1. Gods weg die volmaakt is Nieuwjaarspredicatie Zingen: Psalm 119:17 Lezen: Psalm 18:25-51 Zingen: Psalm 18:9 en 10 Zingen: Psalm 27:7 Zingen: Psalm 145:1 en 6 Groot was het voorrecht van het volk van Israël! Door Gods hand was het uit Egypte geleid. Op de weg naar Kanaän ging de Heere Zelf het volk voor, overdag door de wolkkolom en ’s nachts door de vuurkolom. Zo staat het namelijk in Exodus 13 de verzen 21 en 22: ‘En de Heere toog voor hun aangezicht, des daags in een wolkkolom, dat Hij hen op de weg leidde, en des nachts in een vuurkolom, dat Hij hen lichtte om voort te gaan dag en nacht. Hij nam de wolkkolom des daags, noch de vuurkolom des nachts niet weg van het aangezicht des volks.’ Wat een uitnemend voorrecht. De Heere gaat voor. Het volk van Israël mag volgen in Zijn weg die duidelijk werd gewezen. Dag en nacht was er het teken van Gods leiding. Men kon zich dus niet vergissen in de weg die men gaan moest, want God ging voorop. Wat er ook gebeurde en hoe het volk vanwege zijn zonden ook werd gestraft, God nam Zijn wolkkolom en Zijn vuurkolom niet weg van hun aangezicht. Hij bleef voorop gaan. Hierin zien wij Gods verbondstrouw. Er staat immers dat de Heere, de Verbondsgod, voor het aangezicht van het volk heenging. Juist in Zijn Naam Heere, met hoofdletters geschreven, de Jaweh, de ‘Ik zal zijn die Ik zijn zal’, blijkt Zijn verbondstrouw. Met die Naam maakt God Zich in de woestijn aan het volk van 12
Israël bekend. Hij blijft altijd de getrouwe God. Nooit laat Hij Zijn volk in de steek. Op Hem kunnen ze aan. Hij is dag en nacht aanwezig. Er staat dat Hij des daags leidt en des nachts licht. Altijd is God met Zijn volk bezig. Zó leidt Hij het volk naar Kanaän. Dat is het reisdoel. De Heere verliest dat doel niet uit het oog. Hij vergist Zich nooit in de weg die naar dat land leidt. Hij zal Zijn volk daar brengen. Dat kon Israël lezen in de tekenen van Gods tegenwoordigheid. Op deze Nieuwjaarsdag wil ik u bepalen bij de leiding des Heeren in ons leven. U vraagt zich misschien af uit welke tekenen de gemeente kan afleiden dat de Heere ook vandaag de dag de leiding neemt? Israël had sprekende tekenen. Daarin kon men zich niet vergissen. Maar heeft de gemeente die tekenen nu ook? Vast en zeker! Die tekenen heeft de Heere ook nu gegeven aan Zijn volk dat door de woestijn van het leven reist. Hij heeft Zijn Woord gegeven. In dat Woord schenkt Hij de wolkkolom en de vuurkolom om ons des daags en des nachts te leiden. Daarin predikt Hij dat Hij ons voorgaat en dat Hij licht wil schenken over onze weg, zodat wij weten mogen dat Hij aanwezig is. Zoals Israël in de tekenen Gods besturing, trouw en hulp mocht lezen, zo mag de gemeente in het Woord lezen dat Hij regeert en leidt; dat Hij getrouw is en niet faalt; dat Hij een toevlucht biedt die nooit tekortschiet. Maar om dit inderdaad in de Schrift te lezen is ook ons nodig wat Israël nodig had, namelijk een waarachtig en zaligmakend geloof. Immers, ondanks de wolk- en vuurkolom, zijn vele Israëlieten in de woestijn omgekomen en niet ingegaan. Wij lezen in Hebreeën 3 vers 19: ‘En wij zien, dat zij niet hebben kunnen ingaan vanwege hun ongeloof .’Ondanks Gods bijzondere tekenen kwamen velen om. Laat ons dan vrezen dat wij niet in hetzelfde voorbeeld van ongelovigheid vallen! Er is geloof nodig om bij de tekenen van God te leven. Alleen door het geloof kan moed en kracht verkregen worden uit de 13
tekenen van Gods regering, trouw en hulp. Alleen in het geloof kan God geroemd worden voor Zijn besturing in ons leven, zoals wij daarvan lezen in het woord van onze tekst, dat we vinden in Psalm 18 vers 31: Gods weg is volmaakt; de rede des Heeren is doorlouterd: Hij is een Schild allen, die op Hem betrouwen. In dit Schriftwoord mag de dichter met een door het geloof verlicht oog terugzien op: 1. De volmaakte weg Gods; 2. De beproefde trouw Gods; 3. Het veilige Schild Gods. 1. De volmaakte weg Gods David is de dichter van deze psalm. In dit lied ziet hij terug op de weg waarin de Heere hem leidde. Als David die weg overdenkt vindt hij heel veel redenen om God te loven, omdat God hem heeft verlost uit vele bange beproevingen. Want voordat David de troon van Israël beklom, heeft hij veel beproevingen ondergaan. God had hem tot koning laten zalven door Samuël. Daarna was Gods Geest vaardig geworden over David. Maar tussen de zalving door Samuël en de uiteindelijke aanvaarding van het koningschap door David lag een lange tijd, vol van strijd en aanvechtingen. En ook nadat David koning geworden was is er zware strijd gevolgd. Het leven van David was soms een aaneenschakeling van allerlei moeitevolle gebeurtenissen. Maar de Heere heeft hem verlost uit de hand van ál zijn vijanden en daarom zingt hij de Heere een lied. Daarin roept hij het uit dat hij de Heere zal liefhebben als de God van zijn sterkte en als zijn hoog Vertrek. Als hij terugziet op de weg die hij ging roept David het uit dat 14
