Ook had de Heere God gesproken: Het is niet goed dat de mens alleen zij ‌ Genesis 2:18a
Niet alleen
W
aar komt de gedachte vandaan, dat een mens in zijn oorsprong niet eenzaam, maar twee-zaam is aan gelegd? Waar ligt het begin van de behoefte om alles met een ander te delen? De aantrekkingskracht tussen man en vrouw om altijd samen te zijn? Komt dat allereerst voort uit de behoefte van Adam? Nee, want over deze behoefte lezen we pas later, in vers 20b. Heeft een bepaalde maatschappelijke ontwikkeling deze gedachte ingang doen vinden? Of praten we dit elkaar wat aan, 19
door een traditioneel rollenpatroon? Wezenlijk is, dat de gedachte over ‘niet alleen, maar samen’ ontstaan is in de hémel, in Gods eeuwige gedachten en Zijn raad. In Genesis 2 lezen we immers meer details over het korte feit van Genesis 1:27: ‘En God schiep de mens naar Zijn beeld; man en vrouw schiep Hij hen.’ We horen in Genesis 2:18-25 meer over Gods bedoelingen. Wat lag er achter de schepping van ‘manlijk en vrouwelijk’, zoals er letterlijk staat in het Hebreeuws? Daarachter ligt Gods wijsheid en zorg over ons mensen. Hij wil alles ‘zeer goed’ maken. In Gods eeuwige gedachten liggen zowel de schepping als de herschepping van de mens. Het Woord is daar duidelijk over. Met de uitvoering van Zijn raad begint Hij nu. Van Zijn raad in vers 18 gaat 20
het naar Zijn daad in vers 21 en 22. Dit alles op de zesde dag van de schepping. Wat blijkt Zijn goedheid hier duidelijk! Ons mensen doorgrondend als niemand anders, en de tijden overziend in Zijn alwetendheid, heeft Hij dit zó uitgedacht. Het is beter samen dan alleen. Dan kunnen ze samen beter God eren. Dan kunnen ze samen ‘bouwen en bewaren’. Want het gaat in alles naar Gods eeuwige bedoeling om Zijn eer en het welzijn van elkaar. ‘Twee zijn beter dan één (Pred. 4:9)’, zal de wijze Salomo dan ook later zeggen. Voel je dat ook werkelijk zo?
F 21
Deze verborgenheid is groot; doch ik zeg dit ziende op Christus en op de gemeente. Efeze 5:32
Een grote verborgenheid
W
at bedoelt Paulus met ‘deze verborgenheid’? Letterlijk schrijft hij over een mysterie. Wat hij daarmee bedoelt staat in het vers ervoor: ‘Daarom zal een mens zijn vader en moeder verlaten en zal zijn vrouw aanhangen, en zij twee zullen tot één vlees zijn.’ Hij bedoelt dus het wezen van het huwelijk. In de weg van het verlaten van het ouderlijke gezin; zich blijvend verbinden aan zijn eigen – maatschappelijk erkende – vrouw. En samen een levenseenheid vormen, naar lichaam en ziel. Dat is 22
het wezen van het huwelijk zoals de Schepper het bedoelt. Deze heilzame bedoeling blijft, ook na de val. Wat er ook in en om de mens veranderd is. Zó bedoelt de Heere het: verlaten, trouw blijven en een eenheid vormen. In alles binnen het huwelijksverbond. Maar dit is een paradijs-ideaal? Dit is niet meer haalbaar? Hoe moet dat dan, als …? Wanneer we niet(s) van het Woord weten of willen weten, dan is het duidelijk, dat we geen raad weten met deze scheppingsinzetting. Het is eigenlijk geen wonder dat ermee gespot wordt en dat men ermee afrekent buiten de kerk. In de breedte van onze samenleving stelt men het voor als iets uit de spruitjesgeur van oma. De Godsopenbaring is hun immers onbekend. Maar nu in de kerk: Weten wíj wat de wil van God is en 23
blijft over het huwelijksleven? Laten we ons door het Woord gezeggen? Heeft dat beslag en kracht op ons hart en leven? Het is namelijk een verborgenheid, ons in de Schrift bekendgemaakt. Van onszelf weten we het niet. Het is een groot mysterie zelfs. Maar er staat wat bij in onze tekst. Wanneer gaan we iets (méér) van deze verborgenheid verstaan? Wanneer ga ik het bij bevinding verstaan, zodat het dóórwerkt in ons (huwelijks)leven? Dat is als we Christus, de hemelse Bruidegom, bevindelijk leren kennen in Zijn eenzijdige liefde voor Zijn verkoren bruidsgemeente. Alleen herscheppende genade doet deze verborgenheid namelijk verstaan.
F 24