Skip to main content

volgjeharte

Page 1

hoofdstuk 1

Lula

E

h …’ Mijn ogen gleden snel over de plattegrond van de klas naar het hokje met de juiste naam. Mijn hart klopte in mijn keel. Het was mijn derde week voor een volle collegezaal met uitsluitend mannelijke studenten. Drie weken waarin ik geen acht had geslagen op de minachting in hun ogen. Drie weken waarin ik me slechts door wilskracht staande had weten te houden. Ik moest het volhouden. Ik wilde het. Ik kon het. Voor mezelf en voor mijn vader. Ik had de naam gevonden. ‘Graham, leg eens uit: wat verstaan we onder lineaire combinaties?’ Graham strekte zijn benen en keek uitdagend naar de studenten die naast hem zaten. Hij glimlachte zelfgenoegzaam terwijl hij met zijn potlood speelde. ‘Dat zou ik best wel kunnen uitleggen, maar weet u wel zeker dat u het zelf snapt?’ Met een ruk ging ik rechtop staan, ademde diep in en voelde mijn wangen vuurrood worden. Dit was niet de eerste keer dat ik werd beschimpt, maar op de universiteit had nog geen enkele student me zo openlijk onderuit proberen te halen. Het werd doodstil in de klas. De andere studenten verheugden zich al op een vernederende af loop. Ik voelde mijn spieren ver-

‘

5


strakken en hoopte dat een andere student met een opmerking de spanning zou doorbreken. Want ik kon geen weerwoord bedenken. Ik had hard gewerkt om deze positie op de universiteit te bereiken. Nog nooit had ik me zo volledig ingezet. Ik mocht nu geen nederlaag lijden. Ik drukte een hand tegen mijn protesterende maag. Het comité had mij, Lula Bowman, niet voor niets de prestigieuze Donally Mathematics Award toegekend. Ik kreeg een studiebeurs om mijn master wiskunde te behalen en een aanvullende toelage voor het lesgeven aan eerstejaars studenten. Om zo ver te komen had ik wel voor hetere vuren gestaan dan deze Graham. Ik trok mijn wenkbrauwen hoog op en keek langs mijn neus op de jongeman neer. Jammer dat ik geen leesbril op had. Dat zou het beeld compleet hebben gemaakt. ‘Ik ben er zeker van dat ik begrijp wat een lineaire combinatie is, dank je. Maar mijn vraag is of jij het snapt.’ De minachting verdween niet uit Grahams ogen. Integendeel. Zijn zelfgenoegzame glimlach veranderde in een grijns terwijl zijn ogen langs mijn lichaam gleden. ‘U ziet er niet eens zo slecht uit, mevrouw Bowman. Waarom hebt u geen vent aan de haak geslagen?’ Ik kookte van woede. Bij elke ademtocht zogen mijn longen zich zo vol als mijn korset toeliet. Mijn handen balden zich tot vuisten. Ik maakte me zo lang mogelijk – jammer dat ik niet verder kwam dan één meter zestig – en hief mijn kin op in de hoop toch nog een centimeter te winnen. ‘Ik heb geen idee waarom jij op de universiteit zit, Graham. Maar ik neem aan dat de anderen hier zitten om iets te leren. Als jij je medestudenten daarin belemmert, ben ik genoodzaakt jouw geval voor te leggen aan de decaan. Is dat duidelijk?’ Maar terwijl die woordenstroom mijn mond verliet, beefde ik van machteloosheid. Ik wist dat ik niet waar kon maken wat ik 6


in mijn boosheid zei. Want als ik bij de decaan moest aangeven dat ik mijn klas niet onder controle had, zou ik falen. Nee, ik moest dit heerschap eigenhandig aanpakken. En daarbij moest ik net zo scherp en volhardend optreden als ik bij mijn oudere broers en zussen had gedaan, die jarenlang hadden volgehouden dat mijn studie een verspilling van tijd en geld was. ‘Ik zou het op prijs stellen als je mijn positie als docent respecteert, ook als je er moeite mee hebt dat ik een vrouw ben, meneer Graham. Vrouwen kunnen meer dan het spelen van lieve melodietjes op de piano of het bereiden van een lekkere maaltijd. Probeer dat maar eens in je hoofd te krijgen.’