Gods weg volmaakt is. Twee zaken zijn opmerkelijk: ten eerste ziet David de weg die hij ging als Góds weg; ten tweede belijdt hij dat deze weg volmáákt is. Op deze Nieuwjaarsdag is het goed dat we dat met elkaar eens overdenken. Wij kijken op een dag als deze vooruit. Daarbij vragen we ons af wat het nieuwe jaar ons brengen zal. Wat het afgelopen jaar ons bracht weten we: moeite en verdriet of voorspoed en vreugde. Wat ons deel zal zijn in het nieuwe jaar is geheel onbekend. Alles ligt nog in de nevelen van de toekomst verborgen. We wensen elkaar wel vrede toe, maar dat is dan ook slechts een wens, en vele wensen blijven onvervuld. Maar vandaag is er in Gods huis een boodschap die op de toekomst betrekking heeft en die door de psalmist als een ontwijfelbare zekerheid wordt ervaren. De dichter spreekt daarin over ‘Gods weg’. Natuurlijk heeft dit voor hem betrekking op het verleden. Hij ziet immers terug; hij gedenkt al zijn moeiten en verdrukkingen, maar ook de ervaren verlossingen. De dichter ziet dan dat alles wat hem overkwam Gods weg was. Zijn weg was geheel en al door de Heere bepaald. En deze ervaring van het verleden leert hem ook aangaande de toekomst: God, Die in het verleden alle dingen in zijn leven leidde, zal dat ook in de toekomst doen. Gods Woord spreekt ook wel over de weg van de mens als ‘de gang van ons leven’, zoals ieder mens zijn of haar weg gaat door het leven. Zo lezen we in Psalm 119 vers 168: ‘Al mijn wegen zijn voor U.’ En in Spreuken 21 vers 2: ‘Alle weg des mensen is recht in zijn ogen.’ Hier wordt niet alleen bedoeld de gang van het leven zoals wij die gaan, maar in het bijzonder de weg die door onze menselijke beslissingen en overleggingen bepaald wordt. Men spreekt dan ook van het ‘zijn eigen weg gaan’ als men naar eigen goeddunken alles maar beslist en ter hand neemt, zonder naar de wil des Heeren te vragen. En die ‘eigen wegen’ zijn meestal dwaze wegen. Het mag ons gebed daarom wel zijn of we in het 15
nieuwe jaar daarvoor bewaard mogen blijven. Zodat we met de dichter van Psalm 27 vers 11 mogen instemmen: ‘Heere, leer mij Uw weg.’ Daarbij moeten we bedenken dat in de Schrift over de wegen des Heeren in verschillende betekenissen gesproken wordt. Soms wordt met Gods weg bedoeld de weg van Gods bevelen, of Gods inzettingen. In Gods Woord worden wij aangespoord om in deze wegen te gaan, zoals bijvoorbeeld de profeet Jeremia vermaant: ‘Zo zegt de Heere: Staat op de wegen, en ziet toe, en vraagt naar de oude paden, waar toch de goede weg zij, en wandelt daarin.’ In het Schriftwoord dat we nu overdenken wordt met ‘de weg Gods’ bedoeld de leiding van de Heere, de regering van God zoals dat in het leven van de mensen openbaar wordt. Immers, alle menselijke beslissingen, hoe diep zondig soms, zijn onderworpen aan een Goddelijke leiding. Farao weigerde in zijn verderfelijke halsstarrigheid het volk van Israël te laten trekken. Dat was een dwaze daad. Toch zegt de Heere tot Mozes: ‘Ik heb zijn hart verhard.’ God regeert. Zelfs de zonden van mensen, alhoewel die voor rekening van de mens blijven, zijn in het besluit van God opgenomen. Wij kunnen dat vaak niet begrijpen, maar het is niet een zaak van begrip, maar van geloof. De kerk drukt in haar geloofsbelijdenis uit dat zij gelooft in de regering van God, ook al wordt dat geloof in de kruisweg waarin God Zijn kerk leidt dikwijls beproefd. De psalmist belijdt hier nu ook zijn geloof in Gods leiding en daarom spreekt hij van Gods weg. De Heere leidt alle dingen. Hemel en aarde zijn in Zijn handen. Niets is door Hem aan het toeval overgelaten. Daarvan spreekt ook onze Heidelbergse Catechismus: ‘Dat loof en gras, regen en droogte, vruchtbare en onvruchtbare jaren, spijs en drank, gezondheid en ziekte, rijkdom en armoede niet bij geval, maar van Zijn Vaderlijke hand ons toekomen.’ Van alles wat David in zijn leven overkwam - beken Belials, banden des doods, sterke vijanden, machtige haters - wist hij dat dit 16
