaire vondsten tot een kookboek dat zowel recepten als duiding biedt. T. Van Osselaer en R. Neyrinck, Goddelijke gerechten. Smullen van religieus erfgoed. Brepols, 2025. ISBN 978-905622-077-8
CADEAUX POURRIS De Waalse museumvereniging Musées et Société en Wallonie lanceert dit jaar opnieuw de originele actie Cadeaux pourris. Mensen die ontevreden zijn over hun kerstcadeau kunnen het in een van de deelnemende musea omruilen voor een museumbezoek; de ingeleverde cadeaus gaan naar de vzw Les Petits Riens. De actie geeft ongewenste geschenken een tweede leven, steunt een goed doel en trekt een nieuw publiek aan dat musea op een verrassende manier leert kennen. https://msw.be
5
ONDERZOEK
VAN OUD SCHOOLGEBOUW NAAR BRON
“Onderzoek is de humus van een museum” Een maand voor de officiële opening van het gloednieuwe onderzoekscentrum BRON van Musea Brugge sprak faro met een trotse Anne van Oosterwijk. Een gesprek over openheid, humus en de toekomst van onderzoek. Joke Beyl en Olga Van Oost
O
p 25 november opende BRON voor het publiek. Het officiële startschot werd gegeven op 19 november, gevolgd door een tweedaags congres over Hans Memling. Musea Brugge onderzocht de afgelopen jaren zijn volledige oeuvre met technische beeldvorming. Het nieuwe onderzoekscentrum, gevestigd in het historische hart van Brugge, heeft de ambitie om een toekomstgericht platform te zijn dat erfgoedonderzoek wil opentrekken. BRON richt zich niet enkel op de professionele erfgoedwerker of universitaire onderzoeker, maar nodigt ook erfgoedliefhebbers, studenten en het publiek uit. Dat past binnen een strategische verschuiving in onderzoek naar cultureel erfgoed. In een tijd waarin digitalisering en democratisering sleutelbegrippen zijn, streeft BRON zowel wetenschappelijke diepgang als maatschappelijke relevantie na. Het doel is duidelijk: de collecties van Musea Brugge ontsluiten op een manier die zowel lokaal als internationaal resoneert.
6
BRON richt zich niet enkel op de professionele erfgoedwerker of universitaire onderzoeker, maar nodigt ook erfgoedliefhebbers, studenten en het publiek uit
ONDERZOEK ZONDER EN MET MUREN
Aan het roer staat Anne van Oosterwijk, directeur Collecties en Onderzoek. Ze heeft een scherpe visie op collectiebeheer en onderzoek: “Onderzoek is de humus van een museum. We moeten kennis hebben over onze collectie en tegelijk ook duidelijk maken aan het publiek dat die kennis niet statisch is. Ze is nog helemaal niet af. Er is nog zoveel te doen met die basis.” Voor van Oosterwijk
Boven: op 25 november opende BRON, het nieuwe onderzoekscentrum van Musea Brugge. © Femke den Hollander voor Musea Brugge
Onder: professionele erfgoedwerkers, universitaire onderzoekers, erfgoedliefhebbers, studenten en het publiek zijn welkom in BRON. © Femke den Hollander voor Musea Brugge
moeten onderzoek en kennisontwikkeling open en toegankelijk zijn. Die filosofie vertaalt zich in de kernwaarden van BRON. Zo zijn de collecties van Musea Brugge niet alleen digitaal doorzoekbaar, maar beschikt BRON ook over fysieke ruimtes en ondersteunende infrastructuur om onderzoek te faciliteren. BRON wil een uitnodiging zijn om – figuurlijk – dichter bij het object te komen en om nieuwe vragen te stellen.
De open aard van BRON strekt zich uit tot de onderzoeksoutput zelf. Resultaten van onderzoeksprojecten gesteund door BRON zullen, waar mogelijk, openbaar en herbruikbaar zijn. Door een laagdrempelige structuur te creëren – een welkome, moderne onderzoeksruimte en persoonlijke begeleiding – beoogt het een omgeving van vertrouwen en samenwerking te smeden. Het gaat hier niet alleen om het delen van data,
7
De fysieke inrichting is gericht op laagdrempeligheid en interactie. © Femke den Hollander voor Musea Brugge
maar ook om nieuwe samenwerkingsverbanden. Het centrum staat met andere woorden voor de omslag die Anne samen met haar team sinds een aantal jaren probeert door te voeren: “We willen niet enkel extern mensen helpen met hun onderzoek, maar we willen mensen naar hier halen en op onze collectie laten werken. Dit gebouw geeft ons de fysieke plek die we hiervoor niet hadden.” Een plek met muren zonder muren dus. De concrete uitwerking van deze visie is zichtbaar in de architectuur van BRON. De fysieke inrichting is gericht op laagdrempeligheid en interactie. De leeszaal en onderzoeksruimtes zijn geen stille, intimiderende omgevingen, maar lichte, flexibele werkplekken die uitnodigen tot overleg en co-creatie. Er zijn specifieke ruimtes voorzien voor:
• Hands-on onderzoek: tafels met de juiste licht- en klimaatcondities om fragiele objecten te onderzoeken. • Kennisuitwisseling: ontmoetingsruimtes voor informele discussies tussen academici, erfgoedwerkers en studenten. Bovendien zal BRON inzetten op wat er in de fysiek geconnecteerde expositiehal BRUSK (opening voorzien op 8 mei 2026) speelt. Boeken die tentoongesteld worden in de bibliotheek van BRON zullen verband houden met de lopende tentoonstellingen in BRUSK.
LOKAAL VERANKERD, INTERNATIONAAL RELEVANT
BRON opereert met een dubbele focus: het wil tegelijkertijd een diepgeworteld lokaal kenniscentrum en een ambitieus internationaal knooppunt worden. Zo tracht het de kloof tussen academisch onderzoek en burgeronderzoek te verkleinen. Het centrum werkt
8
via crowdsourcingprojecten samen met lokale vrijwilligers en gemeenschappen die betrokken zijn bij erfgoedprojecten, waarbij de expertise van de professional en de passie van de burger hand in hand gaan. Van Oosterwijk: “Voor mij is collectieonderzoek alles wat meer kennis creëert over het object. Dat betekent dus ook getuigenissen of verhalen die het brede publiek toevoegt aan het object. Ik hecht veel waarde aan ons participatieve verzameltraject. Al brengt dit ook nieuwe vragen met zich mee, want hoe moeten deze verhalen gecapteerd of bewaard worden? Hoe ga je er verder mee aan de slag in termen van verwervingsbeleid?” Tegelijkertijd kijkt BRON over de grenzen heen. Het centrum wil ook internationale onderzoekers aantrekken. Door hen te laten werken met de collecties wil het wederzijdse kennisoverdracht aanzwengelen. De buitenlandse gasten brengen nieuwe methodologieën en vergelijkende perspectieven in, terwijl zij de unieke Brugse bronnen bestuderen. Voor de erfgoedprofessional uit Vlaanderen betekent dit een directe toegang tot de nieuwste internationale inzichten en netwerken. Van Oosterwijk verwoordt het als volgt: “Ik wil dat het onderzoekscentrum onderdeel is van het museum en dat we vertrekken vanuit de museale collecties.” BRON is een collectieonderzoeksinstelling en wil die eigen bronnen ook aanbieden aan externe onderzoekers. “We hebben onze objectdossiers en die willen we digitaliseren en toegankelijker maken. Dat zijn unieke bronnen. Daar zitten zaken in die niet eerder gepubliceerd zijn.”
UITDAGINGEN
Voor Anne van Oosterwijk is BRON duidelijk geen eiland. De kern van een succesvol onderzoeks- en kenniscentrum ligt voor haar in de rol van netwerkpartner binnen de Vlaamse en internationale erf-
BRON beschikt over tafels met de juiste licht- en klimaatcondities om fragiele objecten te onderzoeken. © Femke den Hollander voor Musea Brugge
goedsector en de academische wereld. De samenwerking met Vlaamse universiteiten en partners zoals het Brugse stadsarchief en de Brugse erfgoedbibliotheek is van groot belang. Van Oosterwijk: “Er is sprake van een kentering waarbij de academische en de museale onderzoekswereld steeds meer samenwerken. Zo participeren we in het Studiolo-project, o.a. samen met het Rubenshuis en enkele Vlaamse universiteiten, waarin jonge onderzoekers, onze eigen medewerkers en onderzoeksfellows elkaar ontmoeten en kennis delen.” Voorts hoopt BRON ook de erfgoedliefhebbers die langskomen op termijn te kunnen inbedden in een netwerk waarin ze elkaar kunnen verrijken. Dat dit een grote uitdaging is, ontkent Anne van Oosterwijk niet. Ze wil samenwerking met academische instellingen, andere erfgoedorganisaties en onderzoekers structureler van aard maken: daar ligt de toekomst. Nu de opening achter de rug is wil ze de komende maanden precies daarop inzetten. Hoe BRON positioneren zowel binnen het erfgoed- als het academische veld, vertrekkende vanuit de immense rijkdom die de collectie van Musea Brugge kenmerkt? Dit brengt haar bij een andere uitdaging. Het collectiebeleidsplan vormt de voedingsbodem voor de onderzoeksagenda van BRON. Een belangrijke voorwaarde om bronnen te delen en open te stellen voor onderzoek is registratie en digitalisering. Daar valt nog een historische achterstand weg te werken. Bovendien is er nog een derde uitdaging: “Vaak gaat de aandacht van de universitaire wereld uit naar onze topstukken. Het is ons doel om ook de andere 80 % van de collectie onder hun aandacht te brengen.”
NIEUW HOOFDSTUK
De opening van BRON markeert een nieuw, ambitieus hoofdstuk voor erfgoedonderzoek. Daarbij wil het centrum een vitale hub zijn. Door zowel de diepe, lokale kennis over de eigen collectie te ontsluiten als te fungeren als een internationaal onderzoeksplatform
wil BRON een essentiële dienst bieden aan zowel de professionele erfgoedwerker, de onderzoeker als de erfgoedliefhebber. Daarnaast zorgt deze focus op de eigen – gigantische – collectie ervoor dat BRON voor een zoektocht staat. Want hoe bepaal je wat je zal onderzoeken en hoe? BRON nodigt daarom uit tot samenwerking over institutionele en disciplinaire grenzen heen. ■
ERFGOEDONDERZOEK EN KENNISONTWIKKELING Wat betekent ‘onderzoek’ in een erfgoedcontext? Wie is ‘onderzoeker’? Hoe kunnen we onderzoek een meer centrale plaats geven in de organisatie en maximaal valoriseren? Waarom ligt de relatie tot academisch onderzoek gevoelig? Vertrekkend van deze schijnbaar eenvoudige vragen zette FARO in 2023 het Lerend netwerk erfgoedonderzoek en kennisontwikkeling op. Het resultaat van dit denk-, praat- en doe-werk was een inspiratienota (te downloaden op de FARO-website). Parallel aan deze inspiratienota wijdden we in het juninummer (2024) van dit tijdschrift een dossier aan het thema ‘onderzoek’. Om te weten te komen hoe de relatie tussen erfgoedsector en de (academische) onderzoekswereld versterkt en geoptimaliseerd kan worden op het vlak van onderzoek en kennisontwikkeling ging FARO in 2025 in gesprek met academici van verschillende Vlaamse universiteiten en onderzoekscentra. De resultaten van dit onderzoek worden verwacht begin 2026. En noteer alvast 2 juni 2026 in je agenda. Dan vindt de 15e editie van het Groot Onderhoud plaats op de Bijlokesite in Gent, met als thema ‘Kwetsbare kennis’. » Joke Beyl is onderzoeker bij FARO. Olga Van Oost is er algemeen directeur.
9
ERFGOEDZORG
VAN THEORIE NAAR PRAKTIJK
HOE STAAT HET MET HET BINNENKLIMAAT? Erfgoedorganisaties nemen hun binnenklimaat ernstig. Maar historische gebouwen, strenge eisen en installaties zijn een pittige combinatie: die kost handenvol energie en levert zelden de gewenste betrouwbaarheid. Het kan en moet duurzamer.1 Welke aanpak je ook kiest: uitdagingen zijn er altijd. Tine Hermans
H
oe een stap vooruitzetten richting een duurzaam binnenklimaat? Dat was een van de vragen waarover het Lerend netwerk duurzaam collectiebeheer zich het afgelopen jaar boog. Richtlijnen en duurzaamheidsambities zijn er genoeg, maar veranderingen – zowel in denkprocessen als in infrastructuur – gaan traag. Leren van elkaar kan helpen. Acht erfgoedorganisaties getuigen, met oudere en/of recentere infrastructuur.
BANDBREEDTE
Onderzoek leert dat de meeste collecties ruime(re) marges verdragen dan vroeger werd aangenomen. Elvira Servaes, Manager Building, Facility & Security van het Koninklijk Museum voor Schone Kunsten Antwerpen: “Iedereen zou de ASHRAE-richtlijnen2 eens van a tot z moeten lezen. Want vaak gaan nuances verloren omdat men cijfers uit hun context rukt. Terwijl het daar niet om draait. Waar het wel om gaat, is de ‘volhoudbaarheid’ en betrouwbaarheid van je binnenklimaat, rekening houdend met het
10
gebouw, je werking en middelen. Op zaal is de temperatuur vrij stabiel dankzij de inertie van dikke buitenmuren, maar door de beperkte luchtdichtheid van het historische schrijnwerk zijn er schommelingen in de relatieve vochtigheid (RV) die moeilijker te controleren zijn. Daar hanteren we nu de ruimere bandbreedte van 40 tot 60 % RV met maximale kortetermijnschommelingen van 10 %. Deze versoepeling houdt volgens het Bizot Green Protocol3 en de Klimaatverklaring4 geen noemenswaardig risico op schade in voor de meeste collecties. Bij interne collectiemobiliteit is er nu wel een verschil tussen de depot- en de zaalcondities.” Ann Deckers, hoofd collectie bij FOMU: “We kozen tien jaar geleden bewust voor een energiezuinig depot met minder strikte klimaateisen. Eerdere ervaringen hadden geleerd dat het beheer van een depotgebouw haalbaar moest zijn, zonder het belangrijkste deel van de collectie aan te veel risico’s bloot te stellen. Ook de verhuis naar een geklimatiseerd depot had aangetoond dat sommige objecten (die nooit ‘klima’ hadden gekend) niet altijd gelukkig waren
Zicht op het KMSKA-depot bij de opening. KMSKA © Jesse Willems
met de nieuwe strikte klimaatsituatie. In een tijd waarin de klimaatverandering steeds meer impact heeft, vragen we ons af wat het betekent om collecties ‘voor de eeuwigheid’ te bewaren. Wat kunnen wij doen om onze voetafdruk te verkleinen? Het binnenklimaat mag langzaam schommelen tussen 13 en 21° C en 40 tot 55 % RV. Voor de gevoeligste deelcollecties hebben we koelcellen.”5 Ook voor het bruikleenverkeer is er verandering op til. Benedicte Dierickx, depotbeheerder bij M Leuven: “Onze bruikleencontracten zijn de afgelopen jaren geüpdatet naar het reële binnenklimaat dat onze collectiestukken in eigen huis gewoon zijn.”
GEBOUW(BEHEER)
Het gebouw en hoe het beheerd wordt hebben grote impact op het binnenklimaat. En laat dat nu net de twee domeinen zijn waar veranderingen het traagst gaan en waarop collectiemedewerkers het minst invloed hebben. Bovendien is de gemiddelde ouderdom van de gebouwen vrij hoog. Veel hangt af van (de relatie met) je gebouwbeheerder.
In een tijd waarin de klimaatverandering steeds meer impact heeft, vragen we ons af wat het betekent om collecties ‘voor de eeuwigheid’ te bewaren. Wat kunnen wij doen om onze voetafdruk te verkleinen? Jo Santy, directeur van Museum DE MINDERE: “Hoewel wij geen stadsmuseum zijn, hangen we sterk af van het lokale bestuur. Het museum ligt midden in een kloostersite, die sinds 2019 verlaten is. De stad heeft de hele site in pacht, maar beleeft financieel moeilijke tijden. Het is wachten op een toekomstvisie voor de hele site. Onlangs
11
kregen de museumgebouwen EPC-label X: de gegevens ontbreken om een EPC-label toe te kennen.” Anneleen Decraene, collectiebeheerder bij Museum Plantin-Moretus: “Als stadsorganisatie gaat het wat makkelijker. We kunnen beroep doen op de diensten van vastgoedbeheerder AG Vespa, die technische expertise in huis heeft. We hebben al verschillende ingrepen gedaan in het historische huis: luiken gesloten, gordijnen opgehangen, vitrines luchtdicht gemaakt, zolderisolatie en ledverlichting geplaatst. Alle beetjes helpen.” Benedicte: “Ons obstakel is de complexiteit van de drie gebouwen, waardoor we, alle intenties ten spijt, nog geen grote stappen vooruit konden zetten in de verduurzaming van ons binnenklimaat. De techniek is ingebouwd en het gebouwbeheersysteem uit 2009 is niet flexibel genoeg om setpoints te laten evolueren volgens de seizoenen.”
BOUWFASE EN UITBATING
Het begint bij de ontwerpfase. Ann volgde de bouw van het Lieven Gevaertdepot van nabij op: “Als collectiemedewerker is het vaak niet evident om tijd vrij te maken voor de werfvergaderingen, terwijl je niet vrijgesteld wordt van andere taken en je technische zaken moet proberen te begrijpen. Door onze drie bouwdelen zitten we met verschillende softwaresystemen voor gebouwbeheer en leidingen die door elkaar lopen: niet makkelijk voor alle betrokkenen. Helaas kregen we al te maken met technici die onaangekondigd een setpoint veranderden.” Elvira: “Bij langdurige bouwtrajecten is continuïteit vaak moeilijk te bewaren. De renovatie van het KMSKA duurde bijna twintig jaar, met onderweg veel wissels. Slechts twee mensen konden het traject van begin tot einde opvolgen. Vanuit het bouwproject groeide ik door naar de uitbating van het museum. De voorbije drie jaar heb ik daar veel inzichten opgedaan over wat echt telt, maar waarmee in concept, ontwerp en uitvoering vaak te weinig rekening wordt gehouden. Daarom mijn oproep: deel niet alleen ervaringen uit de bouwfase, maar ook uit de uitbating. Die maken voor nieuwe projecten het verschil.”
Het KMSKA-depot geeft (mits het openleggen van de vloerluiken) rechtstreeks toegang tot de Rubenszaal. KMSKA © Karin Borghouts
12
Deel niet alleen ervaringen uit de bouwfase, maar ook uit de uitbating. Die maken voor nieuwe projecten het verschil
MANUELE OPVOLGING
In historische huizen is het roeien met de riemen die er zijn. Het binnenklimaat vergt er voortdurend manuele opvolging en dat is niet evident, zeker niet met een klein team. Joanie Dehullu, conservator bij het Jenevermuseum: “Wij zitten in een voormalige stokerij, gerenoveerd in de jaren ’80 en beschermd. Bovendien huisvesten we een werkende stokerij, die warmte en stoom genereert. We monitoren dit en de impact lijkt mee te vallen. In de expozaal werken we met mobiele ontvochtiging.” Anneleen: “’s Zomers gaan we vaak over de grens van 30° C. Op warme dagen zetten we ’s ochtends bepaalde ramen met hor open om het voor onze bezoekers en personeel draaglijk te houden. Na regenbuien doen we een controle. Een tijd geleden was er een waterlek in de bibliotheek. Ik plaats er geen collectiestukken meer.” Lena Pinnel, depotbeheerder bij het Letterenhuis: “Ook wij zetten wel eens een raam open. De ervaring leert waar en wanneer je moet ingrijpen en welke pieken niet zorgwekkend zijn. Maar dan nog is het een arbeidsintensieve zaak om be- of ontvochtigers manueel aan en uit te zetten – vanwege brandgevaar – en tijdig te legen en te ontkalken.” Ten onrechte wordt vaak gedacht dat installaties een veilig binnenklimaat garanderen. Jo: “Eind jaren 1990 werd een HVAC-installatie geplaatst, zonder al te veel isolatie. Toen de gasrekening opliep tot 10.000 euro per maand, konden mijn collega’s niet anders
Boven: depotruimte van Museum DE MINDERE © Museum De MINDERE Midden: zicht op een van de depotruimtes in de Lieven Gevaerttoren © Fotomuseum Antwerpen Onder: depotruimte van het Museum PlantinMoretus © Filip Dujardin
13
dan ze uitzetten. Dat werd wel gemonitord, en er zijn be- en ontvochtigers aangekocht. Maar dan nog is het moeilijk in de meeste ruimtes: ons binnenklimaat fluctueert mee met de seizoenen. Onze tentoonstellingszaal ligt gelukkig op het noorden, maar delicate bruiklenen zijn niet mogelijk.” Joanie: “De HVAC-installatie in het depot van de stedelijke musea Hasselt6 dateert van 2003. Onderdelen zijn niet meer te vinden en regelmatig zijn er defecten. Jaren geleden heeft dat, mede door een trage responstijd, tot een schimmeluitbraak geleid. Het depot is onderdeel van de stedelijke werkplaatsen en de bouwschil is nooit geïsoleerd: maar goed dus dat dit energieverbruik niet apart gemeten wordt en dat de stad betaalt.” Lena: “Na renovatiewerken startte onze koelinstallatie niet meer op. Vorig jaar is ze helemaal vernieuwd. De tussenperiode heeft ons – dankzij een intensieve monitoring per depot – wel geleerd hoe snel ons gebouw evolueert met het buitenklimaat en welke ruimtes ‘van nature’ stabieler zijn. Die inzichten nemen we mee in de lopende herzonering van de collectie.”7 In al deze cases heeft de HVAC-installatie maar één circuit. Energiebesparing via klimaatzones is dus geen optie. Daarbij komt het risico dat de zuidelijk gelegen ruimtes en sensoren veel meer aanpassingen vragen dan de rest van het gebouw. Recente installaties hebben niet noodzakelijk minder onderhoudskosten en blijven evenmin van problemen gespaard. Anneleen: “Wij hebben gelukkig drie aparte circuits voor de leeszaal, de depots en de transitruimte. Maar enkele sensoren bleken niet correct te hangen. Ook is de buitensensor te gevoelig, waardoor de installaties voortdurend werken.” Elvira: “Sinds de heropening van het KMSKA hebben we verschillende problemen ervaren. Ontwerpers, installateurs en onderhoudsfirma’s houden vaak te weinig rekening met de specifieke realiteit van een museum. Installaties moeten continu draaien, waardoor storingen – zeker aan cruciale onderdelen zoals koeling of bevochtiging – zwaar doorwegen en onderdelen sneller verslijten. De technieken zijn opgestapeld in twee grote torens, wat onderhoud lastig maakt. Gelukkig hebben we een externe onderhoudspartner die onze systemen én hun belang in de museale werking ondertussen goed kent, maar het kost wel tijd om die kennis op te bouwen. Bij heraanbesteding van zulke contracten dreigt dat proces telkens van voren af aan te
Boven: de buitengevel van het Lieven Gevaertdepot. © Fotomuseum Antwerpen Midden: een waterbak aan de radiator. Letterenhuis © Emma Decraemer Onder: een zicht op het depot van het Letterenhuis. © Emma Decraemer
14
beginnen. Daarom is de interne kennisopbouw over het gebouw en de installaties cruciaal, iets wat wordt onderschat. Ik begrijp heel goed dat in een museum als het onze of een gezamenlijk depot een technisch team nog te verantwoorden is, maar dat dit voor kleinere erfgoedorganisaties geen optie is. Dus een belangrijke les: hou het eenvoudig. Hoe passiever een gebouw kan werken, hoe beter.”
