Skip to main content

zwanenmoeder

Page 1

De huismus lijkt een druk, brutaal vogeltje. Hij is niet bang voor mensen en is juist graag bij hen in de buurt. Tijdens de Tweede Wereldoorlog was hij de enige vogel die zelfs in de loopgraven aanwezig was. Het gezang van de huismus bestaat uit allerlei variaties op ‘tjilp’. Luid of zacht. De mus tjilpt vooral om de onderlinge band met de andere mussen te verstevigen. Daarmee schijnt hij een gevoel van tevredenheid of zelfverzekerdheid aan te geven.

Hoofdstuk 1 ~ Juni 2009 ~

S

‘

coliose.’ Terwijl mijn dochter met gebogen rug voor me staat, draait de dokter zich naar mij toe en noemt het Griekse woord. Ze legt haar slanke hand een moment op Rosalies rechterschouderblad en trekt dan een denkbeeldige lijn naar het linkerschouderblad. Een neerwaartse lijn. Bergafwaarts. Gek dat het me nooit eerder is opgevallen. Had ik dit niet veel eerder moeten zien? Daarna bevoelen haar vingers de bovenste ruggenwervels, om vervolgens langzaam af te dalen. ‘Hier maakt de ruggengraat een zijwaartse bocht naar rechts, ziet u? En ik neem aan dat … Jawel hoor, ik voel het al en je kan het ook zien: meer naar beneden maken de wervels een kleine bocht naar links. Om de bovenste bocht zogenaamd te corrigeren.’ Nogmaals draait ze zich naar mij om. ‘Begrijpt u het?’ Natuurlijk begrijp ik het … Scoliose … Het lijkt of de geschiedenis zich herhaalt. Hoelang is het geleden dat ik zelf met

5


gebogen rug bij de huisarts stond, in spanning over hoe het vonnis zou luiden? Dertig jaar? Ik weet het niet precies. Wel herinner ik mij de opluchting die ik voelde toen mij de diagnose werd meegedeeld. Zou er nu eindelijk een einde komen aan de sturende adviezen van mijn ouders? Weer zie ik onze oude huisarts voor me toen hij bij mijn zusje op ziekenbezoek kwam. Ze had een longontsteking opgelopen. Nadat hij haar boven in haar slaapkamer onderzocht had, liep hij met mijn moeder de huiskamer binnen. Het liep tegen etenstijd en er hing een doordringend bloemkoolluchtje in de keuken. De stoom ontsnapte vanonder de pannendeksels bij het gasfornuis. Onze huisdokter had een brede neus, waar een paar donkere haartjes uit piepten. Dat weet ik me nog goed te herinneren, omdat ik er ingespannen naar keek terwijl hij de geur opsnoof. Hij liep naar onze pannen en tilde een voor een de deksels op, waarbij hij goedkeurend knikte: ‘Mmm, bloemkool, dat is gezond. En een gehaktbal. Goede, stevige kost.’ Hij draaide zich om, liep met f linke pas in de richting van het portaal en groette mijn moeder, die met een onthutst gezicht zijn gang naar het fornuis gevolgd had. In het voorbijgaan viel zijn blik ook even op mij. Nadenkend deed hij een paar stappen achteruit en wees met zijn vinger naar mij. ‘Jouw houding bevalt me niet. Kom jij van de week maar eens bij mij op het spreekuur.’ Met een bons viel de deur achter hem dicht. Verbluft bleef ik stokstijf in de kamer staan, terwijl ik me afvroeg wat ik fout gedaan had. Direct werd ik het middelpunt van alle aandacht. ‘Ik heb het je al zo vaak gezegd’, zei mijn moeder tegen me. ‘Je staat krom! Ga eens rechtop staan. Doe je hielen tegen de plint en probeer met je rug tegen de muur te staan.’

