1. Deze ellendige riep, en de Heere hoorde Deze ellendige riep, en de Heere hoorde. Psalm 34:7a
O
nze tekstwoorden zijn de woorden van een koning, een profeet, een man naar Gods hart. Bovendien zijn het woorden van een wegwijzer, een raadgever en een psalmdichter. Het zijn geen woorden van een farizeeër, ook niet van een dweper of dwaas. Het zijn geen woorden van een onbekeerd iemand, maar van een man met een gezond geloof. Hij was oprecht in zijn godsvrucht. Hij was verzekerd van zijn zaligheid. Hij sprong met zijn God over een muur. De dichter was een wijs, geleerd en godzalig iemand. Hij kon zelfs zeggen: ‘Ik ben verstandiger dan al mijn leraars (…) ik ben voorzichtiger dan de ouden.’ Is het niet wonderlijk dat zo’n voortreffelijk, geleerd en godzalig man zichzelf zo’n armoedige en vernederende naam geeft? Hij noemt zichzelf ‘deze ellendige’ … Hierover zullen we met aandacht nadenken. We letten op: 11
1. De persoon die we hier ontmoeten: Deze ellendige; 2. Het middel dat hij aanwendt: Hij riep; 3. Het gelukkige gevolg daarvan: De Heere hoorde. 1. De persoon die we hier ontmoeten Hij noemt zich ‘deze ellendige’. Het is hier niet als in Daniël 4 waar koning Nebukadnezar zegt: ‘Is dit niet het grote Babel dat ik gebouwd heb?’ Het is ook niet als in Openbaring 18 waar we Babylon horen zeggen: ‘Ik zit als een koningin, en ben geen weduwe, en zal geen rouw zien.’ Integendeel. Hier is iemand aan het woord die met Paulus zegt: ‘Ik ellendig mens.’ Wat is een ‘ellendige’? Wat leert een mens die zichzelf met nadruk ‘een ellendige’ noemt kennen? Elk onbekeerd en bekeerd mens is in het algemeen ‘ellendig’ door de gevolgen van de val. Heeft niet de mens een strijd op aarde? Of hij nu arm is of rijk, hij is toch kort van dagen en zat van onrust. Het beste, het uitnemendste van dit leven baart dikwijls moeite en verdriet. Wie leeft er zonder zorg en hartzeer? Een mens is ook ellendig als ramp en kruis, ziekte en tegenspoed, armoede, honger of een 12
belegering door de vijand aan de orde is. Hoe ellendig was Jeruzalem niet toen de stad belegerd werd door Nebukadnezar. De profeet Jeremia zei ervan: ‘Ik ben de man die ellende gezien heeft door de roede Zijner verbolgenheid.’ Het zag er toen zó ellendig uit, dat in die grote hongersnood de barmhartige vrouwen hun kinderen kookten en opaten. Wat is het een bange tijd geweest voor Nederland toen het zuchtte onder het Spaanse juk. Denk aan Zutphen, Naarden, Haarlem en andere steden. Onder het zesjarig bewind van Alva zijn18.600 mensen omgebracht door de handen van de beulen. De palen en bomen langs de weg hingen vol met lijken. De lucht was daardoor zo verderfelijk, dat men niet wist waar men het zoeken moest. Denk ook aan de duizenden arme inwoners die – bleek en beangst van schrik – hun dierbare vaderland in alle haast verlieten. Overal zag men mensen bezig om hun beste goederen in te pakken en daarna zo snel mogelijk hun dierbare geboortegrond te verlaten, in de hoop door de vlucht hun leven te redden. Was dat niet een tijd van buitengewone zorg en ellende? Hoeveel ellende is er niet door sterfgevallen en 13
smartelijke verliezen. En … we zijn ook zelf de dood onderworpen. Of we rijk zijn of arm, we zullen de dood niet kunnen ontgaan. Deze zal ons allen overleveren aan het donkere graf om daar tot stof te verteren. We zullen in de stikdonkere grafkuil blijven totdat deze aarde door vuur zal voorbij gaan. Wat we vooral moeten opmerken is dat de onbekeerde mens ellendig is door onmacht en het gemis van Gods beeld. De mens is tegenover God nog minder dan een waterdruppel en een zandkorrel. Toch is hij zo brutaal om tegen God op te staan. De mens is een vijand van zijn Maker! Hij is een hater van de hemelse Vader en ook van Zijn grote Zoon. Zo heeft Jezus Zelf getuigd. Hun bedenken van het vlees is vijandschap tegen God. De natuurlijke mens blijft onder alle bestraffingen, vermaningen en raadgevingen doof en dood, als Gods arm aan hem niet wordt geopenbaard. Denk aan de Joden in de tijd van Jeremia en Ezechiël. Denk aan het verharde Israël in de tijd van Jezus’ omwandeling op aarde. Denk aan de dochters van Lot, die zoveel gehoord, gezien en ervaren hadden, en tóch nog volhardden in de weg van de 14