BOX-IN-BOX
Dat brengt ons bij recente bouwprojecten die het anders proberen.8 En de resultaten zijn hoopgevend, al blijft het wachten op concrete gegevens over energieverbruik. Ann: “De bouwschil van de Lieven Gevaerttoren is goed geïsoleerd en zo gesloten mogelijk, met uitzondering van het gelijkvloers en de trappenkoker. In de toren zitten vijf luchtdichte boxen in prefabbeton, om zo weinig mogelijk bouwvocht te hebben, met een dampdoorlatende silicaatvernis. Volgens computersimulaties hebben we op de eerste en de bovenste verdieping toch bijsturing nodig; uiteindelijk kreeg elke box een kleine, energiezuinige installatie. Die stuurt het klimaat enkel bij wanneer de vooropgestelde grenzen overschreden worden en filtert eens per etmaal de binnenlucht. Dankzij de bouwschil is bijsturen zelden nodig. Zonnepanelen op het dak zorgen voor een deel van onze energiebehoefte. Al hielden de gebruikte computersimulaties rekening met slechts één hittegolf per jaar.” Ook voor Depot Rato in Mechelen koos men voor duurzaamheid, naar het voorbeeld van het Science Museum in het Britse Wroughton. Dat gebruikt depotboxen in ademend kalkhennepbeton. Elke Verhoeven, expert depotwerking bij Hof van Busleyden, volgt sinds 2017 de werf en de collectieverhuis op: “Aan de bestaande loodsen is weinig veranderd. In de eerste loods werden acht boxen gebouwd met kalkhennep, elk met een verwarming, ontvochtiging en twee sensoren. Drie andere boxen – de koelcel, het restauratieatelier en de anoxiekamer – zijn gebouwd met het klassieke cellenbeton en volledig geklimatiseerd. De tweede loods dient voor de grote en niet-kwetsbare stukken – praalwagens, reuzen en andere – die een ruimere bandbreedte verdragen en huisvest nog een bibliotheekbox, een calamiteitentruimte, een polyvalente zaal en een kantoor. Kalkhennep werd in Vlaanderen tot dan enkel in de woningbouw gebruikt. Het bouwproject kende meerdere tegenslagen, te beginnen bij een juridische procedure met de aannemer. Uiteindelijk is de totale kost bijna verdubbeld, van 3,8 naar 6 miljoen euro9, om nog te zwijgen over de jaren vertraging, waardoor delen van onze collectie meermaals verhuisd zijn naar ongeschikte locaties, met alle gevolgen van
dien. Het oorspronkelijke projectteam wijzigde halverwege het traject volledig. Desalniettemin: kalkhennep wérkt. In die boxen halen we nu een relatieve vochtigheid tussen 46 en 54 %. Verwarming hebben we nog niet nodig gehad en de hoogst gemeten temperatuur is 26° C. Nu de inhuizing vordert, hopen we dat de ontvochtigers binnenkort uit kunnen. Dan pas kunnen we ons energieverbruik in kaart brengen. De tweede loods baart ons wel zorgen: omdat de grote poort open- en dichtgaat volgen de schommelingen het buitenklimaat. Door besparingen werd hier geen klimatisatie voorzien.”
MOEDIG VOORWAARTS
Daarmee is dit verhaal nog niet ten einde. Plannen voor de toekomst:
» een betere monitoring van het effect van het
buitenklimaat en onderzoek naar de haalbaarheid en voor- en nadelen van nachtelijke shutdowns in het KMSKA;
» een nieuwe verwarmingsketel in het Jenevermuseum;
» herzonering van depots en expozaal in Museum DE MINDERE;
» een studie naar de benodigde luchtverver-
singsratio in het depot van FOMU, in relatie tot de off-gassing van de collectie;
» een nieuw depot voor de minder klimaatge-
voelige collectiestukken, en een onderzoek naar hernieuwbare energie in combinatie met de optimalisatie van het energieverbruik in M Leuven;
» nieuwe, energiezuinige depots voor de stedelijke musea in Antwerpen en in Hasselt. ■
» Tine Hermans was tot september 2025 adviseur behoud en beheer bij FARO. » Bronnen en literatuur 1. Lees ook het themadossier over binnenklimaat in faro, 14(2021)2. 2. ASHRAE, ‘Chapter 24: Museums, Galleries, Archives and Libraries’, in: HVAC Applications Handbook, 2023. 3. Bizot Green Protocol (2023) en het bijhorende handboek #1 Adopting the Bizot Green Guidelines (2023). https://www.cimam.org/documents/238/Bizot_Green_Protocol_-_2023_refresh_-_Sept_2023.pdf en https://www.cimam. org/documents/239/Bizot_Green_Protocol_-_Handbook_1_-_Adopting_the_ Bizot_Green_Guidelines.pdf 4. Klimaatverklaring voor erfgoedorganisaties, 2022. Zie: https://faro.be/ publicaties/klimaatverklaring-voor-erfgoedorganisaties 5. https://faro.be/kennis/depotfiches/antwerpen-lieven-gevaertdepot-fotomuseum-antwerpen. 6. https://faro.be/kennis/depotfiches/hasselt-centraal-depot-stadsmus-jenevermuseum-modemuseum-stad-hasselt. 7. Zie de projectfiche: https://faro.be/kennis/projectfiches/antwerpen-collectiemanagement-bij-een-defect-hvac-systeem-letterenhuis 8. Lees ook het artikel over Depotyze en depot Trezoor in faro 14(2021)2. 9. Inclusief extra studies, gerechtskosten, gehuurde depotruimte, de coronacrisis en nadien de prijsstijgingen voor bouwmaterialen.
15
SPREKEND ERFGOED
DE ONSTERFELIJKE MANGA Wat als … erfgoed zou kunnen spreken? Een hypothetische, maar interessante vraag. Want welke verhalen zouden we dan kunnen ontdekken? Soms spreekt erfgoed een taal die we niet meteen begrijpen. Dat geldt zeker voor de Japanse boekencollectie van UCLouvain. Met bijna 14.000 volumes, geschonken door de Japanse overheid na de verwoesting van de Leuvense universiteitsbibliotheek tijdens de Eerste Wereldoorlog, vormt ze een van de rijkste getuigenissen van Japans cultureel erfgoed in België. Eén boek spreekt bijzonder luid: Hokusai manga, een vijftiendelig compendium met meer dan 3.900 illustraties van Katsushika Hokusai (1760-1849). Misschien ken je het wel: het boekje inspireerde Belgische kunstenaars zoals Alfred Stevens (18231906), Félicien Rops (1833-1898) en James Ensor (1860-1949).
Katsushika Hokusai, Hokusai manga, deel 14, c.1849 (herdruk van 1912). © UCL - Université catholique de Louvain, inv. RES JAP 35C06-08.
UCLouvain bewaart een editie uit 1912, uitgegeven door Unsōdō (deze uitgever is nog steeds actief!). De colofon verraadt een complex verhaal met het woord kyūhan 求版 – een term die aangeeft dat de houtblokken ‘verkregen’ zijn. Deze editie is dus een herdruk, verschenen honderd jaar nadat Hokusai de schetsen voor het eerste deel maakte.
laatste hersnijding van alle delen vond plaats in 1907. Als je de editie van 1912 vergelijkt met die van 2017, dan zie je hoe deze slijtage nog ‘leeft’: vooral de karakters van het woord ‘Momotarō 桃太 郎’ spreken boekdelen.
De geschiedenis van Hokusai manga is een verhaal van voortdurende heruitgave. Het eerste deel verscheen in 1814; door het enorme succes volgden tot 1878 nog veertien extra delen. Drie generaties van het uitgevershuis Eirakuya gaven de boeken uit, tot de blokken rond 1900 werden doorverkocht aan Yoshikawa Kōbunkan en uiteindelijk, in december 1911, aan Unsōdō. De editie van 1912 is echter geen simpele herdruk: de gebruikte houtblokken zijn niet meer origineel. Door veelvuldig drukken slijten ze, waardoor de zwarte lijnvoering onderbrekingen vertoont. Zo werd het eerste volume al in 1828 hersneden – de
16
Hokusai manga heeft nog veel te vertellen. Dat kan je ontdekken in de tentoonstelling Japonaiseries. Japanse Fantasieën in de tijd van Félicien Rops, te zien tot 15 februari 2026 in het Félicien Rops Museum in Namen, in de catalogus en tijdens een lezing op 16 januari 2026. ■
» www.museerops.be/japoniaiseries » Gedigitaliseerde versie Hokusai manga: https://dial.uclouvain.be/digitization » Door: Freya Terryn, postdoctoraal onderzoeker aan UCLouvain. Ze is gespecialiseerd in de beeldende kunsten en visuele cultuur van het 18e- tot begin 20e-eeuwse Japan, met bijzondere aandacht voor houtsneden, geïllustreerde boeken en andere producten van de Japanse drukindustrie. www.beyondthefloatingworld.com
Het kleurenhoutblok voor een pagina van deel 3 van Hokusai manga, collectie van Unsōdō. © Freya Terryn
Detail van een pagina uit deel 15 van Hokusai manga, editie van 2017, waarop de onderbrekingen in de zwarte lijnen duidelijk zichtbaar zijn. © Freya Terryn.
Papieren afdruk van het kleurenblok van een pagina van deel 3, 1815 (herdruk van 1912). © UCL - Université catholique de Louvain.
17
ERFGOEDZORG
EEN CALAMITEITENPLAN OPSTELLEN?
SAMEN STERK De Vlaamse Erfgoedbibliotheken en FARO liepen in 2022-2023 samen een traject waarin een aantal bibliotheken, archieven en een museum gezamenlijk werkten aan het calamiteitenplan van hun organisatie. Wat waren hun ervaringen? En waarom is zo’n calamiteitenplan ook voor jouw organisatie een meerwaarde? Sara Moens
D
e eerste vraag die we Sofie Meuwes (FotoMuseum Antwerpen), Elke Van Herck (FelixArchief ) en Tanyth Warat (Historisch Centrum Limburg in Maastricht en Heerlen) voorleggen, is waar ze staan met hun plan. “Ik wou tijdens dit traject een collectiehulpverleningsplan voor het FelixArchief uitwerken. Dat was er nog niet. En nu wel”, vertelt Elke. Tanyth vult aan: “Het calamiteitenplan van het Historisch Centrum Limburg in Maastricht is helemaal herschreven en voor onze locatie in Heerlen is een nieuw plan opgesteld.” Sofie: “We zijn geëindigd met een volledig afgewerkt calamiteitenplan, maar ook met een duidelijk merkbare verandering in het museum wat veiligheid betreft. Er is meer bewustwording bij de directie en het personeel rond calamiteiten. En er is een crisisteam opgericht dat twee keer per jaar samenkomt om alle veranderingen en calamiteiten te overlopen.” Goed om te horen dat het traject impact heeft. Zijn er nog veranderingen naar aanleiding van dit traject? “Ook bij ons in de organisatie heeft het traject geleid tot meer bewustzijn rond calamiteiten en
18
CALAMITEITEN, WHAT’S IN A NAME? Een waaier van plagen en onverwachte zaken kan zich – afzonderlijk of gecombineerd – manifesteren. Navraag bij de drie erfgoedorganisaties in kwestie leverde het volgende calamiteitenlijstje op: wateroverlast in de kelder en op zolder, waterinsijpeling doorheen een muur na zware regenval, insecten op zaal bij een tentoonstelling waarin gewerkt werd met organisch materiaal, een vitrinekast die het begaf, schimmel op een aantal losse stukken in het quarantainedepot, negatieve klimaatwaarden (temperatuur en luchtvochtigheid) maar ook muizen en zilvervisjes. Ook andere zaken kunnen zich voordoen en een enorme impact hebben. Denk bijvoorbeeld aan een diefstal, brand, aanslag, aardbeving of overstroming.1 [RD]
de aanpak ervan”, zegt Tanyth. “Met het team vinden nu jaarlijks oefeningen plaats. Elk depot is voorzien van een set instructiekaarten en een lijst met belangrijke telefoonnummers. En op elk depotniveau is een CHV-kist [CHV: collectiehulp-
Inhoud van de calamiteitenkar © Guy Voet (FOMU)
verlening, n.v.d.r.] aanwezig.” Elke: “Bij ons zijn er verschillende interventieteams gevormd op basis van de functie die iemand uitoefent. Voor de grootste risico’s schreven we actiekaarten uit op maat van deze interventieteams. Die actiekaarten plaatsten we samen met een contactlijst van de interventieteams als eerste hulpmiddel in elk depot of bureauruimte. Daarnaast stelden we meer gedetailleerde handleidingen op met afbeeldingen over de stapsgewijze aanpak van bijvoorbeeld brand- en waterschade of de manier waarop je objecten in de diepvriezer plaatst om onder meer schimmelgroei te stoppen. We beschikken nu ook over registratieformulieren of -fiches om te gebruiken bij een calamiteit. Ze worden aangebracht op de verpakte stukken om verplaatsingen te registreren of om bij te houden wat in de diepvries zit. Naast het inventarisnummer en de datum vermelden ze ook het type calamiteit en de ernst van beschadiging. Alle medewerkers hebben intussen een hands-onopleiding van drie uur gevolgd. Daarin komt onder meer aan bod hoe je schimmel herkent, hoe je schadelijke insecten herkent en welke schade ze veroorzaken, hoe je een aangetaste ruimte of stuk isoleert en hoe je brandschade en waterschade bereddert. Het is
Alle medewerkers hebben intussen een hands-onopleiding gevolgd. Daarin komt onder meer aan bod hoe je schimmel herkent, hoe je schadelijke insecten herkent en welke schade ze veroorzaken, hoe je een aangetaste ruimte of stuk isoleert en hoe je brandschade en waterschade bereddert
erg belangrijk om de aandacht voor calamiteiten die is ontstaan naar aanleiding van het traject vast te houden. We willen dit doen door jaarlijks in te zetten op een leermoment. Dat kan aan de hand van een table-topoefening of via een nieuwsbrief, afgewisseld met de hands-onopleiding.”
19
“De gebouwbeheerder van het museum heeft mee haar schouders onder het project gezet en alle issues rond het gebouw op zich genomen”, zegt Sofie. “Daardoor hebben we nu betere evacuatiesignalisatie en -plannen en beschikken we over de juiste fluohesjes, is er een officiële verzamelplaats bij evacuatie buiten het museum en oefenen we tweejaarlijks onze brandevacuatieroutes. De kelder van het museum is proper gemaakt en gecompartimenteerd. Ook heeft elke afdeling haar eigen plaats om dingen te stockeren, waardoor de gangen, sassen en depots vrij zijn en blijven. Poetsproducten worden nu achter slot en grendel bewaard, net als verf en chemicaliën. Daarnaast zijn ook de bezoekersgangen en -trappen volledig leeggemaakt en hebben we Evac Chair-stoelen voor rolstoelgebruikers. Naar aanleiding van dit traject testte ik ook verschillende methodes om foto’s en boeken te drogen.” Wat heb je geleerd? Elke: “Door de sessies leer je hoe je zo’n plan gestructureerd opstelt, waarmee je rekening moet houden en met wie of welke diensten je best overlegt. Ik ontdekte welke werkpunten de organisatie heeft en hoe je collega’s het best kan mobiliseren.” Tanyth: “Mijn belangrijkste inzicht is dat de risicoanalyse essentieel is. Ze vormt de basis van het hele plan, dat start vanuit die analyse en uitleg geeft over de preventieve maatregelen om de archieven en collecties te beschermen. Die oefening geeft je
Calamiteitenkar © Guy Voet (FOMU)
20
meteen inzicht in welke risico’s nog meer aandacht verdienen. Ten slotte probeer ik het team op te leiden met richtlijnen en oefeningen voor de risico’s die bij de organisatie spelen. Uiteindelijk draait een groot deel van het plan om de in kaart gebrachte risico’s. Tijdens de sessies wordt hier voldoende tijd aan besteed.” “Een belangrijk inzicht was voor mij dat je niet steeds het warm water moet uitvinden”, zegt Sofie. “Het is oké om een bestaand plan over te nemen en aan te passen aan je eigen noden. Het heeft me ook geleerd om bepaalde dingen te delegeren en uit handen te geven. Een andere, verrassende vaststelling was dat professionele calamiteiteninstanties enkel water en brand beschouwen als calamiteit. Andere problemen zien zij niet als een calamiteit, maar als een lastig probleem dat je als organisatie zelf moet tackelen. Lees dus de kleine lettertjes in je contract goed na zodat je weet wat je kan of mag verwachten bij een calamiteit. En vraag op voorhand na wat zij juist allemaal onder een calamiteit verstaan.” Wat ervoer je als het grootste struikelblok bij het opstellen van het calamiteitenplan? “Je hebt zelf niet altijd de verantwoordelijkheid of kennis”, aldus Elke. “Dat maakt het moeilijk als je in je organisatie instaat voor de opmaak van het plan. Zo’n traject vraagt een grote tijdsinvestering, veel samenwerking en communicatie. Je streeft ernaar om zoveel mogelijk erfgoed te beredderen en dat moet je doen met de mensen en middelen die je ter beschikking hebt. Met dit traject besef je het nut van een overkoepelende samenwerking met andere organisaties of afdelingen, zoals het delen van depotruimtes en installaties of een extra paar helpende handen bij de aanpak van een grote calamiteit. Helaas is zo’n overkoepelende samenwerking geen evidentie.” Tanyth: “Ook bij ons was het vaak een hele klus om de juiste informatie te krijgen van andere afdelingen binnen de organisatie. Denk aan plattegronden van het gebouw, gegevens over onderhoudscontracten, een correct personeelsbestand met de juiste telefoonnummers … Daarnaast
Tanyth Warat (Historisch Centrum Limburg te Maastricht en Heerlen) © 2025 Tanyth Warat
Sofie Meuwes (FotoMuseum Antwerpen)
Elke Van Herck (FelixArchief) © Elke Van Herck
kan je gedurende het traject ook te maken krijgen met personeelswissels.” Sofie knikt: “Zodra je de juiste mensen gevonden hebt om mee aan het plan te werken, gaat het eens zo vlot. Ook tijd was een struikelblok. Het vraagt veel tijd om alles uit te schrijven. Deadlines helpen om alles af te werken.” Waarin zat voor jou de meerwaarde van een gezamenlijk traject met andere erfgoedorganisaties? “De belangrijkste meerwaarde is voor mij de mogelijkheid om te kunnen sparren”, steekt Tanyth van wal. “Vaak wordt de opmaak van een calamiteitenplan overgelaten aan een of twee personen binnen een organisatie − dat kan soms eenzaam zijn.” Elke bevestigt: “Inderdaad, ervarin-
Van boven naar onder: • Boek ingepakt en voorzien van identificatiefiche. © FelixArchief • Simulatie: reinigen van door roet verontreinigd archief. © FelixArchief • Luchtledig verpakken van aangetast stuk. © FelixArchief • Een ventilator blaast door de droogtunnel. © FelixArchief • Natte boeken worden gedroogd in een zelfgemaakte tunnel © Sofie Meuwes (FOMU)
gen delen is uitermate belangrijk. Het is juist de verscheidenheid aan mogelijkheden, ervaringen en knelpunten die ervoor zorgen dat je de opmaak of aanpassing van je plan ruimer bekijkt. Het opent je ogen om elementen te zien die je voordien binnen je eigen organisatie niet zag.” En Sofie besluit: “Wanneer ik geen idee had hoe iets aan te pakken, dan kon ik steeds bij de anderen terecht met mijn vragen. Er was altijd een luisterend oor. En daarnaast was de aanwezigheid van andere organisaties een goede motivator om eraan te blijven werken. Een zekere mate van groepsdruk zorgde ervoor dat het plan af raakte.” Welke ambities of noden heb je nog op het vlak van calamiteitenplanning? “Binnen bestuurszaken hebben we met de verschillende locaties een samenwerking opgestart rond het in kaart brengen van calamiteitenmateriaal, de organisatie van opleidingen en het delen van informatie”, vertelt Elke. “Heb je nood aan extra materiaal, dan kan je nu snel bij je collega’s terecht. Het zou erg fijn zijn als dit uitgerold wordt in alle stadsdiensten waar archief en erfgoed aanwezig is.” Tanyth: “In [Nederlands] Limburg wordt momenteel gewerkt aan het ‘Preventienetwerk Limburg’. Daarin proberen we samen met dichtbijgelegen archiefinstellingen, musea en bibliotheken kennis en krachten te bundelen.” Sofie: “We zouden graag elk jaar een kleine calamiteitenoefening doen met het collectiebeheerteam. Zo willen we ervoor zorgen dat de juiste reacties getriggerd blijven bij de uitvoering van de calamiteitenplanning.”
Wat is jouw belangrijkste tip voor wie aan een calamiteitenplan begint? “Blijf rustig en raak vooral niet in paniek bij het opstellen van het plan”, glimlacht Tanyth. “Begin bij het begin en breng de risico’s in kaart. Wat ons heel erg heeft geholpen is om het visueel te maken. Gebruik risicokaarten, diagrammen en kleurtjes om aan te tonen wat de risico’s zijn en welke gevolgen daarbij horen. Het management is er op deze manier gemakkelijker van te overtuigen dat een calamiteitenplan belangrijk is.” Sofie: “Een plan opstellen kost tijd. Voorzie die tijd ruimschoots in je planning, want je zal hem nodig hebben! En neem je tijd om artikelen over calamiteiten te lezen, want je leert steeds bij.” Elke: “Inderdaad, wie als taak krijgt om een calamiteitenplan op te maken, moet daarvoor voldoende tijd krijgen, maar ook een duidelijke verantwoordelijkheid. Idealiter is het iemand die zowel de huidige als de vroegere situatie goed kent en in het ideale geval al een zekere kennis heeft over het beredderen van calamiteiten. Tot slot: zorg dat je een open communicatie en zin voor samenwerking hebt binnen je organisatie. Zo kan het calamiteitenplan de meeste impact hebben!” ■ Zelf ook zin gekregen om in groep een calamiteitenplan op te stellen of je bestaande plan een grondige update te geven? In 2026 organiseren de Vlaamse Erfgoedbibliotheken en FARO een nieuw traject. Geef je interesse door aan sara@vlaamse-erfgoedbibliotheken.be.
» Sara Moens is expert collecties bij Vlaamse Erfgoedbibliotheken. » Bronnen en literatuur 1. Zie ook de tekst in de Erfgoedwijzer van FARO: https://faro.be/kennis/calamiteitenplan
21
ONDERZOEK
INZICHTEN UIT DE BELEIDSPLANNEN
SAMEN KENNIS MAKEN FARO dook in de beleidsplannen van de gesubsidieerde archieven, erfgoedbibliotheken, landelijke dienstverleners en musea. In dit artikel gaan we in op de resultaten voor het thema ‘Onderzoek en kennisontwikkeling’. Wat valt op? Onderzoek en kennisontwikkeling staan centraal bij zowat alle onderzochte organisaties; digitalisering, participatie en samenwerking vormen de rode draad. Joke Beyl en Alexander Vander Stichele
W
e maakten een kwalitatieve analyse van de beleidsplannen1 die 75 cultureel-erfgoedorganisaties opstelden voor de periode 2024-2028 en indienden bij het Departement Cultuur, Jeugd en Media. Daarbij focusten we op vijf thema’s: onderzoek en kennisontwikkeling, digitalisering, internationalisering, diversiteit en duurzaamheid. De volgende vragen vormden het uitgangspunt:
• Waarop willen de erfgoedorganisaties inzetten (doel)? • Hoe pakken ze het aan (acties, doelgroepen, methoden)? • Welke samenwerkingen gaan ze hiervoor aan (netwerk)? • Welke uitdagingen ondervinden de cultureel-erfgoedorganisaties? Dit onderzochten we voor elke deelsector: archieven (10), erfgoedbibliotheken (4), musea (50) en landelijke dienstverleners (10 + WIE). Een
22
belangrijke kanttekening hierbij is dat landelijke dienstverleners (net als erfgoedcellen, WIE en FARO) een andere rol hebben dan collectiebeherende organisaties. Ze hebben bijvoorbeeld geen decretale onderzoeksfunctie en ze hebben – meestal – geen collecties. De resultaten moeten dus in dat licht begrepen worden. In dit artikel zoomen we in op het thema ‘Onderzoek en kennisontwikkeling’. In de komende faro-nummers spitten we de andere thema’s uit. Daarbij houden we wel een slag om de arm: de vaststellingen geven immers de grootste gemene deler weer. Sommige organisaties zullen er minder op (kunnen) inzetten dan andere. Daarnaast is het zo dat doelstellingennota’s geschreven worden met een specifiek doel: subsidies ontvangen. Het zijn dan ook deels geformatteerde teksten, waarin rekening wordt gehouden met de actuele beleidsprioriteiten en -accenten. Dit heeft ook zijn weerslag op de bevindingen.
