Skip to main content

verborgenbloemee

Page 1

Hoofdstuk 1 Nog één centimeter. Ze heeft hem bijna. Even op haar tenen, zich iets meer uitrekken ... Net als ze haar vingers om de f les sluit, voelt ze de boodschappen in haar andere arm naar beneden glijden. Met een plof valt het bakmeel op de winkelvloer. O nee, dat heeft zij natuurlijk weer. Nog net op tijd kan ze de zakken basterdsuiker tegenhouden, maar daardoor f loept de f les schenkstroop wel op de grond. Verschrikkelijk. Staat ze daar te stuntelen midden in de supermarkt. Dat heb je ervan als je te veel dingen tegelijk wilt pakken. Haar wangen branden. Ze propt de suiker wat steviger in de kromming van haar arm en wil juist bukken om de andere artikelen op te rapen als twee lichtgetinte handen haar voor zijn. ‘Als-je-blieft.’ In korte stukjes komt het woord eruit. Een moment staat ze de persoon tegenover haar aan te staren. Wat een knappe jongen! Die heeft ze hier nog nooit eerder gezien. Hij komt hier vast niet vandaan. Ook niet uit Nederland trouwens. Ze steekt haar handen uit om de boodschappen van hem aan te pakken, maar meteen willen die vervelende zakken suiker weer wegglijden. Met een ondeugend lachje kijkt hij haar aan. Hij gebaart naar het karretje een eindje verderop. ‘Daar?’ Ze knikt en loopt achter hem aan naar haar boodschappenkarretje.

6


‘Dankjewel’, weet ze nog net uit te brengen. Hij knikt even voordat hij een ander gangpad in loopt. Wie is hij? Woont hij misschien hier in Streef kerk? Wat heeft hij anders in zo’n klein dorp te zoeken? Terwijl ze bij de potten appelmoes staat, speurt ze in het rond, maar hij lijkt spoorloos verdwenen. Misschien is hij al bij de kassa? Wanneer ze even later een pak melk uit de koeling pakt, merkt ze ineens dat hij achter haar staat. Met een ruk draait ze zich om. Hij kijkt haar vragend aan. ‘Help?’ Verlegen schudt hij een lok haar uit zijn gezicht. Wat een prachtige warmbruine ogen! schiet het door haar heen. En dan die mooie donkere krullen! ‘Tuurlijk! Wat is er?’ Hij steekt een hard, rechthoekig pak naar voren en wijst naar het plaatje aan de bovenkant. Lange, goudgele patatjes met een kwak mayonaise ernaast. ‘Is friet?’ Ze kan er niets aan doen dat ze hardop in de lach schiet. ‘Nee. Dat is om friet te bákken. Vet. Boter.’ ‘Niet friet?’ ‘Nee. Frituurvet. Om friet in klaar te maken.’ Langzaam knikt hij. Zijn ogen twinkelen. ‘O. Ja. Is niet friet.’ ‘Kom maar.’ Ze loopt voor hem uit naar de vriezer en haalt er een zak patat uit. ‘Dit is friet. Dit kan in de oven.’ ‘In pan?’ Ze haalt haar schouders op. Lachend zegt ze: ‘Best hoor. Als jij dat wilt. Dat kan ook.’ Hij neemt de zak van haar aan. ‘Dank-je-wel.’ Met een brede grijns loopt hij achterwaarts bij haar vandaan terwijl hij nogmaals zegt: ‘Dank-je-wel.’ Ze voelt zich net een koningin.

7


De dagen erna moet ze steeds weer aan het voorval in de supermarkt denken. Wat een leuke knul was dat! Zal ze hem nog eens tegenkomen? Totdat ze hem ineens in de groentezaak op het dorp ontdekt. Vanachter de hoge koeling kan ze hem ongestoord bekijken. Hij pakt een tomaat op en knijpt er even in. Zeker om te voelen of hij rijp is. Oei, wat staan zijn ogen somber! Net alsof ze bij het gezicht van een oude man horen die veel ellende heeft gezien. Zou hij een vluchteling zijn? Af komstig uit een oorlogsgebied? Ze loopt bij de koeling vandaan en kiest een zak appels uit. Terwijl ze met de elstars naar de toonbank gaat, ziet ze zijn hoofd met een ruk omhooggaan. Een glimlach verschijnt om zijn mond, een teken dat hij haar herkent. Meteen gaan ook de lichtjes in zijn ogen aan. ‘Dag.’ ‘Hallo’, groet ze terug. Waarom weet ze nu niets anders tegen hem te zeggen? De dagen erna ziet ze hem af en toe langs haar huis lopen. Hoe oud zal hij zijn? Een jaar of twintig? Zijn armen steken gespierd onder de mouwen van zijn shirt uit. Terwijl hij loopt, dansen zijn krullen mee op zijn brede schouders. Er is vast geen knappere jongen in heel Streef kerk te vinden. Maar zo vreemd, altijd loopt hij ietwat voorovergebogen. Alsof hij de last van de hele wereld op zijn rug moet meezeulen. Misschien heeft hij heel veel moeilijkheden meegemaakt, wie zal het zeggen? Ze zou hem graag leren kennen, ze wil vaker die mooie lach op zijn gezicht zien! Nú! Snel naar de voortuin voordat hij terugkomt! Zojuist liep hij langs haar huis met een Spar-tas in zijn hand.

