1. Werpt al uw bekommernis op Hem, want Hij zorgt voor u. Werpt al uw bekommernis op Hem, want Hij zorgt voor u. 1 Petrus 5:7
W
e willen met u spreken over drie zaken:
1. Over de bekommernissen van de vromen; 2. Over het bevel des Heeren, om die bekommernissen op Hem te werpen; 3. Over de zorg des Heeren voor de Zijnen. 1. Over de bekommernissen van de vromen Dat zijn de bekommernissen van Gods gelovige volk. Want zij zijn het die door Petrus worden aangesproken, vermaand, opgewekt en bemoedigd. Het klinkt in eerste instantie wat vreemd, zouden we zeggen, dat er nu juist op de weg naar de hemel bekommernissen gevonden moeten worden! U zegt misschien: Ik meende dat het pad van de rechtvaardige geheel effen is? Zijn er 11
dan echt nog bekommernissen in het hart van dat volk waarvan Mozes uitriep: ‘Welgelukzalig zijt gij, o Israël! Wie is u gelijk? Gij zijt een volk, verlost door de Heere’? Zijn er dan echt nog bekommernissen in het hart van dat koninklijk priesterdom wat Paulus toeroept: ‘Wederom zeg ik u, verblijdt u’? Moeten er dan nog bekommernissen zijn in het hart van dat volk tot wie Jehova zegt: ‘Alle instrument dat tegen u bereid wordt, zal niet gelukken, en alle tong, die in het gericht tegen u opstaat, zult gij verdoemen; dat is de erve der knechten des Heeren, en hun gerechtigheid is uit Mij, spreekt de Heere.’ Is een volk dat zo zeer beweldadigd is, is een volk wiens God de Heere is, is een volk dat naar de hemel reist dan nog steeds aan bekommernissen onderworpen? O ja, mijn vrienden, dat heeft de ondervinding van alle tijden wel geleerd. Een gelukkige Paulus zegt van zichzelf én van al zijn gelukkige medebroeders: ‘Wij ook zelven, die de eerstelingen des Geestes hebben, wij ook zelven, zeg ik, zuchten in onszelven, bezwaard zijnde.’ En wat te denken van de brief van Petrus? Uit de hele inhoud blijkt dat de brief geschreven is aan Gods gelukkige volk. Aan een volk dat uitverkoren was, naar de voorkennis van God de Vader. Aan een 12
volk, dat in de kracht Gods bewaard wordt tot de zaligheid. De brief is geschreven aan een volk dat zich in Christus mocht verheugen met een onuitsprekelijke en heerlijke vreugde. Toch geeft Petrus in onze tekst duidelijk te kennen dat dit volk nog aan vele bekommernissen onderworpen is. Ook ieder die de Heere vreest ondervindt nog steeds bekommernissen, van allerlei aard en allerlei soort. De mens is immers tot moeite geboren (Job 5:7). Kom, laten we eens bezien aan welke bekommernissen een christen zoal is onderworpen. In de eerste plaats is een christen vaak bekommerd over zichzelf en over zijn eeuwig belang. Hij reist naar de eeuwigheid en is verantwoordelijk voor een onsterfelijke ziel. Een christen is menigmaal bekommerd om het behoud van zijn ziel, en om deze in Christus geborgen te krijgen. Met name aan het begin van de weg ĂŠn in tijden van bestrijding en onzekerheid. Hij weet dat zijn hart zo boos en arglistig is. Dat hij zo geneigd is tot zelfbedrog. Hij zou zo graag vaste grond onder zijn voeten hebben. Dat alles maakt hem bekommerd. Soms voelt hij zich aangevallen door de vijand van zijn zaligheid. Dan wordt hij gekweld met gedachten als: ‘Zou mijn zonde 13
niet te groot zijn? Zou de Heere Zich nog willen ontfermen over een monster als ik ben? Ik heb tegen zoveel licht gezondigd. Ik heb honderden keren mijn geweten tot zwijgen gemaand en al zoveel jaren de Heere getergd. Deze en andere gedachten van het ongeloof en inwerpingen van de satan kunnen de ziel van de pasbeginnende christen zo menigmaal uit het veld slaan. Ze kunnen zijn ziel moedeloos en bekommerd maken, zodat hij treurig bij de pakken neerzit. En dat terwijl hij onder dat alles tĂłch geen andere weg weet, en ook geen andere weg begeert, dan om zich elke dag als een onmachtige en doodschuldige aan de voeten van Jezus neer te werpen, en daar te blijven, wachtend op genade. In de tweede plaats zijn de gelovigen doorgaans voortdurend bekommerd over hun zonden en over de boze gesteldheid van hun hart. Dit deed David klagen: ‘Ik ben bekommerd vanwege mijn zonden.’ Ze zouden zo graag voor de Heere leven, en ze voelen dat ze dat niet kunnen, want ze hebben een ondeugend hart en een weglopend hart. Voortdurend komen er allerlei boze gedachten in hen op, zelfs tijdens het gebed en terwijl ze hun beste plichten nakomen. Dat brengt hen zo in bekommernis, en dat doet hen zo vaak 14
