Skip to main content

Eric Steiner - 'De geschonken tijd'

Page 1


E R I C S T E I N E R D E G E S C H O N K E N T I J D

(Manuscript gevonden tussen twee identieke huizen)

R O M A N

Omslag: Messier 101 ( het windmolenstelsel), fragment uit een foto genomen door de Hubble Telescoop in 2006.

Bron: NASA, "ESA/Hubble" http://www.nasa.gov/feature/goddard/2017/messier-101-the-pinwheel-galaxy#.WsaXi5W0TkY

1.

De man met de zwartglanzende handschoenen

DoorzijnuitvoerigheidschiepEksteroog alleenmaarmeerverwarring.Hij had zijn computerbeeldscherm half naar mij toegedraaid, zoomde in en uit en scrolde dan weer een stukje verder naar boven. Al die vertakkingen van bloedvaten, zenuwen en spieren en wat al niet meer. Het duizelde me. En hij, hij gunde zich geen enkele pauze, was nog lang niet klaar met zijn toelichting.

Ik staarde naar zijn voorhoofdrimpels, zocht achter zijn brillenglazen een grammetje menselijkheid, maar vond er enkel beroepsmatig fanatisme.

Uitgeput, de maag vol kolkende paniek verliet ik hem. Ik kan me niet eens meer herinneren dat ik deze bus ben ingestapt en het heeft zowat de hele rit geduurd voor ik weer een beetje helder uit mijn ogen kan kijken.

Dat ik daar nu pas toe in staat ben, komt ook omdat ik nogal ongemakkelijk zit door die zwartwollenjas naast mij, die bovendiennaar wierook ruikt en nog wat anderedingendieik moeilijk kan plaatsen. Ik geefdiejas wat meer ruimte, schik wat verder naar het gangpad en merk dat verschillende mensen mijn blik ontwijken. Ik neem het ze niet kwalijk, ik zal er miserabel uitzien. Ja, tussen twee hoofden door, in het glas waarachter de chauffeur zijn uniformjasje heeft opgehangen, tref ik mijn spiegelbeeld: een midden dertiger met verschrikte ogen en halfopen mond. Net een idioot. Die mond moet maar meteen weer dicht.

De man naast mij, de man in zijn wollen jas - hij draagt zwartglanzende handschoenen en een hoed. Zijn halsslagader klopt er flink op los. Zijn hoofd is van mij afgekeerd. Hij lijkt zich niet te storen aan de bij die met haar

vleugeltjes op volle toeren onophoudelijk tegen het raam tikt. Waarschijnlijk wordt zijn aandacht meer getrokken door wat er zich buiten afspeelt. Denkt hij het hetzelfde als ik? Dat, als dit zo doorgaat, de herfst vroeg zal beginnen dit jaar? Bladeren stuiven op in een rukwind en regendruppels beginnen tegen de ramen te spatten, terwijl september nog geen dag oud is.

We maken een scherpe bocht langs een schutting met wel twintig keer hetzelfde affiche - Een leven vol Boeddha’s - en die zwartwollen jas komt met heel zijninhouden gewicht tegenmij aan tedrukken. De armleuning perst zich in mijn zij. Zit die man soms te slapen? Straks breekt de armleuning nog af, en dan lig ik in het gangpad. Hou daarmee op! Al mijn spieren doen al pijn. Mijn helelichaam,elkevezeldoetpijndoorwatikdaarstraksvanEksteroogtehoren heb gekregen.

Fijn, de druk wordt al minder, dank je wel. Knarsend en piepend en met een bevrijdende sis komt de bus tot stilstand voor het treinstation. Ik sta van mijn stoel op, volg de mensen naar buiten.

Vanachter de schutting komt het drillen van een boor. Dan is er alleen nog het tikken van de regendruppels op de paraplu die ik boven mijn hoofd heb opengeklapt. De tikken worden erger. Ik zet het op een lopen, richting station ingang. De man met de zwartglanzende handschoenen komt naast mij, haalt mij in en snelt de traptreden op. Maar als ik allang in de stationsrestauratie zit, mijn handen gevouwen om een kopje koffie, staat hij daar nog in de hal. Met de rug naar me toegekeerd, in zijn zwartwollen jas en op zijn hoofd die even zwarte hoed.

