
Und ein geheimes Grausen
Beschleichtet unsern Sinn: Wir sehnen uns nach Hause Und Wissen nicht, wohin?
Eichendorff, Pilger
Omslagillustratie: Goya, ‘El sueno de la razon produce monstruos’ (1799)
Met ingehouden adem in het paradijs (fragment)
We zien ze gebroederlijk naast elkaar staan, een slanke en een gezette man, met de rug naar ons toegekeerd. De slanke legt een hand op de schouder van de gezette en wijst naar links. ‘Die knotwilg lijkt precies op een windsurfer die het zeil probeert overeind te houden, vind je ook niet?’
‘Zo loert hij sinds mensenheugenis vanaf de berm het dorp in,’ reageert de gezette. ‘Waarom ze hem nooit hebben gerooid, snap ik nog steeds niet. Fatsoenlijk akkerbouw kun je er niet bedrijven.’
‘Ze zijn hier behoudzuchtig en hebben er een bezienswaardigheid van gemaakt. Vandaar dat bankje.’
Als ze een stukje het dorp in zijn gewandeld, merkt de slanke op: ‘Geen auto, geen voetganger te zien. Enkel een hond.’
Zodra die hen in de gaten heeft, kromt hij tussen een rijtje bomen zijn rug. Met veel oogwit kijkt hij van ze weg. Zijn staart: een dirigeerstokje dat de maat aangeeft van een treurmars. Hij draait zich om. Even ruikt zijn snoet aan wat hij daar heeft neergelegd. Dan verwijdert hij zich, op een drafje, hier en daar stilstaand om van een grassprietje, een boomstam of een lantarenpaal de geur van een andere hond in zich op te nemen. En zeker ook, zoals de slanke man tegen de gezette opmerkt: ‘om zijn angst voor jou niet nog meer te verraden. Want je ziet er niet uit.’
‘Dank je,’ zegt de ander bits. ‘Voor het compliment. Zullen we omkeren?’
‘Geen sprake van! Kijk eens in alle gemak om je heen. En luister. Je hebt werkelijk niets te vrezen. Mussen tjilpen, bladeren stuiven nu en dan in rollende bundeltjes de straat over. En verder inderdaad geen mens te zien. Je zou menen dat Doornroosje echt heeft bestaan en zich hier aan de naald heeft geprikt. De prins is nooit komen opdagen en het zoeken beu. Zo’n klein dorp ook, was het niet met gemak in een halfuurtje te doorlopen?’
‘Ik voel het,’ zegt de ander. ‘Het is er blijven hangen, de bekrompenheid en verstikking van weleer. Toen dit dorp een uitdaging was voor beginnende burgemeesters, onderwijzers en predikanten. Toen dit dorp door zijn bewoners een paradijs werd genoemd. Voor de jongeren die hier waren geboren en opgegroeid was het meer een oord om zo snel mogelijk uit weg te vluchten. Uiteindelijk ben ook ik gegaan.’
‘Nu wonen er enkel nog bejaarden,’ weet de slanke te melden. ‘Hoogbejaarden, die elkaar bezighouden met sjoelpartijtjes, bingo en anekdotes uit ‘die goede oude tijd.’ De tijd van hoepel en voetje van de grond, de tijd van verkering en eerste baan, van trouwpartij en eerste kraambed. En toen was hun goede oude tijd alweer passé, terwijl die van jou nog moest beginnen.’
‘Mijn goede oude tijd. Praat me er niet van!’
Ze lopen zwijgend verder.
‘Toch lijkt het me verstandig om er wel over te beginnen,’ zegt de slanke.
‘We zijn hier niet voor ons plezier. …Je hebt me verteld dat hier slechts één winkel was die tijdschriften en dagbladen verkocht. Kijk, dit moet ‘m wezen. Een sigarenzaak met een nevenkamertje, waarin een kapperssalon was ingericht.Vanuitdatkamertjekreegiederegastde gelegenheid omnategaan, hoe het met de op- en vooral misvattingen van de mededorpelingen was gesteld.