6


Wanhopig deed ik mijn best, maar het lukte niet om mijn rug recht tegen de wand te krijgen. ‘Waar ben jij nou mee bezig?’ riep mijn broer Siem uit. En Sjoerd grinnikte: ‘Geen gezicht. Net zo’n houten pop!’ Onder hun lachende blikken voelde ik me helemaal voor gek staan. Mijn moeder zag blijkbaar ook in dat het weinig succes had, want ze kwam met een ander idee op de proppen. ‘Nicky, probeer eens met een boek op je hoofd te wandelen. Dan moet je wel rechtop lopen!’ Braaf deed ik wat mijn moeder mij vroeg, omdat ik geen zin had om naar dat spreekuur van die dokter te gaan. Die in-depannen-kijkende dokter die mij opeens een bevel gaf. Wie weet wat voor enge dingen daaruit voort konden vloeien … Diverse rondjes liep ik door de kamer met Bartje op mijn hoofd, terwijl ik mijn rug zo recht mogelijk probeerde te maken. Stijf zwaaide ik met mijn armen heen en weer en voortdurend was ik me bewust van die vervelende jongens, die het niet meer hadden van het lachen. Helaas werd het nog erger toen mijn vader thuiskwam. Tijdens het eten vertelde mijn moeder allereerst uitgebreid wat de dokter over mijn zusje Ineke had gezegd, vervolgens was de pannenscène aan de beurt, en daarna werd ik het onderwerp van gesprek. Haar verhalen werden daarbij steeds onderbroken door Siem en Sjoerd, die alles nog mooier maakten met opmerkingen zoals: ‘De dokter vroeg of ’ie bloemkool mocht blijven eten!’ en: ‘Hiep hoi, Nicky moet bij de dokter op het matje komen!’ Toen mijn moeder klaar was met haar verhaal streek mijn vader peinzend over zijn baardstoppels. Met grote moeite probeerde ik een stuk gehaktbal weg te slikken. Het smaakte me niet meer, terwijl ik er anders altijd zo dol op was. Ik voelde vaders

7


blik langs mijn rug gaan. Toen knikte hij en schoof zijn stoel achteruit. ‘Daar weet ik wel wat op.’ Hij verdween naar de schuur en kwam binnen een paar tellen terug met een stok. Mijn zus Lies vroeg verbaasd: ‘Wat gaat papa daarmee doen?’ En mijn oudste broer Willem grijnsde: ‘De bezemsteel! Pa, heb je de borstel eraf gehaald?’ ‘Kom’, zei mijn vader en voordat ik wist wat hij van plan was, stopte hij de stok dwars achter mijn rug en legde mijn armen eroverheen. ‘Nu moet je wel recht zitten.’ Kaarsrecht werd mijn rug getrokken. Ik kon geen kant meer uit. Het lukte nauwelijks om mijn lepel te pakken om het vanillepuddinkje op te eten. Zelfs nu, na tientallen jaren, branden de tranen in mijn ogen als ik eraan denk. En als ik het lachje op de gezichten van mijn broers weer voor me zie, voel ik opnieuw de vernedering van dat moment. ‘Mag ik overeind komen?’ Nog steeds staat Rosalie met gebogen rug in de dokterskamer en laat haar armen naar beneden bungelen. Ze draait haar hoofd wat opzij en probeert tussen haar krullen door ons aan te kijken. ‘Ja, prima’, zegt de dokter, ‘kleed je maar weer aan.’ De arts loopt naar het fonteintje en wast haar handen. Met de zeep uit het pompje komt een desinfecterend luchtje vrij. Even heb ik een binnenpretje wanneer ik naar de gemanicuurde nagels van de dokter kijk. Ik stel mij voor hoe die keurige vingers de deksels in mijn keuken optillen om in mijn pannen te gluren … Terwijl ze haar handen afdroogt, kijkt ze naar me en zegt: ‘Het is nog steeds niet bewezen dat scoliose erfelijk is. Maar in sommige families komt het veel meer voor dan in andere. Zijn er personen in uw familie die scoliose hebben?’

