Skip to main content

vergeetgeenvanzijnweldadenbe

Page 1

1. De Cappelle staende in de Wilderveenen

Morgen

Van niets tot circa 1841 1. Een dorp in drassig veengebied 1.1. Kerstening Het christianiseren, de kerstening van Holland, zou volgens sommigen ongeveer rond het jaar 750 zijn voltooid. Al heel vroeg bouwden vrome lieden kerken. In Vlaardingen (700), Oegstgeest (tussen 721 en 741), Velzen (720) en andere plaatsen. De

eenvoudige bouwsels van toen –vaak van hout en leem– vallen door archeologen van nu vrijwel niet te onderscheiden van woonhuizen. Overigens werd rond 950 in Egmond een van de eerste Hollandse kerken in steen gebouwd. Donar en Wodan raakten formeel uitgebannen. Maar heidense gevoelens en gebruiken bleven ook in de volgende eeuwen

Gedeelte van een door de Nederlandse boekhandelaar en uitgever I.Tirion (1705-1765) gepubliceerde kaart uit de eerste helft van de achttiende eeuw. 11

Waarom droegen De Wilde Veenen ook de naam De Honderd Morgen? Een morgen is een oude Europese oppervlaktemaat. Hoeveel vierkante meter was dat? Met een morgen werd een gebied bedoeld, dat in een ochtend kan worden geploegd. De omvang van een morgen verschilde van streek tot streek. Er was sprake van de Biltse morgen, de Delflandse, de Gelderse, de Gooise, de Bossche, de Veluwse en de Waterlandse morgen. De Rijnlandse morgen was ongeveer 8516 vierkante meter. Wij rekenen doorgaans in vierkante meters. En landbouwers in hectaren.


Holvoeterbrug Wat is de betekenis van het woord ‘holvoeterbrug’? Medisch gezien is een holvoet – Latijn: pes excavatus – een buitensporige holling in de lengterichting van de voet. Omdat meestal de achillespees verkort is, rust dan alle gewicht op de voorvoet. Dat levert irritatie op, ontsteking soms. Maar er bestaat een meer gepaste, mooie verklaring voor de vraag hoe die brug aan zijn naam komt. Een holen voet is een houten voet. Een houten voet is een klomp. Dus waarschijnlijk was er in eerste instantie sprake van een bruggetje voor voetgangers die er met hun klompen overheen gingen.

Verlaat en overtoom Een sluis, sas, of verlaat is een waterkering, een afgrenzing tussen twee waterwegen met een verschillend waterpeil. Via die sluis worden schepen op het andere waterniveau gebracht. Zo kunnen zij die waterkering passeren en van het ene in het andere water varen. Sluizen werden oorspronkelijk ter plaatse met de hand bediend. Bij de Donderdam kwam echter geen verlaat, geen sluis. Maar een overtoom. Dat is een installatie waarbij een schip over land van het ene in het andere water wordt getrokken.

voortbestaan. In de harten en de dagelijkse gebruiken van eenvoudige plattelanders of stedelingen. In heidense gebieden hadden missionarissen afgodstempels en -beelden verwoest. Maar niet zelden bouwden zij op de ruïne van een oude tempel een bidplaats of kerkje. Zo’n kerkje werd vaak gebouwd in dezelfde richting als de oude tempel. Zo bleef de herinnering daaraan levend. Ook bleven mensen soms berentanden, schelpjes of schijfjes hertengewei dragen als gelukbrengende talisman. Dat betekende niet per definitie dat zij verwachting koesterden van een heidense afgod. Maar het had toch iets van het dwingen van de hogere machten om geluk te geven. De vraag is dus hoe christelijk mensen bij de kerstening van hun leefgebied eigenlijk werden. Kerstening is meer een langdurig proces dan een directe omslag. Moerkapelle is nooit gekerstend in de gebruikelijke zin van het woord. Willibrord of Bonifacius bezocht nimmer dat dorp om er een afgodsbeeld te breken of een heidense tempel te slopen. Of om de inwoners van dat dorp van barbaarse gedachten af te brengen. Waarom niet? De reden is eenvoudig dat het dorp in de vroege Middeleeuwen nog niet bestond. Het dorp Moerkapelle verrees pas later. In een gebied met de naam De Wilde Veenen, ook wel De Honderd Morgen genoemd. Die laatste naam werd vooral later gebruikt. Toen er sprake was van een polder. Zestiende-eeuwse documenten beschrijven het gebied voordat het werd drooggemaakt als afgelegen, laag, moerassig, het middel12

ste en laagste deel van Zuid-Holland. Het was niet geschikt voor weide of hooiland. Oorspronkelijk bestond het uit veengrond. Het lag er ruig bij. Het was niet bebouwd. Er stonden geen huizen. Er woonden geen boeren. 1.2. Plassen en kolken De Wilde Veenen behoorden in die tijd bij Zevenhuizen. Het gebied scheen alleen geschikt voor het winnen van turf. In 1365 kreeg de ambachtsheer van Zevenhuizen toestemming om turf te steken. Maar voorlopig gebeurde er niet veel. De Wilde Veenen zijn –mogelijk wegens de centrale ligging in het veengebied– in vergelijking met omliggende gebieden pas zo’n beetje als laatste ontgonnen. Of, zoals iemand schrijft: onder de turfspade gekomen. Sommigen veronderstellen dat er pas vanaf 1601 turf werd gestoken. Maar mogelijk was het vroeger. Hoe gingen de turfstekers, de ‘verveners’, naar hun werk? De meeste mensen beschikten niet over een paard. Fietsen en auto’s waren er nog niet. En de trekschuit schoot niet op. Dus vestigden de ‘verveners’ zich dicht bij hun arbeidsterrein. Zo ontstond vanaf de vijftiende eeuw wat schaarse bewoning. Van lieverlee werd dat een dorpje. De mannen die werkzaam waren in het veen woonden er in schamele hutten van wilgentenen en riet. Ze waren te arm voor een kerk. Maar godsdienst was in die tijd belangrijk. Daarom verrees tussen de huizen een eenvoudige kapel. Die moet zo ongeveer op de hoek van de hui-


Ambachtsheer

Het begin van de veenrivier de Rotte.