plaatsvond in het licht van Gods regering. Nu heeft Gods regering niet alleen betrekking op het verleden, maar ook op de toekomst. Ook de toekomst is in Zijn handen. Alles staat God ter beschikking. God gaat ook in het nieuwe jaar Zijn weg. Soms kijken wij tegen beangstigende omstandigheden aan en zien op tegen bedreigende gebeurtenissen. Maar bedenk toch dat alles in Gods handen is. De mens en de wereld zullen uiteindelijk niet anders dan de weg van God kunnen gaan. Ook al gelooft de wereld - die met God geen rekening houdt - daar niets van. Om Maria en Jozef naar Bethlehem te laten gaan moet keizer Augustus bevel geven dat de gehele wereld die onder zijn macht staat, beschreven moet worden. Nu is het een voorrecht wanneer we door het geloof in deze regering van God de heerlijkheid van Zijn handelen mogen zien. Dat mag de dichter van Psalm 18 ook, want hij zegt immers dat Gods weg volmaakt is. Hij gelooft niet alleen dat God regeert, maar hij aanbidt de godsregering. Hij roemt deze als volmaakt. Er ontbreekt niets aan, zo stelt hij met verwondering vast. De dichter heeft geworsteld met allerlei benauwdheden. Hij was omringd met wateren vol doodsgevaar. Toch ziet hij dat de heilige en heerlijke regering van God in zijn leven volkomen beantwoordt aan Gods doel en voornemen. Daarom gebruikt hij het woord ’volmaakt.’ Er is geen ontsierende vlek op dit wonderlijk geheel; geen storende vergissing, nee, het is volmaakt. Het is een volkomen werk van God. Als u bedenkt wat er zoal gebeurt, zou het zomaar kunnen dat u aan het zinvolle van Gods regering twijfelt. Maar dat is omdat u de bedoeling van de gebeurtenissen niet begrijpt. Waarom gebeuren de dingen zoals ze gebeuren? Waarom die raadsels in ons leven en die onbegrijpelijke gebeurtenissen die ons zo kunnen benauwen of verontrusten? Dáár een ernstig sterfgeval, waarbij een jongeman of jonge vrouw uit het leven 17
wordt weggerukt. Hier een kind, dat een lege plaats achterlaat. Elders een ernstige ziekte, waarover we zoveel zorgen hebben. Zo zouden we kunnen doorgaan. Is dát nu de volmaakte weg Gods? Nee, vanuit zichzelf kan de mens, die vol morrend ongenoegen met God over Zijn doen twist, dit niet aanvaarden. Want om het volmaakte van Gods weg te zien is genade nodig, Dat heeft de dichter van Psalm 18 ook geleerd. Als de genade die ons in Christus verklaard wordt ons deel is, dán kan met de Catechismus worden beleden dat alles ons niet zomaar bij geval, maar uit Gods Vaderlijke hand toekomt. Dan mogen we erkennen dat Gods weg volmaakt is. Was dat ook niet het geval met de weg die Christus ging? Op die weg werd Christus verzocht door de duivel, gelasterd door de Farizeeërs, verraden door Judas, verloochend door Petrus, bespot door de moordenaar en Hij was van God verlaten in een drie uur durende duisternis. Bekneld door de banden van de hel is Hij in de diepten van de dood geweest en heeft Hij in het vuur van Gods gerechtigheid verkeerd. Maar ook in dit alles was Gods weg volmaakt en heeft Christus de dood overwonnen. Omdat alleen van Hem volkomen gold wat de dichter mocht belijden: ‘Maar ik was oprecht bij Hem, en ik wachtte mij voor mijn ongerechtigheid.’ (vers 24). Nu, in Christus is de weg van God volmaakt geweest, want door Zijn lijden en dood moest de raad van God worden uitgevoerd. Daarom was Christus’ weg, Gods weg. Door Zijn Woord en Geest leert de Heere Zijn volk hun levensweg te bezien in het licht van recht en genade. Hoe zwaar onze levensweg ook mag zijn, maar door Gods goedertierenheid en genade is deze nooit zo zwaar als die naar Goddelijk recht had móéten zijn. Wat ons in het leven ook overkwam, het was in de raad van God en naar die raad zal de Heere leiden, ook in de toekomst. In onze weg heeft God goedertierenheid betoond en die zal Hij ook in het toekomende betonen! Hoe groot is het als ik dit door 18