zuchten over dat af- en omzwerven, dat ze met Paulus klagen: ‘Ik ellendig mens, wie zal mij verlossen uit het lichaam dezes doods? (...) Want ik weet dat in mij, dat is in mijn vlees, geen goed woont.’ Kent u dat, vrienden? Kent u dat zuchten en dat bezwaard zijn onder een lastig pak van zonden? Doet het u smart en hebt u er leed van dat u een natuur in u omdraagt die niet anders kan dan zondigen? Hebt u zielenpijn van uw zonden, ook al gelooft u dat u vanwege uw zonden niet buiten de hemel zult blijven? Smart het u, dat u de goede God zo beledigt door uw zonde, en dat u het hier nooit beter kunt maken? Is onder dit alles uw oog voortdurend op Jezus? Dan mag ik u op grond van de Bijbel verzekeren dat u niet verloren kunt gaan. Want hij die op Jezus leunt, en vermaak vindt in het leven door het geloof voor de Heere én in het leven van dankbare godzaligheid, die zal ook eenmaal dat vermaak in de hemel genieten. Daar zal hij eeuwig, zonder zonde, voor eeuwig voor de Heere leven. Daar staat de Bijbel vol van. Het omgekeerde is echter ook waar. Kent u geen bekommernis over uw zonden? Behoort u tot de gerusten te Sion? Vermijdt u alleen sommige zonden omdat er schade en schande mee 15
gepaard gaat, of omdat u vreest dat de zonde u voor nu én voor eeuwig ongelukkig zal maken? Hebt u anders de zonde lief? Zou u er niets op tegen hebben om dagelijks volop in de zonde te leven als er maar geen hel of geen eeuwigheid was? Wees er dan van overtuigd dat de Heere een ‘wee’ tegen u uitspreekt, en dat Hij u toeroept dat het u eeuwig kwalijk zal gaan! In de derde plaats heeft een christen bekommernissen, als hij niet alleen let op zijn hart, maar ook op zijn wandel en op de vele tekortkomingen in zijn hele gedrag. Vaak zwijgt hij, op momenten dat het zijn roeping is om vrijmoedig te spreken. Een andere keer praat hij honderd uit, waar hij eigenlijk zou moeten zwijgen. Hij scheldt en gaat tekeer op momenten dat hij het ongelijk zachtmoedig zou moeten verdragen, zelfs op momenten dat hem niet eens onrecht wordt aangedaan. Wat is hij vaak lui en slaperig als hij tot zijn plicht wordt geroepen. Wat ontdekt hij weinig zondaarsliefde en medelijden met anderen in zijn hart. Wat is hij koel als het gaat om liefde tot zijn medebroeders. Wat heeft hij vaak weinig op met het dierbare Woord van God. Wat maakt hij vaak plannen en wat onderneemt hij veel dingen zonder God daarin te 16
kennen. Wat voelt hij vaak dat hij veel te vast gekleefd zit aan de dingen van deze tijd. Hij verliest zijn sterfelijkheid uit het oog en vergeet om bij de dag te leven. Hij ... ach, wat zal ik meer zeggen. Zo’n christen voelt zich in zichzelf een diep gebrekkig schepsel. Dat vervult zijn hart vaak met bekommernis, en dat doet hem zeggen: ‘Och, wie ben ik toch, en wie moest ik zijn voor de Heere!’ In de vierde plaats heeft de christen ook bekommernis over de ellende waarin de kerk verkeert. Aan de ene kant ziet hij allerlei valse leringen en verderfelijke ketterijen die hand over hand toenemen en het land overspoelen. Aan de andere kant vindt hij bij zichzelf en bij andere vromen lauwheid, verachtering, een afzakken van de Heere, en mist hij de geest van het gebed om evenals Abraham biddende te blijven staan voor het aangezicht des Heeren. Hij ziet dat Gods volk het onder elkaar niet eens kan worden. Hij ziet hoe ze in ontelbare partijen en afdelingen gescheiden optrekken, verstrooid als schapen die geen herder hebben. Hij ziet onder dat volk liefdeloosheid, partijschappen, scheuringen, een veroordelen en een verbijten van elkaar en méér andere ellende. Omdat hij met al zijn gebrek 17