Reeds na zes-, zevenhonderd meter is de Rotte een breed water.

dige Moerdijkstraat en Dorpsstraat hebben gestaan. In 1561 omvatten De Wilde Veenen 688 morgen. Het turfsteken leidde ertoe dat

een waterplas ontstond, waar voorheen land lag. In het genoemde jaar bestond een gebied van 118 morgen uit plassen, kolken en onbruikbaar land met een soort houtgewas. Drassig veengebied werd vroeger ook wel moer genoemd. Bij het groepje huizen in het moer moet een houten kapelletje hebben gestaan. Dat was de moerkapel. Niemand weet wanneer dat gebouwtje daar werd neergezet. Op een kaart van omstreeks 1558 staan tal van omringende dorpen aangeduid met flinke kerktorens. Zo ook Sevenhuysen. In het gebied van De Wilde Veenen valt slechts een klein torentje te ontwaren met de vage aanduiding ‘op moer’. In 1570 13

Wat is een ambachtsheer? Tot in de negentiende eeuw was Holland verdeeld in honderden kleine juridisch-bestuurlijke eenheden. Elke eenheid vormde een ambacht. Dat is een rechtsgebied met eigen wetjes en lagere rechtspraak. Eén persoon, de heer –zo’n ambacht heette: heerlijkheid– oefende het overheidsgezag uit.Veel ambachtsheerlijkheden waren in handen van de adel. De heer van een ambachtsheerlijkheid had minder in de melk te brokkelen dan de heer van een vrije of hoge heerlijkheid. Want de heer van een ambachtsheerlijkheid, mocht geen doodstraf uitspreken. De Fransen zorgden in 1795 voor een andere bestuurlijke indeling. En ze schaften de heerlijkheden af. De grondwet van 1848 en de daaruit volgende gemeentewet (1851) schaften de heerlijke rechten af. Toch zijn er nog altijd Nederlanders die het recht hebben zich heer van dit of dat gebied te noemen.


Turf Turf is gedroogde veengrond. Turf valt te gebruiken als brandstof. In moerassige gebieden vormden afgestorven planten in de loop der eeuwen een metersdikke veenlaag. ‘Verveners’, turfstekers, staken dat weg. Zij brachten opgedolven stukken naar boven en legden die vervolgens te drogen. Toen in de Middeleeuwen de bevolking bleef groeien en het hout steeds schaarser werd, raakte turf steeds meer in gebruik als brandstof. Niet alleen in een eenvoudig huishouden. Ook mensen die een beroep uitoefenden en de groeiende industrie stookten vuur met turf. In Holland, Vlaanderen en sommige andere delen van Europa gebruikten de mensen turf totdat, in de negentiende eeuw, steenkool de belangrijkste brandstof werd.

In 1365 kreeg de ambachtsheer van Zevenhuizen toestemming om turf te steken. Daar kwamen toen niet, zoals in de eenentwintigste eeuw, stellinkjes en katrollen aan te pas.

schreef iemand over ‘de Cappelle staende in de Wilderveenen onder Sevenhuysen’. Overigens spraken veel later mensen soms ook nog over ‘de’ Moercapel(le).

Gedeelte van een uit 1558 daterende kaart van de Nederlandse cartograaf J. van Deventer (ca. 15051575) met het plaatsje ‘op moer’.

14

In 1632 –dat is dus 71 jaar na 1561– waren niet minder dan 619 van het toen 640 morgen land tellende gebied De Wilde Veenen tot plassen en kolken gemaakt. Maar toen was natuurlijk de turf ook zo goed als op. En het gebied van De Wilde Veenen stond onder water. Er was geen werk meer voor de turfschippers.Vissers of rietsnijders konden nog wel iets verdienen. Sommigen spreken van 41 woonhuizen in 1629, waarvan zelfs een deel onbewoond was. Ande-


ren noemen 65 woonhuizen in 1632. Hoe dan ook: het dorp was klein. Het was ondertussen alles water tussen de dorpen Zevenhuizen, Nieuwerkerk, Moordrecht,Waddinxveen en rond Moerkapelle. Dat laatstgenoemde dorp lag min of meer op een dijk of kade, tussen de Zuidplas en De Wilde Veenen. Als het stormde was dat best gevaarlijk. Dan ontstond wateroverlast en bleek het dorp bijna afgesloten van de buitenwereld. De Moerse Zijde scheidde De Wilde Veenen van de plassen van Zevenhuizen. En aan de westzijde, de Bleiswijkse kant van de Rotte, lag het gebied dat in 1779 werd drooggemaakt als ‘De Honderdveertig Morgen’. De Rotte –reeds in het begin van de dertiende eeuw als rivier genoemd– was oorspronkelijk een open riviertje, dat uitmondde in de Maas. Omstreeks 1423 werd de Moerse Vaart gegraven. Voor het afvoeren van turf. Er kwam een verlaat bij de Holvoeterbrug, zodat een schipper van de Moerse Vaart in de Rotte kon komen. En omgekeerd. Die Moerse Vaart liep van de Rotte tot de Donderdam. Deze ligt ergens tussen Moerkapelle en Waddinxveen. Eerst vroegen mensen toestemming om bij de Donderdam een sluis, een verlaat te maken. Zo zou een soort sluipweg ontstaan. Dat scheelde uren wachttijd en tolgeld. Via die overtoom kon een schip immers uit de Moerse vaart benoorden Gouda in de Gouwe terechtkomen. Zo kon een schipper van Rotterdam naar Amsterdam va-

ren. Hij hoefde dan vanuit Rotterdam niet per se via de sluizen bij Gouda. Dat kostte meer geld en het was tijdrovend. Overigens was dit traject niet geschikt voor al te grote schepen. In elk geval kwam de scheepvaart de welvaart van Moerkapelle ten goede. Er kwam echter geen sluis. De initiatiefnemers kregen geen toestemming. Wel ontving in 1628 de Waddinxveense schout en timmerman Joris Adriaensz. Donder permissie om bij de Donderdam een overtoom te bouwen. 1.3. Droogmaking In 1645 kocht jonkheer Warnaert van der Wel het gebied van Moerkapelle en De Wilde Veenen. Van der Wel was afkomstig uit Delft. Zijn grootvader was bierbrouwer. Maar hij werkte hard en verkreeg status. Zo werd hij burgemeester. Zoon Warnaert maakte carrière in het leger. Hij kocht Moerkapelle en De Wilde Veenen voor 15.750 gulden van Agatha Breman, de weduwe van Hendrik Duyst van Voorhout. Hendrik was ambachtsheer van Zevenhuizen geweest. Het Moerkapelse gebied kreeg zo dus een apart bestuur. Het werd een eigen ambachtsheerlijkheid. Het raakte los van Zevenhuizen. De Staten van Holland en West-Friesland gaven op 8 oktober 1646 toestemming aan Van der Wel om het plassengebied te bemalen. Dus om het overtollige water via molens te verwijderen en het gebied droog te maken. Balthasar Coijmans, Daniël van Hogendorp en Laurens van Swaanswijck en Johan Herrewijn –allemaal vermogende 15

Dominee wordt ambachtsheer Na jonkheer Warnaert van der Wel bleef Daniël van Hogendorp tot zijn dood in 1673 ambachtsheer. Zijn weduwe verkocht de heerlijkheid Moerkapelle en De Wilde Veenen in 1677 aan de stad Rotterdam. In 1853 werden de rechten verkocht –jazeker, dat moet een rijk man zijn geweest– aan een predikant. Jan Jacob van Voorst, predikant te Amsterdam, werd de nieuwe heer van Moerkapelle en De Wilde Veenen.

Ridder D. van Hogendorp, dijkgraaf en baljuw van Schieland, Heer van Moercapelle en Wilde Veenen.