het geloof mag zeggen. Immers, het maakt nogal wat uit of ik alleen met de mond belijd dat Gods weg volmaakt is, óf dat ik in al mijn levensnood met de psalmist in een waar geloof van harte mag belijden dat de weg van God volmaakt is. Dit geloof komt op drieërlei wijze openbaar: in tegenspoed, in voorspoed, maar heeft ook betrekking op de toekomst. In tegenspoed doet het geduldig zijn, in voorspoed dankbaar, maar ten aanzien van het toekomende doet het vertrouwend opzien naar Hem Die alles leidt. De dichter mag niet alleen getuigen van het volmaakte van Gods weg, maar hij spreekt ook van de beproefde trouw van God. Hierbij willen wij stilstaan in onze tweede gedachte. 2. De beproefde trouw Gods Het mag onze aandacht wel hebben dat de dichter in onze tekst verschillende namen gebruikt om het heilig Wezen aan te duiden. Enerzijds spreekt hij over ‘Gods weg’, anderzijds over ‘de rede des Heeren’. Hij spreekt dus over God en de Heere. God is de God van de gehele schepping; Zijn macht en heerschappij worden overal openbaar. Er is, zo zegt de dichter van Psalm 19, geen sprake, waar de stem van God niet wordt gehoord. God leidt allen én alles. Maar Hij wordt alleen als de Heere, de Ik zal zijn die Ik zijn zal, gekend door Zijn volk. Bij Zijn gunstgenoten heeft Hij Zich een heilige en heerlijke woning gemaakt. Daar heeft Hij Zijn getuigenis gegeven. Dat getuigenis, dat spreken van de God van het Verbond, is de rede des Heeren waarover de dichter spreekt. Eerst moeten we nagaan wat de rede des Heeren eigenlijk inhoudt om daarna te bezien, hoe en waarin die rede doorlouterd wordt. De inhoud van het spreken van God tot Zijn volk is, dat Hij de God van dat volk ís en zíjn zal. God geeft Zichzelf weg en Hij maakt Zijn volk tot Zijn eigendom. Dat is het wonder van het verbond van God. In de oude bedeling wordt dit geheim 19
in het bijzonder in de tempeldienst zichtbaar. Israël mag tot de heilige woning van God komen, waar God tot Zijn volk spreekt van boven het verzoendeksel. Maar nu komt het er zo op aan dat wij die rede des Heeren, dat spreken van God, ook werkelijk in ons leven leren verstaan. Want dat is vrucht van het werk van God. Dan wordt het spreken van God in ons leven werkelijkheid. Dan wordt het zo heel persoonlijk waarheid voor mij, dat ik de mens ben die buiten Gods gemeenschap sta en tot de heilige en rechtvaardige God niet meer komen kan. De zonden maken immers die geweldige scheiding tussen Hem en mij. Maar hoewel het rechtvaardig zou zijn als die scheiding voor eeuwig zou zijn, wil God in grote en onbegrijpelijke ontferming op mij neerzien. En roept Hij mij toe dat Hij een weg baande waarlangs God tot mij komen kan en zal. O wat is die rede des Heeren een wonder, als ik horen mag dat ik nog zalig kan worden. Hebt u die rede des Heeren, dat spreken van God, weleens gehoord? Hebt u met een oor des geloofs de prediking van het Evangelie mogen horen en hebt u met een oog des geloofs op die volkomen Zaligmaker mogen zien, Die veel schoner is dan de mensenkinderen? Dan hebt u uitgeroepen: Hoe zoet zijn mij Uw redenen geweest, Geen honing kon ’t gehemelt’ beter smaken. Wanneer de Heere mij alles ontneemt en tot mij als een verloren zondaar spreekt van vergeving en verzoening door het geloof, dan springt mijn ziel op van verwondering. In welke mate de rede des Heeren door het geloof ook mag worden gehoord, altijd hoort men daarin dat God de handen van eeuwige liefde uit enkel genade uitstrekt naar Zijn volk. Dan spreekt God daarin uit dat Hij de Zijnen tot een God wil zijn, Die voor tijd en eeuwigheid, voor lichaam en ziel zorgt. Dan is er niets in ons leven waarin de Heere níet Zijn trouwe zorg zal 20
openbaren. Wat ziet het geloof in die rede des Heeren een ruimte! Dan is er geen gebrek. Dan kan ik met mijn God over een muur springen en door een bende dringen. Dan kan ik de toekomst wel aan. Dan zijn alle bergen als het ware weggedaan en zien we een vlakke weg en een zekere toekomst voor ons. Dan weten we zo zeker dat de Heere zorgen zal en dat we alle noden aan Hem mogen toevertrouwen, ja, dat we geen vijand hebben te vrezen. Maar hoe wordt dat nu beproefd? We hebben allereerst overdacht dat de weg van God volmaakt is. Maar in die weg van God wordt de rede Gods ook doorlouterd, dat wil zeggen beproefd. Dan wordt beproefd of wij het spreken van God ook geloven. Dat is het beproeven van het geloof. Dat betekent niet alleen dat de echtheid van het geloof, waarmee de Goddelijke waarheid wordt omhelsd, wordt getoetst. Maar in de strijd van het leven wordt ook de waarheid Gods in het vuur van de beproeving gebracht. Het gaat er daarbij om of God waar is en of Zijn Goddelijke toezeggingen waarachtig zijn. Is Hij de God, op Wie men aan kan, en is Zijn Woord waar? Juist in de weg Gods gaat het om de beproeving van de rede des Heeren. Kijk, zo zien we de beproevingen in de nood van het leven in een ander licht. Laten we het aan de hand van enkele voorbeelden uit Gods Woord eens nagaan. Dan denken we allereerst aan Abraham. De Heere heeft tot hem gesproken in het land van de Chaldeeën. Daar is hem gezegd: ‘En Ik zal u tot een groot volk maken, en u zegenen, en uw naam groot maken; en wees een zegen.’ Het zegenen door God houdt in dat de Heere hem tot een God zal zijn. Deze zegen zal bevestigd worden in het zaad dat God hem geven zal. Maar Gods weg is de weg van het onmogelijke. Zoals het zich laat aanzien kán het in Gods weg niet meer voor Abraham. Maar in Gods weg zal het toch geschieden. De Heere beproeft het geloof van Abraham in Zijn Woord, als zijnde een waarachtig Woord. Door de onmogelijkheid heen, ja 21
zelfs door de dood heen, zal God het waar maken. Door het geloof heeft Abraham het met deze rede des Heeren kunnen wagen toen hij met Izak de berg Moria beklom, ‘overleggende dat God machtig was, hem ook uit de doden te verwekken’ (Hebr. 11:18). Ook in het leven van Jozef is er sprake van de rede des Heeren. Dat wil zeggen dat God gesproken heeft. Maar Jozef wordt slaaf in het huis van Potifar en later een gevangene in Egypte. Is dat Gods weg met Jozef? Ja. Juist daarin wordt Gods rede beproefd. Later was het: ‘Gijlieden wel, gij hebt kwaad tegen mij gedacht; doch God heeft dat ten goede gedacht.’ Ook hier is de rede des Heeren doorlouterd, beproefd, en blijkt Gods Woord waar te zijn! Zo is het ook in Davids leven. Samuël zalft David tot koning op Gods bevel, maar David komt in de nood door vele vervolgingen, zodat hij vreest nog eens in de handen van Saul om te komen. Hij vlucht naar Ziklag en trekt met de Filistijnen op naar het slagveld. Maar ondanks de dwaasheid van Davids ongeloof en de verschrikkingen van allerlei beproevingen, schittert ook in het leven van David de waarheid van de rede des Heeren. De waarheid van Zijn toezegging komt toch tot openbaring, want de Heere heeft hem gered uit de hand van al zijn vijanden en uit de hand van Saul (Ps. 18:1). Zo is ook in Davids leven de rede des Heeren doorlouterd. Zo is ook de weg van God ten aanzien van de vervulling van de belofte van de geboorte van de Zoon van God. Hij is gekomen. De stal van Bethlehem predikt het dat de rede des Heeren doorlouterd is. Goud wordt doorlouterd in de smeltkroes, waarna de echtheid ervan openbaar komt. Dan blijft alleen goud over. Zo werpt God Zijn rede, Zijn spreken, in de smeltkroes en dan blijft alleen Gods Woord over. Alles wat van de mens is zal in dat louteringsproces verdwijnen, maar Gods Woord en werk blijven bestaan. Dat is de rijke ervaring van de heiligen van alle eeuwen. Dit is de levenservaring van David. Ondanks menselijke ontrouw 22
(denk aan Ziklag) en vele smartelijke beproevingen, bevestigt de getrouwe God Zijn rede, dat is Zijn Woord. Dit geeft dan ook hoop voor de toekomst. Immers, deze bevestiging van Gods trouw en macht werkt de hoop dat Hij, Die de toekomst in Zijn handen houdt, ook in de toekomst Zijn Woord zal waarmaken. Ja gewis, dat Woord van God zal wel doorlouterd worden, beproefd worden, maar juist daardoor ook zijn uitnemende glans en heerlijkheid gaan vertonen. We hebben allen nodig dat we de rede des Heeren leren verstaan. Dat we vanuit het Woord van God leren dat de God des verbonds Zich openbaart als de God, Die ons voor Zijn rekening wil nemen. Van nature leeft de mens zonder God in de wereld, zonder Christus en zonder genade. Naar het recht van de rechtvaardige God zou Hij ons aan onszelf kunnen overlaten en aan onze eeuwige vervreemding van Hem. Maar naar het voornemen van Zijn wil heeft Hij lust om naar mensen om te zien. Hij heeft Zijn Zoon tot een Zaligmaker in de wereld gezonden. In Hem predikt Hij Zijn lust tot behouden en ontvouwt Hij de rijkdom van Zijn ontferming. Daar is de rede Gods vol van. In die rede spreekt Hij de verloren zondaar aan. Wat zijn ze gelukkig die met een door Gods Geest gewerkt geloof deze rede des Heeren beluisteren mochten en zich daarop leerden verlaten. Dat is het voorrecht van het volk van God. Dat volk is door het Woord geraakt; God sprak hen erin aan. Ze hebben het met verwondering gehoord dat, hoewel zij de eeuwige dood waardig zijn, God met hen te doen wil hebben. Dit Woord verbond hen aan Hem Die tot hen sprak, zodat zij het mogen uitroepen: ‘Hoe zoet zijn mij Uw redenen geweest.’ Weet u van dat huppelen van zielenvreugd, toen u de kracht van Gods lieve Woord mocht ervaren? Toen in die rede des Heeren voor u een weg opengesteld werd, die u niet kende? Toen u smaakte dat de Heere goed is? Daarmee alleen kunt u toch de toekomst in. Wat baat het u als u alles wat deze wereld biedt verkrijgt, zoals rijkdom, eer, macht, genot en wat er meer op de 23