Erfgoedbibliotheken profileren zich als dynamische centra waar niet alleen kennis wordt bewaard, maar ook wordt gecreëerd en gedeeld, in dialoog met de samenleving. Foto van Expo Conn3ct in Göttingen. © David Coppoolse (Vlaamse Erfgoedbibliotheek), via Flickr, CC BY-ND 2.0
Archieven experimenteren met nieuwe technologieën en zetten participatieve projecten op. Op de foto: Digidaar van Amsab-ISG en Voem, de virtuele archief- en museumruimte met het erfgoed van Voem vzw. © Dhiaa Biya
WAT IS EN ZAL ZIJN Archieven: de sprong naar digitale toegankelijkheid en participatie Archieven zetten in op het vergroten van hun maatschappelijke relevantie door hun werking open te trekken en technologisch te vernieuwen. De focus ligt op het toegankelijker maken van collecties. Een digitale leeszaal uitbouwen zien ze als een essentiële voorwaarde voor verbeterde toegankelijkheid en onderzoek. Archieven willen externe onderzoekers, studenten en erfgoedgemeenschappen proactief betrekken om de kennis over hun collecties te vergroten en te valoriseren.
Ze experimenteren met nieuwe technologieën zoals artificiële intelligentie (AI) en zetten participatieve projecten op. Ten slotte beschouwen ze kennisuitwisseling en het zoeken naar gedeelde oplossingen met andere erfgoedinstellingen en onderzoekers als cruciaal. Erfgoedbibliotheken: open werkplaatsen voor kenniscreatie Erfgoedbibliotheken profileren zich als dynamische centra waar niet alleen kennis wordt bewaard, maar ook wordt gecreëerd en gedeeld, in dialoog met de samenleving. De drempel naar de vaak gespecialiseerde collecties wordt bewust
23
verlaagd. Een innovatief idee is de erfgoedbibliotheek als een fysieke en virtuele plek waar publiek en partners de collectie kunnen ontdekken en er zelf mee aan de slag gaan. Er is een sterke ambitie om gespecialiseerd wetenschappelijk onderzoek te vertalen naar het publiek via co-creatie, burgerwetenschap en participatieve projecten. Erfgoedbibliotheken zien digitalisering als essentieel om onderzoek te vergemakkelijken. Daarnaast benadrukken ze de waarde van lokale en internationale netwerken voor kennisuitwisseling en toegang tot expertise. Musea: van collectie naar connectie Musea leggen de nadruk op de maatschappelijke rol die ze kunnen spelen door hun collecties en expertise in te zetten voor dialoog en educatie. Ze willen meer zijn dan een bewaarplaats en investeren in een actieve relatie met de samenleving. Musea streven ernaar de wetenschappelijke geletterdheid en historische inzichten van het publiek te verhogen via tentoonstellingen, lezingen en educatieve programma’s die kritisch denken stimuleren. Het publiek wordt actief betrokken bij onderzoek via burgerwetenschapsprojecten en participatieve trajecten. Voorts willen musea onderzoek door academische instellingen faciliteren en stimuleren.
Musea staan voor de uitdaging om traditionele onderzoeksmethoden te vernieuwen en te verbreden. Foto van een studiedag over menselijke resten in het GUM. © Michiel Devijver Musea leggen de nadruk op de maatschappelijke rol die ze kunnen spelen door hun collecties en expertise in te zetten voor dialoog en educatie. Foto uit de expo ‘De straat op’ van het Huis van Alijn. © Michiel Devijver
24
Landelijke dienstverlenende rollen: motor van expertise en samenwerking De Landelijke dienstverlenende rollen (LDR’s) willen cultureel-erfgoedorganisaties ondersteunen, professionaliseren en verbinden. Ze richten hun pijlen op het versterken van het hele veld op het vlak van onderzoek en kennisontwikkeling. Ze helpen erfgoedbeheerders en -gemeenschappen expertise te verwerven via vormingen, workshops, praktische tools en collegagroepen. Via databanken, websites en publicaties ontsluiten ze erfgoedinformatie en onderzoeksresultaten voor zowel professionals als het publiek. Ze zetten in op participatieve projecten, begeleiden vrijwilligers bij onderzoek en stimuleren een inclusieve geschiedschrijving via bijvoorbeeld schrijfsessies. De noden van de sector worden onderzocht om het aanbod hierop af te stemmen.
GEPERCIPIEERDE UITDAGINGEN
Uit onze analyse blijkt dat de Vlaamse cultureel-erfgoedorganisaties heel wat initiatieven ontwikkelen (of wensen te ontwikkelen) rond ‘onderzoek en kennisontwikkeling’. Uit de doelstellingennota’s komen ook de bijhorende uitdagingen naar voren. Per deelsector geven we de meest in het oog springende weer. Samen vormen ze een staalkaart van de uitdagingen waarmee orga-
nisaties in de cultureel-erfgoedsector te maken hebben. Want wat geldt voor de ene subsector gaat doorgaans ook op voor de andere. Zo benadrukken organisaties dat ze wetenschap en samenleving willen verbinden door zowel het publieksbereik als de maatschappelijke relevantie van onderzoeksresultaten te versterken. Een andere gedeelde uitdaging is de (verregaande)
Organisaties benadrukken dat ze wetenschap en samenleving willen verbinden door zowel het publieksbereik als de maatschappelijke relevantie van onderzoeksresultaten te versterken
digitalisering en digitale toegankelijkheid van collecties, onderzoeksresultaten en kennis. Daarnaast blijft het belangrijk om een visie op collectiebeheer te ontwikkelen, aandacht te hebben voor de omgang met bewaarproblemen (fysiek en digitaal) en collecties gedetailleerd te documenteren en te waarderen, vaak op een participatieve manier. Effectief onderzoek en kennisontwikkeling binnen de erfgoedsector vereisen een sterke focus op samenwerking en kennisdeling tussen diverse actoren, van lokale erfgoedgemeenschappen tot (internationale) academische partners. Ten slotte vragen de digitale evolutie en de ambitie om kenniscentra uit te bouwen aanzienlijke middelen en competenties, wat een constante uitdaging is. Archieven De snelle opkomst van digital born erfgoed − zoals sociale media en digitale documenten − en de noodzaak om het duurzaam te beheren en toegankelijk te maken, vormen fundamentele onderzoeksuitdagingen. Archieven moeten niet alleen onderzoek doen naar geschikte methoden om het materiaal te archiveren, maar ook robuuste digitale infrastructuren ontwikkelen en nadenken over innovatieve ontsluitingsstrate-
25
gieën. Onderzoek is geen doel op zich, maar een essentieel instrument om het collectiebeleid en de dagelijkse praktijk van erfgoedorganisaties te informeren en te versterken. Dit betekent idealiter dat onderzoeksresultaten direct worden ingezet om gefundeerde beslissingen te nemen over verwerving, selectie en waardering, duurzame bewaring en ontsluiting. De complexiteit van erfgoedbeheer en -onderzoek vereist dat medewerkers en toekomstige professionals hun gespecialiseerde kennis en competenties voortdurend bijspijkeren en versterken. Ze moeten die expertise ook doorgeven aan archiefvormers. Erfgoedbibliotheken
Landelijke dienstverlenende rollen
De aard van bepaalde erfgoedmaterialen (bijvoorbeeld partituren) vergt vaak een gelaagde beschrijving. Dat vertraagt de verwerking en vraagt gespecialiseerde expertise. Bovendien komt daar bij sommige erfgoedbibliotheken nog een registratieachterstand bij, wat de vindbaarheid en daarmee het onderzoek naar de collecties belemmert. Erfgoedbibliotheken streven ernaar om niet alleen bewaarinstellingen te zijn, maar ook actieve kennisknooppunten. Dat weerspiegelt zich in hun focus: ze stimuleren en faciliteren onderzoek door derden, initiëren eigen onderzoeksgedreven projecten en brengen onderzoeksvragen in kaart. In de praktijk blijkt het niet altijd even evident om de kennis over de collectie te verdiepen en te verbinden met wetenschappelijke trends en maatschappelijke vraagstukken. De resultaten van onderzoek stromen niet altijd effectief terug naar de collectie of de erfgoedgemeenschap. Een belangrijke uitdaging is dan ook de betere valorisatie van deze kennis, zowel extern als intern.
Een van de grootste uitdagingen voor landelijke dienstverleners is het gebrek aan specifieke kennis en expertise binnen de brede erfgoedsector. Veel, vaak kleinere organisaties en erfgoedgemeenschappen hebben moeite om vaardigheden en kennis te ontwikkelen die essentieel zijn om erfgoed te waarderen, behouden, beheren en borgen. Collecties en kennisbronnen zijn over verschillende locaties en beheerders versnipperd, wat een fundamentele belemmering is voor onderzoek. Dit maakt het moeilijk voor onderzoekers om een compleet beeld te krijgen van de beschikbare informatie. Collecties en kennisbronnen met elkaar verbinden is dus een grote uitdaging. Ten slotte kampen veel erfgoedorganisaties met een beperkte digitale maturiteit, wat de digitale transformatie en de ontsluiting van erfgoed voor onderzoeksdoeleinden bemoeilijkt. Dit leidt tot inefficiënte processen en beperkte toegankelijkheid van (digitale) collecties. Ook hiermee moeten landelijke dienstverleners rekening houden.
Musea Musea voelen de noodzaak om hun maatschappelijke rol te herdefiniëren en onderzoek te verrichten dat rekening houdt met ethische overwegingen en meerstemmige perspectieven. Ze staan voor de uitdaging om traditionele onderzoeksmethoden te vernieuwen en te verbreden, met aandacht voor nieuwe collectietypes en experimenteel onderzoek. Ten slotte is het een uitdaging om voortdurend hun kennis te actualiseren, nieuwe expertise op te bouwen en die kennis te delen, zowel intern als met externe partners en de bredere sector. Ze erkennen hierbij de noodzaak om meer samen te werken.
26
De analyse van de beleidsplannen 2024-2028 schetst het beeld van een cultureel-erfgoedsector die volop inzet op het vergroten van zijn maatschappelijke relevantie
AMBITIEUZE KENNISVALORISATIE EN FUNDAMENTELE VRAGEN
De analyse van de beleidsplannen 2024-2028 schetst het beeld van een cultureel-erfgoedsector die volop inzet op het vergroten van zijn maatschappelijke relevantie. De rode draad is duidelijk: collecties en de kennis die erin vervat zit, moeten actiever, digitaler en in dialoog met de samenleving worden ontsloten en bevraagd. Drie fundamentele verschuivingen in de benadering van onderzoek en kennisontwikkeling springen daarbij in het oog:
De snelle opkomst van digital born erfgoed zoals sociale media vormen fundamentele onderzoeksuitdagingen. Foto: LoboStudioHamburg via Pixabay, CC0
1. De digitale sprong voorwaarts: digitalisering is meer dan ooit de hefboom voor diepgaandere ontsluiting en innovatief onderzoek. De experimenten met AI, de focus op open en linked data en de ontwikkeling van digitale kennisplatformen tonen een sector die technologische vernieuwing omarmt. 2. De participatieve wending: de nadruk ligt op co-creatie, burgerwetenschap en het betrekken van diverse erfgoedgemeenschappen. Kennis wordt niet enkel geproduceerd en gepresenteerd, maar samen met het publiek gecreëerd en gedeeld. 3. Samenwerking als norm: geen enkele instelling staat nog op zichzelf. De plannen getuigen van een breed besef dat complexe uitdagingen enkel kunnen worden aangegaan via netwerken en partnerschappen met academische instellingen, andere erfgoedspelers en maatschappelijke organisaties. Tegelijkertijd legt de analyse ook enkele aandachtspunten bloot. De focus ligt zeer sterk op de valorisatie en publieksgerichte vertaling van onderzoek. Dat is een positieve evolutie, maar het roept de vraag op of er voldoende ruimte en middelen overblijven voor fundamenteel, diepgaand en soms langdurig collectieonderzoek dat niet onmiddellijk tot een publieksevenement of een digitale toepassing leidt. De interne kennisopbouw lijkt vaak in functie te staan van de externe werking, wat het risico inhoudt dat de basis – het pure, wetenschappelijke onderzoek van de collectie zelf – onder druk komt te staan.
De ambitieuze digitale projecten vereisen niet alleen een eenmalige investering, maar ook een langetermijnvisie op beheer, infrastructuur en de continue ontwikkeling van digitale competenties bij medewerkers. Foto: panumas nikhomkhai via Pexels
Daarnaast is er de uitdaging van duurzaamheid. De ambitieuze digitale projecten vereisen niet alleen een eenmalige investering, maar ook een langetermijnvisie op beheer, infrastructuur en de continue ontwikkeling van digitale competenties bij medewerkers. De plannen formuleren de ambitie, maar de vraag hoe deze digitaal intensieve werking op een duurzame manier geborgd zal worden, blijft een essentiële vraag voor de komende jaren. Voor beleidsmakers, FARO en de sector zelf ligt hier de kernopdracht voor de huidige beleidsperiode: een gezond evenwicht vinden tussen maatschappelijke valorisatie en fundamentele kennisopbouw enerzijds, en innovatieve projecten en duurzame borging anderzijds. De plannen tonen de wil en de visie; in een volgende stap moet deze ambitie vertaald worden naar een praktijk die zowel relevant is voor het publiek van vandaag als duurzaam voor de generaties van morgen. ■
» Joke Beyl en Alexander Vander Stichele zijn onderzoekers bij FARO. » Bronnen en literatuur 1. We maakten hiervoor ook gebruik van Logically, een AI-ondersteunde onderzoekstool.
27
EXPAT
De wonderen zijn de wereld nog niet uit!
Marjolein Dieltiens Hoe vergaat het landgenoten die in de wijde wereld in de cultureel-erfgoedsector werken? Marjolein Dieltiens woont in Londen en is Content Manager bij The Klesch Collection, een privécollectie die focust op Europese schilderkunst uit de 16e en 17e eeuw.
» Door: Marjolein Dieltiens | Foto: Marjolein Dieltiens
28
Hoe ziet je werkweek eruit? “Ik sta in voor alle communicatie naar de buitenwereld in de vorm van content, met de website en publicaties als voornaamste kanalen. Omdat onze collectie academisch onderbouwd is, moet alles kloppen. Soms werk ik een paar dagen aan de redactie van een publicatie, om daarna onderzoek te doen voor een nieuw webartikel. We produceren ook video’s over onze kunstwerken: binnenkort reis ik naar Washington D.C. om er een op te nemen over onze Rachel Ruysch. Die is momenteel in bruikleen bij het National Museum of Women in the Arts.” Wat zijn de uitdagingen in je werkveld? “Academische en soms ethisch complexe zaken accuraat in beeld brengen en tegelijk aantrekkelijk maken voor een breed publiek is niet evident. Ik denk bijvoorbeeld aan het belang van herkomstonderzoek en restitutie. In 2021 konden we een werk aankopen van Jan Davidsz. de Heem dat kort voordien was gerestitueerd aan de erfgenamen van Jacob Lierens. Dat was een Joodse verzamelaar die in 1941 zijn kunst gedwongen moest verkopen. Waar het publiek misschien minder bij stilstaat, zijn het grondige onderzoek en de soms jarenlange rechtszaken die hierbij komen kijken. Sinds de Washington Principles on Nazi-Confiscated Art (1998), versterkt door wetgeving en digitalisering, is het bewustzijn rond restitutie in de kunsthandel toegenomen. Daardoor is grondig herkomstonderzoek voor de jaren 1933-1945 nu essentieel. Ondanks de trieste realiteit dat talloze eigendommen voorgoed verdwenen zijn, signaleren krantenartikels over teruggevorderde of herontdekte objecten geregeld het belang van onderzoek – zoals bij het gestolen schilderij dat onlangs opdook in een Argentijnse vastgoedadvertentie. Het is fantastisch dat, zelfs na decennia, de puzzelstukken toch nog op hun plek kunnen vallen. De wonderen zijn de wereld nog niet uit!” Heb je een tip voor je collega’s in Vlaanderen? “Toen ik mijn eerste stappen in de kunstwereld zette, zag ik de musea en de kunsthandel als strikt gescheiden domeinen, met privécollecties ergens daartussenin. Gaandeweg heb ik ondervonden dat dit onderscheid steeds meer vervaagt en dat talent en expertise vrij circuleren. Omarm de veelzijdigheid die het kunstenlandschap te bieden heeft en praat open met iedereen, daar leer je het meeste van!” ■
DOSSIER
MONDELINGE GESCHIEDENIS
30
MONDELINGE GESCHIEDENIS
WAT HERINNERINGEN ONS LEREN M
ondelinge geschiedenis wint aan belang in een erfgoedsector die steeds mensgerichter wordt. De methode maakt het mogelijk om niet alleen gebeurtenissen te vatten, maar vooral ook de beleving ervan: hoe mensen hun werktijd in de fabriek ervoeren, wat ze voelden bij migratie, verlies of verandering. Het zijn perspectieven die in geschreven bronnen nauwelijks voorkomen, en waar we dus bewust naar op zoek moeten. Mondelinge geschiedenis is ook dé methode bij uitstek om de geschiedenis en het erfgoed te capteren van individuele mensen en gemeenschappen die vaak door de mazen van het historische net glippen. Tegelijk blijft het een onderzoeksmethode op het snijvlak van herinnering en historische betrouwbaarheid. Herinneringen zijn selectief en raken doorheen de tijd makkelijk vervormd. En toch is dat geen reden om de methode af te zweren. Want ook die verdraaiingen vertellen ons iets, en leggen iets bloot over (de beleving van) het verleden. Zoals bij elke bron is het van belang om ze kritisch te benaderen en aan te vullen met andere bronnen. Die kritische blik gaat hand in hand met het besef dat herinneringen altijd in een context ontstaan. Daarom is shared authority zo’n belangrijk begrip in mondelinge geschiedenis. Interviewer en geïnterviewde hebben beiden een aandeel in hoe het verhaal wordt verteld en geïnterpreteerd. Die dialogische aanpak sluit nauw aan bij de participatieve beweging die in onze sector stevig aan terrein heeft gewonnen. Hoeft het dan te verbazen dat mondelinge geschiedenis terug is van (nooit) weggeweest? Dit nummer verkent hoe erfgoedorganisaties die mensgerichte en participatieve benadering concreet invullen. Het Red Star Line Museum en het Industriemuseum, die elk op hun eigen wijze een pioniersrol vervullen, tonen hoe ze de methode structureel verankeren in hun werking. We verdiepen ons in de werking van het geheugen, volgen mee hoe het Taxandriamuseum mondelinge geschiedenis inzet bij een nieuwe tentoonstelling en krijgen inzicht in hoe onderzoekers shared authority in de praktijk vormgeven. We gaan in op projecten die twijfel oproepen − is dit wel mondelinge geschiedenis? − en volgen Liberas in zijn zoektocht naar een duurzame omgang met deze bronnen. Tot slot kijken we naar de mogelijkheden en uitdagingen wanneer ooggetuigen verdwenen zijn en herinneringen voortleven in volgende generaties, zoals het In Flanders Fields Museum onderzoekt in het project Ontheemd. De termen oral history en mondelinge geschiedenis worden in dit nummer door elkaar gebruikt − de auteurs kozen zelf welke term het beste past bij hun bijdrage. Met dit dossier laten we graag zien welke plaats mondelinge geschiedenis vandaag inneemt in de cultureel-erfgoedsector − zonder te pretenderen een volledig overzicht te presenteren − en hoe uiteenlopende organisaties de methode op verschillende manieren inzetten, bevragen en vormgeven. Kijk mee achter de schermen, en doe inspiratie op voor je eigen praktijk. ■ Elien Doesselaere, adviseur immaterieel erfgoed | communicatiemanager bij FARO
© FARO
31
LEVENSVERHALEN MONDELING EN TASTBAAR VERZAMELEN
‘Hun werk, hun leven’ Wat als mondelinge geschiedenis niet beperkt blijft tot het afnemen van interviews, maar je tegelijk ook persoonlijke voorwerpen, foto’s of documenten van de vertellers in de collectie opneemt? Dit artikel schetst hoe mondelinge geschiedenis, collectievorming en participatief onderzoek bij het Industriemuseum hand in hand gaan. Op welke manier biedt dit een meerwaarde om de verzameling te actualiseren en diversifiëren? Welke kansen en valkuilen brengt die aanpak met zich mee? Hilde Langeraert
MONDELINGE GESCHIEDENIS
A
32
l van bij de eerste projecten mondelinge geschiedenis in de jaren 1980 hanteert het Industriemuseum de methode van de ‘levensloopbenadering’. De interviewer bevraagt geen specifieke gebeurtenis of vertrekt niet van een aantal afgebakende onderzoeksvragen, maar doorloopt de biografie van de verteller met nadruk op het werkverleden. Elk interview start met de herinneringen aan de vroege jeugd; vervolgens laten we de verteller terugblikken op de opleiding, professionele loopbaan, vrijetijdsbesteding en gezinssituatie. De kracht van deze aanpak is dat ervaringen van mensen geplaatst worden binnen het geheel van hun levensgeschiedenis. Zo wordt duidelijker hoe bijzondere gebeurtenissen zijn ontstaan en wat ze voor iemand betekenen.1 Onder de toepasselijke noemer Hun werk, hun leven zijn de voorbije jaren volgens die methode interviews afgenomen met werknemers en werkgevers van verschillende industrietakken: de textielindustrie (2017, 47 interviews), de grafische industrie (2018, 14 interviews) en de me-
taalindustrie (2023, 31 interviews). De opnames van de interviews worden samen met de randdocumenten (identificatiefiche, gebruiksovereenkomst, transcriptie) geregistreerd en duurzaam bewaard in de collectie. Ze vormen interessante bronnenreeksen voor huidig en toekomstig onderzoek. In totaal gaat het om 134 opname-uren en 2.936 bladzijden aan herinneringen, informatie en verhalen: voer voor een scala aan relevante onderzoeksvragen. Door de methodologie van de levensloopbenadering reikt de inhoud verder dan verhalen over het werk in de desbetreffende industrietak. Het interview geeft ook inzicht in beroepskeuzes, sociale mobiliteit, de combinatie werk-vrije tijd, onderlinge arbeidsverhoudingen enz. Behalve die meerwaarde voor collectievorming en onderzoek biedt mondelinge geschiedenis ook de kans om op een impactvolle manier met het publiek in interactie te gaan. Mensen krijgen letterlijk en figuurlijk een stem en dragen bij aan de collectie. Dat hadden de pioniers van het Industriemuseum – toen nog MIAT – in 1980
Een opening in het Industriemuseum in 2018. © Martin Corlazzoli
Behalve die meerwaarde voor collectievorming en onderzoek biedt mondelinge geschiedenis ook de kans om op een impactvolle manier met het publiek in interactie te gaan
al ondervonden, toen ze bij het eerste oral-historyproject Hun werk, hun leven tachtig textielarbeiders interviewden. “De tentoonstelling en de publicatie met verhalen die eruit voortvloeiden waren een overweldigend succes! We gaven een hele community een gezicht”, blikte de toenmalige projectcoördinator Bie De Graeve er later op terug. Als museum geven we zo de geschiedenis van onderbelichte individuen en groepen aandacht en erkennen we hun bestaansrecht.
ONTMOETINGSDAGEN EN HUN SNEEUWBALEFFECT
Binnen die onderzoeks- en collectieaanpak zijn de ontmoetingsdagen in het Industriemuseum een vaste waarde. Het doel ervan gaat verder dan
enkel het vinden van geschikte vertellers voor het lopende project mondelinge geschiedenis. De ontmoetingsdagen zijn intussen een beproefd recept om nieuwe contacten met levende getuigen uit te bouwen en onontdekte onderzoekssporen en verhalen te sprokkelen. Zo’n event in een informele setting – met de obligate taart en koffie – vormt het ideale startpunt om wederzijds kennis te maken en basisvertrouwen te winnen. Zowel voor als tijdens de ontmoetingsdag geven we expliciet aan dat mensen foto’s, documenten of personalia mogen meenemen en aanbieden, omdat die potentieel interessant zijn voor het museum. Die oproep doen we altijd in voorwaardelijke wijs, want vaak valt niet in één oogopslag of na één gesprek te bepalen of iets relevant is voor de museum- of bibliotheekcollectie. Omgekeerd heeft ook de verteller of schenker soms tijd nodig om het nog even te laten bezinken of met de familie te overleggen. Soms hecht iemand veel emotionele waarde aan persoonlijke bezittingen en wil die er (nog) geen afstand van doen. Of rijst de vraag: zal het museum die zaken wel gebruiken en delen, en hoe dan? Verdwijnen ze voor altijd in donkere depots, worden ze ooit tentoongesteld? De aanwezigheid van collectiemedewerkers met een live scanpost, onderzoekers die het lopende project toelichten en vertelsalons waar mensen hun verhaal kunnen nalaten maken de bewaarfunctie en onderzoekswerking van het
33
Groepsfoto van Conny Van Neste (onderste rij in het midden) met collega’s in de kleedruimte van de Gentse vlasspinnerij Lys-Liève, ca. 1990. Collectie Industriemuseum
museum meer kenbaar en bevattelijker. Met zo’n fysieke bijeenkomst creëren we openheid en vertrouwen om wederzijdse verwachtingen uit te spreken. Omdat we nooit iedereen bereiken, nemen we ook gericht en proactief een-op-eencontact op met mensen die mogelijks interessante kennis, voorwerpen of verhalen met het museum kunnen delen. Personen verwijzen na afloop van een interview of contact ook vaak door naar oud-collega’s of kennissen. Zo gaat de spreekwoordelijke bal aan het rollen.