Sion liefheeft ĂŠn de waarheid liefheeft, veroorzaakt dit bij hem bekommernis. Dagelijks vreest hij dat de Heere al meer en meer met slagen en plagen over land en kerk zal komen, omdat Zijn eigen volk zijn wegen zo verdorven heeft tegen de Heere. In de vijfde plaats heeft de christen vaak bekommernis over de eeuwige belangen van andere mensen, en in het bijzonder over de eeuwige welstand van zijn dierbaarste betrekkingen die net als hij zelf, voor de eeuwigheid bestemd zijn. Hij heeft mogelijk een onbekeerde echtgenoot, onbekeerde ouders of kinderen die nog niet bereid zijn voor de eeuwigheid. In hen ziet hij zo duidelijk het beeld van de eerste Adam. Maar hij ziet ook dat zij het beeld van de tweede Adam nog totaal missen. We lezen van David dat hij God zocht voor het jongetje van Bathseba. Welnu, dat doen de vromen ook zo vaak. Zij zoeken God voor hun arme ouders, voor hun echtgenoten en kinderen. Ze zien hen dikwijls aan met medelijden en droefheid in hun ogen. Ze zouden het hen zo graag gunnen dat zij met hen op de weg naar het zalige vaderland zouden mogen wandelen. Maar zij kunnen niemand de bekering geven. 18
In de zesde plaats heeft de christen ook bekommernis over al zijn tijdelijke zaken en omstandigheden. Het is hun plicht om trouw te zorgen waar het huiselijke belangen betreft. Paulus zegt: ‘Zo iemand de zijnen, en voornamelijk zijn huisgenoten, niet verzorgt, die heeft het geloof verloochend, en is erger dan een ongelovige geworden.’ Toch moeten wij ook opmerken dat de bekommernis in het hart van Gods kinderen vaak veel te ver gaat, in het bijzonder als de zaken achteruit gaan en de toekomst er donker uitziet. Dan is het vaak: Wat zullen wij eten? Wat zullen wij drinken? Waarmee zullen we ons kleden? Hoe krijgen we onze schuld betaald? Wat zullen wij onze arme kinderen nalaten als wij zullen sterven? Zie, zo hebben ook Gods kinderen de bekommeringen in het leven. En die bekommering kan zo groot zijn in wegen van ziekte of andere tegenspoed, dat degene die het treft weleens moedeloos bij de pakken gaat neerzitten met zijn hoofd in de handen, vrezende dat hij er nooit door zal komen. Trouwens, bekommernissen in het hart van de mens buigen het terneder, zo zegt de Spreukendichter. Elk hart kent zijn eigen bittere droefheid; en door de smart van het hart wordt de geest verslagen. De bekommernis van 19
de christen kan bijzonder hoog gaan als hij te midden van tijdelijke tegenspoeden ook inwendige donkerheid moet ondervinden. Dan kan het hem toeschijnen dat de Heere hem verlaten heeft. En als de zonden van binnen dan sterk woelen en de verzoekingen tot zonde veel vat op de ziel hebben, dan vreest hij nog eens in ergerlijke zonden te zullen neerstorten, en terug te keren tot de wereld. O, dat zijn onderdrukkingen die een wijs man dol kunnen maken (Pred. 7:7). Dan is de arme ziel geneigd om met het Sion van de oude dag uit te roepen: ‘De Heere heeft mij begeven en verlaten!’ Maar we letten op de tweede zaak: 2. Over het bevel des Heeren, om die bekommernissen op Hem te werpen Ik weet eigenlijk niet of ik dit een bevel moet noemen of een genadige vergunning. Want het is enerzijds een bevel, maar tegelijkertijd een vergunning en een zeer dierbaar voorrecht. Bekommernissen zijn voortdurend het lot van Gods kinderen. En wat zou het ongelukkig zijn als ze daarmee in zichzelf zouden moeten eindigen, of als ze daarmee alleen de toevlucht mochten nemen tot mensen. Want ’s mensen heil is ijdelheid. Een koning die om hulp gevraagd wordt, moet weleens zeggen: Vanwaar zou ik helpen? Van 20