Hij kijkt naar buiten, waar het nu plenst. Hij kijkt in het rond, lijkt geen keus te kunnen maken tussen incheckpoortjes, kaartjesautomaat, NSInformatiebalie, boekhandel enstationsrestauratie. Uiteindelijkverdwijnt hij in deboekhandel,eenpaarminutenlaterkomthijweertevoorschijnmeteenkrant onder de oksel en loopt deze kant op. Hij heeft krachtig gelijnde wallen onder de ogen, een smal en lang gezicht. Echt een karakterkop. Een man waar de

meeste kinderen bang voor zullen zijn. Een man die heel wat meer moeite zal moeten doen om hun aandacht en liefde te winnen dan ik.

Hij opent de deur en neemt zonder groet aan mijn tafel plaats, schuin tegenover mij, waarbij in de plof waarin hij neerkomt die ondefinieerbare geuren weer opstijgen. Op het tafelblad opent hij zijn krant. Zonder zijn hoed af te zetten, begint hij erin te lezen. Rustig, met een vinger onder de woorden, regel voor regel. Hij neemt de tijd, slaat de pagina om. Langzaamaan zakken de ondefinieerbare geuren weg, blijft er alleen nog die van wierook over.

Nu hij leest, vallen de wallen onder de ogen niet zo op. Met zijn grijze wimpers en die paar grijze haarplukjes onder zijn kin ziet hij er zelfs een stuk sympathieker uit. - Dit is mijn kans! Ik moet hem aanspreken. Over het weer, over deze stationsrestauratie. Als ik maar een ingang heb om te kunnen beginnen over Eksteroog.

Waarom zet die man zijn hoed niet af? Houdt hij die op uit schaamte? Is hij kalend, heeft hij ergens onder die hoed een litteken?

Hij slaat de krant dicht en legt haar met een ruk opzij. Ik heb hem met mijn blikken vast geïrriteerd. Hij kijkt langs mij heen naar buiten. Of hij zich zorgen maakt over die plensbui? Dat hij er straks doorheen moet om zijn volgende bus te kunnen halen? Wie weet, hoe ver hij daarna nog door de regen moet lopen om zijn eindbestemming te kunnen bereiken.

Als hij met detreinmoet, heeft hij geluk: bijnaalle perrons zijn overdekt. En als hij niet met de trein moet en niet met de bus wil, kan hij altijd nog een taxi nemen. Een eindje verderop staan er zeven achter elkaar, eentje rijdt net weg.

Die jas van hem is pluizig en rafelig. Misschien heeft iemand die zo’n jas nog blijft dragen te weinig geld om een taxi te kunnen betalen. Helaas zal het danlopenworden,meneer.Als je eenafspraak hebt waarvoorjeoptijdwil zijn enhiernietkuntblijvenwachtentotdelaatstedruppelgevallenis,zaljemoeten lopen. En zo’nplensbui, wat isdat nou. Jehoest niet,jeademhalingis normaal: jij bent gezond. …Een enge ziekte. Hij weet het nu zeker. Volgens Eksteroog

heb ik een enge ziekte onder de leden. En waarschijnlijk valt er slechts met de grootste inspanning nog iets aan te doen. …Gezond. Alleen die huid van hem, dat geeft te denken. Die huid zou je transparant kunnen noemen. Bijna al zijn aderen schijnen er doorheen.

Onze ogen ontmoeten elkaar. Ik knik en vraag of hij ook een kopje koffie wil, ik was net van plan er nog eentje te bestellen. Hij schudt zijn hoofd, staat openzegtmeteenschaapachtigestem:‘Voorverhalenmoetunietbijmijzijn.’

Hijknooptzijnjasdicht,paktzijnkrantenverlaatdestationsrestauratie.Wat is dit voor iemand? Neemt in een bus te veel ruimte in beslag, drukt zich in een scherpe bocht tegen mij aan, maar reageert mensenschuw zodra ik hem vriendelijk aanspreek. Midden in de hal blijft hij weer staan, op zijn oude plek.

De regenbui begint af te nemen. Door de ramen links van mij dringt weer het drillend kloppen van de boor. Aan de achterkant van de schutting die overloopt in een rij van aaneengeketende hekken, zijn ze sinds mijn vorig bezoek aan Eksteroogmet debouwvan detorenflink opgeschoten.Wat verder weg breken ze het oude postkantoor af, alleen de façade staat nog overeind. Een grijper laadt stukken puin in een vrachtwagen. Als die vol is, verdwijnt hij achter de schutting om even later weer tevoorschijn te komen voor het station.

Hij trekt op en laat een spoor van modder achter. In mijn maag begint weer de paniek te kolken, ik voel me misselijk.