MONDELINGE GESCHIEDENIS
VERHALEN EN VOORWERPEN: 1 + 1 = 3
34
“Mondelinge geschiedenis”, zegt de Indische journaliste Meena Menon, “houdt in dat we voortdurend meer leren en meer lagen toevoegen aan wat we weten over het verleden.”2 De combinatie van levensverhalen met tastbare memorabilia zorgt voor een extra surplus. In de tentoonstellingen en de (online) collectie van het Industriemuseum wordt mondelinge geschiedenis vaak naast andere soorten collecties geplaatst. Bij de metadatering en registratie in de collectiedatabank worden het interview en de geschonken voorwerpen of foto’s aan elkaar gelinkt. Dat biedt vaak een boeiende manier om aan de slag
De aanwezigheid van collectiemedewerkers met een live scanpost, onderzoekers die het lopende project toelichten en vertelsalons waar mensen hun verhaal kunnen nalaten maken de bewaarfunctie en onderzoekswerking van het museum meer kenbaar en bevattelijker
te gaan met historische bronnen en historische kritiek. Een interview voegt extra lagen informatie toe aan wat een object, foto of document ons vertelt. De collectiestukken krijgen als het ware een stem. En omgekeerd krijgen de audiogetui-
genissen extra informatie, contextualisering en een gezicht. Samen maken die microgeschiedenissen de grotere historische gebeurtenissen en evoluties concreter, herkenbaarder en completer. Dat versterkt de collectie als onderzoeks- en inspiratiebron en biedt ook voor tentoonstellingen of publieksproducten veel voordelen. Een statische collectie wordt als het ware vermenselijkt. Onderzoekers en het publiek leren de menselijke kant van de geschiedenis kennen. Het hedendaags en participatief verzamelen van levensgeschiedenissen vergt een andere aanpak en ‘mindset’ en brengt vragen met zich mee. Zijn alle verhalen en voorwerpen ‘museumwaardig’ om in de collectie op te nemen? Betrek je de mensen zelf in die waardering en selectie, en hoe? Wat als mensen de voorwerpen niet willen schenken? Bewaar of documenteer je dat materiële spoor dan op een andere manier? Verder probeert het Industriemuseum ook aandacht te schenken aan de zogenaamde blinde vlekken en de stemmen die we niet horen. Dat blijft een continue zoektocht en evenwichtsoefening. Hoe zet je de tijd, talenten en middelen van onderzoekers en collectiemedewerkers in als je zowel verdiepend archiefonderzoek als sterke participatieve projecten nodig hebt om die meerstemmigheid en kritische dialoog te bereiken? Mensen laten participeren aan de museumcollectie en -werking wil niet zeggen dat je zomaar alle aanbiedingen in de collectie opneemt. Het helpt om thematische lijnen af te bakenen en uit te stippelen, waarbij we ons telkens richten op één onderzoeksthema of deelcollectie. De verschillende opdrachten van het museum – mondelinge geschiedenis, publiekswerking, wetenschappelijk onderzoek, collectiewaardering en -verwerving, het opzetten van tentoonstellingen – worden dan aan elkaar gekoppeld en afgestemd. Participatie loopt daarbij als een rode draad doorheen de werking. Ook het lopende onderzoeks- en expoproject over computererfgoed pakken we op die manier aan.
FABRIEKSRELIEKEN
Soms lijken aangeboden objecten en foto’s op het eerste gezicht banaal, maar krijgen ze in combinatie met het interview of andere collectiestukken een diepgaandere betekenis. In 2017 werd Conny Van Neste samen met haar moeder geïnterviewd over hun levensgeschiedenis en werk in de Gentse vlasfabriek Lys-Liève.3 Een jaar voor de definitieve fabriekssluiting in 2000 zei Conny de fabriek vaarwel. Enkele werkspullen nam ze mee naar huis en bewaarde ze jarenlang zorgvuldig. Bijna twintig jaar later haalde ze die voorwerpen en herinneringen erbij tijdens het interview.
Boven: notitieboekje van Conny Van Neste, die in de jaren 1980-1990 in vlasfabriek Lys-Liève werkte. Het boekje bevat aanwijzingen en bevindingen over de nieuwe spinmachine die in de vlasfabriek was geïntroduceerd, ca. 1990. Collectie Industriemuseum Onder: metalen houdertje waarin Conny haar aardappelmesje en haak in stopte, nodig om het geklitte garen door te snijden en de draden opnieuw aan te leggen op de machine. Collectie Industriemuseum
Het notitieboekje bevat persoonlijke krabbels over de productiecapaciteit en technische euvels van een nieuwe machine. Als egodocument van een arbeider
35
– niet terug te vinden in bedrijfsarchieven – onthult het schriftje dat een fabrieksjob meer was dan een machineknop aanzetten en monotoon bandwerk verrichten. Vastgeroeste denkbeelden worden op die manier bijgeschaafd en bijgekleurd: voor machinewerk was ook dikwijls technisch inzicht en denkwerk vereist. De gereedschapsspullen van Conny – een mesje en haak met verweerd handvat – maken tastbaar welke handelingen ze dag in dag uit uitvoerde aan de vlasspinmachine. In het interview vertelt ze ook over de plastieken bril die ze droeg, nadat de ringetjes van de spinmachine al drie maal in haar oog terechtkwamen. Een PBM (persoonlijk beschermingsmiddel), op eigen initiatief aangekocht bij de plaatselijke optieker. Dergelijke objecten en verhalen leggen een andere historische waarheid bloot. Ze laten zien dat er vaak een discrepantie is tussen formele voorschriften en wetten enerzijds, en de praktijk en de gebruiken op de werkvloer anderzijds. Tot slot worden er bij interviews en ontmoetingsdagen door werkgevers en werknemers vaak foto’s geschonken die wezenlijk verschillen van het beeldmateriaal dat bijvoorbeeld in bedrijfsarchieven, persartikels of publicaties bewaard wordt. Daar gaat het vaak om geposeerde foto’s, genomen door een professionele fotograaf. De persoonlijke foto’s werpen een uniek licht op de microkosmos van de werkvloer en hebben een grote documentaire waarde.
Boven: om haar ogen te beschermen tegen de soms losschietende ringetjes van de spinmachine kocht Conny deze plastic bril bij de plaatselijke optieker, jaren 1990. Collectie Industriemuseum
MONDELINGE GESCHIEDENIS
Onder: lege spoel van de spinmachine in Lys-Liève, door Conny meegenomen als aandenken aan het jarenlange werk in de vlasfabriek, ca. 1990. Collectie Industriemuseum
36
Als het Industriemuseum dergelijke interviews, beelden en voorwerpen bewaart, wordt niet alleen de collectie gevoed. Door die levensverhalen in te zetten als mondelinge bron voor onderzoek en te delen in expo’s of publieksactiviteiten vullen we het collectieve geheugen aan en verrijken we het.
MEER DAN STORYTELLING EN SAPPIGE QUOTES
Bij woorden als ‘collectieverwerving’, ‘digitale ontsluiting’ of ‘handgiftformulier’ horen veel mensen het in Keulen donderen. Veel instellingen gaan met mondelinge geschiedenis aan de slag en er worden podcasts bij de vleet gemaakt, maar de duurzame bewaring krijgt minder aandacht. De juridisering van collectiebeheer en museumwerk staat soms haaks op de vertrouwensband die je met een verteller opbouwt. Toch vindt het Industriemuseum die standaardisering van procedures voor het verkrijgen van geïnformeerde toestemming, documentatie, catalogisering en bewaring essentieel. We mikken daarbij op procedures die zowel praktisch zijn als rekening houden met de wensen van de geïnterviewden. We betrekken levende personen bij de museumcollectie en het onderzoek, en dat vergt een specifieke aanpak wat betreft het (tijdelijke) behoud en beheer van de geschonken verhalen en voorwerpen. We proberen op allerlei manieren consistente en langdurige
relaties te onderhouden met de mensen die we interviewen. Vaak zit die nazorg in kleine zaken. Zo krijgen de schenkers een digitale kopie van de gescande foto’s en voorwerpen en nodigen we vertellers uit voor alle expo-openingen van het museum. Wanneer externe onderzoekers of productiehuizen met een bepaald verhaal aan de slag willen gaan, contacteren we de vertellers eerst zelf. Momenteel werkt het Industriemuseum aan een bevattelijke infoflyer waarin we in mensentaal uitleggen wat mondelinge geschiedenis is, hoe we met de interviews omgaan en bij wie ze achteraf terechtkunnen. Op die manier proberen we regelmatig contact te onderhouden met de bijdragers aan onze collectie. We willen ervoor zorgen dat zij zich nog steeds op hun gemak voelen bij het feit dat hun interviews of objecten worden tentoongesteld of openbaar toegankelijk zijn. Zeker met het online delen van interviews en privacygevoelige zaken van levende personen springen we zorgvuldig om. In het licht daarvan zijn de ervaringen van Red Star Line Museum (zie ook hun artikel in dit dossier) en de ethische code en het lopende Nederlandse StoRe-project4 (zie de bijdrage van Maarten Heerlien) inspirerend. Musea en archieven hebben de belangrijke taak om te investeren in die langetermijnbewa-
ring en -ontsluiting van mondelinge bronnen. We moeten erover waken dat mondelinge geschiedenis niet eenzijdig verengd wordt tot storytelling en het delen van fragmentaire anekdotes. Want vaak worden dan de meest ‘sappige verhaaltjes’ geselecteerd, en kleuren die quotes de collectieve herinnering. ■ » Conservator Hilde Langeraert werkt sinds 2013 in het Industriemuseum en heeft een grote boon voor industrieel erfgoed, sociaaleconomische geschiedenis en werken met mensen. » Bronnen en literatuur 1. S. LEYDESDORFF, Oral history. De mensen en hun verhalen. Amsterdam, Prometheus, 2021, p. 60. 2. P. SESHADRI, ‘Listening to History: The Role of Oral Histories in Museum Collections’ op: www.historyworkshop.org.uk/oral-history/listening-to-history 3. Een fragment van het interview en een korte bio van de verteller is beschikbaar op: www.industriemuseum.be/nl/collectie-item/interview-metconny-van-neste-over-haar-werk-in-de-gentse-textielindustrie 4. StoRe staat voor 'Storing oral histories for future Reuse across communities' en richt zich op het toegankelijk maken van bestaande infrastructuren en het stimuleren van hergebruik van oral-historydata. Meer info op: https://sprekendegeschiedenis.nl/project/store
Vind dit boek in
MARTOZ
Laat jouw erfgoed spreken Elke plek heeft iets unieks te vertellen. Bij Martoz vertalen we dat verhaal in producten die bezoekers raken én onthouden. Van een eenvoudige magneet tot een volledig assortiment, elk ontwerp wordt met zorg uitgewerkt. We denken mee van idee tot eindproduct, zodat elk stuk even herkenbaar is als jouw verhaal.
Martoz - consulting & gepersonaliseerde merchandising voor musea & toeristische diensten Lynn Dursin - info@martoz.be - www.martoz.be - +32 (0)477 597353 37
BEPALEND VOOR WIE WE ZIJN
ONS (ONNAUWKEURIGE) GEHEUGEN William James (1842-1910), een van de belangrijkste pioniers van de wetenschappelijke psychologie, merkte in zijn Principles of Psychology (1890) op dat wanneer een persoon ’s ochtends zou ontwaken zonder enige persoonlijke herinnering, de persoon in kwestie zijn identiteit kwijt zou zijn en in essentie niet meer dezelfde persoon zou zijn. Rudi D’Hooge
MONDELINGE GESCHIEDENIS
O
38
ns geheugen bepaalt wie we zijn en hoe we ons gedragen in een sociale context, maar ook hoe we problemen oplossen en welke meningen en attitudes we hebben. Tegelijkertijd blijkt dat geheugen vaak onnauwkeurig te werken. Voor de meesten onder ons gaan persoonlijke herinneringen terug tot onze vroege kindertijd. Onderzoek toonde aan dat onze oudste, echte herinneringen dateren van toen we ergens tussen drie en vier jaar oud waren. Sommige mensen rapporteren echter herinneringen van hun tweede levensjaar of jonger, sommigen zelfs van hun eerste levensjaar. Experten menen dat dergelijke zeer oude herinneringen grotendeels fictief zijn, een fabricatie van onze hersenen op basis van verhalen en beelden die ons later zijn verteld of getoond. Ook recente(re) herinneringen lijken soms zeer levendig, maar blijken helemaal niet overeen te komen met de feiten.
Experten, zoals de bekende Amerikaanse psychologe Elizabeth Loftus, zijn het erover eens dat getuigenverklaringen vaak met meer dan een korrel zout moeten worden genomen. Zelfs herinneringen waarvan we heilig overtuigd zijn dat ze overeenkomen met de feiten, blijken heel wat onnauwkeurigheden te bevatten. Mijn vriend en collega-psycholoog Gert Storms bestudeerde de nauwkeurigheid van zijn autobiografisch geheugen op basis van aantekeningen die hij gedurende 24 jaar in zijn dagboek bijhield. Hij bleek zich minder dan tweederde van de geregistreerde gebeurtenissen zelfs maar te herinneren. Slechts 2 % van de beschreven gebeurtenissen kon hij min of meer correct dateren. Anekdotes die hij vaak terug had opgehaald waren degene die hij het beste kon reproduceren en situeren in de tijd.
AI-gegenereerde afbeelding.
Wanneer ik dit schrijf, verblijf ik als gastprofessor aan Dalhousie University in Halifax, Canada. Dat is de voormalige alma mater van Donald Hebb (1904-1985), nog steeds een van de grondleggers van de biologische psychologie. Mijn vorige lange verblijf aan een buitenlandse universiteit was in 2017 aan New York University. Sommige herinneringen aan dat vorige verblijf lijken nog erg helder, andere zijn al wat meer vervaagd. Vorig jaar was ik terug in New York en sprak ik af met iemand die ik tijdens mijn vorige verblijf verschillende keren had ontmoet. We waren erg blij om elkaar terug te zien. Nochtans had ik in eerste instantie moeite om hem te herkennen in een groep (wat wederzijds was), maar na een tijdje leken de details van onze vorige ontmoetingen toch terug te komen. Op het einde hadden we, weliswaar met elkaars hulp, terug veel anekdotes opgehaald en gesproken over gemeenschappelijke kennissen en vrienden.
Ons geheugen bepaalt wie we zijn en hoe we ons gedragen in een sociale context, maar ook hoe we problemen oplossen en welke meningen en attitudes we hebben
39
WRIEMELENDE REGENWORMEN
MONDELINGE GESCHIEDENIS
Terug naar Hebb. De Britse neurowetenschapper Paul Adams vergeleek de wetenschappelijke impact van Hebbs beroemde boek The Organization of Behavior (1949) met die van Darwins On the Origin of Species (1859). Beide boeken, meent Adams, zijn gebaseerd op een eenvoudige maar krachtige theorie die de opvattingen en theoretische kaders van latere generaties wetenschappers voor altijd hebben veranderd. Al eeuwenlang vragen geleerden zich af hoe informatie kan bijgehouden worden in onze hersenen. Nog niet zo lang geleden dachten hersenwetenschappers dat de informatie in onze hersenen wellicht in chemische vorm wordt opgeslagen, net als onze genetische informatie zit opgeslagen in de structuur van ons DNA. Hebb meende daarentegen dat informatie wordt opgeslagen onder de vorm van netwerken van hersencellen. De hersenen bestaan uit hersencellen, die met mekaar in contact staan via lange uitlopers, en steuncellen, die de hersencellen, wel … ondersteunen, maar ook een essentiële rol spelen in de algemene gezondheid van onze hersenen. Hebb meende dat de contacten tussen hersencellen plastisch zijn en kunnen veranderen, waardoor informatienetwerken ontstaan op basis van ervaring, oefening en herhaling.
40
Driekwart eeuw na de eerste beschrijving en heel wat onderzoek later blijkt Hebbs idee grotendeels correct te zijn. Informatie wordt niet op een chemische manier bijgehouden, hoewel er natuurlijk wel heel wat chemische processen aan te pas komen. Noch werken onze hersenen als een analoge camera waar beelden worden opgeslagen en op een mentaal scherm geprojecteerd. De informatie wordt eerder onder digitale vorm opgeslagen en telkens opnieuw gereconstrueerd wanneer we ze terug in herinnering brengen. Daar blijkt de vergelijking met een computer echter op te houden. Onze hersenen lijken meer op een pot met vochtige, wriemelende regenwormen dan op de droge, statische elektronica van digitale hardware. Hebbiaanse plasticiteit zorgt voor het versterken van bestaande zenuwcontacten en het ontstaan van nieuwe. De herhaaldelijke reconstructie van onze herinneringen, de incorporatie van nieuwe informatie in bestaande netwerken en het eeuwige gewriemel van onze zenuwuitlopers liggen wellicht ook aan de basis van de hierboven genoemde onnauwkeurigheid van het geheugenproces.
de dag of de week voordien is overkomen. Helaas wordt het allemaal wat stroever en worden we kwetsbaar voor hersenziekten, die de beweeglijkheid van onze zenuwuitlopers aantasten of onze hersencellen doden. Maar het kan wel … Zelfs tot op hoge leeftijd houden onze hersenen informatie bij. Wanneer we iemand nieuw ontmoeten, een gedicht van buiten leren, naar muziek luisteren, noem maar op, ontstaan er nieuwe contacten tussen onze hersencellen om deze informatie bij te houden. Eerst nog in fragiele, tijdelijke vorm (kortetermijngeheugen) maar later (onder meer tijdens onze slaap) wordt dit geconsolideerd en ontstaat een geheugenspoor dat ons hele leven in onze hersenen aanwezig blijft (langetermijngeheugen). Maar zoals gezegd: dat geheugenspoor kan veranderen over de jaren. Het is soms moeilijk om informatie van lang geleden op te halen, vooral wanneer ze wat apart staat van informatie die we vaker oproepen. De naam van je vader is veel makkelijker op te roepen dan de naam van een vriend die je al jaren niet meer gezien hebt. Aan weerszijden van onze hersenen bevindt zich een structuur die een essentiële rol speelt in het overbrengen van informatie van het korte- naar het langetermijngeheugen. De oude anatomen zagen in deze structuur de vorm van een zeepaardje en noemden hem hippocampus, het Latijnse woord voor zeepaardje. We weten ondertussen dat, wanneer deze structuur beschadigd raakt (door een hersenbloeding, een gezwel of een degeneratieve hersenziekte), het moeilijk of zelfs onmogelijk wordt om nog nieuwe herinneringen op te slaan. Mensen met schade aan hun hippocampi kunnen vaak nog wel hun naam herinneren of bepaalde gebeurtenissen uit hun jeugd. Ze kunnen nog wel leren fietsen, want daarvoor blijk je de hippocampus dan weer niet nodig te hebben, maar zijn vergeten wat ze die ochtend hebben gegeten. We weten bijvoorbeeld ook dat hersenschade door de ziekte van Alzheimer begint in structuren zoals de hippocampus. Vandaar ook dat patiënten in de vroege stadia van deze ziekte zich geen recente gebeurtenissen meer kunnen herinneren. De meest recente, fragiele informatie verdwijnt eerst, maar later wordt de hersenschade zo groot dat ook alle andere herinneringen moeilijker kunnen opgehaald worden. Uiteindelijk toont deze ziekte, op de meest dramatische manier, hoe belangrijk ons geheugen is in alle aspecten van ons menszijn …
KORTE- VS. LANGETERMIJNGEHEUGEN
Het blijft een wonderlijk gegeven hoe in al dit gewriemel informatie voor vele decennia kan worden bijgehouden. En het stopt nooit, want zelfs in ons tachtigste of negentigste levensjaar kunnen we nieuwe dingen leren, ons herinneren wat ons
Anatomische studie van de hersenen en zenuwen. Anoniem, 1630-1649. Collectie: Rijksmuseum, publiek domein Neuronen onder een microscoop. Foto: ALol88 via Wikimedia, CC BY 4.0
Soms worden bepaalde herinneringen uitgelokt door een externe stimulus − een geur die ons plots doet terugdenken aan het huis van onze grootouders, een liedje, of een bepaald object dat we terugzien
IMPACT OP ERFGOEDWERK
Wat betekent dit voor erfgoedwerkers en onderzoekers die steunen op het geheugen van mensen die ze interviewen? Soms worden bepaalde herinneringen uitgelokt door een externe stimulus − een geur die ons plots doet terugdenken aan het huis van onze grootouders, een liedje, of een bepaald object dat we terugzien. Er is al heel wat geprobeerd, van waarheidsserum tot hypnose, om onze herinneringen accurater te maken. Geen van die zaken helpt echt om een opgeslagen herinnering te verbeteren. Misschien dat we er ooit in slagen met behulp van elektronische hulpmiddelen die we aan onze hersenen kunnen koppelen. Maar je kan je geheugen wel trainen om accurater te werken en er zijn ook verschillen tussen mensen … Wat helpt is om meerdere individuele herinneringen bij elkaar te brengen. De basis van historische kritiek: maak gebruik van onafhankelijke verklaringen van verschillende mensen en ga na of ze consistent zijn om de werkelijke gang van zaken te reconstrueren. Niet altijd zo eenvoudig en van veel gebeurtenissen uit het verleden zijn we ook niet zeker hoe ze nu werkelijk gebeurd zijn. Soms worden mensen erg boos als blijkt dat hun herinneringen niet overeenkomen met de werkelijkheid, en ze denken beschouwd te worden als leugenaars. Want hun herinneringen lijken toch heel levendig en getrouw? In sommige gevallen weten we zelfs niet of bepaalde historische personen wel echt hebben bestaan of gebeurtenissen uit het verre verleden zich werkelijk hebben voorgedaan. Er zit niets anders op dan te beseffen dat ons geheugen onnauwkeurig is, en dat dit de normaalste zaak van de wereld is. In afwachting van die neuro-elektronische hulpmiddelen. ■
» Rudi D’Hooge is professor biologische psychologie, verbonden aan KU Leuven en VUB.
41
ORAL HISTORY IN HET RED STAR LINE MUSEUM
DE GETUIGE VÓÓR HET VERHAAL Het Red Star Line Museum zet oral history in als onderdeel van een participatief verzamelproces. Cruciaal in deze benadering is dat niet de historische bron centraal staat, maar de mens. Met allerhande vragen tot gevolg: hoe doen we recht aan het verhaal én aan de persoon? Hoe nemen we de getuige al tijdens het proces mee in afwegingen rond vragenlijst, transcriptie, risicoanalyse en openbaarheid? En hoe vinden we de juiste vorm om in contact te blijven? Geen vragen die eenduidig te beantwoorden zijn. In dit artikel formuleren we mogelijke pistes.
MONDELINGE GESCHIEDENIS
Aniek Smit en Rabab Hammoudi1
42
V
ier jaar geleden startten wij, Aniek Smit en Rabab Hammoudi, respectievelijk als wetenschappelijk medewerker oral history en collectiemedewerker biografisch migratie-erfgoed in het Red Star Line Museum (verder: RSLM) in Antwerpen. Twee nieuw gecreëerde functies die zich − los van tentoonstellings- en projectplanningen − duurzaam bezighouden met de opbouw van de interview- en materieel-erfgoedcollecties over de recente migratie naar België. Het RSLM werd in 2013 geopend en vertelt het verhaal van de ruim twee miljoen landverhuizers die via Antwerpen naar de VS en Canada vertrokken in de periode 1873-1934. Ook kijkt het aan de hand van recente migratieverhalen naar de betekenis van deze geschiedenis vandaag.
In dit artikel bespreken we hoe we oral history inzetten en hoe het zich ontwikkelt van een doel op zich naar een onderdeel van een participatief verzamelproces. Bij onze start in het museum werden we geconfronteerd met een rijke collectie van rond de honderd hedendaagse interviews. Deze collectie met unieke perspectieven van mensen uit verschillende landen op hun persoonlijke migratiebeleving kwam voort uit verschillende thematische participatieve trajecten en tentoonstellingen. In sommige gevallen waren deze interviews vergezeld van aanvullend biografisch erfgoed, zoals persoonlijke foto’s, documenten of objecten. Ook de technische en administratieve omkadering van interviewopnames, transcripties en overeenkomsten verschilden.