wereld mag zijn? Dat alles schiet voor eeuwig tekort. Maar met dat Woord van God, met die rede des Heeren, kunt u de toekomst in. Ook al moet het volk van God de doorloutering van dat Woord tegemoet zien. Immers ook in de toekomst doorloutert de Heere Zijn rede. Hij scheidt het Zijne van het onze af. Toen u het Woord hoorde, hebt u niet vermoed wat er nog op volgen zou. Jozef had niet op slavernij en gevangenschap gerekend, maar het volgde op Gods spreken. Zo staan we ook aan het begin van het nieuwe jaar. U kunt het nu wel niet bezien, maar het zal vast en zeker zo geschieden, want de Heere heeft het gesproken. In deze beproevingen doorloutert de Heere Zijn Woord, zodat alleen het Woord overblijft. De God van het Woord, de Heere van het Verbond, zal Zijn Woord bevestigen. En nu hoeft u niet te weten wat er allemaal gebeuren zal, maar weet dat God hetgeen Hij belooft, ook zal waarmaken, zelfs door nood en dood heen. Het goud gaat wel in de oven, maar de goudsmid staat erbij. Zo handelt ook de Heere. Daarom is Zijn weg volmaakt en Zijn rede doorlouterd. Daarom is Hij ook een Schild allen, die op Hem betrouwen. Daarvan willen wij met elkaar spreken in onze derde gedachte. 3. Het veilige Schild Gods We weten wat een schild is. Dat is een verdedigingswapen waarmee oudtijds in de strijd de pijlen en speren van de vijand afgewend werden. In de strijd kan zo’n wapen niet ontbreken. Dat zou zeer gevaarlijk zijn. De pijlen van de vijand zouden u kunnen verwonden. Een speerstoot zou u een dodelijke slag kunnen toebrengen. U moet het schild dan ook niet vergeten, strijder, en het zorgvuldig gebruiken. Als u maar een ogenblik de geboden waakzaamheid uit het oog verliest, kan u dat noodlottig worden. Uw vijand loert op u. Nu horen we juist in dit gedeelte dat wij nu overdenken dat het leven van de kinderen van God strijd inhoudt. Op veel plaatsen in 24
de Schrift gebruikt de Heere beelden die aan de strijd ontleend zijn en vergelijkt Hij het leven van de Zijnen bij een gedurige strijd. In deze psalm lezen we ook over ‘krijgsrumoer’. Maar het duidelijkst spreekt de brief aan Efeze in hoofdstuk 6 over de geestelijke strijd. Daar schrijft de apostel over de geestelijke wapenrusting van de gelovigen en noemt hij ook het schild des geloofs. Met grote nadruk vermeldt hij daar de noodzaak het schild te hanteren. Hij zegt immers: ‘Bovenal aangenomen hebbende het schild des geloofs, met hetwelk gij al de vurige pijlen des bozen zult kunnen uitblussen.’ Welnu, ook in onze tekst lezen we van een schild. Een schild behoort thuis in de strijd. Als er geen strijd is hebt u geen schild nodig. Dus er zal strijd zijn; ja zeker, de pijlen des duivels zullen er zijn. U moet dit gedeelte van deze tekst ook lezen in het verband met het voorgaande. In de weg Gods zal de duivel alles in het werk stellen om Gods kind van God en Zijn Woord af te trekken. Om het kind van God tot vertwijfeling aan de Heere en Zijn heilige regering te brengen. De duivel wil u God doen verdenken; hij zoekt u tot wanhoop te brengen. Hij is geoefend in het hanteren van velerlei listen, waardoor hij de kinderen des Heeren lagen legt. Hij weet van hun zonden en zwakheden en wijst hen daarop, zoals hij Jozua de hogepriester wees op zijn vuile kleding. Hij fluistert u in: ‘Vanwege uw zonden zal God niet meer naar u omzien. Uw verwachtingen zullen beschaamd worden, want meent u dat God naar zo’n mens nog zal omzien?’ Wat kan onder zulke beschuldigingen waarmee de gelovigen benauwd worden, de vrijmoedigheid om op God te hopen en Hem te verwachten, ingezonken zijn! De duivel wijst dan op de onmogelijkheden van de vervulling van het Woord van God. Als dan het verstand aan het woord komt kán het immers niet. Hoe zal dan Abraham een zaad hebben? Hoe zal Jozef uit de gevangenis verhoogd worden? Hoe zal de Christus Gods ooit op de aarde komen? Dat is toch onmogelijk? 25