Drie kapitale boerderijen Kort na de drooglegging werden drie kapitale boerderijen gebouwd. Een ervan heette later Moscovie (Middelweg). Een andere, nog altijd imponerende, Noord-Hollands ogende boerderij is de Stolpenburg (Herenweg 54). Deze droeg eerst de naam De Stolp. De derde heette eerst de Hoekwoning –ze staat op de uiterste hoek van De Honderd Morgen– en draagt nu de naam Land van belofte (Noorddijk 5). De eigenaars zetten een pachter op het bedrijf. Een deel van de boerderij moest vrij blijven voor de eigenaar: de herenkamer. Voor als hij kwam logeren met zijn gezin. De boerin moest dan ook voor de gasten koken en de kamer schoonhouden. De vermogende eigenaar gebruikte zijn kapitale boerderij als buitenverblijf of jachthuis.

Een elektrisch gemaal verving in 1924 de molens aan de Rotte. Daarna werden de molens afgeknot. Nog altijd dienen ze als woning. Met diverse verdiepingen.

Verdeling van het land Toen de polder in 1655 droog lag, verdeelden de ‘bedijkers’ het land. Niet onder hen die het zware werk hadden verricht. Maar onder degenen die het financiële risico hadden genomen. De heer van Moerkapelle en De Wilde Veenen, Daniël van Hogendorp, zal vast een schout hebben benoemd. Er waren stellig schepenen voor rechtspraak. De vermogende ‘bedijkers’ benoemden zichzelf tot polderbestuur.

lieden– waren participanten in het bedijkingproject. Een aantal namen valt terug te vinden in het stratenplan van Moerkapelle.

Aan het begin van de Rotte staat de afgeknotte molen ‘De Oorsprong’. 16

Er werden watermolens gebouwd.Van der Wel ontwierp een soort baggermachine. Die werkte niet goed. Uiteindelijk ging de jonkheer failliet. Hij kwam zelfs in de Haagse Gevangenpoort terecht. Het werk ging door. In 1651 werd Daniël van Hogendorp eigenaar van het gebied. Een van de medewerkers dus van jonkheer Van der Wel. In 1655 viel de polder De Honderd Morgen droog. De mensen verwijderden


Moscovie

Een van de na de drooglegging van De Wilde Veenen gebouwde, maar inmiddels afgebroken boerderijen: Moscovie.

nog wat restanten turf. Daarna begonnen ze met het graven van tochten en sloten. Aan het eind van de achttiende eeuw woonden er ruim 300 mensen in 61 huizen. Het dorp werd evengoed eerst nog van diverse zijden door water bedreigd. Minstens een halve eeuw na de drooglegging was de polder De Honderd Morgen –dat is voor een drooggevallen en bruikbaar stuk land een betere naam dan De Wilde Veenen– nog omringd door plassen. Pas tussen de jaren 1825 en 1840 werd de aangrenzende Zuidplas drooggelegd. Die vormde de laatste, natte bedreiging voor De Honderd Morgen. Er stonden uiteindelijk zes molens aan de Rotte. Zij hielden tot 1924 –toen nam een elektrisch gemaal hun werk over– de polder De Honderd Morgen droog. Na het genoemde jaar werden zij afgeknot. Zo bleken het bewoonbare huizen.

Vier keer liep overigens het water de polder weer binnen. Dat gebeurde in 1673 toen de regering de Fransen trachtte tegen te houden met de Hollandse waterlinie. Het water stond af en toe drieënhalve meter boven het maaiveld. In 1682 bezweek in een storm een kade vanuit de Bleiswijkse honderdveertig morgen die nog niet drooggemaakt waren. Daardoor kwam het land opnieuw onder water. Rond de jaarwisseling van 1713 en 1714 was er opnieuw sprake van een doorbraak, nu vanuit de Hazerswoudse kant. En in 1715 begaf de kade van de Bleiswijkse kant het opnieuw. Ondanks al dat water ontwikkelde Moerkapelle zich tot een bloeiend agrarisch dorp. De ondergelopen gebieden werden telkens weer droog gemaakt.

17

Waarom heette de boerderij aan de Middelweg die in 2015 is afgebroken Moscovie, of Moscoviën? De naam als zodanig werd vroeger wel gebruikt voor Moskou. Maar ook voor Rusland zoals dat was vóór de hervormingen van tsaar Peter de Grote van omstreeks 1700. Sommigen hebben gedacht dat de naam verband heeft met de tocht van Napoleon naar Rusland. Dat kan niet waar zijn. Want reeds in 1805 wordt in een overdrachtsakte de naam Moscoviën gebruikt. De oorsprong van die naam blijft een raadsel. Wel weten wij dat in 1919 Arie Daniëlszn. van der Spek (1881-1939) de boerderij kocht.

De jonkheer vernoemd In 1939 bouwde een boer een nieuwe, grote boerderij aan de Middelweg. Hij gaf die boerderij een naam. In het Oosten van Nederland eindigen veel van die boerderijnamen op ‘ink’. Met daarvoor een voornaam. Dat betekende dat die boerderij behoorde tot de genoemde persoon. Soms kreeg een persoon later –toen de mensen een achternaam moesten aannemen– de naam van zijn boerderij. De naam die de Moerkapelse boer in 1939 koos voor zijn boerderij, had echter een andere bedoeling. Hij gaf zijn bezit de naam Warnaart-hoeve. Om de naam van jonkheer Warnaert van der Wel voor vergetelheid te behoeden.


Oud Verlaat Eeuwen geleden begon de kerk ‘op moer’ in een kapel. De bevolking behoorde in die tijd tot de rooms-katholieke parochie te Zevenhuizen. De huidige, monumentale kerk in dat dorp, kwam waarschijnlijk gereed in 1527. Enkele jaren later moet de torenbouw zijn voltooid. Het begin van het dorp Zevenhuizen lag echter reeds in de twaalfde eeuw op een andere plaats: langs de Rotte. Mogelijk op de plaats die nu Oud Verlaat heet. Daar lag een kerkhof en stond al in de Middeleeuwen een kapel. Reeds in het jaar 1276 vormde Zevenhuizen een parochie. Naarmate de vervening van de omliggende gebieden vorderde, ontstond omstreeks 1500 een nieuw dorp, landinwaarts, het tegenwoordige dorp.

Het oude gemeente­ wapen Een afbeelding van de oude kapel was opgenomen in het tot 1817 geldende gemeentewapen van Moerkapelle. Het stelde een eenvoudig kerkje voor aan de oever van een plas of meer. Het was waarschijnlijk van betrekkelijk jonge datum, want op de Wapenkaart, uitgegeven voor de Staten van Holland ter gelegenheid van de troonsbestijging van Willem III al koning van Engeland, kwam in 1689 het ambachtswapen nog niet voor tussen de andere wapens.