8


Het kan niet anders of hij komt straks langs dezelfde route terug. Haar ogen glinsteren. Ze heeft haar plannetje klaar. Vlug stapt ze in haar schoenen, doet de schuurdeur van het slot, pakt een schoffel en een emmer. Als hij straks weer voorbijkomt, dan zal ze ervoor zorgen dat ze heel ijverig onkruid aan het wieden is. Ze zal zogenaamd verrast opkijken wanneer ze zijn voetstappen hoort, hij zal natuurlijk even stil blijven staan en ‘hallo’ zeggen met die grappige uitspraak van hem, zij zal hem vragen of de patat lekker was, en dan, dan zal alle somberheid uit die donkere ogen verdwijnen en zullen de lichtjes er weer in schitteren. Ze zet de emmer op het pad naar de voordeur. Met haar kin leunend op de schoffel staart ze een paar seconden voor zich uit. Waar zal ze beginnen? Het is één grote wildernis. Vergeet-me-nietjes, korenbloemen, klaprozen, alles staat mooi door elkaar heen, maar die grassprieten horen er toch echt niet tussen en die paardenbloemen al helemaal niet. Hoog tijd dat er wat aan gedaan wordt. Vooral nu, op dit moment. Ze grinnikt voor zich uit. Even voelt ze in haar zak. De sleutel van de schuur ligt keurig boven op haar zakdoek. Mooi zo. Ze is er klaar voor! Als hij nu maar echt naar de supermarkt is gelopen. Ze werpt een paardenbloem in de emmer. Met een Spar-tas hoef je uiteindelijk niet per se naar de Spar. Er zijn mogelijkheden genoeg, zelfs in hun kleine dorp. Ze strijkt een paar haren achter haar oren. Pff, het is warm. Als hij nu maar snel komt. Ze heeft geen zin om zo lang onkruid uit te trekken. Met dat gespierde lijf van hem loopt hij misschien wel helemaal naar Nieuw-Lekkerland, je weet het nooit. Hoewel, misschien zou zo’n wandeling wel goed voor hem zijn. Dan heeft hij wat te doen. Wat zou hij overdag eigenlijk uitvoeren?

9


Sloffende voetstappen. Daar komt hij aan! Het kriebelt gewoon een beetje in haar buik van de spanning. Zo, nog even de schoffel tegen die graspol aan zetten. Ze bijt op haar lippen om haar lach in te houden. Haar slimme plannetje moet lukken. Ja, nu of nooit! Ze kijkt op, schraapt haar keel. ‘Hallo!’ Met een schokje blijft hij stilstaan. ‘Allo!’ ‘Boodschappen gedaan?’ Ze wijst naar zijn tas. ‘Patat?’ Zijn grijns reikt van oor tot oor. ‘Nee, vandaag niet. Brood.’ Hij sjort een zak witte kadetjes naar boven. Met een zwaai gebaart ze om zich heen. ‘Ik moet de tuin doen. Wieden. Pff.’ Ze veegt langs haar voorhoofd en doet alsof ze de zweetdruppels van haar hand schudt. Hij glimlacht. Nadrukkelijk zucht ze nog eens en voelt in haar zak. Waar zit die zakdoek nu? En waar is de sleutel? Als het nu maar goed gaat. ‘Even mijn voorhoofd afvegen.’ Ze sjort aan de punt van haar zakdoek, waardoor ze de sleutel mee omhoog trekt. Met een plof valt die op de grond tussen het onkruid. ‘Hè, waar is dat ding nou?’ Een beetje onhandig harkt ze met de schoffel tussen de vergeet-me-nietjes. Net als ze de jongen hulpeloos aankijkt en ‘sleutel’ stamelt, heeft hij zijn tas al op het pad neergezet en hurkt naast haar in de tuin. ‘Ik help’, zegt hij. Kordaat trekt hij een paar stengels opzij. ‘Hier!’ Triomfantelijk zwaait hij met de sleutel voor haar neus. ‘Alsje-blieft.’ ‘O dankjewel! Je spreekt al goed Nederlands. Knap van je!’ Hij spreidt zijn handen uit. ‘Ik al lang hier. Oktober. Vorig jaar.’