ongerechtigheid. Denk aan de velen die onder de bediening van het dierbare Woord leefden, en toch onder zoveel licht nog in de duisternis bleven en uiteindelijk in de zonde zijn gestorven. Ach, wat is de mens toch ellendig geworden door de zonde. Of hij nu voortleeft in uitwendige zorgeloosheid en zedeloosheid, vloekt, zweert, liegt, en openbaar komt als een die leeft in hoererij of dronkenschap en zich openbaart als een half beest of een duivel. Óf dat hij zich uitwendig meer burgerlijk gedraagt, terwijl hij een woedende vijand is van de zuiverste waarheid en van al Gods ware volk. Het kan zelfs zijn dat hij niemand kwaad doet dan alleen zichzelf, omdat hij meent door zijn deugdelijke karakter zalig te kunnen worden, en dat zonder ooit ware behoefte aan Jezus gevoeld te hebben. Er is nog iets, en dat is eigenlijk de zaak waar ik u op wil wijzen: Gods ontdekte volk leert zichzelf kennen als ‘deze ellendigen’. Zij gevoelen zichzelf ellendig in geloof, ellendig in gebed, ellendig in troost en moed, ellendig in alle plichten. Ja, Gods kind gevoelt zichzelf ellendig vanaf het moment van zijn bekering tot 15
aan zijn laatste snik toe. Hij beseft: Als God mij niet bewaart, dan val ik in de zonde. Als God mij niet vertroost, dan pijnigt de verzoeker mij. Als Gods Geest mij geen vrijmoedigheid geeft, dan schaam ik mij voor de eer en de leer van mijn Koning tegenover de mensen. Ach, wat heeft het waardeloze goed van deze wereld nog veel kracht en invloed op mijn hart. Dat voert mij zo vaak af van de zalige God en Zijn beminnelijke dienst. Wat begrijp ik nog weinig van het dierbare Woord des levens. Ik zou veel meer moeten klagen over het feit dat ik zo weinig gelovig gebruikmaak van Christus. Wat zou er dagelijks een innerlijke drang in mij moeten zijn om nederig en toch vrijmoedig tot de algenoegzame Zaligmaker te gaan met een kinderlijke eerbied en nederige blijdschap. Maar helaas, in plaats daarvan is de grote en wonderlijke Jezus mij nog zo weinig bekend. Met één woord: Ik was ellendig toen ik geboren werd; ik werd nog ellendiger toen ik bekeerd werd; ik zal tot mijn innig verdriet ellendig blijven tot aan het uur van mijn sterven! Dát is de belijdenis van David en Paulus, en verder van allen die door de verlichtende genade van de Heilige Geest bekendgemaakt zijn 16
met de werkelijke toestand van hun hart en leven. 2. Het middel dat hij aanwendt Wat deed deze ellendige? Welk middel nam hij te baat om gered te worden? Hij riep! En dat was goed. Werken kon hij niet meer. Wat zou het erg geweest zijn als hij zich had geschaamd om te bedelen. Maar zo was het met deze ellendige niet. Hij wilde wel bedelaar zijn zolang hij nog in dit leven was. Het was iemand – zo lijkt het ons – die geen geld meer had om iets te kopen en geen kracht meer had om te werken. Daarom was het voor hem het beste wat hij doen kon, om naar de bedelstaf te grijpen. Hij riep! Hij zuchtte niet alleen, maar zijn roepen werd bidden. Het werd uitroepen: ‘Och Heere, och wierd mijn ziel door U gered!’ Waar kwam dat roepen uit voort? Heb er aandacht voor dat de Geest dat roepen werkte in het hart. Zonder de Geest is dat roepen zulk koud werk. Dan zit of staat de ziel om te bidden, maar hij weet niet wat hij het eerst of het laatst zeggen zal. Bidden zonder de Geest is hetzelfde als lopen zonder voeten, werken zonder 17