8


Rosalie schiet haar shirt aan en komt naast me zitten. Nieuwsgierig kijkt ze me aan. Ik zie dat er een vraag voor op haar tong ligt die ze maar net weet binnen weet te houden. Langzaam knik ik en ik hoor mijn stem een tikje schor uitbrengen: ‘Ja. Ikzelf.’ Als ik mijn hoofd opzij draai, zie ik Rosalie stomverbaasd naar me kijken. Nee, Rosalie, dat heb ik je inderdaad nog nooit verteld. Waarom zou ik? Die hele scoliosegeschiedenis brengt alleen maar ellende met zich mee. Wat zou je eraan gehad hebben als ik je daarmee vermoeid had? Ik klaag toch immers nooit over rugpijn? Nou dan? ‘Ik heb er nooit last van’, haast ik me te zeggen. ‘Het is geen erge bocht. Ik ben naar fysiotherapie geweest en dat was het.’ Nadenkend knikt ze. ‘Ik hoop dat het voor uw dochter ook zo zal af lopen.’ Dan wendt ze zich tot Rosalie en begint haar uit te leggen wat scoliose is. ‘Het woord betekent “verkromming”. Er is sprake van een zijdelingse verkromming van de wervelkolom en bovendien is de wervelkolom ook een stukje om zijn eigen as gedraaid. Door die verdraaiing krijg je een lichte bolling van je rug. Normaal valt dat waarschijnlijk niet zo op, maar in gebogen houding zie je duidelijk dat de ene schouder hoger staat dan de andere.’ Met een suffe blik staart Rosalie de dokter aan. Het liefste zou ik haar wakker willen porren en tegen haar zeggen: ‘Kom op, reageer eens even!’ Maar dat kan ik natuurlijk niet maken. ‘Die bolling noemen we een gibbus’, vervolgt de dokter. ‘In de volksmond wordt het wel een bochel genoemd.’ Ik wist het. Een bochel … Snel kijk ik weer opzij, maar het lijkt alsof het niet tot mijn dochter doordringt. Ik volg haar blik naar de hoek van de kamer waar de tas van de dokter

9


staat. Zwart met een soort spijkers erop. Het zou ook Rosalies keuze kunnen zijn. Het lijkt alsof ze die tas belangrijker vindt dan dit hele gesprek. Hoort ze eigenlijk wel wat de dokter zegt? Ik schraap mijn keel. ‘Denkt u dat het ernstig is?’ ‘Daar kan ik niets over zeggen. De orthopedisch chirurg moet dit verder bekijken.’ Weer keert de dokter zich naar Rosalie. ‘Waarschijnlijk zal de specialist een foto van je rug laten maken, zodat hij de bochten duidelijk kan zien en de behandeling hierop kan afstemmen.’ ‘Best.’ Onverschillig komt het uit Rosalies mond. Geërgerd strijk ik een pluk haar achter mijn oor. Beseft ze wel dat het om haar rug gaat? Zo kunnen we toch niet weggaan? Ik heb nog duizend-en-een vragen! ‘Hadden we dit niet eerder kunnen ontdekken, dokter?’ Vriendelijk kijkt ze me aan en schudt haar hoofd. ‘Nee, waarschijnlijk niet. Doordat u iedere dag met uw dochter omgaat, valt zoiets niet op. U bent zo gewend aan haar houding dat het eigenlijk een soort blinde vlek is. Soms wordt het door gymleerkrachten gesignaleerd. Zoals in jouw geval.’ Ze knikt naar Rosalie. Dan draait ze zich naar haar computer, print een brief uit en zet haar handtekening. ‘Alsjeblieft, dit is de verwijsbrief voor het ziekenhuis. Ik raad jullie aan om zo gauw mogelijk een afspraak te maken.’ ‘Vind je het erg?’ vraag ik haar zodra we buiten staan en onze fietsen van het slot doen. Ze haalt haar schouders op. ‘U hebt het toch ook? En u hebt er nooit wat over verteld. Nou, lekker belangrijk dus.’ Ze springt op haar fiets en trapt meteen f link door. Ik heb de grootste moeite om haar bij te houden. Zal ik vragen of het