10


‘Dan ben je al een halfjaar in Nederland?’ ‘Ja. Eerst in azc.’ ‘En ben je vanuit het asielzoekerscentrum hier gekomen? Woon je nu in Streef kerk?’ ‘Ja.’ Hij wijst naar links. ‘Daar. Die straat. In april ik kwam hier.’ Eigenlijk wil ze nu gaan zitten. Het bloed suist in haar hoofd. Stap één is gelukt, nu is stap twee aan de beurt. Met twee handen steunt ze op de schoffel. ‘Nog zo veel werk’, zucht ze terwijl ze met haar hoofd naar de tuin gebaart. Zijn blik gaat naar de schoffel. ‘Ik help?’ Meteen knikt ze. ‘Graag!’ Ze wijst aan welk onkruid ze weg wil hebben. ‘Het mag allemaal in de emmer.’ De spieren in zijn bovenarmen spannen zich als hij rits rats het onkruid weghaalt. Met een paar bewegingen graait hij het bij elkaar en gooit het in de emmer. ‘Ik zal je tas even in de schaduw zetten’, zegt Bette. Terwijl hij met een korte knik te kennen geeft dat hij dat prima vindt, zoekt ze met een zucht haar rollator op, die ze pal voor het huis heeft laten staan. Ziezo, even zitten. Straks is het tijd voor stap drie. ‘Wil je koffie? Of thee?’ Nadat hij een kwartiertje gewerkt heeft, stelt ze haar vraag. Hij strekt zijn lichaam. ‘Koffie?’ herhaalt hij aarzelend. ‘Ja, jij helpt mij zo goed.’ Wacht, ze heeft zich nog niet eens voorgesteld. Terwijl ze met uitgestoken hand op hem af loopt, schiet het door haar heen:

11


hoe zal ze zich laten noemen? Mevrouw? Bette? Meteen schudt ze het probleem van zich af. Kom op, ‘mevrouw’ klinkt zo afstandelijk, en er zijn tenslotte steeds minder mensen die haar nog bij haar voornaam noemen. ‘Ik heet Bette’, zegt ze. Even lijkt het of hij terugdeinst, maar dan schudt hij haar hand. Hij wijst naar zichzelf. ‘Nadim.’ ‘Nadim, wil je koffie?’ Langzaam schudt hij zijn hoofd, maar zijn ogen vertellen een ander verhaal. Ze lijken haar voorzichtig uit te nodigen om een beetje aandacht aan hem te besteden. ‘Kom je mee?’ Bette draait zich al half om. ‘Jij helpt mij. Ik help jou. Met koffie.’ Met een glimlach op zijn gezicht pakt hij zijn boodschappentas en volgt haar het huis in. Wanneer ze even later ieder achter een mok koffie zitten, ligt die glimlach er nog steeds. Rondom zijn mond en in zijn ogen. Bette wijst naar de fotolijstjes die aan de muur hangen. ‘Dat zijn mijn kinderen. Mijn oudste zoon Jan met zijn vrouw. Dit is Daan, en dit is de jongste, Michiel. We hadden drie jongens.’ Haar stem wordt zachter als ze de bovenste foto aanwijst. ‘Dat is mijn man. Hij is tweeëntwintig jaar geleden gestorven.’ Nadim kijkt van haar naar de foto en weer terug. Ernstig knikt hij. Dan glijdt zijn blik naar een grote familiefoto tegen de andere muur. ‘Mijn kleinkinderen. En achterkleinkinderen’, vertelt ze. ‘Bij elkaar zevenentwintig.’ Met haar vingers laat ze het aantal zien. ‘Twee keer tien en zeven.’ Hij lacht. ‘Veel kinderen! Mooi!’ ‘Zeker weten.’ Voorzichtig haalt ze de foto van de spijker. Haar