handen, zien zonder ogen en spreken zonder mond. Maar de Geest leert de ziel zijn nood, ledigheid en gebrek voelen. De Geest stort deze ellendige smekeling het kinderlijke vertrouwen in het hart dat God wil horen, dat Jezus wil redden, en dat niemand wordt afgewezen. En zó begint de ziel te bidden. Het gebed is een zalige bezigheid waar de ziel niet buiten kan. Het is de ademtocht van het geestelijke leven. Niemand kan zonder gebed in de hemel komen. Er is een verband tussen gebed en verhoring. Zingen we niet in Psalm 116: ‘En onze God ontfermt Zich op ’t gebed’? 3. Het gelukkige gevolg daarvan De dichter mocht ervaren: ‘En de Heere hoorde.’ God hoort of verhoort niet altijd meteen. Niet op onze tijd maar op Zíjn tijd. Habakuk riep uit: ‘Heere, hoe lang schreeuw ik, en Gij hoort niet? Hoe lang roep ik geweld tot U, en Gij verlost niet?’ Jeremia zegt: ‘Ook wanneer ik roep en schreeuw, sluit Hij de oren voor mijn gebed.’ Job zei: ‘Zie, ik roep geweld, doch word niet verhoord.’ En op een andere plaats: ‘Ik schrei tot U, maar Gij antwoordt mij niet.’ De dichter van Psalm 22 riep: ‘Mijn God, ik 18
roep des daags, maar Gij antwoordt niet; en des nachts, en ik heb geen stilte.’ Al deze uitdrukkingen geven twee dingen te kennen. In de eerste plaats dat de biddende ziel door ongeloof óf door de aanvechting van de satan in zo’n donkerheid kan verkeren, dat het hem toeschijnt alsof God totaal geen aandacht heeft voor zijn gebed. Zo’n gevoel is niet te prijzen. Het verraadt dat er harde gedachten zijn van de Heere en dat er weinig licht is in de kennis van het dierbare Evangelie. Zulke ongelovige gedachten tijdens en na het bidden zijn niet te prijzen. Het is voor de bidder ook niet gemakkelijk. Toch voelt de ziel zich steeds weer aangegrepen door zulke moedeloze gedachten. Hij voelt er zich soms door gevangen. Het is geen vreemde klacht. Ook de ouden kenden deze, denk aan Jeremia die zei: ‘Ook wanneer ik roep en schreeuw, sluit Hij de oren voor mijn gebed!’ In de tweede plaats leren ons de klachten van de heiligen die we noemden dat God in Zijn eeuwige wijsheid Zelf de tijd bepaalt waarop Hij wil horen en redden. Hij doet dat bewust niet op ónze tijd. Zeker niet! Dat wil niet zeggen dat wij met de profeet mogen klagen dat 19
de Heere Zijn oren sluit voor ons gebed. Maar we moeten ook niet ongeduldig zijn in het afwachten van Gods tijd. Heb geduld. David zegt immers: ‘Deze ellendige riep, en de Heere hoorde.’ Er staat niet dat er een volmaakte of voortreffelijke riep. Er staat niet: Deze gehoorzame, deze profeet, deze dichter of apostel riep. Met nadruk staat er dat ‘deze ellendige’ riep. En het behaagde de Heere naar zo iemand te horen. Daaruit blijkt dat eenieder die bidt, die ontvangt, die zoekt, die vindt, en die klopt, die zal opengedaan worden. Want de Heere heeft nooit gezegd: Zoek Mij tevergeefs. Want Hij is nabij allen die Hem aanroepen. ‘Want de ogen des Heeren zijn op de rechtvaardigen, en Zijn oren tot hun geroep.’ Toepassing In de woorden die we overdachten ligt geen troost voor de farizeeër, wel voor de tollenaar. Niet voor de rechtvaardigen, wel voor de goddelozen. Niet voor mensen die genoeg hebben. Wel voor allen die hun voorraad hebben opgeleefd en die zichzelf niet kunnen redden. Onze tekst geldt niet alleen voor Abraham, de vader aller gelovigen. Onze tekst is niet alleen opbeu20