Zo heb je als kind eens een man met een laag scheerschuim om de kin naar je zien gluren, nadat jij je ogen even had laten gaan over een tijdschrift. De filmster Jayne Mansfield stond erop afgebeeld. Weet je nog? Die door een strak T-shirt bijeengehouden enorme tieten, waartussen een lok blond haar verdween? Vanuit de kappersstoel heeft die man alles meegekregen - en je hebt gebloosd. Ja, je hebt gebloosd en je negen jaar oudere zus, met wie je hier naartoe gekomen was om een doosje sigaren voor pappa te kopen, die lachte je uit. Hoe heb je daarop gereageerd?’
‘Ik heb haar gezegd dat het heel normaal was.’
‘Wat was normaal. Dat blozen, of die tieten? Je zus dacht zo goed als zeker die tieten, aangezien ze terug op weg naar huis jou heeft uitgelegd wat voor persoon die Jayne Mansfield was. Je hebt er toen niet veel van meegekregen, hè? Die glurende man blééf maar door je hoofd malen.
Vanuit die kappersstoel keek iedereen zo de sigarenzaak in, want hoe spraakzaam de mensen hier in dit dorp ook waren, ze zwegen over wat hen bewoog. Ze weigerden naar mening en interesse te worden beoordeeld, en verstoten. Ze gaven de voorkeur aan het geruchtmakende vooroordeel. En dat allemaal met de gemoedrust dat God later in de hemel alles zou rechtzetten tijdens het scheiden van het kaf en het koren. Zo leefden zij in conformiteit.’
Ze komen langs een vervallen boerderij met een verwilderd grasveld vol korenbloemen ervoor. De slanke man steekt een sigaar op. ‘Toch hadden ze hier, zoals in elke kleine gemeenschap, puur voor de lol een excentriekeling uit hun midden aangewezen. De dorpsgek. Nee, jij niet. Hij heette Willem Kwelders, een landbouwer uit overtuiging en door erfenis. Daar heeft hij gewoond. Zijn ouders hadden hem deze toen nog in goede staat verkerende boerderij nagelaten, en een flink vermogen. Desondanks bleef hij zijn beroep uitoefenen met zeis en paard. Kun je hem nog voor de geest halen? Zijn altijd weemoedige blik en die spuuglok?’
‘Die vent discuteerde veel met zichzelf waar Jan en alleman bij stond. Als je erom vroeg, deed hij op zijn akkers over ieder mens die je noemde een wijze uitspraak.’
‘Ja, hotelier Hertzberger was volgens hem iemand die geduldig kon luisteren. Wethouder Schaepman verborg zijn onkunde achter bombastische volzinnen. Over jou wist hij te vertellen dat je een sensibel jochie was. Daar was hij achter gekomen nadat je één keer als negenjarige op de rug van zijn paard had mogen zitten, minder dan een kwart akkerbaantje lang.’
‘Dokter Freud,’ merkt de gezette man spottend op, ‘zullen we het hier niet telkens weer over mij hebben?’
De ander dipt een askegel op de verweerde trottoirtegels. ‘Toch wel.’ Hij neemteentrekjeenblaast kalmderookuit. ‘Thuis bezat Kweldersaanlectuur albums met prentbriefkaarten afkomstig van een globetrotterende broer, en verder talloze naslagwerken over het paard onderverdeeld in allerlei rassen en standen. Soms kwam er bij hem wel eens iemand een kop koffiedrinken of een borreltje halen, en dat uitsluitend om na te gaan of er nog meer lectuur lag. Niets. Binnen een etmaal wist heel het dorp het, en eenieder bleef zich maar het hoofd breken over de vraag waar die Kwelders zijn wijsheden toch wel vandaan haalde. Van zijn twee kostgangers misschien, die het al met zijn vrouw deden lang, lang voor de seksuele revolutie van de jaren zestig van de vorige eeuw?