June tijdens de interviewopnames bij hem thuis, april 2025. © Vincent Groos
DUURZAME RELATIES ALS INZET
Dit gaf ons de nodige praktijkvoorbeelden en speelruimte om een toekomstige manier van werken met getuigen en verhalen vorm te geven. Cruciaal in deze manier van werken? De inzet op langdurige en duurzame relaties met de betrokkenen. Waar in het historische collectiebeleid altijd de nadruk lag op het atypische karakter van het RSLM – we plaatsen “het verhaal voor het object” − geldt in ons oral-historybeleid meer en meer dat we “de getuige vóór het verhaal” plaatsen. Niet de historische bron, maar de mens staat centraal. Hoe we dit precies doen, illustreren we aan de hand van een recent traject met June M. Yanez, een verhalenschenker die uit de Filipijnen migreerde. Zo geven we inzicht in de vragen die wij ons stelden nog vóór de stap van de publieksontsluiting. Omdat June als geestelijke naar het buitenland werd uitgezonden, zagen we dit unieke perspectief op arbeidsmigratie als verrijkend voor onze museale collectie. Tegelijk bracht zijn professionele en sociale engagement ook verwachtin-
We zagen dit unieke perspectief op arbeidsmigratie als verrijkend voor onze museale collectie. Tegelijk bracht zijn professionele en sociale engagement ook verwachtingen en bezorgdheden van zijn kant met zich mee, die we een plek moesten geven in het proces
43
gen en bezorgdheden van zijn kant met zich mee, die we een plek moesten geven in het proces.
DE SAMENWERKING MET JUNE
Na het zien van de VRT-reeks Mijn God van Phara de Aguirre, waarin June te gast was, namen we via de Zeemansmissie voor het eerst contact op. June vertelde in de reeks over zijn werk als anglicaans predikant in de Antwerpse haven. In onze communicatie lichtten we meteen toe wat onze werking rond oral history inhoudt en welke einddoelen we nastreven, zoals het langdurig bewaren en ontsluiten van verhalen. In het verleden gebeurde dat niet altijd even expliciet. Bij een groepstentoonstelling over familieverhalen waaraan jongeren meewerkten, bleek bijvoorbeeld dat niet iedereen opgezet was met de zichtbaarheid op de museumwebsite.
MONDELINGE GESCHIEDENIS
We nodigden June uit voor een kennismaking in het museum en brachten nadien een tegenbezoek aan de Zeemansmissie in het Antwerp Harbour Hotel. We luisterden naar verhalen van collega’s en Filipijnse zeevarenden en bekeken enkele objecten van June om in de video-opname te tonen of mogelijk ooit te schenken. Biografisch migratie-erfgoed beschouwen we immers als een samenspel van verhalen en objecten die een gelijke waarde hebben. Objecten verrijken niet alleen het verhaal, maar maken het voor de geïnterviewden soms ook gemakkelijker om hun ervaringen te delen. Dit draagt bij aan een traumasensitieve manier van werken. We tonen verhalenschenkers in het museum vaak de Tafel van Antwerpen om houvast te bieden: tien interviews met mensen in Antwerpen met een hedendaags migratieverhaal, waarin eveneens objecten en gebruiken (zoals een kledingstuk, een kindertekening of een liedje) een rol spelen.
44
June tijdens de interviewopnames bij hem thuis, april 2025. © Vincent Groos
June kwam in 2022 naar Antwerpen, na missiewerk in de havens van Hamburg en Rostock via een Filipijnse en Duitse kerk. Niet enkel carrièremotieven speelden een rol, hij had ook persoonlijke redenen voor zijn migratie. Wat wilde hij hiervan delen? Het voorbereidende gesprek bood bovendien de kans om het interview inhoudelijk af te stemmen: welke vragen stellen we, op welke thema’s leggen we de nadruk, en welke onderwerpen laten we bewust achterwege? Voor de gebruiksvriendelijkheid van de collectie komen standaard de verschillende stappen van het migratieproces aan bod: het leven in het thuisland, het vertrek en de reis en de aankomst en vestiging in België. June kwam in 2022 naar Antwerpen, na missiewerk in de havens van Hamburg en Rostock via een Filipijnse en Duitse kerk. Niet enkel carrièremotieven speelden een rol, hij had ook persoonlijke redenen voor zijn migratie. Wat wilde hij hiervan delen? Om de vertrouwensband met de geïnterviewde te versterken, werken we met een vaste groep
Ethical guidelines in collecting biographical migration heritage Warm welcome
1
2 3
Interviewing (comfort of storyteller prevails)
Communicating information with the storyteller
6
Establish agreement around use
5
Person does not agree
Remain in contact
4 Post-interview
Person agrees to everything Person partially agrees
9
7 Risk analysis by the museum
Aftercare for the interviewee
8
Infographic.indd 1
Aftercare for the story and related objects
19/09/2023 10:24
Richtlijnen voor biografisch erfgoed, een van de resultaten van het project 'Privacy, GDPR en ethiek bij collectiebeheer, ontsluiting en verwerving van biografisch erfgoed: opstellen van een beleid, protocol en juridisch kader' (2022-2023) (Inhaalbeweging Digitale Collectiedata)
45
cameramensen die bekend zijn met de visie en missie van het museum. Zij hebben allen ook eerdere ervaring met het capteren van persoonlijke verhalen. Bovendien volgden de museummedewerkers die direct in contact komen met verhalenschenkers – hetzij in een interview, hetzij als samenwerkingspartner in de programmatie van het museum – een intern vormingstraject door Solentra vzw rond trauma en migratie. De juiste omstandigheden of ‘beschermpijlers’ maken immers of het delen van je migratie- of vluchtverhaal ook een helende ervaring kan zijn.
HET INTERVIEW
Toch kan een gesprek onverwachte wendingen nemen. Halverwege het interview met June kwam naar voren dat zijn broer politiek gevangene is in de Filipijnen. Wilde June hierover in detail treden? We gaven hem de ruimte om emoties te delen, maar ook om indien nodig te pauzeren. June vertelde dat zijn broer door zijn spirituele en maatschappelijke engagement in de Filipijnen een inspiratiebron voor hem is. Muziek helpt hem om met deze moeilijke situatie om te gaan. Hij illustreerde dit door kort het protestlied Mandaragat – zeeman in het Tagalog – te spelen. De vrijheid nemen om af te wijken van de vooraf opgestelde thematische vragenlijst loont. Dat zagen we ook al in eerdere interviews.
De zeevarenden van de Antwerp Seafarers' Welfare worden tijdens een nocturne in het Red Star Line Museum ontvangen. © Antwerp Seafarers' Welfare
(DIRECT) NA HET INTERVIEW
MONDELINGE GESCHIEDENIS
Bij het afronden van het interview lieten we June de overeenkomst voor opname in onze collectie en ontsluiting gedeeltelijk invullen. Zo kon hij de tekst alvast inkijken terwijl wij de verzamelde materialen voorlopig op juridisch correcte wijze konden bewaren. Dit betekende echter geen carte blanche voor archivering of ontsluiting. Ethisch gezien is het belangrijk dat June later, met een frisse blik, de opt-outs kan aanduiden en per einddoelstelling (onderzoek, expo, educatie …) expliciet zijn toestemming kan geven. Op die manier combineren we de vereisten van de AVG-wetgeving en het juridische kader rond privacy met een ethische en traumasensitieve aanpak.
46
In de weken na het interview namen we telefonisch en via WhatsApp contact op om te peilen naar Junes ervaring. Hoe voelde hij zich? Kon hij met iemand napraten? En had hij steun gevonden in zijn omgeving? Als manier om de relatie te verduurzamen en iets symbolisch terug te geven, hostte het museum bovendien een evenement voor de zeevarenden van de missie en de Antwerp Seafarers’ Welfare. Een belangrijk motief voor Junes deelname aan het interview was immers eerst en vooral om aandacht te vragen voor hun lot: het zware en gevaarlijke werk, de heimwee en het gemis van hun familie.
Een bezoek van de zeevarenden van de missie en de Antwerp Seafarers' Welfare aan het Red Star Line Museum. © Aniek Smit
Enkele maanden na het interview maakten we een afspraak voor een debriefing in aanwezigheid van de collectiemedewerker en registrator. Tijdens dit gesprek namen we samen de transcriptie door, vertrouwelijk verwerkt en vertaald door een vrijwilliger, en bespraken we de risicoanalyse en mogelijke gevoeligheden bij ontsluiting. Zo kwam onder meer een privésituatie ter sprake waarin ook derden, zoals zijn vrouw, een rol spelen. June koos er bewust voor om hier open over te zijn, of in zijn eigen woorden: “ervan te profiteren dat hier in België wel openlijk gesproken wordt, een bevrijdende ervaring”. Wij respecteren die keuze, maar blijven alert voor mogelijke veranderingen in de toekomst. Nieuwe gevoeligheden kunnen altijd opduiken, bijvoorbeeld wanneer een liefdesmigratie eindigt in een scheiding of wanneer de politieke situatie in het land van herkomst verslechtert. We bespraken daarnaast twee incidenten die June in het interview aanhaalde, één in het verleden
... hier zijn is iets gelukkigs. Maar soms voelen we ons hier niet zo goed om hier te zijn, terwijl het centrum van de strijd en de problemen daar is
en één meer recent. Het eerste voorval vond plaats tijdens Junes werk en had betrekking op de kwetsbare groep van zeevarenden met wie hij werkt. Hoewel er geen sprake was van directe betrokkenheid of mogelijke juridische gevolgen, besloten we omwille van de media-aandacht die het voorval in het verleden kreeg toch in te grijpen. In overleg besloten we dit fragment te anonimiseren en zowel in de transcriptie als in de interviewopname aan te passen. Het tweede voorval betrof een geweldsincident dat plaatsvond in de Filipijnen, tijdens het presidentschap van Fidel Ramos. Hoewel June doorheen het hele interview verwijst naar de politieke situatie in de Filipijnen en daarin niet enkel zijn eigen engagement, maar ook dat van oud-collega’s en zijn broer vermeldt, wilden we dit nog eens aftoetsen. Ook hier koos hij bewust voor transparantie: enerzijds om zijn toewijding aan het activisme te onderstrepen, anderzijds omdat hij geen nieuwe informatie deelde en hij de risico’s voor zichzelf en derden dus beperkt achtte. In het verleden zagen we een vergelijkbare afweging bij een geïnterviewde die als LGBTQ+-activist naar België vluchtte en juist zichtbaarheid wenste omwille van zijn activistische werk. De tweespalt waarin veel migranten zich bevinden, politieke vluchtelingen in het bijzonder, brengt June treffend onder woorden: “Dit is één ding … hier zijn is iets gelukkigs. Maar soms voelen we ons hier niet zo goed om hier te zijn, terwijl het centrum van de strijd en de problemen daar is.” Juist door het migratieverhaal van June in zijn volledigheid op te tekenen, wordt duidelijk waarom hij vandaag doet wat hij doet en waarom de samenwerking met het museum en het bereiken van een publiek voor hem betekenisvol is.
MAATWERK
Deze casus laat zien hoe wij in het RSLM proberen maatwerk te verrichten en tijd te nemen om het proces met de geïnterviewde net zo belangrijk te maken als het eindproduct. Het blijft zoeken met de mensen zelf − ongeacht of dit nu gebeurt binnen een structurele collectieopbouw of, zoals eerder, in het kader van tijdelijke projecten en expo’s. Nu gaan we echter al bij aanvang meer gefaseerd te werk, met bewust ingebouwde tijd. Niet het eindproduct of een deadline voor publieksontsluiting staat centraal, maar de mensen die betrokken zijn. Dat “geïnformeerde toestemming” niet eindigt bij het tekenen van een overeenkomst, maar een doorlopend en relationeel proces is, raakt gelukkig steeds meer ingebed in de ethische richtlijnen van vakorganisaties als FARO, Sprekende geschiedenis (NL), de Amerikaanse Oral History Association (OHA) en de Britse Oral History Society (OHS). Deze casus biedt geen kant-en-klaar antwoord op hoe een duurzaam en menselijk oral-historybeleid uit te werken, maar geeft wel zicht op de workflows die wij nu proefondervindelijk uitrollen. Dit soort individuele trajecten loopt bovendien parallel aan het groepsaanbod van het museum in de context van publiekswerking of partnerprojecten (bv. Vrouwen van de Tuin, Intergenerationeel of ONS MUSEUM). Deze trajecten bieden mensen de kans eerst het museum beter te leren kennen en samen te onderzoeken wat er onder welke voorwaarden van hun migratieverhaal gedeeld kan worden in het museum. De nauwe samenwerking met June en andere verhalenschenkers vormt daarbij een inspiratiebron. ■
» Aniek Smit is wetenschappelijke medewerker oral history bij het Red Star Line Museum in Antwerpen. Rabab Hammoudi is er collectiemedewerker biografisch migratie-erfgoed. » Bronnen en literatuur 1. Met medewerking van June M. Yanez, kapelaan van de Missie naar de Zeevarenden in de haven van Antwerpen.
47
TURNHOUTSE KANTWERKSTERS KRIJGEN EEN PLATFORM
PERSOONLIJK, TASTBAAR EN HERKENBAAR De kantopstelling in het Taxandriamuseum in Turnhout kreeg een grondige vernieuwing. Daarbij koos het museum er bewust voor om niet enkel de mooiste stukken tentoon te stellen, maar ook de verhalen van de vaak vergeten makers zichtbaar te maken. Mondelinge geschiedenis speelde daarin een sleutelrol. Sofie Wilder en Eva van Eijndhoven
MONDELINGE GESCHIEDENIS
T
48
urnhout was een textielstad, met weverijen en blekerijen. Vooral de kantnijverheid was bekend tot in het buitenland. Het is dan ook niet vreemd dat al in het eerste Taxandriamuseum, geopend in 1906, “aloude kanten” werden getoond. Ondanks deze vroege belangstelling en musealisering, en het feit dat rond 1912 honderden Turnhoutse meisjes en vrouwen in de kantnijverheid werkten, bleef onze kennis beperkt. Over de kantwerksters zelf wisten we helemaal niets. Archieven en bedrijfsdocumenten geven slechts stukjes van het verhaal prijs. Loongegevens zijn schaars, foto’s nog zeldzamer en bijna altijd anoniem, egodocumenten onbestaande. Professionele kantwerksters zijn niet meer in leven. In de voorbereiding van de opstelling voelden we de nood om ons onderzoek aan te vullen via mondelinge getuigenissen.
op het vaak schamele loon van vaders en broers die in de fabriek werkten. Het ging over huisnijverheid: vrouwen brachten urenlang gebogen door aan het kussen, vaak in slecht verlichte kamers, terwijl de zorg voor de kinderen en het huishouden tussendoor verderging. Dat het bestaan van deze kantwerksters wellicht niet altijd eenvoudig moet zijn geweest, is moeilijk terug te vinden in officiële documenten. Ook over het geduld en de discipline die noodzakelijk waren, de lange opleiding en de vermoeidheid door lange dagen handwerk weten we amper iets. Het ritmische getik van de klosjes was een alledaags achtergrondgeluid in vele Turnhoutse huishoudens. Het was zo gewoon dat het nauwelijks werd opgemerkt, maar juist daarom was het essentieel om deze verhalen te verzamelen.
Kantklossen was geen hobby en vaak geen vrije keuze, maar een beroep dat uit economische noodzaak werd uitgevoerd. Het inkomen van de kantwerksters vormde een belangrijke aanvulling
Vooraleer er ruimte kwam voor verhalen, moest eerst een historische registratieachterstand worden weggewerkt. Het Taxandriamuseum bewaart een indrukwekkende kantcollectie, ruw geschat
MONUMENTAAL REGISTRATIEPROJECT ALS OPSTAP
Boven: de registratie van kant met hulp van vrijwilligers © Taxandriamuseum Midden: interview met de nazaten (nichten) van Jeanette Sol (1894-1961). Jeanette was professioneel kantwerkster en lerares aan de kantschool van Oosthoven. De familie toont verschillende kanten objecten en foto’s die ze kregen van hun tante. Op de foto: vlnr: Sofie Wilder, Gabriëlla Van Even, Lief Brys, Veva Van Even, Frida Van Even © Eva van Eijndhoven Onder: interview met zuster Mien Keulemans, oprichter en lerares van de kantafdeling van de Academie. Ze was een van de laatste ooggetuigen. Op de foto: vlnr: Alfred Bellekens, Sofie Wilder, zr. Mien Keulemans (1930-2025) © Mieke Loodts
gaat het om zo’n 18.000 stuks. Die moesten systematisch worden beschreven, gefotografeerd en geordend. Elk object kreeg een unieke code en werd ingevoerd in een digitaal collectiebeheersysteem, gekoppeld aan foto’s en beschrijvingen. Zo ontstond een duurzaam digitaal archief, klaar voor verder onderzoek en presentatie. Onder leiding van registrator en onderzoeker Sofie Wilder leverden veertien vrijwilligers een onmisbare bijdrage. Sommigen waren zelf ervaren kantklossers en deelden hun technische kennis, anderen wilden het erfgoed uit hun streek helpen bewaren. Hun inzet was inhoudelijk essentieel en gaf het hele project ook een warme, bijna familiale
49
Interview met de kleindochter van het Turnhoutse kantkantoor Dierckx–Van Pelt. Op de foto: vlnr: Marleen Keuppens, Eva van Eijndhoven, Sofie Wilder © Familie Keuppens
Aan de slag met kanterfgoed bij de interviews. © Taxandriamuseum
MONDELINGE GESCHIEDENIS
sfeer. Ze werkten niet alleen voor het museum, maar ook voor het behoud van dit erfgoed. Die samenwerking bracht naast kennis ook inspiratie. Vrijwilligers ontdekten vergeten patronen die hen als hedendaagse klossers nieuwe ideeën gaven, terwijl de museummedewerkers de technische taal en methoden van de kantgemeenschap onder de knie kregen. Zo groeide het project uit tot een goed voorbeeld van hoe burgerwetenschap en museaal onderzoek elkaar kunnen versterken. Het resultaat was niet alleen een geordende collectie, maar ook een gemeenschap die samen leert en ontdekt.
MONDELINGE GESCHIEDENIS IN DE PRAKTIJK
Met de registratie op de rails ging het tweede luik van start. Participatiemedewerker Eva van Eijndhoven en stagiair Alfred
50
Bellekens zetten mee hun schouders onder het project om getuigenissen te verzamelen. De aanpak werd zorgvuldig voorbereid. Er werd advies ingewonnen bij het Centrum Agrarische Geschiedenis (CAG). Er ontstond een plan van aanpak met onderzoeksvragen en een selectie van getuigen. De oproep naar het publiek leverde zeventien interviews, vier schenkingen en informatie over 95 objecten op. Het team sprak met kinderen en kleinkinderen van kantwerksters, patroontekenaars en -prikkers, oud-leerkrachten en -leerlingen van kantscholen en kanthandelaars. Bij de selectie van getuigen, die vertelden uit tweede of derde hand, zochten we naar een representatieve vertegenwoordiging van de vele rollen die deel uitmaakten van het kantsysteem. Een aantal thema’s goten we in een vragenlijst. Hoe verliep de organisatie van het werk in de kantnijverheid? Wat waren de arbeidsomstandigheden? Welke verschillende taken en rollen waren er? Hoe werden kantmeisjes geschoold, en zijn daarover herinneringen doorgegeven? Waren er rituelen en tradities verbonden aan het kantklossen? Om herinneringen op te roepen werden hulpmiddelen bedacht, zoals foto’s en tekeningen van kantwerken, oude documenten of voorwerpen uit de collectie. “Net dat indirecte perspectief leverde onverwachte inzichten op. Mensen konden zo levendig vertellen hoe hun moeder aan het werk was, welke kleren ze droeg en welk ritmisch geluid het kantklossen maakte”, zegt Eva van Eijndhoven. De interviews brachten veel naar boven, ondanks de beperkingen. Herinneringen waren soms onvolledig, fragmentarisch of tegenstrijdig. Maar de verhalen vulden vooral gaten in onze kennis aan, hielpen om foto’s beter te analyseren of afgebeelde personen te benoemen, en brachten informatie boven die archieven niet bevatten. Het sociale leven, het ritme van het werk en de beleving van de kantwerksters zelf kwamen aan bod. Zo hoorden we dat, naast garen en spelden, ook aluin, snuiftabak en jeneverkruik vaak in een
Net dat indirecte perspectief leverde onverwachte inzichten op. Mensen konden zo levendig vertellen hoe hun moeder aan het werk was, welke kleren ze droeg en welk ritmisch geluid het kantklossen maakte
verhalen naar boven. Het was voortdurend zoeken naar een balans tussen regels naleven en een vertrouwelijke omgeving scheppen. Ook de transcriptie van de interviews was arbeidsintensief. Experimenteren met spraakherkenningssoftware bespaarde weinig tijd omdat er veel correcties nodig waren. Zodra mensen zich meer op hun gemak voelden, gebruikten ze al snel een informelere spreektaal, wat automatisch transcriberen haast onmogelijk maakte. Ook zijn we nog op zoek naar manieren om deze getuigenissen en opnames in onze collecties op te nemen.
kantkussen bewaard werden. Dit gebeurde uit bijgeloof. Aluin zou het kantwerk schoon hebben gehouden, snuiftabak en een slok jenever moesten voorkomen dat het kantwerk geel uitsloeg door ‘slechte adem’. We leerden over rituelen als het zingen van werkliedjes, die het werkritme aangaven. Historische opnames van deze liedjes vonden we later terug in de VRT-archieven. Ook de feestelijke momenten in het leven van de kantmeisjes kwamen naar boven. Op 5 augustus, de feestdag van Onze-Lieve-Vrouw Ter Sneeuw, trokken de vele leerlingen van de kantscholen erop uit. Na het bidden volgden zang, spel en een feestmaal. De meisjes droegen een versierde boog met een levensgrote pop van een kantwerkster die ’s avonds werd verbrand, een ritueel dat het gemeenschapsgevoel versterkte en van generatie op generatie werd doorgegeven. Hoewel de getuigen zelf geen kantwerksters waren, brachten hun herinneringen de sfeer en de sociale context van het kantwerk tot leven. Kleine details gaven het museumteam nieuwe inzichten die geen enkel archiefdocument kon bieden. Zo werd het verhaal van de kantnijverheid niet alleen wetenschappelijk onderzocht, maar ook persoonlijk, tastbaar en herkenbaar voor bezoekers.
UITDAGINGEN ONDERWEG
Het verzamelen van getuigenissen vergde tijd en zorg. Vertrouwen winnen stond centraal: de aanwezigheid van opnameapparatuur, laptops en formulieren voor GDPR-toestemming kon soms afstandelijk en intimiderend aanvoelen. Daarom nam het team altijd rustig de tijd om het gesprek op gang te brengen, het doel van de opnames uit te leggen en een veilige, open sfeer te creëren. Pas wanneer de deelnemers zich op hun gemak voelden, kwamen de levendige, persoonlijke
VERHALEN EN MENSEN CENTRAAL
De mondelinge getuigenissen vulden het archiefonderzoek aan. Het werd de basis voor de vernieuwde kantopstelling, met als titel Kant Ontrafeld, die sinds maart 2025 te zien is in het Taxandriamuseum. Niet de luxueuze kantstukken staan centraal, maar de mensen erachter. Dit project was daartoe essentieel. Bezoekers zien niet langer enkel foto’s met anonieme werksters, maar kunnen ook fragmenten uit interviews en traditionele kantliedjes beluisteren. “Met dit project wilden we het publiek dieper betrekken en het bewustzijn over de sociale en culturele waarde van de kantnijverheid versterken”, aldus Sofie Wilder. De reacties zijn hartverwarmend. Bezoekers herkennen verhalen van hun (groot)ouders en voelen zich verbonden met de geschiedenis. Nazaten ervaren erkenning, terwijl anderen geïnspireerd raken door de persoonlijke verhalen en rituelen die de tentoonstelling belicht. Het museum ontwikkelde zo een nieuwe manier van registreren en presenteren, die verder reikt dan objecten alleen. Hierbij staan verhalen, herinneringen en mensen centraal. Met dit project toont het Taxandriamuseum hoe mondelinge geschiedenis een collectie kan verrijken. Door onderzoek te koppelen aan persoonlijke herinneringen krijgen vergeten stemmen opnieuw een plek in het collectieve geheugen en wordt erfgoed tastbaar én herkenbaar. ■
» Sofie Wilder en Eva van Eijndhoven zijn resp. registrator en onderzoeker en medewerker participatie en publiekswerking bij Musea Turnhout.