rend voor Job, een man die oprecht en vroom was, van wie de Heere zei dat niemand op de aarde gelijk hem was. Onze tekst is niet alleen voor mensen als Daniël die een zeer gewenst man was, of voor Nathanaël, de Israëliet zonder bedrog. Onze tekst is ook niet alleen voor een Hananja, die godvrezend was boven velen. De tekst is tot troost voor hen die zichzelf met nadruk ‘deze ellendige’ moeten noemen. Ze zijn ellendig vanwege hun ondeugende en onbuigzame hart, dat het beeld van God mist. Ze zijn ellendigen vanwege hun domheid en onkunde, vanwege hun traagheid en nalatigheid, vanwege hun zondigen tegen Gods liefde en Zijn weldaden. Zulken noemen zichzelf ‘deze ellendige’ omdat ze tienduizend talenten schuld hebben en geen penning bezitten om te betalen. Zijn er zulke ellendigen onder ons? O, roep dan tot God en Jezus Christus. Hij zal horen en uw ziel redden. Ten spijt van de duivel én tot uw eeuwige zaligheid. En u, volk van God, u moet heel persoonlijk een roepende ellendige blijven. Anders is het niet goed met u. Misschien bent u een predikant met veel gaven. Iemand die veel zegen heeft op 21
uw werk. De kerk zit zondag aan zondag vol. Veel aanzienlijken zitten onder uw gehoor. Het kan ook zijn dat u een rijk christen bent die milddadig uitdeelt. U geeft veel aan armen, aan zendelingen en andere goede instellingen. Misschien bent u heel nuttig en onmisbaar voor de maatschappij en de kerk. Het kan zijn dat u een vergevorderd en kundig kind van God bent. U geeft veel nuttig onderwijs aan uw medechristenen en aan uw medezondaren. Misschien bent u een bekeerd iemand die grootgrondbezitter is. Misschien bekleedt u een belangrijke post in de regering. U hebt veel invloed en iedereen heeft ontzag en eerbied voor u. Niemand durft u tegen te staan of tegen te spreken. Het is bij u bijna zoals er staat in Hosea van Efraïm: ‘Als Efraïm sprak, zo beefde men.’ Is het zó met u? Steekt u boven anderen uit omdat u bijzonder knap bent? Omdat u veel kennis hebt of gaven of omdat u vergevorderd bent op de weg des levens? O, het lijkt mij toe dat u iets nodig hebt om arm en ellendig te blijven! Vergeet uw afkomst niet. Blijf steeds ‘deze ellendige’. Mocht u in eigen waarneming ooit iets anders worden, dan klimt u een traptrede te hoog. Dan bent u niet meer vatbaar voor vrije genade. Dan 22
wordt u ondankbaar voor Gods gaven. Dan wordt u onbruikbaar voor uw medemens en medezondaar. Als u niet méér bent dan ‘deze ellendige’, dan zult u gelukkig zijn, voor uzelf én voor anderen. Dan zult u bereid zijn om te helpen waar dat nodig is. Dan ziet u dat als uw plicht. Dan bent u ook niet boos of verongelijkt als u in nood niet vlug genoeg geholpen wordt. Dan zult u zeggen: ‘Deze ellendige heeft dat niet verdiend.’ Dan zult u verdraagzaam zijn tegenover mensen die kwaad van u spreken of uw naam lasteren. Dan leeft u altijd in vrede met uw medechristenen. Ook al zou men u niet prijzen, niet achten of u niet genoeg ontzien. Want dan zegt u: ‘Deze ellendige is elke vorm van eer en roem onwaardig.’ Dan bent u dankbaar in voorspoed. Dan onderwerpt u zich in kruis en tegenspoed aan God, omdat u beseft dat u nergens recht op hebt. Dan hebt u een gezond geloof en maakt u voortdurend gebruik van de dierbare Heere Jezus. Dan zegt u: ‘Deze ellendige heeft de Heere Jezus Christus nodig zowel voor zijn beste deugden als voor zijn grootste zonden. Zijn bloed is genoegzaam om mij te reinigen. Hij nodigt mij vriendelijk. Zijn woord 23
is waarachtig en trouw. Met Hem zal ik nimmer beschaamd uitkomen!’ Aan het eind van uw levensreis zult u stervende op Jezus zien. Dan zult u door Zijn verdienste en gerechtigheid naar boven gaan. Dan zult u met vrijmoedigheid en blijdschap zeggen: Uw hoop, Uw kudde woonde daar; Uit vrije goedheid waart Gij haar Een vriendelijk Beschermer.
1
24