de dorsvloer of van de wijnpers? (2 Kon. 6:27). Onder de mensen kan het gebeuren dat én hij die helpt én hij die geholpen wordt, beiden struikelen en neervallen. Maar welgelukzalig is hij die de God Jakobs tot zijn hulp heeft, want de Heere is krachtiglijk bevonden een hulp in benauwdheden. Gelukkig is hij dan ook, die naar Gods bevel en naar Gods vergunning al zijn bekommernis op Hem mag werpen. Maar nu is het de vraag wat houdt dat in ‘zijn bekommernissen op de Heere te werpen’? Ik antwoord: Hier wordt niet gevergd om alle zorgen en bekommernissen geheel af te leggen, want dat zou zijn alsof van een mens gevraagd wordt om op te houden om nog langer mens te zijn. Zolang wij mens zijn op een wereld die door de zonde totaal in wanorde is geraakt, en die om der zonden wil allerlei bitterheid oplevert; zolang wij van de Heere uitwonen, en een zondig hart in ons omdragen, zal de zorg en de bekommering nooit helemaal ophouden. Zolang hier de geest en het vlees tegenover elkaar staan op het slagveld, zal de kommer en de smart over de zonde er altijd moeten zijn. En dat om reden dat we te midden van alle smart en bekommering over de zonde de toevlucht nemen tot de Heere, en bij Hem schuilen. Dat we aan Hem onze nood 21
klagen met Petrus, zeggende: ‘Heere, tot wien zullen wij heengaan? Gij hebt de woorden des eeuwigen levens.’ Toen David bekommerd was vanwege zijn zonde, eindigde hij daarmee niet in zichzelf. Hij riep ook niet met Kaïn: ‘Mijn misdaad is te groot om vergeven te worden.’ Maar David wierp zijn bekommernis voor de Heere en riep: ‘Heere, verlaat mij niet, en wees niet verre van mij!’ Zijn bekommernis op de Heere te werpen, zal in andere gevallen ook zijn, om met het gebruikmaken van alle geoorloofde middelen die de mens voor handen heeft steeds op te zien tot de Heere, en Hem onze wegen te vertellen. Dan zullen we Hem in elke weg en omstandigheid licht en raad vragen, en op die manier de Heere kennen in al onze wegen, opdat Hij onze paden mocht recht maken. Dan zullen we de Heere op die manier smeken om Zijn zegen, Zijn gunst en Zijn goedkeuring over al onze plannen en voornemens. Paulus vermaant: ‘Weest in geen ding bezorgd, maar laat uw begeerten in alles door bidden en smeken, met dankzegging bekend worden bij God. Verder zal het werpen van onze bekommernis op de Heere bestaan in het biddend de toevlucht nemen tot Hem te midden van uitwendige of in22
wendige moeilijkheden of drukwegen. Dan zal men met de dichter zeggen: ‘Zie, gelijk de ogen der knechten zijn op de hand hunner heren, gelijk de ogen der dienstmaagd zijn op de hand harer vrouw, alzo zijn onze ogen op de Heere onze God, totdat Hij ons genadig zij.’ En als de Heere dan niet spoedig uitredding geeft, zal men niet direct alle hoop en moed verliezen, of zeggen: ‘Mijn sterkte is vergaan, en mijn hoop van de Heere. Maar dan zal men Gods vrijmacht eerbiedig erkennen en met Elia zeggen: ‘Hij is de Heere, Hij doe wat goed is in Zijn ogen.’ Zulken blijven intussen eerbiedig en lijdzaam wachten als de wachters op de morgen, omdat de Heere alle dingen schoon maakt op Zijn eigen tijd en wijze. Letten we nu ten slotte op de belofte die in onze tekst voorkomt, waarin gesproken wordt : 3. Over de zorg des Heeren voor de Zijnen De Heere belooft voor hen te zorgen. In het algemeen kunnen we zeggen dat God zorgt voor alles wat Hij geschapen heeft. De dichter van Psalm 145 zegt: ‘De Heere is aan allen goed, en Zijn barmhartigheden zijn over al Zijn werken.’ Hij onderhoudt mensen en beesten. Zo dacht God niet alleen aan Noach, maar ook aan al het 23