2. Een kerk 2.1. Kapel ‘op moer’ Volgens sommigen stond er reeds in 1542 en minstens al in 1558 een kapel ‘op moer’. Als dat waar zou zijn, zou de eerste kapel ‘op moer’ gebouwd kunnen zijn als roomskatholiek bedehuis. Anderen menen echter dat de eerste kapel is gebouwd tussen 1601 en 1645. Die zou dan waarschijnlijk direct protestants zijn geweest. Toen ze in De Wilde Veenen begonnen met turf steken, was er een culturele kentering gaande in Europa.Vanaf 1517 roerde Luther zich vanuit Wittenberg om te komen tot reformatie van de kerk. In 1534 koos ook Calvijn definitief voor reformatie. Voor zover wij weten was er noch in Zevenhuizen, noch in Moerkapelle in 1566 sprake van beeldenstorm. Het bleef trouwens ook in de regio redelijk rustig. In de Goudse St. Jan bleven zelfs de glazen met beeltenissen van voor de Reformatie bewaard. De beelden werden rustig verwijderd en kwamen in huizen terecht. De kapel in De Wilde Veenen –als die er al stond– was trouwens misschien ook te simpel voor beeldenbrekerij. Het was een klein gebouwtje met vermoedelijk weinig beelden en weinig mensen. De bevolking van de nederzetting behoorde in de eerste tijd tot de ambachtsheerlijkheid en dus ook tot de parochie te Zevenhuizen. Dat dorp was natuurlijk oorspronkelijk rooms-katholiek. De pas18

Op de plek van de gevel geheel rechts, in de schaduw van de monumentale dorpskerk, moet de eerste kapel hebben gestaan.

toor van Zevenhuizen moest ook de in De Wilde Veenen levende kerkmensen pastorale bijstand bieden. In 1573 moet in Zevenhuizen de eerste protestantse godsdienstoefening zijn gehouden. En aan het eind van de jaren ’70 beriepen de Zevenhuizers een eigen predikant. De gemeente was kennelijk ‘om’. Ds. Magchiel Andrieszn. werd in 1580 de eerste gereformeerde dominee van Zevenhuizen. Maar Michiel werd al het volgende jaar van zijn ambt ontheven. Hij had een rechtszaak aanhangig gemaakt tegen de schout en schepenen. Onbekend is of hij mogelijk de


Remonstrantie

een of andere religieuze wandaad op zijn geweten had. De Inventaris van de archieven behorend tot het Oud Synodaal Archief van de Nederduitse Gereformeerde Kerk 1566-1816 –dit was tot 1816 de naam van de Nederlandse Hervormde Kerk– bevat een Resolutie van het Hof van Holland die bepaalde dat de kerkelijke strafprocedure tegen Magchiel Andrieszn., predikant te Zevenhuizen, voortgang mocht vinden zonder tussenkomst van dat rechtscollege. 2.2. Zelfstandige kerkelijke gemeente in Moerkapelle Magchiel Andrieszn. werd in Zevenhuizen opgevolgd door ds. Cornelis Gilssen (15811603), ds. Johannes Lemhoorn (1603-1608) en ds. Mattheüs Adriaan Verburg (16081619). Burgius –zo latiniseerde iemand de naam Verburg– werd evenals Michiel Andrieszoon afgezet. De Staten van Holland vroe-

Een tekening van het oude gemeentewapen van Moerkapelle. Dat is later vervangen.

gen in 1608 bezwaren tegen de belijdenisgeschriften op papier te mogen ontvangen. Ds. Mattheüs Adriani Burgius koesterde bedenkingen, zei hij. Maar hij ging niet inhoudelijk in op zijn bezwaren. Anno 1610 ondertekende hij echter de door aanhangers van Arminius opgestelde Remonstrantie. En in 1616 sloot hij zich aan bij de

Remonstrantse kerk Ds. Mattheüs Adriani Burgius behield ook na zijn afzetting in 1619 veel aanhang in Zevenhuizen. In 1624 kochten remonstranten in het dorp een erf om er een eigen kerk te stichten. Dat werd verboden. Toch kwamen de remonstranten in Zevenhuizen al in 1628 op een vaste plaats bijeen. Vanaf 1630 gedoogde de overheid dat. Een remonstrants kerkgebouw mocht echter niet aan de openbare weg staan. Pas in

1866 bouwden zij een kerk. In de Dorpsstraat. Na het opheffen van Remonstrantse Gemeente in Zevenhuizen kocht in 1954 de Vereniging van Vrijzinnige Hervormden het toen bestaande kerkgebouw. De oude, fraaie preekstoel en het aanwezige avondmaalszilver gingen naar de Geertekerk in Utrecht. Die werd in datzelfde jaar, in 1954, verkocht door de Hervormde Gemeente Utrecht aan de Remonstranten.

In Gouda verwoordden begin 1610 tientallen predikanten hun bezwaren tegen de leer zoals die was verwoord in de Heidelbergse Catechismus (1563) en in de Nederlandse Geloofsbelijdenis (1561). De 44 dominees in Gouda waren het niet eens met de wijze waarop die belijdenisgeschriften zich keren tegen de vrije wil van de mens. En zij koesterden ook bedenkingen bij de uitverkiezing. Zij verzetten zich tegen de leer zoals die door Johannes Calvijn op grond van de Bijbel was geformuleerd. Deze opvattingen werden in 1610 vastgelegd in een ‘verweerschrift’ of ‘remonstrantie’. Dit verweerschrift raakte bekend als de Vijf artikelen van de remonstranten. Tot de ondertekenaars behoorden Simon Episcopius (1583-1643), Eduard Poppius (1577-1624) en zelfs de hofpredikant Johannes Wtenbogaert (1557-1644). En dus ook ds. M. A. Burgius.

Zevenhuizens complot

19

Claes Bontenbal behoorde in Zevenhuizen in 1616 tot de schepenen en was vanaf 1618 gemeentesecretaris. Hij sympathiseerde met de remonstranten. Eind 1622 beraamden enkele lieden, remonstrants en rooms, mensen van stand, een aanslag op prins Maurits. Claes was een van hen. Maar het complot werd ontdekt. Claes werd op 3 juli 1623 achter het stadhuis van Rotterdam onthoofd.


Herbergen Eerst vergaderden de schout en de schepenen in de herberg in het dorp. Later ook in een herberg aan de Donderdam. Deze wordt voor het eerst in stukken genoemd in 1652. Het moet een fraai logement zijn geweest. Met dezelfde naam als de locatie.Van 1705 tot 1844 heeft van generatie op generatie de familie Pols deze herberg geëxploiteerd. In 1809 zocht de Hervormde Gemeente Moerkapelle een koster en voorzanger. Geïnteresseerden moesten zich vervoegen bij de president van het gemeentebestuur, A. Pols aan de Donderdam, of bij de predikant. Bij de Donderdam legden niet zelden gezelschappen aan die zich op de Zuidplas vermaakten met roeien, zeilen of schaatsenrijden. Ook hielden soms koetsen en wagens stil bij een van die herbergen. In 1844 werd het logement aan de Donderdam afgebroken.