10


ook wat langzamer kan? Nou nee, laat maar zitten. Ze heeft vast al genoeg aan haar hoofd. Even aarzel ik, dan haal ik diep adem en vuur de vraag op haar af: ‘Hoe vind je het om naar die orthopedisch chirurg te moeten?’ Ze kijkt niet op of om, zodat ik er meelevend aan toevoeg: ‘Balen hè?’ Er komt een gegrom uit haar keel, waarvan ik alleen maar kan gissen wat ze ermee bedoelt. Dan zegt ze: ‘Ik ga even sprinten, hoor. Anders ben ik te laat bij de Jumbo.’ Voordat ik kan zeggen dat de supermarkt ook op mijn route naar huis ligt, roept ze erachteraan: ‘In mijn uppie ga ik veel sneller. Doei!’ Mijn ‘Werk ze!’ kan ze amper gehoord hebben, want ze sjeest er al vandoor. Nog even probeer ik haar te volgen, maar dan geef ik de moed op. Ik heb geen zin om keihard te fietsen en bezweet thuis te komen. Achter me klinken harde jongensstemmen. Twee jongens in zwarte spijkerbroeken en zwarte T-shirts crossen me voorbij. Bij Rosalie houden ze plotseling hun vaart in. Verbluft zie ik hoe de een haar opzij duwt, zodat hij aan de binnenkant komt te fietsen. De ander gaat links van haar rijden, geeft haar een f linke pets op haar rug en roept hard: ‘Ha, die theeroos!’ Theeroos? Verbaasd kijk ik naar het groepje dat voor me rijdt, maar ik kan er niets uit opmaken. Alle drie racen ze ervandoor. Zijn die knullen haar aan het jennen? Hoe druk Rosalie thuis ook kan zijn, over haar klas vertelt ze nooit wat. Die ene jongen duwde haar duidelijk opzij. Theeroos? Ze zal toch niet gepest worden? Wat hebben ze mij vroeger dwarsgezeten. De meiden, maar ook de jongens. Vanaf de eerste van de havo. Liep ik naar de

11


bushalte, dan kwamen ze aan weerskanten van me opzetten. Ze duwden tegen me aan zodat ik bijna in het water van de singel viel. Of liepen me klem terwijl ze dingen zeiden als: ‘Haha, Nicky, jij bent een beetje scheef hè?’ Of ze dat zelf gezien hadden of van iemand gehoord hadden, dat weet ik nog steeds niet, maar ik weet wel dat ik me verschrikkelijk opgelaten voelde als ze zo tegen me deden. Vooral als een van de jongens het nog erger maakte door te zeggen: ‘Nicky is een scheetje beef!’ De weg naar de bushalte leek ineens wel tien keer zo lang. In mijn beleving kwamen we ook veel meer mensen tegen dan anders, die me allemaal met een meewarige blik aankeken. Op zulke momenten wenste ik dat ik tussen de straatstenen weg zou kunnen zakken, zo schaamde ik me. In de klas was het nog erger. Het gebeurde meerdere malen dat ze met hun bank tegen mijn stoel duwden, zodat ik met mijn buik tegen mijn eigen tafel klem kwam te zitten en bijna geen adem meer kon halen. Wat deed ik ertegen? Ik graaf diep in mijn herinneringen. Ja, wat deed ik? Schreeuwde ik nijdig dat ze op moesten houden? Waarschuwde ik de leraar? Weer zie ik mezelf zitten en voel die allesoverheersende schaamte, omdat ik er niets aan durfde te doen. Weerloos onderging ik hun getreiter en zette enkel mijn voeten schrap op het zeil om niet nog verder naar voren te schuiven. Met een strak gezicht bleef ik de leraar aanstaren alsof er niets achter mijn rug gebeurde, maar vanbinnen huilde ik. Mijn ogen moeten wel om hulp gesmeekt hebben. Maar de leerkracht zag het niet. Of wilde het niet zien. En de jongens bleven me uitlachen en jenden me met dat ene vreselijke woord.