Als u op de omstandigheden ziet dan is er geen hoop. Wat zijn de pijlen van satan gevaarlijk! Hij verzoekt immers ook tot het kwade. Hij wil u tot valse rust brengen, of tot een ijdel zelfvertrouwen. Hij verleidt u te zondigen, opdat hij des te gemakkelijker uw geweten benauwen kan. En in dit alles bedient hij zich soms van mensen, ja dikwijls van hen, die u het meest na staan. Zo bent u met vijanden omringd. We gaan een nieuw jaar in. Veel is onzeker. Wie kan over de toekomst iets zeggen? U moet echter dit bedenken, dat ook dit jaar de strijd blijft. Uw tegenpartijder gaat om als een briesende leeuw. Hij heeft het op u gemunt. Hij is erop uit om u in zijn strikken te vangen en u met zijn pijlen te verwonden. Daarom hebt u een schild nodig. Dit Schild is de Heere Zelf. Zo lezen we het in onze tekst: ‘Hij is een Schild.’ Gods Woord spreekt er op een andere plaats van dat het schild dat beschermt het schild des geloofs is. In feite is dit schild des geloofs de Heere Zelf. Immers, alleen in en door het geloof mag in de Heere Zelf beschutting worden gezocht. Dan ervaren we dat Hij ons Schild is. Ja, eigenlijk kunnen we het beter zeggen zoals het in Efeze 6 vers 16 staat: ‘Bovenal aangenomen hebbende het schild des geloofs, met hetwelk gij al de vurige pijlen des bozen zult kunnen uitblussen’ Dan nemen we het aan, dat Schild, dat de Heere Zelf is. Hoe dan? Wel, tegenover al de beschuldigingen van de duivel die op de zonden en de zwakheden van de gelovigen wijst, mag Gods Kerk zien op de vrije en eenzijdige genade Gods. Heeft Hij niet in Zijn Woord gezegd: ‘Ik doe het niet om uwentwil, maar om Mijn heilige Naam’. Dat God omziet naar een verloren zondaar vindt zijn oorzaak in God Zelf. En in dat eenzijdige ontfermen Gods vindt nu Gods kerk een schild tegenover alle beschuldigingen van de satan. Gelukkig zijn zij die zich op de Naam des Heeren mogen verlaten. Zij mogen beschutting zoeken in Zijn genade. Zij mogen zich geheel aan Hem toevertrouwen. Dan ziet u van uzelf af. 26
Dan valt alle eigenwaarde weg. Als al het onze er aangaat door de ontdekking van de Heilige Geest en slechts een verloren zondaar overblijft, dan mag door het geloof, dat zich op het spreken Gods verlaat, de zondaar schuilen achter het schild van Gods genade. Tegenover alle beschuldigingen van de duivel roepen de oprechten: ‘Genade, genade, genade alleen.’ Deze genade is gegrond in de gehoorzaamheid van de dierbare Zaligmaker, Die alle schuld droeg en alle vervloeking aanvaardde. Degenen die zich zó verlaten mogen op genade alleen, die ervaren dat de Heere een Schild is. Maar wanneer men de omstandigheden in aanmerking neemt en de onmogelijkheid wordt ingeleefd, dan gaat Gods Woord ons spreken van Gods macht. Hij is het Die voor Israël een weg in de zee maakte en Zijn pad was door diepe wateren. Toen het volk voor de zee stond was er geen weg, maar God beval door Mozes: ‘Vreest niet, staat vast, en ziet het heil des Heeren’. Hij is de Almachtige. Zijn Woord zal Hij door Zijn macht bevestigen en waarmaken, opdat de Kerk van alle eeuwen het weten zal: ‘O Heere, Uw rechterhand is verheerlijkt geworden in macht.’ Met die almachtige God kunt u verder, wat de duivel ook aan bezwaren opperen zal. Wie met de rede des Heeren aan de macht Gods verbonden wordt, zal weten dat geen ding voor de Heere onmogelijk is. Toen Abraham Hagar genomen had om zo de Heere te helpen, zei de Heere: ‘Ik ben God, de Almachtige. Dacht u dat Ik Hagar nodig had, Abraham? Nee, Ik ben de Almachtige.’ O, wat een heerlijk Schild is de Heere voor hen, die bij de Almachtige mogen schuilen. En hoe onmogelijker het wordt, hoe heerlijker de deugd van Gods almacht gaat schitteren voor Gods Kerk. Zo zullen al Zijn deugden de uitnemendheid van het Schild des geloofs doen schitteren. Alleen daarmee kunt u de toekomst in. En dat zal zeker een toekomst zijn van strijd, maar er is een heerlijk Schild, Christus. Geen pijl of speer zal dat Schild doorboren. Daarachter bent u veilig. 27