Op zondag gesloten Burgemeester A.Verheul schreef een boekje over het dorp Moerkapelle.Verheul zei dat er ooit een herberg met de naam ‘De Vergulde Molen’ in het dorp stond. Die zou dienst gedaan hebben als rechthuis, uitspanning en logement. Andere historievorsers menen dat er nooit een herberg met die naam in het dorp heeft gestaan. In

remonstranten. Het staat wel vast dat de visie van de predikant het algemeen gevoelen in Zevenhuizen en Moerkapelle –en in elk geval de kerkenraad– flink heeft beïnvloed. De magistraat van Zevenhuizen verbood in 1616 zelfs contra-remonstrantse conventikels of bijeenkomsten. Uit vrees voor oproer en bloedvergieten. Toch woonden de meeste remonstranten in de steden. Na Burgius diende ds. Johannes Petraeus de dorpen Zevenhuizen en Moerkapelle (1620-1632). En in de tijd dat ds. Nicolaas Duyn in de gemeente Gods Woord bediende (1632-1671), werd Moerkapelle een zelfstandige gemeente. De gereformeerde overheden hadden in de zeventiende eeuw een vinger in de pap in de kerk. Zo verhieven de Staten van Holland in 1655 –dus toen De Wilde Veenen droog vielen– Moerkapelle tot een afzonderlijke, kerkelijke gemeente. Zij stonden de bewoners van De Honderd Morgen tevens toe een eigen predikant te beroepen.

20

elk geval verrees later op een andere plaats in het dorp café-restaurant ‘Het Wapen van Moerkapelle’. Dat moest op zondag gesloten zijn. Maar een zijdeur kwam uit op Zevenhuizens grondgebied. Zo kon iemand op zondag via de zijdeur bij mooi weer toch een glaasje drinken op het terras. Op Zevenhuizens grondgebied.

2.3. Echte kerk De oude kapel ‘‘op moer’’ bleek spoedig te klein. Toen de Moerkapelse gemeente in 1655 zelfstandig werd, ging het volk een echte kerk bouwen. De bekende bouwmeester Pieter Post maakte een ontwerp. De Staten van Holland vonden het goed dat de kerkelijke gemeente het achterstallig belastinggeld voor de bouw ging gebruiken. Dat was een bedrag van 4.892 guldens en 18 stuivers. Werkelijk voor die tijd geen gering bedrag. Het bleek desondanks niet genoeg om de kerk af te maken.

Afbeelding van de kerk van Moerkapelle van de hand van A. Schoemaker (1660-1734).


Toen de kerk in gebruik genomen is, hebben de dorpelingen het gebouwtje van de kapel ingericht als school. Later –dat was na 1840– fungeerde het kapelletje als boerenwoning. Op 24 juli 1894 –sommigen zeggen: rond 1900– brandde het af. Daarna zou er nog weer een houten huis zijn gebouwd op die plek.

Een van de vele stads- en dorpsbeschrijvingen van L. Ollefen (1749-1816) met gravures van A.C. Brouwer.

Hoe losten de dorpelingen dat probleem op? Moerkapelle ging tol heffen.Voor elke ton bier en voor elke stoop wijn die in het rechtsgebied van Moerkapelle werd geconsumeerd, moesten zes stuivers worden betaald. Elk schip met turf van meer dan honderd ton dat via de Moerse Vaart de sluis –ook wel genoemd: het verlaat– bij de Holvoeterbrug zou passeren, diende acht stuivers te betalen. De helft daarvan was voor onderhoud van de sluis en de andere helft voor kerkbouw. In 1667 kwam de nieuwe kerk –met toren– gereed. Omdat het sluisgeld van het Moerse verlaat voor een deel ten goede kwam aan de kerkbouw, noemden de mensen de Moerse Vaart later het Kerkewater. Overigens is de sluis in de achttiende eeuw gedempt.

De nieuwe kerk moet mooie, gebrandschilderde glazen gehad hebben. Beschilderd met de wapens van de voornaamste bouwheren van de kerk en de bedijkers van de polders. En met de wapens van personen die de glazen hadden geschonken. De glazen zijn in 1831 met de complete ramen bij een grote onderhoudsbeurt van de kerk verwijderd.

3. Kerkelijk leven Hoe functioneerde het kerkelijk leven van de in 1655 zelfstandig geworden Nederduitse Gereformeerde Kerk van Moerkapelle?

Ds. Jodocus van Lodenstein Ds. Jodocus van Lodenstein (1620-1677) was afkomstig uit een Delfts regentengeslacht. Hij studeerde theologie in Utrecht, waar hij onder andere college volgde bij Gisbertus Voetius. In 1644 nam Van Lodenstein een beroep aan naar de gemeente Zoetermeer en Zegwaart. In 1650 ging hij naar het Zeeuwse Sluis en in 1653 naar Utrecht.Van Lodenstein behoorde tot de Nadere Reformatie. Hij beklemtoonde als onderdeel van het geloofsleven het belang van levensheiliging in navolging van Christus. Behalve predikant was Van Lodenstein ook dichter. Bekend is van hem het gedicht ‘Hoog! Omhoog! mijn ziel, naar boven! Hier beneden is het niet: ’t rechte leven, lieven, loven, is maar daar men Jezus ziet.’

3.1. Ds. Henricus van Rijp (1627-1685) Het model van de oude beroepsbrief vroeg van de predikant ‘de kudde van Jezus Christus onder ons te weiden, het Woord Gods, de leer der Waarheid, die naar de godzaligheid is, zuiver en rein te prediken’ De ambachtsheer –vanaf 1677 tot 1853 waren dat de burgemeesters van Rotterdam– moest toestemming geven tot een beroep. De eerste eigen predikant van Moerkapelle was ds. Henricus van Rijp. Hij heeft stellig 21

Een portret uit 1682 van ds. H. van Rijp, de eerste predikant van de Hervormde Gemeente te Moerkapelle.


Bekkers twijfel Ds. Bekker (1634-1698) was predikant in Franeker, Loenen en Weesp en Amsterdam. Maar hij was tevens aanhanger van René Descartes.Volgens Descartes kon niemand ergens zeker van zijn, behalve van zijn eigen twijfel. Bekker nam dat over. Zijn methode om naar waarheid te zoeken was om eerst systematisch aan alles te twijfelen. De rede, het intellect was naar zijn overtuiging het enige waarop een mens mocht vertrouwen. Dat staat haaks op de boodschap van de Bijbel.

de opdracht van de beroepsbrief serieus genomen. Hij werd bevestigd op 12 mei 1656. Hij ging jammer genoeg al in 1657 naar Bleiswijk. Daar konden ze ook wel een goede predikant gebruiken. Want zij hadden enkele decennia eerder nogal last gehad van twee remonstrantse predikanten: ds. Simon Episcopius en ds. Hendrick Slatius. In 1662 nam ds. Van Rijp een beroep aan naar Woerden. En in 1674 trok hij naar Utrecht. Ds. Van Rijp was geestverwant van de zeer rechtzinnige en bevindelijk prekende ds. Jodocus van Lodenstein. In Utrecht mocht Van Rijp nog enige jaren collega zijn van ds. Van Lodenstein. Bij diens overlijden in 1677 schreef Van Rijp ‘Zions Wee-Klagen’ en een ‘Klaeghlied’. 3.2. Sympathie voor ds. Balthasar Bekker (1634-1698)

Ds. Balthasar Bekker, een van de voorlopers van de Verlichting, vond sympathisanten in Moerkapelle.

