Skip to main content

vrijalseenvogelaf

Page 1

1. Gevangen Wild sloeg hij om zich heen. ‘Ik zal jullie krijgen, lelijke verraders. Het volk van Assisi zal zich wreken!’ Zijn vrije arm raakte iets zachts. Een doordringend gepiep wekte hem uit zijn droom. De geraakte rat vluchtte weg. Moeizaam kwam hij overeind en trok de ketting om zijn arm mee. Hij begon te hoesten en veegde het zweet van zijn voorhoofd. Zijn hele lichaam gloeide. Tegelijk rilde hij van de kou in zijn donkere, vochtige cel. Zou het al dag zijn? Hij zette een paar stappen in de richting van een smalle nis in de hoek. Hij moest bukken om door het kleine raampje te kunnen turen. In de verte gloorde de dageraad. Nog even en zijn donkere gevangenis zou minder zwart worden. Frans zuchtte. Hij zou net genoeg licht hebben om de homp brood te kunnen zien die de bewaker hem straks door het luik in de deur zou toeschuiven. Net genoeg licht om de ratten op de grond te zien bedelen om de kruimels. Net genoeg om … Frans zuchtte weer. Hij sleepte de ketting mee terug naar zijn slaapmat. Wat was genoeg? Wanneer zou hij weer vrij zijn? En waar bleef het geld van zijn vader om hem vrij te kopen? Het duurde zo lang! De vragen tolden door zijn hoofd. Hij strekte zich uit op zijn mat en bedekte zijn hoofd met zijn arm in een poging zijn gedachten te stoppen. Maar de beelden van de oorlog bleven als een dikke mist om hem heen hangen. 9


De strijd was eigenlijk al begonnen toen de inwoners van Assisi het kasteel van de hertog in brand hadden gestoken. De hertog speelde met zijn edellieden de baas over hun stad. Dat pikten ze niet langer! De tiran was met zijn soldaten gevlucht naar Perugia. Maar hij had het er niet bij laten zitten. Frans zag de rivier weer voor zich, de Tiber, rood van het bloed. De soldaten uit Perugia waren langs de oevers aan komen stormen op hun briesende paarden. Ze wilden wraak nemen. De hertog wilde Assisi terug hebben. En dat lukte. Want het leger van Assisi bleek niet sterk genoeg, ook al waren de burgers strijdlustig de berg af gemarcheerd, het voetvolk voorop, geestdriftig zwaaiend met bijlen en zwaarden. Daarachter reden de stoere ridders. Wat had hij er prachtig uitgezien. Hij, Frans, als een echte ridder in zijn nieuwe uniform. Opgetogen was hij met hen meegedraafd naar de wijde vlakte. Wat keek zijn vader trots naar zijn zoon! Frans kreeg weer een glimlach op zijn lippen. Zijn vader, die hem zo graag in die prachtige kleding zag, gemaakt van de duurste stoffen uit hun winkel. Die hem toejuichte alsof hij de overwinning al had behaald. En zijn moeder die hem vaak verwende en nog snel wat lekkere hapjes in zijn zadeltas stopte. Ze had met een zakdoek over haar ogen staan wrijven toen hij de helling af draafde. Ach, wat miste hij hen. Hij was door de soldaten meegesleurd als krijgsbuit in de hoop dat ze veel geld voor hem zouden krijgen. Nog een geluk dat hij niet gedood werd zoals zo veel andere burgers. 10


Misschien dachten ze wel dat hij een echte ridder was! Het begon lichter te worden in de kerker en Frans kwam hoestend overeind. Hij had lang genoeg gelegen. Straks, als hij even naar buiten mocht op de binnenplaats van de gevangenis, kon hij frisse lucht inademen. Dat hielp vast tegen die nare hoest. En dan kon hij zijn vrienden ontmoeten die ook gevangen waren genomen en met hen praten over de strijd die allang voorbij was, maar niet voor hen. En ook over het leven dat ze samen hadden gehad voor die tijd. Wat een geweldig leven was dat! Iedereen kende hen. Zingend en schreeuwend hadden ze door de stad gelopen. Het was elke dag feest geweest. Maar ook ’s nachts. Hij had kunnen doen wat hij wilde. Hij had geld genoeg gehad om zijn vrienden te trakteren. En die mooie meisjes die altijd om hem heen hadden gehangen. Ach, die meisjes … Soms was zijn vader hem komen zoeken als hij te lang wegbleef. ‘Ik wacht al uren op je, Francesco! Waar blijf je toch? Je moet helpen in de winkel, dat weet je! Het moet afgelopen zijn met jouw gefeest. Zelfs de klanten klagen over jou! Je maakt te veel herrie!’ Maar zijn vader was vaak naar Frankrijk om nieuwe stoffen te kopen. Dan kwam niemand hem zoeken. ‘Het was weer laat gisteren, Frans’, zuchtte zijn moeder dan. Maar ze glimlachte en streek hem over zijn donkere haren. Hoe kon ze boos zijn op haar vrolijke jongen? Ja, vrolijk, dat was ik, bedacht Frans. Maar ben ik mijn vrolijkheid dan helemaal kwijtgeraakt? Ik kan nog steeds lachen 11


met mijn vrienden. Zo meteen mag ik weer even naar buiten. Ik wil niet steeds bij de pakken neerzitten. Ik ben pas twintig, ik wil nog genieten van mijn jeugd. Er komt toch wel een eind aan deze gevangenistijd? ‘Wat sta je hier te rillen, Frans, je bent echt ziek!’ Een van zijn vrienden sloeg beschermend een arm om hem heen. ‘Het is voor jou niet goed om hier op de tocht te staan, man! Ga liever weer naar binnen! Bewaker, geef mijn vriend een deken mee. Wil je het op je geweten hebben dat hij hier niet levend uit komt?’ Frans zuchtte. Zijn vriend bedoelde het goed. Met een oude paardendeken over zijn arm wankelde hij het trapje af naar de kerkers, de zware ketting met zich meetrekkend. Hij strekte zich weer uit op zijn mat en rolde zijn zieke lijf in de deken. Al snel zakte hij weg in een droom vol herinneringen.

12


Turn static files into dynamic content formats.

Create a flipbook