Tijdens de seizoenwisselingen werd deze vorm van overspel hem soms te veel. Dan stak hij zich in zijn beste, speciaal voor deze gelegenheid in de mottenballen gehouden driedeling kostuum. Vervolgens paradeerde hij een middag lang op zijn ros door alle vijf straten en veertien weggetjes die dit dorp rijk is. Briefjes van honderd deelde hij uit aan ieder yellend en juichend kind dat hem naliep. Een middag lang. Of korter. Dat hing ervan af hoe snel veldwachter en huisarts waren ingelicht en hoe vakkundig die hem van zijn paard af wisten te praten. Had hij daar eenmaal aan toegegeven, trof je hem de eerstkomende tijd beslist niet meer in of rond het dorp aan. Wéken achtereen geen wijze uitspraken meer op zijn akkers. En op een dag, dan snelde plotseling het gerucht zijn stappen ver vooruit: Willem Kwelders gesignaleerd voor de ingang van hotel Hertzberger! Met koffer!’
‘Daar ging hij het eerst naartoe,’ beaamt de gezette man.
‘Ja, om er een flinke borrel in zijn keel te gieten en hotelier Hertzberger te vertellen hoe ze het vuil uit zijn hoofd hadden gehaald.
“Elke morgen vóór het ontbijt een spuitje”, zei hij. “Zo een van wel dertig centimeter lang, de naald niet meegerekend.” Hij overdreef graag, wanneer hij zich beter voelde. “Bij het avondeten kreeg je dan een tweede. En vijf keer de dag in het rond: douchen! Bij mooi weer gooiden ze je klokslag twaalf
midden in de vijver. Dat was om je aandacht te geven en ze deden dat alleen wanneer ze dachten dat je dat nodig had.”’
Degezettemanglimlacht zuinigjes.‘Mooigedaan, met dieverdraaidestem. Maar zo heeft Kwelders nooit geklonken. En ik heb u vaak genoeg op het hart gedrukt: wat hij werkelijk heeft gezegd, kan alleen Herzberger weten.
Vooropgesteld dat hij nog leeft. De hele anekdote is gegrondvest op pure roddels.’
‘Doe dat ertoe? Laten we niet afdwalen. Vanwege die vele douchebeurten zag hij er voor een landbouwer erg schoon uit. Hij had wel iets van een stadsmens. En zijn vrouw verliefde zich weer eens in hem.
“Kwelders speelt mooi mee en profiteert ervan”, zeiden de heren onder elkaar, terwijl de sigarenverkoper een van hen knipte of schoor.
Willem Kwelders wist wel beter. Dat zijn vrouw vroeg of laat weer overspelig zou worden en dat ook het volgende seizoen komen zou. Het volgende seizoen vreesde hij nog het meest. Zo leefde hij voort. Maar hij leefde.’
De beide mannen vervolgen hun wandeling.
‘Hertzberger leefde ook. Als ik mijn notities voor de geest haal en jouw daarin opgenomen beweringen geloven mag, dan was het een rommelig, vet mannetje dat in zijn wandel gedwarsboomd werd door likdoorns. Een mannetje dat beschikte over vier slaapkamers en een zaaltje schots en scheef opgestelde tafels en stoelen, die als hotel en restaurant door moesten gaan.
Dit gebouw.’
De slanke man ontdekt dat hij as heeft gemorst op zijn colbert. Voorzichtig probeert hij die er weer af te krijgen.
‘Zo, gelukt! Achter deze muren stond volgens jou in elke slaapkamer een bed en een stoel. En, o ja: ook een ondersteek. Anders moest je midden in de nacht de trap af, de gangen door naar de achterkeuken en buiten in de kou nog wel zo’n dertig meter over een grasveldje lopen om in het kakhuisje naast de
dampende mesthoop je behoefte te kunnen doen. Even terzijde: heb jij zelf ooit eens alle vertrekken doorlopen?’
‘Nee, ik heb het enkel van de geruchten. Ikzelf ben nooit verder gekomen dan de tapkast om een fles wijn voor mijn vader te halen als hij na winkelsluitingstijd onverwachts bezoek had gekregen. Niet iets om dieper op in te gaan.’
‘Als jij dat denkt? En wat valt er verder nog over Herberger te zeggen?’