12


Eén keer was de ergste. Met mijn ene hand laat ik het fietsstuur los en grijp naar mijn wang. Hij is gloeiend. Geen wonder, het was zo verschrikkelijk … We zaten bij wiskunde. De leraar had juist een gelijkbenige driehoek op het bord getekend toen ik opeens iets voelde tegen mijn bil. Een prikje. Het kwam achter mij vandaan, bij die vervelende jongens. Mijn hele lijf trilde en gespannen fixeerde ik me op dat gevoel. Het werd sterker en deed pijn. De leraar schreef allerlei formules op het bord en had niets in de gaten. Toen hij met zijn rug naar de klas stond, draaide ik me om. Een van de jongens had een passer in zijn hand, met de scherpe punt naar voren gestoken. De pijn van de prik herinner ik me nauwelijks meer. Maar wel die allesoverheersende schaamte. Dat ze mij dit aandeden. En dat ik dit zomaar liet gebeuren … Net op tijd weet ik een steen op de weg te ontwijken. Mijn fiets hobbelt door de kuilen in de straat. Het wordt hoog tijd dat ze hier de boel opnieuw gaan bestraten, dit is niet normaal meer. Ik draai mijn stuur naar het midden van de weg, waar een stuk minder hobbels zijn. Hobbels … Rosalie reageerde niet toen de dokter het woord ‘bochel’ liet vallen. Wil ze niet laten merken wat er in haar omgaat? Net zoals ik vroeger altijd deed? Toen de meiden van mijn klas eenmaal ontdekten dat ik scheef was, hebben ze me er zo mee gejend … Misschien pesten ze Rosalie ook wel, zonder dat Floor en ik het merken. Bij mij had toch ook niemand dat in de gaten? Maar Rosalie is een heel ander type dan ik. Ze heeft thuis het hoogste woord en zegt het onmiddellijk als haar iets niet zint. Ze is een druk ding, dat van de vroege ochtend tot de

13


late avond in de weer is. Net zo’n kwetterende huismus zoals er bij ons huis tientallen rondf ladderen. Zodra ik in de tuin ga zitten met een kop koffie en een plak ontbijtkoek, hippen ze naar mijn stoel, hun kopje scheef naar me opgeheven alsof ze om een kruimeltje vragen. Voor niets en niemand zijn ze bang. Onder mijn stoel en onder de tafel zitten ze soms druk te schetteren. En hoog op de rand van de schutting tjilpt er vaak een terwijl hij in de gaten houdt of ik niet per ongeluk een stukje koek laat vallen. Maar zodra ik doe alsof ik op wil staan, vliegen ze alle kanten op. Precies als onze Rosalie. Veel vrolijk geschreeuw. Maar een klein hartje.

*** ‘Lekker zo?’ Floor kriebelt met zijn vingers in mijn nek. Als ik een poes was, zou ik op dit moment spinnen van genot. ‘Heerlijk!’ zucht ik en druk mijn wang zachtjes tegen zijn blote arm. Voor ons staat de brandende vuurkorf. Met zijn andere hand houdt Floor een stokje met marshmallows erboven. We hebben gegeten bij mijn broer Willem. Terwijl hij en zijn vrouw Wanda de vuile boel in de keuken opruimen, zitten wij met zijn tweetjes rustig in de tuin. Ik sluit mijn ogen en geniet van de late zonnestralen op mijn gezicht en van Floors vingers in mijn nek. Jammer, het moment is alweer voorbij. Hij haalt zijn hand weg en buigt zich voorover om de marshmallows van het stokje af te halen en tussen twee kaakjes te stoppen. ‘Wil je een hapje?’ Hij duwt een stukje in mijn mond. ‘Hier, lieverd.’

14


‘Mmm …’ Dit is genieten, zo samen hier zitten en niks hoeven. Geen afwas, geen drukke dochter, niet te hoeven praten … Floor drukt een zoen op mijn kleverige lippen en f luistert in mijn oor: ‘Weet je dat ik nog steeds gek op je ben? Jij bent mijn lieve, mooie vrouw!’ Ik lach maar wat. Zou hij dat nou echt menen? Zo bijzonder ben ik niet, met mijn saaie grijze ogen en mijn spitse neus. Met mijn hand woel ik door zijn krullenbol. ‘Weet je met welke vogel ik mezelf vanmiddag vergeleek?’ ‘Nou? Zeg het eens, vogelmeisje!’ Even glimlach ik om de naam die hij voor mij verzonnen heeft. Het is alweer een tijdje geleden dat ik echt ‘gevogeld’ heb. Wanneer zal ik er weer eens op uit gaan met mijn verrekijker en fototoestel om mooie close-ups van vogels te maken? Floor kijkt me vragend aan. O ja, de overeenkomsten van mijzelf met … ‘Een kauw. Ik bedacht dat Rosalie net een druk musje is en ik vroeg mezelf af wat voor soort vogel ik dan wel zou zijn. Toen kwam ik bij een kauw terecht, zo’n grauwe lelijkerd.’ ‘En waarom dat?’ ‘Je weet toch dat er een kauwennest zit in de struik bij de voordeur? Gisteren liep ik het pad op en vader kauw zat in de boom. Hij zag me langs de struik lopen en ging toch tekeer, niet normaal. En moeder kauw vloog rakelings langs mij heen om te voorkomen dat ik te dicht bij het nest kwam. Doodsbang dat ik haar jonkies wat aan zou doen.’ De nieuwe marshmallow die Floor in mijn mond stopt, laat ik even smelten zonder erop te bijten. Als ik hem ten slotte doorgeslikt heb, vervolg ik mijn verhaal: ‘Ze moeten het niet wagen om aan mijn jong te komen. Als Rosalie gepest zou worden om haar scoliose …’