*** Het grenen blad van mijn wankele bureau lag bezaaid met volgekrabbelde vellen papier en wiskundige tijdschriften. Mijn potlood gleed uit mijn vingers, rolde naar de tafelrand en viel kletterend op de grond. Ik wreef in mijn ogen en ademde moeizaam de warme lucht in van de Indian Summer; het was veel te warm voor de laatste week van september. Ik pakte een boek, waaierde ermee langs mijn gezicht en nam voor de zoveelste keer de berekeningen door van het wiskundige probleem dat ik bijna had opgelost, maar nog net niet klopte. Er gleed een zweetdruppel langs mijn nek. Ik plukte wat plakkerige haren los en probeerde met mijn eigen adem mijn gezicht te verkoelen. Ik kreunde zacht in de stilte en overdacht nogmaals het vervelende voorval met Graham eerder die dag. Hij had zich de rest van de les gedeisd gehouden, maar ik voelde aan dat hij voor meer problemen zou gaan zorgen. En dat wist hij. Ik bonkte mijn ellebogen op het tafelblad en met mijn hoofd in mijn handen staarde ik opnieuw naar de wiskundige vergelijking 7


waarover ik mijn hersens pijnigde. In de gang hoorde ik zacht geroezemoes. Ergens werd een deur dichtgetrokken. Voetstappen op de houten gangvloer kwamen steeds dichterbij. Ik ging netjes rechtop zitten. De deur ging open. Het witte haar van professor Clayton verscheen in de deuropening, gevolgd door de rest van zijn warrige verschijning. Mijn mondhoeken krulden op. Sinds het overlijden van zijn vrouw twee jaar geleden, dacht de professor niet meer aan zaken die het leven konden veraangenamen. Het enige waarvoor hij zich nog leek te interesseren, was de rotsvaste zekerheid van cijfers. ‘Ah, juffrouw Bowman. Ik hoopte u hier al aan te treffen.’ Hij verwisselde een bundel papier van zijn ene naar zijn andere hand terwijl hij zoekend naar mijn volle bureaublad keek. Ik boog voorover en maakte een hoekje vrij. Met een plof legde hij de stapel op het bureau en bladerde door de bovenste vellen papier tot hij er één uit trok. Zijn diepblauwe ogen lichtten op. ‘Hoe gaat het met onze eerste vrouwelijke ontvanger van de Donally Mathematics Award?’ Nou, de jongemannen die hier studeren, denken dat vrouwelijke intelligentie zich niet leent voor wiskunde. Maar dat kon ik de professor natuurlijk niet vertellen. ‘Het gaat prima. Dank u wel, meneer.’ Een witte wenkbrauw ging vragend omhoog. ‘Ik heb toch echt iets anders gehoord, meisje.’ Hij zweeg. Ik bevestigde nog ontkende het. Ik bleef hem aankijken, totdat hij zuchtte. ‘Maar ik wist dat jij zou bewijzen dat het comité van de Donally Award zich niet had vergist toen de keuze op jou viel.’ ‘Ja, meneer’, f luisterde ik met mijn blik afgewend naar de tafel. Daar lag nog steeds dat stuk papier met die ellendige vergelijking die ik maar niet sluitend kreeg. Dankzij de award had ik na zes jaar afwisselend werken en studeren eindelijk de mogelijkheid 8


om werken en studeren te combineren. Op een en dezelfde universiteit nog wel. Ik weigerde om zelfgenoegzame knullen van een jaar of achttien te laten ruïneren wat ik met keihard werken had verdiend. Professor Clayton keek even naar het vel papier dat voor me op het bureau lag. ‘Zit je daar je tanden op stuk te bijten?’ Ik knikte en voelde dat ik rood werd. ‘Opnieuw beginnen, juffrouw Bowman. Je hebt het goede antwoord bijna te pakken.’ Hij liep naar zijn bureau aan de andere kant van de kamer. Ik ging anders zitten. ‘Maar hoe kan ik de berekening goed doen als ik niet weet waar iets verkeerd is gegaan?’ Hij knipperde met zijn ogen alsof ik hem iets had gevraagd over de laatste mode in plaats van over cijfers. Ik begon opnieuw tot hij gebiedend zijn hand ophief. ‘Als je niet meer weet hoe het verder moet, begin dan helemaal opnieuw.’ Hij bladerde weer in zijn papieren. Ik staarde naar de berekening die nog steeds niet klopte. Zou Graham dan toch gelijk hebben? Stel je voor dat ik deze vergelijking niet kon oplossen? Nee! Als ik zou toegeven aan die twijfels, als ik het opgaf, zou ik mijn vaders vertrouwen beschamen. Dan zou ik bewijzen dat al die hoofdschuddende mensen gelijk hadden. Degenen die spottend zeiden dat Fruity Lu Bowman het nooit verder zou schoppen dan haar eigen wispelturigheid. Dat ik als een kolibrie van het ene bloempje naar het andere vloog en overal slechts eventjes bleef zitten, zonder resultaat. Ik klemde mijn kaken op elkaar. Dat nooit meer. Ik zou voorkomen dat iemand mij ooit nog zo noemde. Ik zou afmaken waar ik aan begon, hoe onmogelijk het ook zou zijn. Ik raapte het potlood van de vloer en draaide het vel papier om. Boven aan de blanco achterzijde noteerde ik de vergelijking opnieuw. 9