12


wijsvinger rust op een jonge vrouw die op haar hurken op de voorste rij zit. ‘En dit meisje is naar mij genoemd. Ik heet Bette, dat is eigenlijk Elisabeth. Mijn kleindochter heet Ellis. Ze woont hier vlakbij.’ Lief kozend strijkt ze even over het vrolijk lachende gezicht voordat ze de foto weer aan de muur hangt. Nadim roert in zijn beker. Hij maakt een klok-geluidje als hij een slokje koffie doorslikt. Rustig blijft hij haar aankijken. Ze buigt zich wat naar voren. ‘En jij, Nadim? Heb je een vader? Een moeder?’ Wild knikt hij met zijn hoofd. Onmiddellijk gaat zijn hand naar zijn broekzak. Uit het voorvak van zijn portemonnee haalt hij drie foto’s, die hij haar een voor een voorhoudt. Op de eerste staan een man en vrouw. De vrouw heeft hetzelfde krullende haar als Nadim. ‘Vader en moeder. In Syrië.’ Zelfs uit die paar gesproken woorden kan Bette opmerken hoe trots hij op hen is. Breed glimlachend toont hij haar een foto met twee jonge meisjes. ‘Zus. Acht. Elf.’ Bij de derde foto wijst zijzelf direct naar de langste jongen. Een zwarte krullenbol. Dat kan niet missen. ‘Jij?’ ‘Ja, met broers.’ Opeens betrekt zijn gezicht. Hij legt zijn vinger op de jongen naast hem. ‘Farid. Mannen boos. Hij gepakt. Mee in busje. Weg.’ Zijn stem is amper hoorbaar. ‘Weet niet waar. Wij vragen. Zoeken. Mensen zeggen hij dood.’ Verdrietig staart hij naar de foto. Opnieuw woont het donker van de nacht in zijn ogen. Bette weet niet wat ze moet zeggen. Allerlei vragen krioelen door haar heen. En jij? Hoe ben jij hier gekomen? Waarom ben je gevlucht? Wat heb je meegemaakt? Maar ze houdt haar mond en blijft vriendelijk naar het

13


jongensgezicht tegenover haar kijken. Totdat Nadims vinger naar de meest rechtse figuur schuift. ‘Massoud. Hij hier. In Middelburg. Hij wachten op huis. Wil hier. Streef kerk.’ Opeens is de nacht verdwenen. Vanuit zijn donkerbruine ogen straalt de morgenzon haar weer tegemoet. ‘Hallo oma!’ Verrast veert Bette omhoog. Terwijl Nadim haar vragend aankijkt, spitst zij haar oren. Schoenen worden op de mat bij de achterdeur geveegd. Een tel later gaat de keukendeur met een zwaai open en worden er twee handen stevig om Bettes schouders gelegd. ‘Verrassing!’ De blonde haren kriebelen in Bettes gezicht wanneer ze op iedere wang een dikke zoen krijgt. ‘Ha, lief omaatje van me!’ ‘Ellis! Wat leuk!’ Bette staat op, slaat haar armen om haar kleindochter heen en drukt haar een moment tegen zich aan. Zodra ze Ellis loslaat, komt Tom tevoorschijn. Een stevige mannenknuist knelt zich om haar hand. ‘Dag oma.’ Ai, haar botjes! De spiertjes in haar gezicht vertrekken. Gelukkig laat hij snel los en buigt zich voorover om ook nog een zoen op haar wang te drukken. Zachtjes wrijft ze over haar hand terwijl ze vriendelijk zegt: ‘Ha Tom! Wat leuk dat jullie er zijn!’ Zijn vingers strelen onbeholpen over haar arm. ‘Ja, oma, we wilden eerst naar u. Om u een nieuwtje te vertellen.’ ‘Daar doe je goed aan, Tom.’ Meteen is ze zich bewust van de bruine ogen die vanaf de overkant van de tafel van de een naar de ander kijken.

14


‘Dit is Nadim. Hij heeft mij in de tuin geholpen.’ Meteen schuift Nadim zijn stoel achteruit en staat op. Beleefd knikt hij naar de twee mensen. ‘Nadim, dit is mijn kleindochter Ellis.’ Met een ondeugend lachje gaat Bettes wijsvinger naar de familiefoto. ‘Je weet wel, die vrouw die daar vooraan zo vrolijk zit te lachen.’ ‘O nee hè, heeft mijn oma weer van alles over mij verteld!’ Hartelijk steekt Ellis haar hand uit. Na een korte aarzeling reageert Nadim door zelf ook zijn hand uit te steken en beleefd zijn hoofd te buigen. Bette tikt tegen Toms bovenarm. ‘En dit is Tom, de vriend van mijn kleindochter.’ ‘Vriend?!’ roept Ellis, terwijl ze aan de keukentafel gaat zitten. ‘Méér!’ Wat bedoelt Ellis daar nu mee? Bette hoort het maar half. Ze ziet hoe Nadim vriendelijk zijn hand naar Tom uitsteekt, maar geen andere hand ontmoet. Tom geeft alleen een kort knikje, keert zich om en gaat snel op Bettes plekje zitten. Met een verslagen blik zakt Nadim terug in zijn stoel. Hij pakt zijn beker op en draait hem almaar in het rond. Verward neemt Bette op de overgebleven stoel plaats. Tussen Tom en Nadim. Ze schuift haar beker een paar decimeter verder, zodat hij weer precies voor haar staat. ‘Oma, hoorde u wel wat ik zei? Tom en ik zijn méér dan vrienden!’ Ellis’ uitroep onderbreekt Bettes warrige gedachten. ‘Wat zei je, Ellis?’ ‘We zijn verlóófd! Sinds gisteren. In het geheim. En u bent een van de eersten aan wie we het vertellen!’ ‘Tjonge Ellis, wat leuk.’ Bettes ogen beginnen te glanzen. ‘Van harte gefeliciteerd allebei! Dat is echt een verrassing.’