‘Dat zijn likdoorns het weer voorspelden. Iedereen wist ervan en vroeg er zonder schroom naar.’
‘Ach, ja. In het begin schijnt hij nog te hebben gezegd: “Hou er me over op. Ze doen me pijn genoeg.” Maar nadat Willem Kwelders op zijn akkers had beweerd dat de boeren zeker gebaat zouden zijn bij goede meteorologische vooruitzichten - vanaf die dag maakte Hertzberger met een ministersgezicht bekend wat zijn likdoorns hem ingaven.
Wanneer de likdoorn op de grote teen van zijn linkervoet was gaan steken, zou het gaan regenen. Was het die van de rechtervoet, kon je zonneschijn verwachten. De tweede rechterteen betekende onweer. Deed de derde mee, volgde er storm. De vierde stond voor hagel en de vijfde voor sneeuw. Enfin, zijn tenen waren een onuitputtelijke informatiebron. Talloze combinaties waren mogelijk, vooral wanneer je bedenkt dat Hertzberger niet alleen likdoorns óp zijn tenen had. Ze zaten ook aan de zijkanten, op sommige plekken wel drie.
Aan een van zijn hielen zat een knobbel.
“Wanneer die gaat gloeien,” beweerde Hertzberger, “hoeft er geen akker meer te worden bezaaid. Als die gaat gloeien, zal de wereld vergaan volgens Openbaring zestien, vers twee.” Dan keek hij naar het plafond en met een zangerige stem declameerde hij: “En de eerste ging heen en goot zijn schaal uit op de aarde, en er kwam een boos en kwaadaardig gezwel aan de mensen, die het merkteken van het beest hadden en die zijn beeld aanbaden.”
Vandaar dat de boeren altijd eerst vroegen naar zijn hiel en dan pas naar het weer.
Gelukkig hoefde Hertzberger met die pijnlijk likdoorns van hem en die ene knobbel zelden zijn hotellakens te verschonen. Over het algemeen bezochten de mensen hem enkel voor een droogje en een natje. Vooral ‘s zomers, wanneer bouwvakkers en kantoorklerken met hun gezinnen vanuit het westen hierheen kwamen om voor zeven dagen of iets meer hun tentje op te slaan op het achtererf van een boer. Tot diep in de avond hoorde je hen zingen: “Oh my darling, o my darling. o my darling. Clementine!” Jij, als kind, schrok er telkens van wakker. Je kon het ze moeilijk kwalijk nemen. Meer vertier hadden die vakantiegangers in die uren niet. Enkel dat eeuwige kampvuur.
Overdag had je geen last van hen. Als ze niet aan de wandel waren of op vossenjacht, zaten ze wel bij Hertzberger aan de frites en de spoetnik.
Spoetnik: gazeuse met een schepje suiker en een scheutje koffiemelk - dat gaat bruisen!Tafelkleden moest Hertzbergerwel vakerdannormaal in dewas doen. – Wat weten we verder nog over onze Hertzberger?’
‘Dat hij twee hazewindhonden had.’
‘Juist! Daarmee hoopte hij aandacht te trekken. Eigenlijk was hij uit op een praatje, want door dat geduldig luisteren naar anderen kwam hij zelf nauwelijks aan bod. Eigenlijk was hij een eenzaam mens.
Oudejaarsavond maakte echter veel goed. Dan namen de burgemeester en zijn wethouders, de huisarts, de notaris en andere notabelen van het dorp plaats in zijn restaurant, dat zij alleen voor zich hadden gereserveerd. Was het niet zo? En altijd nodigden zij ná hun diner en tijdens een laatste borrel Hertzberger mee aan tafel. Vervolgens metchampagnesamenhet nieuwejaar in! Deze verbondenheid had hij het hele jaar gemist en maakte hem sentimenteel. Ja, hij liet zelfs een traan, als wij de geruchten mogen geloven.
Daarbij kwam, dat niet één notabele uitgezonderd, de muskusrat gegeten had: déspecialiteitvanhetrestaurant,waardriehonderdenvierenzestigdagenlang geen sterveling naar had gevraagd.