Als het weer een beetje gaat, blijkt de regenbui te zijn overgetrokken. De man met de zwartglanzende handschoenen begeeft zich naar buiten. Het zal tochnietdathijopmijnblikgewachtheeft?Alshijdetraptredenafdaalt,breekt dezondoor.Hij loopt richting schutting. Een eindje bovenhem schommelt aan kettingen vervaarlijk een reusachtige haak. En dan is hij verdwenen, de man met de zwartglanzende handschoenen.

2.

De grootste verdienste van Boccherini

In de stiltecoupé is nog net één vrij plekje vrij. Zodra de deuren zijn dichtgeklapt en de trein zich in gang heeft gezet, beginnen een man en een vrouw van een jaar of zestig - beiden met een folder tussen de handen –uitgebreid met elkaar de voordelen van zen meditatie in een klooster te bespreken. De vrouw kucht en beweert: ‘Daar zullen we niet afgeleid worden door allerlei geluiden.’

‘Ja,’ vult de man aan, ‘vooral deze heeft dikke muren. En, lees ik hier: de monniken hebben er zowat de hele dag een spreekverbod. We zullen er heerlijk tot rust komen.’

‘Ik verheug me erop,’ zegt de vrouw. ‘Trouwens, wat ik je daarstraks ook al vertellen wilde: het station waar ik ben ingestapt, daar raasde me toch een Intercity aan me voorbij... Je had maar een kleine moeite hoeven te doen, of je was … Nou, je weet wel.’ Ze giechelt en rilt. Kucht. Ze haalt een blikje hoestdropjes tevoorschijn, schudt er wat van in de hand van de man en in die vanhaarzelf.Opdehoestdropjes sabbelend,vervolgt ze: ‘Kan deNS daarniet iets tegen doen? Bijvoorbeeld aan de rand van zo’n perron een hek plaatsten? Die dan automatisch uit de grond omhoogschuift, zodra er zo’n Intercity in aantocht is? Scheelt zeker een hoop zelfmoorden.’

De man denkt dat zo’n hek niet zal helpen en zet uiteen dat ze er altijd iets op zullen verzinnen, de mensen die er een eind aan willen maken. ‘Voor de trein springen is een snelle dood en er blijft weinig van je over.’ Ja, breng me maar op ideeën.

‘Je zal er maar met je neus bovenop hebben gestaan,’ zegt de vrouw. ‘Krijg je vast slapeloze nachten van. Gie-gie-gie.’

Fel kijk ik hun kant op. Ze houden hun blik op de folder. Zal ik mijn tong roeren, zal ik zeggen: ‘Dat u zit te praten in een stiltecoupé, dat is nog tot daaraan toe. Maar het onderwerp... En alstublieft wat meer respect voor mensen als ik die het niet meer zien zitten. Let’s drink to the broken hearted people. Kent u die song? Is regelmatig op de radio. – Maar ik heb niets te drinken bij me en geen glazen om te vullen en mee te klinken. Dan maar pantomime? Zou ook een stuk netter passen in een stiltecoupé.’

Als ik al deze woorden zou uitspreken, dan ben ik bijna verplicht om ook die meisjes van rond de zeventien ter verantwoording te roepen. Ver van elkaar verwijderd laten ze hun scherpe stemmen over en weer kinkelen. Scherpe stemmen vol weekendvreugde en Wat-trek-ik-in-vredes-naam-voorhet-uitgaan-aan-wanhoop.

In tegenovergestelde richting raast een trein voorbij. De vrouw doet weer Gie-gie-gie.

Wat heb ik in te brengen tegen die meisjes? Wat heb ik die vrouw en die man te verwijten? Het is vrijdagmiddag. Spitsuur. De trein is vol. Dan schijnen de duidelijk zichtbare opschriften dat het hier om een stiltecoupé gaat, opeens hun waarde te hebben verloren. Sommige mensen durven stiltecoupés zelfs te bestempelen als regelrechte onzin. ‘Al die regels en regeltjes.’ Nog maar een enkeling verdwijnt tegenwoordig naar het balkon, wanneer in een stiltecoupé zijn of haar mobieltje gaat. Misschien moet ik dat ook maar doen. Ja, ik sta op en zak neer op een klapstoeltje op het balkon.

Ook hier kom ik nauwelijks tot rust. Het schudden, het geraas van de wielen, het ruisen van de wind, het gebonk van de rails. En telkens weer: Eksteroog.Ikhadhettijdenszijnuitlegtegenhemwillenuitschreeuwen:‘Stop, in vredesnaam stop!’ Ik was er niet toe in staat.