Na Van Rijp volgde een rij van predikanten: de van huis uit Waalse ds. Lucas Liscaljet (1658-1665), ds. Cornelis Esterwegen (1667), ds. Laurentius de Wolf (1668-1670) en ds. Abraham Sluijter (1671-1705). Ds. Sluijter raakte in conflict met Pieter van Winckel, de toenmalige schout van Moerkapelle. De schout zat op een goede zondag na de preek dronken in het café. Ds. Sluijter ging naar de kroeg en riep de man tot de orde. Maar de schout werd nijdig en slingerde hem allerlei lelijks naar het hoofd. Na de langdurige ambtsbediening van ds. Sluijter kwam bovendien openbaar dat in Moerkapelle sympathieën leefden voor de ongereformeerde opvattingen van ds. Balthasar Bekker. Dat was ernstig! 22

Titelpagina van Balthasar Bekkers boek De Betoverde Wereld.

Ds. Bekker schreef in 1691 het boek De betoverde weereld. Hij wilde de kerkelijke geloofsleer ‘zuiveren’. Dat hij zich verzette tegen het bestaan van heksen en spoken, was zo erg nog niet. Maar hij trok tevens het bestaan van de duivel in twijfel. Hij weigerde bijvoorbeeld te geloven dat de duivel in het Paradijs door middel van een slang had gesproken. Dat alles leidde ertoe dat ds. Bekker in 1692 werd afgezet als predikant. Wie het bestaan van de duivel ontkent, hoort niet op de kansel.


De Moerkapelse waardering voor de opvattingen van ds. Bekker kwamen aan het licht na de ambtsperiode van de in 1705 overleden ds. Sluijter. Door het beroepingswerk was er relatief veel contact tussen de kerkenraad en de classis. Toen bleek dat de ambtsdragers al enkele jaren niet meer, zoals gebruikelijk, waren afgetreden. En dat drie ambtsdragers, Johan Bakker en Paulus Klapwijk en ene Berckhout, in mindere of meerdere mate aanhangers van Bekker waren. Bakker was schoolmeester en voorzanger in de kerk. Een commissie van de classis had diverse mensen gehoord tegenover wie Bakker en Klapwijk ooit hun ideeën hadden verdedigd. De ouderlingen werden afgezet. Zij gingen in beroep bij de Synode van ZuidHolland. De predikant die de gemeente het laatst had gediend, ds. Sluijter, vroeg om opheffing van de censuur over de afgezette ambtsdragers. Niet duidelijk is waarom hij dat deed. 3.3. Ds. Rudolphus Ottinga Van 1751 tot 1761 diende ds. Rudolphus Ottinga de Nederduitse Gereformeerde Kerk te Moerkapelle als predikant. Hij ging wegens ziekte met emeritaat. Hij is overleden in 1784. Hij mengde zich in de strijd tussen Jansonnius en Appelius. Wat was het geval? Ds. Hillebrandus Janson­ nius uit Veendam publiceerde over het heilig avondmaal. Niet alleen wedergeborenen dienen daaraan deel te nemen, zei hij, maar ieder die belijdenis des geloofs heeft

afgelegd en onergerlijk leeft. Ds. Johannes Conradus Appelius uit Zuidbroek verdedigde in geschrifte dat alleen zij die wezenlijk deel hebben aan Christus door geloof en wedergeboorte het avondmaal mogen gebruiken. Na zijn emeritaat schreef ds. Ottinga een boek met als titel Onzijdige, waarheidzoekende, en vredelievende overdenkingen, behelzende eenige zeedige, letterlijke en practicale aanmerkingen. Hij poogde de partijen samen te brengen. Hij leek in zijn geschrift desondanks meer te voelen voor de goede mening van Appelius dan voor die van Janssonius. 3.4. Het koorhek De Nederduitse Gereformeerde Kerk van Moerkapelle ontving rond 1715 het houten koorhek uit de St. Laurens. Of althans: het blijkt moeilijk vast te stellen of het hek geschonken was, of betaald. Hoe dan ook: Het koorhek dateert van 1593. En de Rotterdamse kerk schafte zich in 1715 een nieuw koorhek aan. Van koper. Dat is toch veel mooier? Waarom kwam het hek uit Rotterdam in Moerkapelle terecht en niet in een ander dorp? De oorzaak was waarschijnlijk dat de stad Rotterdam van 1677 tot 1853 ambachtsheer was van Moerkapelle. Het koorhek paste trouwens qua breedte goed in de Moerkapelse kerk. Dat koorhek bevatte een aantal aan de Embdense Bijbel (1581) ontleende, in 1593 aangebrachte balkteksten. Aan de ene kant stond geschreven: ‘De HEERE, onse Godt, 23

Ds. Johannes Conradus Appelius Ds. Johannes Conradus Appelius (1715-1798) noemde de eeuw waarin hij leefde vanwege de verachting van de waarheid ‘eene van de allerduisterste’. Hij hield zich stipt aan de belijdenisgeschriften, maar kwam daardoor in aanvaring met diverse collega’s. Zij maakten hem uit voor een labadist, iemand dus die alleen maar ware gelovigen tot de kerk zou willen toelaten. Dat was niet terecht. Maar Appelius beklemtoonde sterk de noodzaak van wedergeboorte en het handhaven van de kerkelijke tucht.

Koorhek Wat is een koorhek eigenlijk? Het koor is in de westerse bouwkunst de ruimte van een kerk waar zich het hoofdaltaar bevindt. Dat betreft natuurlijk rooms-katholieke kerkgebouwen. Maar nog altijd wijzen wij ook in monumentale, oude, nu protestantse kerkgebouwen het koor aan. Het koor was soms van het schip –de langgerekte ruimte waar de kerkgangers konden zitten– afgescheiden door een koorhek.


Eens gegeven, blijft gegeven Helaas werd het koperen koorhek in de St. Laurenskerk bij het bombardement van Rotterdam in 1940 vernietigd. Toen probeerde Rotterdam het oude, ooit aan Moerkapelle geschonken houten hek terug te krijgen. Maar dat ging niet door! Ook pogingen vanuit de havenstad om het houten koorhek desnoods terug te kopen, bleken tevergeefs. Het commentaar van dorpelingen luidde: ‘Als wij het gekocht hebben, dan hebben wij het wis en zeker eerlijk betaald. En als wij het gekregen hebben, dan geldt het oude spreekwoord: Eens gegeven, blijft gegeven.’