De Schrift zegt hier: ‘Voor allen, die op Hem betrouwen.’ Dát is waar het voor ons op aankomt. Want als we op Hem betrouwen, is Hij ons Schild des geloofs. Immers, in het geloof is niet alleen een weten dat de Heere voor Zijn volk een Schild is, maar ook een hartelijk en oprecht vertrouwen dat Hij ook voor míj zo’n Schild wil zijn. Dan mag ik naar God vluchten, hoe Zijn weg ook is. Hij gaat immers door diepe wateren. Zijn rede is doorlouterd. De dichter zegt eigenlijk: Op God kunt u aan. Met Hem wordt u niet beschaamd. Hij houdt getrouw Zijn Woord. Daar kan niets tegenop. En de dichter spreekt uit ervaring! Wat is de mens arm die God niet kent, die van Zijn weg niet weet, die van Zijn rede nooit heeft gehoord, die de bescherming van Zijn Schild niet kent. Wat moet die mens in de toekomst? Er is geen heil dan alleen in God. Wat zou u zoeken in deze wereld die u arm en leeg zal laten? Wat voor toekomst moeten wij u voorstellen? Geen andere dan deze. Buiten God is er geen leven. Alle wereldvreugde gaat voorbij. Eenmaal laat u alle rijkdom achter. Maar in de Heere vindt Gods Kerk een Schild, een Schuilplaats Die niet wankelt. U kunt op Hem rekenen, zo roept David uit. Maar hij moest ook zeggen: ‘O, helaas, wat hield ik Hem vaak verdacht; wat durfde ik het weinig met Hem te wagen, maar hoe beschaamd ben ik uitgekomen met Ziklag en met alle oplossingen die ik buiten de Heere zocht. De Heere hield echter getrouw Zijn Woord. Hij is een Schild voor allen, die op Hem betrouwen. Allen die het met Hem gewaagd hebben, hebben de waarheid van Zijn rede ervaren. Ook in een leven van strijd. De dichter zingt van dit geloof dat zelfs in de duisternis in de Heere roemt. Laten wij daarvan samen zingen uit Psalm 27 vers 7: Zo ik niet had geloofd, dat in dit leven Mijn ziel Gods gunst en hulp genieten zou, Mijn God, waar was mijn hoop, mijn moed gebleven, 28
Ik was vergaan in al mijn smart en rouw. Wacht op de Heer’, godvruchte schaar, houd moed: Hij is getrouw, de Bron van alle goed; Zo daalt Zijn kracht op u in zwakheid neer, Wacht dan, ja wacht, verlaat u op de Heer’. Vandaag is het Nieuwjaarsdag. Wij zijn dan gewoon elkaar veel goeds te wensen voor het nieuwe jaar. Maar één ding zouden wij elkaar boven alles moeten toebidden, namelijk dit, dat we met die God, van Wie David in ons Schriftwoord spreekt, het jaar zouden ingaan, de toekomst tegemoet. We weten niet wat in de schoot van de toekomst verborgen is, maar we weten dat God van Zijn volk nimmermeer wijkt. O, hoorders van Gods Woord, in God is een toevlucht. Hij spreekt ons aan in Zijn Woord. Dit Woord der zaligheid heeft Hij ons gezonden. Let toch op dat lieve Woord, want het gaat u aan. Het gaat om uw eeuwig en tijdelijk welzijn. Het eeuwige en tijdelijke welzijn bestaat alleen in het deelhebben aan deze genade. En die genade is nog te vinden. U mag het begin van dit nieuwe jaar nog in Gods huis vieren. Het is nog de dag der zaligheid voor u, waarin u wordt toegeroepen: ‘Wendt u naar Mij toe.’ We weten niet of we dit jaar beëindigen zullen. Wat de toekomst brengt weet de Heere alleen. Ook weet Hij wat in dit jaar ons persoonlijk of huiselijk deel zal zijn. Maar het is genoeg te weten dat God regeert. Gods kind behoeft meer niet te weten. Dan wordt er weleens gezegd: ‘Gods weg is volmaakt, zowel ten aanzien van het verleden, als van het heden, én van de toekomst.’ De doorlouterde rede des Heeren wijst ons naar het vaste verbond dat Hij bevestigt en naar het Schild dat Hij is voor allen die op Hem betrouwen. Hoe nodig is het toch dat we deel krijgen aan Gods genade. Daartoe laat de Heere ons nog in het heden van genade. Het is nu nog de dag van zaligheid. O, zoek dan niet de dingen die 29
voorbijgaan, maar zoek de dingen die des Heeren zijn. Nú kan het nog voor u. God roept het u ook nu nog toe: ‘Wordt behouden!’ En volk des Heeren, strijd zal er ook dit jaar zijn. Uw vijand gaat ook nu om als een leeuw die op prooi belust is. Reken ermee. Misschien is Gods weg een weg van beproevingen die voert door nood en dood. Misschien zal het donker zijn. Misschien zullen er momenten zijn dat u er niets van kunt bezien. Maar weet dat de rede des Heeren doorlouterd is. O, dat uw ziel op de God van het Woord geworpen zou worden, om met de rede des Heeren aan God verbonden te blijven. Hij is een God op Wie U aan kunt in leven en in sterven. Hij beschaamt niet degenen die het van Hem verwachten, want Hij zal uw ziel de waarheid doen ervaren die ook David ervaren mocht, namelijk dat Gods weg volmaakt is. Hij kon zeggen: Want God, de Heer’, zo goed, zo mild, Is ’t allen tijd een zon en Schild; Hij zal genaad’ en ere geven; Hij zal hun ’t goede niet in nood Onthouden, zelfs niet in de dood, Die in oprechtheid voor Hem leven. Welzalig Heer’, die op U bouwt, En zich geheel aan U vertrouwt. Amen.
30