15


Ellis legt haar hand boven op de tafel. ‘Kijk oma, mijn verlovingsring.’ Voorzichtig pakt Bette haar vingers beet. ‘Mooi zeg. Van zilver?’ ‘Witgoud.’ ‘Zóó. En de jouwe?’ Ze zoekt naar Toms ringvinger. ‘Nee, hij heeft geen ring’, legt Ellis snel uit. ‘Ik alleen.’ ‘Het is toch een verlovingsring, die draag je toch alle twee?’ ‘Tegenwoordig niet hoor, oma. Pas als je gaat trouwen.’ ‘Nou ja.’ Ze haalt haar schouders op. ‘Dat is zeker modern. Mij best hoor.’ Haar ogen twinkelen als ze vraagt: ‘En wanneer is de bruiloft?’ ‘Over een jaar’, antwoordt Ellis. ‘Of anderhalf, of twee’, zegt Tom. ‘Twee?’ Verbaasd draait Ellis zich naar hem toe. Een onverwachte beweging trekt Bettes aandacht. ‘Hé, wat ga jij doen?’ ‘Naar huis.’ Nadims vingers glijden langs de rand van de tafel. Zijn stem klinkt verlegen. ‘Maar je zou nog een stukje suikerbrood proeven. Dat kan toch nog wel?’ Meteen klemt Bette haar lippen op elkaar. Oei, waarom zegt ze dat nu? Wat is ze toch een f lapuit! Als die jongen naar huis wil, wie is zij dan om hem tegen te houden? Waarschijnlijk voelt hij zich hopeloos te veel in hun clubje. Misschien kan ze haar vraag nog ongedaan maken? Maar ze ziet hem alweer gelaten met zijn rug tegen de stoel zakken, de ogen op zijn beker gericht. Kom, nu moet ze snel dat suikerbrood gaan snijden. Dan kan hij weggaan als hij dat echt graag wil. Bedrijvig pakt ze het broodmes en vraagt over haar schouder:

16


‘Wat willen jullie drinken? Koffie? Thee?’ ‘Hebt u muntthee, oma?’ Ze wijst naar het plantje in de vensterbank. ‘Jazeker. Verse.’ Luid gegrinnik klinkt in stereo vanaf de keukentafel. ‘O oma, wij hebben gisteren ook zulke heerlijke muntthee op!’ ‘Met gratis vlees.’ ‘We gingen een dagje naar Dordt om onze verloving te vieren en een ring te kopen, en daarna gingen we ergens muntthee drinken, maar die stikte van de luizen!’ ‘Ja’, gaat Tom verder, ‘en toen vertelde ik dat aan het meisje dat ons bediende en vervolgens kwam ze even later een nieuw glas brengen, maar …’ ‘Daar zaten zeker nog wel tien luizen in!’ Ellis griezelt. ‘Toen heb ik het maar gewoon opgedronken. Met luis en al. Stoer, hè?’ ‘Ach’, zegt Bette onverstoorbaar, ‘daar krijg je niks van. Kijk eens, alsjeblieft. Muntthee zonder luizen.’ Ze zet een beker koffie bij Tom neer. En ze schenkt Nadim nog een keer bij. ‘Uit welk land kom je?’ Ellis spreekt de woorden expres duidelijk uit. Even knippert Nadim met zijn ogen. Dan zegt hij: ‘Syrië.’ ‘Syrië’, herhaalt ze. ‘Bij Aleppo? Oorlog?’ ‘Ja. Bommen. Schieten.’ Zijn ogen worden donker. Zal Nadim verder vertellen over zijn broer en het busje? Bette houdt een moment haar adem in, maar het blijft stil aan tafel. Nadims kin ligt op zijn borst. Zijn ogen heeft hij gesloten. Ellis haalt haar schouders op en kijkt haar vragend aan. Zachtjes schudt Bette het hoofd. Nee, nu niet verder vragen. Wat weten