Het aan Moerkapelle door de Laurenskerk te Rotterdam geschonken koorhek dateert van 1593. De tekst op het koorhek luidt: ‘1 Koningen 8:57. De HEERE, onze God, zij met ons, gelijk als Hij geweest is met onze vaderen; Hij verlate ons niet, en begeve ons niet.’

zij met ons, gelijck als Hij geweest is met onse vaderen; Hij en verlate ons niet ende begeve ons niet’ (1 Koningen 8:57). Aan de andere kant stond geschreven: ‘Leeret wat goets doen, pooget na rechten; helpt den verdructen, schaffet den weezen recht/en helpet der weduwen sake. Soo komt dan/ ende latet ons tesamen richte/spreeckt de HEERE: wanneer uwe sonde oock alreede bloetrood is/so sal sij doch sneewit worden. Willet ghij mij hooren so sullet ghij des landts goed genieten. Weijgeret ghij daarentegen/en de sijt ongehoorsaam/so Het koorhek droeg voor de restauratie in 1956 nog sulet ghij van den sweerde gegeten worden: want de mont des HEEREN zeijt het’ een gewijzigde tekst. ‘Jaagt de liefde na.Want God is liefde.’ Dat zijn twee citaten. Het ene uit 1 (Jesaia 1:17-20). Korinthe 14:1 en het andere uit 1 Johannes 4:8. 24


De kerkelijke bewindvoerders verplaatsten de kansel, die aan de zuidgevel van de kerk stond, naar de oostgevel. Het koorhek kreeg een plek aan die oostkant, achter de kansel. De ruimte daarachter kwam in gebruik als vergaderruimte en consistoriekamer. Ergens na 1715 –maar er valt niet meer vast te stellen wanneer dat precies is geweest– is de originele, Rotterdamse tekst vervangen. Aan de ene kant van de kansel stond voortaan: ‘Jaagt de liefde na’ (1 Korinthe 14:1) en aan de andere kant van de preekstoel stond: ‘Want God is liefde’ (1 Johannes 4:8). De nieuwe tekst zal overigens niet te maken hebben gehad met een mogelijk liberale ligging. Toen de preekstoel bij de komst van het koorhek is verplaatst van de zuidzijde naar de oostzijde van de kerk, stond deze voor het koorhek. De volledige tekst was daardoor niet meer zichtbaar. Toen bedachten mensen de ‘oplossing’ om een andere, kortere tekst te plaatsen.

Bij de in 1956 gereedgekomen restauratie is de oorspronkelijke tekst in ere hersteld. De ‘nepplanken’ zijn verwijderd. Toen plaatsten de werklui het hek aan de westkant van de kerk voor de ingang. De originele tekst werd zichtbaar en in ere hersteld. Het is het mooiste en oudste object uit de kerk die zelf van later datum is. 3.5. Oranje boven Het gistte in Europa. Maar de mensen uit Moerkapelle waren Oranjegezind. Zoals de meeste mensen op het platteland in Holland. En zeker de gereformeerden. Patriotten wilden echter de militaire macht van de Oranje-stadhouder breken. Daarom bepleitten zij in 1784 burgerbewapening. De Rotterdamse schout, Henricus Arnoldus Kreet, een vurig patriot, begaf zich op 29 januari 1785 naar het dorp. Op bevel van Het Hof van Holland. Hij kwam om te spreken met het gerecht. Hij vertelde dat

Inwoners van Moerkapelle toonden zich als echte Oranjeklanten boos, toen schout H.A. Kreet hen in 1785 opzocht. 25

Representant Ds. J. Slotemaker was representant. Het woord representant betekent letterlijk: vertegenwoordiger of afgevaardigde. In 1795, tijdens de door de Franse geïnspireerde Bataafse revolutie, namen Provisionele Representanten van het Volk van Holland de macht over van de Staten van Holland en WestFriesland. Provisioneel wil zeggen: voorlopig, of tijdelijk. Het college heeft bestaan tot 1796. Daarna werd de Nationale Vergadering geïnstalleerd.


Louwmaand Advertenties in de Rotterdamsche Courant van 7 januari 1796 en in de Goudasche Courant van 8 januari 1796 meldden dat in de Moerkapelse pastorie een jongetje was geboren: Cornelius Slotemaker. De predikant dateerde zijn bericht –in tegenstelling tot de datering van andere familieberichten– met ‘den 2 van Louwmaand 1796’. Waarom? Aanhangers van de in 1789 begonnen Franse revolutie voerden in Frankrijk een Republikeinse kalender in. Namen mochten niet meer verwijzen naar mythische goden en oude keizers. De Franse maanden kregen aan het klimaat gerelateerde namen. Door de revolutie aangestoken Nederlanders begaven zich in datzelfde spoor. Louwen is een bijvorm van looien. De louwmaand heet ook wel looimaand. Want in januari was het winter. In de winter hadden activiteiten plaats zoals het looien van huiden. Ds. Slotemaker toonde met het gebruik van het woord louwmaand sympathie voor het verlichte, Franse denken.

Het bericht in de ‘Goudasche Courant’ van 20 februari 1796, dat ‘de burger Jan Slotemaker, predikant te Moercapelle’, was benoemd tot lid van het Provinciaal Bestuur van Holland.

de inwoners niet verplicht waren via ‘loting van de derde man’ te gaan exerceren, maar dat men zich vrijwillig kon opgeven. Hij liet de klok luiden om de dorpelingen op te trommelen. Toen ging direct een aantal mensen de toren op om de Oranjevlag uit te steken. Alle mensen die naar het Rechthuis kwamen droegen oranje. De schout verzette zich met luider stem ‘tegen het dragen van leuzen’. Toen vertelde het volk dat ze niet wilden exerceren voor de Staten, maar wel voor de prins en dan getooid met oranje. Want de Staten waren maar jongens en de prins was het hoofd. Kreet voelde zich kennelijk niet veilig meer. Hij liet zijn rijtuig komen. Toen bleek dat de paarden versierd waren met Oranjestrikken. De wagen was aan alle kanten beschreven met woorden als ‘Oranje boven!’ en ‘De Prins boven!’ De menigte wilde hem bij het weggaan dwingen een oranje strik te dragen. De schout trok zijn degen, maar werd achterover getrokken en in de modder gegooid. Een andere lezing zegt dat hij door het gedrang van de stoep is gevallen. In elk geval zei iemand: ‘Laat ons geen mensen vermoorden.’ Toen lieten ze hem gaan. Ze hielpen hem in z’n 26

rijtuig. Maar met een Oranjestrik op zijn hoed. In 1787 was er opnieuw sprake van onlusten. De Pruisen hadden zich achter Oranje gesteld. Mogelijk maakte dat de Moerkapellers wat overmoedig. 3.6. Een patriottische dominee Ds. Rudolphus Ottinga was opgevolgd door ds. Andreas Holsteijn. Deze diende de gemeente van 1762 tot 1790. Zijn opvolger was ds. Johannes Slotemaker. Hij was een patriot. Hij diende de Nederduitse Gereformeerde Kerk van Moerkapelle van 1790 tot 1796. En ‘den burger Jan Slotemaker’ fungeerde in 1796 als representant van het volk in het Provinciaal Bestuur van Holland. Hij vertegenwoordigde het district van Rotte en IJssel. Het genoemde college vormde het alge-

Een blijde boodschap in de Rotterdamsche Courant van 7 januari 1796. Het echtpaar Slotemaker ontving een zoon Cornelius.