gedierte en aan al het vee dat met hem in de ark was gegaan. Maar, hoewel het waar is dat de Heere goedertieren zorgt voor al zijn schepselen, zo zorgt Hij toch op een bijzondere manier voor Zijn gunst- en erfvolk. Hij vergeet de hoop van Zijn ellendigen niet. Hij is de Behouder van alle mensen, maar het meest van de gelovigen. Zou het echt waar zijn dat God voor Zijn volk zorgt? Kunnen we dat staande houden? Leert de ondervinding ons niet het tegendeel? Ik heb wel van vrome mensen gelezen dat God toeliet dat hun bezittingen en hun goederen door vijanden werden geroofd, enkel en alleen omdat zij vasthielden aan de Naam des Heeren (Hebr. 10:34). Van anderen heb ik gelezen dat ze om de zaak des Heeren moesten zwerven en ronddolen op de bergen. Dat ze moesten vernachten in spelonken en holen van de aarde. Ze gingen gekleed in schapen- en geitenvellen. Anderen zijn verlaten, gedrukt en kwalijk behandeld (Hebr. 11:36-39). Daar zien we toch geen zorg in van God voor Zijn volk? Van weer anderen lezen we dat ze vermoord zijn vanwege hun godsvrees. De kerk heeft zelfs geklaagd dat hun een eerlijke begrafenis werd geweigerd. Denk aan Psalm 79, waar we lezen dat men de dode lichamen van Gods knechten aan het ge24
vogelte des hemels ten spijs heeft gegeven, en het vlees van Gods gunstgenoten aan de dieren des lands. Hun bloed is rondom Jeruzalem vergoten als water, en er was niemand die hen begroef. In Psalm 141 vers 7 lezen we: ‘Onze beenderen zijn verstrooid aan de mond des grafs, gelijk of iemand op de aarde iets gekloofd en verdeeld had.’ Als het dan zó gaat met de godzaligen, als sommigen van hen hier op aarde geen kleding, geen huis of onderdak kunnen vinden en als ballingen moeten ronddolen in de woestijn; als duizenden van Gods kinderen de marteldood moeten ondergaan, en als zelfs hun gestorven lichaam geen plaats kan krijgen in een eerlijk graf, maar op het veld gegooid moet worden voor het gedierte, zodat later hun koude gebeente nog gevonden wordt terwijl het verstrooid ligt aan de mond van het graf, waaruit blijkt dan dat God voor Zijn volk zorgt? Zorgt Hij dan niet veel meer voor gemene en slechte wereldse mensen, voor vijanden en spotters? Bij hen groeien hier de rozen op de schoenen. Zij genieten dag in dag uit overvloed en gezondheid, en na hun dood krijgen ze een eerlijk graf. Ach ja, mijn vrienden! Zo redeneert ons verstand, maar ons verstand is verduisterd, en ons hart is een boos, lelijk hart. Iemand die gees25
telijk arm en eenvoudig is in zichzelf, gelooft en ervaart echt wel, dat God op een bijzondere en tedere manier zorgt voor Zijn volk, ook al kunnen ze in veel dingen Gods wegen niet doorzien. God zorgt voor de Zijnen. Hij maakt dat ze niet te rijk worden, en niet te veel gemak en voorspoed hebben. Waarom? Omdat hun dit geen schade en nadeel zou mogen toebrengen aan de welstand van hun ziel. Rijkdom is voor iemand met genade vaak als glad ijs. De alleen wijze God weet dat de schatten vaak netten zijn voor Zijn kinderen. Daarom zorgt Hij dat ze niet te rijk worden, maar voedt hen met het brood van hun bescheiden deel, opdat ze – zat zijnde – niet tegen hun weldoener zouden achteruitslaan en zeggen: Wie is de Heere? (Spr. 30:8 en 9). De Heere zorgt er ook voor dat Zijn volk niet te arm wordt en niet te veel tegenspoed heeft. Hij zorgt ervoor dat ze keer op keer wonderlijk uit de nood gered worden, en dat ze daarin Zijn hand erkennen als de hand van die God, Die te allen tijde al hun zaken heeft uitgevoerd (Jes. 26:12. De Heere zal naar Zijn onbegrijpelijke wijsheid en goedheid altijd voor Zijn volk zorgen. Hij zorgt dat ze zóveel voorspoed en tegenspoed hebben, dat hun 26