Mijn vader en professor Clayton geloofden in mijn capaciteiten. En ik dus ook. Na twintig minuten rekenen, strepen en peinzen legde ik mijn vel papier op het bureau van de professor. Hij grinnikte tevreden en schoof de opgeloste vergelijking opzij. Schijnbaar onbewogen stond ik bij zijn bureau, mijn handen nonchalant over elkaar. Vanbinnen juichte ik. ‘Ga maar snel’, zei professor Clayton met een knikje naar de deur. ‘We hebben morgen allebei weer meer dan genoeg te doen.’ Ik keek op de wandklok. Bijna vijf uur. Mevrouw McInnish zou mopperen als ik deze week voor de tweede keer te laat zou zijn voor het avondeten. Ik griste snel een wiskundetijdschrift en wat andere boeken bij elkaar en huppelde naar de deur. Halverwege de kamer bedacht ik me. Ik draaide me om. De professor zat diep gebogen over een notitieblok, zodat zijn oude ogen dichter bij de keurig geschreven zinnen waren. Ik stapte naar hem toe en zoende hem licht op zijn wang. Hij keek op met grote, verbaasde ogen en boog zich weer over zijn werk. Toen ik even later op straat liep, merkte ik niets meer van de drukkende warmte. De tevreden glimlach van professor Clayton had de vochtige hitte van de Indian Summer veranderd in de frisheid van een vroege lente. *** ‘Zo, mevrouw Bowman, ben je daar?’ hoorde ik het zangerige, Schotse accent van mevrouw McInnish door de hordeur, toen ik het trapje op rende naar de voordeur van het kosthuis. ‘Jawel, mevrouw McInnish. Even m’n gezicht wassen en dan kom ik aan tafel!’ Ik snelde de trap op naar mijn kamer, legde 10


mijn boeken op het bed en sprenkelde lauw water over mijn gezicht en nek. Ten slotte trok ik de kraag van mijn getailleerde, effen blouse recht. In de spiegel zag ik dat er plukken haar uit mijn knot piekten, maar ik had geen tijd meer om het over te doen. Ik rende de trap weer af. Precies op het moment dat mevrouw McInnish door de keukendeur binnenkwam met een schaal dampende snijbonen in haar handen, ging ik op mijn plekje aan de eettafel zitten. Ik legde mijn servet op schoot en keek vluchtig naar de drie andere kostgangers. Toen ook mevrouw McInnish zat, sprak ze een zegen uit waarna we alle vier ons bord vol schepten. Het tafelgesprek sprong van de hak op de tak: Elisabeth Thompson vertelde grappige verhalen over de scholieren in haar muzieklessen, Maureen Readdy klaagde steen en been over het meisje dat was ingehuurd om haar te helpen in de hoedenwinkel en Mary Frank giechelde over de romantische ideeĂŤn van haar nieuwste liefje. Ik at zwijgend mijn bord leeg. Ik was er al heel snel achter gekomen dat geen van deze dames zich interesseerde voor de wereld van wiskunde. Over mijn kamer bij mevrouw McInnish had ik niets te klagen, maar over mijn medekostgangers was ik minder te spreken. Ik had al lang geleden het besluit genomen dat ik geen tijd wilde besteden aan meisjes van twintig jaar en ouder die hun leven niet wijdden aan een serieuze zaak. Met als gevolg natuurlijk dat ik nauwelijks vriendinnen had. Ook geen vrienden, trouwens. Met mijn servet depte ik mijn mondhoeken schoon, uitziend naar het moment dat ik de tafel mocht verlaten om me weer te verdiepen in wiskundige vraagstukken en praktische problemen. Op cijfers kon ik tenminste vertrouwen: die waren altijd hetzelfde, in tegenstelling tot zo veel andere dingen. De telefoon ging. Mevrouw McInnish fronste en stond op van haar stoel. Ze vroeg zich hardop af wie de avondmaaltijd wilde 11