17


zij immers van zijn wereld af? Misschien komt dat nog. Als het haar lukt om meer contact met hem te krijgen. ‘Dus jullie hadden gisteren een leuk dagje?’ Ellis knikt enthousiast. Ook Toms gezicht is opeens een en al vrolijkheid. ‘Zeker weten’, zegt hij. ‘Ellis heeft midden op straat muziek gemaakt!’ ‘Muziek?’ Bette leunt met haar onderarmen op de tafel. Vanuit haar ooghoek ziet ze dat Nadim een f linke hap van zijn snee suikerbrood neemt. Goed zo. ‘Op het Statenplein was een man met een buikorgeltje. Wij stonden er met een heleboel mensen naar te luisteren en toen vroeg die man of iemand uit het publiek hem wilde helpen en ook eens wilde draaien’, vertelt Ellis. ‘En weet je wat híj toen deed?’ Ze stoot Tom met haar elleboog aan. ‘Hij hield zijn vinger boven mijn hoofd en riep: “Zij wil dat graag doen!” Nou, toen was ik de pineut!’ Lachend valt Ellis tegen Tom aan. ‘En jij was er mooi vanaf! Je zag die man zeker al naar jouw spierballen kijken?’ ‘Yep, en ik dacht: laat mijn verlóófde dat maar doen, mijn verloofde is zo sterk in haar handen. Nou oma, drááien dat ze deed!’ ‘Het orgeltje speelde dat liedje over Holland.’ Meteen begint Ellis te zingen: ‘Ik hou van Holland, landje aan de Zuiderzee!’ Nadim stopt het laatste stukje suikerbrood in zijn mond. Met grote ogen kijkt hij naar Ellis, terwijl er een glimlach om zijn mond verschijnt. Lachend zingt ze hem de tweede regel toe: ‘Een stukje Holland draag ik in mijn hart steeds mee!’ Abrupt zegt ze erachteraan: ‘Ik hou van Holland. Dat liedje ken jij vast nog niet. Maar als je langer in ons land bent, komt dat heus wel.’

18


Zijn mondhoeken krullen omhoog. Het is weer volop dag in zijn ogen. Dan klinkt opeens Toms stem. ‘Ja, of je zingt voorlopig: “Ik hou van Syrië met zijn bommen in de straat.”’ Bette staart naar Tom. Haar mond valt open. ‘Tóm!’ roept Ellis. ‘Het is maar een grapje.’ Tom spreidt zijn handen voor zich uit, terwijl hij Nadim aankijkt. ‘Sorry hoor.’ Nadims gezicht staat weer donker. Hij kijkt langs Tom heen en richt zijn blik op iets wat achter Tom ligt. Dan schuift hij zijn stoel ineens naar achteren, komt overeind en groet Bette. ‘Dank-je-wel voor koffie en brood.’ Hij pakt zijn boodschappentas, knikt naar de andere twee aan tafel en gaat naar het portaal. Bette loopt vlug achter hem aan. ‘Ik wil jou bedanken. Je hebt hard gewerkt in de tuin.’ Als ze samen bij de achterdeur staan, draait hij zich met een klein lachje naar haar om. Direct grijpt ze haar kans. ‘Zou je nog eens willen helpen? In de tuin?’ ‘Werken?’ ‘Ja. Ik ben oud.’ Een klein binnenpretje dartelt rond in haar hoofd. Jij, oud?! Nou Bette, dat is voor het eerst dat je dat toegeeft. Als het maar in je eigen kraam te pas komt, dan vind je het handig om er gebruik van te maken! ‘Ik ben heel oud’, vervolgt ze. ‘En ik kan niet goed meer bukken.’ Ze buigt haar rug om duidelijk te maken wat ze bedoelt. ‘Wil jij mij helpen in de tuin?’ Langzaam knikt hij. ‘Is oké.’ Wanneer hij het pad af loopt, draait hij zich nog eens naar haar om. Nadrukkelijk zegt hij: ‘Dank-je-wel. Jij-bent-goed.’ Met gesloten ogen blijft Bette even in de deuropening staan. Het voelt alsof hij haar heel zacht over haar haren heeft ge-