alle dingen medewerken ten goede (Rom. 8:28). God zorgt ervoor dat ze een huis hebben. En al is het dat ze evenals David geen huis gebouwd van cederen krijgen, hun huis is tรณch beter dan het wonen in een spelonk, waarin Lot woonde met zijn dochters. God zorgt dat Zijn kinderen niet zonder kleding zijn. En al hebben zij geen kleding zoals Salomo die had en waarmee hij gekleed was in al zijn heerlijkheid, hun kleding is zeker niet minder dan de kemelsharen mantel van Johannes de Doper. God zorgt dat de Zijnen niet omkomen onder de verzoekingen van de satan, en dat hun zwakke geestelijke leven niet verloren raakt. Hij laat hen nooit verzocht worden boven hun vermogen, maar Hij geeft in de verzoekingen ook de uitkomst. O, als we er eens een juist zicht op zouden krijgen hoe de duivel er dag aan dag opuit is om het leven van Gods volk te vernielen en hen af te trekken van de smalle weg; en als we eens precies zouden weten hoe uitermate zwak Gods volk is in alles, en hoe ze door de kracht van de inwonende zonde in een dagelijks gevaar verkeren om weer helemaal in de wereld te geraken, dan zouden we zoveel te meer afhankelijk zijn. Dan zou de belofte van deze tekst ons zoveel 27
dierbaarder en onmisbaarder zijn. O, wat is het een zalig woord: ‘God zorgt voor u.’ Wat zou er anders van ons worden, te midden van zoveel sterke geestelijke vijanden? Maar luister, vromen, God zorgt voor u! U hebt een almachtige en genadige zorg in de hemel! ‘O God, Gij zijt vreselijk uit Uw heiligdommen; de God Israëls geeft den volke sterkte en krachten. Geloofd zij God’(Ps. 68:36). God zorgt voor u in alle zaken die nuttig en goed voor u zijn, en die dienstbaar kunnen zijn aan Uw eeuwige zaligheid. Als u uw afgelegde weg eens overziet, hebt u dan wel íets tegen de Heere in te brengen? Ten slotte: God zorgt voor u, in uw gezondheid en in uw ziekte. God zorgt voor u, naar het lichaam en naar de ziel. God zorgt voor u, in uw leven en op uw doodsbed. En Hij zal u eeuwig een God van volkomen zaligheid zijn, en u eenmaal vertroosten in de hemel. Toepassing ‘Werpt al uw bekommernissen op Hem.’ Wat is het ongelukkig dat veel mensen die ware zorg en bekommering over de zonde niet kennen, en dat zij met hun andere zorg en bekommering over de wereldse dingen nooit tot God hebben leren vluchten. Sommige mensen bekommeren zich 28
er slechts over hoe zij de zonde zullen uitvoeren. En áls ze die uitgevoerd hebben, hoe ze die voor de mensen kunnen verbergen. Andere arme zielen bekommeren zich alleen om het wereldse goed. Hoe ze hun schuld kunnen betalen. Wat ze eten en drinken zullen, en hoe ze rijk zullen worden. Zonder dat zij ooit eens denken aan de hel, de hemel of de eeuwigheid én aan het gevaar waarin hun onsterfelijke zielen verkeren. Ik las eens iets van een zonderlinge man. Hij leefde bijna alleen op de wereld. Het enige wat hij had waren een hond en een kind. En hoor nu eens hoe hij met deze twee om ging! Hij gaf zijn hond wijn te drinken, en zorgde dat er voldoende voorraad was van allerlei vlees en ander kostelijk eten. Van de morgen tot de avond was deze man bekommerd en bezorgd om het goede voor dit lelijke, onreine beest te vinden. Maar aan zijn kind besteedde hij maar weinig zorg. Dat kind kreeg nauwelijks een klein stukje grof brood. Dagen achter elkaar keek hij er amper naar om, en uiteindelijk liet hij het kind doodhongeren zodat het zeer ellendig omkwam. Vrienden, ik wil u twee vragen stellen. Wat vindt u van deze onverstandige en barbaarse man? Hij verdient toch niet anders dan het schavot of de galg? Verdient hij niet om zélf een pijnlijke dood te 29
sterven? Maar mijn tweede vraag is: Kent u deze man niet? Geloof mij, die man ben ik, en dat bent u van nature. Ons lichaam is ten opzichte van onze ziel maar een geringe, grijze en lelijke hond, terwijl onze ziel ons enig kind is waar wij al onze zorg en arbeid aan zouden moeten besteden. En wat zien we nu? Dat wij net als die man zijn, wij die de vuile hond voeden en verzorgen, en het kind laten we van gebrek sterven. Met andere woorden: We verzorgen ons lichaam nauwkeurig. Daar lopen en draven we voor van de morgen tot de avond. En onze kostelijke zielen die bestemd zijn voor de eeuwigheid, och, die verzuimen we, die verwaarlozen we, ja ... die vermoorden we. Of is het met u beter gesteld? Is de dienst des Heeren voortdurend de hoofdzaak in uw leven en is uw beroep voor u niet meer dan bijzaak? Is het voortdurend uw opstaan en uw nederliggen, uw uitgaan en ingaan om maar in Christus geborgen te zijn, en hebt u Hem tot een Leidsman nodig? Is uw hart vervuld met dat éne, dat voor een ieder van ons zo nodig is? Met de arme wereldlingen is het immers zo geheel anders gesteld. Zij kennen geen ander goed dan het goed van deze wereld. Zij roepen steeds: ‘Wie zal ons het goede doen zien?’ Zij hebben de wereld en de zonde lief, en zij kennen dat 30