verstoren. Even later was ze alweer terug. ‘Er is iemand die je wil spreken, juffrouw Bowman.’ Alle ogen keken in mijn richting. Ik kreeg het er benauwd van. ‘Mij?’ ‘Dat is wat ik zeg. Hup, opschieten. Susie zei dat het gesprek helemaal uit Dunn komt. Dat is toch ergens in het westen?’ Dunn, Oklahoma! Mijn hart sloeg over en mijn benen voelden loodzwaar. Ik had al maanden niets van mijn familie gehoord. Ik kreeg alleen zo nu en dan een brief vol nieuwtjes van mijn zus Jewel, de enige die die moeite nog nam nadat mijn vader een beroerte had gehad waardoor hij niet meer kon schrijven. Ineens besefte ik dat ik al sinds augustus niets meer van haar had gehoord. Mijn adem stokte in mijn keel. Zou er iets met papa gebeurd zijn? Mevrouw McInnish trok aan mijn stoel. Ik dwong mezelf overeind te komen en wankelde naar de keuken, waar de telefoon aan de muur was gemonteerd. Ik drukte de ontvanger tegen mijn oor en sprak in het mondstuk dat als een lange neus uit de telefoon stak, tussen de twee bellen die een beetje op ogen leken. ‘U spreekt met juffrouw Bowman.’ ‘Lula.’ Mijn naam klonk als een stille ademtocht door de telefoonlijn. ‘Lula, je moet me helpen.’ ‘Jewel, ben jij dat?’ Ik hoorde haar snikken. Mijn vingers klemden zich nog strakker om de ontvanger bij mijn oor. ‘Jewel, wat is er?’ ‘Davy is dood.’ Ik verstijfde. Davy? Haar echtgenoot? ‘Hoe … hoe bedoel je?’ Ze haalde sniffend adem. ‘De begrafenis is zaterdag.’ Davy Wyatt, de goedlachse levensgenieter, dood? Hoe kon dat? ‘Ik heb je nodig, Lula. En de kinderen ook. Kom je alsjeblieft naar huis?’ 12


De angst vloog me naar de keel. Ik kon bijna niet ademen. Mijn hele leven was ik de lastpak geweest. Het nakomertje in ons gezin. De baby. Maar toch was het Jewel die me in huis nam toen mama overleed. Jewel hielp me bij het betalen van mijn eerste jaar aan de universiteit. Ik wist dat ze van me hield, ondanks dat ze me steeds aan een of andere man wilde koppelen. Nu had ze me nodig. Ze had mij nodig. ‘Natuurlijk kom ik.’ ‘Morgen?’ Ze klonk zwak en kwetsbaar. Ik slikte en bad om kracht. ‘Vanavond nog.’ ‘Dank je.’ De lijn viel stil, totdat telefoonjuffrouw Susie in mijn oor tetterde. Ik hing op, schuifelde terug naar de eetkamer en liet me weer op mijn stoel neerzakken. ‘Wat is er?’ Mary Frank boog naar me toe. Haar gezicht zag bleek, precies zoals ik me voelde. ‘De man van mijn zus is overleden. Ik moet naar haar toe.’ Ik voelde nieuwe kracht door mijn lichaam stromen. Ik stond op. ‘Ik moet de avondtrein halen.’ Met een hoofd vol vragen liep ik de trap op, maar ik had geen antwoorden. Ik schoof mijn leren schooltas aan de kant en pakte een koffer die ik vulde met kleding. Daarna schreef ik snel een briefje voor professor Clayton. Ik beloofde dat ik begin volgende week terug zou zijn. Natuurlijk zou hij begrijpen dat ik halsoverkop was vertrokken. Ik hoopte dat de directie van de universiteit ook zo begripvol zou zijn.

13


Turn static files into dynamic content formats.

Create a flipbook
volgjeharte by Erdee Media Groep - Issuu