19


streeld. Met een schuifspeldje zet ze een paar losse haartjes opnieuw in haar haarrolletje vast. ‘Vroeg u nu echt of hij nog een keer komt helpen?’ vraagt Tom, zodra ze de keuken binnenstapt. ‘Durft u dat zomaar aan? U weet niets van hem.’ Bedaard pakt Bette Nadims mok en schoteltje en zet ze op het aanrecht. ‘Nee, we kennen inderdaad niets van zijn verhaal. Nog niet eens één zin. Laat staan een hele bladzij.’ ‘Nou dan! Misschien kunt u beter wat voorzichtiger zijn. Je weet het nooit met die buitenlanders. Voordat je het weet, hebben ze zich ergens tussen gedraaid. Zo sneaky.’ Bette trekt haar wenkbrauwen op. Ze schudt haar hoofd. ‘Ach Tom, we kennen hem niet’, herhaalt ze nog eens. ‘Nee, daarom juist’, zegt hij. ‘U moet uitkijken, hoor. Zo’n vrouw alleen …’ Bette glimlacht. ‘Ja Tom. Ik waardeer je zorgen.’ Leunend op de tafel blijft ze voor hem staan. ‘Wil je nog wat drinken? Koffie, thee, of iets fris?’ ‘Nee, dank u wel.’ ‘Jij, Ellis?’ Die schudt haar hoofd. Hardop denkt ze: ‘Die Nadim, hoe oud is hij nou helemaal?’ ‘Vierentwintig’, zegt Bette. ‘Vier jaar jonger dan wij. Helemaal alleen in zo’n vreemd land. Hoe zou dat voelen? Het lijkt me verschrikkelijk om uit je vertrouwde omgeving te moeten vluchten.’ Bette staart voor zich uit. Beelden uit een ver verleden trekken aan haar voorbij. Langzaam zegt ze: ‘Ja, dat is het ook. Het is heel erg om te moeten vluchten zonder te weten waar je onderdak zult vinden.’

20


‘Zonder je familie, vreemd voedsel eten, vreemde gewoontes leren kennen, in een vreemd dorp wonen. Afschuwelijk!’ Ellis’ gezicht vertrekt. ‘Het lijkt me heel mooi om zo iemand te helpen, zodat-ie een beetje aan zijn nieuwe leven kan wennen.’ Toms ogen worden twee ronde spiegeltjes. Verbaasd staart hij naar Ellis, opent zijn mond, maar sluit hem dan weer. Bette pakt de glazen van de tafel. ‘Blijven jullie een boterham mee-eten?’ ‘Nee hoor, dank u wel.’ ‘Ja, leuk!’ Bette kijkt van de een naar de ander. ‘Wat is het nu? Een boterham? Graag of niet.’ ‘Ik niet’, lacht Tom, ‘ik heb met een vriend van me afgesproken. Ik ga met Roy een potje tafeltennissen. Een volgende keer eet ik graag mee.’ ‘Daar hou ik je aan’, zegt Bette. ‘Ellis, voor jou een gebakken eitje?’ ‘Lekker, oma!’ Ze zou die koekenpan toch echt eens op een hogere plank moeten zetten! Bette bukt diep om onder in het keukenkastje te reiken. Al wil ze er niet aan, ze is hoogbejaard, en soms voelt ze dat maar al te goed. Terwijl ze de pan op het fornuis zet, grijpt ze met haar andere hand naar haar nek. ‘Spierpijn, oma?’ klinkt het achter haar. ‘Ach kind, jij ziet ook alles.’ ‘Tja, je bent nu eenmaal fysiotherapeut of je bent het niet’, lacht Ellis. Bette breekt twee eieren in een kopje. Langzaam draait ze haar hoofd van links naar rechts. ‘Wil je de eidooier heel of kapot?’ ‘Kapot. Maar zal ik u eerst eens masseren? Volgens mij zit die nek echt vast.’