51
SHARING AUTHORITY BIJ MONDELINGE GESCHIEDENIS
WIE SCHRIJFT MEE GESCHIEDENIS? Het is intussen al meer dan dertig jaar geleden dat Michael Frisch het concept shared authority of sharing authority in het veld van de mondelinge geschiedenis uitdiepte en het mee de bekendheid gaf die het vandaag geniet.1 Samenstelling: Jelena Dobbels en Elien Doesselaere
MONDELINGE GESCHIEDENIS
H
et kernidee? Historische kennis ontstaat in dialoog. In een interview is de verteller niet slechts een bron, maar maakt die mee geschiedenis. De macht en de controle over het verhaal en de interpretatie ervan liggen niet langer exclusief bij de interviewer, de onderzoeker of de instelling. Ze worden, zoals het concept aangeeft, gedeeld met de geïnterviewde personen en eventueel ook met de bredere gemeenschap. Er is niet één manier om de autoriteit te delen: de interviewer kan geïnterviewden betrekken bij de transcriptie van het interview, bij de analyse ervan, bij de ontsluiting van het materiaal etc. Tot daar de theorie. Hoe vertaal je dit concept naar de praktijk, en met welke uitdagingen en kansen gaat die vertaalslag gepaard? We vroegen drie onderzoekers naar hun visie op sharing authority.
1. M. Frisch, A Shared Authority: Essays on the Craft and Meaning of Oral and Public History. Albany: SUNY Press, 1990.
52
DE VALKUILEN VAN PARTICIPATIE: OVER DE NOODZAAK VAN KRITISCHE AFSTAND Nico Wouters
Participatie zit sinds de jaren 1960 ingebakken in mondelinge geschiedenis. Maar pas vandaag zijn democratisering, inclusiviteit, sociale emancipatie, authenticiteit en ook dekolonisering de norm geworden. Het juridisch kader, onder meer de Belgische wetgeving op de bescherming van persoonsgegevens (2018), heeft die maatschappelijke evolutie gevolgd. Een robuust ethisch, academisch en juridisch kader beschermt vandaag de positie van een getuige. Een respondent kan eisen dat bepaalde uitspraken niet worden gebruikt, dat verhalen worden geanonimiseerd, dat de boodschap in een tentoonstelling aangepast moet worden of dat een interview retroactief wordt vernietigd. En dat is, voor alle duidelijkheid, een goede zaak. Maar de reflectie over de positie van de erfgoedwerker of onderzoeker is daarbij wat achtergebleven. Moet je als onderzoeker leden van neofascistische bewegingen ook co-autoriteit geven? Moet een historicus die doorwinterde toppolitici interviewt de confronterende vragen opbergen? Als je als onderzoeker de meest mondige leden van een sociale groep autoriteit geeft, vervang je dan eigenlijk niet gewoon de traditionele autoriteit van de onderzoeker door een nieuw soort elitarisme? De vele valkuilen van shared authority worden vandaag onvoldoende benoemd, waardoor erfgoedwerkers soms wat aan hun lot worden overgelaten. Een universeel antwoord bestaat niet. Maar elk project zou minstens moeten beginnen met een bewuste reflectie over je eigen positionaliteit: je relatie als interviewer tegenover de respondenten. Participatie is niet noodzakelijk synoniem met de volledige vereenzelviging met de respondent. In dat geval riskeer je zelfs je eigen verantwoordelijkheid als onderzoeker te ontlopen. Die verantwoordelijkheid bestaat er bijvoorbeeld al in om de nodige kritische context toe te voegen aan een getuigenis. Geschiedschrijving, maar ook erfgoedwerking, moet meer zijn dan de opstelsom van individuele belevingen. Een bewuste positiebepaling is ook essentieel tegenover het interview als mondelinge bron. Een mondelinge-geschiedenisproject dient meestal een onmiddellijk doel, zoals een tentoonstelling of een boek. Maar wat met deze mondelinge bron binnen twintig of vijftig jaar? Een doorgedreven co-creatie kan het in de toekomst moeilijk maken de authentieke stem van de respondent nog te onderscheiden van die van de interviewer. Paradoxaal genoeg kan iemand die vandaag dus streeft naar meer inclusiviteit de herkenning van een authentieke beleving in een later stadium verhinderen. De verantwoordelijkheid van de onderzoeker of erfgoedwerker bestaat ook uit het verdedigen van de eigen
doelstellingen, bijvoorbeeld op het moment van de verwerking. Respondenten doorgedreven co-creatie geven bij een tentoonstelling levert niet noodzakelijk een goed product op. Verschillende getuigen hebben trouwens ook verschillende verwachtingen. De respondent vooraf duidelijk uitleggen wat de eigen einddoelstellingen zijn is noodzakelijk. Het is vandaag trouwens juridisch een verplichtende voorwaarde. Daarbij hoort het vastleggen van de aard van de verwerking in een toestemmingscontract, inclusief het langetermijnarchiveren van de mondelinge bron.
Een mondelingegeschiedenisproject dient meestal een onmiddellijk doel, zoals een tentoonstelling of een boek. Maar wat met deze mondelinge bron binnen twintig of vijftig jaar? Een duidelijk bewustzijn over je eigen rol en zelfs een zekere kritische afstand tegenover je respondenten leidt vaak tot betere interviews, meer bruikbare mondelinge bronnen en scherpere publieksproducten. Dat hoeft niet in strijd te zijn met een participatieve aanpak. Het is altijd zoeken naar het juiste evenwicht. Maar dat we vandaag meer nood hebben aan een reflectie over de autonomie, zelfs kritische afstand, van de onderzoeker en erfgoedwerker lijkt me duidelijk. » Nico Wouters is directeur van CegeSoma (Rijksarchief), het Studiecentrum Oorlog en Hedendaagse Maatschappij.
53
© FARO
54
MONDELINGE GESCHIEDENIS
SHARING AUTHORITY GAAT OVER MACHT
Wanneer je een term moet definiëren ga je soms intuïtief benoemen wat de term allemaal niet is. Voor mij is sharing authority geen procedurele checklist, maar een ethiek. Het is geen synoniem voor participatie en co-creatie. En wanneer je mondelinge geschiedenis bedrijft, doe je ook niet automatisch aan sharing authority. Maar wat is het dan wel? Sharing authority gaat over macht en zelfreflexiviteit. Als we het niet over macht hebben binnen sharing authority, dan moeten we er naar mijn mening zelfs niet aan beginnen. Dat gaat dan over zaken als: wie neemt de beslissingen? Wie initieert het project of proces? Welke taal wordt er gehanteerd? Met welke middelen wordt er gecommuniceerd? Welke werkwijze gebruikt een publiekshistoricus of erfgoedwerker? Wat is de (vooropgestelde) timing voor het proces? Op welke dag en op welk tijdstip vindt een evenement plaats? Wat zal het resultaat zijn, en hoe ziet dat eruit? Als je de autoriteit deelt, dan is er met andere woorden ruimte voor onderhandeling, en beschouw je de werkwijze van de organisatie waarvoor je werkt niet als vanzelfsprekend. Wil je ruimte maken voor stemmen van onderuit die anders niet aan bod komen, dan kan je niet anders dan de autoriteit te delen. Wanneer je werkt rond geschiedenis of erfgoed van onderuit, dan merk je al snel dat zeer veel expertise niet ‘gecanoniseerd’ is. Er zijn met andere woorden nog geen bibliotheken vol geschreven over bepaalde onderwerpen van onderuit. De kennis is alleen maar in de erfgoedgemeenschappen zelf te vinden. Als publiekshistoricus benader je mensen uit deze erfgoedgemeenschappen dan ook als experten, die bovendien heel goed weten wat ze willen doen met dat erfgoed. Je benadert mensen om hetgeen dat ze weten en kunnen en niet omwille van de netwerken of veronderstelde identiteit die ze hebben. “Jij hebt Turkse roots” is niet het juiste argument om iemand te benaderen. “Jij weet veel over de geschiedenis van de Turkse arbeidsmigratie in Gent” is dat wel. In zijn kern gaat sharing auhority ook over faciliteren. We bedenken de projecten niet vanuit onze kantoren, maar gaan naar buurthuizen, verenigingen, kerkgemeenschappen of lokale dienstencentra om te detecteren wat er leeft en we maken ons kenbaar. Voor mij is het beste voorbeeld van sharing authority het erfgoedproject De vierkante kilometer, dat publiekshistorica of ‘historische straathoekwerker’ Tina De Gendt deed met het STAM – Stadsmuseum Gent en de Erfgoedcel Gent. Het resultaat werd niet aan de tekentafel bepaald, maar groeide vanuit de poortwijken van Gent.
© Martin Corlazzoli
Neslihan Dogan
Maar als het proces niet ongemakkelijk, confronterend of schurend was, heb je de autoriteit dan wel echt gedeeld?
volkse wijk Rabot heb je maar liefst twaalf gebedshuizen. Na onderzoek in de archieven en interviews met sleutelfiguren concludeerde De Gendt dat de oorzaak van dat grote aantal gebedshuizen op één vierkante kilometer lag aan de interreligieuze dialoog, die historisch gegroeid was. Ideaal voer voor een expo, zou je dan kunnen denken als erfgoedwerker. De gebedshuizen in de wijk gaven echter aan dat ze niet geïnteresseerd waren in een expo. Ze wilden elkaar terug ontmoeten. Zo faciliteerden Tina De Gendt, STAM, Erfgoedcel Gent, KADOC, Orbit en de Unie van Actieve Verenigingen een opengebedshuizendag en konden verschillende geloofsgemeenschappen en buurtbewoners kennismaken met elkaar en elkaars gebedshuizen. Elke vraag die vertrekt vanuit sharing authority, zou meteen de volgende vraag moeten opwerpen: “What’s in it for them?”. En die vraag moet ook ruimte laten voor een antwoord dat zich buiten de erfgoedorganisatie bevindt. Het antwoord op die vraag kan daarom heel ongemakkelijk zijn. Maar als het proces niet ongemakkelijk, confronterend of schurend was, heb je de autoriteit dan wel echt gedeeld?
» Neslihan Dogan is PhD-onderzoeker ‘Turkse migrantenvrouwen en hun rol in aankomst- en solidariteitsnetwerken in Gent 1960-1989’, Vakgroep Geschiedenis, UGent en oud-erfgoedwerker Erfgoedcel Gent.
Ik geef graag het volgend voorbeeld om te illustreren hoe die sharing authority er concreet uitzag. In de
55
CONTEXT IS ALLES, ALLES IS CONTEXT Maarten Heerlien
Maatwerk. Dat is vaak het argument om oral-history-interviews en daarvan afgeleide documenten zoals transcripten niet te archiveren bij een bewaarinstelling en ze niet beschikbaar te maken voor toekomstig hergebruik. De interviews hebben een specifieke doelstelling en de gekozen interviewstrategie en vragenlijst zijn zodanig afgesteld op deze doelstelling dat de vastgelegde interviews niet relevant of ook maar bruikbaar zouden zijn binnen andere dan de oorspronkelijke context of voor andere dan de aanvankelijke vraagstelling.
MONDELINGE GESCHIEDENIS
Op het eerste gezicht zit hier een kern van waarheid in. Oral history als methode wordt gekenmerkt door participatie en interactie. Het samenspel tussen interviewer en geïnterviewde, waaraan elk deelneemt vanuit een eigen motivatie om de persoonlijke geschiedenis van de geïnterviewde uit te diepen en vast te leggen, is wat het interview vormt. Beide spelen een even belangrijke rol bij de interpretatie van de herinneringen van de geïnterviewde en de historische betekenis daarvan. Daaruit kan geconcludeerd worden dat derden, die het interview beluisteren of bekijken, de betekenis ervan moeilijk kunnen doorgronden en dat archivering ten behoeve van hergebruik daarom nutteloos is.
56
Het lijkt mij een drogreden. Want in principe is de betekenis en waarde van elke historische bron op zichzelf moeilijk te doorgronden. Die wordt pas duidelijk als we de bron in context bestuderen en aan bronnenkritiek blootstellen. Dit geldt evengoed voor oral histories. De persoonlijke aard van interviews en de privacyvraagstukken die daaruit voortkomen maken dit weliswaar uitdagend, maar zeker niet onmogelijk. Hier is een belangrijke rol weggelegd voor de oorspronkelijke interviewer. Die zou, in overleg met de geïnterviewde en een archivaris, zoveel mogelijk contextuele informatie moeten toevoegen aan het interviewdossier: het oorspronkelijke projectvoorstel, informatie over projectbetrokkenen en stakeholders, verslagen van het vooronderzoek, de interviewstrategie, een onderzoeklogboek etc. Alles wat meer licht kan werpen op de inhoud en het verloop van het interview moet mee. Het deponeren van enkel een interviewopname, transcript en informed-consentformulier volstaat niet. In de praktijk gebeurt het deponeren van rijke contextuele informatie echter nog weinig. In een enquête die door het StoRe-project in het voorjaar van 2025
© Monique Kooijmans
Het archiveren en herbruikbaar maken van oral-historyinterviews blijft een uitdagend sluitstuk van oral-historyprojecten. Hoewel open data en hergebruik normatief zijn geworden in de onderzoekswereld en de erfgoedsector, maakt de persoonlijke inhoud van de interviews deze normen vaak tot struikelblokken.
Het samenspel tussen interviewer en geïnterviewde, waaraan elk deelneemt vanuit een eigen motivatie om de persoonlijke geschiedenis van de geïnterviewde uit te diepen en vast te leggen, is wat het interview vormt online werd afgenomen onder Nederlandse academici en erfgoedprofessionals die met oral history werken en archivarissen die oral-historycollecties bewaren, gaf slechts de helft van de respondenten aan meer te deponeren of te bewaren dan alleen de interviewopname en de daarop gebaseerde transcriptie of samenvatting. Daarom wordt er in de nieuwe Ethische Code Oral History Nederland (www.ecoh.nl) extra nadruk op gelegd. Toegegeven: het deponeren van een dermate rijk interviewdossier kan een spannende oefening zijn, want hiermee stelt de interviewer zichzelf bloot aan kritiek op zijn aanpak. Maar het evalueren van, en voortbouwen op elkaars werk is de hoeksteen van een gezonde en ethische onderzoekspraktijk. Het samenstellen en beschikbaar maken voor toekomstig hergebruik van rijke interviewdossiers leidt daarmee tot continue groei in de kwaliteit van de beoefening van oral history. » Maarten Heerlien is erfgoed- en informatiespecialist en is als onderzoeker aan de Vrije Universiteit Amsterdam verbonden aan het project StoRe (Storing oral histories for future Reuse across communities), waarbinnen de Ethische Code Oral History Nederland werd ontwikkeld.
© FARO
57
DE INTUÏTIEVE AANPAK VAN ‘ONS BUURTVERHAAL’
VERHALEN DIE VERBINDEN Is verhalen uit de buurt verzamelen een vorm van mondelinge geschiedenis? Die vraag is het vertrekpunt van dit artikel, waarin we de aanpak schetsen van Ons Buurtverhaal, een initiatief van Erfgoedcel Kempens Karakter. Ons Buurtverhaal verzamelt, je raadt het al, buurtverhalen. Niet zozeer als historische bronnen, wel als een manier om mensen te verbinden. Annelies Tack en Linda Gils
O
MONDELINGE GESCHIEDENIS
ns Buurtverhaal startte in 2022 met trajecten in drie landelijke Kempense gemeenten. Het project draait om bewoners, hun buurt en het gemeenschappelijke erfgoed dat hen bindt. Samen met de buurt gaan we op zoek naar wat die plek uniek maakt, om mensen met elkaar te verbinden en om zo van de buurt een warmere plek te maken. Verhalen verzamelen is een essentieel onderdeel van elk ‘buurtverhaal’.
58
Dat buurtniveau bepaalt in grote mate de aanpak. We bakenen buurten af tot maximaal 150 brievenbussen. Die kleinschaligheid zorgt ervoor dat we in de kennismakingsfase persoonlijk kunnen aanbellen om het project voor te stellen en iedereen uit te nodigen voor een eerste laagdrempelig ontmoetingsmoment. Vooraf proberen we de buurt al zo goed mogelijk te doorgronden door in onze eigen bronnen en kanalen te duiken: denk aan historische kaarten, beeldbanken, artikels in heemkundige tijdschriften of gesprekken met ambtenaren en sleutelfiguren … Op die manier hebben we al een aantal anekdotes en weetjes klaar, die als kapstok kunnen fungeren om de buurtverhalen aan op te hangen.
EEN ‘ZJAT’ KOFFIE
Dat eerste buurtmoment verloopt informeel en ontspannen. We zorgen voor een zjat koffie en een koekske, tonen oude foto’s en filmpjes en delen onze weetjes. De focus ligt op verbinding, vrijuit babbelen en een veilige sfeer scheppen waar mensen spontaan verhalen delen. We staan nog steeds versteld van de impact die één boeiende foto of een kleurrijk – letterlijk en
Het project draait om bewoners, hun buurt en het gemeenschappelijke erfgoed dat hen bindt. Samen met de buurt gaan we op zoek naar wat die plek uniek maakt, om mensen met elkaar te verbinden en om zo van de buurt een warmere plek te maken
Illustratie van Ons Buurtverhaal © Kempens Karakter. Illustratie: Tinne Driesen
figuurlijk – filmpje op een groep relatief onbekenden kan hebben. We begeven ons tussen de groep, mengen ons in gesprekken en vragen hier en daar wat door. We noteren op dat moment geen inhoudelijke info, maar wel contactgegevens van personen waar we later kunnen langsgaan om bepaalde verhalen verder uit te spitten of foto’s te digitaliseren. Na dat eerste moment gaan we dieper in de buurt op zoek naar details. We gaan langs bij mensen of groepjes buren en gaan in gesprek. We worden meestal vlot van de ene buur naar de andere doorverwezen. Er is geen interviewlijst noch zijn er vaste vragen, want de verhalen borrelen spontaan op. We zijn inmiddels in onze zevende buurt te gast en weten dat bepaalde thema’s zoals ‘sportploegen’, ‘buurtwinkeltjes’ en heel veel ‘deugnieterij’ bijna overal terugkomen. Er is vaak niet
meer nodig dan de vraag: “Hoeveel cafés waren er hier vroeger?”, en het gesprek is op gang. We werken altijd in duo: we ondersteunen elkaar en springen bij waar nodig. Zo’n extra perspectief is belangrijk, zeker omdat je snel moet kunnen schakelen en alles op het tempo van de buurtbewoners verloopt. We willen het momentum niet verliezen: het punt waarop het traject echt begint te leven en mensen zich engageren door taken op zich te nemen, zoals foto’s zoeken. Dan moeten we kort op de bal spelen. Want geven we geen gehoor aan dat engagement, dan verdwijnt het vertrouwen. De persoonlijke aanpak zorgt voor mooie ontmoetingen en warme reacties, maar vraagt ook veel tijd en energie. Het is zoeken naar een evenwicht tussen professioneel erfgoedwerk en
59
Rechtsboven: eerste buurtmoment in Heerle (Lille) in 2025. Enkele buurtbewoners gaan op zoek naar bekende gezichten op een foto uit 1914. © Kempens Karakter Linksboven: buurtwandeling in Heerle (Lille) in 2025 langs een selectie oude foto's. Bij elke foto kwamen de verhalen spontaan naar boven. © Willy Willems Linksonder: bijeenkomst van het redactiecomité van de buurt Pallaaraard in Vorselaar in 2024. Er worden teksten nagelezen, data gecontroleerd en details opgesnord. © Kempens Karakter
menselijk contact. Het is een voordeel dat beide medewerkers een agogische achtergrond hebben; daardoor hebben we geleerd om te focussen op (de leefwereld van) personen. Daarom zetten we als erfgoedcel ook extra in op participatieve projecten zoals Ons Buurtverhaal. In elke buurt maken we een WhatsApp-groep aan. Die gebruiken we om praktische informatie te delen én om foto’s en verhalen uit te wisselen. Ook na afloop van onze trajecten blijven we via die groepen aanwezig, vaak wat meer op afstand, maar
toch dichtbij en bereikbaar. Voor ons is het fijn om zo een traject op te volgen en te ontdekken welke nieuwe verhalen en contacten nog openbloeien. We nemen gesprekken op met de smartphone om achteraf details goed te kunnen controleren, maar schrijven niet alles uit. De interviews zelf worden tijdelijk bewaard, tot de publicatie klaar is. We behandelen de interviews dus niet als een historische bron op zich. De gedigitaliseerde foto’s worden wel duurzaam bewaard op ons erfgoedportaal, en ook publiek ontsloten.
MONDELINGE GESCHIEDENIS
INTUÏTIEVE EN PERSOONLIJKE BENADERING
60
De persoonlijke aanpak zorgt voor mooie ontmoetingen en warme reacties, maar vraagt ook veel tijd en energie. Het is zoeken naar een evenwicht tussen professioneel erfgoedwerk en menselijk contact
We vertrekken vanuit nieuwsgierigheid en werken ‘samen’ met mensen, op basis van vertrouwen. Dat vraagt veel flexibiliteit en vaak ook emotionele betrokkenheid. Mensen delen soms heel persoonlijke of pijnlijke dingen met ons. We willen dat die veilige ruimte er is, zonder er te diep op in te gaan. En ook die verhalen krijgen een plek. Zoals hoe sterk de katholieke kerk het dagelijkse leven bepaalde, met een taboe op seksualiteit en een gebrek aan seksuele voorlichting tot gevolg. Vrouwen raakten zwanger, maar wisten niet altijd hoe. Zulke ervaringen hebben een grote impact op een mensenleven. Tegelijkertijd zijn veel van deze mensen nog steeds diepgelovig. Het is dus van belang dat het opge-
Publicatie van Ons Buurtverhaal over ‘Nijlen Broechemsesteenweg’ in 2025. © Gemeente Nijlen
tekende verhaal genuanceerd is, en recht doet aan hun ervaringen. Bewoners krijgen altijd het laatste woord over wat er uiteindelijk gepubliceerd wordt.
UITDAGINGEN VAN PUBLICATIES
Ons Buurtverhaal wil het erfgoed van de buurt ook teruggeven aan de buurt zelf. In de eerdere trajecten werden de verhalen meestal gebundeld in een uitgebreide publicatie, maar het kan ook anders: bijvoorbeeld in de vorm van een krantje, wandelkaart of postkaartenreeks. Het eindproduct kiezen we in nauw overleg met de bewoners. Vaak is er zoveel te vertellen en is onze goesting om er uitgebreid mee aan de slag te gaan zo groot, dat het toch een kloek boek wordt. We hebben ondertussen drie van die boeken gepubliceerd, een vierde is in de maak. De bewoners zijn er enorm dankbaar voor, en – terecht – trots. Dat zijn wij ook. Het zoek- en schrijfproces echter, en dan met name die gigantische hoeveelheid informatie in een coherent geheel gieten, is een grote uitdaging. Wat we publiceren moet juist zijn. In de laatste fase krijgen we bijvoorbeeld af en toe berichtjes van gedreven buren zoals: “Het was niet 1950, dat moet zeker tien jaar later geweest zijn, dat kan zo niet in ’t boekske.” Die betrokkenheid is zeer fijn, maar creëert ook druk en hoge verwachtingen. Daarom proberen we in nieuwe trajecten bewust grenzen te stellen en bewoners ook meer zelf aan de slag te laten gaan met hun verhalen, met een lichtere begeleiding van de erfgoedcel. Zo wordt het project haalbaarder voor ons en nog duurzamer voor de buurt. Bij nieuwe trajecten leggen we de keuze voor het eindproduct meer bij de buurt. Als ze voor een stevige publicatie willen gaan, dan
moeten er ook mensen bereid zijn om verantwoordelijkheid op te nemen: verhalen verzamelen, foto’s dateren, tips uitzoeken etc. En die nieuwe formule werkt. In Heerle zijn we nu zo opgestart en nemen een aantal buurtbewoners een grotere rol op zich. Zo voegt het traject nog een extra verbindende laag toe. Onze rol bestaat er dan in om die hoeveelheid informatie te structureren, te redigeren en mooi vorm te geven. Ook digitaliseren we materiaal. Het resultaat wordt telkens gepresenteerd op het einde van het traject, tijdens het afsluitende buurtfeest. Elke buurtbewoner ontvangt een exemplaar én er wordt een extra oplage voorzien voor nieuwe buren. Het is fantastisch om te zien hoe trots mensen zijn op het verhaal van hun buurt.