Door het ijs gezakt Op 17 januari 1829 dachten vijf mannen op de schaats van Rotterdam naar Amsterdam te gaan. Dat waren Cornelis van den Hoek met zijn zoon Corneille Henry, Michiel Montauban van Swijndregt, Matthieu Frederic Brodier en ene meneer Van Savooijen. Bij nader inzien bleek het ijs op de nog niet drooggelegde Zevenhuizense Plas, de Zuidplas, niet overal van goede kwaliteit. Op een kwaad ogenblik zakten Van den Hoek jr. (20), Brodier (31) en Van Swijndregt (25) door het ijs. In de nabijheid van de Donderdam. Zij verloren daarbij het leven.

Samenkomst van de eerste Nationale Vergadering van de zogeheten Bataafse Republiek. Het was de bedoeling eenheid tussen de gewesten te brengen en een grondwet op te stellen. De vergadering bestond uit 126 leden die uit 126 districten verkozen waren. Dat was het begin van de democratie in Nederland.

meen bestuur van Holland, in opvolging van de Staten van Holland en in afwachting van de uitkomsten van een in te stellen Nationale Vergadering. De afgevaardigden namen hun besluiten, zo vermeldt het boek van 2 maart 1796, waarin die besluiten zijn vastgelegd, in ‘het tweede jaar der Bataafse vrijheid’. Volgens ook dat boek werkten die vertegenwoordigers van het volk onder het motto vrijheid, gelijkheid en broederschap. Ds. Slotemaker zat in een ‘Commissie tot de kerkelijke zaken’. Ds. Slotemaker had dus waarschijnlijk niet –zoals ds. Van Rijp– sympathie voor het gedachtegoed van ds. Van Lodenstein.

Hij neigde mogelijk ook niet –denk aan ds. Ottinga (1751-1761)– tot bijval van ds. Appelius’ stelling dat alleen zij die wezenlijk deel hebben aan Christus door geloof en wedergeboorte het avondmaal mogen gebruiken. Hij moet een gevierd redenaar zijn geweest. Maar hij was een patriot. 3.7. Ds. Gijsbert Albert Duijtsch (1773-1828) Ds. Slotemaker werd –voor korte tijd– opgevolgd door ds. Gijsbert Albert Duijtsch. Hij diende de gemeente van 1797 tot 1798. 27

Chr.S. Duijtsch, de vader van de Moerkapelse predikant G.A. Duijtsch.


Een van de door het ijs gezakte mannen: M. Montauban van Swijndregt.

Begraven rond de kerk Voor het laatst werd in 1828 iemand begraven in het Moerkapelse Hervormde kerkgebouw. Daarna was er een begraafplaats rond de kerk. In 1872 werd er een nieuwe gemeentelijke begraafplaats aangelegd. Deze heet nu: Moerhage. De in de buurt van de Donderdam door het ijs gezakte, verdronken drie mannen werden op 21 januari 1829 op het kerkhof rond de kerk van Moerkapelle begraven. In 2015 vonden ijverige zoekers in de kruipruimte onder de consistoriekamer van de Hervormde Kerk de stukken en brokken van de grafzerk van de overledenen.

Hij was een zoon van de bekende Messiasbelijdende Jood ds. Christiaan Salomon Duijtsch (1734-1795).

met de prediking. Niet onbelangrijk was stellig ook dat Benthuizen dichtbij lag. En mogelijk was er sprake van familierelaties.

In 1798 maakten twee anti-Oranjegezinde dorpsgenoten met helpers van elders zich –onder leiding van schoolmeester Cornelis Leij– sterk tegen de ‘Oranjebliksems’. Zij drongen woningen binnen, brachten vernielingen aan, eisten giften en vloekten als beesten. En ze lieten een eerst dronken gevoerde jongen een Oranjepoort in brand steken. Bij de 30 stemgerechtigde burgers van Moerkapelle die protest uitbrachten bij de overheid hoorde ook ds. Duijtsch. De gemeente besloot Leij te ontslaan.

Opmerkelijk is trouwens ook dat in het Hervormd lidmatenboek betreffende de periode van 1830 tot 1850 betrekkelijk weinig gegevens vallen te vinden over mensen die zich aan de gemeente hebben onttrokken. Sommige mensen die zich daarbij voegden waren mogelijk niet uit Moerkapelle afkomstig. Of traden pas na 1850 toe.

Opmerkelijk is dat de notulenboeken van de Hervormde Gemeente rond 1834 zwijgen over de Afscheiding. Kennelijk heeft die kerkelijke breuk in het dorp weinig aandacht, of althans weinig aanhang ontvangen. In de nabijgelegen dorpen Zevenhuizen en Benthuizen lijkt de situatie niet veel te verschillen van die in Moerkapelle. Een rapport van de classis Rotterdam uit begin maart 1836 vertelde dat er slechts vijf afgescheidenen woonden in Zevenhuizen.

In 1829 had Moerkapelle 389 inwoners. A. Verheul, van 1906 tot 1937 burgemeester van Moerkapelle, schreef in zijn boekje Moercapelle voorheen en thans (1925) dat er in het begin van de negentiende eeuw 80 roomskatholieken tot de bevolking van Moerkapelle behoorden. ‘Na het uittreden uit de Nederlandse Hervormde Kerk in 1841, kwam langzamerhand een Gereformeerde Gemeente tot stand, zodat sedert die tijd twee kerkelijke gemeenten bestaan.Van de tegenwoordige bevolking behoren 526 tot de Nederlandse Hervormde Kerk, 187 tot de Gereformeerde Gemeente, 17 tot de Gereformeerde Kerk van Zevenhuizen en 6 tot de Rooms-Katholieke Kerk van Bleiswijk, terwijl 4 tot geen kerkelijke gezindte behoren’, aldus burgemeester Verheul.

In Moerkapelle lijkt pas rond 1841, het jaar dat ds. Lambertus Gerardus Cornelis Ledeboer als Hervormd predikant van Benthuizen werd afgezet, sprake van het zich onttrekken aan het lidmaatschap van de Hervormde Gemeente. Hoe kwam dat? Natuurlijk zal het te maken hebben gehad

Eind 1859 was het inwonertal gegroeid tot circa 550. In oktober van dat jaar stond in een aantal kranten een advertentie waarin dat aantal wordt gemeld. Het gemeentebestuur zocht een ‘genees-, heel- en verloskundige’. Er moest zich zo langzamerhand een dokter gaan vestigen in Moerkapelle.

3.8. Ds. Lambertus Gerardus Cornelis Ledeboer

28


Turn static files into dynamic content formats.

Create a flipbook
vergeetgeenvanzijnweldadenbe by Erdee Media Groep - Issuu