Bij elk station komen er meer mensen bij dan eraf gaan. De gangpaden

raken vol. Het laatste kwartier zit ik op mijn balkon opgescheept met spitse ellebogen en muf ruikende natte jassen en schoudertassen. Van sommige jassen en tassen en de meeste handen komt om de zoveel tijd een vogelgeluidje, een bliep-bliep of pling-plong. WhatsApp. Om gek van te worden. Daarom heb ik geen WhatsApp.

En dan: eindelijk thuis. Zodra ik de winkeldeur achter mij weer op slot heb gedraaid, komt ook dat op mij af: het getik van de klokken. Ik loop mijn hele winkel door en een voor een zet ik de klokken stil. Daarna de trap op, mijn jas aan de kapstok en mijn paraplu opengeklapt op de keukenvloer.

In de woonkamer rechtstreeks naar mijn cd-kast. Dan weer met een uitgestrekte arm, dan weer met de rug naar links of rechts gebogen, soms op mijn hurken, schuif ik een cd naar voren en weer terug. Ik wil dit blijven volhouden! Mijn vermoeidheid is louter psychisch. Dat ik me nu zo slap in de benen voel, komt enkel van de zenuwen. Ik moet dit volhouden! Ik moet eerst een cd hebben opgezet, voor ik mag gaan zitten.

Het is moeilijk kiezen wanneer je hoofd vol zit. Geen Tori Amos, Elbow of Muse, en al helemaal geen Rammstein. Uiteindelijk kies ik voor klassiek. Brahms? Schubert? Schumann? Al die treurnis en wanhoop. En Debussy roept te veel herinneringen aan Martha op. Ik moet iets lichters, iets ouders. Händel?

Telefoon. Eksteroog…

‘Fijn dat ik u eindelijk tref. Ik heb herhaaldelijk geprobeerd u op uw mobieltje te bereiken.’

Ik plof neer op een stoel.

‘Die staat uit als ik onderweg ben. Wat moet u van mij?’

Hetisevenstilinmijnoor.‘Wewarennognietklaar,meneerVerbriest.…U bent vast erg geschrokken.’

‘Vind u dat zo vreemd.’

‘Nee, maar om er dan opeens vandoor te gaan…’

‘Daar kan ik me anders niets van herinneren.’

‘Dan zat u waarschijnlijk vol adrenaline …Hoe is het nu met u?’

‘…Miserabel.’

‘Dat kan ikmevoorstellen.…Ikvraag uvriendelijk in het vervolgteblijven zitten, meneer Verbriest. Dan kan ik mijn verhaal afmaken en u alle ruimte geven om uw gedachten en gevoelens te uiten. Dan kan ik ook al uw eventuele vragen beantwoorden, voor zover dat in mijn vermogen ligt. …Hebt u op dit moment nog vragen?’

‘Daarvoor ben ik nu echt veel te moe.’

‘Begrijpelijk. …Vind u het goed dat we het dan voorlopig hierbij laten? … Belt u morgen naar mijn afdeling voor het maken van een nieuwe afspraak. Doet u rustig aan, meneer Verbriest.’

Hier moet ik even van bijkomen, van die vriendelijkheid.

Terug naar mijn cd-kast en Händel. Sla zijn opera’s maar over. En ook zijn orgelconcerten. Als ik denk aan het adagio uit de tiende - wie weet wat voor emotie er nog meer verborgen zit tussen de andere. Zo goed ken ik ze niet, ik heb de box nog maar een paar dagen in huis. Weg met Händel.

Boccherini! Drie vroege strijkkwintetten op één schijfje. De grootste verdienstevanBoccheriniis,dathijjeverrehoudtofkanwegleidenvanallerlei sombere bespiegelingen.

En eten? Ik heb totaal geen honger. De angst en de paniek zijn in mijn buik gekropen. Maar ik moet toch iets eten? Een appel, wat mandarijntjes dan maar. En een boterham met wat schijfjes komkommer voor de echte vulling. Als dat op is: Boccherini.Vanavondgeentv. GeenSiemkeKühlenkampf,voor talkshows met mogelijk allerlei maatschappelijk ellende ben ik niet in de stemming.Nee,Boccherini.Diezaldebitterepilverdrijven.Daarnaeenwarme douche en naar bed.

Turn static files into dynamic content formats.

Create a flipbook