15


‘Nou, wat dan?’ De pretlichtjes dansen in Floors ogen. ‘Dan zou jij ze wegjagen met je grote vleugels? Je zou ze wegpikken met je snavel?’ Een beetje verlegen kijk ik hem aan. Nee, hij weet wel dat ik niet veel waard ben. Dat ik amper voor mezelf op kan komen. Maar ik kan wel proberen om Rosalie weerbaar te maken. ‘Floor, ik denk dat we veel met haar moeten praten. Dat het niet erg is om krom te zijn. Dat ze mag zijn wie ze is.’ Bedachtzaam knikt hij. ‘Zeker weten. Maar misschien weet onze Roos drommels goed wie ze is. Enne … vergeet niet wat het belangrijkste is …’ Even vouwt hij allebei zijn handen om de mijne en geeft er een kneepje in. ‘Wees in geen ding bezorgd. Ook niet over de gevolgen van een kromme wervelkolom.’ ‘Ha papsonius!’ Rosalie smijt de poort open en slaat Floor enthousiast op zijn schouder. ‘Ha Roos! Hoe is tie? Hé, je moeder zit hier ook, hoor.’ ‘Ha mam. ’t Was lachen vanavond! Een klant vroeg om cakemix van een bepaald merk. Nou, ik wist dat het ergens in een kar kon zitten die helemaal achter in het magazijn stond. Dus ik klom omhoog en klauterde over de andere containers naar die ene kar en toen heb ik het daar ergens onderuit gehaald. ’t Leek wel apenkooien! M’n collega’s zeiden dat ik gek was, maar voor een klant moet je toch wat overhebben? Nou, ik gaf het aan die klant, maar dat mens zei geeneens dankjewel. Dat doe ik dus nooit meer. Maar we hebben wel gelachen met zijn allen!’ Ze propt een paar marshmallows naar binnen en roept met volle mond naar mijn broer die juist naar buiten komt: ‘Ha, ome Willem!’ ‘Hé, nichtje van me! Goed je weer te zien!’ Hij steekt zijn

16


vuist in de lucht en ze geven elkaar een boks. Daarna begroet Wanda haar. ‘Ha Roos, je moeder zei dat je al gegeten hebt bij de Jumbo?’ ‘Klopt. Een magnetronmaaltijd lasagne. En een grote beker aardbeienkwark toe. Mjammie!’ ‘Heb je nog een gaatje voor een paar sateetjes? Ik heb wat voor je bewaard.’ ‘Tuurlijk, tante Wanda. Lekker!’ Direct erachteraan vraagt ze: ‘Zijn Harm en Henneke boven?’ ‘Ja, die zijn voor school bezig. Harm heeft volgende week toetsweek en Henneke …’ Weg stuift ze al, het huis in. Vanaf mijn stoel achter in de tuin kan ik haar horen brullen: ‘Ha-arm! Henneke!’ Binnen een mum van tijd is de tuin gevuld met hun gelach en geklets. Net drie drukke huismussen. Tevreden glimlachend kijk ik naar Floor. Weg is onze rust. En zo hoort dat. ‘Heeft mijn kleine nichtje in havo 2 nog geen huiswerk?’ vraagt Harm neerbuigend als ze alle drie een stoel om de vuurkorf geschoven hebben. ‘Huh, jij zit pas in de eerste en jij hebt meestal minder te doen dan ik. Een luizenleventje!’ ‘Ho even, “u” hè? Ik zit in het ho-ger be-roeps-on-der-wijs. Jij komt pas kijken, krielkip.’ Rosalie steekt haar tong naar hem uit en probeert haar neef met haar schoen aan te tikken, maar hij trekt zijn voet op het juiste moment opzij. ‘Mis poes!’ lacht hij en wijst naar haar kuit. ‘Wat heb je daar?’ ‘Een pleister. Dat zie je toch?’