21


‘Gelukkig maar’, lacht Bette. ‘Anders zou mijn hoofd door de keuken rollen.’ ‘Nou ja, oma … Masseren?’ Ellis staat al op en draait een van de stoelen achterstevoren. ‘Lukt het om met uw benen aan weerskanten te zitten?’ ‘Best hoor.’ Bette neemt plaats en sluit haar ogen als Ellis’ stevige vingers haar nekspieren kneden. ‘Au, dat doet zeer!’ ‘Ja, dat moet. Weet u nog wat u vroeger weleens tegen me zei? “Pijn is fijn.” Mooi niet. Maar nu is het even niet anders. U moet erdoorheen. Het wordt vanzelf beter.’ Bette voelt hoe Ellis haar blouse iets naar beneden trekt. ‘Zal ik de bovenste twee knoopjes losmaken? Dan heb je wat meer ruimte.’ De vingers kneden en duwen totdat Bette merkt dat het van lieverlee wat soepeler gaat. Na een poosje kan ze zelfs genieten van de rustige bewegingen van Ellis’ handen. Achter zich hoort ze de ademhaling van haar kleindochter iets luider dan normaal klinken. Totdat Ellis’ stem ineens de stilte verbreekt. ‘Tom en ik zijn echt gek op elkaar, oma.’ ‘Mmm.’ ‘Hij is zo’n toffe vent! Hij is altijd vrolijk, ik heb hem nog nooit chagrijnig gezien, hij zit altijd boordevol geintjes. We lachen samen wat af!’ ‘Mmm.’ Bette merkt dat de handen naar de linkerkant terugglijden, waar de meest pijnlijke plek zit. ‘We zijn wel heel verschillend. Maar dat is juist goed, hè? Dan vul je elkaar toch juist aan?’ ‘Mm mm.’

22


‘Maar ik baal weleens als we een totaal verschillende mening hebben. Dan staan we loodrecht tegenover elkaar en kunnen we het niet eens worden.’ De vingers kneden nu vanaf Bettes rechterschouderblad naar het midden van haar nek. ‘Hadden opa en u dat weleens? Dat jullie het samen niet eens konden worden?’ Even stoppen de vingers. ‘Of dachten jullie altijd overal precies hetzelfde over?’ Bette schudt haar hoofd. ‘Nee, o nee, Ellis, zeker niet. Opa was rustiger dan ik. En nuchterder. Ik was veel hupser. Maar dat was nooit erg. Als we een conf lict hadden, konden we er goed over praten. Dat gaf geen verwijdering. Het bracht ons eigenlijk juist weer dichter tot elkaar, omdat we elkaar daarna nog beter begrepen.’ De handen hervatten hun werk. Van boven naar beneden. Van opzij naar het midden. Als de vingers wat langzamer gaan, komt Ellis’ volgende vraag: ‘Hoe hebben jullie elkaar eigenlijk leren kennen? Jullie kwamen toch uit Veenendaal?’ Ze trekt Bettes blouse weer een beetje naar boven. ‘Ziezo, klaar.’ Bette doet de bovenste knoopjes dicht en loopt naar het aanrecht. Ze steekt het gas aan en spuit een beetje vet in de pan. Als ze er twee eieren in gedaan heeft, draait ze zich om en zet de borden op tafel. ‘Het is allemaal in de oorlog begonnen. Ik woonde in Veenendaal. Net als Adrianus. We woonden ons hele leven al in dezelfde straat.’ In gedachten verzonken legt Bette de messen en vorken aan weerskanten van de borden.

23


‘Oma, hoe kwam u dan in Streef kerk? Opa Janus is hier toch altijd boer geweest?’ ‘Ja kind, dat klopt. Van Veenendaal naar Streef kerk, dat is een heel verhaal. Heb je dat nog nooit gehoord?’ Ellis schudt haar hoofd. ‘Nee. Maar ik luister. En ik heb de hele middag de tijd.’ ‘Zeker weten?’ ‘Voor honderd procent.’ Bette staart voor zich uit. ‘Adrianus en ik waren anderhalf jaar verloofd. Ja, je moet weten dat hij zestien was en ik vijftien toen we al met elkaar liepen. Van kinds af aan zaten we op dezelfde school, gingen naar dezelfde kerk, naar dezelfde zondagsschool. Nooit had ik wat anders in hem gezien dan die saaie jongen met dat strakke kuifje. Totdat hij onverwacht met zijn vader meekwam. Die was kruidenier en kwam op zaterdagavond de boodschappen opnemen. Gekke avond eigenlijk om zoiets te doen, maar dat was nu eenmaal zo. Mijn broertje was net uit de teil geklommen. Ik had hem juist afgedroogd toen de bel ging. Barend wist niet hoe snel hij zijn onderbroek aan moest trekken toen ik naar de voordeur liep om open te doen. Meneer Smallevaart groette me en liep door naar de keuken. Daarachter kwam Adrianus. Opeens viel het me op dat hij zo lang was toen hij mij in die smalle gang passeerde. Op de lagere school hadden we ongeveer dezelfde lengte, maar nu moest ik helemaal tegen hem opkijken. “Dag Bette”, zei hij terwijl ik naar hem opkeek. En zo vreemd, Ellis, opeens f ladderde er een vlindertje in mijn buik. Adrianus’ stem zong in mijn oren en Adrianus’ kuif stond ineens zo stoer op zijn hoofd!’

24


Turn static files into dynamic content formats.

Create a flipbook