SCHATTEN (VAN MENSEN)
Of we aan mondelinge geschiedenis doen? We laten de vraag graag open. We werken niet met een onderzoeksvraag, vaste vragenlijsten of met formulieren die ondertekend moeten worden. Wel merken we dat, door de gesprekken die we in het kader van Ons Buurtverhaal voeren, mensen elkaar beter leren kennen, dat herinneringen ophalen voor erkenning zorgt en dat de sociale cohesie in de buurt versterkt wordt. We deden al zes keer zo’n traject en zagen telkens hoe de zoektocht naar het gemeenschappelijke erfgoed van een buurt, juist door het intuïtieve karakter, veel kan losmaken. Het proces verloopt soms grillig, maar die openheid brengt waardevolle ontmoetingen en inzichten met zich mee. Dat maakt het telkens opnieuw de moeite waard. ■ » Annelies Tack is erfgoedconsulent bij Erfgoedcel Kempens Karakter. Linda Gils is er projectmedewerker. Samen coördineren ze het project Ons Buurtverhaal.
61
OVER DE EIGENHEID VAN KUNSTENAARSINTERVIEWS
KUNSTENAARSINTERVIEWS: MONDELINGE GESCHIEDENIS OF NIET? De voorbije jaren ondersteunde het Departement Cultuur, Jeugd en Media 25 pilootprojecten nalatenschappen kunstenerfgoed. Een groot deel daarvan gebruikte mondelinge getuigenissen om de nalatenschappen van deze kunstenaars en kunstenorganisaties (mee) in kaart te brengen.1 Dit nam verschillende vormen aan: interviews met de kunstenaar zelf, met diens netwerk of familie, via audio-opnames of audiovisuele captering … In hoeverre volgen deze interviews de methodiek van mondelinge geschiedenis? Wat zijn de verschillen? faro ging hierover in gesprek met vier erfgoedpartners die de pilootprojecten ondersteunden: Helen D’Haenens (Letterenhuis), Nele Luyts (Centrum Kunstarchieven Vlaanderen), Justine Van Gysel en Staf Vos (CEMPER).
MONDELINGE GESCHIEDENIS
Jelena Dobbels
62
Bij deze pilootprojecten is er een grote persoonlijke betrokkenheid. Veel familieleden of (voormalige) medewerkers engageren zich voor de nalatenschap van hun (al dan niet overleden) vader, moeder of (professionele) partner. Brengt die betrokkenheid de objectiviteit van de interviews in gevaar? Helen: “In het project rond dansicoon Jeanne Brabants alvast niet. Daar brachten we via interviews haar verschillende rollen in kaart: choreografe, pedagoge, leidinggevende, lobbyiste. Haar zoon Koen Van Kerkhoven gaf input over de vragen die we zouden stellen, maar nam de interviews niet zelf af. Dat deed ik. Als projectmedewerker behield ik zo wat meer afstand, maar was er wel een artistieke betrokkenheid omwille van mijn achtergrond in dans.”
Staf: “Die betrokkenheid was ook een voordeel. Koen legde bijvoorbeeld het eerste contact met de mensen die we wilden interviewen, omdat hij velen persoonlijk kende. Anderzijds was er omwille van zijn betrokkenheid soms enige terughoudendheid om een aantal meer kritische zaken over Brabants te delen. Hij was zich daarvan bewust, en daarom vooral op de achtergrond betrokken.” Nele: “Die afweging zien we ook bij andere projecten, zoals de nalatenschap van beeldende kunstenaars Jadran Sturm en Åsa Lie. Om een twintigtal sleutelwerken van dit kunstenaarsduo te contextualiseren, werd Åsa Lie geïnterviewd. Aanvankelijk zou haar dochter Merzedes Sturm-Lie dit doen. Om verschillende perspectieven te kunnen belich-
ten werden de interviews uiteindelijk afgenomen door o.a. curatoren en andere kunstenaars. Ook bij fotograaf Dirk Braeckman was er een gelijkaardig scenario.” Justine: “Bij het project rond componist Luc Brewaeys stond zijn weduwe ook mee in voor de nazorg, omdat ze een aantal geïnterviewden persoonlijk kende. Maar de interviews zelf werden door musicologen afgenomen. In het project over dirigent George-Elie Octors − tot 2019 muzikaal directeur van Ictus − nam een voormalige fluitist van Ictus de interviews af van de huidige leden van het gezelschap. Dat liep vlot omwille van zijn professionele kennis én de vertrouwensband die er was.” Nele: “Soms zien we dat de familie of de nalatenschap zelf restricties oplegt. In het project rond Jef Geys nam iemand uit het voormalige werkveld de interviews af. De nalatenschap van Geys legde haar wel wat beperkingen op rond bepaalde vragen en bepaalde welke mensen beter niet geïnterviewd werden. Dat komt de objectiviteit of openheid van zulke gesprekken niet altijd ten goede.” Een aantal pilootprojecten belichten het oeuvre van overleden kunstenaars. Bij andere projecten is de nog actieve kunstenaar zelf betrokken. Is dit laatste volgens jullie een meerwaarde met betrekking tot mondelinge getuigenissen? Staf: “Absoluut. Wanneer je de kunstenaar zelf kan interviewen, kan je informatie capteren over zijn of haar artistieke en creatieve praktijken, over bepaalde technieken die gebruikt werden. Dit helpt om het werk te contextualiseren en te documenteren, en zo nadien heractivatie van het werk mogelijk te maken. Bij overleden kunstenaars kan je proberen om die praktijken te achterhalen via interviews met leerlingen, collega’s en mensen uit het netwerk. Maar dat blijft informatie ‘uit tweede hand’. Beleidsmatig is het voor kunstenerfgoed dus belangrijk om daar tijdig op in te zetten, tijdens het leven van de kunstenaar.”
Boven: interviews over Jeanne Brabants werden op artistieke locaties afgenomen zoals in de Foyer van Opera Ballet Vlaanderen. © Letterenhuis Midden: interview van Nele Luyts (CKV) met beeldende kunstenaar Åsa Lie. Bij Åsa Lie vond het interview in haar living plaats, nabij de werken en het archiefmateriaal. © Jadran Sturm & Åsa Lie Private Stichting Onder: setting voor interviews overJeanne Brabants in Theater ’t Eilandje. © Letterenhuis
63
K*binet. Het illustratiearchief van Klaas Verplancke. Aan de slag met kunstenaarsnalatenschappen van de toekomst Ook in het pilootproject over illustrator Klaas Verplancke namen interviews een belangrijke plaats in. Om zijn carrière vanuit zoveel mogelijk perspectieven te benaderen, werd niet alleen Klaas zelf geïnterviewd, maar ook heel wat auteurs, uitgevers, collega’s, vrienden en familieleden. De interviews werden een-op-een afgenomen. Enkel voor het interview met de kinderen van Klaas Verplancke − Sarah en Pieterjan − werd voor een dubbelinterview gekozen. Het was een enorme troef dat de kunstenaar zelf betrokken was. We konden hem zelf interviewen én hij kon input leveren voor de lijst van geïnterviewden. Hij legde het contact, lichtte het project toe en verwees naar mij door als contactpersoon voor verdere praktische afspraken. Dat schiep meteen een vertrouwensband. De interviewvragen waren opgebouwd rond drie centrale insteken: ‣ Wie is Klaas Verplancke? ‣ Wat is de meerwaarde van zijn nalatenschap? ‣ Hoe kan die nalatenschap worden ingezet voor educatieve en publieksgerichte doeleinden? Eerst dachten we aan gesprekken bij de geïnterviewden thuis. Dat bleek logistiek echter onhaalbaar. Daarom kozen we voor vier draaidagen op twee vaste locaties. In Brugge stelde onze projectpartner Openbare Bibliotheek Brugge een studio met veel natuurlijke lichtinval ter beschikking. In Antwerpen konden we gebruikmaken van het bibliotheekpaviljoen van Literatuur Vlaanderen. Voor Klaas Verplancke maakten we een uitzondering: die interviewden we in zijn atelier, tussen zijn werken. We kozen voor audiovisuele opnames, die het werk van Klaas contextualiseren. Daarnaast kunnen de opnames ook verwerkt worden in tentoonstellingen en educatieve projecten. De interviews worden, samen met het illustratiearchief, bewaard in de Openbare Bibliotheek Brugge. Ze vormen waardevolle bronnen voor toekomstig onderzoek over artistieke technieken, netwerken tussen kunstenaars en de evolutie van het illustratorenlandschap.
MONDELINGE GESCHIEDENIS
Zelf aan de slag? Erfgoedcel Brugge en Openbare Bibliotheek Brugge bundelden hun inzichten in K*binet. Het illustratiearchief van Klaas Verplancke, dat samen met dit tijdschrift verdeeld wordt.2 Daarin geven we concrete tips voor interviews en een stappenplan voor allerlei andere aspecten van kunstenaarsnalatenschappen.
64
Elie Deschepper, projectmedewerker Erfgoedcel Brugge
Campagnebeeld © Klaas Verplancke
Dat brengt ons bij het doel van de interviews. Net als bij andere mondelingegeschiedenisprojecten bepaalt het doel ook bij deze kunstenaarsinterviews de aanpak van de interviews. Zien jullie daar bepaalde lijnen in? Nele: “Wat Staf net aanhaalde, gebeurde bij een aantal projecten: de kunstenaar werd zelf geïnterviewd om een deel van het oeuvre of de artistieke praktijken te contextualiseren (Åsa Lie, Klaas Verplancke). Soms één keer, soms door verschillende interviewers om verschillende aspecten te belichten. Ook bij Dirk Braeckman was dat het geval, specifiek om zijn dochter Ine een leidraad te geven om beslissingen te nemen over de nalatenschap na zijn overlijden.” Justine: “Bij de meeste projecten werden mensen uit het brede netwerk van de (al dan niet overleden) kunstenaar geïnterviewd om context te geven bij (een deel van) het oeuvre en het leven van een kunstenaar of om archiefmateriaal te verrijken. Dat kon soms ook om zeer technische zaken gaan, zoals richtlijnen voor de uitvoering van de electronics in orkestwerken van Brewaeys. Circus Ronaldo had van bij het begin dan weer een specifiek publieksproduct voor ogen: een podcast. In de interviews met de familie Ronaldo lag de focus dan ook vooral op anekdotes, familieherinneringen en quotes die in de podcast konden gebruikt worden.”
Helen: “En als ‘buitenbeentje’ kan Greet Vissers vermeld worden. Zij neemt in haar praktijk van inclusief theatermaken zelf kunstenaarsinterviews af, waarbij ze (audiovisuele) opnames maakt van mensen die meewerken aan haar producties. In dit project ging het vooral om het duurzaam bewaren en ontsluiten van deze opnames.” Er is recent meer aandacht voor zo’n duurzame bewaring en mogelijk hergebruik van interviews. Hoe verliep dit? Helen: “Wij stelden een contract op, op basis van de voorbeeldcontracten in het Erfgoedwijzerdossier over mondelinge geschiedenis.3 Ik overliep dit na het interview zodat de geïnterviewde – goed wetende wat er net allemaal gedeeld was – bewust kon aangeven voor welke (publieks) doeleinden het interview geheel of gedeeltelijk mag gebruikt worden. Dat leverde geen problemen op. Geïnterviewden polsten dan wel eens bij mij: ‘Ik heb toch niks fout gezegd, hé?’” Nele: “Bij andere projecten – zoals dat over Jef Geys – schrikte het contract een aantal mensen toch af om een interview te geven. Daar kozen we ervoor om het contract op voorhand voor te leggen.” Justine: “Dat was ook het geval bij het project rond Brewaeys. Bij een eerste interview werd het contract op voorhand ondertekend, waardoor een geïnterviewde zich erg bewust was van wat hij vertelde en hoe dat later hergebruikt zou kunnen worden. Om een iets lossere interviewsfeer te bekomen, pasten de interviewers hun workflow aan. Het contract werd vanaf dan pas na het interview opgestuurd, samen met de transcriptie en een samenvattend artikel, dat zou gepubliceerd worden. Om duidelijk te maken hoe het interview nu gebruikt wordt (voor het artikel) maar ook wat er in de toekomst mee zou kunnen gedaan worden. Dat zorgde voor meer open interviews, maar leidde nadien wel tot een aantal opmerkingen over de transcripties en vragen om daar zaken in aan te passen.” Staf: “Dan is de vraag in hoeverre je toestaat dat er een tekstuele aanvulling gemaakt wordt bij de transcriptie. De transcriptie is dan geen letterlijke neerslag meer van de mondelinge bron. Vanuit de aandacht voor participatie en shared authority4 lijkt het logisch om daar meegaand in te zijn.”
Geïnterviewden polsten dan wel eens bij mij: ‘Ik heb toch niks fout gezegd, hé?’
Waar worden de mondelinge bronnen bewaard? En hoe worden ze ontsloten? Helen: “Voor het project van Jeanne Brabants worden de audiovisuele beelden mét ondertitels bewaard in het Letterenhuis en worden ze toegankelijk gemaakt via de website en het collectiebeheersysteem van het Letterenhuis.5 We werkten met ScribeWave om de interviews te transcriberen en corrigeerden zelf nog de interpuncties, namen …”6 Justine: “Voor de projecten waarbij CEMPER betrokken is, varieert de bewaring. De interviews over Brewaeys worden bewaard door verschillende projectpartners: de Luc Brewaeys Foundation, MATRIX [Centrum voor Nieuwe Muziek] en het Universiteitsarchief Leuven, waar Brewaeys’ archief bewaard wordt. Hier werd transcriptiesoftware Good Tape gebruikt. In het project over George-Elie Octors worden de interviews bij Ictus zelf bewaard, en is er ook afstemming met AMVB over duurzame bewaring. Zo zullen de moederbestanden ook in het digitaal depot van AMVB bewaard worden.” Staf: “Wanneer er geen concrete samenwerking met een collectiebeherende organisatie is, vormt de duurzame bewaring van mondelinge bronnen – samen met ander digitaal en analoog archiefmateriaal – nog meer een uitdaging.” Bij kunstenaarsinterviews wordt het atelier vaak naar voren geschoven als ideale interviewplek, omwille van de nabijheid van kunstwerken en creatieve processen. Ook de keuze voor audio- of audiovisuele opnames hangt daarmee samen. Hoe verliep dit? Nele: “Illustrator en schrijver Klaas Verplancke werd inderdaad in zijn atelier gefilmd. Ook bij Dirk Braeckman was dat het geval. Bij Åsa Lie vond het interview in haar living plaats, nabij de werken en het archiefmateriaal. Omdat dit materiaal centraal staat in de interviews, werd er ook hier voor audiovisuele opnames gekozen.”
65
Circus Ronaldo had van bij het begin een specifiek publieksproduct voor ogen: een podcast. © Circus Ronaldo Bij het project rond componist Luc Brewaeys werden interviews afgenomen met muzikanten. Op de foto: saxofonist Daniel Kientzy. © Luc Brewaeys Foundation
Staf: “Ook in het project over Brabants kozen we – in navolging van artistieke onderzoeksprojecten rond danserfgoed – voor audiovisuele opnames, omdat we ook lichaamstaal over dans wilden capteren, zoals bepaalde arm- of dansbewegingen.”
MONDELINGE GESCHIEDENIS
Helen: “Hoewel we met een minimale cameraopstelling werkten, merkten we dat dit voor de geïnterviewden intimiderend kon zijn. Gelukkig deden we de interviews op een artistieke locatie: de repetitieruimtes, de foyer en het podium van Opera Ballet Vlaanderen. Hoewel het logistiek niet altijd makkelijk was om iets oudere geïnterviewden naar de locatie te leiden, bracht de plek veel herinneringen naar boven. Zo interviewden we een lichtontwerper en technicus op het podium, met zicht op de lichttechnieken, wat meteen aanleiding gaf tot gespreksstof.”
66
Justine: “Bij andere projecten, zoals die over Geys, Octors en Brewaeys, was een artistieke locatie minder bepalend. De audio-interviews werden op allerlei plekken afgenomen: bij geïnterviewden thuis, al wandelend, op kantoor, in repetitieruimtes. Dat zorgt natuurlijk voor bepaalde achtergrondgeluiden, maar leverde wel bruikbaar audiomateriaal op om het werk van de kunstenaars te contextualiseren. In het project over Circus Ronaldo gebeurden de interviews daarentegen in een podcaststudio, omdat de publieksoutput al vastlag.”
Ook in het project over Brabants kozen we – in navolging van artistieke onderzoeksprojecten rond danserfgoed – voor audiovisuele opnames, omdat we ook lichaamstaal over dans wilden capteren, zoals bepaalde arm- of dansbewegingen Gaan jullie deze ervaring met kunstenaarsinterviews verder inzetten in jullie dienstverlening? Nele: “CKV bracht alle kennis die we hierover opbouwden samen in het Kennisdossier Nalatenschappen.7 Dat willen we verder uitbouwen, bijvoorbeeld met voorbeeldcontracten zodat beeldende kunstenaars meteen een startpunt hebben.” Staf: “Ook CEMPER wil de ervaringen uit de pilootprojecten verduurzamen, want dit waren slechts de happy few: 25 kunstenaars die met hun nalatenschap aan de slag konden. We zoeken hoe
we onze ondersteuning aan het bredere veld het beste kunnen vormgeven: via een praktijkwijzer, een handleiding? En we kijken ook uit naar de verdere beleidsontwikkelingen rond kunstenerfgoed. We staan klaar om hier als erfgoedsector verder mee aan de slag te gaan!” Zijn kunstenaarsinterviews een vorm van mondelinge geschiedenis? Jazeker, ze zijn duidelijk gebaseerd op de methodiek. Toch hebben ze een eigenheid omwille van de (vaak) grote betrokkenheid tussen interviewer en geïnterviewde, de artistieke locatie en de doelen, die soms expliciet focussen op de emotionele of juist technische aspecten van de kunstenaarsnalatenschappen. Het is interessant om te zien hoe het kunstenerfgoedveld zich verder ontwikkelt en welke rol interviews daarin (blijven) spelen. ■
» Jelena Dobbels is adviseur archieven en erfgoedbibliotheken bij FARO. » Bronnen en literatuur 1. Het gaat om de projecten rond Dirk Bikkembergs, Dirk Braeckman, Greet Vissers, Circus Ronaldo, Jef Geys, Jadran Sturm en Åsa Lie, Georges-Elie Octors, Luc Brewaeys, Klaas Verplancke, Jeanne Brabants en Walter Leblanc. Alle projectfiches vind je hier: https://www.vlaanderen.be/cjm/nl/cultuur/ cultureel-erfgoed/subsidies-cultureel-erfgoed/projectsubsidies-cultureel-erfgoed/pilootprojecten-nalatenschappen-kunstenerfgoed 2. De Inspiratiegids is ook digitaal raadpleegbaar: https://brugge.bibliotheek. be/kbinet-inspiratiegids 3. https://faro.be/kennis/mondelinge-geschiedenis 4. Zie ook het artikel op p. 52 van dit dossier. 5. https://letterenhuis.be/nl/pagina/archief-dialoog 6. meemoo maakte een overzicht van transcriptiesoftware: https://kennisbank.meemoo.be/inzichten-en-praktijk/tools-voor-het-geautomatiseerd-transcriberen-van-audio-en-videofragmenten 7. https://ckv.muhka.be/kennisdossiers/nalatenschappen
Wikipedia mist vrouwen BELGIUM
Hoog tijd om dat te veranderen! Jij kan daarbij helpen. Hoe? Door op maandag 9 maart 2026 straffe vrouwen uit de vergetelheid te halen. Schrijf mee tijdens een van de Wikipedia-schrijfsessies voor Internationale Vrouwendag op verschillende erfgoedlocaties in Vlaanderen. Meer info: bit.ly/wikipedia-schrijfsessies
BELGIUM
Iris Van Robays, CC BY-NC-ND
67
HET
ATELIER
“Draadje voor draadje”
» Door: Estelle Jadoul | © Estelle Jadoul / FARO
De werkplek van: het conservatieteam van de Koninklijke Manufactuur De Wit.
68
faro neemt je mee naar inspirerende werkplekken. Dit keer nemen we een kijkje in de beroemde Koninklijke Manufactuur De Wit in Mechelen (°1889). Je vindt er niet alleen een uitzonderlijke collectie wandtapijten, maar ook een internationaal gerenommeerd restauratieatelier. Maar hoe wordt zo’n wandtapijt precies gerestaureerd?
1 “Voor de behandeling start, wordt eerst een conditierapport
opgesteld. Dat beschrijft, op basis van een grondige analyse, de huidige toestand. Bijzondere aandacht gaat uit naar sporen van slijtage en eventueel ook schimmel, schade door insectenvraat, verkleuringen en andere oude materiële resten. Ook de eigenlijke structuur van het weefsel wordt nauwkeurig bekeken. Deze voorbereidingsfase is essentieel om te kunnen bepalen welke behandelings- en restauratiemethoden zullen worden toegepast.
2 Eens de eerste fase achter de rug, wordt de voering van het
wandtapijt verwijderd en worden de voor- en achterkant ontstoft en gereinigd. De Manufactuur De Wit heeft een eigen, gepatenteerd reinigingssysteem met aerosolafzuiging ontwikkeld. Dat staat binnen de internationale restauratie hoog aangeschreven, want het voorkomt elk mogelijk risico op uitlopen, vervorming en andere schadelijke mechanische invloeden. Zowel privéverzamelaars als musea uit binnen- en buitenland vertrouwen dan ook met een gerust hart hun kostbaarheden toe aan ons bedrijf.
3 Het gereinigde wandtapijt wordt daarna op het conserva-
tiegetouw bevestigd. Nu kunnen de restauratoren aan hun werk beginnen. Dat houdt onder meer in dat ontbrekende fragmenten en verzwakte gedeelten in de zijde en de wol worden geconsolideerd. De behandeling stabiliseert het historische textiel door het in fragiele zones te ondersteunen met consolidatiedoek. Wanneer beschadigingen het geheel visueel verstoren, kunnen visuele integraties aangebracht worden om de eenheid van het beeld te herstellen. Vanzelfsprekend blijft elke ingreep apart identificeerbaar en volledig omkeerbaar.
4 De laatste stap is het opnieuw voeren. Aan de achterkant
van het wandtapijt wordt een verstevigingsweefsel aangebracht dat het volledige oppervlak ondersteunt. Zo kan het wandtapijt veilig worden opgehangen zonder dat het door zijn eigen gewicht wordt belast. Die voering beschermt ook tegen stof en verontreinigingen en stabiliseert het textiel op lange termijn.” ■
» www.dewit.be » Estelle Jadoul is kunsthistorica en liep in oktober 2025 een maand taalstage bij FARO.
69
MONDELINGE GESCHIEDENIS BIJ LIBERAS
HET GESCHREVEN WOORD AANGEVULD Mondelinge geschiedenis heeft de voorbije decennia een boeiende ontwikkeling doorgemaakt. Ze is uitgegroeid tot een populaire methode en een waardevol onderzoeksinstrument. In de (academische) geschiedschrijving heeft dit geleid tot een verruiming van het onderzoeksveld: traditionele archiefbronnen worden steeds vaker aangevuld met mondelinge getuigenissen. Anouk Turnock, Jeroen Buysse, & Nathan Lauwers
MONDELINGE GESCHIEDENIS
O
70
ok in de brede erfgoedsector wordt mondelinge geschiedenis met enthousiasme omarmd, onder meer door publiekshistorici die ermee aan de slag gaan in bijvoorbeeld de context van een tentoonstelling. Archieven waren over het algemeen geen voortrekkers op het gebied van orale cultuur, omdat het bij uitstek plaatsen zijn waar geschreven bronnen worden bewaard en ontsloten. Die achterstand is echter in sneltempo ingehaald – zo ook bij Liberas, het erfgoedcentrum en archief voor de geschiedenis van het vrijheidsideaal in al zijn facetten. Daarbij dienen zich nieuwe, vooral praktische vragen en uitdagingen aan, die verder reiken dan kwesties rond onderzoeksmethodologie en de evaluatie van mondelinge overleveringen. In dit artikel gaan we aan de hand van vier traditionele pijlers dieper in op de manier waarop mondelinge geschiedenis binnen Liberas vorm heeft gekregen: verzamelen, bewaren, ontsluiten en valoriseren. Vanuit een projectmatige aanpak
is zo een structurele werking gegroeid rond de vele aspecten van mondelinge geschiedenis.