17


Ik buig me over haar been. ‘Ben je gevallen?’ ‘Nee hoor, ’t is helemaal niks.’ Haar mondhoeken trekken naar beneden. Ze draait haar lijf van mij af en grinnikt tegen Henneke: ‘We hebben dubbel gelegen! Ik moest uitrijden. Dat was een snertwerk. Kratten van de containers af halen en in het magazijn neerzetten. Een zware klus. Kratten frisdrank en pils en zo. En olie.’ ‘Olie?’ Henneke trekt haar wenkbrauwen op. ‘Ja, zonnebloemolie en olijfolie. Nou, ik pakte een krat met olief lessen van de container en zette hem op de grond neer. Ineens hoor ik: Krak! Twee f lessen kapot en al dat glibberspul in het magazijn.’ ‘Dan zette je die krat vast niet zachtzinnig neer’, merkt Floor op. Het levert hem een misprijzende blik van Rosalie op. Onmiddellijk gaat ze verder: ‘Ik moest die kliederzooi natuurlijk opruimen. Nou, en toen kwam ik te hard aanlopen en gleed uit. Ik lag languit op de vloer. Tim en Marieke hadden het niet meer van het lachen!’ Of je nu wilt of niet, als je haar guitige gezicht met die vrolijke wipneus ziet, moet je wel met haar meelachen. Wat is onze dochter toch een heerlijke meid. Fijn dat ze zo’n lol heeft bij de Jumbo! Vakkenvuller … Opeens verstrakt mijn gezicht. Sjouwen, vakken vullen, kratten pils optillen. Dat zware werk kan nooit goed voor haar rug zijn. Afwezig staar ik naar de sateetjes, die al lekker bruin worden. Floors blik kruist de mijne. ‘Waar zit jij met je gedachten?’ Als ik mijn hoofd schud, slaat hij zijn arm om mij heen en trekt mij stevig tegen zich aan.

18


Opeens staat Harm op en geeft zijn smartphone aan Henneke. ‘Ik ga nu de uitdaging aan’, zegt hij met luide stem. ‘Komen jullie allemaal mee?’ Verbaasd kijk ik naar de jongeren. Is er iets wat ik gemist heb? Als Harm mijn vragende blik ziet, legt hij kort uit: ‘Via Facebook heeft een vriend mij uitgedaagd om in het water te springen. Als ik het niet doe, moet ik hem een etentje aanbieden.’ Floor en ik kijken elkaar even aan. Zijn mondhoeken krullen naar boven en hij haalt zijn schouders op. Hij doet niet aan Facebook. ‘Ik praat liever face to face’, zegt hij altijd. Met een brede grijns prikt Harm zijn zus in haar buik. ‘Natuurlijk doe ik het! Alleen Henneke is verschrikkelijk benauwd dat ik haar ga nomineren. Bang dat alle klasgenoten uit havo 4 haar op een filmpje in het water zien duiken. Toch, Hen?’ Met grote stappen beent hij naar de trap die naar de dijk leidt. ‘Komen jullie mee?’ ‘Wat? Ga je in de Lek?’ Mijn gezicht vormt waarschijnlijk één groot vraagteken, want Harm schiet in de lach en zegt: ‘Ja, tante Nicky, gekleed en wel. En pas maar op dat ik de beurt niet aan u doorgeef!’ ‘Dat doe je vast niet. Trouwens, hoe haal je het in je hoofd om te denken dat ik met mijn kleren aan in dat koude water zou springen. Ik kijk wel drie keer uit!’ ‘Nou … U zou het goed doen’, lacht Harm. ‘Ik denk dat ik u maar kies.’ ‘Ja!’ roept Rosalie. ‘Dan heb je je etentje al binnen. Zij durft toch nooit wat!’ Au! Dat steekt. Waarom zegt ze dat nou? Snel kijk ik om me heen. Hoe valt haar opmerking bij de anderen? Floor staat samen met Henneke over Harms smartphone gebogen en Wanda haalt de laatste sateetjes van het vuur.