ware vreemdelingsleven van Gods arme volk niet. Zulke arme, blinde zielen zijn net als die man die zijn hond met veel zorg onderhield, en zijn enig kind van gebrek liet omkomen. Zij zijn bekommerd over de tijdelijke dingen, maar wat de eeuwigheid betreft, daar hebben zij geen zorg over en daarvoor roepen zij de Heere niet aan. Er zijn ook mensen die zich soms bekommeren over dood en eeuwigheid. Zij vrezen dat ze nog eenmaal verloren zullen gaan omdat ze weten dat ze zich nog niet voorbereid hebben op de dag van de dood. Desondanks zijn ze grote liefhebbers van de zonde. En ze zouden nog veel mĂŠĂŠr zondigen en in allerlei ergernis leven, als de vrees voor een toekomend oordeel hen er niet van terughield. Ook zij hebben nooit geleerd om met hun angst en zorg tot God te vluchten. Zij bidden slechts wanneer ze ziek zijn of wanneer ze in een andere nood verkeren. Zij zijn als de schippers met wie Jona voer. Zij riepen tot God toen ze dreigden te vergaan in de storm. Weer anderen zijn er bekommerd over of ze uitwendig wel zedig en onbesproken leven. Ze zouden niet graag liegen, stelen of hun naasten mishandelen. Zij nemen de middelen waar. Ze lezen de Bijbel, bidden vaak, ze durven zelfs wel overluid te bidden, in huis of op andere plaatsen. 31
Maar één ding ontbreekt hun: Ze hebben zich nooit bekommerd over hun vuile hart. Ze hebben nooit geleerd dat hun deugden niet meer zijn dan een wegwerpelijk kleed. Zij zijn nooit ziek geworden om Jezus. Zij missen dat arme zondaarsbestaan en kennen geen walging van zichzelf. O, vrienden, zulken behoorden te vragen om Gods ontdekkende genade, opdat zij zich met Job mochten leren verfoeien, en met Paulus alles schade en drek leerden achten, opdat zij Christus mochten gewinnen en in Hem gevonden mochten worden. U, die nog nooit een arme zondaar voor God geworden bent, en die nog niet hebt leren hongeren naar Christus, het ware Brood des levens, maar die uw tijdelijke belangen stelt boven de eeuwige ... U bent bestemd voor een eeuwigheid! Daarom is het zo nodig uw eeuwig belang te zoeken vóór en boven alle dingen. De Heere laat u zo vriendelijk nodigen tot Zijn dienst en gemeenschap. Hij heeft u al zoveel zegeningen gegeven. Hij heeft al zo lang voor u gezorgd. Dat zijn allemaal roepstemmen voor u, om toch niet de wereld, maar Hem te dienen, en uw heil alleen bij Hem te zoeken. Vaak verkeerde u in nood en armoede. U wist niet hoe u er door moest komen! Maar God zorgde voor u. Hij redde u, en schonk u uitkomst toen u 32
het misschien allerminst verwachtte. Misschien bent u wel eens ziek geweest tot stervens toe. Iedereen wanhoopte aan uw herstel. U durfde uzelf ook niet te beloven dat u zou blijven leven. Maar God zorgde voor u, hoewel u Hem niet kende. Hij richtte u weer op, tegen alle verwachting van uw dierbaren in. Misschien zelfs wel tegen de verwachting van de artsen in. Misschien hebt u vroeg uw vader of moeder verloren, en bent u misschien als een arme, hulpeloze wees ondergebracht bij anderen. Misschien bent u grootgebracht door de diaconie, en hebt u moeten zwerven van de een naar de ander. Misschien hebt u wel harde heren moeten dienen. Maar ... God zorgde voor u, en geeft u mogelijk nu overvloed van brood. Nu bent u misschien gezegend met vele aardse goederen. Hoe dan ook, God heeft in duizend opzichten voor u gezorgd, en u kunt met Samuël zeggen: ‘Tot hiertoe heeft de Heere geholpen.’ Welnu dan, is deze goede God het dan niet waard om voor Hem neer te buigen en met Jakob te zeggen: ‘Ik ben geringer dan al deze weldadigheden en trouw’? Al die Goddelijke zorg en die weldaden zijn voor u allemaal roepstemmen en aansporingen om Hem te vrezen en vervolgens uw bekommernis op Hem te werpen. Och, mocht u dan eens ootmoedig voor 33