VAN PROJECTMATIG NAAR STRUCTUREEL
In 2023 liep bij Liberas een mondelinge-geschiedenisproject rond de liberale Antwerpse krant De Nieuwe Gazet. De onderzoeksvraag was daarbij helder: aan de hand van interviews met voormalige hoofdredacteurs, journalisten en sleutelfiguren uit de culturele en politieke wereld de bredere erfenis van de krant in kaart brengen. De herinneringen en getuigenissen fungeerden als aanvullende bronnen binnen een ruimer onderzoek, met een duidelijk einddoel voor ogen: een publicatie over de lange geschiedenis van de krant. Mondelinge geschiedenis werd in dit geval dus ingezet met een specifieke vorm van valorisatie als doel, vertrekkend vanuit een onderzoeksmatige invalshoek. In 2024 werd een tweede mondelinge-geschiedenisproject opgestart. Dat richtte zich op een tentoonstelling over de Flanders Technology
Interview voor de Week van het Gents. © Liberas
Boven: interview met Adriaan Raemdonck en Ernest Van Buynder voor het project De Nieuwe Gazet.© Liberas Onder: Frank Depreitere voor zijn getuigenis in de tentoonstelling I Love Technology. Flanders Technology International: een geschiedenis van innovatie. © Liberas
Beurs, die in de jaren 80 en 90 in Vlaanderen plaatsvond. Het doel: verschillende getuigenissen verzamelen van mensen die op de beurs aanwezig waren. Deze getuigenissen werden getoond tijdens de tentoonstelling. Ook hier vormde een duidelijke valorisatie het vertrekpunt. Na deze twee projecten richtte Liberas een werkgroep op om de opgedane ervaring op een duurzame manier te verankeren. Dit wordt steeds belangrijker, aangezien mondelinge geschiedenis in de praktijk almaar vaker een organisatiebrede toepassing krijgt. Concreet worden enkele handvatten aangereikt die mondelinge geschiedenis in
Archieven waren over het algemeen geen voortrekkers op het gebied van orale cultuur, omdat het bij uitstek plaatsen zijn waar geschreven bronnen worden bewaard en ontsloten
de toekomst een duidelijk kader moeten bieden. Zo werd een routekaart uitgetekend, opgebouwd uit zeven stappen die het volledige traject omvatten: van de opstart van een project tot en met de bewaring ervan. Als eerste stap wordt gewezen op het belang van een heldere omschrijving van het einddoel en van de mogelijke vormen van ontsluiting (bijvoorbeeld via het YouTube-kanaal van Liberas). Vervolgens wordt dieper ingegaan op de inhoudelijke en technische voorbereiding van het interview. Gestandaardiseerde documenten, zoals een toestemmingsformulier en een checklist, vormen daarbij referentiepunten. Ze zorgen voor uniformiteit binnen een brede waaier aan toepassingen rond mondelinge geschiedenis. Bijzonder belangrijk is de laatste stap in de routekaart: de bewaring. Hiervoor is een gestandaardiseerd metadataformulier opgesteld: per project wordt technische en meer subjectieve informatie over het verloop van het interview gedocumenteerd. De voorgestelde projecten vormen een eerder klassiek patroon voor mondelinge geschiedenis, die vertrekken vanuit onderzoek en publiekswerking. Mondelinge bronnen worden daarbij naast meer (traditionele) archivalische bronnen geplaatst om een meer gelaagd beeld te krijgen
71
van het verleden. Bij Liberas vormen mondelinge getuigenissen steeds vaker een waardevolle aanvulling op archiefcollecties. Door archiefvormers te interviewen, legt Liberas de context vast waarin bepaalde archiefcollecties zijn ontstaan: de persoonlijke motivatie, de omstandigheden en de betekenis die de makers eraan toekennen.
DUURZAME BEWARING
MONDELINGE GESCHIEDENIS
Om deze getuigenissen duurzaam te bewaren én op termijn te kunnen ontsluiten is binnen het collectiebeheersysteem Atlantis een aparte collectie ‘Oral History’ opgezet. Die structuur maakt het mogelijk om zowel de context, de metadata als de digitale bestanden op een consistente en duurzame manier te beheren. De collectie Oral History in Atlantis is opgebouwd volgens een hiërarchisch model dat aansluit bij de logica van archief- en audiovisueel beheer. Op het hoogste niveau staan de verzamelbeschrijvingen, die telkens een reeks interviews groeperen rond een bepaald onderwerp, project of initiatief. Enkele voorbeelden van zulke verzamelbeschrijvingen zijn: ‘Interviews afgenomen in het kader van de tentoonstelling I love Technology. Flanders Technology International: een geschiedenis van innovatie, 2024’ of ‘Interview over kunstenaar/ schrijver Piet Bekaert, 13.12.2024’.
72
Onder die verzamelbeschrijvingen hangen de deelbeschrijvingen, die elk één individueel interview vertegenwoordigen. Zo bevat de verzamelbeschrijving ‘I love Technology’ bijvoorbeeld de deelbeschrijvingen: ‘2228-1. Interview met Frank Depreitere, 16.2.2024’ of ‘2228-3. Interview met Johan Tielemans, 4.3.2024’. Aan elke deelbeschrijving is vervolgens een beeldbankrecord gekoppeld, waarin het eigenlijke digitale bestand wordt beheerd. Dat kan gaan om een mp4-bestand (video-interview) of een mp3-bestand (audio-interview). De keuze voor een video-interview dan wel louter een audio-opname wordt
Routekaart die Liberas volgt bij mondelingegeschiedenisprojecten. © Liberas
bepaald door het uiteindelijke doel van het interview. De technische metadata, zoals bestandsformaat, duur en omvang, worden samen met het bestand geregistreerd. Deze gelaagde opbouw zorgt ervoor dat elk interview duidelijk ingebed is in zijn thematische context en administratieve structuur, terwijl de digitale bestanden zelf eenvoudig te traceren en te beheren blijven. Een belangrijk criterium bij de uitwerking van deze aanpak was de duurzame bewaring van de digitale bestanden. De interviews worden daarom niet enkel beheerd in Atlantis, maar stromen van daaruit automatisch door naar het digitaal depot StrongRoom, beheerd door Data Matters (adviespartner op het gebied van informatiemanagement en data-archivering). StrongRoom staat in voor de digitale preservering: controle op bitrot, checksums, veilige opslag op verschillende locaties en langdurige beschikbaarheid. Dankzij de koppeling tussen Atlantis en StrongRoom blijven de metadata en de bestanden synchroon, zonder dat handmatige overdrachten nodig zijn. Zo wordt het risico op gegevensverlies geminimaliseerd en blijft de relatie tussen beschrijving en bestand gewaarborgd. Deze aanpak toont aan dat ook binnen een bestaand collectiebeheersysteem ruimte bestaat om oral-historycollecties te integreren, zonder aparte infrastructuren te moeten opzetten. De keuze voor een goed doordachte technische en organisatorische infrastructuur – met de verankering in Atlantis en de koppeling naar het digitaal depot StrongRoom – zorgt ervoor dat deze collecties duurzaam, beheersbaar en toekomstgericht worden bewaard. Zo leggen we een solide basis voor de verdere uitbouw van een levende en groeiende collectie die zich kan aanpassen aan evoluties op het vlak van digitale preservering, auteursrechten en privacywetgeving.
GEBRUIK EN TOEGANKELIJKHEID
De collectie Oral History is momenteel enkel intern toegankelijk voor medewerkers van Liberas. Uitgezonderd de drie interviews afgenomen voor de Flanders Technology International-tentoonstelling: die zijn raadpleegbaar via het YouTube-kanaal van Liberas. Zowel de metadata als de bijbehorende bestanden zijn niet publiek raadpleegbaar via de website (www.liberas.eu). In Atlantis kunnen de interviews wel gemakkelijk worden opgezocht via projectnaam, thema, interviewer of trefwoord. Deze interne zoekfunctionaliteit ondersteunt de verdere verwerking, koppeling met andere collecties en voorbereiding van toekomstige ontsluiting. Liberas onderzoekt momenteel hoe de metadata van de interviews in de toekomst beschikbaar kunnen worden gesteld,
Door de nadruk te leggen op structuur, preservering en interne toegankelijkheid leggen we de komende jaren de basis voor een verdere ontsluiting en valorisatie van deze rijke getuigenissen
zodat onderzoekers en geïnteresseerden een overzicht kunnen krijgen van de aanwezige getuigenissen, zonder directe toegang tot de audiovisuele bestanden zelf. De aanpak die Liberas heeft ontwikkeld voor de omgang met mondelinge geschiedenis illustreert hoe een erfgoedinstelling deze relatief jonge bronvorm op een duurzame en geïntegreerde manier kan verankeren in haar werking. Door de mondelinge getuigenissen niet louter als functionele onderzoeksbronnen te beschouwen, maar ook als volwaardige archiefstukken met een eigen plaats binnen het collectiebeheer, wordt een belangrijke stap gezet richting structurele erkenning van oral history als essentieel onderdeel van het archiveringsplan. Door de nadruk te leggen op structuur, preservering en interne toegankelijkheid leggen we de komende jaren de basis voor een verdere ontsluiting en valorisatie van deze rijke getuigenissen. Tegelijkertijd blijft het een uitdaging om de verzamelde getuigenissen op een verantwoorde manier toegankelijk te maken en te valoriseren. Het evenwicht tussen privacy, auteursrechten en publieke ontsluiting zal hierbij richtinggevend zijn. ■
» Anouk Turnock is medewerker communicatie en educatie bij Liberas en houdt zich bezig met de publieksgerichte werking. Jeroen Buysse is bij Liberas onder meer verantwoordelijk voor digitalisering en richt zich op de meer technische processen. Nathan Lauwers is er medewerker onderzoek.
73
DE BELGISCHE VLUCHTELINGEN VAN DE EERSTE WERELDOORLOG
ONTHEEMD Met het project Ontheemd zet het In Flanders Fields Museum (IFFM) een veelzijdig project op om de vergeten stemmen en verhalen van Belgische vluchtelingen tijdens de Eerste Wereldoorlog in kaart te brengen. Maar hoe capteer je mondeling overgeleverde verhalen wanneer alle directe getuigen overleden zijn? In deze bijdrage lichten we toe hoe we via interviews met nabestaanden dit vluchtverleden registreren en reconstrueren, en wat het belang is om ze te bewaren. Lotte Van Attenhoven, Annick Vandenbilcke en Pieter Trogh
MONDELINGE GESCHIEDENIS
I
74
n 1914 vluchtten anderhalf miljoen Belgen voor het oorlogsgeweld. Zo’n 600.000-tal verbleef gedurende de hele oorlog in het buitenland, duizenden anderen werden ontheemd omwille van de militaire ontwikkelingen. Slechts een kleine minderheid schreef over de vluchtervaring, al leefden verhalen via mondelinge overlevering wel voort in de familie, generatie na generatie. Ontheemd onderzoekt vanuit verschillende invalshoeken de sporen van ontheemde Belgen van de Grote Oorlog. Een ambitieus inventarisatieproject brengt het vluchtelingenerfgoed in kaart, dat in allerlei vormen kan voorkomen: in publiek en privaat archief, objecten, onroerend erfgoed, enzovoort. En ook in verhalen. Daarom krijgt mondelinge geschiedenis een prominente plaats in dit project. Enerzijds loopt een traject waarbij we diepte-interviews afnemen met nabestaanden die het vluchtverhaal van hun voorouders al grondig onderzochten. Anderzijds zetten we in op een brede publieksparticipatie. Het museum lanceerde een oproep om vluchtverhalen uit de familiegeschiedenis te delen, waarop massaal werd gereageerd. We hopen dat tijdens de duur van de expo (4 oktober 2025-14 juni 2026) dat aantal nog exponentieel zal stijgen.
BELANGRIJKE PIJLER
Voor het luik mondelinge geschiedenis willen we een vijftiental diepte-interviews afnemen met nabestaanden die het vluchtverhaal van hun familie onderzochten. Hun bronnenmateriaal varieert van verhaal tot verhaal: sommigen deden beroep op een uitgebreid familiearchief, anderen verdiepten zich in de sporen die familieleden achterlieten in diverse archieven, van krantenknipsels tot administratie. De geïnterviewden zijn vaak al jaren aan de slag met hun onderzoek. Het kenniscentrum ondersteunde hen de afgelopen jaren tijdens hun zoektocht. Voor de opening van de expo capteerden we al acht verhalen waarvan een deel via korte fragmenten in de tentoonstelling werd geïntegreerd. Later worden nog minstens zeven andere interviews afgenomen. Ieder interview heeft telkens twee leidraden: enerzijds de feitelijke vertelling van het verhaal en anderzijds de manier waarop nabestaanden met die vluchtgeschiedenis zijn omgegaan. De interviews hebben een open structuur, waarbij de geïnterviewden het voortouw nemen en
Anne Provoost, 2025
Aline Thomas, 2025
Betty Ryckaert, 2024
Piet Chielens, 2024 Aline Thomas, Anne Provoost, Betty Ryckaert en Piet Chielens tijdens de opnames van hun interview in het kader van het mondelingegeschiedenistraject Ontheemd. © In Flanders Fields Museum
het vluchtverhaal vertellen. Na afloop stellen we extra vragen zoals of en hoe de vluchtervaring een impact had op het latere leven van de vluchtelingen. Een veelvoorkomend antwoord is dat de familie zich de vraag stelde of ze aan de vooravond van de Tweede Wereldoorlog ook zouden vluchten. Dit was het geval voor Clara Thomas uit Roeselare. Zij stak in 1914 het Kanaal over naar het Verenigd Koninkrijk en belandde uiteindelijk in Ierland. In 1940 deed ze dat opnieuw. Clara vluchtte zo tweemaal voor het oorlogsgeweld dat België overspoelde. Ook de persoonlijke band die vluchtelingen met het gastgezin of het gastland opbouwden in hun latere leven en hoe de nabestaanden deze connecties ervaarden, komen regelmatig aan bod. We capteren zo niet enkel het vluchtverhaal, maar ook de impact van de vlucht op latere generaties. Na afloop worden de interviews getranscribeerd, en de video- en geluidsopnames als oral history aan de museumcollectie toegevoegd. Op termijn
zullen ook ingekorte en met historisch beeldmateriaal gemonteerde versies van de interviews via de website van het museum ontsloten en ingezet worden in de communicatie, de publieks- en de educatieve werking.
DELEN OM SAMEN TE RECONSTRUEREN
Ook voor de publieksparticipatie vormt mondelinge geschiedenis een belangrijke pijler. Vanuit de wetenschap dat één vierde van de Belgische bevolking tijdens de Eerste Wereldoorlog vluchtte, nemen we aan dat elke familie vandaag een vluchtverhaal meedraagt. Het merendeel daarvan werd (nog) niet verteld, maar heel wat nabestaanden kennen deze verhalen en bewaren de memorabilia zoals dagboeken, foto’s of gebruiksvoorwerpen. De aanbieders zijn meestal kleinkinderen van Belgen die in 1914 het land verlieten voor het oorlogsgeweld. Sommigen onder hen maakten van hun vluchtoord een thuis en bleven voorgoed in het buitenland.
75
In de tijdelijke expo Ontheemd kunnen bezoekers via de participatiewand de vluchtverhalen lezen die het publiek tijdens het project met het museum deelt. © Jonas Verbeke, In Flanders Fields Museum, 2025
Het eerste contact verloopt vaak via e-mail, waarin de grote lijnen van het vluchtverhaal geschetst worden. Daarna volgt een gesprek in het kenniscentrum. De schenkers worden uitgenodigd om de memorabilia die met het verhaal gelinkt zijn mee te brengen. Tijdens het bezoek volgen we een gestructureerde vragenlijst (wie vluchtte, waar woonden ze, waar verbleven ze tijdens hun vlucht), waarbij die gegevens worden aangevuld met anekdotes en herinneringen vanuit de mondelinge overlevering. Dit gaat uiteraard gepaard met uitdagingen: sommige delen van het vluchtverhaal ontbreken of zijn verdraaid, omdat de verhalenschenker het zich niet meer (juist) herinnert, of omdat het nooit of anders verteld werd.
MONDELINGE GESCHIEDENIS
LACUNES ALS OPPORTUNITEIT
76
We beschouwen de verdraaiingen of hiaten in de gedeelde vluchtverhalen niet als een probleem, maar als een opportuniteit om diepgaander onderzoek te voeren. Bovendien biedt dit inzicht in hoe die geschiedenis herinnerd wordt. Zowel de wetenschappelijke medewerkers als onze equipe van ervaren vrijwilligers gaan hiermee aan de slag. Bepaalde (onbewuste) verdraaiingen komen vaak aan het licht tijdens het verkennend gesprek in het kenniscentrum. Zo was een van hen in de veronderstelling dat zijn vader tot 1920 in ballingschap verbleef. Wanneer we samen de postkaarten bestudeerden, bleek dat de terugkeer al in de loop van 1919 plaatsvond. Door samen de verhalen en bijhorende memorabilia te analyseren, worden nieuwe inzichten verworven
Vanuit de wetenschap dat één vierde van de Belgische bevolking tijdens de Eerste Wereldoorlog vluchtte, nemen we aan dat elke familie vandaag een vluchtverhaal meedraagt die voor de verhalenschenkers en de museummedewerkers verrijkend zijn. De opvolging bestaat eruit dat het museumteam verdere opzoekingen doet om hiaten aan te vullen en het verhaal zo correct mogelijk te reconstrueren. Dit sluit aan bij het doel van het project: IFFM wil zoveel mogelijk vluchtverhalen van de Eerste Wereldoorlog uit de mondelinge overlevering verzamelen, bewaren en ontsluiten als deel van een collectieve geschiedenis. Diepgaander onderzoek is uiteraard een tijdrovend gegeven. Door het grote succes van de oproep staan nog veel verhalen in de wachtrij. De gesprekken met de verhalenschenkers nemen we, in tegenstelling tot de interviews in het mondelinge-geschiedenistraject, niet op in de collectie. Het museum registreert wel de me-
Het gezin van de Belgische vluchtelinge Marie Leleu na hun terugkeer naar België in 1937 © privécollectie Nicole Banckaert
morabilia die bij de vluchtverhalen horen, en legt een gestructureerde persoonsfiche aan in de Namenlijst. Dit is een online platform dat de levensgeschiedenissen van historische personages, gelinkt aan de Eerste Wereldoorlog in België, samen met hun verhalen herbergt. Het is de motor voor historisch onderzoek, maar ook voor de aansturing van herdenkingspraktijken en van de publicatie ervan in het museum. De vluchtverhalen worden op die manier duurzaam verankerd in de werking van het museum en ingebed in het grotere verhaal van de Eerste Wereldoorlog. De documenten en foto’s worden door vrijwilligers gedigitaliseerd en aan de familie terugbezorgd. Een aantal families besluiten om de memorabilia aan het museum te schenken.
EMOTIONELE ZOEKTOCHT VOL VRAGEN
Verschillende verhalenschenkers wandelen vaak met meer vragen dan antwoorden het kenniscentrum binnen. Voor hen is dit een persoonlijke en emotionele zoektocht. Ze realiseren zich hoe ingrijpend de gebeurtenissen waren die hun voorouders meemaakten. Families die objecten of documenten over de vlucht van hun voorouders bewaren zijn doorgaans beter gedocumenteerd. De meerderheid moet het echter met veel minder informatie stellen. Nicole Banckaert deelde het verhaal van haar grootmoeder Marie Leleu, die als jonge twintiger zonder haar ouders naar het Verenigd Koninkrijk
vluchtte. Ze beviel tijdens haar ballingschap van Nicoles moeder, Marie-José. Vader: onbekend. Tijdens haar verblijf in het Verenigd Koninkrijk trouwde Marie met Jules Deconinck die Nicole als haar grootvader beschouwde. Pas na het overlijden van haar moeder ontdekt Nicole dat Marie-José een onbekende Engelse vader had. Na onderzoek in archieven en navraag van Nicole bij (verre) familieleden ontdekten we nieuwe puzzelstukjes en kreeg het vluchtverhaal meer vorm. Deze lacunes of blinde vlekken in het historische verhaal beschouwen we dus niet als een struikelblok, maar als een opportuniteit om samen de familiegeschiedenis verder te ontleden. Zo ontstaat een wisselwerking van kennisdeling. Enerzijds vanuit het publiek, zonder wie we deze veelheid aan vluchtverhalen nooit konden verzamelen. En anderzijds kan het museumteam op basis van zijn expertise antwoorden bieden op vragen die jarenlang onbeantwoord bleven. Samen met het brede publiek komen we tot persoonlijke verhalen die de impact van de ‘grote gebeurtenissen’ op het individu tastbaar maken. Dit onderstreept de baseline waar het museum al vijfentwintig jaar voor staat: sharing history, sharing knowledge. ■
» Lotte Van Attenhoven is projectmedewerker van Ontheemd. Annick Vandenbilcke en Pieter Trogh zijn wetenschappelijk medewerkers bij IFFM.
77
MIJN ERFGOED
“Mijn erfgoed is hoop”
» Door: Roel Daenen | Foto mijn erfgoed: © Joke Floreal, portretfoto: © Sam Debaecke
O
78
Erfgoed is voor iedereen betekenisvol en relevant. Bekende landgenoten vertellen over ‘hun’ erfgoed. Koenraad Tinel,beeldend kunstenaar, vertelt over De ontvoering van Europa.
p de jongste Vlaamse feestdag kreeg Koenraad Tinel (Gent, °1934) het Ereteken van de Vlaamse Gemeenschap. Daarmee eert de Vlaamse Regering zijn “uitzonderlijke artistieke bijdrage en zijn niet aflatende maatschappelijke inzet”. Tinels persoonlijke en artistieke parcours is dan ook uitzonderlijk: hij groeide op in een kunstzinnige familie die tijdens de Tweede Wereldoorlog intensief met de bezetter collaboreerde. Na de landing in Normandië vluchtte het gezin naar Duitsland: een hellevaart die Tinel voor het eerst in 2009 van zich afwierp in het overrompelende Scheisseimer. Een persoonlijke loutering in de vorm van een graphic novel die besluit met een hartenkreet: “Ik zal nooit in het reine komen met dit verhaal”. Ook zo voor zijn keuze van het onderwerp van deze rubriek. “Ik heb tijdens mijn leven heel wat meegemaakt. Maar niets was zo ingrijpend als de oorlog. Niet verwonderlijk, gezien mijn verleden als nazijong”, vertelt hij. “Ik heb als kind bombardementen meegemaakt, honger geleden, paardgereden met de Russen … noem maar op. Toen er voor
het eerst sprake was van een verenigd Europa, de Europese Unie, sprak me dat enorm aan. Eindelijk geen oorlog meer! Daarom heb ik rond die thematiek in 2009 het monumentale De ontvoering van Europa gemaakt. Het verhaal erachter, zeg maar het erfgoed, is zo mooi dat ik het graag in herinnering breng. Het oog van de Griekse oppergod Zeus valt op Europa, de beeldschone dochter van het Fenicische koningspaar Agenor en Telephassa. Om zijn echtgenote Hera te misleiden én om Europa en haar gezelschap niet te doen schrikken, verandert hij zich in een witte stier. Europa klimt op zijn rug, waarna Zeus de zee ingaat en in één ruk naar Kreta zwemt. Daar zal hij Europa nemen, waarna ze negen maanden later bevalt van Minos, de koning van Knossos. Mijn beeld toont de stier met Europa op zijn rug, fier rechtop, onbevreesd. Ik zeg altijd: ‘Ik heb hoop voor de toekomst’. En dat meen ik. Ondanks alle oorlogen en de inspanningen die Europa vandaag levert om muren, wachttorens en hekkens op te trekken, legers te financieren en de natuur te vernietigen, blijf ik hoopvol.” ■
25 jaar
C
M
Y
CM
MY
CY
CMY
erfg o
ed
be
K
d a g.
1000 gratis activiteiten rond humor Ontdek het op Erfgoeddag www.erfgoeddag.be
zondag 26 april 2026
GROOT ONDERHOUD 2026 TITEL
kwetsbare TITEL kennis Tijdens de 15 e editie van het Groot Onderhoud staan kennis en de kwetsbaarheid ervan centraal. Verwacht je aan een dag vol reflectie, inzichten en ontmoeting.
2 juni
De Bijloke, Gent onze website en nieuwsbrief faro.be Volg om het programma te ontdekken.