19


Willem en Rosalie lopen al achter Harm de trap op. Als iedereen hen volgt, slenter ik er ook achteraan. Als laatste. Floor werpt een blik achterom en grijnst naar me. Ik haal direct een glimlach voor hem tevoorschijn en besluit Rosalies opmerking diep weg te stoppen. Nou ja, het is uiteindelijk ook maar puberpraat … Op de grove rivierkeien trekt Harm zijn schoenen uit. Met blote voeten schuifelt hij naar het water en stopt zijn grote teen er even in. ‘Koud!’ roept hij naar boven, waar wij allemaal staan te wachten. ‘Je moet springen!’ Rosalie gebaart naar de rivier. ‘Ja, maar dat water is ijskoud.’ Hij bukt zich en gooit wat water over zijn enkels. Dan roept hij naar boven: ‘Oké, hier komt ’ie dan. Hen, filmen!’ Kaarsrecht staat hij met zijn lijf naar de smartphone toe en zegt duidelijk verstaanbaar: ‘Bedankt voor de nominatie. Ik ga de sprong wagen. Het is binnen 48 uur, dus ik hoef geen etentje te geven aan Pieter de Vries en Aart Jan Ossenkamp. De volgende mensen ga ik nomineren om gekleed in het water te springen: John Vorenberg, omdat hij mij met mijn laatste werkstuk geholpen heeft en voor wat, hoort wat. Als tweede: mijn vader Willem Heuvelman, omdat ik dan grote kans heb om een gratis etentje te krijgen. En als derde, last but not least: mijn zus Henneke, omdat ze wel in is voor een lolletje. Mensen, succes! Hier komt mijn sprong.’ Voorzichtig loopt Harm de Lek in. Als het water tot aan zijn knieën komt, draait hij zich met een brede grijns op zijn gezicht om, kijkt in de camera en steekt twee duimen op. ‘Springen!’ roept Henneke. Dan steekt hij zijn armen in de lucht, zet af en plonst in het water. Even later komt hij proestend boven en beklimt bibbe­

20


rend maar breeduit lachend het dijktalud. ‘Ziezo, en nu jullie’, zegt hij. ‘We wachten af, zwager.’ Floor legt zijn hand op Willems schouder. ‘Nodig jij ons ook uit als je gaat springen? Daar willen we graag bij zijn!’ ‘Als ik spring … Daar zeg je wat’, bromt Willem. ‘Ik hoop dat het een tropentemperatuur wordt, dan is dat water tenminste wat warmer …’ ‘Ben ik even blij dat ik niet genomineerd ben’, lacht Floor. ‘Wat jij, Nick?’ Even lach ik hem lief toe. Hij zou zonder problemen in het water springen. Dat weet iedereen. Ook Rosalie. Maar die is er helemaal van overtuigd dat haar moeder te bang is om zoiets te durven. Met zijn allen steken we de dijk over en lopen de trap af naar Willem en Wanda’s tuin. Harm heeft zijn druipnatte shirt uitgetrokken en probeert het boven Rosalies hoofd uit te wringen, terwijl zij hem uit alle macht wegduwt. Grote lol bij alle twee. Het lijkt alsof ze geen moment meer aan de uitslag van de dokter denkt. Doet het haar niks dat ze het vonnis ‘scoliose’ heeft gekregen? Terwijl de anderen nog even bij de vijver kijken, ga ik alvast in een tuinstoel zitten. Met een frons zie ik dat Harm Rosalies armen beetpakt en naar Henneke schreeuwt dat die haar benen moet nemen. Samen slingeren ze haar achter in de tuin boven de sloot heen en weer. Als Rosalie ten slotte losgelaten wordt, rent ze naar de zithoek waar ze hijgend en naproestend op een stoel neervalt. Op de tuinstoel die het verste van mij verwijderd is.

21


Turn static files into dynamic content formats.

Create a flipbook
zwanenmoeder by Erdee Media Groep - Issuu