de Heere leren neervallen en Hem aanlopen om Zijn Geest. Want u reist toch ook met ons naar de eeuwigheid? Er is voor elke zoeker nog genade te verkrijgen, maar spoedig is het voor eeuwig te laat. Dan zal ál ’s Heeren zorg en goedheid die u hebt versmaad nog tegen u getuigen in het oordeel, en dat tot in alle eeuwigheid! Maar u, volk van God, u hebt uzelf leren kennen als arm, naakt, blind en ellendig, is het niet waar? Dat is goed. Ik denk dat u weleens bij uzelf moet zeggen: ‘Och, wat ben ik toch machteloos, slecht, blind en ellendig. Ik ben ongeschikt voor de hemel en ongeschikt voor de aarde.’ Maar, geen nood! God zorgt voor u. Hij zal de blinden leiden door wegen, die zij niet geweten hebben, en zal ze doen treden door paden die zij niet geweten hebben. Hij zal de duisternis voor hun aangezichten tot licht maken, en het kromme tot recht. Al deze dingen zal Hij hun doen, en Hij zal hen niet verlaten. Vaak verkeerde u in noden of omstandigheden die zeer donker waren. U zag geen redding of uitkomst, noch ter rechter- noch ter linkerhand. Maar God zorgde voor u, en gaf u op Zijn tijd redding en uitkomst. Hij verloste u zo wonderlijk en zo onverwachts, dat u verlegen was met Gods goedheid. U moest met David uitroepen: 34
‘Wat zal ik de Heere vergelden voor al Zijn weldaden?’ Vaak was u in bekommernis over inwendige bestrijding en donkerheid. U dacht dat er voor u geen raad meer was. U meende dat uw zonden te groot waren. U vreesde dat u tegen de Heilige Geest had gezondigd en dat u de onvergeeflijke zonde had gedaan. U dacht dat al uw bidden en roepen tevergeefs was. U zou het van moedeloosheid bijna hebben opgegeven. Een zelfbedacht einde aan uw bange leven kwam u misschien al in de gedachten. Maar God zorgde voor u. En toen de nood op het hoogst was, gaf Hij uitkomst. Hij deed het heerlijkste licht opgaan uit de dikste duisternis. Vaak voelde u uw zondige hart vanbinnen woelen in allerlei verkeerdheden. U voelde een sterke kracht in u om af te wijken van de Heere. U had zich bijna overgegeven in een of andere zonde. Maar God zorgde voor u. Hij bewaarde u wonderlijk. En u mag zeggen: ‘Het is ’s Heeren trouw en goedheid, dat ik nog ben, die ik ben. Vaak was u zo dodig gesteld, dat er bijna geen onderscheid was tussen u en een werelds iemand. Er was zo weinig toe nodig of u was de wereld weer ingegaan. Maar God zorgde voor u. Hij deed u terugkeren en gaf opnieuw licht en leven aan uw ziel, zo35
dat u zich bij vernieuwing aan Hem verbonden mocht gevoelen. Wat zegt u, als u uw weg overziet? Heeft de Heere goed gezorgd of niet? Hebt u in het lichamelijke of in het geestelijke iets tegen de Heere in te brengen? Of heeft Hij het goed gemaakt met u? Kunt u tegen de Heere twisten? Of moet u in verwondering uitroepen: Wie ben ik, en wat is mijn huis, dat de Heere mij tot hiertoe gebracht heeft? Tot hiertoe heeft de Heere geholpen. Hij heeft in duizend opzichten gezorgd, en Hij zal voor u blijven zorgen. Hij zal u ook niet verlaten als u eenmaal op uw doodsbed ligt en uw laatste strijd zult moeten strijden. Welnu, groten en kleinen in de genade, God zal in- en uitwendig voor u blijven zorgen. Verlies de moed dan niet. Vertrouw u met uw lot en weg gerust aan de Heere toe, en laat al de zorg des Heeren voor u een aansporing zijn om Hem hier trouw te dienen. Totdat u eenmaal naar die plaats zult gaan, waar รกlle zorg en kommernis voor eeuwig zullen ophouden! Amen.
1 36