Zo iemand tot eens opzieners ambt lust heeft, die begeert een treffelijk werk. 1 TimotheĂźs 3:1
Voortreffelijk werk
D
ienen in het ambt in de gemeente van Christus is een voortreffelijk werk. Het is een liefdedienst. Ondanks alles wat daar in de praktijk tegen opkomt, is het toch een groot voorrecht als de Heere een zondig mens wil gebruiken in Zijn dienst. De Heere kan de begeerte daartoe in het hart geven. Daar waar de Heere genade verheerlijkt in het leven en we het wonder mogen beleven dat er zaligheid is in Christus, zullen er ogenblikken zijn dat we verlangen dat ook anderen daarin mogen delen. 17
Dan kan de begeerte er zijn om in de gemeente Gods te mogen arbeiden, zelfs kan er dan de begeerte wel zijn om dienaar van het goddelijke Woord te worden. Die begeerte kan ook weer door de Heere worden weggenomen, al blijft de wens dat ook anderen mogen delen in het grote goed dat God heeft weggelegd voor degenen die Hem vrezen. Als Paulus dit schrijft aan TimotheĂźs, dan bedoelt hij niet de begeerte die voortkomt uit eigen lust of uit begeerte naar eer, maar dan gaat het om een door de Heere gewerkte genegenheid in het hart. Dat zal degene die deze begeerte kent ook doen stellen in de weg van de middelen. Onze kanttekenaren wijzen erop dat hij die deze begeerte kent zich ook altijd zal onderwerpen aan het wettig oordeel van de gemeente en een 18
wettig beroep zal verwachten. Daaruit zal ook blijken of de Heere ervan afweet. Want het gaat niet om onze wil, maar om Gods wil. En als God het wil, zal de begeerte in vervulling gaan op Zijn tijd en wijze. Wat een voorrecht als we die begeerte in de handen van de Heere mogen geven.
F
19