Vanuit een verzorgingstehuis kijkt de bejaarde Jacob Buck terug op een leven waartegen hij nauwelijks in opstand gekomen is, maar dat hem wel steeds zwijgzamer heeft gemaakt. De barre omstandigheden in het Drentse veen, de crisisjaren die erop volgden, de Duitse bezetting - alleen toen kwam hij even in verzet – en vooral het overlijden van een zoon en dat van zijn eerste vrouw zijn daar mede debet aan.
Achtergebleven met een dochtertje van twee, neemt hij een gezinsverzorgster in dienst, een vrouw die last van de zenuwen blijkt te hebben en bij wie hij na vijf jaar huwelijk nog een kind verwekt: Eduard, die net als zij niet tegen zijn stiltes kan en om wie hij zich steeds meer zorgen gaat maken. Bang, om ook hem te zullen verliezen.